einde

Publicatie : 2019-07-15

Beeld van de publicatie
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

4 JULI 2019. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie



De Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
Gelet op artikel 7, acht lid, van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO), zoals gewijzigd door de ordonnantie van 30 november 2017;
Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 maart 2010 betreffende de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie;
Gelet op het advies van de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie van 29 maart 2018
Gelet op advies nr. 63.723/4 van de Raad van State, gegeven op 11 juli 2018 in toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Gelet op het advies van de Minister van begroting van 25 juni 2019 en het advies van de Inspecteur van Financiën van 7 maart 2019;
Gelet op het evaluatieverslag betreffende de gelijke kansen, `gelijkekansentest' genoemd, zoals vereist door artikel 2, § 1, van de ordonnantie van 4 oktober 2018 tot invoering van de gelijkekansentest en door artikel 1, § 1, van het besluit van 22 november 2018 tot uitvoering van deze ordonnantie, waarvan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering kennis heeft genomen op 4 juli 2019;
Overwegende dat de ordonnantie van 30 november 2017 tot hervorming van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening en van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en tot wijziging van aanverwante wetgevingen de samenstelling van de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie gewijzigd heeft; dat dit besluit derhalve dienovereenkomstig moet worden aangepast;
Op voordracht van de Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bevoegd voor Territoriale Ontwikkeling, en in het bijzonder Ruimtelijke Ordening,
Na beraadslaging,
Besluit :
Artikel 1. De Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, hierna "de Commissie" genoemd, bestaat uit achttien effectieve leden.
Voor elk effectief lid wordt tevens een vervangend lid aangeduid.
Het vervangend lid zetelt wanneer het effectief lid afwezig of verhinderd is.
Wanneer het effectief lid verhinderd is, brengt hij zijn vervanger en het secretariaat van de Commissie daarvan op de hoogte.
Art. 2. § 1. Voor de aanwijzing van de 18 effectieve leden van de Commissie en hun vervangers schrijft de Regering een oproep tot kandidaten uit, die bekendgemaakt wordt in het Belgisch Staatsblad, op de website van de gewestbesturen die bevoegd zijn voor de in § 2 opgelijste aangelegenheden en op die van de Commissie.
§ 2. De leden worden aangewezen omwille van hun specifieke expertise, aangetoond op basis van hun diploma of hun erkende ervaring (van minstens 5 jaar) in de discipline. Het aantal leden per vertegenwoordigde discipline wordt als volgt vastgelegd :
1° Stedenbouw en ruimtelijke ordening (3 leden),
2° Mobiliteit (3 leden),
3° Leefmilieu (3 leden),
4° Economie (3 leden),
5° Huisvesting (2 leden),
6° Cultureel erfgoed (1 lid),
7° Natuurlijk erfgoed (1 lid),
8° Architectuur (2 leden).
§ 3. Negen van de leden van de Commissie worden voorgedragen door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement op basis van de lijst met kandidaten die geantwoord hebben op de door de Regering uitgeschreven kandidatuuroproep.
§ 4. De Regering benoemt de door het Parlement voorgedragen leden en wijst daarenboven 9 effectieve leden en hun vervangers aan op basis van de lijst met kandidaten die gereageerd hebben op de oproep tot kandidaten, rekening houdend met de disciplines die reeds vertegenwoordigd zijn door de benoemde leden.
§ 5. Bij de aanwijzing van de leden moet rekening gehouden worden met het beginsel dat twee derde van de kandidaten moet behoren tot de meest talrijke taalgroep en een derde tot de andere taalgroep.
§ 6. Bij de aanwijzing van de leden moet rekening gehouden worden met een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen, waarbij ten hoogste twee derde van de leden van een adviesorgaan van hetzelfde geslacht is.
§ 7. Het mandaat van de leden kan hoogstens eenmaal hernieuwd worden.
Art. 3. De benoemde leden mogen volgende functies of mandaten niet uitoefenen :
-elk gemeentelijk, provinciaal, gewestelijk, gemeenschaps-, federaal of Europees kiesmandaat,
- burgemeester;
- elk mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn,
- lid van een ministerieel kabinet,
- ambtenaar of beambte van een bestuur of van een instelling van openbaar nut,
- ambtenaar of beambte van een gemeente.
Art. 4. De leden van de Commissie moeten hun ontslag indienen, zodra zij een functie of mandaat uitoefenen bedoeld in artikel 3.
In geval van niet-inachtneming van het eerste lid van dit artikel en na het horen van de betrokkene, ontslaat de Regering het lid dat zelf zijn ontslag niet indient.
Geen enkel lid mag beslissen over onderwerpen waarin hij een rechtstreeks belang stelt, hetzij persoonlijk, hetzij als zaakgelastigde of waarbij bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad een persoonlijk of rechtstreeks belang hebben.
De leden van de Commissie kunnen door de Regering worden afgezet in geval van ernstige tekortkomingen in de uitoefening van hun functies of in geval van afwezigheid op meer dan drie opeenvolgende vergaderingen, behalve om een gegronde reden.
Binnen twee maanden na het openvallen van een mandaat wordt het vervangend lid benoemd met inachtneming van de voorwaarden en regels zoals bepaald in de artikelen 2 en 3. Het vervangend lid voltooit het mandaat van het lid dat het opvolgt. Het vervangend lid zetelt in plaats van het ontslagnemend lid totdat een vervanger wordt benoemd.
Art. 5. De Regering benoemt de voorzitter en de ondervoorzitter van de Commissie onder de leden. Ze hebben een verschillende moedertaal.
De ondervoorzitter vervangt de voorzitter bij diens afwezigheid of verhindering.
Art. 6. De Commissie is gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Art. 7. De Commissie neemt een huishoudelijk reglement aan dat ter goedkeuring aan de Regering wordt voorgelegd en waarin met name worden geregeld :
- de wijze van voorstelling van de agendapunten, de notulen van de vergaderingen en de adviezen, opmerkingen, suggesties en voorstellen van algemene richtlijnen;
- de samenstelling, de werking en de opdrachten van de gespecialiseerde secties die de in haar midden kan oprichten;
- de wijze van aanwijzing en de opdracht van de verslaggevers die belast zijn met het onderzoeken van de dossiers waarvoor de Commissie en, in voorkomend geval, de in 2° bedoelde gespecialiseerde secties, bevoegd zijn.
Art. 8. De Commissie vergadert op uitnodiging van de voorzitter die de agenda vaststelt.
Op verzoek van ten minste drie leden moet elk onderwerp dat tot de bevoegdheid van de Commissie behoort, op de agenda worden geplaatst.
Art. 9. De Commissie kan slechts geldig beslissen wanneer ten minste de helft van de leden aanwezig is.
Wordt dit vereiste quorum niet bereikt, dan wordt de Commissie binnen de 7 dagen opnieuw samengeroepen met dezelfde agenda en kan zij geldig beslissen ongeacht het aantal aanwezige leden.
De adviezen, opmerkingen, suggesties en voorstellen van algemene richtlijnen worden geformuleerd bij een gekwalificeerde meerderheid van twee derde van de aanwezige leden.
Art. 10. De door de Regering aangevraagde adviezen moeten binnen de door haar bepaalde termijn worden gegeven.
Art. 11. Vóór de beraadslagingen over de ontwerpen van plannen en verordeningen die vallen onder de titels II en III van het BWRO, alsmede over de onteigeningsplannen, evenals de voorontwerpen van ordonnantie en de ontwerpbesluiten betreffende de materies van het BWRO, hoort de Commissie de vertegenwoordigers van de Regering of van de gemeenten die het dossier opgemaakt hebben.
De voorzitter stuurt naar de Regering of de betrokken gemeente een uitnodiging opdat hun vertegenwoordigers worden gehoord.
De Commissie kan tevens een beroep doen op externe consultants ter verduidelijking van haar opdracht in een hoorzitting of door hen een specifieke studieopdracht toe te vertrouwen.
Art. 12. Elk jaar en ten laatste op 1 oktober bezorgt de Commissie de Regering voorstellen over haar werkingsuitgaven voor het komende begrotingsjaar.
Art. 13. Leder jaar en ten laatste op 30 juni bezorgt de Commissie de Regering haar jaarlijkse activiteitenverslag waarin de activiteiten van de Commissie en, in voorkomend geval, van de gespecialiseerde secties afzonderlijk vermeld worden.
Art. 14. De leden van de Commissie ontvangen presentiegeld telkens als ze een vergadering van tenminste twee uur bijwonen, hetzij van de Commissie, hetzij van één van de gespecialiseerde secties.
Het bedrag wordt voor de voorzitter en voor de ondervoorzitter op honderd euro en voor de andere leden op vijfenzeventig euro vastgesteld.
Art. 15. Het regeringsbesluit van 25 maart 2010 betreffende de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie wordt opgeheven.
Art. 16. Dit besluit treedt in werking op dezelfde dag als de bepalingen tot wijziging van titel I van het BWRO zoals opgenomen in de ordonnantie van 30 november 2017 tot hervorming van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening en van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en tot wijziging van aanverwante wetgevingen.
Art. 17. De Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 4 juli 2019.
Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bevoegd voor Plaatselijke Besturen, Territoriale Ontwikkeling, Stedelijk Beleid, Monumenten en Landschappen, Studentenaangelegenheden, Toerisme, Openbaar Ambt, Wetenschappelijk Onderzoek en Openbare Netheid.
R. VERVOORT .


begin

Publicatie : 2019-07-15