einde

Publicatie : 2020-04-09

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE

9 APRIL 2020. - Koninklijk Besluit nr. 2 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken



VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
Het koninklijk besluit dat ik de eer heb aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen strekt ertoe tegemoet te komen aan een reeks dringende problemen die veroorzaakt worden door het gaandeweg stilvallen van het maatschappelijk, economisch, gerechtelijk en administratief leven als gevolg van de maatregelen die worden genomen ter bestrijding van de dreiging van het Covid-19-virus.
Artikel 1. In de eerste plaats, vanaf de dag dat de strengere veiligheidsvoorschriften van de Regering en de daaruit voortvloeiende beperkingen van het openbaar leven en de bewegingsvrijheid ingingen bestaat het risico dat rechtshandelingen niet tijdig zullen kunnen worden verricht. Weliswaar schorst overmacht elke termijn - "contra non valentem agere, non currit praescriptio" - maar het is evident dat discussies gaan oplaaien of de corona-maatregelen in alle omstandigheden een dergelijke, laat staan strikte vorm van overmacht opleveren. Bovendien zou onmiddellijk na afloop van die schorsing wegens overmacht een enorme "bottleneck" ontstaan omdat al de in de afgelopen crisisperiode niet verrichte rechtshandelingen en de voorbereiding daarvan dan quasi-onmiddellijk, op de eerste dag na het einde van de overmacht moeten plaatsvinden.
Op die grond moeten zolang die periode loopt nadelige rechtsgevolgen worden vermeden, wat in de eerste plaats betekent dat de verjaringstermijnen en de andere termijnen om burgerlijke vorderingen in rechte in te stellen die gedurende die crisisperiode vervallen verlengd moeten worden. Die verlenging maakt het voorwerp uit van § 1 van dit artikel. En krachtens § 2 geldt hetzelfde voor de vervaltermijnen in de procedure waarop een gelijkaardige sanctie staat, zoals bijvoorbeeld de ambtshalve wering uit de debatten van een laattijdige conclusie, alsmede de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden (hoger beroep, verzet, voorziening in cassatie...).
Omwille van de rechtszekerheid dringt een eenvoudige en uniforme, a.h.w. "forfaitaire" regeling zich op, die het best de rechtsbelangen behartigt, waarbij iedereen de kans krijgt om binnen een redelijke termijn na het ophouden van de lopende crisisperiode, alsnog op te treden. Om dus te vermijden dat bijvoorbeeld de dag waarop de crisis ophoudt meteen de dag zou zijn waarop in extremis zou moeten worden opgetreden, wat het geval zou kunnen zijn wanneer de termijnen geschorst worden, wordt ervoor gekozen om de vervallende termijnen te verlengen tot één maand na het einde van de in paragraaf 1 bedoelde periode.
Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel dat een mede-eigenaar aan de rechter wil vragen een onregelmatige, bedrieglijke of onrechtmatige beslissing van de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars te vernietigen of te wijzigen omdat zij hem persoonlijk nadeel oplevert, vordering die moet worden ingesteld binnen een termijn van vier maanden vanaf de datum waarop de algemene vergadering plaatsvond (art. 577-9, § 2, van het Burgerlijk Wetboek). Als die termijn vervalt op 10 april 2020, dus gedurende de crisisperiode, wordt hij (op dit ogenblik) verlengd tot het einde van die periode "vermeerderd" met één maand, dus tot en met 3 juni 2020. Hetzelfde geldt voor een binnen diezelfde periode verstrijkende termijn voor het aantekenen van hoger beroep: de eindvervaldag wordt 3 juni 2020.
Die extra maand maakt het mogelijk om nà afloop van de crisisperiode bijvoorbeeld contradictoire vaststellingen te doen, een technisch advies in te winnen, een plaatsbezoek (o.m. in een "tweede verblijf"), een deskundigenonderzoek, een onderhandeling, een vergadering (o.m. van mede-eigenaars), enz.... te organiseren en daaropvolgend de tegenpartij in gebreke te stellen of te dagvaarden enz., binnen de betrokken termijn. Of nog, dat de partijen - particulieren zowel als hun advocaten - en de betrokken instanties - zoals gerechtsdeurwaarders en griffies - kunnen overleggen en zich herorganiseren om betekeningen, kennisgevingen, neerleggingen, mededelingen enz.... opnieuw vlot te laten verlopen, zodat een "bottleneck" op de enige dag of in een kortere periode onmiddellijk na het einde van de crisis wordt vermeden.
Opgemerkt moet worden dat in het aan de Raad van State voorgelegde ontwerp alléén voorzien was in de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en van de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden. Terecht is de Raad van State van mening dat "[d]at verschil in behandeling [...] niet verantwoord [is] en de regel betreffende de verlenging van de termijnen van rechtspleging bedoeld in artikel 1 dient dan ook verruimd te worden tot de verjaringstermijnen en de vastgestelde termijnen die gelden voor het instellen van vorderingen in rechte " (overweging 10, in fine), zodat op zijn imperatieve suggestie wordt ingegaan. Wat betreft die verjaringstermijnen moet wel nog worden benadrukt, om misverstanden te vermijden, dat het uitsluitend gaat om verjaringen waarvan de ontvankelijkheid ratione temporis van een vordering in rechte afhankelijk is gesteld. Vandaar het gebruik van de woorden "verjaringstermijnen en andere termijnen om in rechte te treden". Het gaat dus om de verjaringstermijnen die met toepassing van art. 2244 van het Burgerlijk Wetboek door een dagvaarding worden gestuit.
De begindatum van de bewuste periode waarbinnen eventueel vervallende termijnen worden verlengd valt telkens samen met de datum van de publicatie van dit besluit. De verantwoording is dat geen vervallen termijnen heropend kunnen worden, laat staan een vonnis dat in kracht van gewijsde is getreden, retroactief aanvechtbaar zou worden met een gewoon rechtsmiddel. Dat neemt niet weg dat voor de voordien vervallen termijnen alsnog de toepassing van de gemeenrechtelijke overmachtregeling kan worden ingeroepen. De rechter zal daarover, geval per geval, oordelen.
De einddatum van die periode kan door de Koning worden aangepast, vanzelfsprekend in functie van de evolutie van de andere crisismaatregelen, en dat moet uiteraard op zijn beurt verantwoord worden in het licht van die maatregelen.
De precisering "onverminderd de door de bevoegde overheid getroffen of te treffen regelingen" zet in de verf dat deze maatregel genomen wordt binnen de grenzen van de federale bevoegdheid. Hij heeft dus geen invloed op rechtsvorderingen waarvoor de gemeenschappen, de gewesten, internationale of supranationale instanties de regelgevende bevoegdheid uitoefenen.
Anderzijds had het aan de Raad van State voorgelegde ontwerp ook betrekking op de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de federale administratieve rechtscolleges. De suggestie van de Raad dat daarvoor beter in een aparte regeling wordt voorzien zodat die instanties uit de werkingssfeer van het besluit werden weggelaten werd gevolgd.
In gerechtelijke procedures kan de wettelijke verlenging van de termijnen van de rechtspleging gevolgen hebben voor elkaar opvolgende rechtshandelingen (bijvoorbeeld het nemen van conclusies). Als gevolg van de verlenging van de eerste termijn, zal ook een daaropvolgende termijn (die mogelijks buiten de crisisperiode verloopt) evenmin kunnen worden nageleefd, of een zaak zal op een eerder vastgestelde zitting niet kunnen worden behandeld omdat ze niet in gereedheid is. Daarom wordt een regeling uitgewerkt die tot gevolg heeft dat alle termijnen in gelijke mate opschuiven en dat indien de zitting niet kan worden behouden (omdat ze minder dan een maand na het verstrijken van de laatste termijn volgt), zij wordt verdaagd. Het aan de Raad van State voorgelegde ontwerp werd dan ook in die zin gepreciseerd, dat er geen misverstand over kan bestaan: alleen een termijn die verstrijkt in de crisisperiode wordt werkelijk verlengd, de daaropvolgende termijnen worden alleen maar "opgeschoven". En dus wordt voor de volgende termijnen niet langer de notie "verlenging" gebezigd, maar "aanpassing van de vervaldatum overeenkomstig de duur van de verlenging" van de eerste termijn.
Nemen we het voorbeeld van een conclusiekalender waarin géén "deadline" verstrijkt gedurende de crisisperiode: dan verandert er niets. Alléén indien een termijn verstrijkt gedurende die periode wordt hij verlengd - op dit ogenblik - tot en met 3 juni 2020. Eventuele daaropvolgende termijnen verstrijken per hypothese nà de crisisperiode en worden dus niet verlengd, alleen maar "doorgeschoven": zij duren even lang als voorheen, maar beginnen later te lopen.
Enkele voorbeelden. Stel dat A conclusie moest nemen tegen 30 april 2020 en B tegen 31 juli 2020. De termijn van A zal worden verlengd tot 3 juni 2020, de vervaldatum van B zal worden "opgeschoven" met dezelfde duur, zijnde 34 dagen, dus tot en met 3 september 2020. Zijn termijn zal dus niet worden "verlengd", want B zal nog steeds beschikken over een termijn van drie maanden. Stel dat A moet concluderen tegen 10 april 2020, B één maand na het verstrijken van de termijn van A en C één maand na het verstrijken van de termijn van B. En stellen we dat de termijn van A krachtens het besluit verlengd wordt tot 3 juni 2020. In dat geval loopt de termijn van B tot 3 juli, die van C tot 3 augustus. Zonder crisis zouden die vervaldata 10 april, 10 mei en 10 juni zijn, respectievelijk voor A, B en C.
Ten slotte, die verlenging kan slechts achterstand in gerechtszaken veroorzaken in de gevallen waarin de allerlaatste termijn verstrijkt minder dan één maand voor de geplande zitting. Alléén in dat geval moet die worden uitgesteld, in de andere gevallen blijft die datum behouden (art. 1, § 2, derde lid).
Dit alles gebeurt van rechtswege, om te vermijden dat de rechtbanken worden overspoeld met extra werk om eerder vastgelegde termijnregelingen aan te passen. Ook de partijen zelf moeten niets doen, de wet past voor hen de termijnregelingen aan. De rechtbank zal eventueel enkel een nieuwe behandelingsdatum moeten meedelen (zie, art. 749 Gerechtelijk Wetboek).
Dat belet natuurlijk niet dat eenmaal de crisisperiode is afgelopen de betrokkenen - inz. de advocaten - afspreken over de nieuwe deadlines zodat zij in onderling overleg in der minne een "herrekende" kalender bindend overeenkomen.
Deze maatregel geldt uitsluitend voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht, met uitzondering van de strafzaken (behalve wat betreft uitsluitend burgerlijke belangen), waartoe de zaken van jeugddelinquentie worden gerekend. Ook tuchtprocedures worden uitgesloten, evenals het opleggen van ordemaatregelen.
Wat dat laatste betreft, in het oorspronkelijke ontwerp was erin voorzien (art. 3) dat het besluit niet toepasselijk zou zijn "op het stuk van [...] de rechtsplegingen die volgens de beslissing van de overheid, met inbegrip van de rechter, dermate dringend zijn dat hun behandeling niet tot na de afloop van de in voorkomend geval verlengde periode bedoeld in artikel 1 kan worden verdaagd". De bedoeling van de notie "overheid" was in de eerste plaats tuchtprocedures te kunnen uitzonderen indien daartoe aanleiding bestaat, waarbij de "bevoegde [tucht]overheid" niet noodzakelijk een rechter is. Als gevolg van de opmerkingen van de Raad van State werd hiervan een uitdrukkelijker uitzondering gemaakt, voor alle tuchtprocedures en eventuele ordemaatregelen, die dan ook beperkt werd tot artikel 1.
Ook de uitzondering voor spoedeisende gevallen werd, als gevolg van de opmerkingen van de Raad van State, ondergebracht in een bijzondere regeling, terug te vinden in artikel 1, § 3. Op verzoek van een partij kan de rechter de werking van de tweede paragraaf uitsluiten, waarvoor in een summiere, contradictoire procedure is voorzien. Daarbij mag worden opgemerkt dat een terechtzitting per videoconferentie ook een terechtzitting is, waarop dus een mondeling verzoek kan worden gedaan.
Nog een precisering waartoe het advies van de Raad van State aanleiding geeft: artikel 1, § 2, is uitsluitend toepasselijk op de termijnen "waarvan het verstrijken tot verval of tot een andere sanctie leidt of zou kunnen leiden indien niet tijdig wordt gehandeld". Dat zijn dus vervaltermijnen die op straffe van verval zijn voorgeschreven, niet de vervaltermijnen die louter indicatieve termijnen of "termijnen van orde" zijn, evenmin op zogenaamde wachttermijnen, met als schoolvoorbeeld allicht de door de Raad van State vermelde "termijn van verschijning", d.i. de dagvaardingstermijn o.a. bedoeld in art. 707 van het Gerechtelijk Wetboek.
Voor de verlenging bedoeld in § 1, zowel als § 2, « à la guerre comme à la guerre »: de voorgestelde regelingen zullen in sommige gevallen allicht als genereus worden gepercipieerd, maar de actuele omstandigheden staan niet toe om voor elk van de talloze situaties en wettelijk bepaalde termijnen afzonderlijk en a.h.w. met een apothekersweegschaal de perfect proportionele maatregel, c.q. verlenging te distilleren. Overeenkomstig de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof belet de omstandigheid dat verschillende toestanden verschillend behandeld moeten worden niet dat hun verscheidenheid noodzakelijk opvangen moet worden in categorieën die met de werkelijkheid slechts overeenstemmen op vereenvoudigende en benaderende wijze. Daarbij mag overigens niet uit het oog worden verloren dat hier een per hypothese tijdelijke noodmaatregel wordt genomen.
Anderzijds moet het vanzelfsprekend de bedoeling zijn zoveel als mogelijk de termijnen te respecteren, waarvoor beroep wordt gedaan op de professionele ingesteldheid van eenieder.
Art. 2. Als gevolg van de COVID-19 crisis wordt zoveel mogelijk geprobeerd "thuiswerk" of "telewerk" te organiseren, waarbij de betrokkenen niet noodzakelijk fysiek met elkaar in contact komen. Er moet inderdaad in de mate van het mogelijke worden vermeden dat het land wordt lamgelegd wanneer dat niet nodig is om de verspreiding van het virus tegen te gaan.
Voor de hoven en de rechtbanken rijst het probleem dat een zaak maar in beraad genomen en gevonnist kan worden, nadat er een "rechtsdag" heeft plaatsgevonden waarop de zaak door de advocaten min of meer omstandig wordt gepleit. Het is pas na afloop van de pleidooien dat de rechter de debatten kan sluiten, de zaak in beraad nemen en vonnis wijzen.
Het komt er dus op aan de zaken die vastgesteld zijn - en die nog steeds vastgesteld zijn - voor pleidooien gedurende de "crisisperiode", waaraan ook de hoven en rechtbanken niet zullen ontsnappen, periode die eveneens met één maand verlengd moet worden om zeker te zijn dat de gewone werking van de dienst opnieuw verzekerd kan worden, in beraad te laten nemen zonder mondelinge pleidooien.
De loutere verdaging van alle zaken tijdens de crisisperiode is geen optie, a fortiori voor een essentiële openbare dienst: enerzijds zou dit nodeloos de rechten van de burgers aantasten, anderzijds zou dit ertoe leiden dat na afloop van de crisis het gerechtelijk apparaat een groot aantal uitgestelde zaken zou moeten afwikkelen waardoor een toename van de gerechtelijke achterstand zal dreigen.
Wel moeten de partijen de mogelijkheid krijgen het in beraad nemen van hun zaak zonder pleidooien te weigeren en de kans krijgen om op schriftelijke en gemotiveerde wijze hun bezwaren te doen kennen.
Het is de bedoeling dat deze tijdelijke maatregel onmiddellijk en van rechtswege ingaat. De partijen moeten dus het in beraad nemen zonder pleidooien niet vragen, de rechter moet ze ook niet bevelen. Als alle partijen zich verzetten, wordt de zaak uitgesteld. Als géén van de partijen of slechts één of enkele van de partijen zich verzetten, beslist de rechter de zaak alsnog te behandelen, eventueel per videoconferentie, de zaak uit te stellen of ze zonder pleidooien in beraad te nemen.
Anderzijds is er natuurlijk de algemene voorwaarde dat alle partijen conclusie genomen moeten hebben. Dat sluit alvast de overgrote meerderheid uit van de situaties waarin een partij niet vertegenwoordigd wordt en evenmin vertrouwd is met de schriftelijke uitwisseling van standpunten. Tevens sluit dit de mogelijkheid van een verstekvonnis uit (art. 804 van het Gerechtelijk wetboek).
Benadrukt moet worden dat het hier om een uitzonderingsmaatregel gaat. De rechter krijgt de vrijheid, maar ook de verantwoordelijkheid te beslissen in het licht van alle relevante omstandigheden, waaronder het zoveel mogelijk vermijden van achterstand, tenzij zwaarwichtige belangen vertraging onvermijdelijk maken. Bijzondere aandacht verdient uiteraard de omstandigheid dat partijen eventueel niet bijgestaan worden door een advocaat.
Een partij kan haar bezwaren ook indienen via het informaticasysteem van Justitie bedoeld in artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek. Via hetzelfde kanaal kunnen de partijen ook hun dossiers neerleggen, wat ook kan met de post of fysiek ter griffie. Het te gebruiken communicatiekanaal wordt immers niet meer gespecifieerd, in tegenstelling tot in het aan de Raad van State voorgelegd ontwerp. Deze regeling is noodzakelijk omdat niet op alle rechtbanken de stukken ter griffie worden neergelegd vóór de rechtsdag, zoals artikel 756 van het Gerechtelijk Wetboek het voorschrijft.
Tot slot moet worden benadrukt dat de termijnen die in dit artikel worden bepaald, niet worden verlengd via de werking van het voorgestelde artikel 1 van het voorgestelde besluit.
Anderzijds, aangezien de zaak alleen maar in beraad genomen kan worden als alle partijen conclusie hebben genomen, en "mondelinge conclusies" niet bestaan, zal de toepassing op zaken die op de inleidingszitting worden behandeld (artikel 735 van het Gerechtelijk Wetboek) quasi-uitgesloten zijn. Voor het overige volstaat het dat conclusies zijn neergelegd, er is niet vereist dat die conclusies beantwoorden aan alle regels van de kunst. Dat een conclusie achteraf door de rechter uit het debat wordt geweerd verplicht hem dus niet terug te komen op het in beraad nemen van de zaak zonder pleidooien.
Wat nog de werkingssfeer van artikel 2 betreft, er is overwogen de toepassing van artikel 2 (het in beraad nemen zonder pleidooien) op de uitzonderingsgerechten of sommige onder hen (vrederechter, politierechtbank, ondernemingsrechtbank, arbeidsrechtbank) en de jeugd- en familierechtbanken uit te sluiten, maar dat kan niet in het algemeen gebeuren. Weliswaar ondervinden die instanties bijzondere moeilijkheden om zaken in beraad te nemen zonder pleidooien, maar die complicaties zijn te uiteenlopend (permanente saisine, partijen zonder raadsman, collegiaal overleg met lekenrechters, beschikbaarheid van elektronisch gedeponeerde dossiers.....), zijn geen monopolie van één bepaalde instantie, gelden niet in dezelfde mate voor dezelfde categorie (er zijn bijvoorbeeld ondernemingsrechtbanken die wel degelijk met videoconferentie omgaan) en onvoldoende zwaarwichtig om elk of sommige van hen in abstracto uit te sluiten. De voorzitter zal zaak per zaak zijn verantwoordelijkheid nemen, enerzijds om de zaak eventueel niet in beraad te nemen zonder pleidooien (art. 2, § 2, vierde lid), anderzijds om eventueel gedurende het beraad mondelinge ophelderingen te vragen (art. 2, § 4), indien daartoe aanleiding bestaat. Wel wordt de rechter uitdrukkelijk gewezen op de toepassing van artikel 1004/1 van het Gerechtelijk Wetboek, over het horen van minderjarigen, waaraan geen afbreuk wordt gedaan.
Zoals de Raad van State uitdrukkelijk bevestigt, waarmee meteen een beleidsnorm voor de rechter wordt verwoord: "Aangezien het in die omstandigheden onmogelijk is om in het ontwerp voorschriften met een algemene en niet-persoonsgerichte draagwijdte te overwegen die per soort geschil of feitelijke situatie eenvormige oplossingen zouden toepassen, is het legitiem dat deze keuze wordt toevertrouwd aan de rechter zelf, die het best geplaatst is om rekening te houden met de specifieke kenmerken van elk dossier, de concrete mogelijkheden die voorhanden zijn in de gebouwen waarin zijn rechtbank is ondergebracht en de vervoersmogelijkheden waarover de betrokken partijen beschikken om zich daarnaar te begeven. Daartoe moet hij in volledige onafhankelijkheid en onpartijdigheid beoordelen wat de best mogelijke aanpak is. Daarbij dient hij zich te houden aan het relevantiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel en aan de vereisten van een eerlijk proces die geval per geval worden beoordeeld." (advies, nr. 17, in fine).
Dat neemt niet weg dat in een tweede beweging de problemen zullen worden aangepakt die verbonden zijn aan specifieke procedures voor sommige instanties, hetzij door aanpassing van dit besluit, hetzij bij latere besluiten.
Ten slotte, aan alle opmerkingen van de Raad van State die hierboven niet werden besproken, is integraal tegemoet gekomen in de overwegingen of het beschikkend gedeelte van het besluit.
Vice- Eerste Minister, Minister van Justitie en Minister van Europese Zaken, belast met de Regie der Gebouwen,
K. GEENS

RAAD VAN STATE
afdeling Wetgeving
Advies 67.182/1-2 van 4 april 2020 over een ontwerp van `bijzondere machtenbesluit nr. 2 met betrekking tot de verlenging van termijnen van de rechtspleging voor de burgerlijke en administratieve rechterlijke instanties en de schriftelijke behandeling van burgerlijke zaken'
Op 30 maart 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de minister van Justitie verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van `bijzondere machtenbesluit nr. 2 met betrekking tot de verlenging van termijnen van de rechtspleging voor de burgerlijke en administratieve rechterlijke instanties en de schriftelijke behandeling van burgerlijke zaken'.
Het ontwerp is door de eerste en de tweede kamer onderzocht op 2 april 2020. De kamers waren samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, voorzitter, en Pierre Vandernoot, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh, Wouter Pas, Patrick Ronvaux en Christine Horevoets, staatsraden, Michel Tison, Christian Behrendt, Jacques Englebert en Johan Put, assessoren, en Wim Geurts en Béatrice Drapier, griffiers.
De verslagen zijn uitgebracht door Xavier Delgrange, eerste auditeur-afdelingshoofd, en Frédéric Vanneste, eerste auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Marnix Van Damme en Pierre Vandernoot, kamervoorzitters.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 4 april 2020.
1. Met toepassing van artikel 4, eerste lid, van de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I)' (hierna: "wet (I)"), waarin verwezen wordt naar artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
STREKKING VAN HET ONTWERP
2. Het ontwerp voorziet in een tijdelijke regeling inzake verlenging van rechtswege van bepaalde termijnen van rechtspleging of om een rechtsmiddel aan te wenden voor de hoven en de rechtbanken, met uitzondering van de strafprocedures, tenzij die enkel burgerlijke belangen betreffen, voor de Raad van State en voor de federale administratieve rechtscolleges met uitzondering van de Raad voor de Vreemdelingenbetwistingen (artikel 1 van het ontwerp).
Daarnaast wordt, onder de in het ontwerp vermelde voorwaarden, voor alle zaken voor de hoven en de rechtbanken, met uitzondering van strafzaken, tenzij die enkel burgerlijke belangen betreffen, in een tijdelijke verruiming van de schriftelijke behandeling voorzien, met dien verstande dat partijen de mogelijkheid blijven behouden om de rechter ervan op de hoogte te brengen dat zij in hun zaak geen beraad zonder pleidooien wensen in welk geval er in het ontwerp in diverse procedurele mogelijkheden wordt voorzien op het vlak van de wijze van verdere behandeling van de zaak (artikel 2 van het ontwerp).
Het ontworpen besluit is niet van toepassing op rechtsplegingen die volgens de overheid, waaronder de rechter, dermate dringend zijn dat de behandeling ervan niet kan worden verdaagd, noch op de procedures voor het Grondwettelijk Hof (artikel 3 van het ontwerp).
Het is de bedoeling om aan de ontworpen regeling terugwerkende kracht te verlenen tot 18 maart 2020 (artikel 4 van het ontwerp).
VOORAFGAANDE OPMERKINGEN
3.1. Artikel 1 van het ontwerp, dat de regeling inzake termijnverlenging bevat, is van toepassing op de ingeleide of nog in te leiden rechtsplegingen voor de hoven en de rechtbanken(1) maar geldt tevens voor rechtsplegingen voor de Raad van State en voor de federale administratieve rechtscolleges, behalve voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
3.2. De procedures voor de Raad van State worden gekenmerkt door hun inquisitoriaal karakter en zijn van een andere aard dan de procedures voor de justitiële (burgerlijke) rechter. In artikel 1 van het ontwerp wordt met deze specificiteit van de procedures voor de Raad van State evenwel onvoldoende rekening gehouden hetgeen deze bepaling ten aanzien van de laatstgenoemde procedures enigszins onaangepast maakt.
Daarom verdient het aanbeveling om de procedures voor de Raad van State uit het voorliggende ontwerp weg te laten en om in de plaats ervan een apart genummerd bijzonderemachtenbesluit uit te werken met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State.(2) Daarbij kan dan tevens in een specifieke regeling op het vlak van de schriftelijke behandeling van de zaken door de Raad van State worden voorzien.
Gelet op de uitzonderlijke omstandigheden en de hoogdringendheid gecreëerd door de coronacrisis, heeft de Raad van State, op de uitdrukkelijke vraag van de vier korpsoversten van de Raad van State, het nuttig geacht om, in overleg met de adviesaanvragende overheid, daartoe reeds een ontwerp van koninklijk besluit, met bijhorend ontwerp van verslag aan de Koning, uit te werken. Deze teksten werden voorgesteld aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State. Na kennis te hebben genomen van deze teksten, die in bijlagen 1 en 2 bij het voorliggende advies worden weergegeven en die bijgevolg deel uitmaken van dit advies, heeft de afdeling Wetgeving daarover geen bijkomende opmerkingen te maken. Bij het formuleren van de hierna volgende opmerkingen is er telkens van uitgegaan dat de referenties aan de rechtspleging van de Raad van State, die nu nog in de tekst van het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit voorkomen, uit het ontwerp zullen worden weggelaten.
3.3. Ook de verwijzing naar de federale administratieve rechtscolleges wordt het best weggelaten uit de tekst van het heden om advies voorgelegde ontwerpbesluit. De procedures voor de verschillende federale administratieve rechtscolleges zijn immers zeer gedifferentieerd en vertonen bovendien - zoals de procedures voor de Raad van State - eigen, specifieke kenmerken. Het is derhalve logisch dat, wanneer ervoor wordt geopteerd om de regeling ten aanzien van de Raad van State en die ten aanzien van de hoven en de rechtbanken niet in eenzelfde besluit op te nemen, dit ook niet wordt gedaan ten aanzien van de federale administratieve rechtscolleges. Dit is immers nu al het geval voor wat betreft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die nu al uitgesloten is van de toepassing van het ontwerp van koninklijk besluit door artikel 1, eerste lid, ervan.(3)
In de plaats ervan zal, indien zulks beleidsmatig noodzakelijk wordt geacht, het best telkens door de ter zake bevoegde minister of ministers in een bijzondere, aan het concrete administratief rechtscollege aangepaste specifieke regeling worden voorzien. Om die reden beperkt het bij dit advies gevoegde ontwerp van koninklijk besluit met betrekking tot de rechtspleging voor de Raad van State zich tot deze laatste rechtspleging en is er geen regeling in opgenomen ten aanzien van de federale administratieve rechtscolleges.
Bij het uittekenen van een eventuele specifieke regeling met betrekking tot concrete federale administratieve rechtscolleges zal er wel op moeten worden toegezien dat de specifieke omstandigheden, eigen aan de procedure voor het betrokken administratief rechtscollege, een voldoende verantwoording kunnen bieden voor het opleggen van bepaalde procedurele noodmaatregelen, zulks om mogelijke vragen te vermijden op het vlak van de eerbiediging van de grondwettelijk gewaarborgde beginselen inzake gelijkheid en niet-discriminatie.
3.4. In dat verband zou, met name gelet op de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, de waarborgen ter zake van een eerlijk proces en van daadwerkelijke rechtshulp (recht op toegang tot de rechter, naleving van de rechten van verdediging, gelijkheid van de verweermiddelen, enz.) en gelet op het recht op rechtszekerheid niet aanvaard kunnen worden dat de uitsluiting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van het toepassingsgebied van voorliggend ontwerp van koninklijk besluit als een structurele optie beschouwd zou worden, wat ertoe zou leiden dat er helemaal geen eigen regeling zou bestaan voor de categorie van rechtzoekenden die onder dat rechtscollege ressorteren.
In het verslag aan de Koning staat dat de procedures voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen "een rechtstreekse impact hebben op de opvang en/of opsluiting van vreemdelingen. Vanuit het standpunt van de vreemdeling is uitstel - het verschil tussen al dan niet verkrijgen van verblijfsrecht in België - niet te verdedigen, vanuit het standpunt van de overheid is het vertragen van de werking van de Raad niet aanvaardbaar gezien de gevolgen voor het opvangnetwerk en het doorkruisen van het verwijderbeleid. Uiteraard kan in individuele zaken overmacht veroorzaakt door de crisismaatregelen alsnog worden aangevoerd en beoordeeld door de Raad". Die overweging, die doet veronderstellen dat voor dat rechtscollege helemaal geen eigen regeling in het vooruitzicht gesteld zou worden, overtuigt niet.
Met die overweging wordt die regeling immers geenszins afgewogen tegen de vereisten in verband met de bescherming van de betrokken rechtzoekenden, de magistraten, de griffiers, de personeelsleden, maar ook van heel de bevolking die gevolgen kan ondervinden van contacten die in deze periode niet raadzaam zijn bijvoorbeeld ten gevolge van de noodzaak voor de betrokkenen om zich naar de Raad te begeven of ervan terug te komen, vereisten die, zonder dat hierbij volledigheid betracht wordt, grond opleveren zowel voor de bijzondere machten die inzonderheid aan voorliggend ontwerp ten grondslag liggen als voor dit ontwerp zelf, wat des te merkwaardiger is daar de rechtzoekenden bij alle gerechtelijke geschillen, hunnerzijds, bij voorliggend ontwerp zonder onderscheid, zelfs niet in geval van geschillen waarvoor het wenselijker zou zijn om soms op korte termijn zittingen te houden, onderworpen worden aan een regeling die op uniforme wijze van toepassing is.
De regering dient dan ook te overwegen om op korte termijn ook voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een regeling vast te stellen die een soortgelijk doel heeft als voorliggend ontwerp, mits het specifieke karakter van de geschillenberechting in kwestie in aanmerking genomen wordt overeenkomstig hetgeen in opmerking 3.3 hierboven uiteengezet is.
4. Het onderzoek van de Raad van State, afdeling wetgeving, in deze zaak is beperkt tot de specifieke beoordeling van de voorgestelde regeling, rekening houdend met de actuele uitzonderlijke omstandigheden en met het op voorhand vaststaand tijdelijk karakter ervan. Dit advies mag bijgevolg niet worden beschouwd als een algemene beoordeling van de voorgestelde regeling.
RECHTSGROND VAN HET ONTWERP
5. Rekening houdend met het sub 3 gedane voorstel tot het opsplitsen van het om advies voorgelegde ontwerp, kan dit worden geacht rechtsgrond te vinden in artikel 5, § 1, 7°, van de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II)' (hierna "de wet (II)", dat als volgt luidt:
"Met het oog op de in artikel 2, eerste lid, bedoelde doelstellingen, kan de Koning maatregelen nemen om:
(...)
7° met naleving van de fundamentele beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht en met inachtneming van de rechten van verdediging van de rechtszoekenden, de goede werking van de rechterlijke instanties en in het bijzonder de continuïteit van de rechtsbedeling te verzekeren door voor zowel burgerlijke als strafzaken:
- de organisatie aan te passen van de hoven en rechtbanken en andere rechterlijke instanties, met inbegrip van het openbaar ministerie, de andere organen van de rechterlijke macht, de gerechtsdeurwaarders, de gerechtsdeskundigen, de vertalers, tolken, vertalers-tolken, de notarissen en gerechtsmandatarissen;
- de organisatie van de bevoegdheid en de rechtspleging aan te passen, met inbegrip van de bij de wet bepaalde termijnen;
- de regels aan te passen inzake de procedure en de nadere regels voor de voorlopige hechtenis en voor de uitvoering van straffen en maatregelen".
Artikel 2, eerste lid, van die wet luidt als volgt:
"Teneinde het België mogelijk te maken te reageren op de coronavirus COVID-19 epidemie of pandemie en de gevolgen ervan op te vangen, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in artikel 5, § 1, 1° tot 8°, bedoelde maatregelen nemen."
ONDERZOEK VAN DE TEKST
Opschrift
6. Gelet op het sub 3 gedane voorstel volstaat het om het opschrift van het ontwerp te redigeren als volg:
"Voorontwerp van bijzonderemachtenbesluit nr. ... met betrekking tot de verlenging van termijnen van de rechtspleging voor de burgerlijke rechterlijke instanties en de schriftelijke behandeling van burgerlijke zaken".
Aanhef
7. Artikel 6 van de wet (II) heeft betrekking op het inwinnen van wettelijke of reglementaire adviezen en strekt het ontworpen koninklijk besluit niet tot rechtsgrond. Het volstaat bijgevolg om aan het einde van het eerste lid van de aanhef van het ontwerp melding te maken van de artikelen 2 en 5, § 1, 7°, van die wet.
Men schrijve derhalve :
"Gelet op de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), artikelen 2 en 5, § 1, 7° ;".
8. Artikel 4, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I)', welke bepaling het in casu mogelijk maakt om te werken met de procedure waarbij om een advies binnen een termijn van vijf dagen verzocht wordt, bedoeld in artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wetten `op de Raad van State', zonder dat daarvoor nog een bijzondere motivering van het verzoek om spoedbehandeling opgegeven hoeft te worden, dient in de aanhef vermeld te worden, aangezien die vermelding, voor de koninklijke besluiten die binnen het toepassingsgebied van die bepaling vallen, daar dienst doet als de overname van de motivering van het spoedeisend karakter. Het tweede lid van de aanhef dient bijgevolg te vervallen. Dat lid zou eventueel in de vorm van een overweging opgenomen kunnen worden na de verwijzing naar dit advies.
Die verwijzing zou derhalve als volgt geformuleerd kunnen worden:
"Gelet op advies 67.182/1-2 van de Raad van State, gegeven op 6 april 2020 met toepassing van artikel 4, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I);".
9. Er dient melding te worden gemaakt van de vormvereisten die met betrekking tot de ontworpen regeling werden nagekomen, zoals die met betrekking tot het advies van de inspecteur van Financiën, de akkoordbevinding van de minister, bevoegd voor de Begroting, en de regelgevingsimpactanalyse.
Artikel 1
10. Voor de toepassing van artikel 1, eerste lid, van het ontwerp, is het van belang dat voldoende duidelijk is welke "termijnen van rechtspleging" precies worden bedoeld. Aan de gemachtigde werd gevraagd of de beoogde "termijnen" beantwoorden aan een wettelijk omschreven begrip en of, bij gebrek aan een dergelijke omschrijving, niet alsnog in dergelijke omschrijving moet worden voorzien. Nu kunnen er zich immers diverse gevallen voordoen waarin de vraag rijst of men al dan niet te maken heeft met een "termijn van rechtspleging" in de zin van artikel 1 van het ontwerp. Zo kan men zich bijvoorbeeld afvragen of de datum van neerlegging van processen-verbaal van verificatie van schuldvorderingen in de faillissementsprocedure daaronder valt.
De gemachtigde antwoordde in dat verband:
"Neen, gewoon taalgebruik. Zie overigens artikel 48 Ger. W., `de termijnen voor het verrichten van de proceshandelingen'. Dus elke termijn om een proceshandeling te verrichten. De neerlegging van processen-verbaal van verificatie van schuldvorderingen in de faillissementsprocedure (art. XX.161 Wetboek Economisch recht) is een proceshandeling, en de daarvoor bepaalde termijn is weliswaar een zogenaamde vervaltermijn maar hij is niet op straffe van verval voorgeschreven (zogenaamde `termijn van orde' of `indicatieve termijn'). Proef op de som: als hij verstreken is (quod plerumque fit !) zijn de curatoren niet ontslagen van die verplichting tot neerlegging, integendeel. Het besluit is dus niet toepasselijk. Voorbeelden van (andere, zie ook antwoord op vraag 2) `termijnen van orde' of `indicatieve termijnen' zijn art. 770 Ger. W. (termijn voor de uitspraak van een vonnis) en 1541 Ger. W. (termijn voor de betekening van het verzet van de beslagene aan de beslaglegger)".
Aan de gemachtigde werd voorts nog gevraagd of de in artikel 1, eerste lid, van het ontwerp, bedoelde termijnverlenging ook van toepassing is op bijvoorbeeld de beroepstermijn van vijftien dagen waarvan melding wordt gemaakt in artikel 23, § 3, van de wet van 17 juni 2013 `betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies' dat betrekking heeft op de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen beslissingen inzake overheidsopdrachten. In het bevestigende geval zou daardoor mogelijks het sluiten van overeenkomsten inzake overheidsopdrachten kunnen worden verhinderd, wat allicht niet de bedoeling is.
De gemachtigde beantwoordde deze vraag als volgt:
"Neen, want dit is geen termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel (zie art. 20-21 Ger. W., d.i. het opkomen tegen een vonnis om dat vonnis ongedaan te maken, zoals hoger beroep, verzet, cassatieberoep) of het verrichten van een proceshandeling (in een lopende procedure), maar een termijn om in rechte te treden (vordering in rechte, annulatieberoep of vordering tot schorsing)".
Het onderscheid tussen een "rechtsmiddel" en een "middel om in rechte te treden" lijkt ook van belang te zijn voor de toepassing van artikel 4 van het ontwerp, waarin wordt bepaald dat het tot stand te brengen koninklijk besluit uitwerking heeft met ingang van 18 maart 2020. Wat dat betreft verstrekte de gemachtigde de volgende toelichting:
"Het besluit is alléén toepasselijk op de termijnen voor het verrichten van een proceshandeling (in een procedure) of voor het aanwenden van een rechtsmiddel (zie art. 20-21 Ger. W., d.i. het opkomen tegen een vonnis om dat vonnis ongedaan te maken, zoals hoger beroep, verzet, cassatieberoep). Het is niet toepasselijk op de verjaringstermijnen of de termijnen om in rechte te treden (vordering in rechte, beroep tot nietigverklaring of vordering tot schorsing).
De vraag berust op een misverstand over de notie `rechtsmiddel' (in het Frans `voies de recours'), want het indienen van een vordering mag niet gelijkgesteld worden met het aanwenden van een `rechtsmiddel' Die notie moet verstaan worden in de zin van art. 20-21 en 1042 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, d.i. het opkomen tegen een vonnis om dat vonnis ongedaan te maken, zoals hoger beroep, verzet, cassatieberoep... Het besluit is dus niet toepasselijk op de verjaringstermijnen of de termijnen om in rechte te treden (vordering in rechte, beroep tot nietigverklaring, vordering tot schorsing enz.). Ook (...) de woorden `indienen van die vorderingen' [maken] dat duidelijk: hier gaat het niet om een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel in de procesrechtelijke betekenis, maar om een termijn om in rechte te treden".
De door de gemachtigde verstrekte toelichting doet ervan blijken dat het aanbeveling verdient om in het ontwerp meer duidelijkheid te scheppen omtrent de in artikel 1, eerste lid, van het ontwerp, beoogde begrippen van "termijnen van rechtspleging" ("délais de procédure") en van "rechtsmiddel" ("recours"). Het blijkt immers uit de toelichting van de gemachtigde dat het ook van belang is om een onderscheid te maken tussen het begrip "rechtsmiddel" ("recours") en het begrip "middel om in rechte te treden" ("moyen pour agir en justice"), te meer daar de notie "délais [...] pour introduire un recours" in de Franse tekst, ook in ruimere zin begrepen kan worden als "délais pour l'exercice des voies de recours", waarbij dus ook de termijnen voor het instellen van vorderingen in rechte begrepen moeten worden. Ook op dat punt zou de rechtszekerheid ermee gediend zijn indien de betrokken begrippen in het ontwerp nader zouden worden verduidelijkt en onderling ten opzichte van elkaar zouden worden gesitueerd. Bij die gelegenheid zouden voorbeelden aangehaald moeten worden ter illustratie van beide bedoelde categorieën.
Een fundamenteler bezwaar is dat, indien het inderdaad de bedoeling is om de termijnen voor het instellen van vorderingen in rechte uit te sluiten van het toepassingsgebied van artikel 1 van het ontwerp, er niettemin vragen rijzen wat betreft de relevantie en de aanvaardbaarheid van die uitsluiting, aangezien de moeilijkheden die men met die bepaling mede wilt helpen regelen, zich blijkbaar evenzeer kunnen voordoen met betrekking tot de middelen om in rechte te treden. Het verdient aanbeveling het verslag aan de Koning op dat punt aan te vullen.
Vorderingen in rechte moeten immers ingesteld worden voordat het recht waarop ze steunen verjaart (gemeen recht inzake verjaring)(4) of voordat een vastgestelde termijn afloopt in bepaalde aangelegenheden.(5) Indien de termijnen voor het instellen van een beroep tegen een rechterlijke beslissing (inzonderheid hoger beroep, verzet, cassatieberoep of derdenverzet) vallen onder de termijnverlenging bedoeld in artikel 1 van de ontworpen tekst, vloeit uit de uitleg van de gemachtigde van de Minister voort dat zulks niet het geval is met de verjaringstermijnen of de vastgestelde termijnen die gelden voor het instellen van een procedure in rechte.
Dat verschil in behandeling is niet verantwoord en de regel betreffende de verlenging van de termijnen van rechtspleging bedoeld in artikel 1 dient dan ook verruimd te worden tot de verjaringstermijnen en de vastgestelde termijnen die gelden voor het instellen van vorderingen in rechte.
11. Aangezien in het eerste lid eveneens sprake is van "de (...) nog in te leiden rechtsplegingen", rijst de vraag of deze bepaling eveneens geldt voor de termijn van verschijning van acht dagen (vrije termijn tussen de betekening of de kennisgeving van de gedinginleidende akte en de inleidende zitting, voorgeschreven op straffe van nietigheid).(6) Indien dat het geval is, wordt de termijn van verschijning zelf ook verlengd tot 19 mei 2020. De inleidende zitting zou derhalve pas ten vroegste vanaf 20 mei 2020 vastgesteld kunnen worden.
Deze kwestie dient verduidelijkt te worden.
12. In artikel 1, eerste lid, wordt melding gemaakt van "een ander nadeel" ("tout autre préjudice"). Dergelijke terminologie roept vragen op omtrent de aard en de omvang van het aldus beoogde "nadeel".
Beter ware het om, zoals in artikel 1, eerste lid, van het in bijlage 1 bij dit advies gevoegde voorstel van ontwerpbesluit betreffende de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State, melding te maken van "een andere sanctie" ("une autre sanction").
13. In het eerste lid, in fine, staat dat de artikelen 52, eerste lid, 53 en 54 van het Gerechtelijk Wetboek toepasselijk zijn. Er wordt niets bepaald wat betreft de toepassing van artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek.
Om elke rechtsonzekerheid te vermijden, moet gepreciseerd worden of de verlenging vanwege de situatie van een partij in het buitenland, gecumuleerd moet worden met die welke in het ontwerp bepaald wordt, wetende dat artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek geldt voor de termijnen voor het instellen van een beroep, maar niet voor de termijnen van ingereedheidbrenging met het oog op de uitwisseling van conclusies.
14. Gelet op het sub 3 geformuleerde voorstel dient in artikel 1, eerste lid, van het ontwerp, de zinsnede ", voor de Raad van State en de federale administratieve rechtscolleges, met uitzondering van de Raad voor de Vreemdelingenbetwistingen" te worden geschrapt.
15. Het tweede lid luidt als volgt:
"Indien de toepassing van het eerste lid leidt tot de verlenging van een termijn worden eventueel van rechtswege daaropvolgende termijnen in voorkomend geval van rechtswege verlengd met de duur van de verlenging van de termijn bedoeld in het eerste lid."
De woorden "de duur van de verlenging van de termijn bedoeld in het eerste lid" doen interpretatiemoeilijkheden rijzen.
Die woorden zouden aldus begrepen kunnen worden dat de daaropvolgende termijnen(7) verlengd worden met een maand, zijnde de verlenging bedoeld in het eerste lid.
Zoals blijkt uit de uitleg in de bespreking van artikel 1 in het verslag aan de Koning, meer bepaald uit de voorbeelden die gegeven worden in de achtste alinea van die bespreking, kan deze formulering ook op een andere manier geïnterpreteerd worden, namelijk dat de duur van de opeenvolgende termijnen gelijk is aan de duur van de volledige oorspronkelijke termijn zoals deze verlengd is krachtens de toepassing van het eerste lid.
De bepaling moet worden verduidelijkt teneinde de eerste interpretatie te consolideren en de interpretatie zoals die valt af te leiden uit de artikelsgewijze bespreking, terzijde te schuiven: zo wordt immers voorkomen dat er een "sneeuwbaleffect" ontstaat waardoor de in totaal gecumuleerde tijdsduur van de termijnen bovenmatig zou kunnen zijn, hetgeen afbreuk zou kunnen doen aan de rechten van de betrokken rechtzoekenden en aan het recht om hun zaak te laten behandelen binnen een termijn die redelijk blijft. De bespreking van artikel 1 moet in die zin worden aangepast.
16. Het derde lid bepaalt dat, indien de opeenvolgende verlengingen van de in het tweede lid bedoelde termijnen ertoe leiden dat de laatste termijn minder dan één maand voor de behandeling van de zaak ter terechtzitting verstrijkt,(8) die terechtzitting
"van rechtswege [wordt] verdaagd naar de eerstvolgende terechtzitting, waarvan de datum wordt bepaald na afloop van de [bedoelde] verlengingen".
In de huidige redactie van die bepaling is niet duidelijk wat wordt bedoeld met de uitdrukking "de eerstvolgende terechtzitting".
Er dient daarentegen te worden gepreciseerd dat in dit geval de pleitzitting
"van rechtswege wordt verdaagd naar de eerstvolgende terechtzitting die één maand na afloop van de laatste verlenging openstaat".
Artikel 2
17. In artikel 2 van het ontwerp wordt voorzien in een tijdelijke verruiming van de schriftelijke behandeling voor de hoven en de rechtbanken.
Luidens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en zoals samengevat in de Guide sur l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme,
"[l]e `droit à un tribunal', comme le droit d'accès, ne revêtent pas un caractère absolu : ils peuvent donner lieu à des limitations, mais elles ne sauraient restreindre l'accès ouvert à l'individu d'une manière ou à un point tels que le droit s'en trouve atteint dans sa substance même (Philis c. Grèce (n° 1), § 59 ; De Geouffre de la Pradelle c. France, § 28 ; Stanev c. Bulgarie [GC], § 229 ; Baka c. Hongrie [GC], § 120 ; Naït-Liman c. Suisse [GC], § 114). En outre, les limitations ne se concilient avec l'article 6 § 1 que si elles poursuivent un but légitime et que s'il existe un rapport raisonnable de proportionnalité entre les moyens employés et le but visé (Paroisse gréco-catholique Lupeni et autres c. Roumanie [GC], § 89 ; Naït-Liman c. Suisse [GC], § 115)".(9)
Ook met betrekking tot artikel 2 van het ontwerp zal moeten worden voldaan aan het voornoemde vereiste van evenredigheid in het licht van het ermee beoogde doel, temeer daar in artikel 755 van het Gerechtelijk Wetboek reeds een regeling is vervat met betrekking tot de "schriftelijke behandeling". Wat dat punt betreft, zou het nuttig zijn om het ontwerp ook aan te vullen met een regeling die partijen die aanvankelijk niet van plan waren gebruik te maken van die schriftelijke procedure bij de opstelling van hun conclusies en de ingereedheidbrenging van hun zaak, de mogelijkheid biedt om er toch een beroep op te doen, door de overgang van de ene naar de andere regeling te organiseren. In artikel 2, § 2, zou aldus een nieuw eerste lid kunnen worden toegevoegd dat luidt als volgt:
"De partijen kunnen gezamenlijk, op elk moment van de procedure, beslissen om gebruik te maken van de schriftelijke procedure."
In dat opzicht kan worden opgemerkt dat bepaalde geschillen, waarvan sprake is in het verslag aan de Koning,(10) zich minder dan andere lenen voor een uitsluitend schriftelijke procedure vanwege de behandelde materie en de betrokken rechtzoekenden of de wettelijke verplichting die daaraan verbonden is om in persoon op de zitting te verschijnen (zie bijvoorbeeld artikel 1253ter/2 van het Gerechtelijk Wetboek); dit geldt in het bijzonder voor familiale geschillen. De voornoemde evenredigheidstoets(11) zal daardoor kunnen worden beïnvloed.
Afgezien van het uitzonderlijke en tijdelijke karakter van de ontworpen noodmaatregelen en de legitieme doelstelling om de rechtsbedeling in deze bijzondere situatie zo snel en efficiënt mogelijk te blijven waarborgen zal daarbij ook het gegeven een rol spelen dat partijen overeenkomstig artikel 2, § 2, van het ontwerp, nog over de mogelijkheid beschikken om het wegvallen van pleidooien te weigeren en dat, krachtens het derde lid van die bepaling, wanneer die weigering unaniem is, "de zaak [wordt] uitgesteld op onbepaalde of bepaalde datum".(12)
Het is waar dat, indien niet alle partijen instemmen met de procedure zonder mondeling pleidooi als bedoeld in artikel 2, § 1, zij geen recht hebben op een dergelijk uitstel, aangezien de rechter in dat geval, luidens de tweede zin van artikel 2, § 2, vierde lid, de keuze heeft tussen de volgende opties: "de terechtzitting laten plaatsvinden, eventueel via videoconferentie, de zaak uitstellen [tot een] onbepaalde of bepaalde datum, ofwel de zaak in beraad nemen zonder mondeling pleidooi". Om redenen die verband houden met de "social distancing", die met name, maar niet uitsluitend, betrekking heeft op de procespartijen, hun advocaten, de magistraten, de griffiers, het personeel, enz., maar die eveneens van essentieel belang is omdat zoveel mogelijk moet worden vermeden dat personen ertoe gebracht worden hun verblijfplaats te verlaten, waar ze in principe in afzondering moeten leven en die zij in principe niet mogen verlaten, is het, gelet op de rechtsgrond van het ontwerp die met name is ontleend aan artikel 2, eerste lid, van de wet (II), gerechtvaardigd dat die opties in het ontwerp worden overwogen. Dat geldt des te meer indien slechts één of meer, maar niet alle partijen, een pleitzitting in de zittingzalen wensen te houden, wat tot gevolg zou hebben dat de partij of partijen die zich daartegen hebben verzet, gedwongen zouden worden aan die wens te voldoen, en dit ertoe zou hebben geleid dat een ontwerp van koninklijk besluit dat in die zin zou zijn opgevat, zou hebben voorzien in een regeling die aanzienlijke risico's zou hebben ingehouden voor de gezondheid van de betrokken personen, met inbegrip van degenen die zich tegen die aanpak zouden hebben verzet, en voor de rest van de bevolking. Aangezien het in die omstandigheden onmogelijk is om in het ontwerp voorschriften met een algemene en niet-persoonsgerichte draagwijdte te overwegen die per soort geschil of feitelijke situatie eenvormige oplossingen zouden toepassen, is het legitiem dat deze keuze wordt toevertrouwd aan de rechter zelf, die het best geplaatst is om rekening te houden met de specifieke kenmerken van elk dossier, de concrete mogelijkheden die voorhanden zijn in de gebouwen waarin zijn rechtbank is ondergebracht en de vervoersmogelijkheden waarover de betrokken partijen beschikken om zich daarnaar te begeven. Daartoe moet hij in volledige onafhankelijkheid en onpartijdigheid beoordelen wat de best mogelijke aanpak is. Daarbij dient hij zich te houden aan het relevantiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel en aan de vereisten van een eerlijk proces die geval per geval worden beoordeeld.
18. Artikel 2, § 1,(13) beoogt "alle zaken [...] die voor behandeling zijn vastgesteld op rechtsdagen". Dat betekent dat dus ook de zaken beoogd worden die behandeld moeten worden op grond van artikel 735 van het Gerechtelijk Wetboek (beknopte debatten) vanaf de inleidende zitting.
Het gebeurt echter zelden dat de partijen in die zaken tot schriftelijke conclusies komen, aangezien mondelinge conclusies toegelaten zijn.
De bepaling moet herzien worden in het licht van die opmerking.
19. Luidens artikel 2, § 1, in fine, worden alleen de zaken "waarin alle partijen conclusies hebben neergelegd" van rechtswege in beraad genomen volgens de schriftelijke procedure.
Daaruit volgt dat in de procedures waar een partij niet geconcludeerd heeft of op niet-rechtsgeldige wijze geconcludeerd heeft buiten de toegemeten termijn, met het gevolg dat haar conclusies van ambtswege uitgesloten moeten worden van de debatten, de zaak niet behandeld zal kunnen worden volgens het stelsel van de verplichte schriftelijke procedure, wat een discriminatoire behandeling zou kunnen vormen die moeilijk te verantwoorden zou zijn ten aanzien van de partij die binnen de wettelijke termijn geconcludeerd heeft.
20. In artikel 2, § 2, vierde lid, en § 4, wordt gerefereerd aan de mogelijkheid om een videoconferentie te organiseren.
Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft er in een aantal arresten op gewezen dat het gebruik van videoconferenties in strafzaken op zich niet strijdig is met het recht op een eerlijk proces op voorwaarde dat de rechtzoekende de mogelijkheid heeft om de procedure te volgen en hij gehoord kan worden zonder daarbij om technische redenen te worden gehinderd en mits hij op een effectieve en vertrouwelijke wijze kan communiceren met zijn advocaat.(14) Alhoewel de betrokken arresten betrekking hebben op strafzaken en bijgevolg moeten worden begrepen in het licht van artikel 6, lid 3, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, neemt dit niet weg dat de erin weergegeven principes ook in burgerlijke zaken relevant kunnen zijn. Wanneer derhalve met toepassing van artikel 2 van het ontwerp videoconferenties zullen worden georganiseerd, zal erover moeten worden gewaakt dat de voornoemde principes niet in het gedrang komen.
In dat verband verduidelijkte de gemachtigde met betrekking tot artikel 2, § 4, waarin wordt bepaald dat de rechter mag vragen "dat de partijen mondelinge ophelderingen geven, eventueel per videoconferentie, over punten die hij aanwijst", alvast het volgende:
"Idem als bij de toepassing van de bestaande `schriftelijke behandeling' (art. 755, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek), dus met een terechtzitting. Te dezen ook mogelijkheid videoconferentie. En zowel zitting als videoconferentie zijn noodzakelijk contradictoir.
Omwille van complicaties die met schriftelijke standpunten gepaard gaan (neerlegging en mededeling, antwoord, wederantwoord, de daarvoor op te stellen kalender enz...), tevens om de noodzakelijke rechtsgevolgen van conclusies te vermijden [kunnen uitsluitend `mondelinge ophelderingen' worden gegeven]. Dat neemt niet weg dat de rechter met toepassing van de gewone regels (art. 774-775 Gerechtelijk Wetboek) ambtshalve de debatten kan heropenen, en in het kader daarvan conclusies laat nemen."
21. Artikel 2, § 3, van het ontwerp, voorziet in de verplichting voor de partijen om hun dossier met stukken neer te leggen met toepassing van het informaticasysteem van Justitie (e-Deposit) binnen één week na de oorspronkelijk vastgestelde datum voor de zitting of na de kennisgeving van de beslissing van de rechter om de zaak te behandelen volgens de schriftelijke procedure, op straffe van ambtswege wering van het dossier.
Een dergelijke sanctie is buitensporig aangezien de van ambtswege wering van het dossier met stukken de rechter er noodzakelijkerwijze moet toe nopen de partij in het ongelijk te stellen die geen bewijsstukken aanvoert ter ondersteuning van haar beweringen (artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek). Bovendien kan de verplichting om de stukken van het dossier neer te leggen via e-Deposit ofwel materieel onmogelijk (niet alle stukken van een dossier zijn documenten in A4-formaat) ofwel bijzonder zwaar zijn (wanneer het dossier bijzonder omvangrijk is). Het is niet duidelijk waarom een neerlegging van fysieke documenten, via de post, niet tot de mogelijkheden zou kunnen behoren.(15)
22. Zoals door de gemachtigde werd bevestigd, moet aan het einde van artikel 2, 3, van het ontwerp, worden geschreven "... bedoeld in paragraaf 2, derde lid, op straffe van ambtshalve wering".
23. In artikel 2, §§ 3 en 4, van het ontwerp, wordt gerefereerd aan het ogenblik waarop de zaak in beraad wordt genomen. Vraag is evenwel of niet tevens moet worden bepaald wanneer de debatten worden gesloten en de termijn voor uitspraak een aanvang neemt. De gemachtigde beantwoordde deze vraag als volgt:
"Daarin dient inderdaad nog te worden voorzien. Naar analogie met wat gebeurt in geval van schriftelijke behandeling (art. 755 juncto 769 Ger. W.), moet allicht geopteerd worden voor een termijn van één maand nadat de zaak in beraad is genomen, d.w.z. de termijn gedurende dewelke de rechter ophelderingen mag vragen. Doet hij dat laatste, dan wordt de sluiting der debatten door de rechter uitgesproken op de dag waarop de door hem gevraagde mondelinge opheldering is verschaft."
De tekst van het ontwerp dient op dit punt te worden aangevuld.
24. In artikel 2, § 4, van het ontwerp, wordt melding gemaakt van een "gewone brief" ("lettre missive"). Ook in artikel 2, § 2, tweede lid, van het ontwerp, worden in de Nederlandse tekst de woorden "gewone brief" gebruikt. In de Franse tekst van de laatstgenoemde bepaling wordt evenwel melding gemaakt van een "pli simple".
Indien inhoudelijk dezelfde begrippen worden beoogd, wordt het best ook in de Franse tekst voor een meer eenvormige terminologie geopteerd.
25. In artikel 2, § 6, van het ontwerp, moet de verwijzing naar "artikel 2" worden vervangen door een verwijzing naar "artikel 1".
Artikel 3
26. Overeenkomstig artikel 3, eerste streepje, kan "de overheid, met inbegrip van de rechter" beslissen dat een rechtspleging dermate dringend is dat de betrokken verdaging niet mogelijk is. Aan de gemachtigde werd gevraagd wat moet worden begrepen onder het begrip "overheid". De gemachtigde antwoordde:
"- De ruimere notie `de bevoegde overheid' (waarvan `de rechter' een toepassing is) is ingegeven door de gerechtelijke tuchtprocedures (magistraten, medewerkers van het gerecht, balie, gerechtsdeurwaarders).
De notie `de bevoegde overheid' is voornamelijk bedoeld voor de tuchtrechtelijke instanties die eveneens bij urgentie moeten kunnen optreden. Een letterlijke beperking daartoe zou echter allicht te weinig abstract en dus discriminatoir kunnen zijn".
Het begrip "overheid", in artikel 3, eerste streepje, zou nader moeten worden omschreven op een wijze die duidelijker aansluit bij de bedoeling van de stellers van het ontwerp zoals die is uiteengezet door de gemachtigde. Een te ruime, onbepaalde verwijzing naar het begrip "overheid", in de voornoemde bepaling van het ontwerp, zou trouwens vragen kunnen doen rijzen op het vlak van de overeenstemming met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het grondwettelijk gewaarborgde gelijkheidsbeginsel, indien erdoor mogelijk zou worden gemaakt dat de "overheid", die zelf als partij voor de rechter kan optreden, op de toepassing van de termijnregeling zou kunnen inwerken.(16)
27. In verband met de inhoudelijke invulling van de term "dringend", in artikel 3, eerste streepje, van het ontwerp, verstrekte de gemachtigde de volgende toelichting:
"- Zal geval per geval beslist worden door de rechter (kort geding rechter, rechter die oordeelt over dringende noodzakelijkheid...). Dus eigenlijk toepassing van de gewone situatie: een partij kan urgentie inroepen, maar de rechter is niet verplicht daar klakkeloos op in te gaan.
- Zeer algemeen alle jurisdictionele procedures waarbij de rechter, geval per geval, op vraag van een partij om de zaak bij urgentie, dringende noodzakelijkheid enz... op korte termijn te beslechten, desnoods ambtshalve de verlenging van de proceduretermijnen uitsluit. Dus niet alleen in (contradictoire) korte gedingen, het weze bij de gewone, het weze bij een administratieve rechter, maar ook in vorderingen op eenzijdig verzoekschrift (art. 1025 e.v. Ger. W.), de zogenaamde `behandeling op de inleidende zitting' in geval van urgentie (art. 735, § 2, tweede lid, tweede streepje, juncto art. 19, derde lid Ger. W.) waarbij de rechter alsnog conclusie laat nemen enz... Tevens de tuchtprocedures waarbij de tuchtinstanties oordelen, eveneens wegens urgentie, dat termijnverlengingen uit den boze zijn".
Het begrip "dermate dringend" moet verduidelijkt worden aangezien het met name afwijkt van het begrip "spoedeisend" in de zin van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, dat de aanhangigmaking in kort geding rechtvaardigt.(17)
28. Artikel 3, eerste streepje, van het ontwerp, regelt niet de procedure die moet worden gevolgd bij het beoordelen van een rechtspleging als zijnde "dermate dringend". Er wordt geen procedurebepaling aangenomen om te verduidelijken op welke wijze, binnen welke termijn, in welke vorm en in welk stadium een rechter geadieerd moet worden om een zaak "dermate dringend" te verklaren en ze aldus te laten vallen onder de exceptie vervat in artikel 3.
Mede als gevolg hiervan dreigt de ontworpen bepaling tot uiteenlopende toepassingsproblemen aanleiding te geven.
Zo moet, voor de reeds lopende zaken, in het ontworpen besluit nauwkeurig aangegeven worden op welke wijze de rechter zal beslissen of de zaak "dermate dringend" is, zodat dat de regels vervat in de artikelen 1 en 2 niet van toepassing zijn. Net in verband met mogelijk erg dringende zaken, moeten de partijen onverwijld ingelicht worden, op het moment van de ingereedheidbrenging van de zaak, over de procedureregeling die van toepassing zal zijn op hun zaak. In de ontworpen tekst moet inzonderheid gepreciseerd worden hoe de rechter geadieerd zal worden met die kwestie (bij auto-saisine, bij verzoekschrift van de meest gerede partij, bij conclusies, bij een eenvoudige e-mail?). Op welke wijze zal de tegenspraak georganiseerd worden zodat de rechten van de verdediging nageleefd worden? Welke vorm zal de beslissing van de rechter hebben? Welk beroep zal openstaan tegen die beslissing?
In het licht van wat voorafgaat zal artikel 3, eerste streepje, van het ontwerp, moeten worden verduidelijkt en aangevuld.
29. In artikel 3, tweede streepje, van het ontwerp, worden "de rechtsplegingen voor het Grondwettelijk Hof" van de toepassing van het ontworpen koninklijk besluit uitgesloten.
Dergelijke uitdrukkelijke uitsluiting van de betrokken rechtsplegingen is echter overbodig rekening houdend met de omschrijving van het toepassingsgebied in de artikelen 1 en 2 van het ontwerp.
Artikel 4
30. Luidens artikel 4 van het ontwerp heeft het ontworpen koninklijk besluit uitwerking met ingang van 18 maart 2020.
Dergelijke retroactiviteit kan in de praktijk aanleiding geven tot problemen indien tussen 18 maart 2020 en de datum van de bekendmaking van het ontworpen koninklijk besluit al conclusies neergelegd zouden zijn, de zaak al bepleit zou zijn dan wel uitgesteld of verwezen naar de rol.(18)
Hierover ondervraagd, stelt de gemachtigde dat het toepassingsgebied van artikel 1 van het ontwerp zou kunnen worden beperkt door de in die bepaling vermelde periode te laten aanvangen op de dag van de bekendmaking van het ontworpen besluit in het Belgisch Staatsblad.
Rekening houdend met deze toelichting is het logisch dat zou worden afgezien van de terugwerkende kracht waarin artikel 4 van het ontwerp voorziet. Artikel 2 van het ontwerp is immers slechts van toepassing op "rechtsdagen die plaatsvinden vanaf de tweede dag na de bekendmaking van [het] besluit".
De Griffier, De Voorzitter,
Wim GEURTS Marnix VAN DAMME

Bijlage 1 bij het advies
van de afdeling Wetgeving 67.182/1-2 gegeven op 4 april 2020
Voorontwerp van bijzonderemachtenbesluit nr. 2 met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I), artikelen 2, 3, § 1, en 4, eerste lid;
Gelet op advies 67.182/1-2 van de Raad van State, gegeven op 4 april 2020 met toepassing van artikel 4, eerste lid, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I);
Overwegende de dringende noodzakelijkheid zo vlug mogelijk een antwoord te bieden op de moeilijkheden die het maatschappelijk, economisch, gerechtelijk en administratief leven ondervindt als gevolg van de maatregelen die genomen worden tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19;
Op de voordracht van de Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. De termijnen, van toepassing op het instellen en het behandelen van de procedures voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die vervallen tijdens de periode van 18 maart 2020 tot en met 19 april 2020, einddatum die door de Koning aangepast kan worden bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en waarvan het verstrijken tot verval of tot een andere sanctie leidt of zou kunnen leiden indien niet tijdig wordt gehandeld, worden van rechtswege verlengd tot dertig dagen na afloop van die in voorkomend geval verlengde periode.
Het eerste lid is niet van toepassing op vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en op vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend in de periode bepaald in het eerste lid.
Art. 2. De Raad van State kan, in afwijking van andersluidende bepalingen, tijdens de in artikel 1, eerste lid, bepaalde periode, vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid behandelen en arresten wijzen zonder openbare terechtzitting, nadat alle partijen hun opmerkingen schriftelijk hebben kunnen formuleren, en het lid van het auditoraat dat door de auditeur-generaal met het onderzoek van de zaak werd belast op diezelfde wijze advies heeft verstrekt, en dit tot dertig dagen na het verstrijken van die periode.
Het voorgaande lid doet geen afbreuk aan de mogelijkheid die is voorzien in artikel 16, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State.
Art. 3. De andere vorderingen en beroepen dan deze bedoeld in artikel 2 kunnen, wanneer alle partijen daarom verzoeken of daarmee akkoord gaan, en nadat het bevoegde lid van het auditoraat schriftelijk advies heeft verleend, gedurende de in artikel 1 bedoelde periode, door de Raad van State zonder openbare terechtzitting behandeld worden, en dit tot zestig dagen na het verstrijken van die periode.
Art. 4. Gedurende de in artikel 1 bedoelde periode kunnen de partijen in de gevallen waarin de artikelen 2 en 3 voorzien, al hun procedurestukken en aanvullende stukken indienen op het e-mailadres dringend@raadvst-consetat.be of op elk ander e-mailadres dat door de bevoegde kamer aan hen meegedeeld zou zijn.
Art. 5. Gedurende de in artikel 1 bedoelde periode worden alle kennisgevingen en mededelingen door de Raad van State op elektronische wijze verzonden, behalve wat de particulieren betreft die geen gebruik kunnen maken van elektronische procedures.
Art. 6. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 18 maart 2020.
Art. 7. De minister bevoegd voor Binnenlandse zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 9 april 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
P. DE CREM

Bijlage 2 bij het advies
van de afdeling Wetgeving 67.182/1-2 gegeven op 4 april 2020
Voorontwerp van bijzondere-machtenbesluit nr. 2 met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken
VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
Het koninklijk besluit dat wij de eer hebben aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, strekt ertoe tegemoet te komen aan een reeks dringende problemen die veroorzaakt worden door het gaandeweg stilvallen van het maatschappelijk, economisch, gerechtelijk en administratief leven ten gevolge van de maatregelen die genomen worden ter bestrijding van de dreiging van het COVID-19-virus.
Artikel 1, eerste lid
Vanaf de dag dat de strengere veiligheidsvoorschriften van de Regering en de daaruit voortvloeiende beperkingen van het openbaar leven en van de bewegingsvrijheid ingegaan zijn (18 maart 2020), bestaat het risico dat verplichte proceshandelingen voor jurisdictionele organen niet tijdig verricht zullen kunnen worden. Weliswaar schorst overmacht elke termijn, maar het is evident dat grote discussies zullen ontstaan over de vraag of de corona-maatregelen in alle omstandigheden een dergelijke, laat staan strikte vorm van overmacht opleveren.
Ook voor de Raad van State bestaat het risico dat proceshandelingen niet tijdig verricht zullen kunnen worden.
Op die grond moeten, zolang die periode loopt, nadelige rechtsgevolgen vermeden worden, wat betekent dat processuele vervaltermijnen die gedurende die crisisperiode vervallen, verlengd moeten worden. Dat geldt eveneens voor vervaltermijnen waarop een gelijkaardige sanctie staat, zoals bijvoorbeeld de ambtshalve wering uit de debatten van een laattijdige memorie.
Dit ontwerp voorziet dan ook in een verlenging van de termijnen met dertig dagen, naar het voorbeeld van de procedures voor de hoven en rechtbanken.
Die termijn van dertig dagen - en dus niet één maand zoals voor de hoven en rechtbanken geldt - komt tegemoet aan de specifieke voorschriften voor het berekenen van de termijnen die gelden voor de Raad van State.
De termijnverlenging geldt zowel voor de termijnen binnen dewelke de partijen hun vordering moeten instellen - in de regel respectievelijk zestig of dertig dagen - als voor deze binnen dewelke de partijen hun memories moeten indienen, voortzetting van de rechtspleging moeten vragen of andere proceshandelingen (bijvoorbeeld het indienen van een verzoek tot tussenkomst) moeten stellen.
Omwille van de rechtszekerheid dringt een dergelijke eenvoudige en uniforme, a.h.w. "forfaitaire", regeling zich op, omdat die het best de rechtsbelangen behartigt, en omdat daarbij iedereen de kans krijgt om binnen een redelijke termijn na het einde van de lopende crisisperiode, alsnog op te treden. Om dus te vermijden dat bijvoorbeeld de dag waarop de crisis ophoudt meteen de dag zou zijn waarop in extremis zou moeten worden opgetreden, wat het geval zou kunnen zijn wanneer de termijnen geschorst worden, wordt ervoor gekozen om de vervallende termijnen te verlengen tot dertig dagen na het einde van de in artikel 1 bedoelde overmachtperiode.
Die extra periode van dertig dagen maakt het mogelijk dat de partijen - particulieren zowel als hun advocaten - en de betrokken instanties - zoals griffies - kunnen overleggen en zich herorganiseren om betekeningen, kennisgevingen, neerleggingen van memories, mededelingen enz. opnieuw vlot te laten verlopen, zodat vermeden wordt dat op de dag of in een korte periode onmiddellijk na het einde van de crisis, een "bottleneck" ontstaat.
De voorgestelde regeling zal in sommige gevallen allicht als genereus gepercipieerd worden, maar de huidige omstandigheden staan niet toe om voor elk van de talloze situaties en wettelijk bepaalde termijnen afzonderlijk en a.h.w. met een apothekersweegschaal, de perfect proportionele maatregel, c.q. verlenging te distilleren.
Bovendien streeft deze regeling een gelijke behandeling na van rechtzoekenden die verwikkeld zijn in procedures voor de justitiële rechter en die welke actoren zijn in een procedure voor de Raad van State.
De ontworpen regeling sluit dan ook, het zij herhaald, inhoudelijk helemaal aan bij die welke beoogd wordt voor de hoven en de rechtbanken.
Ten slotte belet, overeenkomstig de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, de omstandigheid dat verschillende toestanden verschillend behandeld moeten worden niet dat, indien noodzakelijk, hun verscheidenheid opgevangen wordt in categorieën die slechts in grote lijnen en bij benadering met de werkelijkheid overeenstemmen.
Bij dit alles mag bovendien niet uit het oog verloren worden dat hier een per hypothese tijdelijke noodmaatregel genomen wordt.
Artikel 1, tweede lid
Er wordt in een uitzondering voorzien inzake vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
Het gaat hier op de eerste plaats om de vorderingen bedoeld in artikel 17, § 4, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Deze vorderingen behouden, ook in de betrokken periode, uiteraard hun uiterst spoedeisend karakter, en dulden geen uitstel.
Het gaat hier eveneens om de in de artikelen 15 en 47 van de wet van 17 juni 2013 `betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies' bedoelde vorderingen tot schorsing en tot het bevelen van voorlopige maatregelen volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad van State en de in de artikelen 23, § 3, en 55, § 3, van diezelfde wet opgenomen verhaaltermijnen van 15 en 10 dagen. Voor opdrachten en concessies waarop de standstill-verplichting, vervat in artikel 11 van voormelde wet, van toepassing is, zou de verlenging van deze verhaaltermijnen van 15 en 10 dagen voor het indienen van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ook ernstige gevolgen kunnen hebben en overheden gedurende een te lange periode kunnen verhinderen om de opdracht te plaatsen of de concessie te sluiten.
Het gaat hier dus niet om de "gewone" vorderingen tot schorsing bedoeld in artikel 17, § 1, van de wetten op de Raad van State. Wanneer een dergelijke vordering in de loop van de procedure toch uiterst dringend wordt, kan de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bedoeld in artikel 17, § 4, geïnstrueerd worden.
Het is de betrachting om aldus tijdens de crisisperiode alleszins de behandeling van uiterst dringende rechtsplegingen te waarborgen.
Artikel 2
Deze bepaling regelt de procedure die gevolgd moet worden inzake de vorderingen tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid en de vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen wegens uiterst dringende noodzakelijkheid, bedoeld in artikel 1, tweede lid, met inbegrip van dergelijke vorderingen die al voor de periode bedoeld in artikel 1, eerste lid, ingesteld zouden zijn. Deze procedures worden in de regel door een alleen zitting houdend kamervoorzitter of staatsraad behandeld. In de betrokken periode kunnen zij, tot dertig dagen na de crisisperiode, zonder openbare terechtzitting beslecht worden, mits alle partijen en de auditeur hun standpunt of advies hebben kunnen meedelen.
In de praktijk deelt de bevoegde kamer aan de partijen en aan het aangewezen lid van het auditoraat een tijdschema voor die schriftelijke procedure mee, dat voor zover mogelijk in overleg met dat lid vastgesteld is. De mededelingen die op basis van dat tijdschema gedaan worden, gebeuren uitsluitend per e-mail, ongeacht welke methode de partijen aanvankelijk gekozen hadden om hun procedurestukken in te dienen. De communicatie per e-mail is echter niet van toepassing voor privépersonen die niet in staat zouden zijn van die elektronische procedures gebruik te maken. Men moet er immers rekening mee houden dat een privépersoon misschien geen computer of internetverbinding heeft. In het kader van die schriftelijke procedure moet de bevoegde kamer de partijen het e-mailadres of de e-mailadressen meedelen die gebruikt dienen te worden. Er wordt ook verwezen naar de artikelen 4 en 5, infra.
Indien de omstandigheden daartoe nopen, kan toepassing worden gemaakt van artikel 16, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State: de voorzitter kan de partijen en de personen die bij de beslechting van de zaak belang hebben, bij beschikking bijeenroepen, eventueel te zijnen huize, op het door hem aangegeven uur, zelfs op feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur.
Artikel 3
Zoals voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht dient ook voor de Raad van State, teneinde de continuïteit van de publiekrechtelijke rechtsbedeling te waarborgen, te worden voorzien in een bepaling die de Raad van State toelaat om tijdens de betrokken periode in andere procedures dan die bedoeld in artikel 1, tweede lid, arresten te wijzen zonder dat een openbare terechtzitting plaatsgevonden heeft. In dat geval is het nodig dat de partijen een verzoek in die zin geformuleerd hebben of dat ze een voorstel in die zin van de bevoegde kamer aanvaard hebben. Het aangewezen lid van het auditoraat moet zijn advies schriftelijk geven, aangezien geen terechtzitting georganiseerd wordt.
Voor de Raad van State zijn de andere procedures dan die bedoeld in artikel 1, tweede lid, weliswaar in principe schriftelijk, maar toch bevatten ze steeds de verplichting om ook een openbare terechtzitting te houden.
Vermits in sommige zaken de standpunten misschien pas vlak vóór het verstrijken van de bedoelde periode uitgewisseld zullen kunnen worden, moet in de mogelijkheid voorzien worden dat het arrest zelf pas na het verstrijken van die periode, doch binnen een periode beperkt tot zestig dagen uitgesproken kan worden.
Artikel 4
De partijen kunnen nog altijd gebruikmaken van de bestaande mogelijkheden om hun processtukken in te dienen per aangetekende zending of via de elektronische procedure bepaald in artikel 85bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het lijkt echter nodig hen in staat te stellen om tijdens de betrokken periode de materiële en praktische moeilijkheden te ondervangen in de zaken bedoeld in de artikelen 2 en 3. Er wordt dan ook bepaald dat de partijen hun procedurestukken en eventuele aanvullende stukken naar een daarvoor bedoeld e-mailadres kunnen zenden. In alle andere zaken blijven de klassieke procedureregels zonder uitzondering van toepassing.
In verband met de behandeling van de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid (zie artikel 2), wordt eraan herinnerd dat de bevoegde kamer aan de partijen en aan het aangewezen lid van het auditoraat een tijdschema voor die schriftelijke procedure moet meedelen. De mededelingen die op basis van dat tijdschema gedaan worden, gebeuren uitsluitend per e-mail, ongeacht welke methode de partijen aanvankelijk gekozen hadden om hun procedurestukken in te dienen. De communicatie per e-mail is echter niet van toepassing voor privépersonen die niet in staat zouden zijn van die elektronische procedures gebruik te maken. Men moet er immers rekening mee houden dat een privépersoon misschien geen computer of internetverbinding heeft. In het kader van die schriftelijke procedure moet de bevoegde kamer de partijen het e-mailadres of de e-mailadressen meedelen die gebruikt dienen te worden. Er wordt ook verwezen naar artikel 2, supra, en naar artikel 5, infra.
Artikel 5
Er wordt verwezen naar de bespreking van de artikelen 1, tweede lid, 2 en 4, supra.
De digitale communicatie, meestal per e-mail, door de Raad van State betekent een vereenvoudiging van de taken van de griffie en van de griffiers voor alle kennisgevingen en mededelingen aan de partijen. Er wordt uitdrukkelijk voorzien in een uitzondering voor privépersonen die ervoor geopteerd zouden hebben gebruik te maken van de aangetekende zending en die niet in staat zijn van de elektronische procedures gebruik te maken.
Tevens wordt aldus voor de magistraten, griffiers en personeelsleden thuiswerk mogelijk gemaakt.
Ik heb de eer te zijn,
Sire,
Van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
P. DE CREM
_______
Nota's
(1) Met uitzondering van de strafprocedures, tenzij die enkel burgerlijke belangen betreffen.
(2) Dergelijke opsplitsing in twee afzonderlijke bijzondere-machtenbesluiten verdient bijkomend aanbeveling in het licht van de vaststelling dat de wettelijke bekrachtiging die wordt voorgeschreven door de artikelen 5, tweede lid, en 7, tweede lid, van de respectieve bijzondere-machtenwetten (I) en (II) van 27 maart 2020, voor het ene koninklijk besluit zal dienen te gebeuren overeenkomstig de monocamerale procedure (artikel 74 van de Grondwet) en voor het andere koninklijk besluit overeenkomstig de optioneel bicamerale procedure (artikel 78 van de Grondwet).
(3) Op dit punt wordt verwezen naar opmerking 3.4, infra.
(4) Zo wordt, inzake arbeidsovereenkomsten, in artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 het volgende bepaald: "De rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden."
(5) Zo moet, krachtens de wet van 23 juni 1961 betreffende het recht tot antwoord, een rechtsvordering tegen de weigering tot het opnemen van een antwoord met betrekking tot audiovisuele middelen, op straffe van verval, ingesteld worden binnen vijftien dagen na de weigering door de uitgever van de betrokken audiovisuele dienst.
(6) Bij een beslissing van het College van hoven en rechtbanken zijn alle gedinginleidende zittingen opgeschort en zijn de zaken waarvoor gedurende de lockdown een gedinginleidende zitting was vastgesteld naar de rol verwezen.
(7) De woorden "in voorkomend geval" doen rechtsonzekerheid ontstaan: aangezien het gaat om "van rechtswege daaropvolgende termijnen" worden, volgens de strekking van de bepaling, de termijnen waarvan sprake in het eerste lid automatisch verlengd zonder dat dit op een andere wijze moet gebeuren naar gelang van het geval waarin men zich bevindt. De woorden "in voorkomend geval" moeten weggelaten worden.
(8) Het zou nuttig zijn te preciseren dat het hier om "de pleitzitting" gaat.
(9) Guide sur l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme, Droit à un procès équitable (volet civil), bijgewerkt op 31 december 2019, § 87, 24, www.echr.coe.int/Documents/Guide_Art_6_FRA.pdf.
(10) Bespreking van artikel 3.
(11) Zie, hiervoor, het uittreksel uit de Guide sur l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme.
(12) Het is beter om te schrijven dat "de zaak naar de rol wordt verwezen of door de rechter naar een vaste datum wordt verdaagd." Dit geldt ook voor het derde lid van artikel 2, § 2.
(13) Artikel 2 dient in de Franse tekst van het ontwerp aan te vangen met de aanduiding van " § 1er".
(14) EHRM, 5 oktober 2006, Marcello Viola t. Italië, §§ 63 e.v., bevestigd door onder meer EHRM, Grote Kamer, 5 april 2009, Sakhnovskiy t. Rusland.
(15) Er wordt eveneens verwezen naar de "nota" van 1 april 2020 gewijd aan het onderzoek van het ontwerp van koninklijk besluit door de Verenigde advies- en onderzoekscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie waarin, in punt 3.2.2, inzonderheid het volgend staat:
"Daarom moet het mogelijk blijven om papieren dossiers neer te leggen ter griffie. De neerlegging ter griffie en het overmaken van de dossiers aan de magistraat moeten gebeuren met naleving van de gepaste gezondheidsvoorschriften. Dit vereist echter voldoende personeel en materiële middelen (waaronder paramedisch beschermingsmateriaal). De hierboven beschreven moeilijkheden verklaren waarom tal van rechtbanken er tot op heden op aandrongen om toch maar de laatste conclusies en de dossiers voor de pleitzitting fysiek neer te leggen. [...]".
(16) Selon la Cour européenne des droits de l'homme, « il est porté atteinte à l'indépendance des juges lorsque l'exécutif intervient dans une affaire pendante devant les tribunaux en vue d'en influencer l'issue (Sovtransavto Holding c. Ukraine, § 80 ; Mosteanu et autres c. Roumanie, § 42) » (Guide sur l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme, Droit à un procès équitable (volet civil), op. cit., § 222, 49).
(17) Er wordt op gewezen dat de zaken in kort geding dus niet automatisch beschouwd worden als "dermate dringend", aangezien daartoe een beslissing van de rechter vereist is.
(18) Zie ook, in dezelfde zin, punt 4.2 van de nota van 1 april 2020 gewijd aan het onderzoek van het ontwerp van koninklijk besluit door de Verenigde advies- en onderzoekscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie.

9 AVRIL 2020. - Koninklijk Besluit nr. 2 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), artikelen 2 en 5, § 1, 7° ;
Gelet op het advies nr. 67.182/1-2 van de Raad van State, gegeven op 6 april 2020 met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II);
Gelet op de dringende noodzakelijkheid zo vlug mogelijk tegemoet te komen aan de moeilijkheden die het maatschappelijk, economisch, gerechtelijk en administratief leven ondervinden als gevolg van de maatregelen worden genomen ter bestrijding van de verspreiding van het Covid-19-virus;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 26 maart 2020;
Gelet op de regelgevingsimpactanalyse van 26 maart 2020;
Gelet op het akkoord van de Minister van begroting d.d. 28 maart 2020;
Op de voordracht van de Minister van Justitie en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. § 1. In afwijking van de wettelijke en reglementaire bepalingen en onverminderd de door de bevoegde overheid getroffen of te treffen regelingen, worden de verjaringstermijnen en de andere termijnen om een vordering in rechte in te stellen bij een burgerlijk gerecht die verstrijken vanaf de datum van de bekendmaking van dit besluit tot en met 3 mei 2020, einddatum die door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit kan worden aangepast, van rechtswege verlengd tot één maand na afloop van die in voorkomend geval verlengde periode.
§ 2. In de ingeleide of nog in te leiden rechtsplegingen voor de hoven en rechtbanken, met uitzondering van de strafprocedures, tenzij die enkel burgerlijke belangen betreffen, en de tuchtprocedures, met inbegrip van de ordemaatregelen, worden de termijnen van rechtspleging of om een rechtsmiddel in de zin van artikel 21 van het Gerechtelijk Wetboek aan te wenden die verstrijken gedurende de in paragraaf 1 bedoelde, in voorkomend geval verlengde periode, en waarvan het verstrijken tot verval of tot een andere sanctie leidt of zou kunnen leiden indien niet tijdig wordt gehandeld, van rechtswege verlengd tot één maand na afloop van die in voorkomend geval verlengde periode.
Indien de toepassing van het eerste lid leidt tot de verlenging van een termijn, wordt de vervaldatum van eventueel daaropvolgende termijnen van rechtswege aangepast overeenkomstig de duur van de verlenging bedoeld in het eerste lid.
Indien de toepassing van het eerste of het tweede lid ertoe leidt dat de laatste termijn minder dan één maand voor de behandeling van de zaak ter terechtzitting verstrijkt, wordt die van rechtswege verdaagd naar de eerstvolgende terechtzitting een maand na afloop van de laatste termijn, waarvan de datum overeenkomstig artikel 749 van het Gerechtelijk Wetboek wordt bepaald.
De artikelen 52, eerste lid, 53, 54 en 55 van het Gerechtelijk Wetboek zijn toepasselijk.
§ 3. Indien een partij aanvoert dat de voortzetting van de rechtspleging spoedeisend is en dat vertraging gevaar oplevert, kan de rechter, op gemotiveerd, eventueel mondeling ter terechtzitting gedaan verzoek, de verlenging van de termijnen van rechtspleging bedoeld in paragraaf 2 uitsluiten. Indien het verzoek schriftelijk wordt gedaan, wordt het terzelfdertijd medegedeeld aan de andere partijen, die schriftelijk opmerkingen kunnen bezorgen binnen acht dagen. Na het verstrijken van die termijn doet de rechter onverwijld uitspraak op stukken.
Behalve ingeval van mondeling ter terechtzitting gedaan verzoek waarover de rechter staande de zitting beslist, worden die partijen of advocaten van de beslissing bij gewone brief op de hoogte gebracht. Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.
Art. 2. § 1. Alle zaken voor de hoven en rechtbanken, met uitzondering van de strafzaken, tenzij die enkel burgerlijke belangen betreffen, die voor behandeling zijn vastgesteld op rechtsdagen die plaatsvinden vanaf de tweede dag na de bekendmaking van dit besluit tot en met 3 juni 2020, einddatum die door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit kan worden aangepast, en waarin alle partijen conclusies hebben neergelegd, worden van rechtswege in beraad genomen op basis van de overgelegde conclusies en stukken, zonder mondeling pleidooi.
§ 2. In elke stand van de rechtspleging kunnen de partijen gezamenlijk beslissen beroep te doen op de schriftelijke behandeling bedoeld in artikel 755 van het Gerechtelijk Wetboek.
Een partij die niet kan instemmen met de toepassing van paragraaf 1, stelt de rechter daarvan schriftelijk en gemotiveerd in kennis ten laatste één week vóór de vastgestelde rechtsdag of, voor de zaken die voor behandeling zijn vastgesteld op rechtsdagen die plaatsvinden gedurende de eerste acht dagen na de bekendmaking van dit besluit, ten laatste de dag voor de rechtsdag.
Deze kennisgeving gebeurt met toepassing van het informaticasysteem van Justitie bedoeld in artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek of per gewone brief die per post wordt verstuurd naar of neergelegd ter griffie.
Indien alle partijen tegen de toepassing van paragraaf 1 bezwaar maken, wordt de zaak uitgesteld op onbepaalde of bepaalde datum.
Indien geen enkele of ten minste één, maar niet alle partijen bezwaar maken, doet de rechter uitspraak op stukken. Hij kan de terechtzitting laten doorgaan, eventueel via videoconferentie, de zaak uitstellen op onbepaalde of bepaalde datum, ofwel de zaak in beraad nemen zonder mondeling pleidooi, onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van art. 1004/1 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 3. Wanneer de zaak in beraad wordt genomen zonder mondeling pleidooi leggen de partijen die hun stukken nog niet ter griffie hebben neergelegd die stukken neer binnen één week na de oorspronkelijk vastgestelde rechtsdag of, in voorkomend geval, binnen één week na de kennisgeving van de beslissing van de rechter bedoeld in § 2, vijfde lid, op straffe van ambtshalve wering.
§ 4. Uiterlijk een maand nadat de zaak in beraad wordt genomen of, in voorkomend geval, uiterlijk een maand na de neerlegging van de dossiers bedoeld in paragraaf 3 mag de rechter vragen dat de partijen mondelinge ophelderingen geven, eventueel per videoconferentie, over punten die hij aanwijst. In voorkomend geval bepaalt hij daartoe een datum die door de griffier ter kennis wordt gebracht van de partijen bij gewone brief aan hun advocaten. Heeft een partij geen advocaat dan zendt de griffier haar rechtstreeks bericht bij gerechtsbrief.
§ 5. Indien de zaak in beraad is genomen zonder mondelinge pleidooien geschiedt de sluiting van de debatten van rechtswege één maand nadat de zaak in beraad is genomen of, in voorkomend geval, één maand na de neerlegging van de dossiers bedoeld in paragraaf 3. Indien de rechter mondelinge opheldering heeft gevraagd, wordt de sluiting door hem uitgesproken op de dag waarop die opheldering is verschaft.
§ 6. De beslissingen van de rechter bedoeld in dit artikel zijn niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.
§ 7. De termijnen bedoeld in dit artikel worden niet verlengd ingevolge artikel 1 van dit besluit.
Art. 3. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 4. De minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
FILIP
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister, Minister van Justitie en Minister
van Europese Zaken, belast met de Regie der Gebouwen,
K. GEENS


begin

Publicatie : 2020-04-09