einde

Publicatie : 2020-04-24

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN

19 APRIL 2020. - Bijzondere-machtenbesluit nr. 7 houdende bijkomende steunmaatregelen inzake vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, belasting niet-inwoners, personenbelasting, belasting over de toegevoegde waarde, bedrijfsvoorheffing, registratierechten en retributies



VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
De gezondheidscrisis te wijten aan het nieuwe coronavirus waarmee de ganse wereld wordt geconfronteerd en de maatregelen die door de overheid van het land ter indamming van het virus werden getroffen veroorzaken nu reeds een economische crisis die zowel de bedrijven als de ganse bevolking treffen. De economische crisis zal zeker nog enige tijd verergeren en de leefbaarheid van een aantal ondernemingen in het gedrang brengen.
Teneinde de gezondheidscrisis en de ermee gepaard gaande economische crisis te bestrijden werd de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) door het Parlement aangenomen.
De bijzondere machten die de Koning heeft gekregen (zie in het bijzonder art. 2 en 5, § 1, 3°, 4° en 6° ), zijn, in fiscale materies, beperkt. Aldus, "De verplichtingen met betrekking tot de betaling en terugbetaling van de belastingen, taksen en rechten, kunnen worden verschoven in de tijd, doch niet gewijzigd, vervangen of opgeheven. In geen geval kunnen de tarieven, de grondslag of de belastbare verrichtingen aangepast worden. De maatregelen die de Koning krachtens deze wet kan nemen beperken zich aldus tot de inning en de invordering." (Kamer, Doc 55 1104/001, p. 5, Artikelsgewijze toelichting, onder artikel 4).
Ze zijn erop gericht de impact van de pandemie te wijten aan het coronavirus voor alle economische spelers zoveel mogelijk op te vangen.
Om extra financiële ademruimte te creëren voor de bedrijven en ondernemers maar ook voor gezinnen, worden in dit besluit bijkomende steunmaatregelen genomen inzake vennootschapsbelasting, rechtspersonen-belasting, belasting niet-inwoners, personenbelasting, btw en bedrijfsvoorheffing.
Dit besluit heeft tot voornamelijk doel:
1° het uitstel tot en met 30 april 2020 voor de indieningstermijn van de aangiften inzake vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, belasting niet-inwoners- vennootschappen, met een uiterste indieningsdatum tussen 16 maart 2020 en 30 april 2020, alsook een automatisch uitstel van twee maanden voor de betalingstermijnen inzake personenbelasting, vennootschapsbelasting rechtspersonenbelasting, belasting niet-inwoners, en bedrijfsvoorheffing, zonder boetes of interesten te moeten betalen;
2° het uitstel van de data van indiening van de periodieke btw-aangifte, van de bijzondere btw-aangifte, van de jaarlijkse klantenlisting, van de opgave van de intracommunautaire handelingen, een automatisch uitstel van betaling van twee maanden voor de betaling van de btw, alsook een versnelde terugbetaling.
De artikelen van dit besluit maken deel uit van de uitvoering van artikel 5, § 1, 3° en 6° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II).
Het betreft meer in het bijzonder een wettelijke bekrachtiging van de dringende steunmaatregelen die eerder door de regering werden aangekondigd en op de website van de Federale Overheidsdienst Financiën werden gepubliceerd onder de titel "Coronavirus - bijkomende steunmaatregelen : vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, belasting niet-inwoners, personenbelasting, btw en bedrijfsvoorheffing" waardoor de rechtszekerheid voor belastingplichtigen die gebruik maken van uitstel van betaling wordt gewaarborgd. Het dringend karakter van de fiscale steunmaatregelen rechtvaardigt hun opname in dit besluit.
Bovendien wordt in dit besluit de termijn voor de griffiers tot overlegging van vonnissen en arresten op de kantoren Rechtszekerheid van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie tijdelijk verlengd.
Artikel 1 van dit ontwerp heeft als enig doel de verplichtingen met betrekking tot de indiening van de aangifteformulieren inzake de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting en de belasting van niet-inwoners-vennootschappen met een uiterste indieningsdatum tussen 16 maart 2020 en 30 april 2020, in de tijd te verschuiven.
Artikel 2 van het ontwerp bepaalt dat, wanneer rechtspersonen hun algemene vergadering uitstellen, in toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 4 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake mede-eigendom en het vennootschaps- en verenigingsrecht in het kader van de strijd tegen de Covid-19 pandemie, de in artikel 310 WIB92 bedoelde termijn van één maand niet van toepassing is wanneer deze algemene vergadering plaatsvindt op een datum op minder dan een maand van de uiterste indieningsdatum van de aangifte in de vennootschapsbelasting.
Deze bepaling wordt genomen vanuit de bekommernis de uiterste indieningsdatum van de aangifte in de vennootschapsbelasting niet te verdagen teneinde de administratieve en procedurele termijnen niet nog meer te verkorten waardoor de goede werking van de diensten zou worden verstoord.
Artikel 3 laat toe om de betalingstermijn voor de bedrijfsvoorheffing verbonden aan de maanden februari, maart en april 2020, of aan het eerste kwartaal 2020 voor de kwartaalaangevers met twee maanden te verlengen.
De artikelen 4 en 5 voorzien een automatische verlenging van de betalingstermijn voor de inkomstenbelastingen voor aanslagjaar 2019 (de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting en de belasting niet-inwoners) opgenomen in een kohier dat uitvoerbaar werd verklaard tussen 12 maart 2020 en 31 oktober 2020.
Deze termijn werd zo bepaald om ook de inkohieringen met betrekking tot boekjaren te paard te vatten.
Wanneer belastingschuldigen gebruik maken van deze bijkomende betalingstermijnen worden er noch nalatigheidsinteresten (art. 6), noch administratieve boetes (art. 8) toegepast tijdens de verlengingstermijn.
Zo zal ook de indiening van de betrokken aangifteformulieren na de op het formulier vermelde datum geen aanleiding geven tot een belastingverhoging (artikel 7) of een administratieve boete (artikel 8), beide wegens laattijdige indiening, op voorwaarde dat ze uiterlijk 30 april 2020 zijn ingediend.
Gelet op het eenmalig karakter ervan werden de verlengingen van de neerleggingstermijnen of de betalingstermijnen niet opgenomen in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 noch in de andere Wetboeken of in de normaal van toepassing zijnde wetgeving.
Het spreekt voor zich dat de bepalingen met betrekking tot de nalatigheidsinteresten en de administratieve sancties niet van toepassing zijn als de neerlegging of de betaling plaats heeft binnen de aldus verlengde termijnen.
Als de bedrijfsvoorheffing en de inkomstenbelastingen voldaan worden na het verstrijken van de verlengde termijn, zijn de artikelen 414 en 445 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing.
Artikel 9, § 1, voorziet een verlengde betalingstermijn voor de periodieke btw-maandaangiften met betrekking tot de maanden februari, maart en april 2020 alsook voor de btw-kwartaalaangifte met betrekking tot het eerste kwartaal van 2020. Artikel 9, § 2, voorziet daarnaast ook een verlengde betalingstermijn voor de bijzondere btw-aangifte met betrekking tot het eerste kwartaal van 2020.
Wanneer belastingplichtigen gebruik maken van deze verlengde betalingstermijn, worden er geen nalatigheidsinteresten noch administratieve geldboeten toegepast tijdens de verlengingstermijn.
Artikel 9, § 3, voorziet een verlengde indieningstermijn voor de btw-maandaangiften met betrekking tot de maanden februari, maart en april 2020 alsook voor de btw-kwartaalaangifte met betrekking tot het eerste kwartaal van 2020. Artikel 9, § 4, voorziet daarnaast ook een verlengde indieningstermijn voor de bijzondere btw-aangifte met betrekking tot het eerste kwartaal van 2020.
Wanneer belastingplichtigen gebruik maken van deze verlengde indieningstermijn, worden er geen administratieve geldboeten toegepast tijdens de verlengingstermijn.
Artikel 10 voorziet ten voordele van belastingplichtigen die btw-maandaangiften indienen een versnelde teruggave van het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de btw-aangifte met betrekking tot de maand februari 2020. Dat geldt zowel voor die belastingplichtigen die al recht hebben op een maandelijkse teruggaaf (de belastingplichtigen bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 3° en 4°, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde) als voor diegenen die geen recht hebben op een dergelijke maandelijkse teruggaaf.
De teruggaaf zal ten laatste op 30 april 2020 worden uitgevoerd, wat met name voor de tweede categorie van indieners van periodieke btw-maandaangiften de teruggaaf tot twee maanden kan vervroegen.
De versnelde teruggaaf zal maar worden uitgevoerd op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige als het terug te geven btw-bedrag minimaal 245 euro bedraagt en de aangiften met betrekking tot de maanden januari en februari 2020 uiterlijk op 3 april 2020 langs elektronische weg worden ingediend. De indieningstermijn voor de aangifte met betrekking tot de maand februari 2020 moet alleen worden gerespecteerd om versnelde teruggaaf te kunnen genieten: de belastingplichtige die deze termijn overschrijdt, kan nog altijd de verlengde indieningstermijn bedoeld in artikel 9, § 3, genieten zonder dat er tijdens die verlengde indieningstermijn administratieve geldboeten worden opgelegd.
Artikel 11 preciseert dat de belastingplichtigen die maandaangiften indienen en die al recht hebben op maandelijkse teruggaaf, hun aangifte met betrekking tot de maand maart 2020 uiterlijk op 24 april 2020 moeten indienen.
Artikel 12 voorziet verlengde indieningstermijnen voor de jaarlijkse lijst van de belastingplichtige afnemers betreffende het jaar 2019.
Wanneer belastingplichtigen gebruik maken van deze verlengde indieningstermijnen, worden er geen administratieve geldboeten toegepast tijdens de verlengingstermijn.
