einde

Publicatie : 2020-04-24

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE EN FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., MIDDENSTAND EN ENERGIE

24 APRIL 2020. - Koninklijk besluit n° 15 betreffende de tijdelijke opschorting ten voordele van ondernemingen van uitvoeringsmaatregelen en andere maatregelen gedurende de COVID-19 crisis



VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
Het besluit dat de Regering de eer heeft u ter ondertekening voor te leggen, strekt ertoe bepaalde tijdelijke maatregelen te nemen ingevolge de COVID-19 epidemie of pandemie in het voordeel van de ondernemingen onderworpen aan Boek XX van het Wetboek van economisch recht.
De talrijke crisismaatregelen tegen de verspreiding van het COVID-19-virus hebben de economie hard getroffen zowel rechtstreeks (b.v. verplichte sluitingen van winkels en bedrijven, annulaties van talrijke events) als onrechtstreeks (gebrek aan voorraad of onderdelen t.g.v. de maatregelen, afname van de vraag). De algemene verwachting is dat de cash-buffer van bedrijven geconfronteerd met gehele of gedeeltelijke verdwijning van inkomsten, zonder drastisch de kosten te kunnen stoppen, slechts voldoende is voor één of enkele maanden. Er zijn reeds talrijke maatregelen om deze problemen enigszins op te vangen (b.v. uitstel van betaling voor de fiscale en sociale schulden, economische werkloosheid, de standstill en kredietverlening (tot 50 miljard euro) door de banken. Deze maatregelen zullen niet volstaan voor een aantal ondernemingen. Zij kunnen bescherming zoeken tegen hun schuldeisers door gebruik te maken van de gerechtelijke reorganisatie bedoeld in Titel V van Boek XX van het Wetboek van economisch recht (hierna "WER"). De aldaar bedoelde opschorting biedt een afkoelingsperiode. Ten eerste zou het stelselmatig beroep op de procedure van gerechtelijke reorganisatie tot een ongewenste overbelasting leiden van de ondernemingsrechtbanken, a fortiori in deze periode. Ten tweede zou de opschorting bedoeld in artikelen XX.44 en XX.51 van het Boek XX van hetzelfde Wetboek ook niet voldoende zijn, want het probleem van de ondernemingen betreft ook en i.h.b. de schulden van de komende weken en maanden, terwijl in de gerechtelijke reorganisatie, de opschorting slechts geldt voor de "oude" schulden (in de opschorting) d.w.z. het historisch passief op het ogenblik van opening van de procedure.
Er werd gekozen voor een wettelijke maatregel die algemeen van toepassing is op ondernemingen in de zin van Boek XX WER die getroffen zijn door de gevolgen van de COVID-19 epidemie of pandemie. De regeling betekent een tijdelijk moratorium waarbij elke onderneming als schuldenaar, in beginsel, beschermd is tegen bewarend en uitvoerend beslag en faillietverklaring (en gerechtelijke ontbinding).
Deze tijdelijke maatregel, die de ondernemingen beschermt maar niet afwijkt van het beginsel van betaling van opeisbare schulden, zendt een duidelijke boodschap aan de ondernemingswereld die wordt getroffen door de gevolgen van de COVID-19 epidemie of pandemie:
- van enerzijds ondersteuning (ademruimte) en;
- anderzijds een "staakt het vuren" in een situatie waar ongeveer elke onderneming zowel schuldenaar als schuldeiser is.
Dit tijdelijk moratorium biedt volgende voordelen:
- efficiëntie op het vlak van kosten en timing: de maatregel heeft uitwerking zonder dat een verzoek moet worden ingediend bij de rechtbank, zonder neerlegging van stukken en zonder vonnis;
- gelijke behandeling van alle ondernemingen in de zin van Boek XX;
- de creatie van een level playing field met de ondernemingen in het buitenland waar gelijkaardige maatregelen zijn genomen of zullen worden genomen;
Daarnaast moet worden benadrukt dat de maatregel minimaal en beperkt is in die zin dat hij geen onnodige en niet doordachte wijzigingen meebrengt aan Boek XX, dat recent werd ingevoerd.
Ten slotte is deze maatregel proportioneel want in deze tijden i) is het in ieder geval moeilijk om een uitvoerbare titel te verkrijgen of een faillietverklaring (vertraging in de inleiding; beperkte zittingen) en ii) is er geen natuurlijke tendens en ook reputationeel geen aanmoediging om hard op te treden tegen schuldenaren.
Deze wetgeving behoudt op dit ogenblik haar urgentie en relevantie omdat na de gedeeltelijke opheffing van de inperkingsmaatregelen, de liquiditeitsproblemen van de ondernemingen niet meteen zullen opgelost worden. Gelijkaardige wetgeving werd reeds genomen of is nog in voorbereiding in andere Europese landen; de afwezigheid van dit soort maatregelen zou een nadeel opleveren voor de concurrentiepositie van onze Belgische ondernemingen. Het staakt-het-vuren moet hen de tijd en de rust bieden om oplossingen te zoeken (b.v. betalingsakkoorden, nieuw krediet, een reorganisatieprocedure).
De regeling geldt uiteraard niet voor ondernemingen die reeds failliet verklaard zijn op de dag van inwerkingtreding van dit besluit; een onderneming waarvan de vordering in faillietverklaring hangende is op de dag van inwerkingtreding van dit besluit valt wel onder dit regime, maar kan krachtens artikel 1 dus wel failliet verklaard worden indien blijkt dat de onderneming reeds in staking van betaling was op 18 maart 2020.
Van de wettelijke opschorting worden uitgesloten de ondernemingen die op 18 maart 2020 reeds in staking van betaling waren. De problemen van deze ondernemingen zijn historisch en niet gerelateerd aan de huidige crisis.
In tegenstelling tot de opmerking van de Raad van State over de uitbreiding van de wettelijk opschorting naar de echtgenoot, gewezen echtgenoot, wettelijk samenwonende of gewezen wettelijk samenwonende van de debiteur die persoonlijk verbonden is voor de contractuele schulden van de debiteur die verbonden zijn met die beroepsactiviteit alsook tot de kosteloze borg, zijn de stellers van het ontwerp van mening dat een dergelijke uitbreiding niet wenselijk is, omdat zij niet in lijn ligt met de door het besluit nagestreefde eenvoud en ook niet nodig is in het licht van de korte duur waarvoor het besluit geldt. Het besluit streeft maar één oogmerk na: de bescherming van de continuïteit van onze ondernemingen. De voorgestelde uitbreiding zou de regeling aanzienlijk compliceren (denk bijvoorbeeld aan de te voorziene procedure om het kosteloos karakter te beoordelen of aan de vraag of de opschorting dan ook zou moeten gelden voor alle schulden). Wanneer de stellers van de bedoelde zekerheden zelf een onderneming zijn, genieten zij trouwens hoe dan ook van de door het besluit beoogde bescherming indien zij aan de voorwaarden daartoe voldoen. Ten slotte blijven de regels die de kosteloze borg beschermen uiteraard onverkort gelden.
