einde

Publicatie : 2018-09-17

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG

2 SEPTEMBER 2018. - Koninklijk besluit houdende de uitvoering van de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden



FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op artikel 108 van de Grondwet;
Gelet op de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden, artikelen 5, 8 en 11;
Gelet op het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
Gelet op het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
Gelet op het koninklijk besluit van 2 april 2003 tot bepaling van de modaliteiten van indiening van de aanvragen en aflevering van de arbeidskaart C;
Gelet op het advies van de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gegeven op 9 juni 2016;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 21 maart 2016;
Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 22 april 2016;
Gelet op de regelgevingsimpactanalyse uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
Gelet op het advies nr. 63.681/1 van de Raad van State, gegeven op 13 juli 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van de Minister van Werk en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. - Dit besluit zet ten dele om :
1° de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen;
2° de richtlijn 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen;
3° de richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 om betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.
Art. 2. - Voor de toepassing van dit besluit, verstaat men onder :
1° buitenlandse onderdanen en werknemers: de onderdanen en werknemers die niet over de Belgische nationaliteit beschikken;
2° wet van 15 december 1980 : wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
3° koninklijk besluit van 8 oktober 1981: koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de vreemdelingen;
4° de Minister : de Minister van Werk;
5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd in toepassing van artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
6° de echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980.
Art. 3. - De documenten als bedoeld in dit besluit en die opgesteld zijn conform het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 moeten geldig zijn.
Art. 4. - Hebben de toelating om te werken, de onderdanen van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdanen van de Zwitserse Bondsstaat.
Art. 5. - Hebben de toelating om te werken, de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten.
Art. 6. - Hebben de toelating om te werken, de echtgenoot en de kinderen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt van de onderdanen bedoeld in artikel 5, indien ze onderdanen zijn van een land waarmee België verbonden is via een wederkerigheidsakkoord, en volgens de bepalingen van dit wederkerigheidsakkoord.
Art. 7. - Hebben de toelating om te werken, enkel in het kader van hun leerovereenkomst of hun opleiding in het kader van het alternerend leren, de buitenlandse onderdanen die als leerling in dienst genomen vóór de leeftijd van 18 jaar in het kader van een leerovereenkomst of een overeenkomst inzake alternerend leren erkend door de overheid die daartoe de bevoegdheid heeft.
Art. 8. - Hebben de toelating om te werken, de in België erkende vluchtelingen.
Art. 9. - Hebben de toelating om te werken, enkel in het kader van de stages, de buitenlandse onderdanen die als student verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun studies in België, in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat.
Art. 10. - Hebben de toelating om te werken, de buitenlandse onderdanen, houders van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister, tijdelijk verblijf, conform het model als bijlage 6 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, voor zover dit document in bezit is van een persoon die tot één van de volgende categorieën behoort:
1° de leerlingen, die in dienst genomen zijn in het kader van een leerovereenkomst of een overeenkomst voor alternerend leren, erkend door de overheid die daartoe de bevoegdheid heeft, uitsluitend voor de arbeidsprestaties in het kader van hun leerovereenkomst of hun overeenkomst voor alternerend leren;
2° de personen voor wie het verblijf is toegestaan voor studiedoeleinden in België, die ingeschreven zijn in een onderwijsinstelling in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties :
- tijdens de schoolvakanties;
- buiten de schoolvakanties, voor zover hun tewerkstelling twintig uur per week niet overschrijdt en deze verenigbaar is met hun studies;
3° de begunstigden van een internationaal akkoord « vakantie-werk » dat België bindt, binnen de perken van dit akkoord;
4° de personen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van de artikelen 9, 9bis, 9ter en 13 van de wet van 15 december 1980;
5° de personen die erkend zijn voor de subsidiaire beschermingsstatus gedurende de periode tijdens dewelke hun verblijf beperkt is;
6° de personen die gemachtigd werden te verblijven als begunstigden van de tijdelijke bescherming bedoeld in artikel 57/29 van de wet van 15 december 1980 door de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of door diens gemachtigde;
7° de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (NBMV) bedoeld in artikel 61/14 van de voornoemde wet van 15 december 1980 in het geval de erkende duurzame oplossing een verblijf conform artikel 61/20 van dezelfde wet is;
8° de personen die een definitieve gunstige beslissing hebben verkregen betreffende een verblijfsrecht op basis van artikel 10 of artikel 10bis van de voornoemde wet van 15 december 1980, met uitzondering van de familieleden van een student;
9° de personen die gemachtigd werden te verblijven, in het kader van de maatregelen in de strijd tegen mensenhandel;
10° de echtgenoot en de kinderen van de onderdanen bedoeld in artikel 5 van dit besluit.
Art. 11. - Hebben de toelating om te werken, de buitenlandse onderdanen, houders van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister voor onbepaalde duur, conform het model opgenomen als bijlage 6 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981.
Art. 12. - Hebben de toelating om te werken, de buitenlandse onderdanen houders van een identiteitskaart voor vreemdeling, conform bijlage 7 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981.
Art. 13. - Hebben de toelating om te werken, de buitenlandse onderdanen, houders van een verblijfsvergunning "EG-langdurig ingezetene", conform bijlage 7bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981.
Art. 14. - Hebben de toelating om te werken, de buitenlandse onderdanen, houders van een "verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie", conform bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981.
Art. 15. - Hebben de toelating om te werken, de buitenlandse onderdanen, houders van een "duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie", conform bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981.
Art. 16. - Hebben toelating om te werken, de buitenlandse onderdanen die het recht op verblijf inroepen op basis van artikel 40bis of 40ter van de wet van 15 december 1980 die tijdens de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf in het bezit zijn van een document conform het model opgenomen als bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981.
Art. 17. - Hebben de toelating om te werken, de buitenlandse onderdanen, echtgenoten van Belgen of onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die in het bezit zijn van een document conform het model opgenomen als bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang deze personen in de Staat waar zij verblijven over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikken van meer dan drie maanden.
Art. 18. - Hebben de toelating om te werken, de buitenlandse onderdanen, houders van een attest van immatriculatie, model A, conform bijlage 4 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, voor zover de houder van dit document behoort tot één van de volgende categorieën :
1° de personen die het voorrecht van een recht op verblijf inroepen op basis van artikel 10 of 10bis van de wet van 15 december 1980, tijdens de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het verblijfsrecht, met uitzondering van familieleden van een student;
2° de personen die, in het kader van de strijd tegen de mensenhandel een verblijfsvergunning van minstens drie maanden hebben ontvangen;
3° de asielzoekers die, vier maanden na hun asielaanvraag te hebben ingediend, nog geen betekening hebben ontvangen van de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, totdat een beslissing wordt betekend door deze laatste.
Art. 19. - Hebben de toelating om te werken, in geval van beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en totdat een beslissing wordt betekend door deze laatste, de buitenlandse onderdanen, houders van een geldig document overeenkomstig het model opgenomen als bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, voor zover de houder van dit document een persoon is die tot één van de volgende categorieën behoort :
1° de personen die het voordeel inroepen van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of 40ter van de wet van 15 december 1980;
2° de personen die het voordeel inroepen van een recht op verblijf op grond van artikel 10 of 10bis van de voornoemde wet, met uitzondering van familieleden van een student;
3° de asielzoekers die, vier maanden na hun asielaanvraag te hebben ingediend, werden toegelaten te werken in toepassing van artikel 18, 3° hierboven.
Art. 20. - Hebben de toelating om te werken, de buitenlandse onderdanen die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen 4 en 7 tot 19 maar die, tijdelijk, in bezit zijn van een document overeenkomstig bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 tijdens de periode waarin zij in afwachting zijn van de afgifte van het verblijfsdocument.
Art. 21. - Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfstitels en -documenten betreft in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, of wat de nummering van de bijlagen van dit besluit betreft, kan de Minister die Werk onder zijn bevoegdheid heeft, de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten of het nummer van de bijlagen bedoeld in dit besluit, aanpassen.
Art. 22. - Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, worden belast met het toezicht op de naleving van de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° de sociaal bemiddelaars van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
2° de sociale inspecteurs van de algemene directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
3° de sociale inspecteurs van de algemene directie Toezicht op het Welzijn van de Federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
4° de sociale inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
5° de sociale inspecteurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
6° de inspecteurs van de Federale overheidsdienst Economie;
7° de ambtenaren van de Federale overheidsdienst Financiën;
8° de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken;
9° de ambtenaren van de Lokale Politie;
10° de ambtenaren van de Federale Politie.
Art. 23. - Het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers wordt opgeheven, behalve voor wat betreft de au-pair jongeren, voor welke het koninklijk besluit van toepassing blijft.
Art. 24. - Het koninklijk besluit van 2 april 2003 tot bepaling van de modaliteiten van indiening van de aanvragen en aflevering van de arbeidskaart C wordt opgeheven.
Art. 25. - § 1. - De arbeidskaarten C, verstrekt met toepassing van de bepalingen van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en van het uitvoeringsbesluit ervan, blijven geldig tot de vervaldatum ervan.
§ 2. - De arbeidskaarten C verliezen echter hun geldigheid zodra een nieuwe verblijfsvergunning dat een vermelding met betrekking tot de arbeidsmarkt bevat, wordt toegekend aan de werknemer.
§ 3. - Wanneer geen enkele nieuwe verblijfsvergunning werd toegekend aan de werknemer vóór de vervaldatum van de arbeidskaart C, behoudt de werknemer de toestemming om voor elke werkgever te werken tot de vervaldatum van zijn verblijfsvergunning.
Art. 26. - Dit besluit treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden.
Art. 27. - De minister die bevoegd is voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 2 september 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
K. PEETERS


begin

Publicatie : 2018-09-17