J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2018/07/30/2018031658/justel

Titel
30 JULI 2018. - Koninklijk besluit betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register

Bron :
FINANCIEN
Publicatie : 14-08-2018 nummer :   2018031658 bladzijde : 64620       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2018-07-30/19
Inwerkingtreding : 31-10-2018

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Voorwerp en definities
Art. 1-2
HOOFDSTUK 2. - Mededeling van informatie aan het register
Art. 3-5
HOOFDSTUK 3. - Toegang tot het register
Art. 6-15
HOOFDSTUK 4. - Afwijking
Art. 16
HOOFDSTUK 5. - Controle en sancties
Art. 17-19
HOOFDSTUK 6. - Verwerking van persoonsgegevens
Art. 20-23
HOOFDSTUK 7. - Diverse bepalingen
Art. 24-25
HOOFDSTUK 8. - Inwerkingtreding
Art. 26
HOOFDSTUK 9. - Uitvoeringsbepaling
Art. 27

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Voorwerp en definities

  Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2015/849/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie, en van Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU.

  Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
  1° "wet van 18 september 2017": de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
  2° "register": het UBO-register gecreëerd op grond van artikel 73 van de wet van 18 september 2017;
  3° "informatieplichtige": de entiteiten bedoeld in artikel 74, § 1, van de wet van 18 september 2017;
  4° "uiteindelijke begunstigde": de persoon of personen bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017;
  5° "rechtstreekse uiteindelijke begunstigde": een uiteindelijke begunstigde die de rechtstreekse eigenaar is of zeggenschap heeft over de informatieplichtige;
  6° "onrechtstreekse uiteindelijke begunstigde": een uiteindelijke begunstigde die via één of meerdere juridische entiteiten de eigenaar is of zeggenschap heeft over de informatieplichtige;
  7° "Administratie van de Thesaurie": de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën;
  8° "Minister": de minister bevoegd voor Financiën;
  9° "lidstaten": de lidstaten in de zin van artikel, 4, 7°, van de wet van 18 september 2017;
  10° "Kruispuntbank van de sociale zekerheid": de Kruispuntbank van de sociale zekerheid bedoeld in de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
  11° "wet van 27 juni 1921": de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen;
  12° "wet van 8 december 1992": de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
  13° "wetboek van economisch recht": het Wetboek van economisch recht bedoeld in artikel 2 van de wet van 28 februari 2013 tot invoering van het Wetboek van economisch recht;
  14° "gegevensbeschermingsautoriteit": de gegevensbeschermingsautoriteit bedoeld in artikel 3 van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de gegevensbeschermingsautoriteit;
  15° "CFI": de CFI in de zin van artikel 4, 16°, van de wet van 18 september 2017;
  16° "toezichtautoriteiten": de toezichtautoriteiten in de zin van artikel 4, 17° van de wet van 18 september 2017;
  17° "bevoegde autoriteiten": een overheidsorgaan met als wettelijke opdracht de strijd tegen het witwassen van geld en de financiering van het terrorisme of de daarmee verband houdende basisdelicten, de fiscale autoriteiten, de overheidsorganen belast met de inbeslagneming en verbeurdverklaring van vermogensbestanddelen van criminelen, de overheidsorganen die informatie krijgen over het vervoer of grensoverschrijdend vervoer van geld of verhandelbare instrumenten aan toonder, de CFI en de toezichtautoriteiten;
  18° "trustee": een trustee bedoeld in artikel 122 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of elke persoon die een soortgelijke positie heeft in een aan fiducieën of trusts gelijkgestelde juridische entiteit aangewezen conform artikel 74, § 1, van de wet van 18 september 2017;
  19° "trust": een trust in de zin van artikel 4, 26°, van de wet van 18 september 2017;
  20° "onderworpen entiteit": een onderworpen entiteit in de zin van artikel 4, 18°, van de wet van 18 september 2017.

  HOOFDSTUK 2. - Mededeling van informatie aan het register

  Art. 3. § 1. Met toepassing van artikelen 75 van de wet van 18 september 2017 en 14/1, tweede en derde lid, van het Wetboek van Vennootschappen, delen alle informatieplichtigen, die een vennootschap zijn, aan het register de volgende informatie over elk van hun uiteindelijke begunstigden mee:
  1° zijn naam;
  2° zijn eerste voornaam;
  3° zijn geboortedag;
  4° zijn geboortemaand;
  5° zijn geboortejaar;
  6° zijn nationaliteit(en);
  7° zijn land van verblijf;
  8° zijn volledige verblijfsadres ;
  9° de datum waarop hij uiteindelijke begunstigde van de informatieplichtige is geworden.
  10° zijn identificatienummer van het Rijksregister van natuurlijke personen of van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, en waar van toepassing elk vergelijkbaar identificatiemiddel dat wordt afgeleverd door de staat waar hij verblijft of waarvan hij onderdaan is;
  11° de categorie(ën) van personen bedoeld in artikel 4, 27°, tweede lid, a), van de wet van 18 september 2017, waartoe hij behoort;
  12° of het gaat om een persoon die één van de voorwaarden vervult die worden vermeld in artikel 4, 27°, tweede lid, a), van de wet van 18 september 2017, afzonderlijk of samen met andere personen;
  13° of het gaat om een rechtstreekse of onrechtstreekse uiteindelijke begunstigde;
  14° als het om een onrechtstreekse uiteindelijke begunstigde gaat, het aantal tussenpersonen en ook, voor elk van hen, de volledige identificatiegegevens, met minstens de naam, de oprichtingsdatum, de handelsnaam, de rechtsvorm, het adres van de maatschappelijke zetel en het ondernemingsnummer bedoeld in artikel III.17 van het wetboek van economisch recht, en waar van toepassing elk ander vergelijkbaar identificatiemiddel dat wordt afgeleverd door de staat waar de tussenpersoon is geregistreerd;
  15° de omvang van het uiteindelijke belang in de informatieplichtige, namelijk:
  a) in het geval van een rechtstreekse uiteindelijke begunstigde en wanneer het zeggenschap resulteert uit de eigendom van de aandelen of stemrechten, het percentage van de aandelen of stemrechten in de informatieplichtige;
  b) in het geval van een onrechtstreekse uiteindelijke begunstigde en wanneer het zeggenschap resulteert uit de onrechtstreekse eigendom van de aandelen of stemrechten in de informatieplichtige, de gewogen percentages van de aandelen of stemrechten in de informatieplichtige.
  § 2. Met toepassing van de artikelen 75, van de wet van 18 september 2017 en 58/11, derde en vierde lid, van de wet van 27 juni 1921, delen alle informatieplichtigen, die een vereniging zonder winstoogmerk, een internationale vereniging zonder winstoogmerk of een stichting zijn, aan het register de volgende informatie over elk van hun uiteindelijke begunstigden mee:
  1° zijn naam;
  2° zijn eerste voornaam;
  3° zijn geboortedag;
  4° zijn geboortemaand;
  5° zijn geboortejaar;
  6° zijn nationaliteit(en);
  7° zijn land van verblijf;
  8° zijn volledige verblijfsadres ;
  9° de datum waarop hij uiteindelijke begunstigde van de informatieplichtige is geworden.
  10° zijn identificatienummer van het Rijksregister van natuurlijke personen of van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, en waar van toepassing elk vergelijkbaar identificatiemiddel dat wordt afgeleverd door de staat waar hij verblijft of waarvan hij onderdaan is;
  11° de categorie(ën) van personen bedoeld in artikel 4, 27°, tweede lid, c), van de wet van 18 september 2017, waartoe hij behoort;
  12° de één of meerdere categorieën van personen opgesomd in artikel 4, 27°, tweede lid, c), van de wet van 18 september 2017, afzonderlijk of samen met anderen, waartoe hij behoort;
  § 3. De Minister kan de technische modaliteiten betreffende de overdracht, de registratie en de bewaring van de in dit artikel bedoelde informatie bepalen.