Om te vermijden dat deze regel zijn doel voorbijschiet en bepaalde ondernemingen ten onrechte genieten van deze bescherming, wordt in het besluit uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid dat de Voorzitter van de ondernemingsrechtbank de opschorting (volledig of gedeeltelijk) kan opheffen (deze bevoegdheid komt exclusief toe aan de overeenkomstig artikel XX.12, § 1, WER, bevoegde Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank, niet aan de beslagrechter). Het behoort niet aan de individuele schuldeiser om zelf te oordelen dat een schuldenaar niet geniet van de opschorting omdat deze buiten het toepassingsgebied valt (b.v. geen impact van de COVID-19 epidemie of pandemie of reeds in staking van betaling op 18 maart 2020) of om enige andere reden (b.v. rechtsmisbruik). Dit betekent concreet dat een schuldeiser die b.v. uitvoerend beslag wenst te leggen eerst de schuldenaar dient te dagvaarden voor de Voorzitter teneinde de opheffing te verkrijgen van het moratorium. Indien de Voorzitter het moratorium opheft, kan de verzoeker aan de beslagrechter de gebruikelijke toestemming vragen tot het leggen van een bewarend beslag, volgens de gemeenrechtelijke voorwaarden (bv. urgentie). De Voorzitter zal in zijn discretionaire beoordeling rekening kunnen houden met alle omstandigheden van de zaak. Zo zal hij nagaan of de schuldenaar wel werd getroffen door de Corona-crisis en haar maatregelen. In het bijzonder zal hij daarbij dus rekening houden met impact van de Corona-crisis op de onderneming, die wordt geobjectiveerd met volgende criteria: (i) de vraag of ten gevolge van de Corona-crisis de omzet of activiteit van de schuldenaar sterk gedaald is, (ii) of er volledig of deels beroep gedaan is op tijdelijke of volledige werkloosheid en (iii) of de overheid bevel heeft gegeven tot sluiting van de onderneming van de schuldenaar. In dit verband zal de Voorzitter van de ondernemingsrechtbank ook rekening houden met pogingen tot overleg tussen schuldenaar en schuldeiser, alsook met pogingen tot het verkrijgen van nieuwe kredieten. De Voorzitter zal ook rekening houden met de gevolgen van de opschorting voor de belangen van de verzoeker (b.v. schuldeiser)(domino-effect). Ook de globale schuldenlast en (gebrek aan) kans op herstel van de schuldenaar kunnen een rol spelen, evenals het feit dat de schuld is ontstaan uit contracten gesloten na het begin van de COVID-19 pandemie of epidemie, in de mate dat betrokkene dan al zicht had op gevolgen die de maatregelen met zich meebrengen. Zoals altijd kan de Voorzitter ook fraude beteugelen en rechtsmisbruik, bijvoorbeeld wanneer de schuldenaar niet getroffen is door de pandemie of de epidemie of perfect in staat is zijn schulden te betalen.
Artikelsgewijze bespreking
Artikel 1.
Bij artikel 1 passen de volgende opmerkingen en verduidelijkingen. De opschorting bepaald in het eerste lid betreft ten eerste en vooral de gedwongen invordering en uitvoering van schulden. Voor de duur van de opschorting zijn dergelijke acties niet mogelijk. Uitzondering wordt gemaakt voor de bewarende beslagen op onroerend goed aangezien deze vorm van beslag geen impact heeft op de continuïteit van de onderneming. Onroerend beslag wordt uitgezonderd omdat het koninklijk besluit een redelijk evenwicht zoekt tussen de belangen van de schuldeisers en de schuldenaar. Anders dan de Raad van State lijkt aan te nemen, verhindert het feit dat onroerend beslag nog mogelijk is, niet het sluiten van een afbetalingsplan of een minnelijk akkoord. Ook het uitvoerend onroerend beslag wordt uitgesloten want een dergelijke procedure neemt maanden in beslag en heeft in principe geen verrassingseffect voor de debiteur. Tenslotte vallen ook de bewarende beslagen op zee- en binnenschepen buiten de regeling. De wettelijke opschorting treft alle schulden, zowel de "oude" als de "nieuwe" schulden, m.a.w. de datum van ontstaan of opeisbaarheid van de schuld speelt geen rol. Het gelijkheidsbeginsel belet dat hierbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de oorspronkelijke schuldeisers en overnemers van de schuldvorderingen zoals factoringmaatschappijen. De opschorting van beslag, executie, enz. geldt uiteraard ook voor de interesten. De regeling biedt ten tweede bescherming tegen gedwongen faillissement (en gerechtelijke ontbinding), doch een gedwongen faillietverklaring op initiatief van het Openbaar Ministerie of een voorlopig bewindvoerder blijft mogelijk. Indien de gedagvaarde onderneming akkoord gaat met de faillietverklaring, is deze ook mogelijk. In antwoord op de opmerking van de Raad van State, bevestigen de stellers van het ontwerp dat geen afbreuk wordt gedaan aan de toepassing van de verdachte periode indien de voorwaarden vervuld zijn. In de praktijk zal, gelet op de beperkte geldigheidsduur van de wettelijke bescherming, de periode van opschorting meestal vallen in de mogelijke verdachte periode van 6 maanden voor het faillissementsvonnis. Mocht de periode van de opschorting van dit koninklijk besluit toch meer dan 6 maanden voor het faillissement vallen en dus buiten de verdachte periode, dan kunnen eventuele misbruiken nog steeds worden bestreden via de faillissementspauliana en de andere gemeenrechtelijke acties. Ten derde wordt voorzien in de verlenging van betalingstermijnen onder een reeds gehomologeerd reorganisatieplan. In tegenstelling tot wat de Raad van State stelt, menen de auteurs van het ontwerp dat het gevolg van het koninklijk besluit is dat alle daarmee samenhangende termijnen van het reorganisatieplan evenzeer opschuiven wat betekent dat het kader van de noodwetgeving wordt gerespecteerd.
Tot slot wordt voorzien in de continuïteit van lopende overeenkomsten, door de mogelijkheid van eenzijdige of gerechtelijke ontbinding bij wanbetaling van een opeisbare geldschuld op te heffen tijdens de opschorting. Anders dan de Raad van State aanneemt, geldt het verbod tot ontbinding van overeenkomsten wegens wanbetaling van een opeisbare geldschuld ook ten aanzien van de toepassing van conventionele mechanismen die aan deze niet-betaling zijn gekoppeld. Het onderscheid tussen beide soorten verbintenissen (betaling geldschuld of prestatie in natura) is pertinent omdat overmacht niet wordt aanvaard bij financieel onvermogen om te betalen.
Deze regeling is niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten.
Voor alle duidelijkheid: dit stelsel van wettelijke opschorting doet geen afbreuk aan de plicht tot betaling van de schulden, in hoofdsom, interest en andere accessoria (zodat dit besluit uiteraard ook niet tot gevolg heeft dat er onder een kredietverzekeringsovereenkomst door de verzekerde aanspraken zouden kunnen geformuleerd worden die hij niet zou hebben indien dit besluit niet zou bestaan). Betalingen op vrijwillige basis zullen dus zoveel mogelijk moeten doorgaan. Van ondernemingen die kunnen betalen of die niet getroffen zijn door de economische gevolgen van COVID-19 wordt vanzelfsprekend verwacht dat zij hun verbintenissen nakomen. Zij worden zelfs aangespoord om binnen een zo kort mogelijke termijn te betalen zodat de gevolgen voor de andere ondernemingen zo beperkt mogelijk blijven. Het gaat er niet om de schuldenaren een recht te geven om niet te betalen. Zoals eerder toegelicht, kan de Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank rekening houden met de impact van de opschorting op derden; evenmin raakt de regeling aan de gemeenrechtelijke contractuele excepties (zoals de exceptie van niet-uitvoering, schuldvergelijking, retentierecht), met inachtneming van de toepasselijke voorwaarden en van de goede trouw in het licht van de huidige omstandigheden. Deze regeling is inderdaad niet bedoeld als alibi of aanmoediging om opeisbare schulden niet meer te betalen. In antwoord op de opmerking van de Raad van State verduidelijken de stellers van het ontwerp dat zij op dit vlak niet willen afwijken van het regime van gerechtelijke reorganisatie, waar al deze remedies ook nog zijn toegestaan tijdens de opschorting. Ook daar wordt aan de bepalingen van de Wet Financiële Zekerheden evenmin geraakt.
De regeling geldt voor alle schulden dus ook de schulden van ondernemingen die op dit ogenblik reeds genieten van een opschorting na opening van een procedure gerechtelijke reorganisatie. Er is geen reden deze ondernemingen minder gunstig te behandelen.
De uitzondering bedoeld in lid 2 werd hierboven reeds toegelicht. Op procedureel vlak werd om evidente redenen gekozen voor een snelle en efficiënte procedure voor de Voorzitter. Ingevolge de grondige opmerkingen en suggesties van de Raad van State werd gekozen voor een tegensprekelijke procedure zoals in kort geding i.p.v. een eenzijdige procedure.
Al deze gevolgen zijn tijdelijk en eindigen zodra de periode bedoeld in het eerste lid verlopen is. Het derde lid voorziet dat de initiële periode verlengbaar is. Anders dan de ERMG meent de Regering dat zij voldoende vrijheid dient te behouden om de toestand te evalueren om over de verlenging van deze maatregel te beslissen.
Artikel 2.
Deze bepaling strekt ertoe, naar buitenlands voorbeeld, de plicht van het bestuur tot aangifte van faillissement te schorsen, met dien verstande dat het bestuur nog steeds vrijwillig de boeken kan neerleggen als dit de meest aangewezen optie is. Door de opheffing van de verplichting is er uiteraard ook geen strafsanctie toepasselijk. De suggestie van de Raad van State om eventueel een onderscheid te maken tussen de verschillende gevallen van gerechtelijke ontbinding wordt niet gevolgd. De auteurs hebben in dit opzicht in dezelfde regeling voorzien als in de gerechtelijke reorganisatie (artikel XX.50 WER). Bovendien hoeft in noodwetgeving geen onderscheid te worden gemaakt dat het insolventierecht zelf niet maakt.
Artikel 3.
Deze bepaling strekt ertoe het krediet (met inbegrip van krediet door leveranciers) aan ondernemingen te stimuleren door enerzijds nieuw krediet (bijv. nieuwe leningsovereenkomsten of nieuwe leasingovereenkomsten) en de zekerheden of betalingen eraan verbonden te beschermen en anderzijds mogelijke aansprakelijkheid van diegenen die krediet verstrekken te verlichten. In antwoord op de opmerking van de Raad van State wordt verduidelijkt dat dit gunstregime een aanmoediging is om nieuwe kredieten te verlenen. Bestaande kredieten die worden heronderhandeld, vallen daarbuiten.
De Minister van Justitie,
K. GEENS
De Minister van Middenstand, Zelfstandigen, en KMO's,
D. DUCARME
De Minister van Economie,
N. MUYLLE

RAAD VAN STATE afdeling Wetgeving advies 67.253/2 van 21 april 2020 over een ontwerp van koninklijk besluit n° 15 `betreffende de tijdelijke opschorting van uitvoeringsmaatregelen en andere maatregelen ten voordele van ondernemingen gedurende de COVID-19 crisis'
Op 14 april 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vice eersteminister en minister van Justitie, belast met de Regie van Gebouwen, en minister van Europese Zaken verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit n° 15 `betreffende de tijdelijke opschorting van uitvoeringsmaatregelen en andere maatregelen ten voordele van ondernemingen gedurende de COVID-19 crisis'.
Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 21 april 2020. De kamer was samengesteld uit Pierre VANDERNOOT, kamervoorzitter, Patrick RONVAUX en Christine HOREVOETS, staatsraden, Jacques ENGLEBERT, assessor, en Béatrice DRAPIER, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Pauline LAGASSE, auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre VANDERNOOT.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 21 april 2020.
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 4, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I)', waarin verwezen wordt naar artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
ONDERZOEK VAN HET ONTWERP
AANHEF
Artikel 4, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I)', biedt geen rechtsgrond voor het ontwerp. Die bepaling maakt het mogelijk om gebruik te maken van de procedure waarbij verzocht wordt om een advies binnen een termijn van vijf dagen, bedoeld in artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wetten `op de Raad van State', zonder dat daarvoor nog een bijzondere motivering van het verzoek om spoedbehandeling opgegeven hoeft te worden. Ze moet in de aanhef vermeld worden samen met de vervulling van het vormvereiste met betrekking tot de aanvraag om advies van de Raad van State, aangezien die vermelding, voor de koninklijke besluiten die binnen het toepassingsgebied van die bepaling vallen, daar dienst doet als de overname van de motivering van het spoedeisend karakter. Ze wordt derhalve terecht vermeld in het zesde lid. Het eerste lid dient daarentegen te vervallen.
Om de zojuist genoemde redenen is het zevende lid overigens niet vereist. Dat lid zou eventueel in de vorm van een overweging opgenomen kunnen worden na de verwijzing naar dit advies.
DISPOSITIEF
Artikelen 1 en 2
1. De artikelen 1 en 2 van het ontwerp verwijzen naar de ondernemingen "waarvan de continuïteit bedreigd is door de [COVID-19-pandemie]".
