J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2018/11/08/2018014864/justel

Titel
8 NOVEMBER 2018. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering inzake grondwaterwinningen en open geothermische systemen

Bron :
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 20-02-2019 nummer :   2018014864 bladzijde : 17548       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2018-11-08/22
Inwerkingtreding : 01-04-2019

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Onderwerp, toepassingsgebied en definities
Afdeling 1. - Onderwerp en toepassingsgebied
Art. 1
Afdeling 2. - Definities
Art. 2
HOOFDSTUK II. - Bronbemalingen (tijdelijke waterwinning)
Art. 3
Afdeling 1. - Inhoud van de aanvraag
Art. 4
Afdeling 2. - Exploitatievoorwaarden
Art. 5
HOOFDSTUK III. - Pompproeven
Art. 6
Afdeling 1. - Inhoud van de aanvraag
Art. 7
Afdeling 2. - Exploitatievoorwaarden
Art. 8
HOOFDSTUK IV. - Permanente grondwaterwinningen
Art. 9
Afdeling 1. - Inhoud van de aanvraag
Art. 10
Afdeling 2. - Exploitatievoorwaarden
Art. 11
HOOFDSTUK V. - Open geothermische systemen
Afdeling 1. -Toepassingsgebied
Art. 12
Afdeling 2. - Inhoud van de aanvraag
Art. 13
Afdeling 3. - Exploitatievoorwaarden
Art. 14
HOOFDSTUK VI. - Erkenning van de boringsbedrijven
Art. 15
HOOFDSTUK VII. - Meetinstrumenten voor de volumes opgevangen water
Art. 16
HOOFDSTUK VIII. - Register van waterwinningen of -onttrekkingen
Art. 17
HOOFDSTUK IX. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 1. - Wijzigingsbepalingen
Art. 18-20
Afdeling 2. - Opheffingsbepaling
Art. 21
Afdeling 3. - Overgangsbepalingen
Art. 22-24
Afdeling 4. - Slotbepalingen
Art. 25-26
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Onderwerp, toepassingsgebied en definities

  Afdeling 1. - Onderwerp en toepassingsgebied

  Artikel 1. § 1. Dit besluit legt het juridisch kader vast met betrekking tot grondwaterwinningen door ze te onderwerpen aan een milieuvergunning of een aangifte in uitvoering van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende milieuvergunningen en van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid.
  § 2. Dit besluit legt de type-inhoud vast voor de aanvragen van bronbemalingen, pompproeven, grondwaterwinningen en open geothermische systemen zoals beoogd in de rubriek 62 van de bijlage van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II, en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen; het legt ook de exploitatievoorwaarden vast voor de exploitatie van deze installaties.
  § 3. Vallen buiten het toepassingsgebied van dit besluit:
  1° grondwaterwinningen waarbij geen motorisch aangedreven pomp wordt gebruikt;
  2° waterwinningen, bronbemalingen en pompproeven die een bodembehandeling vereisen in het kader van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
  3° grondwateronttrekkingen die worden uitgevoerd met een pomp voor het afvoeren van infiltratiewater in bestaande constructies op het moment dat dit besluit in werking treedt;
  4° gesloten geothermische systemen.

  Afdeling 2. - Definities

  Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
  1° : "grondwater": wateren zoals omschreven in artikel 5, 2° van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid;
  2° : "grondwaterwaterwinning/-onttrekking": alle putten, waterwinningen/-onttrekkingen, drainages en, in het algemeen, alle werken en installaties die tot doel of effect hebben dat er grondwater wordt afgenomen, met inbegrip van de waterwinning van ontspringingsbronnen en bronbemalingen;
  3° : "kunstmatige aanvulling": techniek die tot doel heeft het grondwater kunstmatig aan te vullen met water om de infiltratiegraad te stimuleren tot aan de watervoerende laag;
  4° : "exploitant": elke persoon die een installatie exploiteert of voor rekening van iemand anders een installatie exploiteert in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
  5° : "lijst van de ingedeelde inrichtingen": de bijlage van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de lijst van ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III tot uitvoering van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
  6° : "bronbemaling": piëzometrische verlaging van de grondwaterstand ten gevolge van een tijdelijke waterwinning die wordt uitgevoerd in het kader van openbare of particuliere bouwkundige of civieltechnische werken;
  7° : "pompproef": grondwateronttrekking die niet langer duurt dan twaalf maanden en wordt uitgevoerd om de hydrogeologische eigenschappen van de betreffende watervoerende laag en/of de productiviteit van de waterwinningswerken te bepalen;
  8° : "hydrogeologische parameters": gegevens met betrekking tot het piëzometrisch niveau, de lithologie en stratigrafie alsook de hydrodynamische parameters zoals de hydraulische conductiviteit, de transmissiviteit, de bergingscoëfficiënt;
  9° : "watervoerende laag": geologische laag, zoals gedefinieerd in artikel 5, 12° van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid;
  10° : "aquitard": geologische laag die weinig waterdoorlatend en weinig rendabel is voor economisch gebruik;
  11° : "boring": elke actie die erin bestaat om op mechanische wijze een put te boren;
  12° : "open geothermisch systeem": installatie die tot doel heeft grondwater op te pompen om er thermische energie uit winnen;
  13° : "gesloten geothermisch systeem": geothermisch systeem dat werkt met behulp van gesloten sondes die elk contact verhinderen tussen de warmtegeleidende vloeistof en de bodem of het grondwater;
  14° : "primaire kring": kring van onttrokken en teruggevoerd grondwater in een geothermisch systeem;
  15° : "secundaire kring": gesloten kring in een geothermisch systeem die een vloeistof bevat, bestemd voor het transport van calorieën tussen de warmtewisselaar van de primaire kring en het verwarmings- of koelsysteem;
  16° : "directe contaminatie": verontreiniging ten gevolge van verontreinigende stoffen die in het grondwater terechtkomen zonder insijpeling in de bodem of ondergrond;
  17° : "indirecte contaminatie": verontreiniging ten gevolge van verontreinigende stoffen die in het grondwater terechtkomen met insijpeling in de bodem of ondergrond;
  18° : "stratigrafische eenheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (SE/BHG)": sedimentaire laag in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die kenmerkend is voor een specifiek geologisch tijdperk en die bijzondere eigenschappen heeft (lithologie, structuur, dikte, fossielen, uitgestrektheid, mineralogie,..);
  19° : "hydrogeologische eenheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (HE/BHG): één of meerdere stratigrafische eenheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (SE/BHG) met relatief gelijkaardige hydrogeologische kenmerken;
  20° : "boorstaat": gegradueerde verticale doorsnede waarin enerzijds het aangeboorde lithologische en het stratigrafische niveau van de stratigrafische eenheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (SE/BHG) zijn opgenomen en anderzijds de uitrusting voor de werken (beschrijving van casing, filtermateriaal, bentoniet en cementering);
  21° : "hydrogeologische expert": persoon die beschikt over de noodzakelijke kennis inzake hydrogeologie en in het bezit is van een diploma of een aanvullend certificaat dat deze kennis aantoont;
  22° : "vast meetinstrument": meetinrichting om het volume water te meten, geïnstalleerd op een permanente grondwaterwinning of op een open geothermisch systeem;
  23° : "mobiel meetinstrument": meetinrichting om het volume water te meten, gebruikt in het kader van een bronbemaling of pompproef;
  24° : "Leefmilieu Brussel": instelling van openbaar nut die belast is met het milieu in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en is opgericht door het koninklijk besluit van 8 maart 1989.

  HOOFDSTUK II. - Bronbemalingen (tijdelijke waterwinning)

  Art. 3. Elke bronbemaling, zoals bepaald in artikel 2, 6°, is onderworpen aan een milieuvergunning of een voorafgaande aangifte bij Leefmilieu Brussel volgens de vormen en modaliteiten die zijn vastgelegd in dit hoofdstuk.

  Afdeling 1. - Inhoud van de aanvraag

  Art. 4. § 1. Naast de informatie die vereist is volgens artikel 10 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, dient elke vergunningsaanvraag of elke aangifte die installaties beoogt die zijn opgenomen in de rubriek 62-1 van de lijst van ingedeelde inrichtingen, te gebeuren met behulp van het ad hoc formulier dat Leefmilieu Brussel ter beschikking stelt op zijn website.
  § 2. Dit formulier bevat minstens volgende inlichtingen:
  1° de plaats van de werf: gemeente, straat en nummer, sectie en nummer van het/de kadastrale perce(e)l(en) alsook een vestigingsplan;
  2° een gedetailleerd plan met daarop de precieze plaats van de wateronttrekking(en) alsook de Lambert 72-coördinaten indien zij gekend zijn op het moment dat de vergunningsaanvraag wordt ingediend;
  3° indien de wateronttrekking gebeurt op kadastrale percelen waarvan de aanvrager niet de eigenaar is, een attest waarin de eigenaar(s) of zijn (hun) gemachtigde toestemming geeft(geven) voor de wateronttrekking;
  4° het type wateronttrekking (putten, piëzometers, drainages, verticale filterbuizen,...);
  5° de technische kenmerken van de wateronttrekking (aantal putten, diepte, diameter,...);
  6° de beschrijvende nota van de voorziene bemalingstechniek evenals de follow-upmaatregelen van de werken (controlepiëzometers,...) en de voorziene compenserende maatregelen om de kwantitatieve impact van de wateronttrekking op het grondwater te beperken (beperking van de uitbreiding van de grondwaterverlagingsconus);
  7° het eventuele gebruik van het opgevangen water;
  8° het statisch piëzometrisch niveau (voor de waterwinning) dat in situ gemeten wordt nabij de piëzometers;
  9° het voorziene dynamisch piëzometrisch niveau (tijdens de waterwinning) of de voorziene verlaging van het grondwaterpeil;
  10° het maximale voorziene dagdebiet met rechtvaardiging (berekeningsnota) van deze waarde;
  11° de analyse van de aard van de ondergrond door een geoloog die minimaal de stratigrafie en de lithologie van de verschillende doorboorde geologische lagen omvat;
  12° de aanwezigheid op het(de) betrokken werfperceel (-percelen) van installaties die een bodem- of grondwaterverontreiniging kunnen veroorzaken en in voorkomend geval beschermende maatregelen om dit te voorkomen;
  13° het type gebruikte pomp(en) en de maximale capaciteit ervan in mü/uur;
  14° de plaats voor de afvoer van het afvalwater dat afkomstig is van de boringswerken en voor de afvoer van het onttrokken water tijdens de bemaling alsook het(de) plan(nen) waarop de plaats van het (de) lozingspunt(en) nauwkeurig is aangegeven;
  15° de planning voor de uitvoering van de werken en de exploitatie van de wateronttrekking.
  § 3. Leefmilieu Brussel heeft het recht om tijdens het onderzoek van het dossier bijkomende informatie te vragen met betrekking tot het project.
  § 4. In functie van de plaats van de wateronttrekking raadpleegt Leefmilieu Brussel eender welke natuurlijke persoon of rechtspersoon en administratieve dienst of instantie en wint zijn/haar advies in wanneer zij dit nodig acht overeenkomstig artikel 13 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.

  Afdeling 2. - Exploitatievoorwaarden

  Art. 5. § 1. Onverminderd de bijzondere exploitatievoorwaarden die worden opgelegd op basis van artikel 56 of 68 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, streeft de milieuvergunning of de aangifte voor de installaties die vallen onder de rubriek 62-1, naar een duurzame en rationele exploitatie van het grondwater opdat de doelstellingen vastgelegd overeenkomstig artikel 12 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid, nageleefd worden.
  § 2. De milieuvergunning of de aangifte vermeldt de voorwaarden die de exploitant in acht dient te nemen, met name wat betreft:
  1° de erkenning waarover een boorbedrijf moet beschikken;
  2° de modaliteiten inzake plaats, realisatie en uitvoering van de werken;
  3° de systemen die gebruikt worden voor de wateronttrekking;
  4° het isoleren van de verschillende watervoerende lagen;
  5° de specifieke systemen die bedoeld zijn voor de bescherming van de grondwateronttrekkingen;
  6° de meetinstrumenten voor het meten van het watervolume, de waterpeilen en de staalnames;
  7° het maximale te onttrekken watervolume per dag;
  8° de frequentie van de opmetingen van de waterstanden en de verplichting om de opgepompte volumes mee te delen aan Leefmilieu Brussel;
  9° het beschermen van de grondwateronttrekkingen in de omgeving;
  10° inlichtingen die moeten worden ingewonnen over de aanwezigheid van ondergrondse leidingen (gas, water, elektriciteit,...) en andere installaties nabij de boring(en);
  11° de stabiliteit van de naburige structuren en infrastructuren;
  12° de openbare veiligheid;
  13° de plaats van de piëzometers die bedoeld zijn voor het bepalen van de hydrogeologische parameters met betrekking tot de betreffende watervoerende laag en de daarmee gepaard gaande staalnames;
  14° het afvoeren of herinjecteren van het onttrokken water;
  15° de verplichtingen die voortvloeien uit de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
  16° de duur van de bronbemaling;
  17° de aan te leveren informatie en de te nemen maatregelen aan het einde van de bemaling.

  HOOFDSTUK III. - Pompproeven

  Art. 6. Elke pompproef zoals gedefinieerd in artikel 2, 7° is onderworpen aan een milieuvergunning of een voorafgaande aangifte bij Leefmilieu Brussel volgens de vormen en modaliteiten die zijn gedefinieerd in dit hoofdstuk.

  Afdeling 1. - Inhoud van de aanvraag

  Art. 7. Naast de informatie die vereist is volgens artikel 10 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, dient elke aanvraag van milieuvergunning of elke aangifte die installaties beoogt zoals bedoeld onder rubriek 62-2 van de lijst van ingedeelde inrichtingen te gebeuren met behulp van het ad hoc formulier dat Leefmilieu Brussel ter beschikking stelt op zijn website. Hierop dienen minstens volgende gegevens te staan:
  1° de plaats van de pompproef (gemeente, straat en nummer, sectie en nummer van het/de kadastrale perce(e)l(en) alsook een vestigingsplan;
  2° een gedetailleerd plan met daarop de precieze plaats van de pompproefput(ten) op het/de kadastral(e) perce(e)l(en) en de controlepiëzometers alsook de Lambert 72-coördinaten indien zij gekend zijn op het moment dat de aangifte wordt ingediend;
  3° indien de wateronttrekking gebeurt op kadastrale percelen waarvan de aanvrager niet de eigenaar is, dient er een attest te worden toegevoegd waarin de eigenaar(s) of hun gemachtigde toestemming geeft(geven) voor de pompproef;
  4° het type (korte duur, lange duur, in fasen, ...) en het doel van de pompproef;
  5° de technische kenmerken van de put(ten) en de controlepiëzometers (diepte, diameter, filtergedeelte...);
  6° het maximale voorziene dagdebiet;
  7° de follow-upmetingen van de pompproef (controlepiëzometers,...) en de metingen die de veiligheid van het publiek en de stabiliteit van de naburige werken en structuren moeten garanderen;
  8° de voorziene boorstaat die is opgemaakt door een hydrogeologische expert;
  9° de plaats voor de afvoer van het afvalwater dat afkomstig is van de boringswerken alsook voor het tijdens de pompproef onttrokken water alsook het(de) plan(nen) waarop heel duidelijk staat aangegeven waar het(de) lozingspunt(en) zich bevindt (bevinden);
  10° de planning van de uitvoering van de pompproef (-proeven).

  Afdeling 2. - Exploitatievoorwaarden

  Art. 8. § 1. Onverminderd de bijzondere exploitatievoorwaarden die worden opgelegd op basis van artikel 56 of 68 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, vermeldt de milieuvergunning of de aangifte de voorwaarden die de exploitant in acht dient te nemen, met name wat betreft:
  1° het beroep doen op een erkend boorbedrijf overeenkomstig artikel 15;
  2° de afwezigheidvan ondergrondse leidingen (gas, water, elektriciteit,...) en andere installaties in de buurt van de boringen overeenkomstig de ordonnantie van 26 juli 2013 betreffende de toegang tot en de uitwisseling van informatie over ondergrondse kabels, buizen en leidingen;
  3° de voorafgaande kennisgeving aan Leefmilieu Brussel per post of per e-mail van de datum van de uitvoering van de werken voor de pompproef vóór deze datum en van de coördinaten van het aangeduide boorbedrijf en hydrogeologische expert;
  4° het nemen van alle beschermende maatregelen die nodig zijn om de veiligheid van het publiek en de stabiliteit van de naburige structuren en infrastructuren te garanderen alsook om de duurzaamheid van de grondwaterbron veilig te stellen;
  5° het nemen van alle beschermende maatregelen die noodzakelijk zijn om een directe of een indirecte verontreiniging van het grondwater te voorkomen, en met name tijdens het opstellen van de werken (putten, piëzometers,...) die bedoeld zijn voor de pompproef (-proeven);
  6° de afvoer van al het afvalwater dat wordt gegenereerd door de boringswerken alsook het water dat afkomstig is van de pompproef: ofwel naar de openbare riolering, ofwel naar een oppervlaktewater op voorwaarde dat de normen voor afvoer naar de riolering of naar oppervlaktewater worden gerespecteerd. Een waterbehandelingssysteem dient indien nodig te worden geïnstalleerd vóór lozing. Wanneer het water in een tankwagen wordt gepompt, moet dit water overeenkomstig de geldende wetgeving van het ontvangende land of de ontvangende regio worden afgevoerd;
  7° het bijhouden van een dagboek van de werken waarin de dagelijkse watervolumes worden genoteerd;
  8° de kennisgeving aan Leefmilieu Brussel per post of per e-mail binnen drie maanden na het einde van de pompproef van een studierapport met de gegevens en de conclusies van de pompproef ;
  9° de ontmanteling van de pompproefputten en van de controlepiëzometers aan het einde van de testcampagne tenzij deze opnieuw gebruikt worden in het kader van een bronbemaling of permanente grondwaterwinning of als monitoringpunt voor het grondwater. In geval van een ontmanteling moeten de putten en piëzometers over de volledige diepte worden dichtgemaakt met behulp van zwelklei of van een materiaal met een equivalente hydraulische conductiviteit en dat een perfecte dichtheid garandeert. Het vullen dient te gebeuren van beneden naar boven. Dit dient te worden uitgevoerd door een volgens artikel 15 erkend bedrijf. In geval van een hergebruik als monitoringpunt voor grondwater moet een overeenkomst gesloten worden tussen de exploitant en Leefmilieu Brussel en moeten de werken toegankelijk blijven voor Leefmilieu Brussel.

  HOOFDSTUK IV. - Permanente grondwaterwinningen

  Art. 9. § 1. Elke permanente grondwaterwinning is onderworpen aan een voorafgaande aangifte of een milieuvergunning in functie van de afgenomen volumes, volgens de modaliteiten en overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgelegd in dit hoofdstuk of hieruit voortvloeien.
  § 2. Permanente grondwaterwinningen om kelderverdiepingen droog te houden of om de hydrostatische druk te verminderen op ondergrondse constructies worden niet beschouwd als best beschikbare technologie en zijn dus niet toegelaten, behalve indien het technisch onmogelijk is om alternatieve oplossingen uit te voeren. In dat geval is een voorafgaande aangifte of milieuvergunning uitgereikt door Leefmilieu Brussel noodzakelijk in toepassing van dit hoofdstuk.

  Afdeling 1. - Inhoud van de aanvraag

  Art. 10. § 1. Naast de informatie die vereist is volgens artikel 10 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, dient elke vergunningsaanvraag of aangifte die installaties beoogt die zijn opgenomen in de rubriek 62-3 van de lijst van ingedeelde inrichtingen, te gebeuren met behulp van het ad hoc formulier dat Leefmilieu Brussel ter beschikking stelt op zijn website.
  Dit formulier bevat minstens de volgende informatie:
  1° de identificatie van het boorbedrijf en van de hydrogeologische expert;
  2° indien de waterwinning gebeurt op kadastrale percelen waarvan de aanvrager niet de eigenaar is: een attest waarin de eigenaar(s) of zijn (hun) gemachtigde toestemming geeft(geven) voor de waterafname;
  3° een inplantingsplan en een gedetailleerd plan met daarop de precieze plaats van de waterwinning(en) alsook de Lambert 72-coördinaten indien zij gekend zijn op het moment dat de aanvraag wordt ingediend;
  4° het type waterwinning (putten, piëzometers, draineergalerij, drainage,...);
  5° de technische kenmerken van de waterwinning (aantal putten, diepte, diameter, nominale capaciteit van de pomp(en), ...);
  6° het gebruik van het opgevangen water;
  7° het maximale voorziene dag- en jaardebiet met rechtvaardiging (berekeningsnota) van deze waarden;
  8° de voorziene boorstaat die is opgemaakt door een hydrogeologische expert;
  9° het maximumdebiet (in mü/uur) van de waterwinningsinstallatie;
  10° de informatie zoals beoogd in paragraaf 5 van dit artikel over de afbakening van een waterwinningszone en van beschermingszones rondom de waterwinningswerken;
  11° de controlemaatregelen die bedoeld zijn om de waterkwaliteit op elk moment te controleren, voor de gebruikstoepassingen die vermeld staan onder punt 12° ;
  12° de plaats voor de afvoer van het opgevangen water alsook het/de plannen waarop de plaats van het/de lozingspunt(en) nauwkeurig is aangegeven;
  13° de planning voor de uitvoering van de waterwinningswerken.
  § 2. Voorafgaand aan de indiening van elke aanvraag voor de uitvoering van een nieuwe waterwinning, is de aanvrager verplicht de inventaris van de bodemtoestand te raadplegen om er zeker van te zijn dat er geen sprake is van verontreiniging op het perceel waar de waterwinningsput(ten) wordt/worden geplaatst. Indien de bodem is opgenomen in categorie 3(+0) of 4(+0) in de zin van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, moet de aanvrager bij Leefmilieu Brussel navraag doen over de haalbaarheid van het project. Hij doet dit door een advies te vragen aan Leefmilieu Brussel, vergezeld van een rapport dat opgesteld is door een bodemverontreinigingsdeskundige erkend in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die de mogelijke impact evalueert van de voorziene grondwaterwinning op bodemverontreiniging. Leefmilieu Brussel spreekt zich uit over de haalbaarheid van het project binnen de zestig dagen na ontvangst van de adviesaanvraag.
  § 3. Leefmilieu Brussel heeft het recht om tijdens het onderzoek van het dossier bijkomende informatie te vragen met betrekking tot het project, zoals de opstelling van een technische nota door een hydrogeologische expert waarin wordt aangetoond dat er geen risico op verontreiniging van het gewonnen grondwater bestaat bij de waterwinning(en) wanneer het opgevangen water bedoeld is voor menselijke consumptie, niet genoemd in § 5 van dit artikel, voor de productie van voedingswaren, voor het vullen van zwembaden, openbare zwembaden of publieke badhuizen of douches. De technische nota geeft een gedetailleerde beschrijving van de voorziene beschermende maatregelen in voorkomend geval.
  § 4. In functie van de plaats van de wateronttrekking raadpleegt Leefmilieu Brussel eender welke natuurlijke persoon of rechtspersoon en administratieve dienst of instantie en wint zijn/haar advies in wanneer zij dit nodig acht overeenkomstig artikel 13 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
  § 5. Wanneer het onttrokken water bedoeld is voor het openbare drinkwaternet of voor menselijke consumptie bestemd voor meer dan 50 personen of met een gemiddelde van meer dan 10 mü per dag, dan moet de aanvraag daarnaast ook een voorstel tot afbakening van een waterwinningszone en van beschermingszones rondom het waterwinningsproject bevatten.
  Dit voorstel bevat:
  1° een verklarende nota en alle documenten met betrekking tot de metingen en berekeningen die het afbakeningsvoorstel van de volgende zones rechtvaardigt:
  - het geografische gebied rondom de waterwinning wordt afgebakend met een lijn op een afstand tussen 10 m en 30 m van de buitengrens van de waterwinningsinstallatie op elk waterafnamepunt;
  - de beschermingszones I, II en III zijn afgebakend:
  a) voor zone I, door middel van alle vertrekpunten van waaruit het water binnen minder dan 24 uur het punt van de grondwaterwinning bereikt;
  b) voor zone II, door middel van alle vertrekpunten van waaruit het water tussen 24 uur en 50 dagen het punt van de grondwaterwinning bereikt;
  c) voor zone III; door de aanvoerzone van de waterwinning, met uitsluiting van voorvermelde zones I en II;
  2° een plan met een gepaste schaal waarop de situatie en de grenzen van de waterwinning en de voorgestelde beschermingszones I, II en III staan aangeduid.
  Deze aanvraag en de van toepassing zijnde beschermende maatregelen die door Leefmilieu Brussel voor elke zone zijn vastgelegd, wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van artikel 40 of 50 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen met als doel een waterwinningszone en beschermingszones rond de waterafnamepunten op te richten.
  De definitieve afbakening van de waterwinningszone en de beschermingszones, vergezeld van de beschermende maatregelen, wordt vastgesteld door de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en gebeurt volgens artikel 5, § 2 van de wet van 26 maart 1971 betreffende de bescherming van het grondwater.
  Het water kan pas, voor de doeleinden vastgelegd in deze paragraaf, gebruikt worden na het in werking treden van het besluit bedoeld in het voorgaande lid.

  Afdeling 2. - Exploitatievoorwaarden

  Art. 11. § 1. Onverminderd de bijzondere exploitatievoorwaarden die worden opgelegd op basis van artikelen 56 en 68 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, streeft de milieuvergunning of de aangifte voor de installaties die vallen onder de rubriek 62-3, naar een duurzame en rationele exploitatie van het grondwater opdat de doelstellingen vastgelegd overeenkomstig artikel 12 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid, nageleefd worden.
  § 2. Voor de exploitant overgaat tot de boringswerken, moet hij:
  1° zich ervan vergewissen dat er geen ondergrondse leidingen aanwezig zijn (gas, water, elektriciteit,...) en andere installaties in de buurt van de boringen overeenkomstig de ordonnantie van 26 juli 2013 betreffende de toegang tot en de uitwisseling van informatie over ondergrondse kabels, buizen en leidingen;
  2° Leefmilieu Brussel per post of per e-mail de startdatum van de boringswerken melden minstens twee weken vóór de start.
  § 3. Tijdens de boringswerken moet de exploitant:
  1° een beroep doen op een erkend boorbedrijf overeenkomstig artikel 15;
  2° alle nodige maatregelen en voorzorgen nemen om de stabiliteit van de naburige structuren en infrastructuren gedurende de boringswerken te garanderen. Indien nodig moet er door een stabiliteitsingenieur een stabiliteitsstudie worden gedaan;
  3° erover waken dat de gebruikte boortechniek de stabiliteit van de put garandeert, ongeacht het type terrein;
  4° alle nodige voorzorgsmaatregelen treffen om een accidentele verontreiniging van de grondwaterlagen tijdens de boringswerken door directe en/of indirecte verontreiniging met vervuilende stoffen die relevant zijn voor het grondwater, te voorkomen (gebruik van goed functionerend en proper materieel, gebruik van aangepaste vetten voor de boorgaten, installatie van opvangsystemen onder al het materieel dat mogelijk koolwaterstoffen kan lekken zoals de stroomgeneratoren, motoren enz., het nemen van geschikte maatregelen met betrekking tot de bevoorrading en de opslag van brandstof enz.);
  5° onmiddellijk de boringswerken stopzetten wanneer er een verontreiniging van de bodem en/of het grondwater wordt aangetroffen en Leefmilieu Brussel waarschuwen. In dit geval mogen de boringswerken pas worden hervat op het moment dat Leefmilieu Brussel hiervoor toestemming geeft;
  6° erop toezien dat het water of het waterachtige mengsel (water en additieven om de boorputten te stabiliseren of andere toeslagstoffen) dat wordt gebruikt voor de boortechniek in geen geval de bodem of het grondwater kan verontreinigen. Enkel het water van het distributienet of een water met dezelfde waterkwaliteit mag worden gebruikt.
  7° gedurende de uitvoering van de boringswerken het gebruikte water zoveel mogelijk recycleren (werken in gesloten kring);
  8° onverminderd punt 7, erop toezien dat al het afvalwater dat wordt gegenereerd door de boringswerken wordt afgevoerd: ofwel naar de openbare riolering, ofwel naar een oppervlaktewater op voorwaarde dat de normen voor afvoer naar de riolering of naar oppervlaktewater worden gerespecteerd. Een waterbehandelingssysteem dient indien nodig te worden geïnstalleerd vóór lozing. Wanneer het water in een tankwagen wordt gepompt, moet dit water overeenkomstig de geldende wetgeving van het ontvangende land of de ontvangende regio worden afgevoerd.
  9° alle noodzakelijke maatregelen nemen om geluidshinder gedurende de boringswerken te beperken;
  10° binnen twee maanden na de uitvoering van de boringswerken aan Leefmilieu Brussel een gedetailleerde beschrijving van de boringswerken overhandigen.
  Deze beschrijving bevat:
  a. de datum van uitvoering van de boringswerken;
  b. de uitrusting, met name:
  - de diepte en de diameter van de boring;
  - de binnen- en buitendiameter van de verbuizing;
  - de hoogte van het blinde en het filtergedeelte van de filterbuizen;
  - de hoogte van het filtermateriaal, de zwellende klei en de cementering;
  c. de lithostratigrafie;
  - de hoogte van de doorboorde stratigrafische eenheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (SE/BHG);
  - de lithografie en stratigrafie van de doorboorde stratigrafische eenheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (SE/BHG);
  d. de piëzometrie:
  - het statische niveau;
  - het dynamische niveau en het pompdebiet;
  e. een beschrijving van de eventuele problemen die zijn opgedoken tijdens de boringswerken.
  Is deze gedetailleerde beschrijving niet voorhanden, dan mag de grondwaterwinnig niet worden uitgevoerd.
  § 4. Voor de installatie van het waterwinningssysteem moet de exploitant:
  1° een beroep doen op een erkend boorbedrijf overeenkomstig artikel 15;
  2° alle noodzakelijke maatregelen nemen om een directe verontreiniging van het grondwater via de waterwinningsput en de eventuele piëzometers te vermijden (waterdichte toezichtkamer, verbuizing die uitsteekt boven het grondoppervlak, waterdichtheid van de ringvormige, interstitiële ruimte ter hoogte van de bovenkant van de put door cementering, ...);
  3° alle noodzakelijke maatregelen nemen om te voorkomen dat de watervoerende lagen met elkaar in contact komen. De uitrusting moet zorgen voor een perfecte isolering van deze watervoerende lagen:
  - Het filtergedeelte wordt direct in de betreffende watervoerende laag geplaatst en mag in geen geval uitsteken boven de bovenliggende en onderliggende hydrogeologische eenheden. De afmetingen van de filteropeningen ervan (slot) worden gedimensioneerd in functie van de lithologie van de betreffende watervoerende laag;
  - Er moet gebruik gemaakt worden van een filtermateriaal in het filtergedeelte met een granulometrie die is afgestemd op de granulometrie van de watervoerende laag. Het filtermateriaal mag in geen geval uitsteken boven de bovenliggende en onderliggende hydrogeologische eenheden;
  - Zwellende klei of een materiaal met een equivalente hydraulische conductiviteit moet gebruikt worden om de resterende ringvormige ruimte op te vullen om de watervoerende lagen/aquitards te isoleren. De zwellende klei of het materiaal moet op gelijkmatige wijze worden geplaatst in de ringvormige ruimte en worden verspreid over de bovenliggende in te sluiten geologische lagen;
  - De dikte van de ringvormige ruimte tussen de verbuizing en de doorboorde hydrogeologische eenheden moet voldoende zijn om een goede vulling en een afdoende waterdichtheid van deze ruimte te garanderen.
  De ringvormige ruimte mag in geen geval worden gevuld met boorsel of "cuttings";
  4° door middel van de gepaste bewegwijzering, geplaatst aan de in- en uitgangen van de beschermingszone 3, de waterwinningswerken aangeven voor de situaties zoals vermeld in artikel 10, § 5 van dit besluit;
  5° de toegang tot de werken beveiligen en ervoor zorgen dat de werken alleen toegankelijk zijn voor bevoegde personen (beveiligd lokaal, beveiligde toezichtkamer,...);
  6° alle nodige maatregelen treffen om schade aan de werken en piëzometers te vermijden wanneer er werken in de nabijheid worden uitgevoerd;
  7° garanderen dat de installatie een gemakkelijke en nauwkeurige meting toelaat van de opeenvolgende niveaus van de watervoerende laag met name door middel van een "geleidingsbuis" met een kleine diameter die wordt geplaatst in de verbuizing zelf en die het de operator mogelijk maakt om een piëzometrische sonde in te brengen;
  8° aan het einde van de werken ervoor zorgen dat het filtergedeelte wordt ontdaan van opstoppende deeltjes (airlift, dompelpomp);
  9° ervoor zorgen dat de installatie toelaat om representatieve waterstalen van het grondwater te nemen. Hiervoor moet het mogelijk zijn om direct van de pompleiding een waterstaal af te nemen, voordat eender welke behandeling wordt gestart;
  10° ervoor te zorgen dat het leidingstelsel zodanig is ontworpen dat het trillingsvrij, en in het bijzonder zonder enige resonantie, functioneert;
  11° het waternet dat wordt bevoorraad door de waterwinning te voorzien van een terugstroombeveiliging of een ander systeem dat voorkomt dat het water terugstroomt naar de watervoerende laag;
  12° ervoor zorgen dat de installatie zodanig is uitgevoerd dat elke interferentie met het openbaar distributienet wordt voorkomen;
  13° de installatie voorzien van een meetinstrument van het opgevangen water dat beantwoordt aan de voorschriften van hoofdstuk VII van dit besluit.
  § 5. In het kader van het beheer en de exploitatie van de waterwinning moet de exploitant:
  1° alle noodzakelijke maatregelen en voorzorgen treffen om schade aan onroerende goederen en eventuele bronnen, waterlopen en grondwaterwinningen te voorkomen die zich bevinden binnen de invloedszone van de exploitatie, met andere woorden de zone waarvan de piëzometrie direct beïnvloed wordt door de waterwinningswerken.
  2° de maximale af te nemen volumes per dag en per jaar respecteren zoals deze zijn vastgelegd in de milieuvergunning of de aangifte;
  3° periodiek controleren of er ter hoogte van de buis geen sprake is van waterophoping (insijpeling van de bovenliggende watervoerende laag in de toezichtkamer, ...) en indien nodig het water afvoeren;
  4° de waterkwaliteitsnormen respecteren in functie van waarvoor het water gebruikt wordt en maatregelen treffen om te allen tijde de waterkwaliteit te kunnen controleren wanneer dit voor een specifieke gebruikstoepassing wordt vereist. De milieuvergunning legt de controle-intervallen en de te analyseren parameters vast in voorkomend geval;
  5° uiterlijk op 31 januari van elk jaar aan Leefmilieu Brussel de opgevangen watervolumes van het afgelopen jaar meedelen;
  § 6. Ingeval van stopzetting van de waterwinningsactiviteit moet de exploitant:
  1° onmiddellijk de stopzetting van de waterwinning aan Leefmilieu Brussel meedelen overeenkomstig artikel 63, § 1, 6° van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
  2° de pompen, waterleidingen en elektrische kabels uit de putten verwijderen;
  3° de putten (of de verbuisde boringen) dichtmaken over de volledige diepte met behulp van zwelklei of van een materiaal met een equivalente hydraulische conductiviteit en dat een perfecte dichtheid garandeert. Het vullen dient te gebeuren, van beneden naar boven. Dit dient te worden uitgevoerd door een volgens artikel 15 erkend bedrijf.
  In bepaalde gevallen echter, en vastgelegd in de vorm van een overeenkomst tussen de exploitant en Leefmilieu Brussel, kan de put ook worden aangepast en gebruikt als monitoringpunt voor het grondwater. In dit geval moet de put toegankelijk blijven voor Leefmilieu Brussel.
  § 7. Naast de voor vermelde exploitatievoorwaarden kan de milieuvergunning bijkomende exploitatievoorwaarden opleggen alsook beperkingen, met name wat betreft:
  1° de bepalingen die moeten worden gevolgd ingeval van boringen op verontreinigde of mogelijk verontreinigde bodem;
  2° de systemen die gebruikt worden voor de waterafname;
  3° de bescherming van grondwaterwinningen in de omgeving van het beoogde project;
  4° de stabiliteit van de naburige structuren en infrastructuren;
  5° de bestemming/het gebruik van het onttrokken grondwater;
  6° de modaliteiten inzake plaats, realisatie en uitvoering van de werken;
  7° de plaats van de piëzometers die bedoeld zijn voor het bepalen van de hydrogeologische parameters met betrekking tot de geëxploiteerde watervoerende laag en de daarmee gepaard gaande staalnames.

  HOOFDSTUK V. - Open geothermische systemen

  Afdeling 1. -Toepassingsgebied

  Art. 12. Dit hoofdstuk heeft betrekking op open geothermische systemen van zeer lage energie die ondiepe watervoerende lagen met een temperatuur van minder dan 30 ° C aanboren.
  Voor dit type ingedeelde inrichting is een milieuvergunning vereist volgens de modaliteiten en de voorwaarden die zijn vastgelegd in dit hoofdstuk of hieruit voortvloeien.

  Afdeling 2. - Inhoud van de aanvraag

  Art. 13. § 1. Naast de informatie die vereist is volgens artikel 10 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, dient elke milieuvergunningsaanvraag die installaties beoogt die zijn opgenomen in de rubriek 62-4-B van de lijst van ingedeelde inrichtingen, te gebeuren met behulp van het ad hoc formulier dat Leefmilieu Brussel ter beschikking stelt op zijn website.
  Het formulier bevat minstens volgende inlichtingen:
  1° de identificatie van alle partijen die betrokken zijn bij de exploitatie van het geothermische systeem, met name de eigenaar, de exploitant, het/de studiebureau(s), de hydrogeologische expert en, als gekend, het boorbedrijf ;
  2° indien de installatie wordt geplaatst op kadastrale percelen waarvan de aanvrager niet de eigenaar is, een attest waarin de eigenaar(s) of zijn (hun) gemachtigde toestemming geeft(geven) voor de installatie ervan;
  3° een detailplan met de nauwkeurige lokalisatie van de wateronttrekkings- en herinjectieputten, alsook de Lambert 72-coördinaten indien zij gekend zijn op het moment dat de vergunningsaanvraag wordt ingediend;
  4° indien een deel of het geheel van het onttrokken water van de watervoerende laag niet wordt teruggevoerd, een plan met nauwkeurige aanduiding van het/de lozingspunt(en);
  5° het soort geothermisch systeem dat is voorzien: eenvoudige onttrekking, onttrekking/herinjectie, al dan niet omkeerbaar systeem;
  6° het kader waarin het geothermische project past (industrie, tertiaire sector, wooncomplexen, eengezinswoningen, ...);
  7° de technische beschrijving van het geothermische systeem dat volgende punten omvat :
  - het aantal putten voor het oppompen en de herinjectie;
  - de kenmerken van de werken:
  a. diepte van de putten (en andere factoren die belangrijk zijn voor de dieptebepaling);
  b. filterzone (filtergedeelte);
  c. uitrusting van de ringvormige ruimten (hoogte van het filtermateriaal, bentoniet, cementering);
  - het eventuele veiligheidssysteem dat contact tussen de vloeistoffen van de primaire en de secundaire kring moet voorkomen;
  - de technische kenmerken van de warmtepomp(en);
  8° het werkingsschema, met inbegrip van de werkwijze van de regeling, van het volledige ventilatie-, koel- en/of verwarmingssysteem en de integratie van het geothermische systeem in het geheel;
  9° de piëzometrische kaart van de site met betrekking tot de geëxploiteerde watervoerende laag waarbij de stromingsrichting van de laag wordt aangegeven;
  10° de voorziene boorstaat voor de wateropvang- en herinjectiezones die is opgemaakt door een hydrogeologische expert;
  11° de evaluatie van de warmte- en koudevraag van het gebouw (kWh/jaar) van het gebouw;
  12° de schatting van het piekvermogen aan warmte en koude van het gebouw (kW);
  13° het maximumdebiet (in mü/uur) van de wateronttrekkingsinstallatie;
  14° het maximale opvang- en herinjectiedebiet (mü/uur, mü/dag) alsook het totale opgevangen en geinjecteerde volume per jaar of per seizoen (mü), vergezeld van een toelichting van deze cijfers;
  15° indien het grondwater wordt gebruikt voor andere doeleinden dan geothermie, de alternatieve gebruikstoepassingen en het opvangdebiet (mü/dag en mü/jaar);
  16° het maximale jaarlijkse niet-geïnjecteerde volume dat bedoeld is voor onderhoudswerken aan de putten;
  17° de maximale en minimale voorziene temperatuur bij de waterherinjectie;
  18° een technische nota die de impact beoordeelt van het geothermische systeem over 20 jaar op de lokale piëzometrie, op de stabiliteit van de naburige constructies en op de temperatuur van de ondergrond;
  19° de evolutie van de prestaties van de warmtepomp over 20 jaar en van het geothermische systeem, rekening houdend met een eventueel thermisch onevenwicht;
  20° de planning voor de uitvoering van het geothermische systeem.
  § 2. Voorafgaand aan de indiening van elke aanvraag voor de uitvoering van een nieuw geothermisch systeem, is de aanvrager verplicht de inventaris van de bodemtoestand te raadplegen om er zeker van te zijn dat er geen sprake is van verontreiniging op het perceel waar het/de geothermische syste(e)m(en) wordt/worden geplaatst. Indien de bodem is opgenomen in categorie 3(+0) of 4(+0) in de zin van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, moet de aanvrager bij Leefmilieu Brussel navraag doen over de haalbaarheid van het project. Hij doet dit door een advies te vragen aan Leefmilieu Brussel, vergezeld van een rapport dat opgesteld is door een bodemverontreinigingsdeskundige, erkend in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die de mogelijke impact evalueert van de voorziene grondwaterwinning op bodemverontreiniging. Leefmilieu Brussel spreekt zich uit over de haalbaarheid van het project binnen de zestig dagen na ontvangst van de adviesaanvraag.
  § 3. Leefmilieu Brussel heeft het recht om tijdens het onderzoek van het dossier bijkomende informatie te vragen met betrekking tot het project.
  § 4. In functie van de plaats van de installatie raadpleegt Leefmilieu Brussel eender welke natuurlijke persoon of rechtspersoon en administratieve dienst of instantie en wint zijn/haar advies in wanneer zij dit nodig acht overeenkomstig artikel 13 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.

  Afdeling 3. - Exploitatievoorwaarden

  Art. 14. § 1. Onverminderd de bijzondere exploitatievoorwaarden die worden opgelegd op basis van artikel 56 van de ordonnantie van 5 juni 1997 met betrekking tot de milieuvergunningen, streeft de milieuvergunning voor de installaties die vallen onder de rubriek 62-4, B), naar een duurzame en rationele exploitatie van het grondwater opdat de vastgelegde doelstellingen overeenkomstig artikel 12 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid, nageleefd worden. De milieuvergunning kan hiervoor de watervoerende laag die wordt aangeboord, en waarnaar het water kan worden teruggevoerd, preciseren alsook de diepte van de wateronttrekkings- en herinjectieputten aangeven.
  § 2. Voor de exploitant overgaat tot de boringswerken, moet hij:
  1° zich ervan vergewissen dat er geen ondergrondse leidingen aanwezig zijn (gas, water, elektriciteit,...) en andere installaties in de buurt van de boring(en) overeenkomstig de ordonnantie van 26 juli 2013 betreffende de toegang tot en de uitwisseling van informatie over ondergrondse kabels, buizen en leidingen;
  2° Leefmilieu Brussel per post of per e-mail de datum van de boringswerken minstens twee weken op voorhand meedelen.
  § 3. Tijdens de boringswerken moet de exploitant:
  1° beroep doen op een erkend boorbedrijf overeenkomstig artikel 15;
  2° alle nodige maatregelen en voorzorgen nemen om de stabiliteit van de naburige structuren en infrastructuren gedurende de boringswerken te garanderen. Indien nodig moet er door een stabiliteitsingenieur een stabiliteitsstudie worden gedaan;
  3° erover waken dat de gebruikte boortechniek de stabiliteit van de put garandeert, ongeacht het type terrein;
  4° alle nodige voorzorgsmaatregelen treffen om een accidentele verontreiniging van de grondwaterlagen tijdens de boringswerken door directe en/of indirecte verontreiniging met vervuilende stoffen die relevant zijn voor het grondwater, te voorkomen (gebruik van goed functionerend en proper materieel, gebruik van aangepaste vetten voor de boorgaten, installatie van opvangsystemen onder al het materieel dat mogelijk koolwaterstoffen kan lekken zoals de aggregaten, motoren enz., het uitvoeren van geschikte metingen met betrekking tot de bevoorrading en de opslag van brandstof enz.);
  5° onmiddellijk de boringswerken stopzetten wanneer er een verontreiniging van de bodem en/of het grondwater wordt aangetroffen en Leefmilieu Brussel waarschuwen. In dit geval mogen de boringswerken pas worden hervat op het moment dat Leefmilieu Brussel hiervoor toestemming geeft;
  6° erop toezien dat het water of het waterachtige mengsel (water en additieven om de boorputten te stabiliseren of andere toeslagstoffen) dat wordt gebruikt voor de boortechniek in geen geval de bodem of het grondwater kan verontreinigen. Enkel het water van het distributienet of een water met dezelfde waterkwaliteit mag worden gebruikt;
  7° gedurende de uitvoering van de boringswerken het gebruikte water zoveel mogelijk recycleren (werken in gesloten kring);
  8° onverminderd punt 7, erop toezien dat al het afvalwater dat wordt gegenereerd door de boringswerken wordt afgevoerd: ofwel naar de openbare riolering, ofwel naar een oppervlaktewater op voorwaarde dat de normen voor afvoer naar de riolering of naar oppervlaktewater worden gerespecteerd. Een waterbehandelingsysteem dient indien nodig te worden geïnstalleerd voor lozing. Wanneer het water in een tankwagen wordt gepompt, moet dit water overeenkomstig de geldende wetgeving van het ontvangende land of de ontvangende regio worden afgevoerd;
  9° alle noodzakelijke maatregelen nemen om geluidshinder gedurende de boringswerken te beperken;
  10° binnen twee maanden na de uitvoering van de boringswerken aan Leefmilieu Brussel een gedetailleerde beschrijving van de boringswerken overhandigen. Deze beschrijving bevat:
  a. de datum van uitvoering van de boringswerken;
  b. de uitrusting, met name:
  - de diepte en de diameter van de boring,
  - de binnen- en buitendiameter van de verbuizing,
  - de hoogte van het blinde gedeelte en het filtergedeelte van de filterbuizen,
  - de hoogte van het filtermateriaal, de zwellende klei en de cementering,
  c. de lithostratigrafie:
  - de hoogte van de doorboorde stratigrafische eenheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (SE/BHG),
  - de lithografie en stratigrafie van de doorboorde stratigrafische eenheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (SE/BHG),
  d. de piëzometrie:
  - het statische niveau,
  - het dynamische niveau en het pompdebiet.
  e. een beschrijving van de eventuele problemen die zijn opgedoken tijdens de boringswerken.
  Is deze gedetailleerde beschrijving niet voorhanden, dan mag de grondwateronttrekking niet worden uitgevoerd.
  § 4. Vóór de installatie van het/de onttrekkings-herinjectiesyste(e)m(en) moet de exploitant:
  1° een beroep doen op een erkend boorbedrijf overeenkomstig artikel 15;
  2° het grondwater herinjecteren naar dezelfde watervoerende laag als het water dat is onttrokken.
  Elke afwijking van deze voorwaarde dient te worden voorafgegaan door een gemotiveerde aanvraag en moet worden goedgekeurd door Leefmilieu Brussel;
  3° alle noodzakelijke maatregelen nemen om een directe verontreiniging van het grondwater via de wateronttrekkingsput en de eventuele piëzometers te vermijden (waterdichte toezichtkamer, verbuizing die uitsteekt boven het grondoppervlak, waterdichtheid van de ringvormige, interstitiële ruimte ter hoogte van de bovenkant van de put door cementering, ...);
  4° alle noodzakelijke maatregelen nemen om te voorkomen dat de watervoerende lagen met elkaar in contact komen. De uitrusting moet bijgevolg zorgen voor een perfecte isolering van deze watervoerende lagen:
  - Het filtergedeelte wordt direct in de betreffende watervoerende laag geplaatst en mag in geen geval uitsteken boven de bovenliggende en onderliggende hydrogeologische eenheden. De afmetingen van de filteropeningen ervan (slot) hangen af van de lithologie van de betreffende watervoerende laag;
  - Er moet gebruik gemaakt worden van een filtermateriaal in het filtergedeelte met een granulometrie die is afgestemd op de granulometrie van de watervoerende laag. Het filtermateriaal mag in geen geval uitsteken boven de bovenliggende en onderliggende hydrogeologische eenheden;
  - Zwellende klei of een materiaal met een equivalente hydraulische conductiviteit moet gebruikt worden om de resterende ringvormige ruimte op te vullen om de watervoerende lagen/aquitards te isoleren. De zwellende klei of het gebruikte materiaal moet op gelijkmatige wijze worden geplaatst in de ringvormige ruimte en worden verspreid over de bovenliggende in te sluiten geologische lagen;
  - De dikte van de ringvormige ruimte tussen de verbuizing en de doorboorde lagen moet voldoende zijn om een goede vulling en een afdoende waterdichtheid van deze ruimte te garanderen. De ringvormige ruimte mag in geen geval worden gevuld met boorsel of "cuttings";
  5° de toegang tot de werken beveiligen en ervoor zorgen dat de werken alleen toegankelijk zijn voor bevoegde personen (beveiligd lokaal, beveiligde toezichtkamer,...);
  6° alle nodige maatregelen treffen om schade aan de werken en piëzometers te vermijden wanneer er werken in de nabijheid worden uitgevoerd;
  7° garanderen dat de installatie een gemakkelijke en nauwkeurige meting toelaat van de opeenvolgende niveaus van de watervoerende laag door middel van bijvoorbeeld een "geleidingsfilterbuis" met een kleine diameter die wordt geplaatst in de verbuizing zelf en die het de operator mogelijk maakt om een piëzometrische sonde in te brengen;
  8° alle herinjectiesystemen van meer dan 30.000 mü/jaar uitrusten met een automatisch temperatuurregistratiesysteem;
  9° ervoor zorgen dat de installatie toelaat om representatieve waterstalen van het grondwater te nemen. Hiervoor moet het mogelijk zijn om direct van de pompleiding een waterstaal af te nemen, voordat eender welke behandeling wordt gestart;
  10° ervoor te zorgen dat het leidingstelsel zodanig is ontworpen dat het trillingsvrij, en in het bijzonder zonder enige resonantie, functioneert;
  11° elk wateropvang- en herinjectiesysteem voorzien van een meetinstrument van het opgevangen en het teruggevoerde water, dat beantwoordt aan de voorschriften van hoofdstuk VII van dit besluit.
  De meetinstrumenten van de volumes mogen niet functioneren als terugtelmeter wanneer het een omkeerbaar geothermisch systeem betreft;
  12° een meetinstrument installeren om het debiet van het opgevangen en niet in de waterlaag teruggevoerde water te controleren (bijv. spuiwater, spoelwater,...). Dit meetinstrument moet gemakkelijk toegankelijk zijn voor Leefmilieu Brussel, zodat zij de hoeveelheden opgevangen, teruggevoerd en niet-teruggevoerd (bypass) water kan controleren;
  13° een dubbelwandige warmtewisselaar voorzien tussen de primaire en secundaire kring wanneer de vloeistof van de secundaire kring het grondwater kan contamineren. Bij gebrek hieraan, moet de primaire kring in overdruk geplaatst worden ten op zichte van de secundaire kring en moet een lekdetectiesysteem met alarm geïnstalleerd worden. In geval van lekken, wordt de herinjectie in grondwater automatisch stopgezet en wordt het systeem hersteld voor er opnieuw geherinjecteerd wordt;
  § 5. In het kader van het beheer en de exploitatie van het geothermische systeem moet de exploitant:
  1° alle noodzakelijke maatregelen en voorzorgen treffen om schade aan onroerende goederen en eventuele bronnen, waterlopen en grondwaterwinningen te voorkomen die zich bevinden binnen de invloedszone van de exploitatie, met andere woorden de zone waarvan de piëzometrie direct beïnvloed wordt door de wateronttrekkingswerken en door de herinjectie;
  2° de maximale opgevangen, teruggevoerde en niet-teruggevoerde watervolumes per dag en per jaar respecteren zoals deze zijn vastgelegd in de milieuvergunning;
  3° onmiddellijk het geothermische systeem stoppen en Leefmilieu Brussel verwittigen in het geval dat de maximale volgens de milieuvergunning toegestane opgevangen, teruggevoerde en niet-teruggevoerde watervolumes niet kunnen worden gerespecteerd;
  4° indien de putten chemisch worden geregenereerd, moet de beoogde methodologie worden voorgelegd voor goedkeuring aan Leefmilieu Brussel;
  5° periodiek controleren of er ter hoogte van de buis geen sprake is van waterophoping (insijpeling van de bovenliggende watervoerende laag in de toezichtkamer,...) en indien nodig het water afvoeren;
  6° ervoor zorgen dat de temperatuur van het teruggevoerde water tussen 4 ° C en 25 ° C ligt; indien nodig past hij de systeemregeling aan zodat de toegestane temperatuurwaarden gerespecteerd kunnen worden;
  7° ervoor zorgen dat het opgevangen, niet-teruggevoerde volume water niet meer dan 500 mü per put per jaar bedraagt. De milieuvergunning kan afwijken van deze verplichting;
  8° uiterlijk op 31 januari van elk jaar aan Leefmilieu Brussel de opgevangen, teruggevoerde en niet-teruggevoerde watervolumes van het afgelopen jaar meedelen.
  § 6. In geval van stopzetting van een geothermisch systeem moet de exploitant:
  1° onmiddellijk de stopzetting van de wateronttrekking aan Leefmilieu Brussel meedelen overeenkomstig artikel 63, § 1, 6° van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
  2° de pompen, waterleidingen en elektrische kabels uit de putten verwijderen;
  3° de putten (of de verbuisde boringen) dichtmaken over de volledige diepte met behulp van zwelklei of van een materiaal met een equivalente hydraulische conductiviteit en dat een perfecte dichtheid garandeert. Het vullen dient te gebeuren van beneden naar boven. Dit dient te worden uitgevoerd door een volgens artikel 15 erkend bedrijf.
  In bepaalde gevallen echter, en vastgelegd in de vorm van een overeenkomst tussen de exploitant en Leefmilieu Brussel, kan de put ook worden aangepast en gebruikt als monitoringpunt voor het grondwater. In dit geval moet de put toegankelijk blijven voor Leefmilieu Brussel.

  HOOFDSTUK VI. - Erkenning van de boringsbedrijven

  Art. 15. § 1. De bedrijven die booractiviteiten uitvoeren, moeten over een erkenning beschikken die uitgereikt werd overeenkomstig artikelen 70 tot 78 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. Een erkenning, uitgereikt met inachtneming van de voorwaarden vastgelegd in paragraaf 2, is nodig voor de handelingen van plaatsing, wijziging, renovatie en buiten bedrijfstelling van een waterwinning- of wateronttrekkingssysteem zoals beoogd in de hoofdstukken II, III, IV en V van dit besluit, met uitzondering van de technieken voor bronbemalingen waarbij geen boorput nodig is.
  § 2. De aanvrager van de erkenning voor booractiviteiten moet voldoen aan volgende bijzondere voorwaarden :
  1° als de aanvrager een rechtspersoon is, moet hij beschikken over ten minste één natuurlijke persoon aanwezig op het terrein om de boringswerken uit te voeren. Deze persoon beschikt over:
  - een praktische ervaring van minimaal drie jaar in het uitvoeren van werken beoogd door deze erkenning, verworven binnen vijf jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag ;
  - een kennis van de verschillende boortechnieken en van de lokale hydrogeologische context ;
  - voldoende kennis van de wetgeving en de reglementering rond boorwerkzaamheden en bescherming van grondwater in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
  2° als de aanvrager een natuurlijke persoon is, moet hij voldoen aan de voorwaarden van punt 1° ;
  3° als het gaat om een persoon die houder is van een gelijkwaardig document dat is uitgereikt in een ander Gewest of een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, moet de aanvrager kennis genomen hebben van een specifieke informatiefiche rond boorwerkzaamheden en moet hij deze goedkeuren om aanspraak te kunnen maken op een gelijkwaardigheid van de erkenning, specifiek voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ;
  4° de aanvrager mag niet strafrechtelijk vervolgd zijn geweest in de drie jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag voor feiten in overtreding van de milieuwetgeving die verband houdt met boorwerkzaamheden ;
  5° de erkenning van de aanvrager mag niet ingetrokken geweest zijn, overeenkomstig artikel 77 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, in de twee jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag omwille van het niet respecteren van één of meerdere erkenningsvoorwaarden.
  § 3. De minister van Leefmilieu is bevoegd om de inhoud van de infofiche als bedoeld in paragraaf 2, 3° vast te leggen en de procedure en voorwaarden van de erkenning van dit artikel te verduidelijken.

  HOOFDSTUK VII. - Meetinstrumenten voor de volumes opgevangen water

  Art. 16. § 1. Elk meetinstrument dat de volumes gewonnen of onttrokken water meet, vast of mobiel, moet in overeenstemming zijn met bijlage III van het koninklijk besluit van 15 april 2016 met betrekking tot de meetinstrumenten. Het meetinstrument moet worden geïnstalleerd, onderhouden en gebruikt volgens de instructies van de fabrikant.
  § 2. Elk meetinstrument dat gebruikt wordt, moet aangepast zijn aan het type water dat gemeten wordt opdat de goede werking ervan niet wordt gehinderd door de aanwezigheid van eventuele elementen die in het water aanwezig zouden zijn (deeltjes, elementen in oplossing,...).
  § 3. Elk vast meetinstrument dient te worden onderworpen aan een herijk of statistische technische controle overeenkomstig het koninklijk besluit van 25 maart 2016 betreffende de opvolging in bedrijf van de koudwatermeters.
  § 4. Elk mobiel meetinstrument dient jaarlijks te worden herijkt. Deze controle wordt uitgevoerd door een hiervoor erkende keuringsinstelling overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 25 maart 2016 betreffende de opvolging in bedrijf van de koudwatermeters.
  § 5. Wanneer meerdere waterwinningen of wateronttrekkingen op één site grondwater onttrekken in verschillende watervoerende lagen, moet het meetinstrument toelaten de watervolumes te meten die daadwerkelijk onttrokken zijn in elk van deze watervoerende lagen.
  § 6. Een meetinstrument dat voor een revisie, voor een ijking of voor eender welke andere reden buiten gebruik wordt gesteld, wordt zo spoedig mogelijk vervangen of hersteld. De exploitant informeert hierover onmiddellijk Leefmilieu Brussel en vermeldt daarbij:
  1° de oorzaak van de stopzetting;
  2° de geschatte duur van de stopzetting;
  3° de naam van de verantwoordelijke die kan worden gecontacteerd voor meer informatie;
  4° de datum waarop de installatie weer in bedrijf wordt genomen.
  Deze elementen worden per post of per e-mail bevestigd aan Leefmilieu Brussel. De hoeveelheid gewonnen of onttrokken water gedurende deze periode wordt bepaald door extrapolatie van de vooraf vergaarde gegevens.

  HOOFDSTUK VIII. - Register van waterwinningen of -onttrekkingen

  Art. 17. Leefmilieu Brussel houdt een register bij van alle grondwaterwinningen of -onttrekkingen overeenkomstig artikel 44, § 2, 5° van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid.
  Hiervoor stelt zij voor elk waterwinnings- of onttrekkingspunt een kaart op en vermeldt daarop de jaarlijks onttrokken volumes water.
  Dit register is conform de standaardiserings- en coherentie-eisen van de ordonnantie van 28 oktober 2010 betreffende de ruimtelijke informatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en wordt up-to-date gehouden en is toegankelijk via de website die is gewijd aan het waterbeleid zoals beoogd in artikel 51, § 2 van voorvermelde ordonnantie.

  HOOFDSTUK IX. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen

  Afdeling 1. - Wijzigingsbepalingen

  Art. 18. In het koninklijk besluit van 19 juni 1989 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door gevaarlijke, schadelijke of toxische stoffen voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in artikel 1, wordt punt b) als volgt vervangen: " b) Leefmilieu Brussel : instelling van openbaar nut die is opgericht door het koninklijk besluit van 8 maart 1989";
  2° in de artikelen 4, 5, 8, 12 en 16 worden de woorden "de Minister" telkens vervangen door de woorden "Leefmilieu Brussel";
  3° in de artikelen 13, 15 en 19, worden de woorden "de Administratie " telkens vervangen door de woorden "Leefmilieu Brussel".

  Art. 19. In het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen zoals recentelijk gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 januari 2018 betreffende de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties, worden volgende wijzigingen aangebracht in de bijlage:
  1° in rubriek 28.1 worden de woorden ", - boringen en grondwaterwinningen toegevoegd na het woord " - saneringswerven";
  2° rubriek 62 wordt vervangen overeenkomstig de tabel in bijlage van dit besluit.

  Art. 20. In het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 september 2008 tot vaststelling van de lijst met inrichtingen van openbaar nut waarvoor de milieuattesten en -vergunningen door het Brussels Instituut voor Milieubeheer worden afgeleverd, wordt er in artikel 1 een punt 12° toegevoegd dat als volgt luidt:"12° grondwaterwinningen".

  Afdeling 2. - Opheffingsbepaling

  Art. 21. Worden opgeheven:
  1° het koninklijk besluit van 21 april 1976 tot reglementering van het gebruik van grondwater;
  2° het koninklijk besluit van 13 juli 1976 tot reglementering van het gebruik van het bij de exploitatie van mijnen andere dan steenkoolmijnen, graverijen, groeven en ondergrondse uitgravingen toevallig toevloeiend grondwater;
  3° het koninklijk besluit van 9 augustus 1976 betreffende de telling van de vóór 15 juli 1947 in gebruik genomen grondwaterwinningen;
  4° het koninklijk besluit van 1 oktober 1976 tot uitvoering van de wet van 9 juli 1976 betreffende de reglementering van de exploitatie van grondwaterwinningen;
  5° het koninklijk besluit van 26 juni 1985 tot aanwijzing van de overheden belast met de toepassing in het Brusselse Gewest, van bepaalde reglementsbeschikkingen inzake bescherming en exploitatie van grondwater;
  6° het ministerieel besluit van 26 juni 1985 tot aanwijzing van de overheden belast met de toepassing, in het Brusselse Gewest, van bepaalde reglementsbeschikkingen inzake bescherming en exploitatie van grondwater;
  7° het koninklijk besluit van 26 februari 1987 betreffende de telling van grondwaterwinning in het Brusselse Gewest;
  8° het koninklijk besluit van 18 september 1987 betreffende de bescherming van het grondwater in het Brusselse Gewest tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen;
  9° het artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 19 juni 1989 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door gevaarlijke, schadelijke of toxische stoffen voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;
  10° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 februari 1997 tot vaststelling van de voorwaarden voor de meting van de hoeveelheid van de waterwinning.

  Afdeling 3. - Overgangsbepalingen

  Art. 22. De beoordeling van de aanvragen voor vergunningen en aangiftes met als doel grondwaterwinning of -onttrekking die zijn ingediend vóór dat dit besluit van kracht wordt, gebeurt volgens de regels zoals die op het moment van de indiening van de aanvraag van toepassing zijn.

  Art. 23. De exploitanten van de voor de inwerkingtreding van dit besluit bestaande grondwaterwinningen of -onttrekkingen en open geothermische systemen zijn verplicht een waterafnamepunt te installeren rechtstreeks op de pompleiding vóór elke behandeling evenals een meetinstrument voor het meten van het watervolume en dit binnen de twee jaar, te tellen vanaf het moment dat dit besluit in werking treedt.

  Art. 24. De eis om over een erkenning te beschikken overeenkomstig artikel 15 is slechts van toepassing vanaf de datum die wordt bepaald door de minister van Leefmilieu op het moment dat hij/zij de inhoud van de informatiefiche bedoeld in dat artikel heeft vastgelegd.

  Afdeling 4. - Slotbepalingen

  Art. 25. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de vervaldatum van een termijn van 10 dagen te tellen vanaf de dag na de publicatie in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikel 15 dat uitwerking heeft op een latere datum die bepaald wordt door de minister van Leefmilieu.

  Art. 26. De minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGE.

  Art. N.
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 20-02-2019, p. 17566 )
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 8 november 2018.
Voor de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest:
Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
R. VERVOORT
Minister van Huisvesting, Levenskwaliteit, Leefmilieu en Energie,
C. FREMAULT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
   Gezien artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
   Gezien artikel 8 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen;
   Gezien de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren, met name artikelen 2 en 5;
   Gezien de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, met name de artikelen 4, 6, 10, 13, 14, 63, § 3, 66, 70 en 71;
   Gezien de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid, met name de artikelen 12, 2°, 36, § 3, en 44, § 2, 5°, 6° en 14° ;
   Gezien het koninklijk besluit van 8 maart 1989 tot oprichting Leefmilieu Brussel, bekrachtigd bij de wet van 16 juni 1989;
   Gezien de besluitwet van 18 december 1946 waarbij besloten werd tot het houden van een telling der grondwaterreserves en tot invoering van een reglementering van hun gebruik;
   Gezien het koninklijk besluit van 21 april 1976 tot reglementering van het gebruik van grondwater;
   Gezien het koninklijk besluit van 13 juli 1976 tot reglementering van het gebruik van het bij de exploitatie van mijnen andere dan steenkoolmijnen, graverijen, groeven en ondergrondse uitgravingen toevallig toevloeiend grondwater;
   Gezien het koninklijk besluit van 9 augustus 1976 betreffende de telling van de vóór 15 juli 1947 in gebruik genomen grondwaterwinningen;
   Gezien het koninklijk besluit van 1 oktober 1976 tot uitvoering van de wet van 9 juli 1976 betreffende de reglementering van de exploitatie van grondwaterwinningen;
   Gezien het koninklijk besluit van 26 juni 1985 tot aanwijzing van de overheden belast met de toepassing in het Brusselse Gewest, van bepaalde reglementsbeschikkingen inzake bescherming en exploitatie van grondwater;
   Gezien het ministerieel besluit van 26 juni 1985 tot aanwijzing van de overheden belast met de toepassing, in het Brusselse Gewest, van bepaalde reglementsbeschikkingen inzake bescherming en exploitatie van grondwater;
   Gezien het koninklijk besluit van 26 februari 1987 betreffende de telling van de grondwaterwinningen in het Brusselse Gewest;
   Gezien het koninklijk besluit van 18 september 1987 betreffende de bescherming van het grondwater in het Brusselse Gewest tegen verontreiniging, veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen;
   Gezien het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 februari 1997 tot vaststelling van de voorwaarden voor de meting van de hoeveelheid van de waterwinning;
   Gezien het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
   Gezien het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 september 2008 tot vaststelling van de lijst met inrichtingen van openbaar nut waarvoor de milieuattesten en -vergunningen door het Brussels Instituut voor Milieubeheer worden afgeleverd;
   Gezien de gendertest die is gerealiseerd op 27 september 2017 en overeenkomstig artikel 13, 2e paragraaf van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 april 2014 ter uitvoering van de ordonnantie van 29 maart 2012 houdende de integratie van de genderdimensie in de beleidslijnen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   Gezien de evaluatie vanuit het oogpunt van handistreaming, zoals beoogd in artikel 4, § 3 van de ordonnantie van 8 december 2016 betreffende de integratie van de handicapdimensie in de beleidslijnen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   Gezien het advies van de Raad voor Leefmilieu, dewelke via het Comité van watergebruikers binnen deze raad werd opgericht, dat is uitgegeven op 22 juni 2018;
   Gezien het advies van de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat is uitgegeven op 5 juli 2018;
   Gezien het advies van de Raad van State nr. 64.273/1, van 16 oktober 2018, in overeenstemming met artikel 84, § 1, alinea 1, 2° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973;
   Op voorstel van de Minister van Leefmilieu en Waterbeleid;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie