einde

Publicatie : 2019-08-22

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN

6 JUNI 2019. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen met het oog op de afgifte van een Europese blauwe kaart die de onderdanen van derde landen machtigt tot het verblijf met het oog op een hooggekwalificeerde baan



VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
1. ALGEMENE COMMENTAAR
A. Inleiding
De wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen werd gewijzigd door de wet van 5 mei 2019 om richtlijn 2009/50/EG van de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met name met het oog op een hooggekwalificeerde baan (hierna « richtlijn 2009/50/EU » en richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (hierna « richtlijn 2011/98/EU »), om te zetten.
Richtlijn 2011/98/EU legt aan de lidstaten de volgende verplichtingen op :
- ten gunste van de onderdanen van derde landen die op hun grondgebied willen werken moet er een gecombineerde aanvraagprocedure voor toelating tot verblijf en werk ingevoerd worden. Deze procedure leidt tot de afgifte van één enkele titel die aantoont dat de vereiste machtigingen om te verblijven en te werken werden toegekend;
- de verblijfstitels die overeenkomstig de Europese verordening 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen door de lidstaten afgegeven worden aan de onderdanen van derde landen die voor andere doeleinden dan werk op hun grondgebied verblijven, moeten een vermelding met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt bevatten.
Het belangrijkste doel van deze richtlijn is de vereenvoudiging van de toelatingsprocedure voor de onderdanen van derde landen die in de lidstaten willen komen werken en de harmonisatie van de regels die momenteel van toepassing zijn in de lidstaten. Dankzij een dergelijke procedurele vereenvoudiging beschikken de onderdanen van derde landen en hun werkgevers over een efficiëntere procedure, die het ook gemakkelijker maakt om de wettelijkheid van hun verblijf en hun machtiging tot toegang tot de arbeidsmarkt te controleren.
Sinds de zesde staatshervorming zijn de Gewesten grotendeels bevoegd voor de tewerkstelling van de buitenlandse werknemers, terwijl de Federale Staat voor bepaalde aspecten bevoegd blijft. Wat het verblijfsstatuut van de buitenlandse werknemers daarentegen betreft, is de Federale Staat als enige bevoegd om de regels die op hen van toepassing zijn vast te leggen.
Gelet op de bevoegdheidsverdeling tusen de Federale Staat en de gefedereerde entiteiten moest de richtlijn 2011/98/EU met name door middel van een samenwerkingsakkoord omgezet worden.
Na veel overleg is er nu overeenstemming bereikt tussen de bevoegde ministers en administraties op gewestelijk, gemeenschap en federaal niveau, over de vaststelling van de gecombineerde procedure voorzien bij richtlijn 2011/98/EU alsook over de wijzigingen van de verblijfsdocumenten, zodat een gecombineerde titel « verblijf-werk » wordt gecreëerd.
Een algemene tabel voor de bevoegdheidsverdeling tussen de Federale Staat en de gefedereerde entiteiten werd opgesteld en goedgekeurd door het Overlegcomité van 25 november 2015.
Deze tabel bepaalt met name :
- de categorieën van vreemdelingen die onder het toepassingsgebied van richtlijn 2011/98/EU vallen;
- de gecombineerde vergunning die aan hen wordt afgegeven;
- de vermeldingen met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt die moeten voorkomen op de verblijfsdocumenten of verblijfstitels van de vreemdelingen die voor een kort of een lang verblijf toegelaten of gemachtigd zijn op het grondgebied van het Rijk.
Het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten (hierna, « samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 ») heeft de gecombineerde aanvraagprocedure bekrachtigd. De bevoegde gewestelijke overheden en de Dienst Vreemdelingenzaken moeten hun medewerking verlenen in het kader van deze procedure.
Het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 heeft twee doelstellingen : ENERZIJDS de invoering van een gecombineerde aanvraagprocedure die, in het kader van één enkele administratieve handeling, leidt tot de afgifte van een gecombineerde titel die tegelijkertijd een verblijfs- en arbeidsvergunning omvat (hierna « gecombineerde vergunning ») en die een onderdaan van een derde land in staat stelt om voor een periode van meer dan negentig dagen wettelijk op het Belgisch grondgebied te verblijven om er te werken, en ANDERZIJDS, de afgifte van een verblijfstitel met een vermelding betreffende de toegang tot de arbeidsmarkt voor alle onderdanen van een derde land die zich om andere redenen dan tewerkstelling naar het grondgebied van het Rijk begeven.
Om de toelatingsprocedure voor buitenlandse werknemers te harmoniseren zullen de onderdanen van een derde land die bedoeld worden door de richtlijnen die de bijzondere binnenkomst- en verblijfsvoorwaarden met het oog op de uitoefening van een betrekking op het grondgebied van de Europese Unie voor een periode van meer dan negentig dagen vastleggen onderworpen worden aan de regels die voorzien worden door het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.
Volgens het voorschrift van richtlijn 2011/98/EU leidt de gecombineerde aanvraagprocedure die voorzien wordt door het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, met name indien het antwoord positief is, tot :
- een beslissing tot verstrekking, wijziging of verlenging van een gecombineerde vergunning in één enkele administratieve handeling die een verblijfs- en arbeidsvergunning omvat;
- de toekenning van een visum, indien de onderdaan van een derde land zich buiten het grondgebied van de Europese Unie bevindt;
- de afgifte van een gecombineerde vergunning.
De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg is bevoegd voor de arbeidsvergunning die toegekend wordt aan de onderdanen van een derde land die voor andere doeleinden dan tewerkstelling tot verblijf gemachtigd zijn.
Bijgevolg voorziet het samenwerkingsakkoord de afgifte van verblijfstitels met een vermelding betreffende de toegang tot de arbeidsmarkt aan de onderdanen van derde landen.
In het kader van het Overlegcomité van 25 november 2015 hebben de partijen van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 zich ertoe verbonden om de goedgekeurde tabel in hun reglementering om te zetten.
Zoals richtlijn 2011/98/EU, maakt richtlijn 2009/50/EG deel uit van de maatregelen die de Europese Unie heeft genomen om de immigratie van de onderdanen van derde landen met economische doeleinden op haar grondgebied te vergemakkelijken.
Deze richtlijn legt de voorwaarden vast voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan gedurende meer dan negentig dagen en schrijft de lidstaten verplichtingen voor die behoren tot de bevoegdheid van respectievelijk de Federale Staat en de Gewesten wat de werknemers uit derde landen betreft.
Gezien het feit dat richtlijn 2009/50/EG het invoeren van een dergelijke procedure op Belgisch niveau vereist, is op 6 december 2018 door de bevoegde overheden een samenwerkingsakkoord gesloten om de bijzondere nadere regels voor de uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 te omschrijven, overeenkomstig artikel 1, § 2, van dit akkoord.
Het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 zet bijgevolg richtlijn 2009/50/EG gedeeltelijk om en stelt de eigen bijzondere procedure vast.
De wet van 5 mei 2019 is dus in overeenstemming met het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 en het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.
B. Wijzigingen
Dit ontwerp van koninklijk besluit voert technische wijzigingen door om in overeenstemming te zijn met de tabel van de verdeling van bevoegdheden en verbetert sommige materiële vergissingen in de bij koninklijk besluit van 12 november 2018 gewijzigde en ingevoegde bijlagen.
Dit ontwerp neemt ook de aspecten over betreffende één enkele aanvraagprocedure voorgeschreven bij het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 en het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, het verblijf van de onderdanen van derde landen die een verblijfsaanvraag met het oog op een hooggekwalificeerde baan indienen en de afgifte van de Europese blauwe kaarten.
Overeenkomstig het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, uitgevoerd door de wet van 5 mei 2019 tot wijziging van de wet van 15 december 1980, bepaalt dit ontwerp van koninklijk besluit ook de nadere regels voor de indiening van de visumaanvraag, wanneer de betrokkene na zijn aanvraag voor een Europese blauwe kaart een positieve beslissing ontvangt.
2. ARTIKELSGEWIJZE COMMENTAAR
Artikel 1
Artikel 23, van richtlijn 2009/50/EG, en artikel 16, van richtlijn 2011/98/EU, schrijven voor dat de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die door de lidstaten worden goedgekeurd om aan de richtlijn te voldoen een verwijzing naar de richtlijn bevatten of tijdens hun officiële bekendmaking gepaard gaan met een dergelijke verwijzing.
De omzetting van deze richtlijnen is gedeeltelijk, aangezien zij tegelijkertijd wordt uitgevoerd via de wet van 5 mei 2019 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 en andere wetgevende en reglementaire teksten die tot de bevoegdheid van andere ministers met verschillende bevoegdheidsniveaus behoren.
Art. 2.
Dit artikel is aangevuld met bepalingen die de begrippen omschrijven die na de omzetting van richtlijnen 2011/98/EU en 2009/50/EG in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 worden gebruikt.
Het artikel bepaalt wat onder « Gewest » wordt verstaan, aangezien de Europese blauwe kaart het verblijf en de arbeid omvat die tot de bevoegdheid respectievelijk van de Federale Staat en de Gewesten behoren.
De bepaling verwijst ook naar het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, aangezien de wet met toepassing van dit akkoord goedgekeurd werd en het ontwerp van koninklijk besluit in overeenstemming moet zijn met dit akkoord.
Art. 3.
Het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 en de wet van 5 mei 2019 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 voorzien dat de gecombineerde aanvraagprocedure door de onderdanen van derde landen via hun werkgever bij de bevoegde gewestelijke overheid wordt ingediend.
Aangezien de gecombineerde vergunningsprocedure bijzonder is omdat ze de medewerking van de Dienst Vreemdelingenzaken en de gewestelijke overheden vereist, wordt artikel 1/2/1 aangepast om rekening te houden met de bepalingen betreffende de Europese blauwe kaart.
Artikel 19 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 voorziet dat de gewestelijke overheid een beslissing moet nemen over de volledigheid en de ontvankelijkheid van de verblijfsaanvraag met het oog op werk. De gewestelijke overheid controleert of de aanvrager alle vereiste documenten, die tegelijkertijd door de gewestelijke wetgeving en de wet van 15 december 1980 voorzien worden, heeft voorgelegd.
Voor zover de gewestelijke overheid al een uitspraak heeft gedaan over de ontvankelijkheid van de aanvraag voorziet het artikel 1/2/1 bijzondere bepalingen met betrekking tot de beslissingen die genomen worden wanneer de onderdaan van een derde land de verschuldigde retributie al dan niet betaald heeft.
Het bewijs van de betaling van de retributie moet naar de bevoegde gewestelijke overheid worden gestuurd. Indien dit niet het geval is, moet deze overheid de onderdaan van een derde land informeren dat hij dit bewijs moet leveren. Indien de onderdaan van een derde land dit niet doet, verklaart de bevoegde gewestelijke overheid de aanvraag onontvankelijk.
Indien de aanvrager daarentegen het bewijs van de betaling van de retributie geleverd heeft, maar het betaalde bedrag onjuist blijkt te zijn, brengt de minister of zijn gemachtigde (de Dienst Vreemdelingenzaken) hem daarvan op de hoogte en nodigt hem uit om het resterend saldo dat is verschuldigd, te betalen. Indien de aanvrager dit saldo niet betaalt, weigert de minister of zijn gemachtigde (de Dienst Vreemdelingenzaken) de aanvraag.
De bijlagen 43 en 43bis worden dus aangepast om rekening te houden met de introductie vanéén enkele aanvraagprocedure in het kader van de Europese blauwe kaart.
Art. 4.
Artikel 25/2 van het koninklijk besluit stelt de onderdanen van derde landen die reeds toegelaten of gemachtigd zijn tot verblijf met name in staat om een aanvraag voor een machtiging tot verblijf met het oog op de uitoefening van een betrekking in loondienst in te dienen bij het gemeentebestuur. Behalve in gevallen van vrijstelling geeft het gemeentebestuur, na voorlegging van een arbeidskaart, een machtiging tot verblijf af.
Het nieuw artikel 61/27-1, §§ 2 en 3, van de wet van 15 december 1980 biedt dezelfde mogelijkheid aan de onderdanen van derde landen die een verblijfsaanvraag met het oog op hooggekwalificeerd werk indienen, zoals voorgeschreven door artikel 10, §§ 2 en 3, van richtlijn 2009/50/EU.
De nieuwe paragraaf 7, die in het genoemd artikel 25/2 ingevoegd wordt, legt een verband tussen dit artikel en het nieuw artikel 61/27-1, §§ 2 en 3, door te preciseren dat dit artikel 25/2 niet kan worden toegepast op deze werknemers, aangezien ze hun aanvraag moeten indienen volgens een gecombineerde procedure waarin de Dienst Vreemdelingenzaken en de gewestelijke overheden gezamenlijk tussenbeide komen. Bijgevolg is de burgemeester of zijn gemachtigde niet bevoegd om een beslissing te nemen over deze aanvragen.
Art. 5.
Voor zover artikel 11, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, bepaalt dat de geldigheidsduur wordt vastgesteld door elk Gewest, wordt het derde lid van paragraaf 2 opgeheven en deze paragraaf wordt met twee leden aangevuld.
Art. 6.
Artikel 32 wordt gewijzigd om rekening te houden met de introcuctie van één enkele aanvraagprocedure die op de verblijfsaanvragen met het oog om een hooggekwalificeerde baan van toepassing is.
De betrokken onderdanen van derde landen moeten hun aanvraag indienen volgens één enkele procedure waarin de Dienst Vreemdelingenzaken en de gewestelijke overheden gezamenlijk optreden, met als gevolg dat de burgemeester of zijn gemachtigde niet bevoegd is om over die aanvragen te beslissen.
Art. 7.
De belangrijkste wijzigingen van dit artikel hebben tot doel de termijn te preciseren waarbinnen de onderdaan van een derde land zijn aanvraag voor verlenging van de Europese blauwe kaart bij het gemeentebestuur moet indienen en het voorlopig verblijfsdocument dat in afwachting van de beslissing met betrekking tot zijn aanvraag voor verlenging aan hem wordt afgegeven, te bepalen.
Art. 8 en 9
Volgens de federale wetgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers hebben de verzoekers om internationale bescherming vier maanden na de indiening van hun verzoek toegang tot de arbeidsmarkt indien er geen enkele beslissing werd betekend in verband met hun verzoek, ongeacht of het gaat om een volgend verzoek of niet.
Bijgevolg wordt de initiële geldigheidsduur van het attest van immatriculatie dat aan de verzoekers om internationale bescherming wordt afgegeven, vier maanden vanaf de indiening van hun aanvraag.
Art . 10.
Artikel 105/3 wordt aangevuld met het oog op de juridische samenhang. Er wordt verduidelijkt dat bijlage 50 een voorlopig verblijfsdocument is, overeenkomstig artikel 61/25-6, van de wet.
Art.11.
De wet van 5 mei 2019 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die richtlijn 2009/50/EG gedeeltelijk omzet, wijzigt het hoofdstuk over de Europese blauwe kaart en de seizoenarbeiders, dat van toepassing is op de onderdanen van derde landen die een hooggekwalificeerde baan wensen uit te oefenen op het grondgebied van het Rijk. Een nieuw hoofdstuk Vter wordt ingevoegd in het koninklijk besluit.
Het nieuw artikel 105/8 bepaalt de inlichtingen die eveneens moeten voorkomen in de verblijfsaanvraag met het oog op een hooggekwalificeerde baan.
Deze inlichtingen zijn nuttig, aangezien het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 voorschrijft dat de Dienst Vreemdelingenzaken kennis geeft van één enkele administratieve handeling waarbij de gecombineerde vergunning wordt toegekend.
Het samenwerkingsakkoord bepaalt ook dat de werkgever op de hoogte wordt gebracht van deze beslissing. De werkgever zou dus per mail kunnen worden geïnformeerd.
Bovendien bepaalt artikel 62, § 3, van de wet dat de administratieve beslissingen door verschillende personen aan de betrokkenen betekend kunnen worden. Het gaat onder andere om de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling zich bevindt of zijn gemachtigde en de Belgische diplomatieke of consulaire overheid in het buitenland, indien de laatstgenoemde zich niet op het grondgebied van het Rijk bevindt.
De nieuwe beslissingen die door de minister of zijn gemachtigde genomen worden, zullen op deze manier kunnen worden betekend.
Het nieuw artikel 105/8, paragraaf 1, eerste lid, schrijft de vorm voor die de één enkele administratieve handeling aanneemt, die aan de tot verblijf en arbeid gemachtigde onderdaan van een derde land wordt afgegeven, . Daartoe is bijlage 46 vervangen.
Een afschrift van deze akte wordt naar de diplomatieke of consulaire post of het gemeentebestuur gestuurd, in functie van de plaats waar de onderdaan van een derde land zich bevond toen hij zijn aanvraag voor een gecombineerde vergunning indiende.
Bovendien bepaalt artikel 25, § 4, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, gelezen in samenhang met artikel 61/27-5, § 3, van de wet, dat de machtigingen tot verblijf en de toelatingen tot arbeid worden toegekend indien de minister of zijn gemachtigde of de gewestelijke overheid geen beslissing heeft genomen. Paragraaf 2 van dit nieuw artikel 105/8 stelt het document vast dat in dit geval wordt afgegeven. Bijlage 47 wordt bijgevolg vervangen.
De paragraaf bepaalt ook dat een afschrift van dit document naar de diplomatieke of consulaire post of naar het gemeentebestuur gestuurd wordt, in functie van de plaats waar de onderdaan van een derde land zich bevond wanneer hij zijn aanvraag voor een Europese blauwe kaart indiende.
Paragraaf 3, eerste lid, van artikel 105/8 bepaalt de regels voor de afgifte van het visum die gevolgd moeten worden door de persoon die na de aanvraagprocedure gemachtigd is tot verblijf en arbeid, wanneer hij zijn aanvraag buiten het grondgebied van het Rijk heeft ingediend.
Paragraaf 3, tweede en derde lid, bepaalt de regels voor de afgifte van de Europese blauwe kaart en het model van het voorlopig verblijfsdocument (« bijlage 49 ») dat in afwachting van de afgifte van deze verblijfstitel wordt afgegeven.
Paragraaf 4 bepaalt ook de regels voor de afgifte van de Europese blauwe kaart en het model van het voorlopig verblijfsdocument dat in afwachting van de afgifte van de Europese blauwe kaart wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die al in een andere hoedanigheid tot verblijf gemachtigd zijn.
Paragraaf 5 bepaalt de vorm die de beslissing tot weigering van verblijf aanneemt.
Paragraaf 6 voert artikel 61/27-4, § 3, van de wet,uit en bepaalt de vorm van de beslissing tot weigering van verblijf.
Het nieuw artikel 105/9 bepaalt het model van de beslissing dat de minister of zijn gemachtigde (de Dienst Vreemdelingenzaken) moet gebruiken wanneer hij een einde maakt aan het verblijf van de onderdaan van een derde land aan wie een Europese blauwe kaart is toegekend. Bijlage 52 wordt bijgevolg vervangen.
Art. 12.
Hoofdstuk XI, van titel II, wordt opgeheven om rekening te houden met de nieuwe één enkele aanvraagprocedure die op de verblijfsaanvragen met het oog op een hooggekwalificeerde baan van toepassing is.
De betrokken onderdanen van derde landen moeten hun aanvraag indienen volgens één enkele procedure waarin de Dienst Vreemdelingenzaken en de gewestelijke overheden gezamenlijk optreden. Bijgevolg zijn de diplomatieke of consulaire post en de burgemeester of zijn gemachtigde niet bevoegd om over die aanvragen te beslissen.
Een nieuw hoofdstuk wordt ingevoegd na het hoofdstuk over de aanvragen voor de gecombineerde vergunning. Er wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 12.
Art. 13
Bijlage 3 wordt vervangen om ze in overeenstemming te brengen met de tabel van de bevoegdheidsverdeling die in het overlegcomité van 25 november 2015 is gevalideerd. Deze tabel voorziet in drie mogelijkheden: geen vermelding, arbeidsmarkt: beperkt of arbeidsmarkt: neen.
Art. 14
Bijlage 8, in haar Nederlandse versie, wordt vervangen om een vertaalfout te verbeteren.
Art. 16
Bijlage 33 wordt vervangen om de overheid die gemachtigd is om ze af te geven te wijzigen.
Art. 16
Bijlage 35 wordt vervangen om de verwijzing naar de buitenlandse student te schrappen, aangezien dit document niet is beperkt tot alleen buitenlandse studenten. Het wordt afgegeven aan de vreemdelingen die tegen een beslissing bedoeld in artikel 39/79, § 1, tweede lid, van de wet, een beroep hebben ingesteld.
Art. 17
Bijlage 37, in zijn Nederlandse versie, wordt vervangen om een vertaalfout te verbeteren.
Art. 18 en 19
In de bijlagen 41 en 41bis worden de verwijzingen naar de wettelijke en verordenende bepalingen betreffende de Europese blauwe kaart en de hooggekwalificeerde werknemers geschrapt, daar één enkele aanvraagprocedure van toepassing is.
Art. 20 tot 24 en 27
De bijlagen bedoeld door deze bepalingen bevatten de beslissingsmodellen in het kader van de aanvraag voor een Europese blauwe kaart (één enkele administratieve handeling tot toekenning van de Europese blauwe kaart, attest van toekenning van de Europese blauwe kaart, beslissing tot weigering en tot beëindiging van verblijf)) en de voorlopige verblijfsdocumenten.
Art. 25.
Er wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 11.
Ik heb de eer te zijn,
Sire,
Van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
De Minister van Asiel en Migratie,
M. DE BLOCK

6 JUNI 2019. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen met het oog op de afgifte van een Europese blauwe kaart die de onderdanen van derde landen machtigt op het grondgebied van het Rijk te verblijven met het oog op een hooggekwalificeerde baan
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de Grondwet, artikel 108;
Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, artikel 1/1, § 1, tweede lid, ingevoegd door de programmawet van 19 december 2014, artikel 5, tweede lid, ingevoegd door de wet van 15 juli 1996, artikel 42, § 4, ingevoegd door de wet van 25 april 2007, de artikelen 61/25-2, § 5, alinéa 2, 61/25-6, § 5, ingevoegd door de wet van 22 juli 2018 en de artikelen 61/27-2, tweede lid en 61/27-5, § 1, tweede lid en § 2, tweede lid ingevoegd door de wet van 5 mei 2019 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
Gelet op het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
Gelet op de impactanalyse van de regelgeving die overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging werd uitgevoerd;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 20 maart 2019;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 21 maart 2019;
Gelet op advies nr. 66.082/4 van de Raad van State, gegeven op 22 mei 2019, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Asiel en Migratie en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van:
1° richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan;
2° richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.
Art. 2. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd en hernummerd door het koninklijk besluit van 22 november 1996, gewijzigd door het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt aangevuld met de bepalingen onder 8° en 9°, luidende:
"8° samenwerkingsakkoord van 6 december 2018: het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018;
9° Gewest: het Gewest in de zin van artikel 3, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.".
Art. 3. In artikel 1/2/1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, worden de woorden "of in artikel 61/26" ingevoegd tussen de woorden "61/25-1" en de woorden ",van de wet", en wordt een ",10° " ingevoegd tussen "8° " en "of";
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "of artikel 61/27-4, § 3, eerste lid" ingevoegd tussen de woorden "eerste lid" en de woorden ",van de wet";
3° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "of artikel 61/27-4, § 3, tweede lid" ingevoegd tussen de woorden "tweede lid" en de woorden ",van de wet".
Art. 4. Artikel 25/2 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende:
" § 7. Dit artikel is niet van toepassing op de onderdanen van een derde land die een aanvraag voor een toelating tot arbeid bedoeld in artikel 61/26, van de wet, op basis van artikel 61/27-1, §§ 2 of 3, van de wet, indienen.".
Art. 5. In artikel 31 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, wordt het derde lid opgeheven;
2° paragraaf 2 wordt aangevuld met drie leden, luidende:
"Overeenkomstig artikel 11 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, is de periode van geldigheid van de Europese blauwe kaart een standaard geldigheidsperiode, variërend van één tot vier jaar, naargelang de duur van de arbeidsvergunning die door het Gewest wordt bepaald.
Deze geldigheidsduur komt overeen met de duur van de arbeidsvergunning afgegeven door de bevoegde gewestelijke overheid.
Wanneer de duur van de arbeidsovereenkomst korter is dan de duur bedoeld bij lid 7, is de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart gelijk aan de duur van de arbeidsvergunning vermeerderd met drie maanden.".
Art. 6. In artikel 32, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt paragaraaf 2ter opgeheven.
Art. 7. In artikel 33, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden ",van zijn Europese blauwe kaart" en ",zijn Europese blauwe kaart" geschrapt;
2° paragraaf 1 wordt aangevuld met een derde lid, luidende:
"Twee maanden voor de vervaldag van zijn Europese blauwe kaart, moet de onderdaan van een derde land zich aanbieden bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats om de verlenging van zijn Europese blauwe kaart aan te vragen.";
3° er wordt een paragraaf 6 ingevoegd, luidende:
" § 6. Indien de onderdaan van een derde land zijn aanvraag tot vernieuwing heeft ingediend overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, en de bevoegde gewestelijke overheid en de minister of zijn gemachtigde niet in staat waren over deze aanvraag een beslissing te nemen voor het verstrijken van de geldigheid van de Europese blauwe kaart waarvan hij houder is, stelt de burgemeester of zijn gemachtigde hem in het bezit van een attest conform het model in bijlage 49, mits de onderdaan van een derde land het door de bevoegde gewestelijke overheid afgegeven document heeft voorgelegd dat bewijst dat de aanvraag ontvankelijk en volledig is.
Het in het eerste lid bedoelde attest dekt voorlopig het verblijf van de onderdaan van een derde land op het grondgebied van het Rijk. Het attest is dertig dagen geldig en kan eenmaal met eenzelfde periode verlengd worden.".
Art. 8. In artikel 74 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "vanaf de datum van afgifte" vervangen door de woorden "vanaf de datum van indiening van zijn aanvraag";
2° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "vanaf de datum van afgifte" vervangen door de woorden "vanaf de datum van indiening van zijn aanvraag".
Art. 9. In artikel 75, van hetzelfde arrest, ingevoegd bij koninklijk besluit van 19 mei 1993, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 april 2007 en 17 augustus 2013, worden in paragraaf 4, tweede lid, de woorden "attest van immatriculatie, model A, geldig voor drie maanden vanaf de datum van afgifte" vervangen door de woorden "attest van immatriculatie geldig voor vier maanden vanaf de datum van indiening van zijn volgende aanvraag".
Art. 10. In artikel 105/3, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 12 november 2018, worden de woorden "en zijn verblijf voorlopig dekt," ingevoegd tussen de woorden "aanvraag bewijst" en de woorden "en dat overeenkomstig".
Art. 11. In titel II, van hetzelfde besluit, wordt een hoofdstuk Vter ingevoegd dat de artikelen 105/7 tot 105/9 bevat, luidende:
"Hoofdstuk Vter - Hooggekwalificeerde werknemers - Europese blauwe kaart
Art. 105/7. Onverminderd de gewestelijke of communautaire wetgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers bevat de verblijfsaanvraag bedoeld in artikel 61/26 van de wet op zijn minst de volgende inlichtingen:
1° de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland van de betrokken onderdaan van een derde land, wanneer die zich niet op het grondgebied van het Rijk bevindt;
2° het adres van de effectieve verblijfplaats of het huisvestingsadres van de onderdaan van een derde land, indien die, overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, van de wet reeds toegelaten of gemachtigd is om voor een periode van niet meer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven of indien hij, overeenkomstig titel I, hoofdstuk III, van de wet reeds toegelaten of gemachtigd is om voor een periode van meer dan negentig dagen op het grondgebied van het Rijk te verblijven;
3° in voorkomend geval het elektronisch adres van zijn werkgever.
Art. 105/8. § 1. Wanneer de onderdaan van een derde land door de bevoegde gewestelijke overheid tot arbeid gemachtigd wordt en tot verblijf met toepassing van artikel 61/27-4, § 1, van de wet, geeft de minister of zijn gemachtigde hem van deze beslissing kennis door middel van een document opgesteld overeenkomstig het model van bijlage 46.
De minister of zijn gemachtigde stuurt ook een afschrift naar:
1° de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland: indien de betrokkene zich niet op het grondgebied van het Rijk bevindt;
2° naar het gemeentebestuur van zijn effectieve verblijfplaats of zijn huisvestingsadres: indien de betrokkene, overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, van de wet, reeds toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van niet meer dan negentig dagen, of, overeenkomstig titel I, hoofdstuk III, van de wet, reeds toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van meer dan negentig dagen.
§ 2. Indien de bevoegde gewestelijke overheid en de minister of zijn gemachtigde geen enkele negatieve beslissing hebben genomen, informeert de minister of zijn gemachtigde de betrokkene dat hij mag verblijven en werken door middel van een document opgesteld overeenkomstig het model van bijlage 47, dit krachtens artikel 25, § 4, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 en artikel 61/27-5, § 3, van de wet.
Bovendien stuurt de minister of zijn gemachigde er een kopie van:
1° naar de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn plaats van verblijf of oponthoud in het buitenland: indien de betrokkene zich niet op het grondgebied van het Rijk bevindt;
2° naar het gemeentebestuur van zijn effectieve verblijfplaats of van zijn huisvesting: indien de betrokkene al is toegelaten of gemachtigd tot het verblijf op het grondgebied van het Rijk voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, van de wet of voor een periode van meer dan negentig dagen overeenkomstig titel I, hoofdstuk III, van de wet.
§ 3. Indien de onderdaan van een derde land bedoeld in paragraaf 1 zich niet op het grondgebied van het Rijk bevindt, vraagt hij de toekenning van een visum lang verblijf aan bij de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of plaats van oponthoud in het buitenland. De post geeft het visum onverwijld aan hem af, voor zover hij de volgende documenten voorlegt:
1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde geldige reistitel dewelke op zijn minst de duur van het voorgenomen verblijf dekken; en
2° de beslissing tot machtiging tot verblijf en arbeid bedoeld in paragraaf 1.
De betrokkene die in het bezit is van een visum lang verblijf dat met toepassing van het eerste lid afgegeven werd begeeft zich naar het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats, met het oog op zijn inschrijving in het vreemdelingenregister en de aflevering van een Europese blauwe kaart van beperkte duur.
In afwachting van de uitvoering van de controle van de verblijfplaats en de afgifte van de Europese blauwe kaart geeft de burgemeester of zijn gemachtigde aan de betrokkene onmiddelijk een voorlopig verblijfsdocument overeenkomstig het model in bijlage 49 af. Het document is vijfenveertig dagen geldig en kan tweemaal met eenzelfde periode verlengd worden.
§ 4. De onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/27-5, § 2, van de wet, die in het bezit is van de beslissing bedoeld in paragraaf 1 of van het document bedoeld in paragraaf 2 begeeft zich naar het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats, met het oog op zijn eventuele inschrijving in het vreemdelingenregister en de afgifte van een Europese blauwe kaart van beperkte duur.
In afwachting van de uitvoering van de controle van de verblijfplaats en/of de afgifte van de Europese blauwe kaart geeft de burgemeester of zijn gemachtigde aan de betrokkene onmiddelijk een voorlopig verblijfsdocument overeenkomstig het model in bijlage 49 af. Het document is vijfenveertig dagen geldig en kan tweemaal met eenzelfde periode verlengd worden.
Indien de betrokkene in het bezit is van een verblijfsdocument of een verblijfstitel geeft hij deze terug wanneer het voorlopig verblijfsdocument afgegeven wordt.
§ 5. Wanneer de minister of zijn gemachtigde beslist dat de onderdaan van een derde land niet gemachtigd is tot verblijf betekent hij hem deze beslissing door middel van het document overeenkomstig het model in bijlage 48.
§ 6. Indien de minister of zijn gemachtigde, met toepassing van artikel 61/27-4, § 3, van de wet, van de onderdaan van een derde land eist dat die aanvullende inlichtingen of documenten naar hem stuurt, informeert hij hem over de inlichtingen en/of documenten die hij moet voorleggen.
Indien de aanvullende inlichtingen en/of documenten niet binnen de termijn voorzien in artikel 61/27-4, § 3, van de wet verstrekt werden weigert de minister of zijn gemachtigde de aanvraag en wordt deze beslissing door middel van een document overeenkomstig het model in bijlage 48 betekend.
Art. 105/9. Indien de minister of zijn gemachtigde, met toepassing van artikel 61/27-6, van de wet, beslist om een einde te maken aan aan het verblijf van een onderdaan van een derde land wordt deze beslissing door middel van het document overeenkomstig het model in bijlage 52 aan hem betekend.".
Art. 12. In titel II, van hetzelfde besluit, wordt hoofdstuk XI genaamd "Hooggekwalifceerde werknemers - Europese blauwe kaart" dat de artikelen 110quinquiesdecies tot 110sexiesdecies bevat, opgeheven.
Art. 13. Bijlage 3, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 1 gevoegd bij dit besluit.
Art. 14. Bijlage 8, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 2 gevoegd bij dit besluit.
Art. 15. Bijlage 33, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 3 gevoegd bij dit besluit.
Art. 16. Bijlage 35, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 4 gevoegd bij dit besluit.
Art. 17. Bijlage 37, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 5 gevoegd bij dit besluit.
Art. 18. Bijlage 41, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 6 gevoegd bij dit besluit.
Art. 19. Bijlage 41bis, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 15 augustus 2012 en 17 november 2013, wordt vervangen door bijlage 7 gevoegd bij dit besluit.
Art. 20. Bijlage 43, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 8 gevoegd bij dit besluit.
Art. 21. Bijlage 43bis, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 9 gevoegd bij dit besluit.
Art. 22. Bijlage 46, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 10 gevoegd bij dit besluit.
Art. 23. Bijlage 47, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 11 gevoegd bij dit besluit.
Art. 24. Bijlage 49, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 12 gevoegd bij dit besluit.
Art. 25. Bijlage 50, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 13 gevoegd bij dit besluit.
Art. 26. Bijlage 51, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 14 gevoegd bij dit besluit.
Art. 27. Bijlage 52, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 november 2018, wordt vervangen door bijlage 15 gevoegd bij dit besluit.
Art. 28. De minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 6 juni 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Asiel en Migratie,
M. DE BLOCK

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld


begin

Publicatie : 2019-08-22