Bij het onderzoek van het voorstel dat geleid heeft tot de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I)' en de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II)', heeft de afdeling Wetgeving het volgende gesteld:
"Uit het voorgestelde artikel 2 blijkt dat de bijzondere machten aan de Koning toegekend worden teneinde het Hem mogelijk te maken om te reageren op de door het coronavirus COVID-19 veroorzaakte `pandemie' en niet gewoon op de `epidemie', in de precieze betekenis van die woorden. Daaruit volgt, a contrario, dat de verleende machtiging geen gevolg meer zal hebben zodra de "pandemie" zelf ten einde zal zijn, zelfs als dat gebeurt voor het einde van de termijn vermeld in artikel 7, § 1, van het voorstel. Als dat inderdaad de bedoeling is, zou men er goed aan doen het opschrift van het voorstel in die zin te formuleren - zoals dat opschrift thans gesteld is, verwijst het alleen naar de "verspreiding" van het coronavirus COVID-19 -, en het aan te vullen met een bepaling waarin voorgeschreven wordt op welke wijze vastgesteld moet worden dat die `pandemie' ten einde is" (1).
Volgens dezelfde logica moeten de stellers van het ontwerp nagaan of het inderdaad hun bedoeling is om artikel 1 (en bijgevolg het toepassingsgebied van het hele ontwerp) te beperken tot het geval van de ondernemingen waarvan de continuïteit bedreigd is door de COVID-19-`pandemie', zelfs indien met name gelet op het derde lid ervan, de gevolgen van de in het kader van het ontwerp geplande maatregelen zouden worden verlengd tot na de thans in uitzicht gestelde termijn en niet kan worden uitgesloten dat de Belgische Staat het hoofd moet blijven bieden aan een COVID-19 `epidemie' na de officiële vaststelling van het einde van de `pandemie'.
2. De artikelen 1, eerste lid, tweede streepje, en 2 van het ontwerp strekken ertoe in een groot aantal situaties de datum uit te stellen waarop het faillissement in rechte kan worden aangevraagd, ongeacht of dit op vrijwillige basis, dan wel op initiatief van een derde gebeurt.
Artikel XX.105, zesde lid, van het Wetboek van economisch recht (hierna: het "WER"), bepaalt het volgende:
"Het vonnis (van faillietverklaring) mag het tijdstip van staking van betaling niet vaststellen op meer dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring, tenzij dit vonnis het faillissement betreft van een meer dan zes maanden voor de faillietverklaring ontbonden rechtspersoon waarvan de vereffening al dan niet werd afgesloten, en waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze is of wordt bewerkstelligd met de bedoeling nadeel te berokkenen aan de schuldeisers. In dat geval kan het tijdstip van de staking van betaling worden vastgesteld op de dag van het ontbindingsbesluit".
Artikel XX.111 van het WER bepaalt het volgende:
"Aan de boedel kunnen niet worden tegengeworpen, wanneer zij door de schuldenaar zijn verricht sinds het door de rechtbank bepaalde tijdstip van staking van betaling, onverminderd de artikelen XX.37 (minnelijk akkoord), XX.53 (vrijwillige betaling van schuldvorderingen in de opschorting), XX.65 (minnelijk akkoord) en XX.82 (uitvoering van het plan van gerechtelijke reorganisatie):
1° alle handelingen waarbij om niet wordt beschikt over roerende of onroerende goederen, alsmede handelingen, verrichtingen of overeenkomsten, vergeldend of onder bezwarende titel, indien de waarde van hetgeen de gefailleerde heeft gegeven, de waarde van hetgeen hij daarvoor heeft ontvangen, aanmerkelijk overtreft;
2° alle betalingen, hetzij in geld, hetzij bij overdracht, verkoop, of anderszins, wegens niet vervallen schulden, en alle betalingen anders dan in geld of in handelspapier, wegens vervallen schulden;
3° alle bedongen hypotheken en alle rechten van gebruikspand of van pand, op de goederen van de schuldenaar gevestigd wegens voordien aangegane schulden".
Het valt niet uit te sluiten dat sommige van de ondernemingen waarop het ontwerp betrekking heeft, ondanks de bij het ontwerp verleende opschorting, niet uit de problemen komen en dat, na die opschorting, moet worden vastgesteld dat die ondernemingen voldoen aan de faillissementsvoorwaarden.
Overeenkomstig artikel XX.105, zesde lid, van het WER mag de verdachte periode waarin artikel XX.111 van het WER zal kunnen worden ingeroepen, een termijn van zes maanden voorafgaand aan het vonnis van faillietverklaring niet overschrijden. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat de periode van opschorting volledig buiten de toepassing van artikel XX.111 van het WER valt.
Een dergelijke uitsluiting, met name wat betreft artikel XX.111, 1°, van het WER, lijkt niet meteen evenredig met het door de opschorting nagestreefde doel, des te minder daar de in artikel XX.111, 1° tot 3°, bedoelde handelingen zouden kunnen worden gesteld zonder dat ze worden gerechtvaardigd door maatregelen die moeten bijdragen aan de continuïteit van de onderneming, gezien de bijzondere moeilijkheden waarmee ze te maken krijgen in het kader van de gezondheidscrisis van de COVID-19.
Het ontwerp zou derhalve moeten worden herzien teneinde een billijk evenwicht te vinden tussen enerzijds de verleende opschorting en anderzijds de risico's op faillissement na de opschorting en de bescherming die in het algemeen aan de schuldeisers wordt geboden tijdens de verdachte periode.
Artikel 1
Eerste lid (inleidende zin)
De stellers van het ontwerp moeten, in het licht van de nagestreefde doelstelling om de economie in stand te houden en van het gelijkheids- en niet discriminatiebeginsel, kunnen rechtvaardigen dat de opschorting niet wordt uitgebreid tot de echtgenoten, gewezen echtgenoten, wettelijk samenwonenden van wie de verklaring van wettelijke samenwoning meer dan zes maanden vóór de inwerkingtreding van dit ontwerp werd afgelegd, en gewezen wettelijk samenwonenden die persoonlijk medeverbonden zijn voor de contractuele schulden van de onderneming die verbonden zijn met de beroepsactiviteit van die onderneming, en voor de kosteloos gestelde persoonlijke zekerheden.
Dat geldt des te meer daar, volgens het verslag aan de Koning, het ontwerp er inzonderheid toe strekt te voorzien in een alternatief voor de procedure van gerechtelijke reorganisatie waarin thans is voorzien bij de artikelen XX.39 tot XX.97 van het WER. In het kader van die procedure is evenwel bepaald dat de bovengenoemde personen, in voorkomend geval, mits naleving van bepaalde voorwaarden, in aanmerking kunnen komen voor de opschorting (zie artikel XX.54 van het WER).
Artikel 1, eerste lid, eerste streepje
In het kader van de opschorting die bij het ontwerp wordt ingevoerd, wordt een opschorting geregeld voor de beslagleggingen en de middelen van tenuitvoerlegginging die verband houden met de schulden van de onderneming. In tegenstelling tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie (zie de artikelen XX.44, XX.50 en XX.51 van het WER), waarvoor het ontwerp een alternatief beoogt te bieden, wordt de opschorting van het bewarend en uitvoerbaar beslag en van de middelen tot tenuitvoerlegging beperkt tot de roerende goederen, waarbij de zee- en binnenschepen voor het bewarend beslag worden gelijkgesteld met onroerende goederen.
In de bespreking van artikel 1 wordt de uitsluiting van de onroerende goederen en de daarmee gelijkgestelde goederen als volgt gerechtvaardigd:
"Uitzondering wordt gemaakt voor de bewarende beslagen op onroerend goed aangezien deze vorm van beslag geen impact heeft op de continuïteit van de onderneming. Ook het uitvoerend onroerend beslag wordt uitgesloten want een dergelijke procedure neemt maanden in beslag en heeft in principe geen verrassingseffect voor de debiteur. Tenslotte vallen ook de bewarende beslagen op zee- en binnenschepen buiten de regeling".
In het verslag aan de Koning wordt gepreciseerd dat de opschorting die wordt geregeld bij het ontwerp, over het algemeen de volgende doelstelling nastreeft:
"Deze tijdelijke maatregel, die afwijkt van het beginsel van betaling van schulden, zendt een duidelijke boodschap aan de ondernemingswereld [die] wordt getroffen door de gevolgen van de [COVID-19-pandemie of -epidemie]:
- van enerzijds ondersteuning (ademruimte) en;
- anderzijds een "staakt het vuren" in een situatie waar ongeveer elke onderneming zowel schuldenaar als schuldeiser is".
In het licht van het aldus aangekondigde doel doet het feit dat beslag op onroerende of daarmee gelijkgestelde goederen in artikel 1, eerste streepje, van het ontwerp uitgesloten wordt vragen rijzen. Hoewel dergelijke beslagen geen onmiddellijke gevolgen hebben voor de continuïteit van de onderneming, kunnen ze niettemin druk uitoefenen op de onderneming, extra administratieve lasten veroorzaken en de mogelijkheid belemmeren om daaraan eventueel te ontsnappen door te werken met een aflossingsplan of een minnelijke schikking. Deze maatregel lijkt dan ook niet adequaat, aangezien het handhaven van die beslagen op onroerende goederen niet aansluit bij het doel dat erin bestaat ademruimte te geven en een "staakt-het-vuren" in te stellen.
Het ontwerp moet dan ook opnieuw bekeken worden in het licht van die opmerking.
Artikel 1, eerste lid, tweede streepje
1. Artikel 1, eerste lid, tweede streepje, van het ontwerp voorziet in een opschorting voor de ondernemingen wat betreft de mogelijkheid om op dagvaarding failliet verklaard te worden of, in geval van rechtspersonen, om gerechtelijk ontbonden te worden, tenzij op initiatief van het openbaar ministerie of van de voorlopige bewindvoerder, of met de toestemming van de schuldenaar.
Aangezien het de bedoeling is dat deze opschorting alleen geldt voor de ondernemingen "waarvan de continuïteit bedreigd is door de COVID-19 pandemie en haar gevolgen, en die niet in staking van betaling waren op 18 maart 2020", lijkt het feit dat de opschorting geldt voor alle gevallen waarin gerechtelijke ontbinding mogelijk is, wat ook de redenen daarvoor zijn, niet adequaat in het licht van het doel dat daarmee nagestreefd wordt.
Uit het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna: "het WVV") en uit het WER blijkt immers dat de gerechtelijke ontbinding uitgesproken kan worden (1) "om wettige redenen"(2) (artikel 2:73 van het WVV), (2) wegens het niet neerleggen van de jaarrekening (artikel 2:74, § 1, van het WVV), (3) ingevolge mededeling door de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden, wegens het niet verschijnen van de onderneming ondanks twee oproepingen met dertig dagen tussentijd, de ambtshalve schrapping van de onderneming en de omstandigheid dat de leden van haar bestuursorgaan niet over de fundamentele beheersvaardigheden of niet over de beroepsbekwaamheid beschikken die voor de uitoefening van haar activiteit bij wet, decreet of ordonnantie worden opgelegd (artikel 2:74, § 2, van het WVV), alsook, meer in het algemeen, op basis van artikel XX.29, § 2, tweede lid, van het WER, (4) wegens de niet-erkenning als landbouwvennootschap of als erkende coöperatieve vennootschap (artikelen 8:6 en 8:7 van het WVV), (5) wat de coöperatieve vennootschappen betreft, wanneer ze minder dan drie aandeelhouders tellen of niet meer beantwoorden aan de vereisten van artikel 6:1 van het WVV (artikelen 6:127 en 6:128 van het WVV) en (6) wat de naamloze vennootschappen betreft, wegens de daling van het nettoactief tot beneden een bepaald bedrag (artikel 7:229 van het WVV(3) ).
Alleen die laatste reden lijkt verband te kunnen houden met de gevolgen van de gezondheidscrisis COVID-19.
Bijgevolg zal het ontwerp in het licht van deze opmerking opnieuw bekeken moeten worden en moeten de stellers van het ontwerp er in voorkomend geval op toezien dat meer bepaald in het verslag aan de Koning gemotiveerd wordt waarom in artikel 1, eerste lid, tweede streepje, van het ontwerp andere gerechtelijke ontbindingen gehandhaafd worden dan die bedoeld in artikel 7:229 van het WVV.
2. Gelet op het nagestreefde doel en het beginsel van gelijkheid en non discriminatie die ten aanzien van de betrokken schuldenaars gewaarborgd moet worden, dient in artikel 1, eerste lid, tweede streepje, van het ontwerp eveneens melding gemaakt te worden van de gedwongen overdracht op dagvaarding van een schuldeiser, welke overdracht toegestaan is bij artikel XX.84, § 2, 1°, van het WER.
Artikel 1, eerste lid, derde streepje
1. In artikel 1, eerste lid, derde streepje, van het ontwerp dient verduidelijkt te worden wat onder de woorden "worden verlengd met de duur van de opschorting bedoeld in huidig besluit" ("sont prolongés pour la durée du sursis prévu dans le présent arrêté") (eigen cursivering) verstaan dient te worden.
Vooral gelet op het redactionele verschil tussen beide taalversies van die tekst, is het van belang de strekking ervan te verduidelijken.
Is het de bedoeling van de stellers van het ontwerp om te voorzien in alleen een verlenging voor de duur van de opschorting, met als gevolg dat, vanaf de uiterste datum van 3 mei 2019, ervan uitgegaan zal moeten worden dat alle betalingsverplichtingen die gedurende de opschorting zijn komen te vervallen opeisbaar zijn vanaf die datum? Of is het, zoals de Nederlandse versie van de tekst niet geheel lijkt uit te sluiten, hun bedoeling om te voorzien in een verlenging, niet alleen gedurende de opschorting maar ook erna, van alle betalingstermijnen opgenomen in een gerechtelijk reorganisatieplan voor dezelfde duur als de duur van de opschorting?
Als voor de eerste mogelijkheid gekozen wordt, wordt verwezen naar de opmerking die hierna bij artikel 4 van het ontwerp gemaakt wordt. In het andere geval rijst de vraag over de duur van de verlenging ook in het licht van het evenredigheidsbeginsel en van het feit dat de inbreuk op de rechten van de schuldeisers in de opschorting niet het strikte kader te buiten mag gaan van hetgeen noodzakelijk is op grond van de gezondheidscrisis COVID-19.
De stellers van het ontwerp dienen dat punt te verduidelijken, waarbij ze inzonderheid voor overeenstemming tussen beide taalversies moeten zorgen en, in voorkomend geval, de gekozen oplossing afdoende moeten kunnen verantwoorden.
2. Gelet op artikel XX.74 van het WER,(4) dient in artikel 1, eerste lid, derde streepje, van het ontwerp tevens voorzien te worden in een verlenging, in voorkomend geval, van de maximumtermijn van vierentwintig of zesendertig maanden die voorzien is voor de uitvoering van het plan met betrekking tot de buitengewone schuldvorderingen.
Artikel 1, eerste lid, vierde streepje
1. Aangezien de opschorting verleend wordt om hulp te bieden aan de ondernemingen waarvan de continuïteit bedreigd is door de gezondheidscrisis COVID-19, dient in artikel 1, eerste lid, vierde streepje, van het ontwerp het verbod op de ontbinding van de overeenkomsten dat bij die bepaling geregeld wordt, beperkt te worden tot het geval waarin de niet-naleving van de overeenkomst die als reden voor die ontbinding opgegeven zou kunnen worden het gevolg is van de gezondheidscrisis COVID-19.
2. De stellers van het ontwerp moeten kunnen rechtvaardigen dat de regeling die bij artikel 1, eerste lid, vierde streepje, ingevoerd wordt, geen betrekking heeft op de ontbinding krachtens een uitdrukkelijk ontbindend beding, waardoor aldus een verschil in behandeling tussen de schuldenaars ontstaat dat als discriminerend beschouwd zou kunnen worden naargelang een dergelijk beding al dan niet bestaat in het geval van een foutieve niet-nakoming van de overeenkomst.
In het licht van diezelfde principes moeten de stellers van het ontwerp ook kunnen rechtvaardigen dat de opschorting alleen betrekking heeft op ontbindingen vanwege wanbetaling van een opeisbare geldschuld en niet op de niet-uitvoering van een contractueel bepaalde prestatie in natura, als gevolg van de COVID-19 gezondheidscrisis, (bijvoorbeeld: de sluiting van de onderneming, de vermindering van het personeelsbestand enz.).
Artikel 1, tweede lid
1.1. De rechten van de verdediging worden onder meer bij artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgd. Beperkingen van de rechten van de verdediging zijn alleen verzoenbaar met dat artikel 6, § 1, als ze een legitiem doel nastreven en als er een redelijke verhouding bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.
Ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verhinderen dat zonder redelijke rechtvaardiging afbreuk wordt gedaan aan jurisdictionele waarborgen die zonder wettige reden aan sommige rechtzoekenden zouden worden ontzegd.
De keuze om van het eenzijdig verzoekschrift gebruik te maken(5) houdt een afwijking in van het gemene recht en van het beginsel van de tegenspraak, en moet in het licht van die principes worden beoordeeld. In dit geval doet die keuze vragen rijzen aangezien het beroep dat bij artikel 1, tweede lid, van het ontwerp wordt geregeld, niet van zodanige aard is dat het onmogelijk is de betreffende onderneming te identificeren en aangezien dat beroep geen verrassingseffect moet hebben om doeltreffend te zijn. Voorts zou met de gemeenrechtelijke procedure in kort geding, indien nodig aangepast in functie van de behoeften ter zake,(6) tegemoetgekomen kunnen worden aan de noodzaak om de zaak met spoed te behandelen. Dat de voorzitter van de ondernemingsrechtbank de schuldenaar gewoon kan vragen zijn schriftelijke opmerkingen mee te delen binnen een termijn die hij vaststelt (van maximaal vijf werkdagen) en op de door hem bepaalde wijze, laat hem een te grote beoordelingsmarge en doet op buitensporige wijze afbreuk aan het beginsel van de tegenspraak dat voor de schuldenaar gewaarborgd moet zijn; wat dat betreft, wordt verwezen naar opmerking 1.2. infra.
Bovendien blijkt uit artikel 1, tweede lid, van het ontwerp dat de voorzitter van de ondernemingsrechtbank onder meer rekening moet houden "met de vraag of ten gevolge van de COVID-19 pandemie de omzet of activiteit van de schuldenaar sterk is gedaald, of er volledig of deels beroep is gedaan op economische werkloosheid en of de overheid bevel heeft gegeven tot sluiting van de onderneming van de schuldenaar, alsook met de belangen van de verzoekster". Het is de afdeling Wetgeving niet duidelijk hoe die verschillende parameters naar behoren in aanmerking kunnen worden genomen wanneer de voorzitter van de ondernemingsrechtbank niet systematisch over de argumenten van de schuldenaar beschikt.
Artikel 1, tweede lid, van het ontwerp, moet bijgevolg in het licht van deze opmerking worden herzien.
1.2. De voorliggende bepaling stelt dat de voorzitter, niettegenstaande het eenzijdige karakter van de procedure, "aan de schuldenaar [kan] vragen om binnen een termijn die hij bepaalt van maximaal 5 dagen, zijn schriftelijke opmerkingen te bezorgen, op de wijze die hij bepaalt."
Doordat noch de motieven noch de omstandigheden ter rechtvaardiging van een dergelijk verzoek worden gepreciseerd, dreigt de ontworpen bepaling de ene schuldenaar te discrimineren ten opzichte van de andere, in nochtans gelijkaardige gevallen.
Die mogelijkheid doet voorts vragen rijzen in verband met de procedure.
In de ontworpen tekst wordt niet gepreciseerd hoe dat verzoek om "opmerkingen" aan de schuldenaar moet worden gericht, noch hoe deze daarop moet antwoorden. Doordat enkel wordt bepaald dat dat geschiedt op de wijze die de voorzitter van de rechtbank bepaalt, is er geen enkele zekerheid dat de minimale procedurele waarborgen in acht worden genomen.
Ook rijst de vraag naar de hoedanigheid van "partij bij de zaak", die de schuldenaar die door de voorzitter wordt ondervraagd, zou kunnen krijgen. Wordt een dergelijke schuldenaar die zijn opmerkingen heeft bezorgd dan partij bij de zaak, of blijft hij een derde persoon? Die kwestie, die door de ontwerptekst niet wordt geregeld, heeft met name een rechtstreekse weerslag op de vraag welke beroepen mogelijk zijn tegen de beslissing van de voorzitter van de rechtbank (derdenverzet of hoger beroep).
Als niet wordt geregeld in welke procedurele hoedanigheid de schuldenaar die door de voorzitter wordt geïnterpelleerd, zich bevindt, blijven ook andere gevolgen van die interpellatie en van het eventueel gegeven antwoord van de schuldenaar onduidelijk. Met name rijst de vraag of de voorzitter verplicht is in zijn motivering te antwoorden op de "opmerkingen" van de schuldenaar, die, indien de schuldenaar partij bij de zaak wordt, namelijk zouden kunnen worden beschouwd als "middelen".
De gemeenrechtelijke regels van de procedure op eenzijdig verzoekschrift staan de rechter niet toe een derde persoon te interpelleren op wie de eenzijdig verzochte maatregelen van toepassing zijn. Die regels sluiten daarentegen niet uit dat die derde persoon vrijwillig kan tussenkomen (impliciet: artikel 1032 van het Gerechtelijk Wetboek). In de praktijk is een dergelijke tussenkomst heel zeldzaam, juist omdat de derde persoon niet op de hoogte is van het eenzijdig geformuleerde verzoekschrift tegen hem. Normaal gezien neemt hij daar pas kennis van op het moment dat de beslissing die op eenzijdig verzoekschrift is genomen, eventueel wordt betekend. In die fase van de procedure is er geen andere mogelijkheid om die beschikking te bestrijden dan via derdenverzet. Integendeel: indien de schuldenaar in kennis wordt gesteld van die procedure door het aan hem gerichte verzoek van de voorzitter om "zijn (...) opmerkingen te bezorgen", zou hij, die derde partij bij de procedure is, die kennisgeving kunnen aangrijpen om een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst in te dienen, en aldus zeker partij bij de zaak worden.
1.3. Gelet op al die procedurele ongewisheden en op de opmerkingen 1.1 en 1.2 supra, lijkt het beter om onmiddellijk te voorzien in een procedure op tegenspraak, die dan in voorkomend geval speciaal zo wordt geregeld dat de partijen zeer korte termijnen worden opgelegd om hun middelen en argumenten uiteen te zetten.
2. Ten behoeve van de rechtszekerheid moeten de stellers van het ontwerp nader aangeven of het begrip "belanghebbende partijen" ook het openbaar ministerie omvat.
Artikel 1, vierde lid
1. In artikel 1, vierde lid, wordt bepaald dat de opschorting die georganiseerd wordt,(7) geen afbreuk doet aan de gemeenrechtelijke contractuele sancties zoals de exceptie van niet uitvoering, de schuldvergelijking en het retentierecht, en dat ze de toepassing van de Wet Financiële Zekerheden onverlet laat.
In de bespreking van artikel 1 wordt in dat verband het volgende gezegd:
"Deze regeling is inderdaad niet bedoeld als alibi of aanmoediging om opeisbare schulden niet meer te betalen. Zij biedt een tijdelijke bescherming aan de ondernemingen die niet in staat zijn hun schulden te betalen. Aan de bepalingen van de Wet Financiële Zekerheden wordt evenmin geraakt".
In het licht van de ondersteuning van de economie, die in het algemeen wordt nagestreefd, en in het licht van de adempauze en het "staakt-het-vuren" waarin het ontwerp wil voorzien voor alle ondernemingen die de gevolgen van de COVID-19 gezondheidscrisis en van de heel speciale context van die crisis ervaren, rijst de vraag of het behoud zonder meer van de schuldvergelijking, van het retentierecht en van de toepassing van de Wet Financiële Zekerheden wel een afdoende maatregel is ten aanzien van het nagestreefde doel.
Het ontwerp moet in het licht van deze opmerking dan ook opnieuw worden onderzocht en, indien het in zijn huidige vorm wordt gehandhaafd, moet dat ook in het verslag aan de Koning worden gerechtvaardigd.
2. Zonder afbreuk te doen aan de hierboven geformuleerde opmerking, moeten de woorden "de Wet Financiële Zekerheden" worden vervangen door de woorden "de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten".
Artikel 3
1. Met het oog op de samenhang met het algemene doel van het ontwerp zou artikel 3 verduidelijkt moeten worden, zodat het, zoals de bedoeling lijkt te zijn, alleen geldt voor ondernemingen die het bewijs leveren van de voorwaarden die in de inleidende zin van artikel 1, eerste lid, worden gesteld.
2. Gelet op het nagestreefde doel dat erin bestaat het krediet te stimuleren en gelet op het beginsel van gelijkheid en van non-discriminatie, moeten de stellers van het ontwerp kunnen rechtvaardigen dat de maatregelen die artikel 3 invoert, niet ook gelden voor de heronderhandeling van bestaande kredieten.
Artikel 4
1. Aangezien het ontwerp geen enkele terugwerkende kracht heeft, moeten de woorden "heeft uitwerking met ingang van" worden vervangen door de woorden "treedt in werking op".(8)
2. Gelet op het door het besluit nagestreefde doel, rijst de vraag of de stellers van het ontwerp geen "bufferperiode" zouden plannen na de periode waarin het ontwerp van toepassing is, voor zover dat gerechtvaardigd en redelijk is in het licht van het nagestreefde doel. De ondernemingen zouden hun activiteiten dan kunnen hervatten zonder onmiddellijk door hun schuldenaars te worden bestookt, en tegelijkertijd zou men kunnen voorkomen dat de rechtbanken overspoeld worden met verzoeken om gerechtelijke reorganisatie of zelfs vorderingen tot faillietverklaring.
Artikel 5
De aanduiding van de ministers belast met de uitvoering van het besluit dient overeen te stemmen met de aanduiding van de ministers die datzelfde besluit voordragen en medeondertekenen.(9)
DE GRIFFIER
Béatrice DRAPIER
DE VOORZITTER
Pierre VANDERNOOT
_______
Nota's
(1) Advies 67.142/AV, dat op 25 maart 2020 verstrekt is over een voorstel dat geleid heeft tot de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I)' en de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II)' (http://www.raadvst consetat.be/dbx/adviezen/67142.pdf).
(2) Overeenkomstig artikel 2:73, tweede lid, van het WVV "zijn [er] niet alleen wettige redenen wanneer een aandeelhouder of vennoot zijn verplichtingen in grove mate verzuimt of wanneer een kwaal het hem onmogelijk maakt om ze uit te voeren, maar ook in alle andere gevallen die de normale voortzetting van de zaken van de vennootschap onmogelijk maken, zoals de diepgaande en blijvende onenigheid tussen de aandeelhouders of vennoten."
(3) Die bepaling luidt als volgt: "Wanneer het nettoactief is gedaald tot beneden 61 500 euro, kan iedere belanghebbende of het openbaar ministerie de ontbinding van de vennootschap voor de rechtbank vorderen. In voorkomend geval kan de rechtbank aan de vennootschap een bindende termijn toestaan om haar toestand te regulariseren."
(4) Die bepaling luidt immers als volgt:
"Onverminderd de betaling van de interest die hen conventioneel of wettelijk op hun schuldvorderingen verschuldigd is, kan het plan in de opschorting voorzien van de uitoefening van de bestaande rechten van de buitengewone schuldeisers in de opschorting, voor een duur die vierentwintig maanden niet mag overschrijden vanaf het vonnis van homologatie bedoeld in artikel XX.79.
Het plan kan onder dezelfde voorwaarden in een buitengewone verlenging van die opschorting voorzien voor een termijn van maximum twaalf maanden. (...)"
(5) Zie hierover Cass. 14 januari 2005, Arr. Cass. 2005, I, 77; H. BOULARBAH, Requête unilatérale et inversion du contentieux, Brussel, Larcier, 2010, inz. 351-383.
(6) Wat dat betreft, wordt verwezen naar opmerking 1.3.
(7) In de Franse tekst van artikel 1, vierde lid, dient men "La présente disposition" te schrijven in plaats van "Cette disposition".
(8) Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab "Wetgevingstechniek", formules F 4-5-1-2 en F 4-5-1-3.
(9) Ibid., aanbeveling 166.

24 APRIL 2020. - Koninklijk besluit n° 15 betreffende de tijdelijke opschorting ten voordele van ondernemingen van uitvoeringsmaatregelen en andere maatregelen gedurende de COVID-19 crisis
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), artikelen 2, eerste lid, en 5, § 1, 3°, 4° en 6° ;
Gelet op de regelgevingsimpactanalyse van 2 april 2020;
Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 2 april 2020;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 8 april 2020;
Gelet op het advies 67.253/2 van de Raad van State, gegeven op 21 april 2020, met toepassing van artikel 4, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I);
Overwegende de COVID-19 verspreiding;
Overwegende de hoogdringendheid gerechtvaardigd door het feit dat de crisis verbonden aan het COVID-19-virus de goedkeuring noodzaakt van bepaalde regels in het voordeel van de ondernemingen onderworpen aan Boek XX van het Wetboek van economisch recht;
Overwegende het tijdelijk karakter van voorliggend besluit;
Op de voordracht van de Minister van Justitie, de Minister van Middenstand, Zelfstandigen, en KMO's, en de Minister van Economie en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Alle ondernemingen die vallen onder het toepassingsgebied van Boek XX van het Wetboek van economisch recht, waarvan de continuïteit bedreigd is door de verspreiding van de COVID-19 epidemie of pandemie en haar gevolgen, en die niet in staking van betaling waren op 18 maart 2020, genieten van een tijdelijke opschorting vanaf de dag van de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 17 mei 2020, zoals hierna bepaald:
- Behoudens op onroerende goederen, kan geen bewarend of uitvoerend beslag worden gelegd, en geen enkel middel van tenuitvoerlegging worden aangewend of voortgezet op de goederen van de onderneming, voor alle schulden van de onderneming, met inbegrip van de schulden opgenomen in een reorganisatieplan zoals bedoeld in artikel XX.82 van hetzelfde Wetboek gehomologeerd voor of na de inwerkingtreding van dit besluit; deze bepaling is niet van toepassing op het bewarend beslag op zeeschepen en binnenschepen;
- De onderneming kan niet op dagvaarding failliet verklaard worden of, indien deze een rechtspersoon is, gerechtelijk worden ontbonden, tenzij op initiatief van het openbaar ministerie of de in toepassing van artikel XX.32 van hetzelfde Wetboek door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank aangestelde voorlopige bewindvoerder of met de toestemming van de schuldenaar; evenmin kan op grond van artikel XX.84, § 2, 1°, van hetzelfde Wetboek de overdracht onder gerechtelijk gezag van het geheel of een deel van haar activiteiten worden bevolen;
- De betalingstermijnen opgenomen in een reorganisatieplan zoals bedoeld in artikel XX.82 van hetzelfde Wetboek gehomologeerd voor of na de inwerkingtreding van dit besluit, worden verlengd met een duur gelijk aan die van de opschorting bedoeld in huidig besluit, desgevallend met verlenging van de maximumtermijn van vijf jaar voor de uitvoering van het plan in afwijking van artikel XX.76 van hetzelfde Wetboek en van de maximumtermijn bedoeld in artikel XX.74 van hetzelfde Wetboek;
- Overeenkomsten gesloten voor de inwerkingtreding van dit besluit kunnen niet eenzijdig of gerechtelijk worden ontbonden wegens een wanbetaling van een geldschuld opeisbaar onder de overeenkomst; deze bepaling is niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten.
Elke belanghebbende partij kan bij dagvaarding de Voorzitter van de bevoegde ondernemingsrechtbank verzoeken te beslissen dat een onderneming niet valt onder het toepassingsgebied van de hierboven bedoelde opschorting of deze opschorting geheel of gedeeltelijk op te heffen bij een bijzonder met redenen omklede beslissing. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding. De voorzitter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken. De Voorzitter houdt daarbij onder meer rekening met de vraag of ten gevolge van de COVID-19 epidemie of pandemie de omzet of activiteit van de schuldenaar sterk is gedaald, of er volledig of deels beroep is gedaan op economische werkloosheid en of de overheid bevel heeft gegeven tot sluiting van de onderneming van de schuldenaar, alsook met de belangen van de verzoeker.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de einddatum van deze periode aanpassen.
Deze bepaling doet geen afbreuk aan de verplichting opeisbare schulden te betalen, noch aan de gemeenrechtelijke contractuele sancties zoals ondermeer de exceptie van niet-uitvoering, de schuldvergelijking en het retentierecht. Zij laat de toepassing van de Wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten onverlet. Zij raakt evenmin aan de verplichtingen van de werkgevers.
Art. 2. De verplichting bedoeld in artikel XX.102 van hetzelfde Wetboek voor de schuldenaar om aangifte van faillissement te doen, is opgeschort gedurende de termijn van opschorting bedoeld in artikel 1 van dit besluit indien de faillissementsvoorwaarden het gevolg zijn van de COVID-19 epidemie of pandemie en haar gevolgen. Hierbij wordt geen afbreuk gedaan aan de mogelijkheid voor de schuldenaar om aangifte van faillissement te doen.
Art. 3. De artikelen 1328 van het Burgerlijk Wetboek en XX.112 van het WER zijn niet toepasselijk op nieuwe kredieten tijdens de duur van de opschorting verstrekt aan de ondernemingen bedoeld in artikel 1 van dit besluit noch op de voor deze kredieten gestelde zekerheden of andere handelingen verricht ter uitvoering ervan.
De verstrekkers van de in het eerste lid bedoelde nieuwe kredieten kunnen niet aansprakelijk worden gesteld enkel en alleen omdat de nieuwe kredieten de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten van de schuldenaar niet daadwerkelijk mogelijk hebben gemaakt.
Art. 4. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 5. De Minister van Justitie, de Minister van Middenstand, Zelfstandigen, en KMO's, en de Minister van Economie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven op Brussel, 24 april 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
De Minister van Middenstand, Zelfstandigen, en KMO's,
D. DUCARME
De Minister van Economie,
N. MUYLLE


begin

Publicatie : 2020-04-24