Artikel 13 voorziet verlengde indieningstermijnen voor deel 1 en deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen met betrekking tot de maand maart 2020 en tot de maand april 2020.
Wanneer belastingplichtigen gebruik maken van deze verlengde indieningstermijnen, worden er geen administratieve geldboeten toegepast tijdens de verlengingstermijn.
Om de betrokken belastingplichtigen in deze moeilijke tijden een zo groot mogelijke rechtszekerheid en geruststelling te bieden, moeten de voorgestelde maatregelen zo spoedig mogelijk in werking treden.
Artikel 14 voorziet in een tijdelijke verlenging van de termijn voor de overlegging van de vonnissen en arresten op het kantoor Rechtszekerheid.
Artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken, verplicht, op straffe van een administratieve boete, de griffiers tot overlegging binnen een termijn van tien dagen van hun vonnissen en arresten op het bevoegde kantoor Rechtszekerheid van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.
Voornoemd artikel 1 laat de kantoren Rechtszekerheid toe om over te gaan tot de inning van het veroordelingsrecht of van het titelrecht, wanneer de verschuldigdheid ervan blijkt uit het vonnis of arrest.
De noodmaatregelen in verband met het tegengaan van de verspreiding van het COVID-19 virus hebben de normale werking van zowel de griffies van de hoven en rechtbanken als van de kantoren Rechtszekerheid van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie danig verstoord, zodat zowel de griffiers als de ambtenaren van de kantoren Rechtszekerheid zich veelal moeten beperken tot de meest dringende taken.
De inning van het veroordelingsrecht en van het titelrecht kan zonder veel repercussies voor de budgettaire opbrengst van die rechten nu een aantal weken worden opgeschoven. De termijn voor de overlegging van de vonnissen en arresten op het kantoor rechtszekerheid kan bijgevolg ook worden verlengd.
Artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 januari 2019 staat daaraan echter in de weg vermits dat artikel op straffe van een administratieve boete een strikte termijn van tien dagen bepaalt waarbinnen de overlegging van de vonnissen en arresten op het bevoegde kantoor Rechtszekerheid moet gebeuren.
Het is aldus van belang dat zowel de griffiers van de hoven en rechtbanken (wat betreft de termijn waarbinnen zij hun akten moeten overleggen), als de ambtenaren van de kantoren Rechtszekerheid (wat betreft de toepassing van de boete bij laattijdige overlegging), zo snel als mogelijk kunnen terugvallen op een formele rechtsregel die hen tijdelijk toelaat af te wijken van de toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 januari 2019. Om efficiënt te zijn (vermijden van teruggaven van reeds geheven boetes) moet de voorgestelde maatregel zo spoedig als mogelijk kunnen toegepast worden.
Bovendien is het zo dat de maatregelen die de regering heeft genomen in het kader van de bestrijding van de COVID-19 pandemie een nadelige invloed kunnen hebben op het vermogen van particulieren en bedrijven om schulden tijdig af te betalen en dat hierdoor de bankinstellingen en andere schuldeisers zich kunnen genoodzaakt zien om hun hypothecaire mandaten om te zetten in effectieve hypothecaire inschrijvingen, waarbij de daaraan verbonden kosten ten laste komen van de schuldenaars waardoor hun schuldpositie verder verzwakt. Daarom voert art. 15 in dat er tijdelijk geen retributie verschuldigd is op deze hypothecaire inschrijvingen.
Gelet op deze dringendheid werd het advies van de Raad van State, gevraagd met toepassing artikel 4, derde lid van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I), binnen maximum 5 dagen.
Ik heb de eer te zijn,
Sire,
Van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
De Vice-eersteminister en Minister van Financiën,
A. DE CROO

ADVIES 67.206/3 VAN 14 APRIL 2020 OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT NR. 7 `HOUDENDE BIJKOMENDE STEUNMAATREGELEN INZAKE VENNOOTSCHAPSBELASTING, RECHTSPERSONENBELASTING, BELASTING NIET-INWONERS, PERSONENBELASTING, BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE, BEDRIJFSVOORHEFFING, REGISTRATIERECHTEN EN RETRIBUTIES'
Op 6 april 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Financiën verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit nr. 7 `houdende bijkomende steunmaatregelen inzake vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, belasting niet-inwoners, personenbelasting, belasting over de toegevoegde waarde, bedrijfsvoorheffing, registratierechten en retributies'.
Het ontwerp is door de derde kamer onderzocht op 9 april 2020. De kamer was samengesteld uit Jo Baert, kamervoorzitter, Jeroen Van Nieuwenhove en Koen Muylle, staatsraden, Jan Velaers en Bruno Peeters, assessoren, en Annemie Goossens, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Kristine Bams, eerste auditeur-afdelingshoofd, en Frédéric Vanneste, eerste auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Koen Muylle, staatsraad.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 14 april 2020.
1. Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I)' (hierna: de wet van 27 maart 2020 (I)), waarin wordt verwezen naar artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
Strekking van het ontwerp
2. Het voor advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe in bijkomende steunmaatregelen te voorzien inzake de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting, de belasting niet-inwoners, de personenbelasting, de belasting over de toegevoegde waarde, de bedrijfsvoorheffing, de registratierechten en retributies, teneinde de impact van de COVID-19 pandemie veroorzaakt door het coronavirus te verzachten.
Zo worden de termijnen uitgesteld voor de indiening van aangiften inzake de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting en de belasting niet--inwoners--vennootschappen, en wordt in uitstel van betaling voorzien inzake de inkomstenbelastingen en de bedrijfsvoorheffing (artikelen 1 tot 8 van het ontwerp).
Ook wordt het tijdstip van indiening van de periodieke btw-aangifte, van de bijzondere btw-aangifte, van de jaarlijkse klantenlisting, van de opgave van de intracommunautaire handelingen, en van de betaling van de btw uitgesteld (artikelen 9 tot 13).
Voorts wordt de termijn verlengd waarbinnen de griffiers van de hoven en rechtbanken vonnissen en arresten kunnen meedelen aan de ontvanger van het bevoegde kantoor Rechtszekerheid van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie (artikel 14).
Ten slotte wordt bepaald dat de retributie verschuldigd voor de uitvoering van hypothecaire formaliteiten niet moet worden betaald ingeval in de periode van 16 maart 2020 tot 30 juni 2020 de inschrijving van een hypotheek wordt gevraagd op overlegging van een hypothecair mandaat dat dagtekent van voor 16 maart 2020 (artikel 15).
Het te nemen besluit heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2020 (artikel 16).
Rechtsgrond
3.1. Het ontworpen besluit vindt in beginsel rechtsgrond in artikel 5, § 1, 3° en 6°, van de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II)' (hierna: de wet van 27 maart 2020 (II). In die bepaling wordt de Koning gemachtigd om maatregelen te nemen om:
"3° directe of indirecte steun te bieden aan of beschermende maatregelen te nemen voor de getroffen financiële sectoren, de economische sectoren, de profit- en non-profitsector, de bedrijven en de huishoudens om de gevolgen van de pandemie te beperken;
(...)
6° de bij of krachtens de wet bepaalde termijnen te schorsen of te verlengen volgens de door Hem bepaalde termijnen".
3.2. Voor artikel 15 van het ontworpen besluit zou rechtsgrond kunnen worden gevonden in artikel 146, tweede lid, van titel XVIII, van boek III, van het Burgerlijk Wetboek, waarnaar wordt verwezen in het tiende lid van de aanhef. In die bepaling wordt de Koning gemachtigd om het tarief en de nadere regels inzake de toepassing te bepalen van de retributies die verschuldigd zijn voor de uitvoering van de hypothecaire formaliteiten en voor het uitreiken van de afschriften en getuigschriften.
De gemachtigde liet evenwel weten dat voor die bepaling, naast het hiervoor vermelde artikel 5, § 1, 3°, van de wet van 27 maart 2020 (II), veeleer rechtsgrond wordt gezocht in punt 4° van hetzelfde artikel, naar luid waarvan de Koning wordt gemachtigd om maatregelen te nemen om de continuïteit van de economie, de financiële stabiliteit van het land en de marktwerking te garanderen, alsook de consument te beschermen.
Die bepaling kan inderdaad rechtsgrond bieden voor artikel 15 van het ontworpen besluit. Artikel 4 van de wet van 27 maart 2020 (II) bepaalt weliswaar dat de koninklijke besluiten genomen krachtens deze wet de bijdragen aan de sociale zekerheid, de belastingen, de taksen en rechten, niet mogen aanpassen, opheffen, wijzigen of vervangen, inzonderheid de grondslag, het tarief en de belastbare verrichtingen. Artikel 15 heeft echter betrekking op een retributie, zodat de in artikel 4 van de wet van 27 maart 2020 (II) vervatte beperking er niet op van toepassing is.
Door de keuze om voor artikel 15 van het ontworpen besluit rechtsgrond te zoeken in de wet van 27 maart 2020 (II), en niet in artikel 146, tweede lid, van titel XVIII, van boek III van het Burgerlijk Wetboek, zal die bepaling, net zoals de overige bepalingen van het te nemen besluit, overeenkomstig artikel 7 van die wet binnen een termijn van een jaar vanaf de inwerkingtreding ervan moeten worden bekrachtigd, zo niet wordt ze geacht nooit uitwerking te hebben gehad.
Onderzoek van de tekst
Aanhef
4.1. Gelet op wat over de rechtsgrond voor het ontworpen besluit is opgemerkt (opmerking 3.2), moet het tiende lid van de aanhef worden weggelaten.
4.2. In het vijftiende lid van de aanhef, dat het veertiende lid wordt, dient enkel te worden verwezen naar artikel 4, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 (I), aangezien die vermelding, voor de koninklijke besluiten die binnen het toepassingsgebied van die bepaling vallen, daar dienst doet als de overname van de motivering van het spoedeisend karakter. Het is niet nodig om bijkomend te verwijzen naar artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State.
Artikel 2
5. In artikel 2 van het ontwerp wordt bepaald dat de termijn van een maand bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 92) niet van toepassing is op de in de ontworpen regeling vermelde gevallen.
De gemachtigde preciseerde dat de verwijzing naar "de termijn van een maand" zowel slaat op de termijn vermeld in artikel 310, eerste lid, van het WIB 92, als op die vermeld in het tweede en derde lid van die bepaling:
"De verwijzing naar het eerste lid werd opgeheven, de bepaling slaat op het volledige artikel 310 en niet enkel op het eerste lid. De in het tweede en derde lid bedoelde ontbonden vennootschappen kunnen namelijk ook onder de bepalingen vallen van hoofdstuk 2, afdeling 4 van het koninklijk besluit nr. [X] 2020 houdende diverse bepalingen inzake mede-eigendom en het vennootschaps- en verenigingsrecht in het kader van de strijd tegen de Covid-19 pandemie."
Artikelen 9 en 13
6. In de artikelen 9, §§ 3 en 4, en 13, § 1, van het ontwerp wordt de Minister van Financiën (lees: de minister bevoegd voor financiën) gemachtigd om de dienst aan te wijzen waarbij de in die bepalingen vermelde aangiften moeten worden ingediend.
Om uitleg gevraagd over die machtigingen aan de minister verklaarde de gemachtigde:
"Les dispositions contenues dans les articles 9 et 13 du projet ont uniquement pour but, en dérogeant à l'article 18, § 1er, de l'arrêté royal n° 1 du 29 décembre 1992 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée et aux articles 1er et 9 de l'arrêté royal n° 50 du 11 décembre 2019 relatif au relevé à la T.V.A. des opérations intracommunautaires, de prolonger la date de dépôt, respectivement de la déclaration périodique à la T.V.A. et de la déclaration spéciale à la T.V.A., ainsi que du relevé à la T.V.A. des opérations intracommunautaires.
Ainsi, les déclarations en question doivent être déposées auprès du même service et selon les mêmes modalités que celles prévues à l'article 18 de l'arrêté royal n° 1 précité et aux articles 6 et 12 de l'arrêté royal n° 50 précité (en règle par voie électronique via [internet]).
Aucune nouvelle délégation au Ministre n'est en l'occurrence introduite dans les articles 9 et 13 du projet en question.
Compte tenu de ce qui précède, les mots `au service indiqué par le Ministre des Finances' seront donc supprimés des articles 9, §§ 3 et 4, et 13, § 1er, alinéa 1er du projet."
Hiermee kan worden ingestemd.
Artikel 16
7. Luidens artikel 16, eerste lid, van het ontwerp heeft het te nemen besluit uitwerking met ingang van 1 maart 2020.
Artikel 2, tweede lid, van de wet van 27 maart 2020 (II) bepaalt dat zo nodig de in artikel 5, § 1, 1° tot 8°, van dezelfde wet bedoelde maatregelen zo nodig een terugwerkende kracht kunnen hebben, die echter niet verder kan teruggaan dan 1 maart 2020. Bijgevolg bestaat voor de terugwerkende kracht een wettelijke grondslag. Er lijkt ook te kunnen worden aangenomen dat ze onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang.
Omtrent de keuze voor de datum van 1 maart 2020 verklaarde de gemachtigde het volgende:
"Gelet op de hoogdringendheid, werd één enkele datum weerhouden, namelijk die van de eerste dag van de maand waarop de maatregelen in het kader van Corona werden genomen."
8. In artikel 16, tweede lid, van het ontwerp wordt bepaald dat indien de dringende noodzaak die het te nemen besluit motiveert, niet verdwenen is op de vervaldag van de in de artikelen 4 en 5 bedoelde termijnverlengingen, de Koning deze vervaldag kan uitstellen.
Met een dergelijke bepaling in het te nemen bijzonderemachtenbesluit zou de Koning zichzelf machtigen om ook na afloop van de door de wetgever toegekende bijzondere machten in een bijkomende termijnverlenging te voorzien die afwijkt van de artikelen 413, eerste lid, en 413/1, § 2, eerste lid, van het WIB 92. Een dergelijk besluit zou rechtsgrond vinden in artikel 16, tweede lid, van het te nemen (en te bekrachtigen) besluit en niet in de wet van 27 maart 2020 (II).
De Koning kan aan zichzelf evenwel geen bijzondere machten toekennen. Die bevoegdheid komt enkel aan de wetgever zelf toe.
Bovendien is de ontworpen regeling niet nodig, aangezien de Koning binnen de looptijd van de bij de wet van 27 maart 2020 (II) toegekende bijzondere machten de in de artikelen 4 en 5 bepaalde termijnverlenging kan aanpassen op grond van die wet. Artikel 6, tweede lid, van het ontwerp moet bijgevolg worden weggelaten.
De griffier,
A. Goossens
De voorzitter,
J. Baert

19 APRIL 2020. - Bijzondere-machtenbesluit nr. 7 houdende bijkomende steunmaatregelen inzake vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, belasting niet-inwoners, personenbelasting, belasting over de toegevoegde waarde, bedrijfsvoorheffing, registratierechten en retributies
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), artikelen 2 en 5, § 1, 3°, 4° en 6° ;
Gelet op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikelen 308, § 1, 412, tweede lid, 412, derde lid, 413, eerste lid, 413, tweede lid, 413/1, § 2, eerste lid, 414, 444 en 445;
Gelet op het Wetboek van belasting over de toegevoegde waarde, artikelen 53, § 1, eerste lid, 3°, en 53ter, 2° ;
Gelet op koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, artikel 18, § 1;
Gelet op het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, artikel 81, § 2, eerste en tweede lid;
Gelet op het koninklijk besluit nr. 23 van 9 december 2009 met betrekking tot de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers, artikel 1, § 1 en 3;
Gelet op het koninklijk besluit nr. 50 van 11 december 2019 met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, de artikelen 1, 5, § 1 en 2, 9 en 11, § 1 en 2;
Gelet op het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, artikelen 32, enig lid, 3°, 142 tot 147 en 1812;
Gelet op het koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken, artikel 1;
Gelet op het Koninklijk besluit van 14 september 2016 tot vaststelling van de retributies voor de uitvoering van de hypothecaire formaliteiten en voor de aflevering van de afschriften en getuigschriften;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 30 maart 2020;
Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 1 april 2020;
Gelet op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, gegeven op 4 april 2020;
Gelet op het advies nr. 67.206/3 van de Raad van State, gegeven op 14 april 2020, met toepassing van artikel 4, derde lid van de wet van 27 maart 2020 dat machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I);
Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd op 30 maart 2020 overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
Overwegende dat de bijzondere machten die de regering heeft gekregen erop gericht zijn de impact van de COVID-19 pandemie voor alle economische spelers zoveel als mogelijk op te vangen;
Overwegende dat het nodig is om bijkomende maatregelen te nemen om extra financiële ademruimte te creëren voor de bedrijven en ondernemers maar ook voor gezinnen;
Overwegende dat om de betrokken belastingplichtigen in deze moeilijke tijden een zo groot mogelijke rechtszekerheid en geruststelling te bieden, de voorgestelde maatregelen zo vlug mogelijk dienen in werking te treden;
Overwegende dat de normale werking van zowel de griffies van de hoven en rechtbanken als van de kantoren Rechtszekerheid van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie verstoord is zodat het in de huidige situatie aangewezen is die termijn voor de griffiers tot overlegging van vonnissen en arresten op te schorten zolang de toestand niet genormaliseerd is;
Overwegende dat de maatregelen die de regering heeft genomen in het kader van de bestrijding van de COVID-19 pandemie een nadelige invloed kunnen hebben op het vermogen van particulieren en bedrijven om schulden tijdig af te betalen en dat hierdoor de bankinstellingen en andere schuldeisers zich kunnen genoodzaakt zien om hun hypothecaire mandaten om te zetten in effectieve hypothecaire inschrijvingen, waarbij de daaraan verbonden kosten ten laste komen van de schuldenaars waardoor hun schuldpositie verder verzwakt;
Op de voordracht van de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
HOOFDSTUK 1. - Uitstel van de indiening van aangiften inzake vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, belasting niet-inwoners vennootschappen en uitstel van de betaling inzake de inkomstenbelastingen en de bedrijfsvoorheffing
Artikel 1. In afwijking van artikel 308, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 juni 2013, kunnen de aangifteformulieren inzake de vennootschapsbelasting, de rechtspersonen-belasting en de belasting van niet-inwoners-vennootschappen met een uiterste indieningsdatum tussen 16 maart 2020 en 30 april 2020, rechtsgeldig worden ingediend tot en met 30 april 2020.
Art. 2. Voor de rechtspersonen die gebruik maken van de bepalingen opgenomen in hoofdstuk 2, afdeling 4 van het koninklijk besluit nr. 4 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake mede-eigendom en het vennootschaps- en verenigingsrecht in het kader van de strijd tegen de Covid-19 pandemie en waarvan de goedkeuring van hetzij de jaarrekening hetzij de rekening der ontvangsten en uitgaven op een datum plaatsvindt, op minder dan een maand van de uiterste indieningsdatum van de aangifte in de vennootschapsbelasting waarop de voormelde jaarrekening of de rekening der ontvangsten en uitgaven betrekking heeft, zal de termijn van een maand bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 niet van toepassing zijn.
Art. 3. In afwijking van artikel 412, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 24 maart 2015, wordt de betalingstermijn van de bedrijfsvoorheffing verbonden aan de maanden februari, maart en april 2020 verlengd tot respectievelijk 13 mei, 15 juni en 15 juli 2020.
In afwijking van artikel 412, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 juli 1992, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en gewijzigd bij de wet van 19 december 2014, wordt de betalingstermijn van de bedrijfsvoorheffing verbonden aan het eerste trimester van 2020 verlengd tot 15 juni 2020.
Art. 4. In afwijking van artikel 413, eerste lid, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en tweede lid, ingevoegd bij de wet van 17 juni 2013 van hetzelfde Wetboek, wordt, met uitzondering van de onroerende voorheffing, de betalingstermijn verlengd met twee maanden voor het aanslagjaar 2019 voor de inkomstenbelastingen opgenomen in een kohier uitvoerbaar verklaard tussen 12 maart 2020 en 31 oktober 2020.
Het eerste lid raakt niet aan de toepassing van artikel 413, derde en vierde lid, van hetzelfde Wetboek.
Art. 5. In afwijking van artikel 413/1, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 december 2016, wordt de betalingstermijn verlengd met twee maanden voor het aanslagjaar 2019 voor het resterend verschuldigd gedeelte van de inkomstenbelastingen gevestigd op basis van de inkomsten bedoeld in artikel 413/1, § 1 van hetzelfde Wetboek opgenomen in een kohier uitvoerbaar verklaard tussen 12 maart 2020 en 31 oktober 2020.
Art. 6. In afwijking van artikel 414, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 april 2019, geeft de verlenging van de termijnen voorzien in de artikelen 3 tot 5 geen aanleiding tot de aanrekening van interest in hoofde van de belastingschuldige.
Art. 7. In afwijking van artikel 444, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juni 2017, geeft de verlenging van de termijnen voorzien in het artikel 1 geen aanleiding tot de toepassing van belastingverhogingen.
Art. 8. In afwijking van artikel 445 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 december 2019, geeft de verlenging van de termijnen voorzien in de artikelen 1 tot 4 geen aanleiding tot de toepassing van administratieve boetes.
HOOFDSTUK 2. - Uitstel betreffende het tijdstip van indiening van de periodieke btw-aangifte, van de bijzondere btw-aangifte, van de jaarlijkse klantenlisting, van de opgave van de intracommunautaire handelingen en de betaling van de btw - Versnelde teruggaaf
Art. 9. § 1. In afwijking van artikel 53, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 28 januari 2004, voldoet de belastingplichtige, met uitzondering van degene die geen enkel recht op aftrek heeft, de belasting waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de aangifte voorzien in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, met betrekking tot de maanden februari, maart en april 2020 en het eerste kwartaal van 2020 uiterlijk op de twintigste dag van de derde maand volgend op het tijdvak waarop zij betrekking heeft, onverminderd de toepassing van de artikelen 70, § 1 en 91 van hetzelfde Wetboek bij het verstrijken van de voormelde betalingstermijnen.
§ 2. In afwijking van artikel 53ter, 2°, van hetzelfde Wetboek, voldoen de in artikel 51, § 1, 2° en § 2, van hetzelfde Wetboek bedoelde schuldenaars van de belasting die niet gehouden zijn tot de verplichtingen bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° en 3°, van hetzelfde Wetboek, de belasting waarvan de opeisbaarheid voortvloeit uit de aangifte voorzien in artikel 53ter, 2°, van hetzelfde Wetboek, met betrekking tot het eerste kwartaal 2020, uiterlijk op de twintigste dag van de derde maand volgend op het tijdvak waarop zij betrekking heeft, onverminderd de toepassing van de artikelen 70, § 1 en 91 van hetzelfde Wetboek bij het verstrijken van de voormelde betalingstermijnen.
§ 3. In afwijking van artikel 18, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 februari 2004, dient de persoon die gehouden is tot het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek bedoelde aangifte, met betrekking tot de maand februari 2020, deze in uiterlijk op 6 april 2020. De aangiftes met betrekking tot de maand maart 2020 en het eerste kwartaal van 2020 worden uiterlijk op 7 mei 2020 ingediend. De aangifte met betrekking tot de maand april 2020 wordt uiterlijk op 5 juni 2020 ingediend.
De in eerste lid bedoelde indieningstermijnen zijn van toepassing onverminderd de toepassing van artikel 70, § 4 van hetzelfde Wetboek bij het verstrijken van die indieningstermijnen.
§ 4. In afwijking van artikel 18, § 1, van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 februari 2004, dient de persoon die gehouden is tot het indienen van de in artikel 53ter, 1°, van hetzelfde Wetboek bedoelde aangifte, met betrekking tot het eerste kwartaal 2020, deze in uiterlijk op 7 mei 2020, onverminderd de toepassing van artikel 70, § 4 van hetzelfde Wetboek bij het verstrijken van de voormelde indieningstermijn.
Art. 10. Onverminderd de toepassing van artikel 9, § 3, en in afwijking van artikel 81, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 april 1993 en laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 juni 2019, wordt, het door de Staat verschuldigde bedrag na het indienen van de maandaangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek met betrekking tot de maand februari 2020 op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige aan hem teruggegeven, als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° het door de Staat verschuldigde bedrag bereikt 245 euro;
2° de aangiften met betrekking tot de maanden januari en februari 2020 worden uiterlijk op 3 april 2020 ingediend, overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
De ordonnancering of de verrichting gelijkgesteld met een betaling van het door de Staat verschuldigde bedrag bedoeld in het eerste lid gebeurt uiterlijk op 30 april 2020.
Art. 11. Onverminderd de toepassing van artikel 9, § 3, en in afwijking van artikel 81, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit, wordt voor de teruggave voorzien in artikel 81, § 2, eerste lid, 3° tot 4°, van hetzelfde besluit de aangifte betreffende de maand maart 2020 uiterlijk op 24 april 2020 ingediend.
Art. 12. § 1. In afwijking van artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 23 van 9 december 2009 met betrekking tot de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers, laatstelijk gewijzigd bij koninklijk besluit van 24 januari 2015, dienen de personen bedoeld in artikel 53quinquies van hetzelfde wetboek, de jaarlijkse lijst van de belastingplichtige afnemers betreffende het jaar 2019 in, uiterlijk op 30 april 2020 bij de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, onverminderd de toepassing van artikel 70, § 4 van hetzelfde Wetboek bij het verstrijken van de voormelde indieningstermijn.
§ 2. In afwijking van artikel 1, § 3, van hetzelfde besluit, wanneer een in § 1 bedoelde belastingplichtige enkel nog handelingen verricht die zijn vrijgesteld door artikel 44 van hetzelfde Wetboek die geen recht op aftrek verlenen of wanneer hij deze hoedanigheid verliest in de loop van de maanden december 2019 en januari 2020, wordt de lijst van deze belastingplichtige uiterlijk aan het einde van de vierde maand na de stopzetting van de aan btw onderworpen werkzaamheden ingediend, onverminderd de toepassing van artikel 70, § 4 van hetzelfde Wetboek bij het verstrijken van de voormelde indieningstermijn.
Art. 13. § 1. In afwijking van de artikelen 1 en 9 van het koninklijk besluit nr. 50 van 11 december 2019 met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, dienen de belastingplichtigen en de leden van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van hetzelfde Wetboek, bedoeld in artikel 53sexies, § 1, van hetzelfde Wetboek, bij de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde de delen 1 en 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen met betrekking tot de maand februari 2020 in uiterlijk op 6 april 2020. De delen 1 en 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen met betrekking tot de maand maart 2020 en tot de maand april 2020 worden uiterlijk respectievelijk op 7 mei 2020 en 5 juni 2020 ingediend.
In afwijking van de artikelen 5, § 1, en 11, § 1, van hetzelfde besluit worden de delen 1 en 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen met betrekking tot het eerste kwartaal van 2020 uiterlijk op 7 mei 2020 ingediend.
De in eerste en tweede lid bedoelde indieningstermijnen zijn van toepassing onverminderd de toepassing van artikel 70, § 4 van hetzelfde Wetboek bij het verstrijken van die indieningstermijnen.
§ 2. In afwijking van de artikelen 5, § 2, en 11, § 2, van hetzelfde besluit, dienen de landbouwondernemers die niet gehouden zijn tot de indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek bedoelde aangifte, de delen 1 en 2 van de btw-opgave voor intracommunautaire handelingen met betrekking tot het jaar 2019 in uiterlijk op 30 april 2020, onverminderd de toepassing van artikel 70, § 4 van hetzelfde Wetboek bij het verstrijken van de voormelde indieningstermijn.
HOOFDSTUK 3. - Tijdelijke verlenging van
de mededelingstermijn van vonnissen en arresten door de griffiers
Art. 14. In afwijking van artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken, kunnen de griffiers de vonnissen en arresten die dagtekenen van de periode van 1 maart 2020 tot 30 juni 2020 nog meedelen aan de ontvanger van het bevoegde kantoor Rechtszekerheid van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie binnen de tien dagen volgend op het verstrijken van de vermelde periode. Wanneer de mededeling niet tijdig is gedaan, verbeurt de griffier een boete van 12,50 euro.
HOOFDSTUK 4. - Retributie voor de uitvoering van hypothecaire formaliteiten
Art. 15. De in artikel 1, 2° van het Koninklijk besluit van 14 september 2016 tot vaststelling van de retributies voor de uitvoering van de hypothecaire formaliteiten en voor de aflevering van de afschriften en getuigschriften bepaalde retributie is niet verschuldigd in geval in de periode van 16 maart 2020 tot 30 juni 2020 de inschrijving van een hypotheek wordt gevraagd op overlegging van een hypothecair mandaat dat dagtekent van voor 16 maart 2020.
HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding en uitvoering
Art. 16. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2020.
Art. 17. De minister die bevoegd is voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 19 april 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
A. DE CROO


begin

Publicatie : 2020-04-24