J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2020/05/05/2020041184/justel

Titel
5 MEI 2020. - Bijzondere machtenbesluit nr. 19 met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging bij de Raad voor vreemdelingenbetwistingen en de schriftelijke behandeling van de zaken

Bron :
BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 06-05-2020 nummer :   2020041184 bladzijde : 32937       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2020-05-05/01
Inwerkingtreding :
09-04-2020
06-05-2020

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-7

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Met uitzondering van de termijnen voorzien in onderhavig besluit en voor zover nog geen arrest werd geveld, worden de termijnen, die van toepassing zijn op het instellen en het behandelen van de procedures voor de Raad voor vreemdelingenbetwistingen, die vervallen tijdens de periode vanaf 9 april 2020 tot en met 3 mei 2020, einddatum die door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit kan worden aangepast, en waarvan het verstrijken tot verval of tot een andere sanctie leidt of zou kunnen leiden indien niet tijdig wordt gehandeld, van rechtswege verlengd tot dertig dagen na afloop van die in voorkomend geval verlengde periode.
  Het eerste lid is niet van toepassing op beroepen en vorderingen ingediend op grond van de artikelen 39/77, 39/77/1, 39/82, § 4, tweede lid, 39/84 en 39/85 van de wet van 15 december 1980 houdende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  De beroepstermijn die bepaald is in artikel 39/57, § 1, tweede lid, 1° en 3°, tweede zin van de wet van 15 december 1980 houdende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die vervalt in de in het eerste lid bepaalde periode wordt vastgesteld op 15 dagen.

  Art. 2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan, in afwijking van andersluidende bepalingen, vanaf de datum van publicatie van dit besluit tot en met 18 mei 2020, de beroepen en de vorderingen ingediend op grond van de artikelen 39/77, 39/77/1, 39/82, § 4, tweede lid, 39/84 en 39/85 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zonder openbare terechtzitting behandelen, nadat alle partijen, hun nota met opmerkingen of hun aanvullende nota als bedoeld in artikel 39/76, § 1, tweede lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen hebben kunnen overmaken, en dit tot dertig dagen na het verstrijken van die periode.
  De in eerste lid bedoelde einddatum kan door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit worden aangepast.

  Art. 3. Indien toepassing wordt gemaakt van artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980, betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Raad, tijdens de in artikel 2, eerste lid, bepaalde periode, uitspraak doen zonder openbare terechtzitting, en dit tot zestig dagen na het verstrijken van die periode.
  In dit geval, en in afwijking van andersluidende bepalingen in voormeld artikel 39/73, deelt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter, aan de partijen, bij beschikking de motieven mee, waarom hij oordeelt dat het beroep, op het eerste zicht, door middel van een louter schriftelijke procedure kan ingewilligd of verworpen worden.
  Onverminderd het in artikel 39/60 van de wet van 15 december 1980 bedoelde verbod, kunnen de partijen een pleitnota overmaken, binnen een termijn van 15 dagen volgend op de verzending van de beschikking.
  Indien geen der partijen een pleitnota heeft overgemaakt binnen de 15 dagen volgend op de verzending van de beschikking, dan worden zij geacht in te stemmen met de in de beschikking opgenomen grond en wordt naargelang het geval het beroep ingewilligd of verworpen.
  Indien één der partijen een pleitnota heeft overgemaakt binnen de 15 dagen volgend op de verzending van de beschikking, dan neemt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter deze mee in overweging en doet hij onverwijld uitspraak, of beveelt hij de heropening van de debatten en nodigt de partij die geen pleitnota heeft ingediend uit er één neer te leggen binnen de 15 dagen na de verzending van de beschikking. Bij het verstrijken van deze termijn, sluit hij de debatten en neemt de zaak in beraad.
  Indien een partij in toepassing van voormeld artikel 39/73 voor de inwerkingtreding van dit besluit heeft gevraagd te worden gehoord en er nog geen zitting heeft plaatsgevonden, nodigt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter de partij bij beschikking uit om een pleitnota over te maken binnen de 15 dagen na de verzending van de beschikking. Indien de betrokken partij nalaat een pleitnota over te maken wordt hij geacht afstand te hebben gedaan van zijn vraag tot horen.

  Art. 4. Tot 60 dagen na het verstrijken van de in artikel 2, eerste lid bedoelde periode kunnen de partijen in de gevallen waarin de artikelen 2 en 3 voorzien, al hun procedurestukken en aanvullende stukken indienen op het hieronder bepaalde of op elk ander e-mailadres dat hen door de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt meegedeeld.
  - Voor verzendingen in het kader van artikel 3: `procedure.rvv-cce@ibz.fgov.be'
  - Voor de verzendingen in het kader van een versnelde procedure als bepaald in de artikelen 39/77 en 39/77/1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen: `39-77_39-77-1@rvv-cce.fgov.be'.
  - Voor de verzendingen in het kader van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid als bepaald in de artikelen 39/82, § 4, tweede lid, 39/84 en 39/85 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen:
  `Fr.Permanence@rvv-cce.fgov.be'
  `Nl.Permanentie@rvv-cce.fgov.be'

  Art. 5. Tot 60 dagen na het verstrijken van de in artikel 2, eerste lid bedoelde periode worden in de gevallen waarin de artikelen 2 en 3 voorzien alle kennisgevingen en mededelingen door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op elektronische wijze verzonden, behalve indien het vreemdelingen betreft die geen gebruik kunnen maken van elektronische procedures.

  Art. 6. Artikel 1 van dit besluit heeft uitwerking vanaf 9 april 2020.
  Voor het overige, treedt dit besluit in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  Art. 7. De minister die bevoegd is voor Asiel en Migratie, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 5 mei 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Asiel en van Migratie,
M. DE BLOCK

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I), artikelen 2, 3, § 1, en 4, eerste lid;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 15 april 2020 ;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 17 april 2020 ;
   Gelet op advies 67.282/4 van de Raad van State, gegeven op 27 april 2020 met toepassing van artikel 4, eerste lid, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19; (I);
   Overwegende het advies 67.182/1-2 van de Raad van State, betreffende de ontwerpen van koninklijk besluit, die het koninklijke besluit nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken en het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken, zijn geworden;
   Overwegende de dringende noodzakelijkheid zo vlug mogelijk een antwoord te bieden op de moeilijkheden die het maatschappelijk, economisch, gerechtelijk en administratief leven ondervindt als gevolg van de maatregelen die genomen worden tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19;
   Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, en van Asiel en Migratie en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Het koninklijk besluit dat ik de eer heb aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen strekt ertoe tegemoet te komen aan een reeks dringende problemen die veroorzaakt worden door het gaandeweg stilvallen van het maatschappelijk, economisch, gerechtelijk en administratief leven als gevolg van de maatregelen die worden genomen ter bestrijding van de dreiging van het COVID-19-virus.
   Te dien einde worden twee concrete maatregelen genomen, die het verloop van de procedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zo normaal mogelijk moet laten verlopen, teneinde ook in deze crisisperiode en in de moeilijke werkomstandigheden, rechtsbescherming te kunnen bieden, met voldoende aandacht voor de rechten van verdediging.
   Artikel 1, eerste lid
   Vanaf de dag dat de strengere veiligheidsvoorschriften van de Regering en de daaruit voortvloeiende beperkingen van het openbaar leven en van de bewegingsvrijheid ingegaan zijn (18 maart 2020), bestaat het risico dat verplichte proceshandelingen voor jurisdictionele organen niet tijdig verricht zullen kunnen worden. Weliswaar schorst overmacht elke termijn, maar het is evident dat grote discussies zullen ontstaan over de vraag of de corona-maatregelen in alle omstandigheden een dergelijke, laat staan strikte vorm van overmacht opleveren.
   Ook voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bestaat het risico dat proceshandelingen niet tijdig verricht zullen kunnen of konden worden.
   Op die grond moeten, zolang die periode loopt, nadelige rechtsgevolgen vermeden worden, wat betekent dat processuele vervaltermijnen die gedurende die crisisperiode vervallen, verlengd moeten worden. Dat geldt eveneens voor vervaltermijnen waarop een gelijkaardige sanctie staat, zoals bijvoorbeeld de ambtshalve wering uit de debatten van een laattijdig procedurestuk.
   Dit ontwerp voorziet dan ook in een verlenging van de termijnen, naar het voorbeeld van de procedures voor de hoven en rechtbanken.
   Die termijn van dertig dagen - en dus niet één maand zoals voor de hoven en rechtbanken geldt - komt tegemoet aan de specifieke voorschriften voor het berekenen van de termijnen die gelden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
   De termijnverlenging geldt zowel voor de termijnen binnen dewelke de partijen hun beroep moeten instellen, als voor deze binnen dewelke de partijen bijvoorbeeld hun nota met opmerkingen en hun synthesememorie moeten indienen.
   Omwille van de rechtszekerheid dringt een dergelijke eenvoudige en uniforme, a.h.w. "forfaitaire", regeling zich op, omdat die het best de rechtsbelangen behartigt, en omdat daarbij iedereen de kans krijgt om binnen een redelijke termijn na het einde van de lopende crisisperiode, alsnog op te treden. Om dus te vermijden dat bijvoorbeeld de dag waarop de crisis ophoudt meteen de dag zou zijn waarop in extremis zou moeten worden opgetreden, wat het geval zou kunnen zijn wanneer de termijnen geschorst worden, wordt ervoor gekozen om de vervallende termijnen te verlengen tot dertig dagen na het einde van de in artikel 1, eerste 1 bedoelde periode.
   Die extra periode van dertig dagen maakt het voor zowel de partijen als de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mogelijk dat zij kunnen overleggen en zich herorganiseren om betekeningen, kennisgevingen, neerleggingen van memories, mededelingen enz. opnieuw vlot te laten verlopen, zodat vermeden wordt dat op de dag of in een korte periode onmiddellijk na het einde van de crisis, een "bottleneck" ontstaat.
   De begindatum van de periode waarin bepaalde termijnen worden verlengd wordt gelijkgesteld met de begindatum die werd vastgesteld in de bijzondere machtenbesluiten nrs. 2 en 12, met betrekking tot de procedures bij de Raad van State en de gewone hoven en rechtbanken. Tevens worden zaken waarin reeds een arrest werd geveld uitgesloten. Dat neemt niet weg dat voor de voordien vervallen termijnen alsnog de toepassing van de gemeenrechtelijke overmachtregeling kan worden ingeroepen. De rechter zal daarover, geval per geval, oordelen.
   Deze regeling streeft een gelijke behandeling na van rechtzoekenden die verwikkeld zijn in procedures voor de justitiële rechter en die welke actoren zijn in een procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
   Ten slotte belet, overeenkomstig de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, de omstandigheid dat verschillende toestanden verschillend behandeld moeten worden niet dat, indien noodzakelijk, hun verscheidenheid opgevangen wordt in categorieën die slechts in grote lijnen en bij benadering met de werkelijkheid overeenstemmen.
   Bij dit alles mag bovendien niet uit het oog verloren worden dat hier een per hypothese tijdelijke noodmaatregel genomen wordt.
   Artikel 1, tweede lid
   Er wordt in een uitzondering voorzien inzake vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
   Bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn er twee types van dringende procedures. Het gaat enerzijds om het administratief kortgeding, gelijkaardig aan datgene zoals voorzien in de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, betreft het de vorderingen tot schorsingen bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de voorlopige maatregelen als bedoeld in de artikelen 39/82, § 4, tweede lid, 39/84 en 39/85 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: `de wet van 15 december 1980'). Deze verzoeken behouden, ook in de betrokken periode uiteraard hun uiterst spoedeisend karakter, en dulden geen uitstel.
   Anderzijds, kent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een ander type van procedure die een spoedeisende behandeling vergt. Het betreft de beroepen die bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen worden ingediend op grond van de artikelen 39/77 en 39/77/1 van de wet van 15 december 1980, door verzoekers om internationale bescherming, die zich bevinden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of die ter beschikking zijn gesteld van de Regering. De wetgever heeft voorzien dat in deze gevallen de Raad in het raam van het onderzoek van verzoeken om internationale bescherming zijn, bevoegdheid met volle rechtsmacht uitoefent via een versnelde procedure waarbij termijnen worden gerespecteerd die vergelijkbaar zijn met deze in procedures bij uiterst dringende noodzakelijkheid `sensu stricto'. Het is noodzakelijk dat de behandeling van beroepen van personen die het voorwerp zijn van een vrijheidsberoving, ook in een crisisperiode, verder kan gebeuren onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn met deze die gelden in het geval er een hoogdringendheid is. Hier kan ook een parallel worden getrokken met de situatie van personen die worden vastgehouden. Gezien het hier gaat om een beroep met volheid van rechtsmacht met ex-nunc beoordeling en nieuwe elementen kunnen worden aangebracht wordt in het derde lid de beroepstermijn verlengd tot 15 dagen.
   Het respecteren van de hoogdringendheid is in deze situaties zowel in het belang van de betrokken personen als in het algemeen belang.
   Het gaat hier dus niet om de "gewone" vorderingen tot schorsing bedoeld in artikel 39/82 § 1, van de wet van 15 december 1980. Wanneer een dergelijke vordering in de loop van de procedure toch uiterst dringend wordt, kan de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden gereactiveerd via een verzoek tot voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid in toepassing van artikel 39/85 van de wet van 15 december 1980.
   Het is de betrachting om aldus tijdens de crisisperiode alleszins de behandeling te waarborgen van zaken die een hoogdringende oplossing vereisen.
   Artikel 2, 4 en 5
   Deze bepaling regelt de procedure die gevolgd moet worden inzake de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, de vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de versnelde procedures, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, met inbegrip van dergelijke vorderingen die al voor de periode bedoeld in artikel 2 ingesteld zouden zijn. Deze procedures worden in de regel door een alleen zetelende kamervoorzitter of rechter behandeld.
   Vanaf de publicatie van dit besluit tot en met 18 mei 2020 kunnen ze, zonder openbare terechtzitting worden beslecht en dit tot dertig dagen na deze crisisperiode. Hoewel er progressieve versoepelingen van de maatregelen werden aangekondigd, blijven in het belang van de volksgezondheid een hele reeks veiligheidsmaatregelen en de regels rond "social distancing" van kracht, waardoor het nog zeker tot 18 mei onmogelijk zal zijn om op een normale wijze zittingen te organiseren. Het blijft dan ook minstens tot 18 mei belangrijk om daar waar mogelijk de beroepen volledig schriftelijk te behandelen. Gelet op het snelle verloop van de procedure in uiterst dringende noodzakelijkheid en de versnelde procedures, zou een periode van 30 dagen moeten volstaan om een uitspraak te garanderen.
   In de praktijk deelt de bevoegde kamer aan de partijen een tijdschema voor deze schriftelijke procedure mee. Dit tijdschema bepaalt naast een termijn voor het indienen van de nota met opmerkingen ook wanneer de debatten worden geacht te zijn gesloten zodat partijen weten voor welk tijdstip zij een eventuele aanvullende nota als bedoeld in artikel 39/76, § 1, tweede lid of een schriftelijke repliek op de nota met opmerkingen kunnen overmaken. De verzending van de nota met opmerkingen, of in voorkomend geval, de aanvullende nota in de procedures bedoeld in de artikelen 39/77 en 39/77/1, die op basis van dit tijdschema wordt gedaan, gebeurt uitsluitend per e-mail, indien ze uitgaat van een advocaat of een overheid (zie art. 4 en 5).
   De communicatie per e-mail is echter niet van toepassing wat betreft vreemdelingen die niet in staat zouden zijn van die elektronische procedures gebruik te maken. Er moet immers rekening mee worden gehouden dat een vreemdeling misschien geen computer of internetverbinding heeft. In het kader van deze schriftelijke procedure deelt de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan de partijen het e-mailadres of de emailadressen mee die gebruikt dienen te worden. De communicatie per e-mail is een tijdelijke uitzonderingsregel, die beperkt is tot de hierboven vermelde procedures. Dus ook voor de gewone procedures blijven de algemene regels voor de verzending van procedurestukken als voorzien in artikel 3, § 1 van het Koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en artikel 39/57-1 van de wet van 15 december 1980 de regel.
   Bovenvermelde regeling belet de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter niet om de partijen op te roepen voor een zitting, mits inachtneming van de nodige voorzorgsmaatregelen of om hen eventueel op te roepen op de welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 waar de vreemdeling zich bevindt of op de plaats waar hij ter beschikking gesteld wordt van de regering, op de door hem bepaalde dag en uur, zelfs op zon- en feestdagen, en dit conform de artikelen 39/77, § 1, derde lid en 39/77/1, § 1, derde lid van de wet van 15 december 1980.
   Artikel 3
   Zoals voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht en teneinde de continuïteit van de publiekrechtelijke rechtsbedeling in het asiel- en migratierecht te waarborgen, dient eveneens te worden voorzien in een bepaling die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toelaat om tijdens de in artikel 2 bedoelde periode, in andere procedures dan die bedoeld in artikel 1, tweede lid, arresten te wijzen zonder dat een openbare terechtzitting plaatsgevonden heeft.
   Voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn de procedures weliswaar in principe schriftelijk, toch bevatten ze steeds de verplichting om ook een openbare terechtzitting te houden.
   Voor de beroepen waarin de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter oordeelt dat een terechtzitting vereist is, zal er een zitting worden georganiseerd op grond van artikel 39/74 van de wet van 15 december 1980, met inachtneming van de voorschriften van de Nationale Veiligheidsraad.
   De wet van 15 december 1980 heeft reeds de mogelijkheid voorzien om uit te spreken middels een louter schriftelijke procedure indien de rechter van oordeel is dat het niet vereist is dat de partijen nog mondelinge opmerkingen voordragen. Artikel 39/73 van de wet voorziet een prioritaire behandeling van deze beroepen. Evenwel, volstaat het ook in dat geval dat één van de partijen vraagt om te worden gehoord, opdat een openbare terechtzitting dient te worden georganiseerd.
   Gelet op de vereisten van de "social distancing", -die met name, doch niet uitsluitend, de procespartijen, hun advocaten, de magistraten, de griffiers, het personeel, enz. betreffen, en waarbij het van het grootste belang is dat maximaal wordt voorkomen dat mensen gedwongen worden om hun woonplaats te verlaten, aangezien zij in principe verplicht zijn om er te verblijven- is het aangewezen om de mogelijkheid om een zitting te houden te beperken. Het is evenwel vereist om te vermijden dat een maatregel wordt genomen die het recht van de partijen op een tegensprekelijk debat limiteert. Daarom werd de mogelijkheid tot het vragen om een terechtzitting, vervangen door de mogelijkheid om een pleitnota in te dienen.
   Indien één van de partijen een pleitnota heeft ingediend, houdt de rechter hiermee rekening in zijn arrest. Indien hij dit nodig acht, kan hij ook beslissen om de debatten te heropenen teneinde de partij die instemde met de beschikking, op zijn beurt de mogelijkheid te geven een pleitnota neer te leggen. Dit zal, in het bijzonder, het geval zijn wanneer de argumenten die in de pleitnota werden ontwikkeld de rechter ertoe zouden aanzetten om zijn analyse van de zaak te wijzigen. In dit geval is het noodzakelijk dat de partij in wiens belang het was dat de beschikking zonder meer werd gevolgd, de mogelijkheid heeft om te reageren op de pleitnota van de andere partij. Deze mogelijkheid, gaat evenwel niet gepaard met enige sanctie. De partij die niet reageert, doet dit op eigen risico en de rechter oordeelt op basis van het rechtsplegingsdossier zoals het voorligt.
   Het spreekt voor zich dat de rechter, zoals ook op heden het geval is, steeds kan beslissen om op grond van de neergelegde pleitnota(`s) om de zaak naar de algemene rol te verwijzen, teneinde deze via een gewone procedure met terechtzitting te behandelen.
   Het is aldus de rechter die steeds en uiteindelijk, de leiding heeft over het procedureverloop. Voor zover het beroepen betreft die prioritair behandeld moeten worden in de zin van de wet van 15 décember 1980, is het logisch dat hij nog steeds de mogelijkheid heeft om deze beroepen prioritair te behandelen, zelfs in een crisisperiode. De procedure in dit ontwerp moet hem de mogelijkheid geven om dit te doen, zonder te raken aan de rechten van verdediging, de wapengelijkheid en in het algemeen, het tegensprekelijk debat.
   De termijn werd op 15 dagen vastgesteld teneinde een effectieve prioritaire behandeling van de zaken te behouden. Het betreft de termijn die op heden reeds voorzien is in artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980, waaraan een bijkomende termijn van 15 dagen kan worden toegevoegd indien de rechter het nodig acht dat de partij die instemde met de beschikking hem eveneens een pleitnota overmaakt. De verlenging van de termijnen als voorzien in artikel 1, eerste lid is in dit geval niet van toepassing. Een dergelijke verlenging zou immers zinloos zijn, aangezien vanaf dan de terechtzittingen weer normaal zouden moeten kunnen worden gehouden.
   Artikel 6
   De inwerkingtreding van de regeling tot verlenging van de termijnen als voorzien in artikel 1 van dit besluit wordt op 9 april 2020 vastgesteld, met name op dezelfde dag waarop een gelijkaardige verlenging van de termijnen in werking trad voor de Raad van State en de gewone hoven en rechtbanken. (zie ook toelichting art. 1) De terugwerkende kracht van dit artikel zal geen invloed hebben op de verworven rechten van de partijen. Dit zou echter wel anders kunnen zijn bij de andere onderdelen van dit besluit. Het beginsel van non-retroactiviteit van de wetten wordt aldus gerespecteerd voor deze artikelen. Gezien de urgentie van de zaak zullen deze artikelen echter in werking treden op de datum van publicatie van het besluit.
   Ik heb de eer te zijn,
   Sire,
   Van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
   De Minister van Asiel en van Migratie,
   M. DE BLOCK

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie