J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2019/09/05/2019014349/justel

Titel
5 SEPTEMBER 2019. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 14 en 17 tot 19 van de wet van 15 mei 2007 op de algemene inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten

Bron :
BINNENLANDSE ZAKEN.JUSTITIE
Publicatie : 11-09-2019 nummer :   2019014349 bladzijde : 85695       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2019-09-05/01
Inwerkingtreding : 21-09-2019

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen
Art. 1
TITEL II. - De evaluatie
Art. 2-3
TITEL III. - De bevordering
Art. 4-5
TITEL IV. - Slotbepalingen
Art. 6

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1°. " de algemene inspectie " : de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie ;
  2°. " de wet " : de wet van 15 mei 2007 op de algemene inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten ;
  3°. " de wet van 26 april 2002 " : de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten ;
  4°. " RPPol " : het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten ;
  5°. " het personeelslid " : het personeelslid van de algemene inspectie ;
  6°. " directeur " : het personeelslid van de algemene inspectie die een directie of een gedeconcentreerde post leidt.

  TITEL II. - De evaluatie

  Art. 2. § 1. De Titel I van Deel VII van de RPPol, uitgezonderd de artikelen VII.I.19 en VII.I.20, is van toepassing overeenkomstig de evaluatie van de personeelsleden met dien verstande dat de inspecteur-generaal de eindverantwoordelijke is.
  § 2. In afwijking van de artikelen VII.I.13 en VII.I.18 RPPol, wordt het ontwerp van verslag na het evaluatiegesprek aan de in artikel 3 bedoelde evaluatiecommissie bezorgd, die, na de evaluator te hebben gehoord, de partiële vermeldingen en de eindvermelding bedoeld in de artikelen VII.I.14 en VII.I.15 RPPol vastlegt en het evaluatieverslag aan het betrokken personeelslid bezorgt.
  § 3. Het personeelslid dat niet akkoord gaat met het evaluatieverslag, bezorgt binnen de vijftien dagen die volgen op de mededeling van het evaluatieverslag, aan de commissie de nota met opmerkingen op basis waarvan het vraagt om het evaluatieverslag aan te passen. Er wordt geen rekening gehouden met de nota met opmerkingen die na die termijn wordt ingediend en het evaluatieverslag wordt dan als definitief beschouwd.
  Na het personeelslid te hebben gehoord, bevestigt of wijzigt de commissie de inhoud van het evaluatieverslag.
  § 4. De beroepsprocedure bij de raad van beroep bedoeld in de artikelen VII.I.21 en volgende van de RPPol is niet van toepassing op de evaluatie van de personeelsleden.

  Art. 3. De evaluatiecommissie bestaat uit :
  1°. de inspecteur-generaal of de door hem aangewezen adjunct-inspecteur-generaal ;
  2°. twee hoofdcommissarissen van politie of twee personeelsleden van het administratief en logistiek kader van niveau A, leden van de algemene inspectie, aangewezen door de inspecteur-generaal, waarvan minstens één de functie van directeur uitoefent. Wanneer de evaluatie een personeelslid van het administratief en logistiek kader betreft, dan zetelt er minstens één personeelslid van niveau A in de hoedanigheid van bijzitter.
  De inspecteur-generaal waakt erover dat, in de schoot van de evaluatiecommissie, de vertegenwoordiging van minstens één persoon van elk geslacht wordt gewaarborgd.

  TITEL III. - De bevordering

  Art. 4. § 1. Het personeelslid dat voldoet aan de anciënniteitsvoorwaarde bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid, of in artikel 18, eerste en tweede lid, van de wet, bezorgt de directeur van de directie waarbinnen hij zijn functies uitoefent een verslag van zijn activiteiten gedurende de laatste vijf of tien jaar, alsook een nota waarin hij zijn aanspraken en verdiensten uiteenzet voor de bevordering door verhoging in graad of door overgang naar het hoger kader. Het model van activiteitenverslag wordt vastgelegd door het reglement van inwendige orde van de algemene inspectie.
  § 2. Het activiteitenverslag, de nota waarin het personeelslid zijn aanspraken en verdiensten uiteenzet, alsook zijn persoonlijk dossier en de laatste evaluatie die hij overeenkomstig artikel 2 gekregen heeft, worden bezorgd aan een bevorderingscommissie die als volgt is samengesteld :
  1°. de inspecteur-generaal of de door hem aangewezen adjunct-inspecteur-generaal, voorzitter ;
  2°. twee hoofdcommissarissen van politie, leden van de algemene inspectie, aangewezen door de inspecteur-generaal, waarvan minstens één de functie van directeur uitoefent ;
  3°. een vertegenwoordiger van de minister van Binnenlandse Zaken ;
  4°. een vertegenwoordiger van de minister van Justitie.
  De inspecteur-generaal waakt erover dat, in de schoot van de evaluatiecommissie, de vertegenwoordiging van minstens één persoon van elk geslacht wordt gewaarborgd.
  § 3. Op basis van de stukken bedoeld in § 2 beslist de bevorderingscommissie bij gewone meerderheid over de toekenning aan de kandidaat van de vermelding " goed " voor de bevordering door verhoging in graad of door overgang naar het hoger kader. Ze kan voorafgaandelijk overgaan tot het horen van de kandidaat of iedere andere persoon als ze dit opportuun acht.
  § 4. De kandidaat voor de bevordering door verhoging in graad of door overgang naar het hoger kader die geen evaluatie met de vermelding " goed " heeft gekregen, mag pas een nieuw activiteitenverslag meedelen en zijn aanspraken en verdiensten laten gelden voor een gelijkaardige bevordering, na afloop van een termijn van één jaar te tellen vanaf het moment waarop hij een andere vermelding kreeg dan " goed ".
  § 5. De kandidaat voor de bevordering door verhoging in graad of door overgang naar het hoger kader die, nadat hij de vermelding " goed " gekregen heeft voor de bevordering door verhoging in graad of door overgang naar het hoger kader bedoeld in § 3, een vermelding anders dan " goed " gekregen heeft in toepassing van artikel 2, verliest het voordeel van de vermelding " goed " en mag pas na het bekomen van de vermelding " goed " in toepassing van artikel 2, een nieuw activiteitenverslag meedelen en zijn aanspraken en verdiensten laten gelden voor een gelijkaardige bevordering door verhoging in graad of door overgang naar het hoger kader.

  Art. 5. Het personeelslid bedoeld in artikel 17 of artikel 18 van de wet, dat de vermelding " goed " bedoeld in artikel 4, § 3, heeft bekomen, wordt bevorderd in de hogere graad of in de graad van een hoger kader, ofwel op de datum van zijn benoeming, overeenkomstig de mobiliteitsregels, in een vacante betrekking van respectievelijk hoofdcommissaris van politie of commissaris van politie, ofwel op de datum van zijn aanwijzing in een mandaat bedoeld in artikel 66, eerste lid van de wet van 26 april 2002.

  TITEL IV. - Slotbepalingen

  Art. 6. De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Justitie zijn, elk wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 5 september 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
P. DE CREM
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, artikel 121, vervangen bij de wet van 26 april 2002 ;
   Gelet op de wet van 15 mei 2007 op de algemene inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten, de artikelen 14, derde lid, 17, derde lid, en 19 ;
   Gelet op het protocol van onderhandeling nr. 427/3 van het Onderhandelingscomité voor de politiediensten, gesloten op 28 februari 2018 ;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 3 december 2018 ;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken, gegeven op 29 april 2019 ;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 29 april 2019 ;
   Gelet op het advies nr. 66.380/2/V van de Raad van State, gegeven op 24 juli 2019, met toepassing van het artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 ;
   Op de voordracht van de Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en de Minister van Justitie,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie