J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2018/10/05/2018014966/justel

Titel
5 OKTOBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen

Bron :
VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 12-12-2018 nummer :   2018014966 bladzijde : 97122       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2018-10-05/16
Inwerkingtreding : 07-10-2018

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :2007014082        2006014132        2007014083        1976033001        2009014063        2007014359       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1
HOOFDSTUK I. - Definities, toepassingsgebied en indeling van binnenwateren
Art. 2-5
HOOFDSTUK II. - Vaartcertificaten
Art. 6-18
HOOFDSTUK III. - Scheepsidentificatiegegevens, inspecties en gewijzigde technische voorschriften
Art. 19-27
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 8 maart 2007 betreffende binnenschepen die ook voor niet-internationale zeereizen worden gebruikt
Art. 28-37
Afdeling 2. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 9 maart 2007 houdende de bemanningsvoorschriften op de scheepvaartwegen van het Koninkrijk
Art. 38-42
Afdeling 3. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 7 december 2007 tot vaststelling van de tarieven van de retributies voor prestaties inzake het certificeren van vaartuigen voor de binnenvaart
Art. 43-46
Afdeling 4. - Wijziging van het koninklijk besluit van 24 september 2006 houdende vaststelling van het algemeen politiereglement voor de scheepvaart op de binnenwateren van het Koninkrijk
Art. 47
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen
Art. 48-53
BIJLAGEN.
Art. N1-N8

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, tot wijziging van Richtlijn 2009/100/EG en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG.

  HOOFDSTUK I. - Definities, toepassingsgebied en indeling van binnenwateren

  Art. 2. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° vaartuig: een schip of een drijvend werktuig;
  2° schip: een binnenschip of een zeeschip;
  3° binnenschip: een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren;
  4° passagiersschip: een schip voor dagtochten of een hotelschip dat is gebouwd en ingericht of gebruikt voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;
  5° drijvend werktuig: een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggermolens, hei-installaties of elevatoren;
  6° pleziervaartuig: een schip dat bestemd is voor sportieve of recreatieve doeleinden, met uitsluiting van de passagiersschepen;
  7° waterverplaatsing: het ingedompelde volume van het schip, in kubieke meter;
  8° lengte (L): de grootste lengte van de scheepsromp in meter, het roer en de boegspriet niet inbegrepen;
  9° stadsrondvaartboot: een schip voor dagtochten met een lengte op de waterlijn van minder dan 25 meter, dat uitsluitend is ingericht en bestemd voor rondvaarten die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
  a) de vertreklocatie van de rondvaart is gelegen in een stadskern;
  b) de rondvaart gebeurt in een vaargebied dat door de Commissie van Deskundigen afgebakend wordt en alleen binnenwateren van zone 4 omvat;
  c) de rondvaart heeft een ononderbroken maximale vaarduur van twee uur;
  10° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer;
  11° bevoegd personeelslid: het hoofd van de dienst die met scheepvaartcontrole belast is;
  12° Commissie van Deskundigen: de Commissie van Deskundigen, vermeld in artikel 2.01 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR) die eveneens de inspectie-instantie is, vermeld in artikel 2.01 van bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd;
  13° derde land: elk land dat geen lid is van de Europese Unie;
  14° binnenwateren: de openbare wateren in het Vlaamse Gewest die niet behoren tot de zeewateren, daarin begrepen de wateren aan de landzijde van de basislijn van waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, die voor de scheepvaart bestemd zijn of gebruikt worden;
  15° Richtlijn 2016/1629: Richtlijn 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, tot wijziging van Richtlijn 2009/100/EG en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG;
  16° Uniebinnenvaartcertificaat : Uniecertificaat voor binnenschepen dat door de bevoegde instantie is afgegeven, ten bewijze dat het voldoet aan de technische voorschriften.

  Art. 3. De leden van de Commissie van Deskundigen worden benoemd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer.

  Art. 4. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
  1° duwboot: een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel;
  2° sleepboot: een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen.
  § 2. Dit besluit is van toepassing op de volgende vaartuigen:
  1° schepen met een lengte (L) van 20 meter of meer;
  2° schepen waarvan het volume 100 m3 of meer bedraagt. Dat volume wordt berekend conform de volgende formule: lengte (L) x breedte (B) x diepgang (T).
  3° sleep- en duwboten die zijn bestemd om de vaartuigen of drijvende werktuigen te slepen, te duwen of langszij gekoppeld mee te voeren;
  4° passagiersschepen;
  5° drijvende werktuigen.
  In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder:
  1° breedte (B): de grootste breedte van de scheepsromp in meter, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating, schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke niet inbegrepen;
  2° diepgang (T): de verticale afstand in meter tussen het laagste punt van de scheepsromp, zonder rekening te houden met de kiel of andere vaste onderdelen en het vlak van de grootste inzinking van het schip.
  § 3. Dit besluit is niet van toepassing op:
  1° veren;
  2° marineschepen;
  3° zeeschepen, met inbegrip van zeesleepboten en zeeduwboten, die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
  a) in getijdenwateren varen of stilliggen;
  b) tijdelijk op binnenwateren varen als ze minstens beschikken over:
  1) al de volgende certificaten:
  i) een certificaat van conformiteit met het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS) of een gelijkwaardig certificaat;
  ii) een certificaat van conformiteit met het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966, of een gelijkwaardig certificaat;
  iii) een internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie (international oil pollution prevention - IOPP) als bewijs voor de conformiteit met het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973/78 (MARPOL);
  2) in geval van zeeschepen die niet onder het SOLAS-verdrag, noch het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966, noch het MARPOL-verdrag vallen: de relevante certificaten en de uitwateringsmerken die wettelijk verplicht zijn in hun vlaggenstaat;
  3) in geval van passagiersschepen die niet vallen onder de verdragen, vermeld in punt 1): een certificaat inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen dat afgegeven is overeenkomstig Richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad (8).

  Art. 5. De binnenwateren worden ingedeeld in zones conform bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

  HOOFDSTUK II. - Vaartcertificaten

  Art. 6. Vaartuigen die op de binnenwateren, vermeld in artikel 5, varen, worden gebouwd en onderhouden conform de voorschriften, vermeld in de bijlagen van dit besluit.
  Het vervullen van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, wordt aangetoond met een Uniebinnenvaartcertificaat, dat conform dit besluit wordt afgegeven.

  Art. 7. § 1. De Uniebinnenvaartcertificaten worden afgegeven door de Commissie van Deskundigen conform de bepalingen van dit besluit.
  De Commissie van Deskundigen controleert bij de afgifte van een Uniebinnenvaartcertificaat of aan het vaartuig in kwestie al een geldig certificaat is afgegeven als vermeld in artikel 8.
  § 2. Het Uniebinnenvaartcertificaat wordt opgesteld conform het model, opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
  § 3. Het Uniebinnenvaartcertificaat wordt afgegeven aan vaartuigen na een technische inspectie die wordt verricht voor de ingebruikneming van het vaartuig, waarbij wordt nagegaan of het vaartuig voldoet aan de technische voorschriften, vermeld in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd.
  § 4. Bij de technische inspectie, vermeld in paragraaf 3, en de technische inspectie, vermeld in artikel 48, of bij een technische inspectie die op aanvraag van de eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger wordt uitgevoerd, wordt in voorkomend geval nagegaan of het vaartuig voldoet aan de voorschriften, vermeld in artikel 24, eerste en tweede lid.
  § 5. De Commissie van Deskundigen bepaalt op welke wijze en volgens welke procedure een inspectie moet worden aangevraagd. Die procedure is zodanig georganiseerd dat de inspectie kan plaatsvinden binnen een redelijke termijn na de indiening van de aanvraag.
  De Commissie van Deskundigen bepaalt ook de plaats en het tijdstip van de inspectie.
  § 6. De Commissie van deskundigen kan voor vaartuigen die niet onder de toepassing van dit besluit vallen, op verzoek van de eigenaar of zijn vertegenwoordiger, ook een Uniebinnenvaartcertificaat afgeven, als dat vaartuig voldoet aan de voorschriften, vermeld in de bijlagen van dit besluit.

  Art. 8. Vaartuigen die de binnenwateren bevaren, hebben de volgende originele documenten aan boord:
  1° een van de volgende certificaten als ze de waterwegen van zone R bevaren:
  a) een certificaat dat is afgegeven op grond van artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte;
  b) als dat van toepassing is voor vaartuigen die de Rijn (zone R) bevaren conform de overgangsbepalingen van bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd: een Uniebinnenvaartcertificaat dat de volledige conformiteit van het vaartuig bewijst met de technische voorschriften, vermeld in bijlagen 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd, en waarvan de gelijkwaardigheid met de uit hoofde van de Herziene Rijnvaartakte bepaalde technische voorschriften is vastgesteld;
  2° als ze andere waterwegen bevaren dan de waterwegen, vermeld in punt 1° : een Uniebinnenvaartcertificaat of een certificaat dat is afgegeven conform artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, in voorkomend geval met inbegrip van eventuele aanvullende Uniebinnenvaartcertificaten conform artikel 9 van dit besluit.

  Art. 9. Conform artikel 24 van dit besluit kunnen voor bepaalde waterwegen aangepaste technische voorschriften worden vastgesteld die aanleiding geven tot de afgifte van een aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat.
  De Commissie van Deskundigen verstrekt het aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat conform het model dat is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, onder de voorwaarden die voor de waterwegen in kwestie zijn vastgelegd.
  Alleen vaartuigen met een geldig Uniebinnenvaartcertificaat of een certificaat dat is afgegeven conform artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, kunnen een aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat verwerven.

  Art. 10. In dit artikel wordt verstaan onder:
  1° drijvende inrichting: een drijvend bouwsel, dat door zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst, zoals een badinrichting, een dok, een steiger of een botenhuis;
  2° drijvend voorwerp: een vlot, alsook een ander voorwerp of samenstel van voorwerpen dat geschikt is gemaakt om te varen en dat geen schip, drijvend werktuig of drijvende inrichting is.
  De Commissie van Deskundigen kan een voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat afgeven aan:
  1° vaartuigen die met toestemming van de Commissie van Deskundigen naar een bepaalde plaats willen varen om een Uniebinnenvaartcertificaat te verkrijgen;
  2° vaartuigen waarvan het Uniebinnenvaartcertificaat verloren, beschadigd of tijdelijk ingetrokken is als vermeld in artikel 14 en 16 of in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd;
  3° vaartuigen waarvan het Uniebinnenvaartcertificaat na een inspectie met positief resultaat wordt voorbereid;
  4° vaartuigen die niet hebben voldaan aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een Uniebinnenvaartcertificaat, vermeld in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd;
  5° vaartuigen die zodanige schade hebben geleden dat ze niet meer voldoen aan hun Uniebinnenvaartcertificaat;
  6° drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen, als de waterwegbeheerder de vergunning voor een bijzonder transport afhankelijk heeft gesteld van het verkrijgen van een voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat conform de toepasselijke scheepvaartpolitiereglementen waarover het bijzonder transport plaatsvindt;
  7° vaartuigen die vrijgesteld zijn van de voorwaarden, vermeld in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd, conform artikel 26 en 27.
  Het voorlopig Uniebinnenvaartcertificaat wordt alleen afgegeven als de deugdelijkheid van het vaartuig, de drijvende inrichting of het drijvende voorwerp voor de vaart voldoende gewaarborgd blijkt. Het wordt opgesteld conform het model dat is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
  Het voorlopige Uniebinnenvaartcertificaat bevat de voorwaarden die de Commissie van Deskundigen noodzakelijk acht en is geldig voor de volgende termijnen:
  1° in de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1°, 4°, 5° en 6° : voor één bepaalde reis, te maken binnen een passende termijn die ten hoogste één maand bedraagt;
  2° in de gevallen, vermeld in het eerste lid, 2° en 3° : voor een passende duur;
  3° in de gevallen, vermeld in het eerste lid, 7° : gedurende zes maanden. Dat voorlopige Uniebinnenvaartcertificaat mag om de zes maanden worden verlengd.

  Art. 11. De geldigheidsduur van Uniebinnenvaartcertificaten voor nieuwe vaartuigen wordt vastgesteld door de Commissie van Deskundigen en bedraagt ten hoogste:
  1° vijf jaar voor passagiersschepen en snelle schepen;
  2° tien jaar voor alle andere vaartuigen.
  In het eerste lid, 1°, wordt verstaan onder snel schip: een schip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging dat een snelheid ten opzichte van het water kan bereiken van meer dan 40 km/h.
  De geldigheidsduur wordt op het Uniebinnenvaartcertificaat vermeld.
  Voor vaartuigen die al in bedrijf waren voordat de technische inspectie plaatsvindt, wordt de geldigheidsduur van het Uniebinnenvaartcertificaat per geval vastgesteld door de Commissie van Deskundigen, afhankelijk van de resultaten van de inspectie. Die geldigheidsduur mag evenwel niet langer zijn dan de termijn, vermeld in het eerste lid.

  Art. 12. In uitzonderlijke omstandigheden kan de Commissie van Deskundigen, conform bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd, de geldigheidsduur van het Uniebinnenvaartcertificaat dat ze heeft afgegeven of verlengd, zonder technische inspectie verlengen met maximaal zes maanden.
  De verlenging wordt in dat certificaat vermeld.

  Art. 13. Het Uniebinnenvaartcertificaat wordt vernieuwd na het verstrijken van de geldigheidsduur en conform artikel 7, en na een technische inspectie waarmee wordt nagegaan of het vaartuig voldoet aan de technische voorschriften, vermeld in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd.
  Als Uniebinnenvaartcertificaten worden vernieuwd, gelden de overgangsbepalingen, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

  Art. 14. § 1. De eigenaar van het vaartuig geeft het verlies van het Uniebinnenvaartcertificaat of van het aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat aan bij de Commissie van Deskundigen die het vermelde certificaat heeft afgegeven.
  De Commissie van Deskundigen stelt in het geval, vermeld in het eerste lid, een verklaring van verlies op, die door de eigenaar wordt ondertekend, en geeft een vervangingscertificaat af waarop wordt vermeld dat het een duplicaat betreft.
  § 2. Als een Uniebinnenvaartcertificaat of een aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat onleesbaar of onbruikbaar is geworden, zendt de eigenaar van het vaartuig het terug naar de Commissie van Deskundigen die het Uniebinnenvaartcertificaat of het aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat heeft afgegeven.
  De Commissie van Deskundigen geeft een duplicaat van het certificaat, vermeld in het eerste lid, af. Op dat duplicaat wordt vermeld dat het een duplicaat betreft.

  Art. 15. Na iedere wezenlijke wijziging of herstelling die gevolgen heeft voor de naleving door het vaartuig van de technische voorschriften over de structurele deugdelijkheid, vermeld in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd, de vaar- of manoeuvreereigenschappen of de bijzondere kenmerken ervan, wordt het vaartuig, voordat het weer in bedrijf genomen wordt, onderworpen aan het technisch onderzoek, vermeld in artikel 7. Op grond van dat onderzoek geeft de Commissie van Deskundigen een nieuw Uniebinnenvaartcertificaat met vermelding van de technische kenmerken van het vaartuig af of wijzigt de Commissie van Deskundigen het bestaande certificaat dienovereenkomstig.
  In voorkomend geval brengt De Commissie van Deskundigen de bevoegde autoriteit van de lidstaat die het oorspronkelijke certificaat heeft afgegeven of vernieuwd, daarvan binnen een maand op de hoogte.

  Art. 16. § 1. De Commissie van Deskundigen deelt elke beslissing over een weigering van afgifte of vernieuwing van het Uniebinnenvaartcertificaat mee aan de eigenaar, met de vermelding van de mogelijkheden en termijnen van beroep, vermeld in paragraaf 3.
  Elk besluit om een Uniebinnenvaartcertificaat niet af te geven of niet te vernieuwen, wordt met redenen omkleed.
  § 2. Elk Uniebinnenvaartcertificaat dat door de Commissie van Deskundigen wordt afgegeven of vernieuwd, kan door de Commissie van Deskundigen worden ingetrokken als het vaartuig niet meer voldoet aan de technische voorschriften die met zijn certificaat overeenkomen.
  § 3. Tegen de beslissingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, kan de eigenaar bij gemotiveerd verzoekschrift facultatief beroep indienen binnen veertig dagen nadat hij kennis heeft genomen van de beslissing.
  Het verzoekschrift wordt ingediend bij de minister met een aangetekende zending. Het vermeldt de naam en hoedanigheid van de verzoeker en bevat ook een kopie van de aangevochten beslissing.
  Het beroep schorst de tenuitvoerlegging niet.
  De minister neemt een beslissing binnen zestig dagen na de ontvangst van het verzoekschrift.

  Art. 17. In afwachting van de sluiting van overeenkomsten tussen de Europese Unie en derde landen over de wederzijdse erkenning van scheepscertificaten, kan de voorzitter van de Commissie van Deskundigen de scheepscertificaten van vaartuigen van derde landen erkennen om de binnenwateren van het Vlaamse Gewest te bevaren.
  De Uniebinnenvaartcertificaten worden aan de vaartuigen uit derde landen afgeleverd conform artikel 7.

  Art. 18. De Commissie van Deskundigen houdt een register bij van alle certificaten die ze heeft afgegeven of vernieuwd conform artikel 7, 9, 10 en 13.
  Het register bevat de informatie die is opgenomen in het modelcertificaat dat is opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

  HOOFDSTUK III. - Scheepsidentificatiegegevens, inspecties en gewijzigde technische voorschriften

  Art. 19. De Commissie van Deskundigen kent aan ieder vaartuig een uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer) toe conform bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd.
  Ieder vaartuig heeft maar één ENI-nummer, dat gedurende zijn hele levensduur onveranderd blijft.
  Bij de afgifte van een Uniebinnenvaartcertificaat neemt de Commissie van Deskundigen daar het ENI-nummer in op.

  Art. 20. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder EHDB - de European Hull Data Base of Europese scheepsrompendatabank: het door de Europese Commissie bijgehouden elektronisch register voor de uitwisseling van bepaalde rompgegevens tussen de autoriteiten die schepen certificeren.
  § 2. De Commissie van Deskundigen houdt de EHDB bij om administratieve maatregelen voor de instandhouding van de veiligheid en het navigatiecomfort te ondersteunen en de toepassing van dit besluit te garanderen. Elke verwerking van persoonsgegevens door Commissie van Deskundigen gebeurt conform verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
  § 3. De Commissie van Deskundigen voert voor ieder vaartuig onmiddellijk de volgende informatie in de EHDB in:
  1° de gegevens ter identificatie en beschrijving van het vaartuig conform dit besluit;
  2° de gegevens over de afgegeven, vernieuwde, vervangen en ingetrokken certificaten, en over de bevoegde instantie die het certificaat heeft afgegeven conform dit besluit;
  3° een digitale kopie van alle certificaten die zijn afgegeven door de bevoegde instanties conform Richtlijn 2016/1629;
  4° de gegevens over alle certificaataanvragen die overeenkomstig Richtlijn 2016/1629 zijn afgewezen of lopende zijn.
  5° alle veranderingen van de gegevens, vermeld in punt 1° tot en met 4°.
  § 4. De gegevens, vermeld in paragraaf 3, kunnen voor de volgende doeleinden worden verwerkt door de Commissie van Deskundigen:
  1° toepassen van dit besluit en het decreet van 19 december 2008 betreffende de River Information Services op de binnenwateren;
  2° waarborgen van binnenscheepvaart- en infrastructuurbeheer;
  3° vrijwaren of handhaven van de veiligheid van de scheepvaart;
  4° verzamelen van statistische gegevens.
  § 5. De Commissie van Deskundigen kan persoonsgegevens overdragen aan een derde land of een internationale organisatie, op voorwaarde dat die overdracht noodzakelijk is voor een van de doeleinden, vermeld in paragraaf 4, en uitsluitend per geval plaatsvindt en als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) en met name de voorwaarden die opgenomen zijn in hoofdstuk V.
  De Commissie van Deskundigen bepaalt de voorwaarden waaraan het derde land of de internationale organisatie moet voldoen in het geval, vermeld in het eerste lid.
  § 6. De Commissie van Deskundigen zorgt ervoor dat de gegevens over een vaartuig uit de EHDB worden gewist als dat vaartuig wordt gesloopt.

  Art. 21. De Commissie van Deskundigen voert de aanvankelijke, de periodieke, de bijzondere en de vrijwillige inspecties, vermeld in de artikelen 7 en 48 van dit besluit, uit.
  De Commissie van Deskundigen kan geheel of ten dele afzien van de technische inspectie van het vaartuig, als uit een geldige verklaring van een door de Europese Commissie erkend classificatiebureau blijkt dat het vaartuig geheel of ten dele voldoet aan de technische voorschriften, vermeld in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd.

  Art. 22. § 1. De minister kan voor de erkenning van een classificatiebureau dat voldoet aan de criteria, vermeld in bijlage 8, die bij dit besluit is gevoegd, een aanvraag van erkenning indienen bij de Europese Commissie.
  De aanvraag, vermeld in het eerste lid, gaat vergezeld van alle informatie en documentatie die nodig is om na te gaan of voldaan is aan de criteria voor erkenning, vermeld in bijlage 8.
  § 2. De minister kan bij de Europese Commissie een verzoek tot intrekking van de erkenning indienen als hij van mening is dat een classificatiebureau niet meer voldoet aan de criteria, vermeld in bijlage 8, die bij dit besluit is gevoegd.
  Het verzoek tot intrekking gaat vergezeld van schriftelijk bewijsmateriaal.

  Art. 23. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder aangesteld personeelslid: een personeelslid van de gewestelijke dienst die met scheepvaartcontrole belast is.
  § 2. De aangestelde personeelsleden kunnen op elk moment de volgende elementen controleren:
  1° controleren of op een vaartuig een geldig certificaat aanwezig is conform artikel 8;
  2° controleren of het vaartuig voldoet aan de gegevens, vermeld op dat certificaat;
  3° controleren of het vaartuig een klaarblijkelijk gevaar vormt voor de personen aan boord, het milieu of de scheepvaart.
  De aangestelde personeelsleden nemen de maatregelen, vermeld in paragraaf 3 tot en met 6, die passend zijn.
  De aangestelde personeelsleden verzoeken de eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger alle nodige maatregelen te nemen om de situatie recht te zetten binnen een termijn die ze vaststellen.
  De bevoegde instantie die het op het vaartuig aanwezige certificaat heeft afgegeven, wordt uiterlijk zeven dagen na de controle op de hoogte gesteld van de niet-naleving.
  § 3. Als geen geldig certificaat aan boord aanwezig is, kan het vaartuig belet worden zijn vaart voort te zetten.
  § 4. Als de aangestelde personeelsleden tijdens de controle vaststellen dat het vaartuig een kennelijk gevaar vormt voor de personen aan boord, het milieu of de veiligheid van de scheepvaart, kunnen ze beletten dat het vaartuig zijn vaart voortzet totdat de nodige maatregelen zijn genomen om de situatie recht te zetten.
  De aangestelde personeelsleden kunnen ook passende maatregelen voorschrijven die het mogelijk maken dat het vaartuig, eventueel na uitvoering van het transport, veilig verder vaart tot een plaats waar het onderzocht of hersteld wordt.
  § 5. Als het aangestelde personeelslid heeft belet dat een vaartuig zijn vaart voortzet, of de eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger op de hoogte heeft gebracht van zijn voornemen dat te beletten als de geconstateerde gebreken niet worden verholpen, brengt hij de Commissie van Deskundigen onmiddellijk op de hoogte van die beslissing of dat voornemen.
  Na onderzoek brengt de Commissie van Deskundigen de bevoegde instantie van de lidstaat die het certificaat van het vaartuig heeft afgegeven of het laatst heeft vernieuwd, binnen zeven dagen op de hoogte van de maatregelen die zijn genomen of van de maatregelen die ze van plan is te nemen.
  § 6. Iedere beslissing waardoor de reis van een vaartuig wordt onderbroken, moet grondig met redenen worden omkleed. De betrokkene wordt onmiddellijk op de hoogte gebracht van die beslissing, met vermelding van de rechtsmiddelen en de termijnen in kwestie.

  Art. 24. § 1. Voor vaartuigen die in het Vlaams Gewest waterwegen van de zone 2 bevaren, worden aanvullende technische voorschriften bepaald die gelden naast de technische voorschriften als vermeld in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd.
  De aanvullende voorschriften, vermeld in het eerste lid, zijn opgenomen in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
  § 2. Voor vaartuigen die in het Vlaams Gewest uitsluitend waterwegen van de zones 3 en 4 bevaren, worden technische voorschriften bepaald die minder streng zijn dan de technische voorschriften, vermeld in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd.
  De minder strenge technische voorschriften, vermeld in het eerste lid, zijn opgenomen in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
  § 3. In het Uniebinnenvaartcertificaat of in het aanvullende Uniebinnenvaartcertificaat wordt vermeld dat voldaan is aan de technische voorschriften, vermeld in paragraaf 1 en 2.

  Art. 25. § 1. Als een passend veiligheidsniveau wordt gehandhaafd, verleent de Commissie van Deskundigen geheel of gedeeltelijk vrijstelling van de toepassing van dit besluit voor de volgende vaartuigen die binnenwateren bevaren die niet met elkaar in verbinding staan: stadsrondvaartboten.
  In het eerste lid wordt verstaan onder binnenwateren die met elkaar in verbinding staan: de waterwegen die in verbinding staan met binnenwateren van een andere lidstaat, via binnenwateren die volgens het nationale of internationale recht kunnen worden bevaren door vaartuigen die binnen het toepassingsgebied van dit besluit vallen.
  § 2. Met behoud van de toepassing van de Herziene Rijnvaartakte staat de Commissie van Deskundigen vrijstelling van de bepalingen van dit besluit toe voor de alleenvarende duwbakken die beperkte trajecten van plaatselijk belang of in havengebieden afleggen.
  De vrijstellingen en de trajecten of de gebieden waarvoor ze gelden, worden vermeld op het certificaat van het vaartuig.
  § 3. De vrijstellingen zijn opgenomen in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd.

  Art. 26. Om innovatie en het gebruik van nieuwe technologieën in de binnenvaart aan te moedigen, kan de Commissie van Deskundigen, onder de door de Europese Commissie bepaalde voorwaarden vrijstellingen toestaan of de gelijkwaardigheid erkennen van technische specificaties voor een specifiek vaartuig voor:
  1° de afgifte van een Uniebinnenvaartcertificaat waarbij het gebruik of de aanwezigheid aan boord van een vaartuig wordt erkend van andere materialen, inrichtingen of uitrusting, of de installatie van andere opstellingen of bouwkundige kenmerken dan deze die zijn opgenomen in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd, op voorwaarde dat een gelijkwaardig veiligheidsniveau wordt gegarandeerd;
  2° de afgifte van een Uniebinnenvaartcertificaat, bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur, met nieuwe technische specificaties die afwijken van de voorschriften, vermeld in bijlagen 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd, op voorwaarde dat een adequaat veiligheidsniveau wordt gegarandeerd.
  De Commissie van Deskundigen neemt de vrijstellingen en erkenningen van gelijkwaardigheid, vermeld in het eerste lid, op in het Uniebinnenvaartcertificaat.

  Art. 27. Na het verstrijken van de overgangsbepalingen voor de technische voorschriften die opgenomen zijn in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, kan de Commissie van Deskundigen, onder de door de Europese Commissie bepaalde voorwaarden, vrijstellingen toestaan van de voormelde technische voorschriften waarop de voormelde overgangsbepalingen van toepassing zijn, als die voorschriften technisch moeilijk uitvoerbaar zijn of de toepassing ervan mogelijk onevenredige kosten vergt.
  De Commissie van Deskundigen neemt de vrijstellingen, vermeld in het eerste lid, op in het Uniebinnenvaartcertificaat.

  HOOFDSTUK IV. - Wijzigingsbepalingen

  Afdeling 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 8 maart 2007 betreffende binnenschepen die ook voor niet-internationale zeereizen worden gebruikt

  Art. 28. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 maart 2007 betreffende binnenschepen die ook voor niet-internationale zeereizen worden gebruikt, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 maart 2009, 13 maart 2011 en 7 mei 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt c) wordt vervangen door wat volgt:
  "c) Commissie van Deskundigen: de Commissie van Deskundigen, vermeld in artikel 2.01 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR) die tevens de inspectie-instantie is, vermeld in artikel 2.01 van bijlage 7 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen;";
  2° punt d) wordt vervangen door wat volgt:
  "d) geannoteerd aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat": een aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat als vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, dat conform de bepalingen van dit besluit geannoteerd is;".

  Art. 29. In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 maart 2009 en 4 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt a) wordt vervangen door wat volgt:
  "a) van het Uniebinnenvaartcertificaat, vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen of het certificaat van onderzoek dat is afgegeven conform artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte;";
  2° punt b) wordt vervangen door wat volgt:
  "b) van het aanvullend Uniebinnenvaartcertificaat, vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, dat daarvoor conform de bepalingen van dit besluit geannoteerd is; en".

  Art. 30. In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de inleidende zin worden de woorden "geannoteerd aanvullend communautair binnenvaartcertificaat" vervangen door de woorden "geannoteerd aanvullend Unie binnenvaartcertificaat";
  2° in punt 1° wordt de zinsnede "koninklijk besluit van 1 juni 1993 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen" vervangen door de zinsnede "besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen".

  Art. 31. In artikel 7 van hetzelfde besluit worden de woorden "geannoteerde aanvullende communautaire certificaat" vervangen door de woorden "geannoteerde aanvullende Uniebinnenvaartcertificaat".

  Art. 32. In hetzelfde besluit, wordt het opschrift van hoofdstuk II vervangen door wat volgt:
  "HOOFDSTUK II. - Bijzondere bepalingen betreffende de afgifte van het geannoteerde aanvullende Uniebinnenvaartcertificaat".

  Art. 33. In artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "koninklijk besluit van 1 juni 1993 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen" wordt vervangen door de zinsnede "besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen";
  2° de woorden "communautair binnenvaartcertificaat" worden vervangen door het woord "Uniebinnenvaartcertificaat".

  Art. 34. In artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "koninklijk besluit van 1 juni 1993 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen" wordt vervangen door de zinsnede "besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen";
  2° de woorden "communautair binnenvaartcertificaat" worden vervangen door het woord "Uniebinnenvaartcertificaat";
  3° de woorden "voor Onderzoek" worden vervangen door de woorden "van Deskundigen;".

  Art. 35. In artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "13 van het koninklijk besluit van 1 juni 1993 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen" wordt vervangen door de zinsnede "11, eerste lid, b), van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen";
  2° de woorden "voor Onderzoek" worden vervangen door de woorden "van Deskundigen";
  3° de woorden "communautair binnenvaartcertificaat" worden telkens vervangen door het woord "Uniebinnenvaartcertificaat".

  Art. 36. In artikel 11 van hetzelfde besluit worden de woorden "communautair certificaat" vervangen door het woord "Uniebinnenvaartcertificaat".

  Art. 37. In artikel 12 van hetzelfde besluit worden de woorden "communautaire certificaat" vervangen door het woord "Uniebinnenvaartcertificaat".

  Afdeling 2. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 9 maart 2007 houdende de bemanningsvoorschriften op de scheepvaartwegen van het Koninkrijk

  Art. 38. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 9 maart 2007 houdende de bemanningsvoorschriften op de scheepvaartwegen van het Koninkrijk, vervangen bij het koninklijk besluit van 30 november 2001 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 2° worden punt a) en punt b) vervangen door wat volgt:
  "a) het Uniebinnenvaartcertificaat afgegeven conform het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen of;
  b) het Uniebinnenvaartcertificaat afgegeven conform Richtlijn nr. 2016/1629 EU van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen of;";
  2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
  "3° Commissie van Deskundigen: de Commissie van Deskundigen, vermeld in artikel 2.01 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR) die eveneens de inspectie-instantie is, vermeld in artikel 2.01 van bijlage 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen;";
  3° punt 23° wordt vervangen door wat volgt:
  "23° stadsrondvaartboot: een schip voor dagtochten met een lengte op de waterlijn van minder dan 25 meter, dat uitsluitend is ingericht en bestemd voor rondvaarten die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
  a) de vertreklocatie is gelegen in een stadskern;
  b) de rondvaart gebeurt in een vaargebied dat door de Commissie van Deskundigen afgebakend wordt en dat alleen binnenwateren van zone 4 omvat;
  c) de rondvaart heeft een ononderbroken maximale vaarduur van twee uur.".

  Art. 39. In artikel 15, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 2011, worden de woorden "communautair certificaat" vervangen door het woord "Uniebinnenvaartcertificaat".

  Art. 40. In artikel 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, j), worden de woorden "communautair certificaat" vervangen door het woord "Uniebinnenvaartcertificaat";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "Commissie voor Onderzoek" vervangen door de woorden "Commissie van Deskundigen".

  Art. 41. In artikel 19/1, 24/1 en 25/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 30 november 2011, wordt de zinsnede "het koninklijk besluit van 19 maart 2009 betreffende de technische voorschriften voor binnenschepen" telkens vervangen door de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen;".

  Art. 42. Artikel 28 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 2011, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 28. De Commissie van Deskundigen kan, voor de vaartuigen waarop de hoofdstukken V tot en met IXbis, niet van toepassing zijn, vaststellen welke bemanning zich tijdens de vaart aan boord moet bevinden, naargelang hun afmetingen, bouwwijze, inrichting en bestemming.
  De Commissie van Deskundigen kan bij uitzondering tijdelijke afwijkingen toestaan.
  De Commissie van Deskundigen kan, als ze dat nodig acht om de veiligheid te verzekeren, een hogere minimumbemanning vaststellen.".

  Afdeling 3. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 7 december 2007 tot vaststelling van de tarieven van de retributies voor prestaties inzake het certificeren van vaartuigen voor de binnenvaart

  Art. 43. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 december 2007 tot vaststelling van de tarieven van de retributies voor prestaties inzake het certificeren van vaartuigen voor de binnenvaart, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 maart 2009 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 5° wordt vervangen door wat volgt:
  "5° certificaat van onderzoek: een certificaat dat is afgegeven conform artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte;";
  2° punt 6° wordt vervangen door wat volgt:
  "6° Uniebinnenvaartcertificaat: een certificaat als vermeld in artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen;";
  3° punt 7° wordt vervangen door wat volgt:
  "7° klassecertificaat: een certificaat of een verklaring afgegeven door een erkend classificatiebureau als vermeld in artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen;";
  4° in punt 8° wordt de zinsnede "Commissie voor Onderzoek van Rijnschepen, opgericht bij toepassing van de bepalingen van het Reglement betreffende het onderzoek van Rijnschepen, goedgekeurd bij het koninklijk besluit van 30 maart 1976" vervangen door de zinsnede "de Commissie van Deskundigen, vermeld in artikel 2.01 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR) die eveneens de inspectie-instantie is, vermeld in artikel 2.01 van bijlage 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen".

  Art. 44. In artikel 2 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "Commissie voor Onderzoek van Rijnschepen opgericht bij toepassing van de bepalingen van het Reglement betreffende het onderzoek van Rijnschepen, goedgekeurd bij het koninklijk besluit van 30 maart 1976" vervangen door de zinsnede "de Commissie van Deskundigen, vermeld in artikel 2.01 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR) die eveneens de inspectie-instantie is, vermeld in artikel 2.01 van bijlage 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen".

  Art. 45. Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

  Art. 46. In de bijlage van hetzelfde besluit worden de woorden "communautair certificaat" telkens vervangen door het woord "Uniebinnenvaartcertificaat".

  Afdeling 4. - Wijziging van het koninklijk besluit van 24 september 2006 houdende vaststelling van het algemeen politiereglement voor de scheepvaart op de binnenwateren van het Koninkrijk

  Art. 47. In artikel 4.07 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 24 september 2006 houdende vaststelling van het algemeen politiereglement voor de scheepvaart op de binnenwateren van het Koninkrijk, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2017, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 1 wordt vervangen door wat volgt:
  "1. Een schip is uitgerust met een Inland AIS-apparaat als vermeld in artikel 7.06, derde lid, van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR) of artikel 7.06, derde lid, van bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften van binnenschepen. Het Inland AIS-apparaat functioneert goed.
  De eerste volzin geldt niet voor de volgende schepen:
  1° de schepen van duwstellen en gekoppelde samenstellen, met uitzondering van het schip dat hoofdzakelijk voor het voortbewegen zorgt;
  2° de kleine schepen, met uitzondering van:
  a) de schepen van de politie die met een radarapparaat zijn uitgerust;
  b) de schepen die van een certificaat zijn voorzien conform het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR) of van een certificaat dat krachtens dat reglement als gelijkwaardig erkend is;
  3° de duwbakken zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging;
  4° de drijvende werktuigen en pontons zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging;
  5° de stadsrondvaartboten als vermeld in bijlage 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften van binnenschepen, als ze zich alleen op de routes van de rondvaart begeven.";
  2° punt 6 wordt vervangen door wat volgt:
  "6. Een klein schip dat AIS gebruikt, mag uitsluitend een Inland AIS-apparaat als vermeld in artikel 7.06, derde lid, van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn(ROSR) of bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften van binnenschepen, een krachtens de IMO-voorschriften typegoedgekeurd AIS-apparaat van klasse A of een AIS-apparaat van klasse B gebruiken. Het AIS-apparaat functioneert goed en de in het AIS-apparaat ingevoerde gegevens komen op ieder moment overeen met de werkelijke gegevens van het schip of samenstel.".

  HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen

  Art. 48. De volgende regelingen worden opgeheven:
  1° het koninklijk besluit van 30 maart 1976 houdende goedkeuring van het Reglement betreffende het onderzoek van Rijnschepen, het laatst gewijzigd bij 21 februari 1995;
  2° het koninklijk besluit van 19 maart 2009 betreffende de technische voorschriften voor binnenschepen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2017.

  Art. 49. Documenten die onder dit besluit vallen en die zijn afgegeven voor 7 oktober 2018 met toepassing van Richtlijn 2006/87/EG door de bevoegde instanties van de lidstaten, blijven geldig tot de geldigheidsduur ervan verstrijkt.

  Art. 50. Voor vaartuigen die uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van Richtlijn 82/714/EEG van de Raad, maar die conform artikel 4, § 2, van dit besluit, onder de toepassing van dit besluit vallen, wordt het Uniebinnenvaartcertificaat afgegeven na een technisch inspectie om na te gaan of het vaartuig voldoet aan de technische voorschriften, vermeld in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd. Die technische inspectie wordt verricht na het verstrijken van het huidige certificaat van het vaartuig, en uiterlijk op 30 december 2018.
  Als het vaartuig niet voldoet aan de technische voorschriften, vermeld in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd, wordt daarvan melding gemaakt in het Uniebinnenvaartcertificaat. Als de Commissie van Deskundigen van oordeel is dat die tekortkomingen geen kennelijk gevaar opleveren, kunnen de vaartuigen, vermeld in het eerste lid, in bedrijf blijven totdat de onderdelen of ruimten van het vaartuig die zijn gecertificeerd als niet in overeenstemming met de voorschriften, zijn vervangen of aangepast, waarna die onderdelen of ruimten moeten voldoen aan de technische voorschriften, vermeld in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd.
  De vervanging van bestaande onderdelen door identieke onderdelen of technologisch en qua design gelijkwaardige onderdelen bij normale herstel- en onderhoudswerkzaamheden wordt niet beschouwd als vervanging of aanpassing als vermeld in het tweede lid.
  Er is sprake van kennelijk gevaar als vermeld in het tweede lid, als de voorschriften in verband met de structurele deugdelijkheid, de vaar- of manoeuvreereigenschappen of de bijzondere kenmerken van het vaartuig conform de technische voorschriften, vermeld in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd, in het geding zijn. De vrijstellingen waarin is voorzien in de technische voorschriften, vermeld in bijlage 2 en 7, die bij dit besluit zijn gevoegd, mogen niet worden aangemerkt als tekortkomingen die een kennelijk gevaar vormen.

  Art. 51. Tijdelijke voorschriften die zijn vastgesteld conform artikel 1.06 van bijlage II bij het koninklijk besluit van 19 maart 2009 betreffende de technische voorschriften voor binnenschepen, zoals van kracht op 6 oktober 2018, blijven geldig tot de geldigheidsduur ervan verstrijkt.

  Art. 52. Dit besluit treedt in werking op 7 oktober 2018.

  Art. 53. De Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 1. Lijst van de binnenwateren in het Vlaamse Gewest:
  a) Zones 1, 2, 3 en 4:
  ZONE 1
  Geen
  ZONE 2
  Geen
  ZONE 3
  De Zeeschelde beneden Antwerpen.
  ZONE 4
  Het gehele Vlaamse net, met uitzondering van de binnenwateren van zone 3.
  b) Zone R: de onder a) bedoelde waterwegen waarvoor certificaten dienen te worden afgegeven overeenkomstig artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte

  Art. N2. Bijlage 2. Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (ES-TRIN):
  De technische voorschriften voor vaartuigen zijn de voorschriften in de ES-TRIN-norm 2017/1, zoals hierna opgenomen.
  
  ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 12-12-2018, p. 97131 )

  Art. N3. Bijlage 3. Aanvullende technische voorschriften die in het Vlaams Gewest waterwegen van de zone 2 bevaren:
  Hoofdstuk I Bijkomende bepalingen voor alle vaartuigen die waterwegen van de zone 2 in Vlaanderen bevaren (zonder inhoud)
  Hoofdstuk II Bijkomende bepalingen voor passagiersvaartuigen die waterwegen van de zone 2 in Vlaanderen bevaren (zonder inhoud)

  Art. N4. Bijlage 4. Afwijkingen voor vaartuigen die in het Vlaams Gewest uitsluitend waterwegen van de zones 3 en 4 bevaren:
  Hoofdstuk I Algemene bepaling Artikel 1.01 Toepasselijkheid van bijlage 2
  De bepalingen van bijlage 2 zijn van toepassing, behoudens de artikelen vermeld in deze bijlage.
  Hoofdstuk II Afwijkingen voor alle vaartuigen die uitsluitend waterwegen van de zone 4 in Vlaanderen bevaren Artikel 2.01 Snelheid vooruit varen
  In afwijking van de bepalingen in bijlage 2, artikel 5.06, lid 1 geldt voor schepen en samenstellen die uitsluitend de binnenwateren in de zones 4 in België bevaren dat zij een snelheid ten opzichte van het water van ten minste 11 km/u moeten kunnen bereiken. Is dit het geval, dan vermeldt de Commissie van Deskundigen in het uniebinnenvaartcertificaat onder nummer 52:
  "Het vaartuig heeft een beperkte snelheid ten opzichte van het water zoals bepaald in artikel 2.01 van Bijlage 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen.".
  Artikel 2.02 Vrij zicht
  In afwijking van de bepalingen in bijlage 2, artikel 7.02, lid 2 voor vaartuigen die uitsluitend waterwegen in de zones 3 en 4 in België varen, geldt dat de dode hoek voor de boeg van het lege schip met halve voorraden en zonder ballast voor de roerganger over een cirkelboog vanaf dwarsscheeps aan de ene zijde over midscheeps voor naar dwarsscheeps aan de andere zijde niet meer mag zijn dan 250 m tot het wateroppervlak. Is dit het geval, dan vermeldt de Commissie van Deskundigen in het uniebinnenvaartcertificaat onder nummer 52:
  "Het vaartuig heeft een beperkt vrij zicht vanuit het stuurhuis zoals bepaald in artikel 2.02 van Bijlage 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen.".
  Artikel 2.03 Bijboten
  Een vaartuig die uitsluitend de binnenwateren in de zones 4 in België bevaart, hoeft geen bijboot te hebben indien het vaartuig beschikt over een reddingsvlot als vermeld in bijlage 2 artikel 19.09, vijfde lid.
  De Commissie van Deskundigen kan voor vaartuigen die uitsluitend binnenwateren in de zones 4 in België bevaren, andere gemeenschappelijke reddingsmiddelen toestaan wanneer het vaartuig niet over de bijboot beschikt, op voorwaarde dat de algemene veiligheid van de bemanning hierdoor niet in het gedrang komt.
  Is dit het geval, dan vermeldt de Commissie van Deskundigen in het uniebinnenvaartcertificaat onder nummer 52:
  "Het vaartuig beschikt over de volgende gemeenschappelijke reddingsmiddelen zoals bepaald in artikel 2.03 van Bijlage 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen: ".

  Art. N5. Bijlage 5. Vrijstellingen voor bepaalde categorieën vaartuigen:
  Hoofdstuk I Bijzondere bepalingen voor stadsrondvaartboten Artikel 1.01 Algemene bepaling
  1. Overeenkomstig artikel 25 van dit besluit, kan de Commissie van Deskundigen geheel of gedeeltelijk vrijstelling van de toepassing van dit besluit voor de stadsrondvaartboten verlenen, overeenkomstig de bepalingen in dit hoofdstuk.
  2. Stadsrondvaartboten kunnen open of gesloten zijn. Op deze stadsrondvaartboten zijn voor wat betreft de bouw en de uitrusting enkel de artikelen 1.02 tot en met 1.14 van toepassing wanneer:
  a) voor wat betreft de open stadsrondvaartboten :
  1° zij een lengte (L) van maximaal 20 meter hebben;
  2° zij geen gesloten opbouw hebben;
  3° de passagiers zich in open lucht bevinden. Een opbouw met een tijdelijk karakter, bestaande uit zeildoek wordt niet als gesloten opbouw beschouwd.
  4° zij geen doorlopend dek hebben.
  Is dit het geval, dan vermeldt de Commissie van Deskundigen in het uniebinnenvaartcertificaat onder nummer 52:
  "Het vaartuig is een open stadsrondvaartboot en zal varen in de stadskern van ..., zoals bepaald in artikel 1.01 van Bijlage 5 van het BVR van 5 oktober 2018 betreffende de technische voorschriften voor binnenschepen en mag varen binnen het volgende vaargebied: ... ".
  b) voor wat betreft de gesloten stadsrondvaartboten:
  1° zij een lengte (L) van maximaal 30 meter hebben;
  2° zij één laag passagiersaccommodatie heeft, deels verzonken tot beneden het gangboord;
  3° zij voorzien zijn van een grotendeels doorgaande opbouw.
  Is dit het geval, dan vermeldt de Commissie van Deskundigen in het uniebinnenvaartcertificaat onder nummer 52:
  "Het vaartuig is een gesloten stadsrondvaartboot en zal varen in de stadskern van ..., zoals bepaald in artikel 1.01 van Bijlage 5 van het BVR van 5 oktober 2018 betreffende de technische voorschriften voor binnenschepen en mag varen binnen het volgende vaargebied: ... ".
  Artikel 1.02 Toepasselijkheid van bijlage 2
  De bepalingen van bijlage 2 zijn van toepassing op stadsrondvaartboten, met uitzondering van de hieronder vermelde bepalingen:
  Onderstaande bepalingen van bijlage 2 zijn niet van toepassing op stadsrondvaartboten:
  - artikel 3.03 eerste tot en met vijfde lid en zevende lid;
  - artikel 3.04;
  - artikel 5.01, tweede en derde lid en artikelen 5.02 tot en met 5.08;
  - artikel 6.02, derde lid;
  - artikel 6.07, tweede lid;
  - artikelen 7.07 en 7.08;
  - artikelen 7.11 tot en met 7.13;
  - artikel 8.02, vijfde lid;
  - artikel 8.03, tweede en derde lid;
  - artikel 8.04 voor stadsrondvaartboten met buitenboordmotoren;
  - artikel 8.05, tweede, zesde, twaalfde en dertiende lid;
  - artikel 8.08, tweede tot en met elfde lid voor open stadsrondvaartboten;
  - artikel 8.09
  - artikel 10.02, eerste lid;
  - artikelen 13.01 en 13.02;
  - artikel 13.03, eerste lid;
  - artikel 13.04;
  - artikel 19.01, vierde lid;
  - artikel 19.02, derde lid, negende tot en met twaalfde lid, veertiende en vijftiende lid;
  - artikel 19.05, tweede en derde lid;
  - artikel 19.06, eerste tot en met dertiende lid en zestiende tot en met negentiende lid;
  - artikel 19.07;
  - artikel 19.08, eerste lid en derde tot en met negende lid;
  - artikel 19.09, eerste tot en met vierde lid en tiende tot en met elfde lid;
  - artikel 19.10, tweede tot en met achtste lid, tiende en elfde lid;
  - artikel 19.11, enkel voor wat open stadsrondvaartboten betreft. Voor gesloten stadsrondvaartboten blijft artikel 19.11, eerste lid en de tabellen voorzien in het tweede lid, betreffende de scheidingsvlakken tussen machinekamers en verblijfsruimten van toepassing, alsook het tweede lid onder a, het derde lid, het vierde lid, het zesde lid, het zevende lid en het veertiende lid;
  - artikel 19.12, met uitzondering van het negende lid, dat voor gesloten stadsrondvaartboten van toepassing blijft;
  - artikel 19.13, enkel voor wat open stadsrondvaartboten betreft;
  - artikel 19.14;
  - artikelen 31.01 tot 31.03.
  Artikel 1.03 Schotten
  1. Stadsrondvaartboten met een lengte van meer dan 10 meter, moeten zijn voorzien van een waterdicht aanvaringsschot zonder openingen, gelegen op ten minste 0,10 m en ten hoogste 0,60 m achter de voorloodlijn. De stadsrondvaartboot moet voor dit aanvaringsschot met een waterdicht dek zijn afgesloten.
  2. Voor houten open stadsrondvaartboten kan de Commissie van Deskundigen afwijkingen van hetgeen in het eerste lid is bepaald, toestaan.
  3. Op open stadsrondvaartboten met een vast in de stadsrondvaartboot opgestelde voortstuwingsmotor moet deze motor geheel door een moeilijk ontvlambare omkasting zijn omsloten.
  4. Op gesloten stadsrondvaartboten moeten volgende bijkomende waterdichte schotten, die reiken tot de bovenkant van het scheepboord zijn aangebracht:
  - Een schot tussen de machinekamer en de passagiersruimte;
  - Een achterpiekschot op een redelijke afstand van het achtersteven voor gesloten stadsrondvaartboten met een lengte van meer dan 25m
  Artikel 1.04 Stabiliteit
  1. In afwijking van art. 19.03 van bijlage 2, wordt het reservedrijfvermogen van open stadsrondvaartboten voldoende geacht indien het schip in volgelopen toestand nog een vrijboord van ten minste 0,05 m heeft.
  2. In afwijking van art. 19.03 van bijlage 2, vijfde en zesde lid, behoeven, voor open stadsrondvaartboten welke met uitzondering van de gangpaden, geheel zijn voorzien van vast opgestelde zitbanken, de invloeden van de winddruk en de middelpuntvliedende kracht veroorzaakt door roergeven niet in rekening te worden gebracht.
  Artikel 1.05 Veiligheidsafstand
  In afwijking van de regelen van artikel 19.04 van bijlage 2 wordt voor stadsrondvaartboten een minimum veiligheidsafstand van 0,30 m toegestaan.
  Artikel 1.06 Ten hoogste toegestane aantal passagiers
  1. Het ten hoogste toegestane aantal passagiers wordt zodanig vastgesteld dat aan de regelen met betrekking tot de stabiliteit en het vrijboord wordt voldaan.
  2. Het ten hoogste toegestane aantal passagiers mag niet groter zijn dan het aantal voor passagiers beschikbare zitplaatsen.
  3. Voor de zitplaatsen moet worden gerekend met een breedte van tenminste 0,40 m per persoon voor open stadsrondvaartboten. Voor gesloten stadsrondvaartboten moet voor de zitplaatsen worden gerekend met een breedte van tenminste 0,45 m per persoon en moet de onderlinge vrije afstand tussen de banken of zitplaatsen minstens 0,30 m bedragen.
  Artikel 1.07 Beveiliging tegen vallen
  1. Op open stadsrondvaartboten moeten de voor passagiers bestemde, niet afgesloten gedeelten van dekken, zijn voorzien van vaste verschansingen of relingen met een hoogte van tenminste 0,30 m, gemeten boven de zitplaatsen.
  2. Op gesloten stadsrondvaartboten moeten de vaste verschansingen of relingen tenminste 0,20 m binnen de buitenzijde van het schip, berghouten inbegrepen, worden geplaatst indien passagiers plaats kunnen nemen in een open kuip of op een open dek.
  Artikel 1.08 Toegangen, uitgangen en verbindingswegen
  1. Op open stadsrondvaartboten met een opbouw als bedoeld in artikel 1.01, eerste lid, onder a), 3°, moet een vrij middenpad over de gehele lengte van het voor passagiers bestemde gedeelte aanwezig zijn. Dit middenpad moet een breedte van ten minste 0,45 m hebben.
  2. Op open stadsrondvaartboten met een opbouw als bedoeld in artikel 1.01, eerste lid, onder a) moet zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde van het voor passagiers bestemde gedeelte een uitgang met een vrije breedte van tenminste 0,50 m aanwezig zijn. Eén der uitgangen mag zijn vervangen door twee nooduitgangen, ieder met een vrije doorgang van tenminste 0,60 cm. breedte en ten minste 0,80 cm. hoogte.
  3. Op gesloten stadsrondvaartboten moet de vrije doorgang van de toegangen minimaal 0,80 m bedragen. De vrije breedte van het gangpad tussen de stoelen moet op een hoogte van 0,90 m en meer boven de vloer tenminste 0,70 m bedragen. Tot een hoogte van 0,90 m boven de vloer mag deze nergens minder dan 0,60 m bedragen.
  4. Op gesloten stadsrondvaartboten moet in het achterschip een nooduitgang met een vrije doorgang van minstens 0,80 m zijn voorzien. De nooduitgang mag worden vervangen door tenminste twee uitwerpbare noodluiken in het dak. Elke nooduitgang in het dak moet een vrije opening van tenminste 0,36 m2 hebben. Daarbij mag de kleinste afmeting niet minder dan 0,50 m bedragen.
  5. Op gesloten stadsrondvaartboten moeten de compartimenten die door middel van waterdichte schotten en waterdichte deuren van beperkte hoogte worden onderverdeeld, veilig kunnen worden verlaten. Daarbij mag de vluchtweg vanuit het ene via een ander compartiment lopen.
  6. Op gesloten stadsrondvaartboten moet voldoende verlichting aanwezig zijn op de volgende plaatsen: instapplaatsen voor passagiers, nooduitgangen en plaatsen waar reddingsmiddelen en brandblustoestellen zijn geplaatst.
  7. Het aan en van boord gaan der passagiers moet op stadsrondvaartboten op veilige wijze kunnen geschieden. Zo nodig moeten handgrepen en traptreden zijn aangebracht.
  Artikel 1.09 Voortstuwingsinstallatie
  1. Het vermogen van de voortstuwingsinstallatie moet zodanig zijn dat de volgeladen stadsrondvaartboot bij vol vermogen varend, tot stilstand kan komen in een vaarweg van ten hoogste twee maal de lengte van het schip.
  2. De Commissie van Deskundigen kan afwijken van art. 8.01 van bijlage II, lid 3, voor wat betreft de gebruikte brandstof indien tenminste een gelijkwaardig veiligheidsniveau gewaarborgd is.
  3. De maximale toegelaten inhoud van een rechtstreeks aangebouwde brandstoftank van een buitenboordmoter bedraagt 25 liter. De tank moet zich steeds buiten het voor passagiers bestemde gedeelte vinden.
  4. Indien de stuurstand zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de ingebouwde verbrandingsmotor voor de voortstuwing bevindt, moeten vanaf de stuurstand kunnen worden afgelezen:
  - de temperatuur van het koelwater en de druk van de smeerolie;
  - het toerental van motor of schroefas.
  5. De Commissie van Deskundigen kan afwijken van de voorschriften van hoofdstuk 9 mits het emissieniveau van de verontreinigende gassen en deeltjes afkomstig van de motoren aan boord het voorgeschreven emissieniveau van hoofdstuk 9 niet overstijgt .
  Artikel 1.10 Lensinrichting
  1. Op open stadsrondvaartboten met een lengte van 7 meter of minder moeten ten minste twee geschikte hoosvaten aanwezig zijn.
  2. Open stadsrondvaartboten met een lengte van meer dan 7 meter moeten van een motor- of handlenspomp zijn voorzien. Bij een lengte van 12 meter of minder moet de diameter van de aansluiting tenminste 38 mm zijn en bij een lengte boven 12 meter tenminste 50 mm.
  3. Op gesloten stadsrondvaartboten moet iedere waterdichte afdeling zijn uitgerust met een bilge alarm.
  Artikel 1.11 Reddingsmiddelen
  1. In afwijking van artikel 13.08 van bijlage 2, lid 1 geldt het volgende:
  a. Er moet tenminste 1 reddingsboei aanwezig zijn voor elk toegestaan aantal van 25 passagiers, alsmede 1 reddingsboei voor het resterend aantal passagiers. Het aantal reddingsboeien behoeft echter niet meer dan 4 te bedragen.
  b. De reddingboeien moeten enkel van een lijn met een lengte van ten minste 20 m zijn voorzien en zodanig zijn opgeborgen, dat zij voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.
  2. Voor alle passagiers moeten individuele of gemeenschappelijke reddingsmiddelen aan boord zijn. Individuele reddingsmiddelen moeten voldoen aan de Europese normen EN395:1998, EN396:1998, EN ISO 12402-3:2006 of EN ISO 12402-4:2006.
  Drijvende zitkussens worden als individuele reddingmiddel beschouwd indien zij:
  - een draagvermogen in zoetwater van ten minste 75 N hebben;
  - van geschikt materiaal zijn vervaardigd naar het oordeel van de Commissie van Deskundigen en bestand zijn tegen olie, olieproducten en temperaturen tot 50° C;
  - van een grijplijn zijn voorzien;
  - niet vast aan het schip zijn bevestigd.
  Artikel 1.12 Draagbare blustoestellen
  1. Voor open stadsrondvaartboten moet in de nabijheid van de voortstuwingsinstallatie een draagbaar blustoestel overeenkomstig de Europese norm EN3-7:2007 en EN3-8:2007 vast opgesteld zijn. In afwijking van artikel 13.03, tweede lid volstaat een blustoestel met een vulgewicht van ten minste 4 kg.
  2. Voor gesloten stadsrondvaartboten moeten tenminste twee draagbare blustoestellen overeenkomstig de Europese norm EN3-7:2007 en EN3-8:2007 aanwezig zijn. Deze moeten in de nabijheid van de stuurstand vast zijn opgesteld.
  Artikel 1.13 Overige uitrusting
  1. Aan boord moet ten minste de volgende uitrusting in bruikbare staat aanwezig zijn:
  - een vaarboom/bootshaak;
  - een verbanddoos;
  - een tros met ten minste lengte L geschikt voor meren en slepen;
  - indien tussen zonsondergang en zonsopgang wordt gevaren een geschikte draagbare elektrische lantaarn in waterdichte uitvoering.
  2. Gesloten stadsrondvaartboten moeten beschikken over een anker van ten minste 50 kg, met een ketting of draad van tenminste 30 meter lengte.
  Artikel 1.14 Overgangsbepalingen
  1. De bepalingen voor stadsrondvaartboten, waarvan de kiel gelegd is voor 30 december 2008, moeten vanaf de volgende data te worden toegepast, tenzij bij ombouw of vervanging van het betreffende onderdeel:
  1.03 Schotten Verlenging certificaat na 1.1.2045
  1.04 Stabiliteit Verlenging certificaat na 1.1.2045
  1.06, lid 3 Zitplaatsen Verlenging certificaat na 1.1.2045
  1.07 Beveiliging tegen vallen Verlenging certificaat na 1.1.2045
  1.08, lid 1 tot en met 4 Toegangen en uitgangen Verlenging certificaat na 1.1.2045
  1.09, lid 1 Vermogen voortstuwinginstallatie Verlenging certificaat na 1.1.2050
  1.10 punt 2 Lensinrichting
  Indien geen lenspomp aanwezig is, moeten tenminste 2 geschikte hoosvaten aanwezig zijn Geen einddatum
  1.10 punt 3 Bilge alarm Geen einddatum
  2. De bepalingen voor stadsrondvaartboten, waarvan de kiel gelegd is voor 30 december 2018, moeten vanaf de volgende data te worden toegepast, tenzij bij ombouw of vervanging van het betreffende onderdeel:
  Hoofdstuk 9 Emissieniveau motoren Verlenging certificaat na 1.1.2045
  Hoofdstuk II Bijzondere bepalingen voor alleenvarende duwbakken Artikel 2.01 Algemene bepaling
  Op alleenvarende duwbakken zijn voor wat betreft bouw en uitrusting alleen artikel 2.02 en 2.03 van toepassing.
  Op het ogenblik dat een alleenvarende duwbak deel uitmaakt van een samenstel, moet het vaartuig als een duwbak worden beschouwd.
  De alleenvarende duwbakken mogen zich slechts in een beperkt vaargebied op de Vlaamse waterwegen van zone 4 over langere afstanden zelfstandig verplaatsen.
  De Commissie van Deskundigen vermeldt in het communautair certificaat onder rubriek 52:
  "Het vaartuig is een alleenvarende duwbak als bepaald in hoofdstuk II van bijlage 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 betreffende de technische voorschriften voor binnenschepen en mag zich alleen zelfstandig verplaatsen over langere afstanden op de volgende Vlaamse waterwegen: ... ."
  Artikel 2.02 Toepasselijkheid van bijlage 2
  Voor zover in dit hoofdstuk niets anders is bepaald, zijn met betrekking tot de bouw en de uitrusting van alleenvarende duwbakken hoofdstuk 3 tot en met 18 en de hoofdstukken 21, 30, 31, 32 en 33 van toepassing.
  Een alleenvarende duwbak mag niet langer zijn dan 110 m.
  Hoofdstuk 27 is van toepassing als de alleenvarende duwbak containers vervoert.
   De alleenvarende duwbak moet over een stuurhuis beschikken. Een vaste marifooninstallatie en AIS zijn verplicht. Als de duwbak deel uitmaakt van een samenstel, dan moet het AlS-toestel worden uitgeschakeld.
  Artikel 3.03 Vrijstellingen
  De Commissie van Deskundigen kan afwijken van de volgende bepalingen in bijlage 2:
  1° artikel 3.03, lid 2, met betrekking tot de plaats van de voor de bedrijfsvoering noodzakelijke inrichtingen achter het achterpiekschot
  2° artikel 5.06., met betrekking tot de minimumsnelheid.
  De Commissie van Deskundigen noteert de snelheid die gemeten is bij het uitvoeren van de proefvaart in het uniebinnenvaartcertificaat onder rubriek 52 als volgt:
  "Het vaartuig behaalde tijdens de proefvaart een snelheid van ... km/u.";
  De minimumsnelheid voor de alleenvarende duwbak moet met alle voorstuwingsinstallaties ten minste 6,5 km/u ten opzichte van het water bedragen.
  3° artikel 6.06, tweede lid.
  Als twee of meer van elkaar onafhankelijke roerpropeller-, waterstraal- of cycloïdaalschroefinstallaties aanwezig zijn, is het tweede besturingssysteem niet vereist als het schip bij het uitvallen van een van die installaties manoeuvreerbaar blijft om de oever of de kade te bereiken;
  4° artikel 13.01, derde lid, b).
  De alleenvarende duwbak hoeft geen hekanker te hebben;
  5° artikel 13.04.
  Een alleenvarende duwbak hoeft geen bijboot te hebben indien als het vaartuig beschikt over een reddingsvlot als vermeld in artikel 19.09, vijfde lid;
  6° artikel 13.08, eerste lid.
  Aan boord van alleenvarende duwbakken moeten ten minste twee reddingsboeien overeenkomstig de Europese norm EN14144:2002 aanwezig zijn. Die reddingsboeien bevinden zich in gebruiksklare toestand aan dek op het voorschip en het achterschip;
  7° artikel 15.01.
  Aan boord van alleenvarende duwbakken hoeven geen verblijven aanwezig te zijn. De noodzakelijke voorzieningen worden in het stuurhuis geïntegreerd en zullen in de mate van het mogelijke voldoen aan de bepalingen van bijlage 2, hoofdstuk 15. In die zin wordt de exploitatiewijze van het vaartuig beperkt worden tot A1, tenzij de bemanning geen rust neemt aan boord van het vaartuig.

  Art. N6. Bijlage 6. Bijzondere technische voorschriften voor bepaalde categorieën vaartuigen die niet onder het toepassingsgebied van de richtlijn (EU) 2016/1629 vallen:
  (zonder inhoud)

  Art. N7. Bijlage 7. Gedetailleerde procedurele bepalingen:
  Artikel 2.01 Inspectie-instanties
  1. De lidstaten moeten inspectie-instanties instellen.
  2. De inspectie-instanties bestaan uit een voorzitter en deskundigen. Als deskundigen maken van iedere inspectie-instantie ten minste deel uit:
  a) een ambtenaar van het bevoegd gezag op het gebied van de binnenvaart;
  b) een deskundige op het gebied van de bouw van binnenschepen en hun machines;
  c) een erkend nautisch deskundige die in het bezit is van een binnenvaartbewijs, dat de houder toestaat het schip dat moet worden geïnspecteerd, te voeren.
  3. De voorzitter en de deskundigen van elke inspectie-instantie worden benoemd door de instanties van de lidstaat waartoe de instantie behoort. Zij verklaren bij de aanvaarding van hun functie schriftelijk dat zij deze in alle onpartijdigheid zullen vervullen. Van ambtenaren wordt een dergelijke verklaring niet geëist.
  4. De inspectie-instanties kunnen zich overeenkomstig de toepasselijke nationale bepalingen doen bijstaan door gespecialiseerde deskundigen.
  Artikel 2.02 (Zonder inhoud)
  Artikel 2.03 Aanbieding van het vaartuig voor inspectie
  1. De eigenaar of zijn vertegenwoordiger biedt het vaartuig leeg, schoongemaakt en met volledige uitrusting voor inspectie aan. Hij verleent bij de inspectie de noodzakelijke hulp, bijvoorbeeld door een geschikte boot met personeel ter beschikking te stellen en die delen van de romp of van de installaties bloot te leggen die niet direct toegankelijk of zichtbaar zijn.
  2. De inspectie-instantie bezichtigt bij de eerste inspectie het schip op het droge. Inspectie op het droge kan achterwege blijven indien een klassecertificaat of een certificaat van een erkend classificatiebureau, volgens welke de bouw voldoet aan de daarvoor gehanteerde voorschriften, wordt overgelegd, of indien een certificaat wordt overgelegd waaruit blijkt dat de bevoegde instantie al voor andere doeleinden een inspectie op het droge heeft verricht. Bij periodieke inspecties of inspecties overeenkomstig artikel 14 van deze richtlijn kan de inspectie-instantie een inspectie op het droge verlangen. De inspectie-instantie voert bij de eerste inspectie van motorschepen en samenstellen, alsmede bij essentiële veranderingen in de voortstuwingsinstallatie of de stuurinrichting, proefvaarten uit.
  3. De inspectie-instantie kan extra proefvaarten doen plaatsvinden, en nadere bewijzen verlangen. Dit geldt ook tijdens de bouw van het vaartuig.
  Artikel 2.04 (Zonder inhoud)
  Artikel 2.05 (Zonder inhoud)
  Artikel 2.06 (Zonder inhoud)
  Artikel 2.07 Aantekeningen in en wijzigingen van het Uniebinnenvaartcertificaat
  1. De eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger stelt de bevoegde instantie in kennis van elke naamsverandering, verandering van eigenaar, iedere nieuwe ijking van het vaartuig, alsmede iedere verandering van de registratie of van de thuishaven, en zendt het Uniebinnenvaartcertificaat naar deze instantie om dat certificaat te laten wijzigen.
  2. Alle aantekeningen in of wijzigingen van het Uniebinnenvaartcertificaat kunnen door iedere bevoegde instantie worden aangebracht.
  3. Wanneer een bevoegde instantie in het Uniebinnenvaartcertificaat een wijziging aanbrengt of daarin een aantekening maakt, geeft zij daarvan kennis aan de bevoegde instantie die het betrokken Uniebinnenvaartcertificaat heeft afgegeven.
  Artikel 2.08 (Zonder inhoud)
  Artikel 2.09 Periodieke inspectie
  1. Vóór afloop van de geldigheidsduur van het Uniebinnenvaartcertificaat wordt het vaartuig aan een periodieke inspectie onderworpen.
  2.De bevoegde instantie stelt afhankelijk van de resultaten van de inspectie de nieuwe geldigheidsduur van het Uniebinnenvaartcertificaat vast.
  3. De geldigheidsduur moet worden aangetekend in het Uniebinnenvaartcertificaat en ter kennis worden gebracht van de bevoegde instantie die het Uniebinnenvaartcertificaat heeft afgegeven.
  4. Indien de geldigheidsduur van het Uniebinnenvaartcertificaat niet wordt verlengd, maar het certificaat door een nieuw wordt vervangen, wordt het oude Uniebinnenvaartcertificaat teruggezonden naar de bevoegde instantie die het heeft afgegeven.
  Artikel 2.10 Vrijwillige inspectie
  De eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger kan op elk moment zelf om een inspectie vragen. Aan dit verzoek om een inspectie wordt gevolg gegeven.
  Artikel 2.11 (Zonder inhoud)
  Artikel 2.12 (Zonder inhoud)
  Artikel 2.13 (Zonder inhoud)
  Artikel 2.14 (Zonder inhoud)
  Artikel 2.15 Kosten
  De eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger draagt de kosten die voortvloeien uit de inspectie van het vaartuig en de afgifte van het Uniebinnenvaartcertificaat, overeenkomstig een speciaal tarief, dat door de Vlaamse regering wordt vastgesteld.
  Artikel 2.16 Informatie
  De bevoegde instantie mag personen die kunnen aantonen daar om gegronde redenen belang bij te hebben, kennis laten nemen van de inhoud van een Uniebinnenvaartcertificaat, en die personen als zodanig aangeduide gewaarmerkte uittreksels of afschriften van het Uniebinnenvaartcertificaat verstrekken.
  Artikel 2.17 Register van de Uniebinnenvaartcertificaten
  1. De bevoegde instanties bewaren de minuut of een afschrift van elk Uniebinnenvaartcertificaat dat zij hebben afgegeven; daarop tekenen zij alle aantekeningen en wijzigingen, alsmede ongeldigverklaringen en vervangingen van de Uniebinnenvaartcertificaten aan. Zij werken het in artikel 17 van deze richtlijn vermelde register dienovereenkomstig bij.
  2. Om administratieve maatregelen te nemen voor de instandhouding van de veiligheid en het navigatiecomfort en met het oog op de tenuitvoerlegging van de artikelen 2.02 tot en met 2.15 van deze bijlage, alsmede de artikelen 6, 9, 10, 13, 14, 15, 20, 21 en 22 van deze richtlijn, wordt volgens het in bijlage 2 bepaalde model read-only toegang tot het register verleend aan de bevoegde instanties van andere lidstaten, van staten die partij zijn bij de Akte van Mannheim en, voor zover een gelijkwaardig niveau van privacy wordt gegarandeerd, aan derde landen op basis van administratieve overeenkomsten.
  Artikel 2.18 Uniek Europees scheepsidentificatienummer
  1. Het uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) bestaat uit acht Arabische cijfers in overeenstemming met bijlage 2 bij deze richtlijn.
  2. Tenzij het vaartuig op het moment dat het Uniebinnenvaartcertificaat wordt afgegeven reeds een Europees scheepsidentificatienummer heeft, wordt een dergelijk nummer aan het vaartuig toegekend door de bevoegde instantie van de lidstaat waar het vaartuig is geregistreerd of waar het zijn thuishaven heeft. Met betrekking tot vaartuigen uit landen waar de toekenning van een ENI-nummer niet mogelijk is, wordt het ENI-nummer dat op het Uniebinnenvaartcertificaat moet worden vermeld, toegekend door de bevoegde instantie die het Uniebinnenvaartcertificaat afgeeft.
  3. De eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger vraagt de toekenning van het ENI-nummer aan bij de bevoegde instantie. De eigenaar of zijn vertegenwoordiger zorgt er ook voor dat het in het Uniebinnenvaartcertificaat opgenomen nummer op het vaartuig wordt aangebracht.
  Artikel 2.19 (Zonder inhoud)
  Artikel 2.20 Kennisgevingen Elke lidstaat of zijn bevoegde instanties stellen de Commissie en de andere lidstaten of de andere bevoegde instanties in kennis van:
  a) de naam en het adres van de technische diensten die samen met hun nationale bevoegde instantie verantwoordelijk zijn voor de toepassing van bijlage 2;
  b) het in bijlage 2 bedoelde gegevensformulier betreffende types boordzuiveringsinstallaties die sinds de laatste kennisgeving zijn goedgekeurd;
  c) de erkende typegoedkeuringen voor boordzuiveringsinstallaties op basis van andere normen dan de in bijlage 2 vastgestelde normen voor gebruik in de nationale wateren van de lidstaten;
  d) binnen één maand, iedere intrekking van een typegoedkeuring en de redenen voor een dergelijke intrekking voor boordzuiveringsinstallaties;
  e) alle toegestane speciale ankers naar aanleiding van een aanvraag tot vermindering van de ankermassa, met vermelding van het type en de toegestane vermindering van de ankermassa. De bevoegde instantie verleent de aanvrager ten vroegste drie maanden na kennisgeving aan de Commissie toestemming, mits deze laatste geen bezwaren oppert;
  f) navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers waarvoor zij typegoedkeuring hebben verleend. De betreffende kennisgeving moet het toegekende typegoedkeuringsnummer omvatten evenals de typeaanduiding, de naam van de fabrikant, de naam van de houder van de typegoedkeuring en de datum van de typegoedkeuring;
  g) de bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor de goedkeuring van de gespecialiseerde bedrijven die de inbouw, vervanging, reparatie of het onderhoud van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers kunnen uitvoeren.

  Art. N8. Bijlage 8. Classificatiebureaus
  Criteria voor de erkenning van classificatiebureaus:
  Een classificatiebureau dat overeenkomstig artikel 22 van dit besluit erkend wil worden, voldoet aan alle hieronder beschreven criteria:
  1. het classificatiebureau is in staat met bewijsstukken aan te tonen dat het uitgebreide ervaring heeft op het gebied van het beoordelen van het ontwerp en de bouw van binnenschepen. Het classificatiebureau stelt gedetailleerde voorschriften en regelingen op met betrekking tot het ontwerp, de bouw en de periodieke inspectie van binnenschepen, in het bijzonder voor het berekenen van de stabiliteit overeenkomstig deel 9 van de voorschriften bij het ADN als bedoeld in bijlage 2. Die voorschriften en regelingen moeten ten minste in het Duits, het Engels, het Frans of het Nederlands worden gepubliceerd en worden via onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's continu bijgewerkt en verbeterd. De voorschriften en regelingen mogen niet in strijd zijn met de bepalingen van het Unierecht en geldende internationale overeenkomsten;
  2. het classificatiebureau publiceert jaarlijks zijn scheepsregister;
  3. het classificatiebureau mag niet worden gecontroleerd door reders of scheepsbouwers, noch door anderen die commercieel betrokken zijn bij het ontwerp, de bouw, de uitrusting, de herstelling, de exploitatie of de verzekering van schepen. Het classificatiebureau mag voor zijn omzet niet afhankelijk zijn van één enkele commerciële onderneming;
  4. het classificatiebureau heeft zijn zetel, of een dochtermaatschappij met beslissings- en handelingsbevoegdheid op alle gebieden waarvoor het classificatiebureau in het kader van voor de binnenvaart geldende voorschriften bevoegd is, in een lidstaat van de Europese Unie;
  5. het classificatiebureau en zijn deskundigen hebben een goede reputatie in de binnenvaart; de deskundigen kunnen hun beroepskwalificatie aantonen. Zij treden op onder de verantwoordelijkheid van het classificatiebureau;
  6. het classificatiebureau beschikt over een aanzienlijk bestand van technisch, leidinggevend, ondersteunend en inspectiepersoneel, dat in verhouding is tot de taken en de geklasseerde schepen, en ook zorg draagt voor de ontwikkeling van bekwaamheden en de bijwerking van de regelingen. Het heeft inspecteurs in ten minste één lidstaat;
  7. het classificatiebureau neemt een gedragscode in acht;
  8. het classificatiebureau moet zodanig worden geleid en beheerd dat de door een lidstaat gevraagde vertrouwelijkheid van de informatie wordt gegarandeerd;
  9. het classificatiebureau is bereid de nodige informatie aan een lidstaat te verstrekken;
  10. het bestuur van het classificatiebureau stelt zijn kwaliteitsbeleid, kwaliteitsdoelstellingen en streven naar kwaliteit vast en documenteert deze, en ziet erop toe dat dit beleid op alle niveaus van het bureau wordt begrepen, uitgevoerd en gehandhaafd;
  11. het classificatiebureau beschikt over, maakt gebruik van en handhaaft een doeltreffend intern kwaliteitssysteem dat steunt op de desbetreffende gedeelten van de internationaal erkende kwaliteitsnormen en in overeenstemming is met de norm EN ISO/IEC 17020:2004, zoals geïnterpreteerd in de "Quality System Certification Scheme Requirements" van de IACS, en dat systeem handhaven. De deugdelijkheid van het kwaliteitssysteem moet worden bevestigd door een onafhankelijk controleorgaan dat is erkend door de overheid van de staat waar het classificatiebureau zijn zetel heeft of een vestiging als bedoeld in punt 4, en dat met name garandeert dat:
  a) de voorschriften en regelingen van het classificatiebureau methodisch worden vastgesteld en gehandhaafd;
  b) de voorschriften en regelingen van het classificatiebureau worden nageleefd;
  c) wordt voldaan aan de eisen van de wettelijk voorgeschreven werkzaamheden waartoe het classificatiebureau is gemachtigd;
  d) de verantwoordel[00c4][00b3]kheid, de bevoegdheden en de onderlinge verhoudingen van het personeel van wie de werkzaamheden de kwaliteit van de dienstverlening van het classificatiebureau beïnvloeden, zijn omschreven en gedocumenteerd;
  e) alle werkzaamheden worden gecontroleerd;
  f) het classificatiebureau beschikt over een controlesysteem in het kader waarvan toezicht wordt gehouden op de werkzaamheden van de rechtstreeks door het classificatiebureau in dienst genomen inspecteurs en technisch en administratief personeel;
  g) belangrijke wettelijk voorgeschreven werkzaamheden waartoe het classificatiebureau is gemachtigd, uitsluitend door eigen fulltime-inspecteurs of door fulltime-inspecteurs van andere erkende classificatiebureaus worden uitgevoerd of onder rechtstreeks toezicht van deze inspecteurs staan;
  h) een systeem voor opleiding en permanente bijscholing van inspecteurs wordt toegepast;
  i) gegevens worden bijgehouden waarmee kan worden aangetoond dat in het kader van de verrichte diensten de voorgeschreven normen worden gehaald en dat het kwaliteitssysteem doeltreffend werkt, en
  j) het classificatiebureau een uitgebreid systeem van geplande en gedocumenteerde interne controles inzake met de kwaliteit verband houdende activiteiten in alle vestigingen toepast;
  12. de deugdelijkheid van het kwaliteitssysteem moet worden bevestigd door een onafhankelijk controleorgaan dat is erkend door de overheid van de lidstaat waar het classificatiebureau zijn zetel heeft of een vestiging als bedoeld in punt 4;
  13. het classificatiebureau verbindt zich ertoe zijn voorschriften in overeenstemming te brengen met de betreffende richtlijnen van de Unie en alle relevante informatie tijdig mee te delen aan de Commissie;
  14. het classificatiebureau verbindt zich ertoe de reeds erkende classificatiebureaus regelmatig te raadplegen, teneinde de gelijkwaardigheid van hun technische normen en de toepassing daarvan te waarborgen, en vertegenwoordigers van een lidstaat en van andere betrokken partijen te laten meewerken aan de uitwerking van zijn voorschriften en/of regelingen.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 5 oktober 2018.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
G. BOURGEOIS
De Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn,
B. WEYTS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   DE VLAAMSE REGERING,
   Gelet op de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid van de vaartuigen, artikel 17ter, § 1, ingevoegd bij de wet van 22 januari 2007;
   Gelet op het koninklijk besluit van 30 maart 1976 houdende goedkeuring van het Reglement betreffende het onderzoek van Rijnschepen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 24 september 2006 houdende vaststelling van het algemeen politiereglement voor de scheepvaart op de binnenwateren van het Koninkrijk;
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 maart 2007 betreffende binnenschepen die ook voor niet-internationale zeereizen worden gebruikt;
   Gelet op het koninklijk besluit van 9 maart 2007 houdende de bemanningsvoorschriften op de scheepvaartwegen van het Koninkrijk;
   Gelet op het koninklijk besluit van 7 december 2007 tot vaststelling van de tarieven van de retributies voor prestaties inzake het certificeren van vaartuigen voor de binnenvaart;
   Gelet op het koninklijk besluit van 19 maart 2009 betreffende de technische voorschriften voor binnenschepen;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 9 juli 2018;
   Gelet op advies 64.021/1/V van de Raad van State, waarbij werd meegedeeld dat het dossier op 6 september 2018 van de rol werd afgevoerd overeenkomstig artikel 84, § 4, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op voorstel van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie