einde

Publicatie : 2018-12-27

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., MIDDENSTAND EN ENERGIE

14 DECEMBER 2018. - Koninklijk besluit houdende wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2009 betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen



VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
ALGEMEEN
Het besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, voegt enkele nieuwigheden in en wenst verscheidene thema's in het koninklijk besluit van 18 december 2009 betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen (hierna "KB 2009") te verhelderen.
Een belangrijke wijziging bestaat erin de maritieme radiocommunicatie op te nemen in het toepassingsgebied van dit besluit. Voordat de wet van 31 juli 2017 van kracht werd, werden de vergunningen voor stations gebruikt in het kader van radiomaritieme activiteiten uitgereikt op basis van artikel 39 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, hierna "de wet". Aangezien dit artikel voorziet in de aanneming van een koninklijk besluit, is het nodig om deze stations in dit besluit op te nemen wat de controle hierover kan vergemakkelijken alsook veiligheidsproblemen voor de zeevaart vermijden.
Een tweede belangrijke wijziging bestaat in een toelichting van de regels die van toepassing zijn op de radioamateurs en die momenteel opgenomen zijn in het ministerieel besluit van 9 januari 2001 betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs.
De opheffing van dat ministerieel besluit is noodzakelijk om te beantwoorden aan de voorschriften van artikel 39 van de wet, dat een koninklijk besluit eist, en om een evolutie van de reglementering mogelijk te maken. Het opnemen van alle regels inzake de radioamateurs in het KB 2009 garandeert bovendien de transparantie en voorkomt dat de radioamateurs veelvuldige reglementaire opzoekingen moeten doen.
Een derde belangrijke wijziging bestaat erin te zorgen voor een coherent specifiek regelgevingskader voor radiocommunicatie op de luchtvaartfrequenties. De vergunningen worden momenteel afgegeven op grond van artikel 39 van de wet. Om te zorgen voor de aanneming van het koninklijk besluit waarin de wet voorziet en voor meer veiligheid in de luchtvaart door de controle van de stations te vergemakkelijken, worden enkele verduidelijkingen aangebracht voor die regels in het KB 2009.
Deze nieuwigheden impliceren de definitie van nieuwe begrippen.
Bovendien worden de structuur en de inhoud van het KB 2009 aangepast om een beter begrip van de regels mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat ze conform de toepasselijke specifieke internationale normen zijn.
Enkele louter formele wijzigingen ten slotte beogen de lezing te vergemakkelijken en elk risico voor interpretatiemoeilijkheden te vermijden.
Advies 64.497/4 van de Raad van State van 28 november 2018 werd integraal gevolgd.
1 Zo is de inleiding aangepast, met name op het stuk van de notificatie aan de Europese Commissie, aangezien de status-quoperiode van drie maanden die opgelegd wordt door Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij verstreken is op 15 september 2017 en de Belgische Staat geen opmerkingen heeft ontvangen van de Commissie noch van de lidstaten. In die omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat voldaan is aan de gestelde formaliteit.
ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
Artikel 1.
Deze bepaling voegt enkele definities toe aan artikel 1 en breidt aldus het toepassingsgebied van het KB 2009 uit.
Dit artikel wijzigt in bepaling 12° het begrip van "roepnaam" zodat het niet langer gelinkt is aan een specifiek radiocommunicatiestation maar aan de persoon die houder is van een bedieningscertificaat.
In de bepaling 24° wordt het begrip van "kortbereikapparatuur" vervangen door het begrip van "kortafstandsapparatuur" om overeen te stemmen met het Radioreglement van de ITU, hierna "RR".
De bepalingen 29° tot 30° worden toegevoegd om de terminologische verduidelijkingen aan te brengen die nuttig zijn voor het begrip van het besluit en zijn bijlagen.
Bepaling 29° stelt de Conférence Européenne des administrations des Postes et Télécommunications, de Europese Conferentie van de administraties van Posterijen en Telecommunicatie, "CEPT" genoemd, voor, die regels, besluiten of aanbevelingen uitvaardigt om de doeltreffende en doelmatige exploitatie van alle radiocommunicatiediensten te bevorderen.
Het begrip walstation wordt gedefinieerd in de bepaling 30° om elk vast station aan de kust te dekken dat op maritieme frequenties werkt, ongeacht of het is opgesteld langs de kust of in het binnenland, bijvoorbeeld langs een rivier of een kanaal. Een dergelijk station kan mobiel zijn wanneer het aan boord van een voertuig wordt gemonteerd of draagbaar (walkietalkie).
Dit begrip omvat een permanent aangemeerd vaartuig, namelijk een vaartuig voor anker dat radiocommunicatie uitzendt die niet noodzakelijk voor zijn eigen veiligheid is, omdat hiertoe een bepaalde frequentie moet worden toegekend, gecoördineerd op internationaal niveau en beschermd, in tegenstelling tot een station gebruikt op een niet-aangemeerd vaartuig.
Artikel 2.
Deze bepaling wijzigt artikel 2 van het KB 2009 op verscheidene punten.
Vooreerst, om een minimale controledrempel te bepalen in geval van algemene vrijstelling, worden de normen bedoeld in de artikelen 50/1, 51 en 52 toegevoegd aan de normen die moeten worden nageleefd ook voor de radio- en televisieomroepstations en de stations die door Belgocontrol in dienst worden gesteld in de frequentiebanden die exclusief worden gebruikt voor de luchtvaart.
Bovendien wordt het derde lid van het artikel opgeheven want het toepassingsgebied van het besluit wordt uitgebreid met de radiocommunicatiestations aan boord van een schip of een luchtvaartuig. Deze laatste vormen immers een type van radiostation en impliceren een bijzonder werk voor het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, hierna het BIPT, dat niet alleen examens organiseert en vergunningen afgeeft maar bovendien deze stations controleert.
Ten slotte wordt het vierde lid vervangen om de toepassing van het besluit op de stations van de categorieën 4e, 5e en 6e, met inbegrip van de satellietgrondstations, te garanderen. De andere types van grondstations vallen onder het koninklijk besluit van 16 april 1998 betreffende de satellietgrondstations.
Artikel 3.
Deze bepaling corrigeert de wetgevende referentie naar aanleiding van de laatste wijziging van de wet, aangezien zowel de vergunningen die krachtens artikel 39 van deze wet worden afgegeven als de gebruiksrechten die verleend worden op basis van artikel 18 van deze wet onder de vrijstellingen vallen.
Artikel 4.
Dit artikel wijzigt artikel 4 op verscheidene punten.
De bepaling onder 3°, a, wordt aangepast zodat de Franse en de Nederlandse versies overeenstemmen. Het moet duidelijk zijn dat om in deze categorieën te worden opgenomen, de openbare maatschappijen, voor 100%, rechtstreeks of onrechtstreeks van de voormelde machten moeten afhangen.
In categorie 3, b, worden de openbare vervoersmaatschappijen (momenteel 3: MIVB, De Lijn en TEC) opgenomen om elk risico van discriminatie te vermijden tussen de maatschappijen die eenzelfde dienst aanbieden. Dat verklaart ook de behandeling van de private maatschappijen die voor een van de drie openbare vervoersmaatschappijen werken.
In de bepaling onder 3°, c, worden om een gelijkheid van behandeling te garanderen ook alle ziekenhuizen en klinieken bedoeld.
In de bepaling onder 3°, d, heeft de vervanging van het woord "OF" door het woord "EN" tot doel om het aantal maatschappijen die beperkte tarieven kunnen genieten, te beperken door twee cumulatieve voorwaarden op te leggen.
De 4e categorie wordt gewijzigd in de bepaling onder 4° en beoogt voortaan de radiocommunicatie die op de frequenties werkt, die uitsluitend zijn voorbehouden voor de zeevaart of de binnenscheepvaart, maar ook de radars en geassocieerde noodbakens. Het doel is om alle apparatuur voor radiocommunicatie op een vaartuig in één categorie te hergroeperen, die ook de apparatuur bevat die op deze frequenties werkt en op aarde is geïnstalleerd.
De 6e categorie wordt gewijzigd en beoogt voortaan de radiocommunicatie binnen de frequenties uitsluitend voorbehouden voor de luchtvaart maar ook de radars en de bijbehorende noodbakens. Het doel is om apparatuur voor radiocommunicatie op een luchtvaartuig in één categorie te hergroeperen die ook de apparatuur bevat die op deze frequenties werkt en op aarde is geïnstalleerd.
De nieuwe 9e categorie is het resultaat van de samenvoeging van de voormalige categorieën 4 en 6 en dekt de vergunningen betreffende respectievelijk enerzijds de test- en proefvergunningen (vroegere categorie 6), voortaan opgenomen in de categorie 9 a), en anderzijds de gsm-stoorzenders (vroegere categorie 4), voortaan opgenomen in de categorie 9 b).
Om bovendien elke verwarring met de nieuwe categorieën 4 of 6 te vermijden, zullen de radars die niet specifiek tot deze categorieën behoren, onder categorie 9 c) vallen. Het zal concreet gaan om de radars die snelheidsmetingen uitvoeren, helpen bij de weersvoorspellingen, enz.
Ten slotte, om ervoor te zorgen dat de categorieën volledig zijn, maken de nieuwe technologieën die vandaag nog niet bekend zijn, het voorwerp uit van categorie 9 d), alsook de apparatuur die niet in een andere categorie kan worden ondergebracht.
Artikel 5.
Een nieuwe structuur is vastgesteld voor de leesbaarheid en duidelijkheid door een aantal bepalingen per thema uit te splitsen, namelijk:
- Afdeling 1: Vergunningsaanvragen
- Afdeling 2: Behandeling van de vergunningsaanvraag
- Afdeling 3: Verboden en verplichtingen van de vergunningshouder
- Afdeling 4: Bedieningscertificaat en examens
Dit artikel beoogt de invoering van een afdeling 1 gewijd aan de "Vergunningsaanvragen " om elke belanghebbende persoon in staat te stellen om snel de voorwaarden en richtlijnen van toepassing op de afgifte van vergunningen te vinden.
Het nieuwe artikel 5/2 herhaalt de voorwaarden die eerder werden beoogd in artikel 16 van het besluit, dat zelf werd opgeheven krachtens artikel 14 van dit ontwerp, om opgenomen te worden in afdeling 1 en de bijzondere situatie te beogen waarbij een persoon onverwachts in het bezit van een station komt.
Artikel 6.
Dit artikel heft artikel 6 op, want zijn inhoud wordt overgenomen in afdeling 2 betreffende de vergunningsaanvragen door meer operationele flexibiliteit toe te kennen aan het BIPT.
Artikel 7.
Dit artikel beoogt eveneens de lezing van het besluit te verhelderen door een afdeling 2 in te voegen die gewijd is aan de behandeling van de vergunningsaanvraag en door er alle verwante artikelen in samen te voegen.
Om elk risico van verkeerde kenschetsing van de vergunningscategorie weg te nemen, staat dit artikel het BIPT toe om naargelang van de ontvangen aanvraag de relevante vergunningscategorie te bepalen.
Volgend op het advies van de Raad van State wordt het nieuwe artikel 6, § 3, aangevuld om de categorieën van behoeften te bepalen, waarmee het BIPT rekening houdt om de prioritaire dossiers te bepalen. Het komt immers eropaan rekening te houden met de behoeften inzake veiligheid of behoeften van economische aard. Zo zullen op het stuk van grote evenementen, aanvragen die verband houden met de organisatie van de openbare veiligheid bij de behandeling voorrang krijgen op aanvragen in verband met de logistieke organisatie. Zo ook zal de aanvraag van iemand die een groot aantal radio's tegelijkertijd gebruikt, bijvoorbeeld een taxibedrijf, met voorrang worden behandeld ten opzichte van de aanvraag van een gebruiker die slechts één radio gebruikt.
Artikel 6/1 groepeert en verklaart de gevallen van gunning van een roepnaam aangezien deze laatste wordt toegewezen door het BIPT op het moment dat de vergunning wordt uitgereikt.
Dit artikel is gestoeld op het oude artikel 15, § 1 en § 2 van het KB 2009, vervangen door artikel 13 van dit ontwerp.
De samenstelling en gunningsregels worden vastgelegd door het BIPT. Dit laatste kan bijvoorbeeld specifieke formaten voorstellen voor de bijkomende roepnamen die de radioamateurs kunnen vragen. De samenstelling van de roepnamen omvat ook de prefixen en suffixen die moeten worden gebruikt tijdens bepaalde communicatie, overeenkomstig de voorschriften van de ITU en de aanbevelingen van de CEPT.
Ter verheldering preciseert een nieuw artikel 6/2 de mogelijke gevallen waarin een vergunning wordt geweigerd, waardoor de inhoud van het oude artikel 9 wordt opgenomen aangezien die weigering wordt uitgevoerd op het ogenblik dat de gunningsvoorwaarden van een vergunning worden geanalyseerd. Dit artikel voorziet ook in de mogelijkheid voor het BIPT om elke laattijdige aanvraag te weigeren aangezien het moeilijk is om een dergelijke aanvraag binnen korte termijnen te behandelen. Dat is bijvoorbeeld het geval tijdens grote evenementen waarbij vergunningsaanvragen de dag van de gewenste indienststelling zelf of op het ogenblik van een controle binnenkomen.
Artikel 8.
Dit artikel voegt in hetzelfde hoofdstuk II een afdeling 3 in om het besluit nog meer te structureren en de lezing ervan te vergemakkelijken door de gevallen van verbod samen te voegen alsook de verplichtingen.
Artikel 9.
Dit artikel vervolledigt de nieuwe paragraaf 1 van artikel 8 om de verplichting om de vergunningsvoorwaarden na te komen te formuleren aangezien een vergunning inhoudt dat een administratief en technisch dossier moet worden samengesteld om het volgende te verstrekken:
- een officieel materieel bewijs;
- informatie van de houder over de voorwaarden verbonden aan zijn vergunning; en
- documentatie ter attentie van de bevoegde controle-instanties, in hoofdzaak het BIPT.
De nieuwe formulering maakt het ook mogelijk om elk ander document verstrekt bij de gunning te beschouwen, ongeacht of het rechtstreeks werd bezorgd, werd gepubliceerd op internet of beschikbaar is op eenvoudig verzoek.
Het eerste lid van paragraaf 2 wordt opgeheven om het BIPT de nodige flexibiliteit te geven om de structuur, de vorm en de samenstelling van een vergunning te organiseren in het belang van de houders. Het vergunningsformaat wordt niet langer gepreciseerd om elke operationele beperking te vermijden, waaronder de eventuele dematerialisatie ervan en om aldus voor soepelheid en neutraliteit te zorgen bij het gebruik van nieuwe technologieën (stickers, QR-codes, enz.). Zoals gevraagd door de Raad van State, wordt de tekst herzien om minimale regels te behouden inzake samenstelling van de vergunning, met als doel ervoor te zorgen dat er geen verschil in behandeling kan zijn tussen de aanvragers van een vergunning
Paragraaf 3 garandeert dat de vergunning onmiddellijk raadpleegbaar is en in een originele versie wordt voorgelegd bij een controle door de bevoegde autoriteiten. Het is zaak om de authenticiteit van het document te garanderen en om elke vorm van fraude en vertragingsmanoeuvre te vermijden, meer bepaald door gebruikers van privéstations.
Om een zekere soepelheid te brengen in de praktijk krijgt het BIPT de mogelijkheid om het gebruik van een kopie van de vergunning toe te staan in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij een laattijdige aanvraag van een tijdelijke vergunning waarbij via elektronische weg een kopie kan worden toegestuurd bij gebrek aan een redelijke termijn om dit via de post te doen.
Artikel 10.
Artikel 9 wordt vervangen om de verplichtingen te formaliseren die enerzijds de verantwoordelijken van een station beogen, ongeacht of ze houder zijn van een vergunning of niet, en anderzijds de gebruikers van een station.
Deze verplichtingen die gestoeld zijn op het ministerieel besluit van 2001 werden veralgemeend om de controleopdrachten te vergemakkelijken.
Paragraaf 1 bepaalt basisveiligheidsvoorschriften en voorziet in de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder of de verantwoordelijke van het station voor het gebruik van elk type radiocommunicatiestation, met inbegrip van een station dat via het internet werkt.
Paragraaf 2, 1°, legt de voorrangsregels vast tussen de diensten waarvan de statuten verschillen, aangezien een dienst met een primaire status voorrang heeft op een dienst met een secundaire status. In de 70 MHz-band bijvoorbeeld waar professionele toepassingen een dienst met primaire status zijn, moeten radioamateurs die een dienst met secundaire status vormen daarom de voorrang van de eerstgenoemden in acht nemen.
Artikel 11.
Deze bepaling wijzigt artikel 10, paragraaf 1, om de draagwijdte van de gevallen van intrekking of schorsing uit te breiden naar alle vergunningen door de invoering van de bedieningscertificaten.
De gevallen van schorsing of van intrekking worden aangevuld opdat het BIPT zijn facturering op eenvormige wijze kan beheren.
Artikel 12.
Deze bepaling heft artikel 14 op aangezien de inhoud van de eerste paragraaf wordt opgenomen in het nieuwe artikel 5/1 van het KB 2009. Paragraaf 2 verdwijnt om zich af te stemmen op de algemene bepalingen die van toepassing zijn op de minderjarigen wat betreft het sluiten van een contract.
Artikel 13.
Deze bepaling vervangt artikel 15 van het KB 2009. Het principe van toewijzing van een roepnaam aan de stations werd immers verplaatst naar artikel 6/1 van het KB 2009.
Om evenwel elk misbruik te vermijden, legt het nieuwe artikel 15 van het KB op duidelijke wijze de regels vast voor gebruik van de roepnamen voor een internationale oproep en voorziet het in de verplichting om de roepnaam van het station te gebruiken voor de communicatie van de houders van een vergunning van de categorieën 4, 5 en 6.
Artikel 14.
Dit artikel heft artikel 16 op betreffende het onverwachts in bezit komen van een station, dat reeds in het nieuwe artikel 5/2 van het KB 2009 wordt vermeld.
Artikel 15.
Dit artikel voegt een afdeling 4 in samengesteld uit de artikelen 17/1 tot 17/3 die de algemene bepalingen beogen betreffende de bedieningscertificaten en de organisatie van bepaalde geschiktheidsexamens door het BIPT met het oog op de afgifte ervan.
Artikel 17/1 voert het principe van de verplichting in om een bedieningscertificaat te hebben alvorens stations betreffende de 4e categorie (maritiem), de 5e categorie (radioamateurs) en de 6e categorie (luchtvaart) te gebruiken. In deze materie die onderworpen is aan specifieke internationale regels, is het immers zaak om te garanderen dat een persoon waarvan de bekwaamheid werd gecontroleerd, het betrokken station correct gebruikt.
De geldigheid van een bedieningscertificaat is beperkt tot 5 jaar om het gemakkelijker te maken om de lijst van de actieve gebruikers bij te werken alsook hun eventuele persoonsgegevens.
In geval van wijziging van de gegevens, van verlies, van diefstal of van beschadiging van een bedieningscertificaat, moet het Instituut worden ingelicht zodat het een nieuw bedieningscertificaat kan afgeven.
De verschillende klassen van bedieningscertificaten alsook de bepalingen voor de afgifte ervan worden beschreven in de paragrafen 2, 3 en 4 van artikel 17/1.
Paragraaf 2 bepaalt de verschillende gevallen van bedieningscertificaten van de 4e categorie conform de internationale bepalingen die van toepassing zijn op de maritieme radiocommunicatie.
Er wordt een onderscheid gemaakt volgens het type van station dat kan worden gebruikt, de soort van betrokken vaartuig en de zone gedekt door de vergunning.
Het algemene bedieningscertificaat "GOC" heeft het aldus mogelijk gemaakt om elk type van maritiem radiostation aan boord van handelsschepen of pleziervaartuigen te gebruiken in elk bevaarbaar gebied.
Het beperkte bedieningscertificaat "ROC" staat eveneens het gebruik van een maritiem radiostation door handelsschepen of pleziervaartuigen toe, maar enkel in het vaargebied A1 (kustvaart) dat overeenstemt met een door een VHF-walstation gedekte zone.
Het certificaat voor de schepen op de grote vaart, afgekort "LRC", staat op zich toe om elk maritiem radiocommunicatiestation aan boord van handelsschepen of pleziervaartuigen, uitgezonderd de SOLAS-schepen waarvoor bindende internationale bepalingen gelden, te gebruiken.
Het certificaat voor de kustvaartschepen, "SRC", staat het toe om in vaargebied A1 (kustvaart) maritieme radiocommunicatiestations te gebruiken aan boord van handelsschepen of pleziervaartuigen buiten de SOLAS-schepen.
Het beperkte certificaat van radiotelefonist "VHF" maakt het mogelijk alle maritieme radiostations te gebruiken die niet verbonden zijn aan het systeem voor automatische overzending van "GMDSS"-noodberichten. De idee is om te garanderen dat het gebruik van het GMDSS-systeem wordt voorbehouden aan personen die een uitgebreidere kennis hebben en houder zijn van een ander soort van certificaat. Zo sluit dit VHF-certificaat met name het gebruik van VHF-zenders die uitgerust zijn met "digitale selectieve oproep" (DSC of "Digital Selective Calling") en noodbakens (EPIRBs voor "Emergency Position-Indicating Radiobeacon station") uit.
Paragraaf 3 preciseert de verschillende bedieningscertificaten van de 5e categorie (radioamateur) overeenkomstig de normen die zijn aangenomen op het niveau van de CEPT, om een internationale erkenning daarvan mogelijk te maken.
Het klasse A-certificaat beoogt zich te schikken naar de CEPT-aanbeveling TR 61-02 inzake de wederzijdse erkenning van de examens binnen de administraties die deze aanbeveling hebben goedgekeurd. Het staat de uitzending toe met een groot vermogen op alle frequenties die voor radioamateurs zijn toegestaan.
Deze soort van certificaat stelt zijn houder ook in staat om een station te gebruiken in de landen die de aanbeveling TR 61-01 van de CEPT hebben goedgekeurd zonder een specifieke vergunning te moeten vragen.
Het klasse B-certificaat dat voorbehouden is voor nieuwelingen, voldoet aan CEPT-aanbeveling (05)06.
Dit nieuwe type van certificaat is bestemd om de leemte te vullen tussen de huidige A- en C-certificaten en radioamateurs aan te moedigen om hun kennis te ontwikkelen. De houder ervan mag een station gebruiken in de landen die CEPT-aanbeveling (05)06 hebben geratificeerd zonder in die landen een specifieke vergunning te moeten aanvragen.
Het klasse C-certificaat stemt overeen met het basiscertificaat beschreven in het rapport 89 van de CEPT. De houder ervan kan de wereld van de radioamateurs ontdekken via de uitzending op vastgelegde frequentiebanden met een beperkt vermogen.
Er wordt voorzien in de erkenning van de radioamateurexamens die in het buitenland zijn afgelegd, om de naleving van de internationale akkoorden te garanderen, zoals bij de internationale erkenning van de Belgische certificaten.
Er wordt voorzien dat het BIPT als enige bevoegd is om te oordelen over de overeenstemming van de klasse van een bedieningscertificaat en dat het ook de aanvraag mag verwerpen indien de aanvrager niet over de geschikte vaardigheden beschikt of indien de informatie onvolledig, onduidelijk of weinig betrouwbaar is. Indien de informatie wordt meegedeeld in een vreemde taal, kan de vertaling ervan worden geëist, op kosten van de aanvrager.
Aangezien dergelijke akkoorden niet bestaan voor de andere categorieën van bedieningscertificaat, is het dus niet nodig om te voorzien in een dergelijke erkenning van deze laatste.
Er wordt ook voorzien in een bijzondere maatregel die het mogelijk maakt om een bedieningscertificaat van de 5e categorie af te geven op basis van een eerder afgegeven geldige vergunning.
Om het gebruik van luchtvaartstations door personen met de gepaste kennis te garanderen, maakt artikel 17/1, § 4, het onderscheid enerzijds tussen het beperkte bedieningscertificaat voor een luchtvaartstation, officiële benaming door de ITU waarbij de certificaten gehouden door de piloten worden bedoeld, en anderzijds de lagere categorie, namelijk het bedieningscertificaat in de luchtvaart. Ze worden verleend aan houders van een getuigschrift van welslagen voor een overeenstemmend examen en kunnen worden verleend aan zowel vliegpersoneel als aan grondpersoneel dat in contact staat met de controletoren of de luchtvaartuigen. De luchtverkeersleiders worden beoogd in bijlage 2. Ze beschikken over een Europees certificaat en vallen niet onder de 6e categorie voor de uitoefening van hun functie
Het BIPT is op grond van artikel 39, § 5, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie bevoegd verklaard voor de praktische organisatie van de examens. Het kan daarbij zelf examens organiseren ofwel daartoe instanties erkennen, zoals de FOD Mobiliteit en Vervoer of de Belgische Luchtmacht.
Er zal op de opmerking van de Raad van State over de toegankelijkheid van de CEPT-normen geantwoord worden door daarnaar te verwijzen via een vermelding op de website van het BIPT.
Artikel 17/2 bepaalt de voorwaarden voor de organisatie van en deelname aan de examens voor het verkrijgen van een bedieningscertificaat van de 4e categorie en de 5e categorie. Ter herinnering: de geschiktheidsexamens voor de 6e categorie worden georganiseerd door andere instanties zoals de FOD Mobiliteit en Vervoer of de Belgische Luchtmacht.
De radioamateurexamens werden tot nog toe georganiseerd door het BIPT op basis van een ministeriële machtiging, terwijl sinds 2014, artikel 39, § 5, van de wet de Koning machtigt om "het slagen voor een examen op (te) leggen voor het gebruik van bepaalde categorieën van zenders. Hij kan het Instituut delegeren om de voorwaarden en de praktische organisatie van deze examens vast te leggen.". Gelet op deze wettelijke bevoegdverklaring wordt het examenreglement toevertrouwd aan het BIPT en wordt het gepubliceerd op de website van het BIPT.
Het BIPT mag zich voor de examens laten bijstaan door de erkende radioamateurverenigingen. Zij zijn immers al verplicht om specifieke opleidingen te organiseren, en beschikken daardoor over het geschikte materiaal om praktische proeven te organiseren.
De minimumleeftijd om aan het radioamateurexamen deel te nemen, die vroeger vastgesteld was op 13 jaar bij het ministerieel besluit, wordt verlaagd naar 12 jaar, omdat vastgesteld is dat jonge kandidaten in staat waren om voor een examen te slagen.
Artikel 17/3 van het gewijzigde besluit voorziet in de bijzondere bepalingen inzake de examens in geval van mislukking, fraude of pogingen tot fraude.
Artikel 16.
Dit artikel voegt een afdeling 5 in, samengesteld uit de artikelen 17/4 tot 17/8, die de bijzondere bepalingen beogen inzake de 5e categorie betreffende de radioamateurs.
Artikel 17/4, paragraaf 1, bepaalt de voorwaarden opdat elke groepering van radioamateurs van het Instituut de hoedanigheid kan krijgen van erkende radioamateurvereniging. Om elk risico voor willekeur te vermijden, zal nadat de voorwaarden zijn vervuld in termen van representativiteit en verdediging van alle activiteiten die verband houden met de radioamateurs, de vereniging door het Instituut worden erkend. Artikel 39, § 5, van de wet staat het aan de Koning toe om de vaststelling van de voorwaarden en de praktische organisatie van de examens te delegeren aan het Instituut. Het is dan ook noodzakelijk dat het BIPT de voorwaarden met betrekking tot de examens voor de afgifte van bedieningscertificaten van de 5e categorie vaststelt, alsook de voorwaarden waaronder een test van het morsealfabet kan worden georganiseerd.
Een erkende radioamateurvereniging beschikt bij het Instituut over een statuut van bevoorrechte gesprekspartner als voorvechter van alle activiteiten die met radioamateurisme te maken hebben.
Dankzij de verplichte organisatie van opleidingen kan worden gegarandeerd dat deze verenigingen de beoefening van deze hobby aanmoedigen door de kandidaten voor te bereiden op de examens. Iedereen kan deelnemen aan deze opleidingen maar de erkende radioamateurverenigingen mogen verschillende bedragen vragen om hun opleidingen te volgen - hoofdzakelijk op basis van het al dan niet bestaan van een lidmaatschap - zonder daarom meer te vragen dan de werkelijke kosten die worden opgelopen voor de organisatie ervan (administratieve follow-up, terbeschikkingstelling van het materiaal, vergoeding van de lesgever, gebruik van het lokaal, enz.).
De artikelen 17/5 en 17/6 preciseren een aantal bepalingen inzake de vergunningsaanvraag voor de stations van de 5e categorie, respectievelijk voor de natuurlijke en de rechtspersonen.
Van de rechtspersonen kunnen enkel bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk van Belgisch recht die activiteiten in verband met de radioamateurdienst bevorderen een aanvraag indienen voor een vergunning die enkel geldt voor vaste stations. Artikel 17/6, § 4, bepaalt dat hun vaste stations momenteel mogen worden geïnstalleerd op een andere plaats om deel te nemen aan een wedstrijd of aan een gemeenschappelijke activiteit van radioamateurs.
In tegenstelling tot de andere categorieën moet elke aanvrager van een vergunning van een station van de 5e categorie vooraf houder zijn van het gepaste bedieningscertificaat, waardoor kan worden gegarandeerd dat de persoon bevoegd is om het station waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te gebruiken. Deze vereiste wordt eveneens geverifieerd voor de rechtspersonen aangezien ten minste twee mandatarissen houder moeten zijn van een bedieningscertificaat van klasse A.
Een natuurlijke persoon kan één, en slechts één, vergunning verkrijgen - een beetje vreemd - op voorwaarde dat ze tegelijk betrekking heeft op een vast station als op alle mobiele en draagbare stations: dit is bedoeld om het administratieve beheer van het apparatuurpark te vereenvoudigen voor de radioamateur en te vermijden dat hij verscheidene aanvragen moet indienen en herhaalde dossierkosten moet betalen.
Het op afstand bediende station is een nieuwigheid die bestemd is om de radioamateurs die thuis geen station kunnen installeren (bijvoorbeeld om stedenbouwkundige redenen) de kans te geven om een station op een andere plek te installeren, bijvoorbeeld een buitenhuis, en het van thuis uit te bedienen. Voor de natuurlijke personen is dit soort van installatie beperkt tot radioamateurs die houder zijn van een klasse A-bedieningscertificaat (het hoogste), omdat men voor de exploitatie van zo'n installatie een grondige technische kennis moet hebben. Bovendien heeft deze beperking tot doel de radioamateurs aan te moedigen om hun technische kennis te ontwikkelen en zelfs examens van een hoger niveau af te leggen die hun meer mogelijkheden bieden.
Enkel de erkende radioamateurverenigingen en de radioclubs mogen onbemande stations van de 5e categorie opstellen. Het gebruik van dit station wordt gratis aangeboden aan elke radioamateur die houder is van het gepaste bedieningscertificaat. Daartoe haalt artikel 17/6, § 3, de te publiceren specifieke informatie voor dergelijke stations aan, zoals hun activeringsfrequentie, om elke radioamateur, en niet enkel de leden van de vereniging of van de radioclub in staat te stellen om dit station te kunnen gebruiken.
Met uitzondering van de stations die gebruikmaken van het systeem van automatische uitzending via pakketten (APRS), dat het mogelijk maakt de positie van de radioamateurstations uit te zenden of te relayeren, mogen enkel de erkende radioamateurverenigingen en de radioclubs onbemande stations van de 5e categorie opstellen. Het gebruik van dit station wordt gratis aangeboden aan elke radioamateur die houder is van het gepaste bedieningscertificaat. Daartoe haalt artikel 17/6, § 3, de te publiceren specifieke informatie voor dergelijke stations aan, zoals hun activeringsfrequentie, om elke radioamateur, en niet enkel de leden van de vereniging of van de radioclub in staat te stellen om dit station te kunnen gebruiken.
De toegang tot de gebruikte technische normen moet ook gratis zijn om die stations open te stellen voor een maximum aantal radioamateurs.
Zoals aanbevolen door de ITU beperkt artikel 17/7 de radioamateurcommunicatie tot precieze doeleinden en legt het een zekere transparantie op. De communicatie hoeft niet versleuteld te zijn maar te worden verricht in duidelijke taal.
Er wordt een uitzondering gemaakt voor het beheer van de automatische stations en de van op afstand bediende stations, om de mogelijkheid van bediening (uitschakeling van het station, verandering van frequentie, enz.) door onbevoegden te beperken.
Het nieuwe artikel, dat gestoeld is op het ministerieel besluit van 9 januari 2001, voorziet evenwel in uitzonderingen- ten behoeve van de Belgische hulpdiensten: in geval van oefening en bij het uitvallen van de communicatiemiddelen. De radioamateurnetten zullen preventief aangelegd mogen worden, op verzoek van de autoriteiten die bevoegd zijn voor crisisbeheer.
Zoals gevraagd door de Raad van State, worden de regels inzake betalingen verduidelijkt.
Om de gebruikers te identificeren en de regels na te leven die zijn vastgesteld door de ITU en de CEPT voor verbindingen tussen radioamateurs, stelt artikel 17/8, § 1 en § 2, de regels vast voor het gebruik en de transmissie van roepnamen.
Overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de ITU preciseert artikel 17/8, § 3, hoe vaak de roepnaam wordt verzonden, om het zendstation steeds te kunnen identificeren.
Artikel 17.
Dit artikel wijzigt formeel artikel 19 door de Franse versie te wijzigen. Deze wijziging vloeit voort uit de verandering van woordenschat conform artikel 1, 24°.
Artikel 18.
Deze bepaling verduidelijkt artikel 28 wat betreft de tussenkomst van het BIPT, vóór iedere inwerkingstelling, om de staat van kenmerkende gegevens van elk soort van station van een netwerk met gedeelde middelen te bepalen, en niet alleen die van mobiele of draagbare stations. Dit preciseert dat de volledige staat van kenmerkende gegevens van de basisstations wordt bepaald door het Instituut en niet alleen de frequenties. Het doel bestaat erin om elk misbruik te voorkomen.
Artikel 19.
Deze bepaling verduidelijkt artikel 35 betreffende de dossierrechten door daarin de verschillende soorten van aanvraag voor analyse, deelname aan een examen, getuigschrift, certificaat of vergunning op te nemen. Gelet op het werk dat erdoor ontstaat zijn de studies die aan het Instituut worden gevraagd voor de haalbaarheid van een netwerk onderworpen aan een dossierrecht ook wanneer ze niet slagen.
Om de terminologie te uniformiseren wordt overal het woord "dossierrechten" gebruikt.
In het derde lid worden de vermenigvuldigingscoëfficiënten die van toepassing zijn op de op minder dan twintig werkdagen of minder dan vijf werkdagen ingediende aanvragen gewijzigd, om diegene over te nemen waarin aanvankelijk werd voorzien in het oorspronkelijke besluit, namelijk respectievelijk het dubbele of het vijfvoudige. Het gaat erom een einde te stellen aan bepaalde misbruiken die het Instituut heeft vastgesteld na de verlaging van deze coëfficiënten en om de aanvragers ertoe aan te zetten om hun frequentieaanvraag zo snel mogelijk in te dienen en een beter beheer van de aanvragen door het Instituut mogelijk te maken.
Zoals gevraagd door de Raad van State, worden de regels inzake betalingen verduidelijkt.
Er worden twee leden toegevoegd.
Het ene om de gevallen te bundelen waarbij geen dossierrechten worden aangerekend, namelijk enerzijds voor de netwerken met gedeelde middelen (categorie 8b), voordien bedoeld in artikel 39 van het KB 2009 dat opgeheven wordt door artikel 22 van het onderhavige ontwerp, en anderzijds voor de apparatuur aan boord die bedoeld is voor de veiligheid van de scheepvaart om de veiligheidsapparatuur van schepen aan te moedigen.
Het andere lid wordt toegevoegd om te preciseren dat de dossierrechten verschuldigd blijven zelfs bij opzegging van de vergunning voor of na de indienststelling van een station of van een netwerk, alsook in geval van intrekking van een aanvraag voor een vergunning die al dan niet is afgegeven, om de kosten te dekken die het Instituut heeft gemaakt voor het onderzoek.
Artikel 20.
Artikel 37 met betrekking tot het jaarlijkse recht wordt aangevuld met een bepaling die de betaling van dat recht oplegt voor de frequenties die voorbehouden zijn voor de netwerken met gedeelde middelen. Het doel is de dekking te garanderen van de kosten in verband met de beschikbaarstelling van de frequenties en de controle uitgevoerd door het Instituut, om met name te vermijden dat operatoren frequenties gaan hamsteren ten nadele van andere potentiële gebruikers.
Om alle bezwaren te vermijden, legt dit artikel ook uit dat de rechten cumuleren indien eenzelfde station wordt gedekt door verscheidene vergunningen.
Bovendien wordt een aanvullend lid toegevoegd om de apparatuur aan boord die bedoeld is voor de veiligheid van de maritieme en luchtvaartnavigatie vrij te stellen van jaarlijkse rechten, teneinde de veiligheidsapparatuur van zee- en luchtvaartuigen aan te moedigen.
Artikel 21.
Dit artikel heft artikel 38 op waarvan de inhoud wordt verplaatst en voortaan in bijlage 1 vervat zit.
Artikel 22.
Dit artikel heft de artikelen 39 en 40 op die voortaan respectievelijk vervat zijn in artikel 37 en in bijlage 1.
Artikel 23.
Om een eind te maken aan interpretatiemoeilijkheden wijzigt deze bepaling eveneens artikel 41 om een maandelijkse tarifering te vervangen door een tarifering per dag met een minimum van 30 dagen. Er wordt voorzien in een uitzondering op het minimum van 30 dagen bij de wijziging of de vervanging van stations om te vermijden dat de klant tweemaal betaalt voor eenzelfde station.
Artikel 24.
Om de reeds vermelde redenen in artikel 23, wijzigt deze bepaling artikel 42 om een maandelijkse facturering te vervangen door een dagelijkse facturering met een minimum van 30 dagen.
Artikel 25.
De rechtvaardiging van artikel 43 stemt overeen met die van artikel 23.
Artikel 26.
Deze bepaling wijzigt in artikel 44 de maand van indexering die in aanmerking wordt genomen in de berekening van de indexering. Aldus vervangt de maand oktober vanaf nu de maand november zodat het BIPT de betalingen kan factureren en ontvangen voor het einde van het jaar en opdat het zo in voorkomend geval mogelijk wordt om de vergunningen die niet betaald zijn, niet te vernieuwen.
Artikel 27.
Deze bepaling wijzigt artikel 45 van het KB 2009. Artikel 39, § 4, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie stelt de diensten die ressorteren onder de minister van Landsverdediging, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie en de Geallieerde Strijdkrachten enkel nog voor de frequenties die uitsluitend militair zijn of worden gedeeld, vrij van de toepassing van de wetgeving. Deze gebruikers zijn daarom vergunningsplichtig om het gebruik van de frequenties te optimaliseren, maar het was wenselijk dat dit zou gebeuren zonder financiële verplichting.
Artikel 28.
Dit artikel voert een formele wijziging in in de Nederlandse versie van artikel 46 van het KB 2009 om te zorgen voor de coherentie tussen de verschillende taalversies.
Artikel 29.
Deze bepaling heft hoofdstuk VI/1 op van hetzelfde besluit gewijd aan radioamateurs, waarvan alle regels zijn verduidelijkt in de hoofdstukken I, II/2, II/4, III, V, VI en VII.
Artikel 30.
Deze bepaling wijzigt artikel 50/1 om de reikwijdte te preciseren en de veiligheid van de ambtenaren van het BIPT tijdens inspecties te waarborgen, wat mogelijk is via bijvoorbeeld de levering van aangepaste uitrusting bij controles van bepaalde gevaarlijke plekken (kerncentrales, maritiem milieu, enz.).
Artikel 31.
Deze bepaling past de Nederlandse versie van artikel 52 aan om de taalkundige coherentie van de tekst te garanderen.
Artikel 32.
Deze bepaling vervangt bijlage 1 van het KB 2009 om alle door het Instituut te innen bedragen duidelijk voor te stellen.
Het eerste deel van de bijlage is gewijd aan de dossierrechten die bestaan uit ofwel:
- inschrijvingsgeld voor de examens (vroeger vastgesteld in de examenreglementen van het Instituut goedgekeurd door de minister);
- dossierrechten verbonden aan de afgifte van bedieningscertificaten, hetzij uit dossierrechten verbonden aan de afgifte van morsegetuigschriften; of
- rechten in verband met de afgifte van een getuigschrift voor erkende radioamateurvereniging.
De rechten voor de inschrijving voor de verschillende examens zijn bestemd om de kosten te dekken die het Instituut draagt voor de organisatie ervan. De rechten voor de LRC-, ROC- en GOC-examens zijn hoger omdat ze worden georganiseerd in opleidingscentra die over het specifieke materiaal beschikken, maar die enkel beperkte groepen ontvangen. De organisatie van praktische tests vergt ook de verplaatsing van meer personeel.
De rechten die bestemd zijn om de erkenning van een radioamateurvereniging te dekken, die verband houden met de afgifte van de bedieningscertificaten of getuigschriften van het slagen voor een morseproef beogen hetzelfde doel. Ze worden op een voldoende laag niveau gehouden om een gemakkelijke toegang tot de erkenning te verzekeren.
De dossierrechten die de radioamateurs moeten betalen voor de aanvragen van speciale en/of extra roepnamen dekken ook het geleverde werk en zijn belangrijker omdat dit werk aanzienlijker is.
In een tweede hoofdstuk van de bijlage worden de verschillende dossierrechten en jaarlijkse rechten vermeld die verschuldigd zijn per categorie van vergunning bedoeld in artikel 4.
Afdeling 1 geeft de definities die nuttig zijn voor het begrip van de bedragen.
Er kan worden opgemerkt dat voor coëfficiënt "C" het begrip "bezette maximale bandbreedte" in de plaats komt van "bandbreedte", die voordien werd gebruikt, om de controle te vergemakkelijken. De breedte van het toegewezen kanaal is die welke gedefinieerd is door het Instituut en niet die welke effectief gebruikt wordt door de gebruiker. Zo kunnen de frequenties beter beheerd worden. Er worden uitzonderingen op deze breedte van het toegewezen kanaal vastgesteld voor de frequenties tussen 470 en 1000 MHz, draadloze microfoons en in-ear monitoring, waarbij de gebruikte coëfficiënt 1 is ongeacht de gebruikte breedte van het toegewezen kanaal.
Voor microfoons en in-ear monitoring bestond deze uitzondering al. Ze is uitgebreid naar apparatuur die werkt in de 470-1000MHz-band.
Voor de afdelingen 2 en 4 houdt het jaarlijkse recht voortaan niet alleen rekening met een straal van gevraagde dekking die 1 km zou overschrijden, maar ook met het feit dat het gebruik van het netwerk al dan niet beperkt zou zijn tot een welbepaald afgesloten gebied. Door een dergelijke gelijkstelling kan immers worden voorzien in een aanpassing van het recht op grond van de precieze plaats van een netwerk en kan het radiospectrum dus goed worden beheerd.
Afdeling 5 vermeldt de nieuwe categorie van de vergunningen voor maritieme stations die ook de radars omvatten.
Voor de walstations wordt het jaarlijkse recht overeenkomstig de huidige praktijk gelijkgesteld met de rechten voor de 1e of 3e categorie want dergelijke stations vereisen de toewijzing van een precieze frequentie, een verplichting tot coördinatie van deze frequentie en een verplichting tot bescherming van de gebruikte frequentie.
Afdeling 6 stelt de dossierrechten en de jaarlijkse rechten vast voor de vergunningen voor radioamateurstations.
De vermelde bedragen lijken op de bedragen van de vroegere bijlage; ze zijn afgerond, terwijl ook rekening is gehouden met het feit dat een radioamateur die een vergunning heeft ook houder is van een certificaat.
De dossierkosten zijn uitsluitend verhoogd voor de onbemande stations, omdat die een langere en meer ingewikkelde behandeling vragen. Het BIPT moet immers de overige exploitanten van onbemande stations en in voorkomend geval de administraties van de buurlanden raadplegen.
Afdeling 7 betreft de vergunningen in verband met de stations die uitsluitend werken op de luchtvaartfrequenties, die tevens de radars omvatten.
De jaarlijkse rechten vastgesteld in paragraaf 2, zijn redelijk laag omdat deze frequenties uitsluitend aan radiocommunicatie in de luchtvaart voorbehouden zijn en met lage vermogens worden gebruikt. Het is eveneens zaak om de eigenaars van luchtvaartuigen niet te ontmoedigen om voor hun veiligheid zichzelf te voorzien van radiocommunicatie.
Voor de grondstations blijft het systeem ongewijzigd: het jaarlijkse recht wordt gelijkgesteld met de rechten van de 1e of de 3e categorie, omdat dergelijke stations de toewijzing van een precieze frequentie, een verplichting tot coördinatie van deze frequentie en een verplichting tot bescherming van de gebruikte frequentie vereisen.
Afdeling 8 somt de dossierrechten en de jaarlijkse rechten op die verschuldigd zijn voor eenvoudige houdersvergunningen en algemene houdersvergunningen.
In afdeling 9 zijn behalve de vereenvoudiging van de formules de jaarlijkse rechten voor de draagbare en tijdelijke stations van de operatoren van netwerken met gedeelde middelen opgenomen. Voordien stonden ze in het besluit zelf.
Afdeling 10 bevat de dossierrechten die voordien in de categorieën 4 en 6 stonden.
Voor de testvergunningen bedoeld in artikel 9a zijn de rechten niet meer verschuldigd per toestel maar per vergunning om het naar de nieuwe technologieën aan te moedigen.
Voor de radars, buiten de radars in de zee- of luchtvaart, bijvoorbeeld de radars voor snelheidscontrole (punt a) en de weerradars (punt b) werd een specifiek recht gecreëerd.
Artikel 33.
Om dezelfde redenen als diegene die reeds vermeld zijn in artikel 3 van het onderhavige ontwerp, vormt deze bepaling een update van bijlage 2, die de lijst van vrijstellingen van vergunning omvat.
De verwijzing naar artikel 39 van de wet van 13 juni 2005 wordt aangepast in het licht van de laatste wijziging van deze wet door de wet van 31 juli 2017.
In 6° wordt de verplichting om de contacten in een dagboek in te schrijven, opgeheven aangezien het niet langer verplicht is om een dergelijk dagboek te houden.
In de hele bijlage worden, in de Franse versie, de woorden "appareil à courte portée" vervangen door "dispositifs à courte portée".
Alle vermeldingen in verband met het toegestane vermogen en de kanaalafstand worden geschrapt aangezien het een voorrecht is van het Instituut om deze te bepalen.
In 11° wordt de tabel aangepast voor meer duidelijkheid.
In de hele bijlage worden de woorden "die op de Belgische markt toegelaten worden in uitvoering van" vervangen door "conform de bepalingen" aangezien de bedoelde besluiten van de EU van toepassing zijn zonder omzetting in Belgisch recht.
De bepaling onder 19° wordt opgeheven aangezien dat die overlapt met de bepalingen van artikel 33 van het KB 2009.
De bepaling onder 23° breidt de frequentieband die wordt toegewezen aan het intelligente vervoerssysteem dat vrijgesteld is van vergunning uit en breidt deze vrijstelling uit naar het automatische metrosysteem. Deze vrijstelling heeft enkel betrekking op de stations aan boord van voertuigen. Het BIPT is immers van oordeel dat de basisstations altijd het voorwerp moeten uitmaken van een vergunning om storingen onder systemen te beperken.
De bepaling onder 24° voegt een vrijstelling van vergunning toe voor stations alsook een vrijstelling van betaling van kosten en rechten ten gunste van het Instituut in het kader van zijn opdrachten, zodat het deze laatste optimaal kan vervullen.
Bepaling 28° stelt de robotmaaiers die de frequentieband onder 9 kHz gebruiken, vrij van vergunning. Voortaan zijn deze principieel onderworpen aan de wet teneinde de gevolgen van een uitbreiding van de draagwijdte van de wet te vermijden. De applicaties die onder deze frequentieband werken, worden vrijgesteld van vergunning om de status quo ante van hun juridische situatie te garanderen.
Artikel 2 geeft de gevallen van vrijstelling van het bedieningscertificaat van de 4e categorie (maritiem) in uitvoering van de internationale overeenkomsten die België heeft bekrachtigd. Deze vrijstellingen betreffen enkel de houders van certificaten die werden afgegeven door een buitenlandse overheid.
Het nieuwe artikel 3 geeft een vrijstelling van het bedieningscertificaat voor personen die het woord nemen in het kader van activiteiten ter promotie van radioamateurisme naar behoren, want deze zijn gemachtigd. Dat kan bijvoorbeeld de Jamboree on the Air (JOTA - communicatie tussen scoutsleden) zijn of leerlingencontacten met astronauten in het ISS (International Space Station).
Personen die een opleiding volgen om zich voor te bereiden op het radioamateurexamen zijn ook vrijgesteld van het bedieningscertificaat om de voorbereiding van de opgelegde praktische proef te vergemakkelijken. Het is immers zaak om het aanleren van de vaardigheden te verbeteren door om te gaan met de apparatuur.
Artikel 4 verleent vrijstelling van het bedieningscertificaat voor de 6e categorie aan de houders van een certificaat uitgereikt door een buitenlandse overheid in uitvoering van de internationale overeenkomsten die werden bekrachtigd door België alsook aan de luchtverkeersleiders die een specifiek Europees certificaat hebben dat geldig is voor de hele Europese Unie.
Artikel 34.
Deze bepaling heft bepalingen op die achterhaald zijn naar aanleiding van de aanneming van dit besluit, namelijk het besluit van de Regent van 10 januari 1950 tot vaststelling van de taksen van controle en toezicht betreffende de inspectie van de radio-elektrische inrichtingen aan boord van luchtvaartuigen alsook het ministerieel besluit van 9 januari 2001 betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs.
Artikel 35.
Deze bepaling stelt een precieze datum van inwerkingtreding vast om te zorgen voor een snelle update en met name een facturering op 1 januari 2019 van de dossierrechten. Voor de jaarlijkse rechten wordt de inwerkingtreding uitgesteld tot 1 januari 2020, om de overgang op het vlak van de organisatie van het Instituut te vergemakkelijken en om te zorgen voor een opname in de boekhouding vanaf het begin van een kalenderjaar.
Omdat het, wat de militairen betreft, erom gaat te zorgen voor een vrijstelling van betaling van rechten en de continuïteit van hun gebruiksrecht, is het noodzakelijk te waarborgen dat artikel 27 van het onderhavige ontwerp in werking treedt op het ogenblik van de inwerkingtreding (op 22 september 2017) van de wijziging door de wet van 31 juli 2017 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, die de banden die voor niet-exclusief militaire doeleinden worden gebruikt, heeft doen vallen onder het toepassingsgebied van deze wet.
Artikel 36.
Deze bepaling behoeft geen commentaar.
Dit zijn, Sire, de voornaamste bepalingen van het besluit dat aan Uwe Majesteit ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Ik heb de eer te zijn,
Sire,
Van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
De Minister van Telecommunicatie
P. DE BACKER

Raad van State, afdeling Wetgeving
advies 64.497/4 van 28 november 2018 over een ontwerp van koninklijk besluit `houdende wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2009 betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen'
Op 22 oktober 2018 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vice-Eersteminister en Minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post verzocht binnen een termijn van dertig dagen verlengd tot 30 november 2018 *, een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `houdende wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2009 betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen'.
Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 28 november 2018. De kamer was samengesteld uit Martine BAGUET, kamervoorzitter, Bernard BLERO en Wanda VOGEL, staatsraden, Christian BEHRENDT en Jacques ENGLEBERT, assessoren, en Anne-Catherine VAN GEERSDAELE, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Anne VAGMAN, eerste auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Martine BAGUET.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 28 november 2018.
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
VOORAFGAANDE OPMERKINGEN
In verband met de kennisgeving van het ontwerp aan de Europese Commissie, vermeld in het zesde lid van de aanhef, heeft de gemachtigde van de minister erop gewezen dat de status quo periode van drie maanden opgelegd bij richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 `betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij' verstreken is op 15 september 2017 en dat de Belgische Staat geen opmerkingen ontvangen heeft van de Commissie of van de lidstaten.
In die omstandigheden moet ervan uitgegaan worden dat dit vormvereiste vervuld is.
Men zou er goed aan doen de aanhef aan te vullen met hetgeen de gemachtigde van de minister meegedeeld heeft.
ALGEMENE OPMERKINGEN
Bij verscheidene bepalingen van het ontwerp worden aan het BIPT beslissingsbevoegdheden verleend die ofwel van verordenende aard zijn, ofwel aldus gedefinieerd zijn dat niet makkelijk vast te stellen is of ze betrekking hebben op beslissingen die van verordenende dan wel van individuele aard zijn. Het gaat voornamelijk om de volgende bepalingen:
1° het ontworpen artikel 5/1, § 1 (artikel 5 van het ontwerp), waaruit blijkt dat de aanvraag voor een vergunning voor het houden of gebruiken van een radiostation de documenten vereist door het Instituut moet bevatten;
2° het ontworpen artikel 17/1, § 2, tweede lid (artikel 15 van het ontwerp), naar luid waarvan alleen "de examens georganiseerd door het Instituut (...) erkend [worden]";
3° het ontworpen artikel 17/1, § 4, tweede lid (artikel 15 van het ontwerp), waarin bepaald wordt dat het Instituut een organisatie kan erkennen die belast wordt met de organisatie van een categorie examens;1
4° het ontworpen artikel 17/2, § 3, eerste lid (artikel 15 van het ontwerp), dat als volgt luidt: "Het Instituut stelt het examenreglement, met inbegrip van de praktische regeling en de deelnemingsvoorwaarden vast en publiceert deze";
5° het ontworpen artikel 17/4, § 1, 3° (artikel 16 van het ontwerp), waaruit blijkt dat het Instituut de voorwaarden vaststelt betreffende de examens voor de toekenning van de bedieningscertificaten van de 5e categorie;
6° het ontworpen artikel 17/4, § 3 (artikel 16 van het ontwerp), waaruit blijkt dat het Instituut de voorwaarden vaststelt waaronder de erkende radioamateurverenigingen toetsen over de kennis van de morsecode mogen organiseren;2
7° het ontworpen artikel 17/7, tweede lid (artikel 16 van het ontwerp), naar luid waarvan de houder van een vergunning voor een automatisch station of voor een van op afstand bediend station, na toestemming van het Instituut en "onder de voorwaarden vastgesteld door het Instituut", geëncrypteerde berichten mag gebruiken voor het beheer van zijn station;
8° het ontworpen artikel 17/7, derde lid (artikel 16 van het ontwerp), naar luid waarvan de houder van een bedieningscertificaat van de 5e categorie in geval van oefeningen georganiseerd door een Belgische nooddienst, met voorafgaand akkoord en "onder de voorwaarden vastgesteld door het Instituut", mag communiceren over onderwerpen betreffende deze oefeningen;
9° het ontworpen artikel 17/7, vierde lid (artikel 16 van het ontwerp), naar luid waarvan "de houder van een certificaat van de 5e categorie [, in de gevallen die vooraf door het Instituut verduidelijkt zijn,] de Belgische nooddiensten [mag] bijstaan door zijn stations van de 5e categorie in te zetten om het uitvallen van de elektronische communicatie op te vangen";
10° het ontworpen artikel 35, tweede lid (artikel 19 van het ontwerp), naar luid waarvan "[d]e betaling van een dossierrecht gebeurt binnen de termijnen vastgelegd door het Instituut";
11° artikel 23, 1°, van het ontwerp, waaruit blijkt dat het Instituut gemachtigd is een betalingstermijn vast te stellen.
De steller van het ontwerp dient de bepalingen in kwestie aldus te herzien dat duidelijk blijkt van welke aard de bevoegdheid is die op die wijze aan het Instituut verleend wordt, namelijk of het gaat om de bevoegdheid om individuele beslissingen te nemen dan wel om de bevoegdheid verordenende, algemene en abstracte bepalingen vast te stellen.
Daarbij dient de steller van het ontwerp daarenboven rekening te houden met het volgende:
1° behalve voor detailaspecten of voor volstrekt technische aspecten mag aan het BIPT geen enkele verordenende bevoegdheid toegekend worden zonder uitdrukkelijke machtiging vanwege de wetgever. Onder de bepalingen die in de aanhef van het ontworpen besluit opgegeven worden als rechtsgrond van dit besluit stelt in casu alleen artikel 39, § 5, van de wet van 13 juni 2005 `betreffende de elektronische communicatie' de Koning in staat om aan het Instituut een verordenende bevoegdheid te delegeren in verband met "het vastleggen van de voorwaarden" betreffende de examens waarvoor de betrokkenen moeten slagen om bepaalde categorieën van zenders te mogen gebruiken; er dient opgemerkt te worden dat de delegatie die de Koning aldus mag verlenen eveneens betrekking kan hebben op "de praktische organisatie van deze examens";
2° wanneer het de bedoeling is om aan het Instituut een bevoegdheid tot het nemen van individuele beslissingen te verlenen, dient die beslissingsbevoegdheid uitgeoefend te worden met inachtneming van het beginsel van de gelijkheid van alle derden-belanghebbenden: zo bijvoorbeeld zou in het licht van dat beginsel niet aanvaard kunnen worden dat het Instituut geval voor geval zou kunnen beslissen over alle stukken of gegevens die bezorgd moeten worden door elke persoon die een aanvraag doet voor een vergunning voor het houden of gebruiken van een radiostation van categorie X, waarbij het dan vergelijkbare situaties anders zou kunnen behandelen.
Het is dan ook van tweeën één:
1° indien voor de subdelegatie van verordenende bevoegdheid die de steller van het ontwerp aan het BIPT wenst te verlenen geen uitdrukkelijke rechtsgrond te vinden is in een wetsbepaling, dient die subdelegatie vervangen te worden door een subdelegatie van de minister, tenzij de steller van het ontwerp kan bewijzen dat die subdelegatie betrekking heeft op detailaspecten of volstrekt technische aspecten; een andere oplossing zou erin kunnen bestaan de regels in kwestie in het ontworpen besluit zelf op te nemen;
2° indien de subdelegatie die aan het Instituut verleend wordt betrekking heeft op de bevoegdheid individuele beslissingen te nemen, dient de aldus toegekende bevoegdheid, op grond waarvan geval voor geval uitspraak gedaan kan worden, uitgeoefend te worden met inachtneming van het beginsel van de gelijkheid van de betrokken derden; wat dat betreft zou het ontworpen besluit, met het oog op een betere inachtneming van dat beginsel, aldus aangevuld moeten worden dat daarin het kader geschapen wordt waarbinnen het Instituut zijn bevoegdheid moet uitoefenen, door de algemene en abstracte regels ter zake te bepalen waarbij de criteria worden vastgesteld die dat Instituut moet gebruiken. De betreffende bevoegdheid kan ook aan de minister worden gedelegeerd. Hoe dan ook kan aan het BIPT in voorkomend geval slechts een verordenende bevoegdheid opgedragen worden op de voorwaarden vermeld in voorgaand punt 1°.
De ontworpen tekst moet in het licht van deze opmerkingen herzien worden.
BIJZONDERE OPMERKINGEN
AANHEF
1. Het eerste lid dient als volgt gesteld te worden:
"Gelet op de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, artikel 13/1, § 2, ingevoegd bij de wet van 31 juli 2017, artikel 16, artikel 39, § 2, gewijzigd bij de wet van 31 juli 2017, § 3, gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006, en § 5, ingevoegd bij de wet van 27 maart 2014, artikel 42, § 6, en artikel 43, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 25 april 2007;".
2. Volgens de informatie en de stukken die door de gemachtigde van de minister bezorgd zijn, dateert het officiële voorstel van het BIPT, waarnaar in het derde lid verwezen wordt, niet van 15 februari 2017, maar is dat voorstel vervat in een brief van 24 oktober 2018, die de gemachtigde van de minister aan de afdeling Wetgeving overgezonden heeft.
Het derde lid moet aldus herzien worden dat daarin de datum van het officiële voorstel van het BIPT vermeld wordt.
3. De aanhef dient aangevuld te worden met de vermelding van de besluiten die opgeheven worden bij artikel 34 van het ontwerp.
DISPOSITIEF
Artikel 5
In het ontworpen artikel 5/1, § 3, tweede lid, moet de verwijzing verbeterd worden.
Artikel 7
Volgens het ontworpen artikel 6, § 3, kan het Instituut, wanneer technische moeilijkheden beletten alle aanvragen om vergunningen in te willigen, prioriteiten vastleggen "naargelang van de behoeften".
De ontworpen tekst dient aldus aangevuld te worden dat bepaald wordt welke soorten behoeften daarmee bedoeld worden en het verslag aan de Koning moet aangevuld worden met enkele duidelijke voorbeelden3.
Artikel 9
Volgens het verslag aan de Koning wordt, in paragraaf 2 van het te wijzigen artikel 8, het eerste lid opgeheven "om het BIPT de nodige flexibiliteit te geven om de structuur, de vorm en de samenstelling van een vergunning te organiseren in het belang van de houders. Het vergunningsformaat wordt niet langer gepreciseerd om elke operationele beperking te vermijden, waaronder de eventuele dematerialisatie ervan en om aldus voor soepelheid en neutraliteit te zorgen bij het gebruik van nieuwe technologieën (stickers, QR-codes, enz.)".
Daar de op te heffen bepaling betrekking heeft op hetgeen de vergunning minstens moet bevatten, wordt met de in het vooruitzicht gestelde opheffing aldus, niet alleen met betrekking tot vormelijke maar ook met betrekking tot inhoudelijke voorwaarden aan het BIPT een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid gelaten. Dat die bepaling opgeheven zou worden, zou dan ook kunnen leiden tot moeilijkheden met betrekking tot het in acht nemen van het beginsel van de gelijkheid van de onderscheiden aanvragers van een vergunning.
De ontworpen tekst dient aldus herzien te worden dat daarin de minimale regels inzake de samenstelling van het dossier bepaald worden teneinde te garanderen dat de ene vergunningsaanvrager niet gediscrimineerd wordt ten opzichte van de andere.
Artikel 15
1. In het ontworpen artikel 17/1, § 3, wordt verwezen naar aanbevelingen van de CEPT en naar het "rapport 89" van die Conferentie.
Aangezien die verwijzingen verband houden met de inhoud van de certificaten die met toepassing van het ontworpen besluit afgegeven zullen worden, hebben de aanbevelingen en het rapport waarnaar aldus verwezen wordt verordenende waarde.
De steller van het ontwerp dient er dan ook op toe te zien dat de teksten in kwestie voldoende toegankelijk zijn en het voldoende duidelijk is om welke teksten het juist gaat.
2. In het ontworpen artikel 17/3, § 1, schrijve men "maand" in plaats van "kalendermaand".
Artikel 19
De eerste nummering "3° " moet vervangen worden door de nummering "1° ".
De griffier,
Anne-Catherine VAN GEERSDAELE
De voorzitter,
Martine BAGUET
_______
Nota's
(1) Zie, wat dit punt betreft, evenwel de bijzondere opmerking die verderop in dit advies bij die bepaling gemaakt wordt.
(2) Zie, wat dit punt betreft, evenwel de bijzondere opmerking die verderop in dit advies bij die bepaling gemaakt wordt.
(3) Zie in dat verband advies 47.079/4, dat op 16 september 2009 gegeven is over een ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 18 december 2009 `betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen', de opmerking die daarin gemaakt is bij artikel 6 van het toenmalige ontwerp, http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/47079.pdf.

14 DECEMBER 2018. - Koninklijk besluit houdende wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2009 betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, de artikelen 13/1, § 2, ingevoegd bij de wet van 31 juli 2017, 16, 39, § 2, gewijzigd bij de wet van 31 juli 2017, § 3, gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006, en § 5, ingevoegd bij de wet van 27 maart 2014, 42, § 6, en 43, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 25 april 2007;
Gelet op het besluit van de Regent van 10 januari 1950 tot vaststelling van de taksen van controle en toezicht betreffende de inspectie van de radio-electrische inrichtingen aan boord van luchtvaartuigen;
Gelet op het koninklijk besluit van 18 december 2009 betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen;
Gelet op het ministerieel besluit van 9 januari 2001 betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs.
Gelet op het voorstel van 24 oktober 2018 van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 2 mei 2018;
Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 9 juli 2018;
Gelet op de notificatie van 14 juni 2017 aan de Europese Commissie gedaan in toepassing van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij en op het ontbreken van opmerkingen binnen de toebedeelde termijnen;
Gelet op het overleg met en het advies van de Gemeenschappen;
Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
Gelet op advies 64.497/4 van de Raad van State, gegeven op 28 november 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post en op advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 december 2009 betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 12°, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden "van een radiostation" worden opgeheven;
b) de woorden "die het Instituut aan dit radiostation toekent teneinde de identificatie ervan mogelijk te maken" worden vervangen door de woorden "die de identificatie van een radiostation of van zijn gebruiker mogelijk maakt";
2° de bepaling onder 24° wordt vervangen als volgt:
"24° korteafstandsapparatuur: elk zendtoestel voor radiocommunicatie zoals gedefinieerd in artikel 2, 35°, van de wet, dat communicatie in één of twee richtingen verzorgt op een korte afstand en met een laag vermogensniveau;";
3° artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 29° en 30°, luidende:
"29° CEPT: de "Conférence Européenne des administrations des Postes et Télécommunications" of Europese Conferentie van de administraties van Posterijen en Telecommunicatie, waarvan het Europese Comité voor radiocommunicatie, "European Radiocommunications Committee" genaamd en afgekort "ERC" deel uitmaakt, alsook het Comité van elektronische communicatie, "Electronic Communications Committee" genaamd en afgekort "ECC";
30° walstation: elk station dat opgesteld is op het vasteland of op een permanent vastgemeerd schip en dat op maritieme frequenties werkt;".
Art. 2. In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "39, § 1," vervangen door het woord "39";
2° in het tweede lid worden de woorden "Dit besluit, behoudens artikel 3, is niet van toepassing op de radio- en televisieomroepstations noch" vervangen door de woorden "In afwijking van het eerste lid zijn enkel de artikelen 3, 50/1, 51 en 52 van toepassing op de radio- en televisieomroepstations en";
3° het derde lid wordt opgeheven;
4° het vierde lid wordt vervangen als volgt:
"In afwijking van het koninklijk besluit van 16 april 1998 betreffende de satellietgrondstations, is dit besluit van toepassing op de stations bestemd voor communicatie met een of meer ruimtestations wanneer deze geklasseerd zijn in de categorieën 4, 5 of 6 bedoeld in artikel 4.".
Art. 3. In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de woorden "niet de vergunning bedoeld in artikel 39, § 1," vervangen door de woorden "geen vergunning op basis van artikel 39 of geen gebruiksrecht op basis van artikel 18".
Art. 4. In artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 3° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder a), worden de woorden "die van een" vervangen door de woorden "die uitsluitend";
b) de bepaling onder b) wordt aangevuld met de woorden "alsook de openbaarvervoermaatschappijen";
c) de bepaling onder c) wordt vervangen als volgt:
"c) de ziekenhuizen en klinieken;";
d) in de bepaling onder d) worden de woorden "hetzij met zuiver humanitaire doeleinden, hetzij zonder winstoogmerk" vervangen door de woorden "met zuiver humanitaire doeleinden en zonder winstoogmerk";
2° in de bepaling onder 4°, worden de woorden "zoals bedoeld in artikel 33, § 2 van de wet" vervangen door de woorden "die op frequenties werken, die voorbehouden zijn voor de zeevaart en binnenscheepvaart, alsook de radars en geassocieerde noodbakens";
3° in de bepaling onder 6° worden de woorden "andere private radionetten of radiostations die niet onder een van de voorgaande categorieën vallen zoals, onder meer, demonstratiemodellen, testen en beproeven van radiogolven" vervangen door de woorden "private radiostations die op frequenties werken, die voorbehouden zijn voor de luchtvaart, alsook de radars en geassocieerde noodbakens";
4° in de bepaling onder 7° worden de woorden "algemene en individuele houdersvergunningen;" vervangen door de woorden "algemene houdersvergunningen of individuele houdersvergunningen;";
5° het artikel wordt aangevuld met de bepaling onder 9°, luidende:
"9° 9de categorie: vergunningen met betrekking tot private radionetten of -stations:
a) gebruikt voor proeven of tests; of
b) die toestellen beoogd in artikel 33, § 2, van de wet gebruiken; of
c) die radars gebruiken die niet tot andere categorieën behoren; of
d) die tot geen enkele andere categorie behoren.".
Art. 5. In hoofdstuk II van hetzelfde besluit, wordt een afdeling 1 ingevoegd, die de artikelen 5/1 en 5/2 bevat, luidende:
"Afdeling 1. Vergunningsaanvraag
Art. 5/1. § 1. Behalve in de gevallen bedoeld in bijlage 2, dient elke persoon die een radiostation wenst te houden of te gebruiken een voorafgaande aanvraag voor een vergunning in bij het Instituut.
§ 2. Het Instituut kan alle bijkomende informatie opvragen om de vergunningsaanvraag aan te vullen of te preciseren en de antwoordtermijn ervan bepalen.
Bij het niet-bezorgen van de gevraagde informatie binnen de termijn vastgelegd door het Instituut wordt de aanvraag onontvankelijk.
§ 3. De vergunningen, met uitzondering van de individuele houdersvergunningen en van de bedieningscertificaten, worden uitsluitend aan aan natuurlijke personen ouder dan 18 jaar of aan rechtspersonen verleend.
In afwijking van het eerste lid, kan een vergunning betreffende een station van de 5e categorie worden verleend aan natuurlijke personen ouder dan 12 jaar.
Art. 5/2. Al wie onverwachts in het bezit komt van een radiostation of een radionetwerk zonder persoonlijk gemachtigd te zijn het te houden of het te gebruiken beschikt, vanaf het ogenblik dat het houden aanvangt, over een maximumtermijn van zestig dagen om een vergunning aan te vragen om dit radiostation te houden en te gebruiken, ofwel enkel een houdersvergunning.
Wanneer de onverwachte inbezittreding evenwel voortspruit uit het overlijden, het faillissement of een wijziging van de vorm of de firmanaam van de persoon die vroeger gemachtigd was het bedoelde private radionet te doen werken en dit netwerk niet inactief kan blijven zonder de bedrijvigheid waarvan het de uitoefening vergemakkelijkt ernstig te schaden, mogen de private radiostations voorlopig in dienst worden gehouden op basis van de vergunning die aan de vroegere exploitant werd afgegeven, voor zover:
1° de regularisatie door de nieuwe exploitant binnen de termijn vermeld in het eerste lid wordt aangevraagd; en
2° de voorwaarden van de bestaande vergunning gedurende de tussentijdse periode nageleefd worden.
Art. 6. Artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 15 juli 2013, wordt opgeheven.
Art. 7. In hetzelfde hoofdstuk II van hetzelfde besluit, wordt een afdeling 2 ingevoegd, die artikelen 6 bevat, zoals de artikelen 6/1 tot 6/12 bevat, luidende:
"Afdeling 2. - Behandeling van de vergunningsaanvraag
Art. 6. § 1. Het Instituut onderzoekt de aanvragen voor vergunning om een privaat radiostation te houden en te gebruiken of om een privaat radionet aan te leggen en te doen werken.
Het bepaalt de categorie waaronder de vergunning valt.
§ 2. In voorkomend geval ontvangt de aanvrager een vergunning voor beproeving en voorlopig houden van een privaat radiostation.
Deze vergunning staat hem toe een voor zijn behoeften aangepast privaat radiostation te beproeven voor een beperkte geldigheidsduur.
Deze vergunning is niet onderworpen aan het jaarlijks recht bedoeld in artikel 37.
§ 3. Wanneer technische moeilijkheden beletten alle aanvragen om vergunningen in te willigen kan het Instituut prioriteiten vastleggen naargelang van de behoeften inzake veiligheid of de behoeften van economische aard.
Art. 6/1. § 1. Het Instituut kent een roepnaam toe in de volgende hypotheses:
1° per privaat radiostation dat internationale gesprekken doet;
2° per radiostation dat onder de 4e of de 6e categorie valt;
3° per radiostation van een rechtspersoon dat onder de 5e categorie valt, wanneer dit eigendom is van een rechtspersoon;
4° per houder van een bedieningcertificaat van de 5e categorie.
§ 2. Extra roepnamen kunnen worden gevraagd voor een bedienningscertificaat van de 5e categorie of een station van de 5e categorie.
§ 3. Het Instituut bepaalt, overeenkomstig de internationale regels, de samenstelling van de roepnamen en de regels voor toewijzing ervan.
Het Instituut kan een roepnaam op elk moment wijzigen zonder dat enige schadeloosstelling kan worden geëist.
Art. 6/2. Het Instituut kan het verzoek om een vergunning afwijzen wanneer:
1° een vergunning die afgegeven is aan de aanvrager het voorwerp heeft uitgemaakt van een eerdere schorsing of intrekking; of
2° de aanvrager de bedragen verschuldigd op basis van de artikelen 35 of 37, volledig of gedeeltelijk, niet heeft betaald; of
3° de aanvraag minder dan twee werkdagen voor de gewenste datum van gebruik van de stations ingediend wordt.".
Art. 8. In hetzelfde hoofdstuk II van hetzelfde besluit, wordt een afdeling 3 ingevoegd, die artikelen 7 tot 17 bevat, geheten "Afdeling 3. Verbodsbepalingen en verplichtingen van de houder".
Art. 9. In artikel 8 van hetzelfde besluit, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1, opgeheven bij het koninklijk besluit van 15 juli 2013, wordt hersteld als volgt:
" § 1. De vergunninghouder neemt alle voorwaarden die zijn vastgesteld voor zijn vergunning en in de daaraan toegevoegde documenten in acht, met inbegrip van de staat van kenmerkende gegevens van het betrokken station.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de bepalingen onder 2° en 3° opgeheven;
3° in paragraaf 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in het eerste lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a 1) de woorden "Zij wordt getoond" worden vervangen door de woorden "Zij wordt onmiddellijk en in haar originele versie getoond";
a 2) het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin: "Zonder voorafgaand en schriftelijk akkoord van het Instituut is elke kopie van het origineel document zonder waarde.";
b) in het tweede lid worden de woorden ", eventueel na onderzoek van de aangevoerde omstandigheden, door een vergunning met een ander uniek identificatienummer" opgeheven.
Art. 10. Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
"Art. 9. § 1. Voor elk radiostation is de houder van de desbetreffende vergunning of zijn verantwoordelijke verplicht om:
1° alle nodige maatregelen te nemen, om het gebruik van het betreffende station door onbevoegden te voorkomen;
2° de verantwoordelijkheid te dragen voor elk gebruik van het betrokken station;
3° na te gaan dat de gebruiker van het betreffende station wel houder is van een passend bedieningscertificaat indien het is vereist;
4° alle nodige maatregelen te nemen om de uitzendingen van het betreffende station te kunnen stoppen op verzoek van de bevoegde controleoverheden;
5° elke derde bij wie het station is geïnstalleerd te informeren over zijn verplichting bepaald in paragraaf 3.
§ 2. De gebruiker van een radiostation:
1° geeft in alle omstandigheden voorrang aan de diensten met primaire status voor de uitzendingen op frequenties waarop de dienst een secundaire status heeft;
2° zorgt ervoor dat hij beschikt over de voorafgaande schriftelijke toestemming van de boordcommandant om van een ship of een luchtvaartuig uit te zenden en over diens verbintenis om controleoverheden toegang te verlenen tot het station in kwestie, waarbij hij hun veiligheid garandeert.
§ 3. Wanneer een radiostation bij een derde is geïnstalleerd, geeft de derde een permanente toegang tot het station aan de bevoegde controleoverheden, waarbij hij hun veiligheid garandeert.".
Art. 11. In artikel 10, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "de vergunning van een privaat radiostation" worden vervangen door de woorden "een vergunning";
2° in de bepaling onder 3° worden de woorden "van artikel 35 of" ingevoegd tussen de woorden "bij toepassing" en de woorden "van artikel 37".
Art. 12. Artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 15 juli 2013, wordt opgeheven.
Art. 13. Artikel 15 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 15 juli 2013, wordt vervangen als volgt:
"Art. 15. De roepnaam van een privaat radiostation bedoeld in artikel 6/1, 1°, wordt gebruikt voor elke internationale oproep van dit radiostation, met uitsluiting van elke andere benaming of andere roepnaam.
Voor de 4e of 6e categorieën wordt de roepnaam van het station gebruikt voor elke communicatie.
Voor de 5e categorie is het gebruik van de roepnaam onderworpen aan artikel 17/8.".
Art. 14. Artikel 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 15 juli 2013, wordt opgeheven;
Art. 15. In hoofdstuk II van hetzelfde besluit, wordt een afdeling 4 ingevoegd, die artikelen 17/1 tot 17/3 bevat, luidende:
"Afdeling 4. - Bedieningscertificaten en examens
Onderafdeling 1. - Bedieningscertificaten
Art. 17/1. § 1. Het gebruik van een radiostation van de 4e, 5e of 6e categorie vereist de hoedanigheid van houder van het gepaste bedieningscertificaat.
Een bedieningscertificaat is vijf jaar geldig vanaf de datum van afgifte en is verlengbaar.
De bedieningscertificaten van de 4e of 6e categorie afgegeven zonder vermelding van een vervaldatum, blijven geldig tot ze vervangen worden wegens wijziging van gegevens of verlies.
In geval van wijziging van de gegevens, van verlies, van diefstal of van beschadiging van een bedieningcertificaat, moet het Instituut worden geïnformeerd en moet een nieuw bedieningscertificaat worden aangevraagd.
Bij gebrek aan melding wordt het bedieningscertificaat als onbestaande beschouwd.
§ 2. Voor de 4e categorie zijn de klassen van bedieningscertificaten de volgende:
1° het algemene bedieningscertificaat, afgekort "GOC", dat toestaat elk station van de 4e categorie te gebruiken; of
2° het beperkte bedieningscertificaat, afgekort "ROC", dat toestaat een station van de 4e categorie in vaargebied A1 (kustvaart) te gebruiken; of
3° het certificaat voor schepen op de grote vaart, afgekort "LRC", dat toestaat elk station van de 4e categorie aan boord van handelsschepen of pleziervaartuigen te gebruiken buiten de SOLAS-schepen (voor "Safety of Life At Sea"); of
4° het certificaat voor kustvaartschepen, afgekort "SRC", dat toestaat in vaargebied A1 (kustvaart) stations van de 4e categorie te gebruiken aan boord van handelsschepen of pleziervaartuigen buiten de SOLAS-schepen; of
5° het beperkte certificaat van radiotelefonist, afgekort "VHF", dat toestaat elk station van de 4e categorie te gebruiken dat geen gebruik kan maken van het systeem voor automatische transmissie van "GMDSS"-noodberichten (voor "Global Maritime Distress and Safety System").
Het Instituut geeft een bedieningscertificaat bedoeld in het eerste lid af aan fysieke personen ouder dan 15 jaar op basis van het met succes afgelegde examen bij het Instituut of een door het Instituut erkende organisatie.
§ 3. Voor de 5e categorie zijn de klassen van bedieningscertificaten de volgende:
1° het klasse A-bedieningscertificaat dat overeenstemt met het geharmoniseerde certificaat voor het "HAREC"-radioamateurexamen, dat wordt beschreven in de T/R 61-02-aanbeveling van de CEPT betreffende het certificaat voor geharmoniseerd radioamateurexamen, en dat wordt beschouwd als zijnde de hoogste vergunning bedoeld in artikel 34, eerste lid, 2°, van de wet; of
2° het klasse B-bedieningscertificaat dat overeenstemt met het beginnerscertificaat bedoeld in aanbeveling ECC (05)06 van de CEPT betreffende de radioamateurvergunning voor beginnelingen; of
3° het klasse C-bedieningscertificaat dat overeenstemt met het basiscertificaat bedoeld in het rapport 89 van het ECC, betreffende een radioamateurexamen en -vergunning op instapniveau.
Het Instituut geeft een natuurlijke persoon ouder dan 12 jaar een bedieningscertificaat bedoeld in het eerste lid in de volgende hypotheses:
1° op basis van een met succes afgelegd examen georganiseerd door het Instituut; of
2° op basis van een met succes afgelegd examen afgelegd in het buitenland; of
3° op basis van een Belgische vergunning van de 5e categorie verkregen vóór 1 januari 2019.
Voor de afgifte van een bedieningscertificaat beoogd in het tweede lid, 2°, bepaalt het Instituut de klasse van het bedieningscertificaat of weigert het de aanvraag.
Daartoe kan het alle nuttige informatie opvragen en eventueel de vertaling van die informatie door een beëdigd vertaler. De opgelopen kosten komen ten laste van de aanvrager.
§ 4. Voor de 6e categorie zijn de klassen van bedieningscertificaten de volgende:
1° een beperkt bedieningscertificaat voor luchtvaartstations; of
2° een bedieningscertificaat voor de luchtvaart.
Het Instituut geeft aan een natuurlijke persoon die ouder is dan 15 jaar, een in het eerste lid bedoeld bedieningscertificaat af op basis van het niveau van het examen dat met succes afgelegd is bij het Instituut of bij een door het Instituut erkende organisatie.
Onderafdeling 2. Examens
Art. 17/2. § 1. Het Instituut organiseert de examens in verband met de toekenning van de bedieningscertificaten voor de 4e en de 5e categorie overeenkomstig de van kracht zijnde internationale akkoorden.
§ 2. Voor de organisatie van de in paragraaf 1 bedoelde examens kan het Instituut zich laten bijstaan:
1° door centra voor radiomaritieme opleiding die het erkent voor de bedieningscertificaten van de 4e categorie;
2° door de erkende radioamateurverenigingen bedoeld in artikel 17/4 voor de bedieningscertificaten van de 5e categorie.
§ 3. Het Instituut stelt het examenreglement, met inbegrip van de praktische regeling en de deelnemingsvoorwaarden vast en publiceert deze.
De minimumleeftijd voor deelname bedraagt:
1° 15 jaar voor de bedieningscertificaten van de 4e categorie;
2° 12 jaar voor de bedieningscertificaten van de 5e categorie.
Er wordt geen vrijstelling van examenstof verleend.
§ 4. Voor mindervalide kandidaten kan het Instituut een examen organiseren dat aangepast is aan hun fysieke toestand. Het examen kan in België ten huize van de kandidaat worden afgenomen indien deze het bewijs levert van een vermindering van zelfredzaamheid met ten minste twaalf punten of indien deze een geneeskundig attest indient waaruit blijkt dat hij in de bestendige en volstrekte onmogelijkheid verkeert zich buiten zijn woning te verplaatsen zonder de hulp van een derde.
Indien het Instituut, in het in het eerste lid bedoelde geval, vaststelt dat de ingediende documenten vals zijn, komen de kosten die het heeft gedragen voor de organisatie van het examen ten huize van de kandidaat ten laste van deze laatste.
Art. 17/3. § 1. Wie voor een examen zakt, mag zich na een termijn van een maand vanaf de datum van het examen opnieuw inschrijven voor datzelfde examen.
§ 2. Van elke aan bedrog of poging tot bedrog schuldig bevonden kandidaat wordt het examen nietig verklaard en deze kandidaat mag gedurende de volgende periode van drie jaar geen door het Instituut georganiseerd examen meer afleggen. De nietigheid van een examen brengt de intrekking van alle certificaten en vergunningen die op het nietig verklaarde examen gebaseerd zijn met zich
Art. 16. In hoofdstuk II van hetzelfde besluit, wordt een afdeling 4 ingevoegd, die artikelen 17/4 tot 17/8 bevat, luidende:
"Afdeling 5. - Aanvullende bepalingen van toepassing op de vergunningen van de 5e categorie
Onderafdeling 1. - Erkende radioamateurverenigingen
Art. 17/4. § 1. Het Instituut geeft een document af dat de hoedanigheid van erkende radioamateurvereniging attesteert aan elke groepering die houders van een certificaat van de 5e categorie en/of radioclubs omvat en opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht, die daarom verzoekt en voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° de statuten tonen aan dat het maatschappelijk doel bestaat uit de verdediging en bevordering van alle activiteiten die verband houden met de 5e categorie ;
2° de groepering beschikt over vaste radiostations van de 5e categorie in ten minste vijf Belgische provincies ofwel in vier Belgische provincies en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
3° de groepering organiseert alle opleidingen van de kandidaten voor de examens voor de toekenning van de bedieningscertificaten van de 5e categorie, waarvan de voorwaarden worden vastgesteld door het Instituut. Deze opleidingen zijn toegankelijk zonder voorafgaand lidmaatschap. Indien de kandidaat geen lid is, mogen de kosten voor de opleiding niet hoger zijn dan de werkelijke kosten beoordeeld op basis van de totale opgelopen kosten gedurende een jaar en op het totale aantal studenten tijdens datzelfde jaar;
4° ten minste twee van de gevolmachtigden die de groepering vertegenwoordigen zijn houder van een bedieningscertificaat van klasse A bedoeld in artikel 17/1, § 3, eerste lid, 1°.
§ 2. Bij niet-naleving van de opgelegde voorwaarden, kan het Instituut de erkenning intrekken.
Het Instituut publiceert de lijst van de erkende verenigingen.
§ 3. De erkende radioamateurverenigingen mogen toetsen organiseren over de kennis van morsecode onder de voorwaarden die door het Instituut worden vastgesteld. Op basis van deze toetsen levert het Instituut een attest af inzake kennis van morsecode.
Onderafdeling 2. - Vergunningsaanvraag
Art. 17/5. Elke natuurlijke persoon die een vergunning aanvraagt voor een station van de 5e categorie is voorafgaand houder van een bedieningscertificaat dat het gebruik van het betrokken station toestaat.
De aanvragende natuurlijke persoon kan een aanvraag doen voor:
1° een vergunning die één enkel vast station, alsook een mobiel station en een draagbaar station dekt;
2° een vergunning voor een bijkomend vast, mobiel of draagbaar station.
De aanvraag mag betrekking hebben op een van op afstand bediend radioamateurstation voor zover de aanvrager houder is van een klasse A-bedieningscertificaat bedoeld in artikel 17/1, § 3, eerste lid, 1°, en hij het station gebruikt van op het Belgische grondgebied.
Met uitzondering van het systeem van automatische uitzending via pakketten (APRS) mag de aanvraag geen betrekking hebben op een onbemand radioamateurstation dat bestaat uit een vast station dat een ontvangen signaal weer uitzendt of een signaal continu uitzendt zonder de fysieke aanwezigheid van een gebruiker.
Art. 17/6. § 1. Een vergunningsaanvraag die namens een rechtspersoon wordt geformuleerd, wordt ingediend ofwel door een erkende radioamateurvereniging, ofwel door een radioclub die opgericht is in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht met het oogmerk de activiteiten die verband houden met de 5e categorie te bevorderen. In beide gevallen zijn ten minste twee gevolmachtigden houder van een klasse A-bedieningscertificaat bedoeld in artikel 17/1, § 3, eerste lid, 1°.
§ 2. In geval van een aanvraag geformuleerd door een rechtspersoon, heeft de aanvraag betrekking op een vergunning voor een vast station, met inbegrip van een van op het Belgische grondgebied van op een afstand bediend radioamateurstation en een onbemand radioamateurstation.
§ 3. In geval van een onbemand radioamateurstation staat de houder het aan elke houder van een bedieningscertificaat van de 5e categorie toe om dat station gratis te gebruiken. De technische normen voor de toegang tot dit station worden gepubliceerd op de website van het Instituut en de inhoud ervan moet gratis beschikbaar zijn.
§ 4. Een erkende radioamateurvereniging of een radioclub mag, na het Instituut vooraf daarover te hebben ingelicht, haar/zijn vaste station gedurende maximaal een week verplaatsen om deel te nemen aan een wedstrijd of een collectieve radioamateuractiviteit. In dat geval is geen enkele aanpassing van de vergunning nodig.
Onderafdeling 3. Verbodsbepalingen en verplichtingen
Art. 17/7. Het radiostation van de 5e categorie wordt gebruikt voor de uitzending in duidelijke taal van informatie over technische onderzoekingen en onderwerpen die daarmee verband houden.
Na toestemming van het Instituut, mag de houder van een vergunning voor een automatisch station of voor een van op afstand bediend station geëncrypteerde berichten gebruiken voor het beheer van zijn station.
In geval van oefeningen, georganiseerd door een Belgische nooddienst, kan de houder van een bedieningscertificaat van de 5e categorie, met voorafgaand akkoord van het Instituut, communiceren over onderwerpen betreffende deze oefeningen.
Op verzoek van de autoriteiten die bevoegd zijn voor crisisbeheer, mag de houder van een certificaat van de 5e categorie de Belgische nooddiensten bijstaan door zijn stations van de 5e categorie in te zetten om het uitvallen van de elektronische communicatie op te vangen. Daarbij mag hij met name:
1° geëncrypteerde of gecodeerde berichten verzenden;
2° gebruikmaken van elk station van de 5e categorie, met de toestemming van de houder van de vergunning van het betrokken station; en
3° communiceren over onderwerpen met betrekking tot de activiteiten van de nooddiensten.
Art. 17/8. § 1. Voor een station van de 5e categorie gebruikt de gebruiker de roepnaam die verbonden is aan zijn bedieningscertificaat of aan de vergunning van het gebruikte station.
Personen die overeenkomstig artikel 3 vrijgesteld zijn van een certificaat, gebruiken de roepnaam van het station van de radioclub of van de erkende radioamateurvereniging.
§ 2. De roepnaam wordt uitgezonden volgens een methode die aangepast is aan het soort van uitzending.
Indien dat niet mogelijk is, wordt de roepnaam uitgezonden door middel van spraak of morsetelegrafie.
In telefoniemodus wordt de roepnaam duidelijk uitgesproken en indien nodig gespeld, waarbij het internationale alfabet wordt gebruikt.
In telegrafiemodus wordt de roepnaam in morsecode uitgezonden op de transmissiesnelheid die tijdens de verbinding wordt gebruikt.
§ 3. De roepnaam wordt ten minste een keer aan het begin en aan het einde van elke uitzending uitgezonden.
Als de uitzending bestaat uit verschillende korte berichten, wordt de reeks uitzendingen beschouwd als zijnde één uitzending.
Voor een uitzending of een reeks uitzendingen wordt de roepnaam ten minste een keer om de vijf minuten herhaald.".
Art. 17. In artikel 19, achtste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 15 juli 2013, worden de woorden "door kortbereikapparatuur" vervangen door de woorden "door korteafstandsapparatuur".
Art. 18. In artikel 28 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 15 juli 2013, worden de woorden "mobiele en draagbare radiostations" vervangen door de woorden "vaste basisradiostations of transportabele basisradiostations, alsook van de mobiele stations en draagbare stations voordat deze stations in dienst worden gesteld".
Art. 19. In artikel 35 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
"Een dossierrecht bestemd om de studiekosten van het dossier te dekken is verschuldigd voor:
1° een inschrijving voor een examen georganiseerd door het Instituut;
2° een aanvraag voor afgifte van een bedieningscertificaat;
3° een aanvraag voor een analyse van de mogelijkheid om een netwerk uit te baten;
4° een aanvraag van een vergunning of recht voor gebruik;
5° een aanvraag van een houdersvergunning;
6° een aanvraag voor wijziging van een bedieningscertificaat.
De betaling van een dossierrecht gebeurt:
1° op het ogenblik van de inschrijving voor een examen bedoeld in het eerste lid, 1° ;
2° voorafgaand aan de afgifte van een bedieningscertificaat of aan de aanvraag om de mogelijkheid om een netwerk te exploiteren, te onderzoeken;
3° in de veronderstellingen bedoeld in het eerste lid, 3°, 4°, en 5°, binnen 30 dagen vanaf de uitgifte van de factuur, tenzij er een risico bestaat dat de bedragen niet daadwerkelijk kunnen worden geïnd via gerechtelijke weg in België, in welk geval de betaling vooraf plaatsvindt.
Elke aanvraag tot wijziging van de vergunning of het gebruiksrecht geeft aanleiding tot de betaling van een bedrag dat de helft bedraagt van het dossierrecht.";
2° in de Franse tekst van het tweede lid wordt het woord "frais" vervangen door het woord "droits";
3° het derde lid wordt vervangen als volgt:
"Indien een aanvraag minder dan twintig werkdagen voor de gewenste datum van indienststelling wordt ingediend, wordt het dossierrecht verdubbeld. Indien een aanvraag, minder dan vijf werkdagen voor de datum van indienststelling ingediend wordt, wordt het dossierrecht vervijfvoudigd.";
4° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"Er worden geen dossierrechten aangerekend voor vergunningen met betrekking tot:
1° tijdelijke of verplaatsbare basisstations van een netwerk met gedeelde middelen van categorie 8b;
2° de radiostations aangelegd aan boord van een vaartuig als zijnde de algemeen aanvaarde boordapparatuur.
In geval van intrekking van de aanvraag of opzegging van een vergunning blijven de dossierrechten verschuldigd.".
Art. 20. In artikel 37 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "de artikelen 35 en 36 betalen" vervangen door de woorden "artikel 35 betalen personen die een frequentie voorbehouden voor een net met gedeelde middelen, alsook";
2° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende:
"Indien een station gedekt is door vergunningen van meerdere categorieën, zijn de rechten betreffende de verschillende categorieën verschuldigd.
Het in het eerste lid bedoelde recht is niet verschuldigd voor de radiostations aangelegd aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig als zijnde de algemeen aanvaarde boordapparatuur.".
Art. 21. Artikel 38 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 15 juli 2013, wordt opgeheven.
Art. 22. Artikelen 39 en 40 van hetzelfde besluit worden opgeheven.
Art. 23. In artikel 41 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden "maanden; elke begonnen maand wordt voor een volle maand gerekend" worden vervangen door de woorden "dagen met aanrekening van een minimum van dertig dagen";
b) in de laatste zin worden de woorden "binnen de termijn vastgesteld door het Instituut" vervangen door de woorden "uiterlijk dertig dagen na de ontvangst van de factuur, tenzij er een risico bestaat dat de bedragen niet daadwerkelijk kunnen worden geïnd van via gerechtelijke weg in België, in welk geval de betaling vooraf plaatsvindt";
2° het artikel 41 wordt aangevuld met een lid, luidend:
"Het minimum van dertig dagen is niet van toepassing in geval van aanvraag van een wijziging of vervanging van een station of van een netwerk.".
Art. 24. In artikel 42 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "elk gedeelte van een maand wordt voor een volle maand gerekend" worden vervangen door de woorden "met een minimum van dertig dagen";
2° het artikel 42 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"Het minimum van dertig dagen is niet van toepassing in geval van wijziging of vervanging van een station of van een netwerk.".
Art. 25. In artikel 43 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
"Het Instituut stelt een creditnota op voor het recht dat slaat op het aantal resterende dagen, waarbij een minimum van dertig dagen verschuldigd blijft.".
2° het derde lid wordt vervangen als volgt:
"Het minimum van dertig dagen is niet van toepassing in geval van wijziging of vervanging van een station of van een netwerk.".
Art. 26. In artikel 44 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 15 juli 2013, worden de woord "van de maand november" telkens vervangen door de woorden "van de maand oktober".
Art. 27. In artikel 45 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "De rechten vermeld in de artikelen 35 en 37 behoudens die welke betrekking hebben op hoofdstuk IV zijn niet verschuldigd" worden vervangen door de woorden "De dossierrechten en de rechten vastgesteld in de artikelen 35 en 37 behoudens die welke betrekking hebben op hoofdstuk IV zijn niet verschuldigd";
2° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 6°, luidende:
"6° de diensten die onder de minister van Landsverdediging ressorteren, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie en de Geallieerde Strijdkrachten, voor het gebruik van civiele of gedeelde frequenties.".
Art. 28. In artikel 46 van het hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 15 juli 2013, wordt het woord "radiostations" vervangen door het woord "radiotoestellen".
Art. 29. In hoofdstuk VI/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de het besluit van 15 juli 2015, wordt artikel 50 opgeheven.
Art. 30. In artikel 50/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het besluit van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "of gebruiker van een radiostation" worden ingevoegd tussen de woorden "houder van een vergunning" en de woorden "hen de toegang tot";
2° de paragraaf wordt aangevuld met de woorden ", waarbij hun veiligheid gewaarborgd wordt".
Art. 31. In artikel 52 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden "houder van de installatie" worden vervangen door de woorden "verantwoordelijke gebruiker";
b) de eerste zin wordt aangevuld met de woorden "en de storingen te verhelpen" ;
2° in paragraaf 5 worden de woorden "of ten gevolge van de radio-elektrische installaties aangelegd" vervangen door de woorden "radio-elektrische installaties of die resulteren uit de aanleg ervan".
Art. 32. In hetzelfde besluit wordt bijlage 1, gewijzigd door het besluit van 15 juli 2013 en het besluit van 28 oktober 2016 vervangen door de bijlage gevoegd bij dit besluit.
Art. 33. In bijlage 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 15 juli 2013 en het besluit van 28 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, dat artikel 1 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden "niet de vergunningen bedoeld in artikel 39, § 1" worden vervangen door de woorden "geen vergunning op basis van artikel 39 of geen gebruiksrecht op basis van artikel 18";
b) in de bepaling onder 6° wordt de bepaling onder e) opgeheven;
c) in de bepaling onder 9° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
c1) de woorden "de kortbereikapparatuur voor zover zij voldoet aan de bepalingen" worden vervangen door de woorden "korteafstandsapparatuur die voldoet aan de specificaties";
c2) de woorden "die conform zijn aan een Belgische radio-interface, met uitzondering van de kortbereikapparatuur" worden vervangen door de woorden "die conform een Belgische radio-interface zijn, met uitzondering van de korteafstandsapparatuur gedekt door de punten";
d) in de bepaling onder 10° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
d1) de woorden "de kortbereikapparatuur" worden vervangen door de woorden "de korteafstandsapparatuur";
d2) de woorden "met een kanaalafstand van 10 kHz en een maximaal effectief uitgestraald vermogen tot 100 mW" worden opgeheven;
e) de bepaling onder 11° wordt vervangen als volgt:
"11° de korteafstandsapparatuur voor medische telemetrie op de volgende frequenties:
151,500 MHz
173,250 MHz
448,125 + n x 25 kHz (voor n = 0, 1, ..., 12)
457,525 + n x 25 kHz (voor n = 0, 1, ..., 4)
467,750 + n x 25 kHz (voor n = 0, 1, ..., 8)
470,025 + n x 25 kHz (voor n = 0, 1, ..., 8)";
f) in de bepaling onder 12° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
f1) in het eerste lid worden de woorden "de volgende kortbereikapparatuur" vervangen door de woorden "de volgende korteafstandsapparatuur";
f2) de woorden "de volgende kortbereikapparatuur" worden telkens vervangen door de woorden "de volgende korteafstandsapparatuur";
f3) in de bepaling onder a) worden de woorden "met een maximaal effectief uitgestraald vermogen tot 50 mW voor zover zij de volgende frequentiebanden respecteert" vervangen door de woorden "in de volgende frequentiebanden";
f4) in de bepaling onder b) worden de woorden "met een maximaal effectief uitgestraald vermogen tot 10 mW" opgeheven;
f5) in de bepaling onder d) worden de woorden "met een maximaal effectief uitgestraald vermogen tot 10 mW op de volgende frequenties" vervangen door de woorden "die de volgende frequenties gebruiken";
g) de bepaling onder 13° wordt vervangen als volgt:
"13° de korteafstandsapparatuur voor draadloze audioverbindingen in de volgende frequentiebanden:
36,6 - 36,8 MHz; of
37,0 - 37,2 MHz; of
37,8 - 38,0 MHz; of
863,000 - 865,000 MHz";
h) in de bepaling onder 14° worden de woorden "tot een maximaal effectief uitgestraald vermogen tot 250 mW" opgeheven;
i) in de bepaling onder 15° worden de volgende wijzigingen aangebracht:
i1) de woorden "voor motorvoertuigen voor" worden vervangen door de woorden "voor radarsystemen voor motorvoertuigen voor";
i2) de woorden "die op de Belgische markt toegelaten worden in uitvoering van de Beschikkingen 2004/545/EG en 2005/50/EG" worden vervangen door de woorden "conform de bepalingen van de Beschikkingen 2004/545/EG en 2005/50/EG, gewijzigd bij Beschikking 2011/485/EU";
j) in de bepaling onder 18° worden de woorden "van klasse 1 of soorten apparatuur gepubliceerd door de Commissie overeenkomstig" vervangen door de woorden "die behoren tot klasse 1 zoals gedefinieerd door";
k) de bepaling onder 19° wordt opgeheven;
l) in de bepalingen onder 20° en 21° worden de woorden "die op de Belgische markt toegelaten wordt in uitvoering van de" telkens vervangen door de woorden "die voldoet aan de bepalingen van";
m) in de bepaling onder 22° worden de woorden "de kortbereikapparatuur die op de Belgische markt toegelaten wordt in uitvoering van de" vervangen door de woorden "de korteafstandsapparatuur die voldoet aan de bijlage bij";
n) de bepaling onder 23° wordt vervangen als volgt:
"23° De radiotoestellen aan boord van voertuigen voor veiligheidsgerelateerde toepassingen van intelligente vervoerssystemen en automatische metrosystemen in de 5 875-5 925 MHz-band die voldoen aan de bepalingen van Beschikking 2007/131/EG van de Europese Commissie";
o) de bepaling onder 24° wordt aangevuld met de woorden "en in het kader van zijn opdrachten";
p) in de bepaling onder 27° worden de woorden "met een maximaal equivalent isotroop uitgestraald vermogen van 25 dBW" opgeheven;
q) artikel 1 wordt aangevuld met de bepaling onder 28°, luidende:
"28° de radiotoestellen die werken in de frequentiebanden lager dan 9 kHz, die conform een Belgische radio-interface zijn";
2° de bijlage wordt aangevuld met de artikelen 2 tot 4, luidende:
"Art. 2. Is vrijgesteld van de overeenstemmende bedieningscertificaten van de 4e categorie:
1° de houder van een GOC- of ROC-bedieningscertificaat dat werd afgegeven:
a) door een lidstaat van de Europese Unie en dat erkend is krachtens Richtlijn 2005/45/EG van 7 september 2005 betreffende de wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden en tot wijziging van Richtlijn 2001/25/EG; of
b) door een overheid van een derde land en dat erkend is krachtens Richtlijn 2012/35/EU van 21 november 2012 houdende wijziging van Richtlijn 2008/106/EG inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden; of
2° de houder van een LRC-certificaat afgegeven conform Resolutie 343 van het RR en aanbeveling 10(03) van de CEPT; of
3° de houder van een SRC-certificaat afgegeven conform Resolutie 343 van het RR en aanbeveling 31-04 van de CEPT; of
4° de houder van een VHF-certificaat afgegeven conform artikel 47 van het RR.
Art. 3. Zijn vrijgesteld van bedieningscertificaten van de 5e categorie:
1° de personen die het woord nemen op de radioamateurfrequenties in het kader van activiteiten ter bevordering van de 5e categorie waarvoor het Instituut een vergunning heeft verleend op basis van een gemotiveerd verzoek dat voordien ingediend is door een erkende radioamateurvereniging of een radioclub;
2° elke persoon die een door een erkende radioamateurvereniging georganiseerde opleiding volgt, in het kader van die opleiding.
Art. 4. Is vrijgesteld van de overeenstemmende bedieningscertificaten van de 6e categorie:
1° de houder van een beperkt bedieningscertificaat voor een radiostation geïnstalleerd aan boord van een luchtvaartuig, afgegeven door een buitenlandse administratie;
2° de houder van een certificaat van Europees luchtverkeersleider voor de uitoefening van zijn functie.".
Art. 34. Worden opgeheven:
1° het besluit van de Regent van 10 januari 1950 tot vaststelling van de taksen van controle en toezicht betreffende de inspectie van de radio-electrische inrichtingen aan boord van luchtvaartuigen;
2° het ministerieel besluit van 9 januari 2001 betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs.
Art. 35. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019, met uitzondering van:
1° artikel 27, dat uitwerking heeft met ingang van 22 september 2017;
2° de artikelen 23, 2° en 3°, 24 en 25, die in werking treden op 1 januari 2020.
Art. 36. De minister bevoegd voor Telecommunicatie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 14 december 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Telecommunicatie,
Ph. DE BACKER

Bijlage bij het koninklijk besluit van 14 december 2018 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2009 betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen
Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 18 december 2009 betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen
HOOFDSTUK I. - Dossierrechten voor de examens, attesten, certificaten of roepnamen
Artikel 1. De dossierrechten voor een inschrijving voor een examen zijn bepaald als volgt:
1° voor een examen betreffende categorie 4:
a) dat toegang geeft tot de SRC- en VHF-bedieningscertificaten: 25 euro;
b) dat toegang geeft tot de LRC-, het ROC- en GOC-bedieningscertificaten: 55 euro;
2° voor een examen betreffende de 5e categorie: 40 euro.
Het dossierrecht vermeld in de bepalingen onder 1° en 2° houdt het eerste bedieningscertificaat in en is niet terugbetaalbaar.
Art. 2. Het dossierrecht voor de afgifte van een attest van erkenning van een erkende radioamateurvereniging bedraagt 100 euro.
Art. 3. De afgifte van een bedieningscertificaat van de 4e of 6e categorie impliceert de betaling van dossierrechten die 5 euro per certificaat bedragen.
De afgifte van een bedieningscertificaat van de 5e categorie impliceert de betaling van dossierrechten die 20 euro per certificaat bedragen.
Art. 4. De afgifte van een getuigschrift van een met succes afgelegde morseproef impliceert de betaling van dossierrechten van 20 euro.
Art. 5. De dossierrechten per nieuwe aanvraag door een erkende vereniging voor de verstrekking van een speciale prefix van een roepnaam voor alle radioamateurs bedragen 100 euro.
Art. 6. De dossierrechten voor een aanvraag van een extra roepnaam bedragen 40 euro.
HOOFDSTUK II. - Dossierrechten en jaarlijkse rechten per categorie bepaald in artikel 4 van het koninklijk besluit van 18 december 2009 betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 7. Voor de berekening van het jaarlijkse recht "R" uitgedrukt in euro, wordt verstaan onder de gebruikte afkortingen:
1° "P" is het uitgangsvermogen van de zendinstallatie, zoals gedefinieerd in artikel 1, 8°, van het koninklijk besluit, dat toegestaan is voor elke frequentie in watt;
Indien P > 25 watt, wordt P gelijkgesteld aan 25 watt;
2° "H" is de hoogte van de antenne ten opzichte van de grond in meter
Indien H > 60 meter, wordt H gelijkgesteld aan 60 m;
Indien H < 0 meter, wordt H gelijkgesteld aan 0;
3° "f" is de draaggolffrequentie in GHz;
4° "B" is de toegewezen bandbreedte in MHz;
5° "n" is het aantal basisstations in het radionetwerk op dat kanaal;
6° "C" is een coëfficiënt die wordt bepaald overeenkomstig de volgende tabel:
Breedte van het toegewezen kanaal uitgedrukt in kHz Waarde van C: Largeur du canal attribué exprimée en kHz Valeur de C :
<= 6,25 kHz 0,5 <= 6,25 kHz 0,5
> 6,25 kHz en <= 12,5 kHz 1 > 6,25 kHz et <= 12,5 kHz 1
> 12,5 kHz en <= 25 kHz 2 > 12,5 kHz et <= 25 kHz 2
> 25 kHz Breedte van het toegewezen kanaal in kHz/12,5 kHz >25 kHz Largeur du canal attribué en kHz /12,5 kHz

In afwijking van wat voorafgaat, in geval van mobiele netten die de frequentieband 470-1000 MHz gebruiken, van in-ear monitoring systems of van draadloze microfoons, C = 1.
Overigens, in geval van mobiele netten die frequenties boven 1 GHz gebruiken, C = CW/8 waarbij CW de breedte van het toegewezen kanaal is uitgedrukt in MHz en afgerond naar de hogere MHz.
Afdeling 2. - Vergunningen van de 1e categorie.
Art. 8. § 1. De dossierrechten per nieuw ingediend dossier bedragen 1,2695 x 100 euro.
§ 2. Het jaarlijkse recht wordt vastgesteld als volgt:
1° voor elke vergunning voor een vast of transportabel radiostation behorende tot een netwerk waarvan de straal van de gevraagde dekking meer dan 1 km bedraagt en dat niet beperkt is tot een welbepaald afgesloten gebied, bedraagt het jaarlijkse recht voor elke toegestane frequentie:
a) Recht (R) per exclusieve frequentie:
R = 1,5054 x (2,4 x P2 + 40 x H + 300) x C
b) Recht (R) per gemeenschappelijke frequentie:
R = (1,5054 x (2,4 x P2 + 40 x H + 300)) x C/3
c) Recht (R) per collectieve frequentie:
R = (1,5054 x (2,4 x P2 + 40 x H + 300)) x C/4
2° voor elke vergunning voor een vast of transportabel radiostation dat tot een netwerk behoort waarvan de straal van de gevraagde dekking kleiner is dan of gelijk aan 1 km of beperkt is tot een welbepaald afgesloten gebied en voor elk mobiel of draagbaar zendstation, wordt het bedrag vermeld in de tabel hieronder, overeenstemmend met het hoogste vermogen van het radiostation:
Vermogen (Watt) (P) Recht Puissance (Watt) (P) Redevance
< 0,1 1,5054x (19) x C < 0,1 1,5054x (19) x C
0,1 tot 2 1,5054x (38,3 + 19,571 x (P - 0,1)) x C 0,1 à 2 1,5054x (38,3 + 19,571 x (P - 0,1)) x C
2 tot 5 1,5054x (75,485 + 7,188 x (P - 2)) x C 2 à 5 1,5054x (75,485 + 7,188 x (P - 2)) x C
5 tot 10 1,5054x (97,05 + 4,313 x (P - 5)) x C 5 à 10 1,5054x (97,05 + 4,313 x (P - 5)) x C
10 tot 20 1,5054x (118,615 + 3,235 x (P - 10)) x C 10 à 20 1,5054x (118,615 + 3,235 x (P - 10)) x C
20 en meer 1,5054x (150,965 + 4,313 x (P - 20)) x C 20 et plus 1,5054x (150,965 + 4,313 x (P - 20)) x C

§ 3. Voor een vergunning voor een vast of een transportabel basisstation dat gebruikmaakt van exclusieve frequenties, wordt het recht vermenigvuldigd met het aantal exclusieve zendfrequenties toegewezen voor de werking ervan.
Afdeling 3. - Vergunningen van de 2e categorie
Art. 9. § 1. Voor de vergunningen voor radionetten en -stations bedragen de dossierrechten 12695 x 100 euro per nieuw ingediend dossier.
§ 2. Het jaarlijkse recht wordt vastgesteld als volgt:
1° in geval van een vergunning voor een punt-tot-puntverbinding bedraagt het jaarlijkse recht per eenrichtingsverbinding tussen twee vaste punten en per gebruikte draaggolffrequentie:
a) wanneer f begrepen is tussen 1 en 70 GHz, en B kleiner is dan of gelijk aan 28 MHz, bedraagt het jaarlijkse recht per zendstation:
400 + 151 x B/ f
b) wanneer f begrepen is tussen 1 en 70 GHz, en B hoger is dan 28 MHz, bedraagt het jaarlijkse recht per zendstation:
400 + 151 x (28+ (B-28)/5) / f
c) wanneer f hoger is dan 70 GHz, bedraagt het jaarlijkse recht per zendstation:
150 + 50 x (28+(B-28)/5)/f
d) wanneer f begrepen is tussen 30 MHz en 1 GHz worden de rechten berekend volgens de rechten voor de basisstations van de 1e categorie of van de 3e categorie met identieke karakteristieken;
2° in geval van een vergunning voor een punt-tot-multipuntverbinding:
Het jaarlijkse recht per basisstation wordt vastgesteld zoals vermeld in de volgende tabel afhankelijk van de toegewezen draaggolffrequentie en toegewezen bandbreedte
draaggolffrequentie Recht fréquence porteuse Redevance
< 10 GHz 1,1820 x 275 x B < 10 GHz 1,1820 x 275 x B
10 - < 20 GHz 1,1820 x 125 x B 10 - < 20 GHz 1,1820 x 125 x B
≥ 20 GHz 1,1820 x 67 x B ≥ 20 GHz 1,1820 x 67 x B

Afdeling 4. - Vergunningen van de 3e categorie.
Art. 10. § 1. Voor de vergunningen voor radionetten en -stations bedragen de dossierrechten per nieuw ingediend dossier 1,2695 x 100 euro.
§ 2. Het jaarlijkse recht wordt vastgesteld als volgt:
1° Voor elke vergunning voor een vast of transportabel radiostation dat tot een netwerk behoort waarvan de straal van de gevraagde dekking groter is dan 1 km en dat niet beperkt is tot een welbepaald afgesloten gebied, is het jaarlijkse recht gelijk aan de som van de bedragen die worden berekend met behulp van de onderstaande formule voor elke toegestane frequentie
a) Recht (R) per exclusieve frequentie:
R = 1,2833 x (0,9 x P2 + 4 x H + 96) x C
b) Recht (R) voor gemeenschappelijke frequenties:
R = (1,2833 x (0,9 x P2 + 4 x H + 96)) x C/3
c) Recht (R) voor collectieve frequenties:
R = (1,2833 x (0,9 x P2 + 4 x H + 96)) x C/4
2° Voor elk vast of transportabel radiostation dat tot een netwerk behoort waarvan de straal van de gevraagde dekking kleiner is dan of gelijk aan 1 km of beperkt is tot een welbepaald afgesloten gebied en voor elk mobiel of draagbaar zendstation, wordt het bedrag vermeld in de tabel hieronder, waarbij er met het hoogste vermogen van het radiostation wordt rekening gehouden:
Vermogen (Watt) (P) Recht Puissance (Watt) (P) Redevance
< 0,1 1,2833x (8,5) x C < 0,1 1,2833x (8,5) x C
0,1 tot 2 1,2833x (17,105 + 4,697 x (P - 0,1)) x C 0,1 à 2 1,2833x (17,105 + 4,697 x (P - 0,1)) x C
2 tot 5 1,2833x (26,03 + 2,478 x (P - 2)) x C 2 à 5 1,2833x (26,03 + 2,478 x (P - 2)) x C
5 tot 10 1,2833x (33,465 + 1,487 x (P - 5)) x C 5 à10 1,2833x (33,465 + 1,487 x (P - 5)) x C
10 tot 20 1,2833x (40,9 + 1,116 x (P - 10)) x C 10 à 20 1,2833x (40,9 + 1,116 x (P - 10)) x C
20 en meer 1,2833x (52,055 + 1,487 x (P - 20)) x C 20 et plus 1,2833x (52,055 + 1,487 x (P - 20)) x C

Voor de radiostations die behoren tot een netwerk vermeld in artikel 4, 3°, d), worden de rechten gedeeld door 10.
Afdeling 5. - Vergunningen van de 4e categorie
Art. 11. § 1. De dossierrechten per nieuw dossier voor de aanvraag van een vergunning voor een station niet verbonden aan een vaartuig bedragen: 1,2695 x 100 euro.
§ 2. Per vast walstation, mobiel of draagbaar station dat niet verbonden is aan een vaartuig, wordt het jaarlijkse recht berekend zoals dat voor een station van de 1e of 3e categorie volgens het statuut van de aanvrager.
§ 3. Voor de radars die verbonden zijn aan een maritiem station wordt het jaarlijks recht berekend overeenkomstig artikel 16, § 2, 3°.
Afdeling 6. Vergunningen van de 5e categorie
Art. 12. § 1. Per aanvraag voor een vergunning voor een station, bedragen de dossierrechten 40 euro, met uitzondering voor een onbemand station, waarvoor ze 80 euro bedragen.
§ 2. Het jaarlijkse recht bedraagt 40 euro voor:
1° elke vergunning voor een station;
2° voor elke extra roepnaam.
Afdeling 7. - Vergunningen van de 6e categorie
Art. 13. § 1. De dossierrechten per nieuw ingediend dossier worden vastgesteld als volgt:
1° voor de radiostations geïnstalleerd aan boord van luchtvaartuigen bedragen ze 14,87 euro;
2° voor de andere stations bedragen ze 1,2695 x 100 euro;
§ 2. Per vast luchtvaartstation, mobiel- of draagbaar station niet gelinkt aan een luchtvaartuig wordt het jaarlijkse recht berekend zoals dat voor een station van de 1e of 3e categorie volgens het statuut van de aanvrager.
§ 3. Voor de radars die verbonden zijn aan een luchtvaartstation wordt het jaarlijks recht berekend overeenkomstig artikel 16, § 2, 3°.
Afdeling 8. - Vergunningen van de 7e categorie.
Art. 14. § 1. De dossierrechten per nieuw ingediend dossier bedragen 1,2695 x 25 euro voor de houdersvergunningen.
§ 2. Het jaarlijkse recht voor elke houdersvergunning bedraagt: 1,2695 x 10 euro.
Afdeling 9. - Gebruiksrechten voor de 8e categorie.
Art. 15. § 1. De dossierrechten per nieuw ingediend dossier bedragen 1,2695 x 100 euro voor de gebruiksrechten voor de netten van categorie 8a en 1,2695 x 1000 euro voor die van categorie 8b.
§ 2. De jaarlijkse rechten voor de gebruiksrechten voor vaste radiostations van de punt-tot-punt- en punt-tot-multipunt-radiosystemen worden berekend volgens de regels van artikel 9, § 2, van deze bijlage.
De jaarlijkse rechten voor de gebruiksrechten voor radionetten met gedeelde middelen worden berekend per gebruikt kanaal en bedragen per kanaal:
1° Recht per duplexkanaal = 1,2695 x 1598,46 x (C) x n 1/2;
2° Recht per simplexkanaal = 1,2695 x 1598,46 x (C) x n 1/2 /2.
De prijs per kanaal dat wordt gebruikt voor directe communicatie tussen mobiele of draagbare radiostations (DMO) bedraagt 1,2695 x 1130,12 x C.
De jaarlijkse rechten voor de gebruiksrechten voor transportabele of tijdelijke basisstations bedragen per kanaal:
1° Recht per duplexkanaal = 1,2695 x 1598,46 x (C) x n;
2° Recht per simplexkanaal = 1,2695 x 1598,46 x (C) x n/2.
Het jaarlijkse recht per gereserveerd kanaal bedraagt 500 x C.
Afdeling 10. - Vergunningen van de 9e categorie.
Art. 16. § 1. De dossierkosten per nieuw ingediend dossier bedragen 1,2695 x 25 euro voor categorie 9a en 1,2695 x 100 euro voor categorieën 9b, 9c et 9d.
§ 2. Het jaarlijkse recht wordt vastgesteld als volgt:
1° voor de vergunningen voor netten en stations die geklasseerd zijn in categorie 9a: 100 euro per vergunning
2° voor de vergunningen voor de stations geklasseerd in categorie 9b:
per jammer: 1,2695 x 800 euro;
3° voor de vergunningen voor de stations geklasseerd in categorie 9c:
a) per radar voor radars met een bereik kleiner dan 1 km: 100 euro;
b) voor de overige radars: per radar 500 euro;
4° voor de vergunningen voor netten en stations die geklasseerd zijn in categorie 9d:
Per type van station en van netwerk stelt het Instituut het jaarlijkse recht vast met overweging van en via vergelijking met de jaarlijkse rechten die voor de andere categorieën zijn vastgesteld.
Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 14 december 2018 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2009 betreffende de private radiocommunicatie en de gebruiksrechten voor vaste netten en netten met gedeelde middelen.
Brussel, 14 december 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Telecommunicatie
Ph. DE BACKER


begin

Publicatie : 2018-12-27