  Art. 4. § 1. Overeenkomstig artikel 75 van de wet van 18 september 2017 moeten de trustees of fiduciebeheerders de volgende informatie betreffende elk van hun uiteindelijke begunstigden van de trusts, fiducieën of gelijkaardige juridische entiteiten die ze vanuit België beheren, inwinnen en bijhouden:
  1° zijn naam;
  2° zijn eerste voornaam;
  3° zijn geboortedag;
  4° zijn geboortemaand;
  5° zijn geboortejaar;
  6° zijn nationaliteit(en);
  7° zijn land van verblijf;
  8° zijn volledige verblijfsadres;
  9° het identificatienummer van het Rijksregister van natuurlijke personen of van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, of elk vergelijkbaar identificatiemiddel dat wordt afgeleverd door de staat waar hij verblijft of waarvan hij onderdaan is;
  10° de categorie(ën) van uiteindelijke begunstigde bedoeld in artikel 4, 27°, lid 2, d) van de wet, waaronder hij ressorteert;
  11° de datum waarop de persoon uiteindelijke begunstigde van de informatieplichtige is geworden.
  De trustees en fiduciebeheerders nemen de maatregelen die nodig zijn om zich ervan te vergewissen dat de informatie in deze paragraaf toereikend, accuraat en actueel is.
  § 2. De trustee of fiduciebeheerder deelt de in paragraaf 1 bedoelde informatie aan het register mee wanneer:
  1° de trustee of fiduciebeheerder in België is gevestigd, gedomicilieerd of er verblijft;
  2° de maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting, zetel van bestuur of beheer van de trustee of van de fiduciebeheerder in België is gevestigd;
  3° de trustee of fiduciebeheerder niet in een lidstaat is gevestigd, gedomicilieerd of er verblijft of zijn maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting, zetel van bestuur of beheer niet in een lidstaat is gevestigd en, als trustee of fiduciebeheerder, een zakelijke relatie aangaat of een onroerend goed verwerft in België op naam van de trust.
  De in paragraaf 1 bedoelde informatie wordt overeenkomstig deze paragraaf meegedeeld binnen de maand te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit of vanaf het ogenblik waarop die informatie wordt gewijzigd.
  § 3. De mededeling aan de Administratie van de Thesaurie van een uittreksel van de informatie over de uiteindelijke begunstigden die is opgenomen in een gelijkaardig register van een andere lidstaat geldt als voldoening aan de verplichtingen bedoeld in paragraaf 1 en 2 wanneer:
  1° de trustees of fiduciebeheerders in verschillende lidstaten waaronder België zijn gevestigd, gedomicilieerd of er verblijven;
  2° de maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting, zetel van bestuur of beheer van de trustees of fiduciebeheerders in meerdere lidstaten waaronder België zijn gevestigd;
  3° de trustee of fiduciebeheerder een zakelijke relatie aangaat, op naam van de trust of fiducie in verschillende lidstaten waaronder België.
  § 4. De trustee of fiduciebeheerder is gehouden om tijdig zijn statuut aan te geven en de informatie mee te delen die is bedoeld in paragraaf 1 aan de betrokken onderworpen entiteiten, wanneer hij, als trustee of fiduciebeheerder, een zakelijke relatie aangaat of een occasionele verrichting uitvoert van een bedrag dat hoger ligt dan de drempels uit artikel 21, § 1, 2° en 3°, van de wet van 18 september 2017.
  § 5. De Minister kan de technische modaliteiten betreffende de overdracht, de registratie en de bewaring van de in dit artikel bedoelde informatie bepalen.

  Art. 5. Onverminderd de verplichtingen bedoeld in de artikelen 14/1, derde lid van het Wetboek van vennootschappen, 58/11, vierde lid van de wet van 27 juni 1921, en 4, § 2, van dit besluit wordt de in de artikelen 3 en 4 bedoelde informatie ten minste jaarlijks door de informatieplichtigen bijgewerkt.

  HOOFDSTUK 3. - Toegang tot het register

  Art. 6. Onverminderd andere wettelijke bepalingen en overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn de gegevens van het register met betrekking tot de in artikel 3, § 1, bedoelde informatieplichtigen toegankelijk voor:
  1° de bevoegde autoriteiten;
  2° de onderworpen entiteiten in het kader van de nakoming van hun verplichtingen inzake waakzaamheid ten aanzien van de cliënten;
  3° elke burger.

  Art. 7. Onverminderd andere wettelijke bepalingen en overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn de gegevens van het register met betrekking tot de verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk, stichtingen, trusts of gelijkaardige juridische entiteiten bedoeld in de artikelen 3, § 2 en 4, toegankelijk voor:
  1° de bevoegde autoriteiten;
  2° de onderworpen entiteiten in het kader van de nakoming van hun verplichtingen inzake waakzaamheid ten aanzien van de cliënten;
  3° elke andere persoon of organisatie die een legitiem belang aantoont ;
  4° elke andere persoon die een schriftelijke aanvraag bij de Administratie van de Thesaurie indient voor de vereniging zonder winstoogmerk, internationale vereniging zonder winstoogmerk, stichting, trusts, fiducieën of gelijkaardige juridische entiteiten die zeggenschap hebben over een vennootschap, vereniging zonder winstoogmerk, internationale vereniging zonder winstoogmerk of stichting.

  Art. 8. § 1. Om toegang te krijgen tot de gegevens van het register dienen de bevoegde autoriteiten en de onderworpen entiteiten een toegangsaanvraag in bij de Administratie van de Thesaurie en geven zij de naam, de voornaam en het identificatienummer in het Rijksregister van de natuurlijke personen of in de Kruispuntbank van de sociale zekerheid van hun personeelslid door dat verantwoordelijk is voor het beheer van de toegang van de betrokken entiteit.
  § 2. Om de Administratie van de Thesaurie in staat te stellen de onderworpen entiteiten te identificeren, delen de toezichtautoriteiten aan de Administratie van de Thesaurie de lijst mee van de onderworpen entiteiten die onder hun toezicht vallen. Deze lijst omvat minstens de benaming en het KBO-nummer van de betrokken onderworpen entiteiten.
  De toezichtautoriteiten nemen alle nodige technische en organisatorische maatregelen om, onder hun uitsluitende verantwoordelijkheid, te garanderen dat de meegedeelde lijst de passende, duidelijke en actuele informatie over de betrokken onderworpen entiteiten bevat.
  De minister kan de technische modaliteiten van de overdracht, de registratie, de bewaring en de bijwerking van de door de toezichtautoriteiten meegedeelde lijsten bepalen.

  Art. 9. § 1. Elke burger bedoeld in artikel 6, 3°, kan toegang krijgen tot de informatie bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, 4° tot 7°, 9° en 11° tot 15°, voor de betreffende informatieplichtigen of de uiteindelijke begunstigden. Deze informatie is enkel opvraagbaar op basis van het KBO-nummer of naam van de onderneming.
  § 2. De minister kan de technische modaliteiten van identificatie en verbinding van de personen en organisaties bedoeld in paragraaf 1 en ook de modaliteiten van de bewaring van de verrichte opzoekingen bepalen.

  Art. 10. § 1. Om toegang te krijgen tot de informatie van het register bedoeld in de artikelen 3, § 2, 1°, 4° tot 7°, 9°, 11° en 12° en 4, § 1, 1°, 4° tot 7°, 10° en 11°, dienen de in artikel 7, 3°, bedoelde personen of organisaties bij de Administratie van de Thesaurie een specifieke aanvraag van informatie in. Daarin vermelden zij minstens het volgende:
  1° het ondernemingsnummer bedoeld in artikel III.17 van het wetboek van economisch recht, of de naam van de informatieplichtige waarvoor de aanvraag is ingediend, of de naam, de voornaam en de geboortedatum van de uiteindelijk begunstigde voor wie de aanvraag is ingediend;
  2° elk document waarin de motieven van de aanvraag worden uiteengezet en dat het legitiem belang aantoont om het register te raadplegen.
  § 2. De Administratie van de Thesaurie kan aan de in paragraaf 1 bedoelde persoon of organisatie elk bijkomend document vragen om zijn legitiem belang om het register te raadplegen, vast te stellen.
  § 3. Het legitiem belang van de in paragraaf 1 bedoelde personen en organisaties moet verband houden met de strijd tegen het witwassen van geld, de financiering van terrorisme of de verbonden onderliggende criminele activiteiten.
  Voor natuurlijke personen kan het legitiem belang bedoeld in het eerste lid, worden aangetoond met het bewijs dat activiteiten worden uitgevoerd die verband houden met de strijd tegen het witwassen van geld, de financiering van terrorisme en de verbonden onderliggende criminele activiteiten.
  Voor rechtspersonen kan het legitiem belang worden aangetoond op basis van het maatschappelijke doel of een activiteit die verband houdt met de strijd tegen het witwassen van geld, de financiering van terrorisme en de verbonden onderliggende criminele activiteiten.

  Art. 11. § 1. Om toegang te krijgen tot de informatie van het register bedoeld in de artikelen 3, § 2, 1°, 4° tot 7°, 9°, 11° en 12° en 4, § 1, 1°, 4° tot 7°, 10° en 11°, dienen de personen bedoeld in artikel 7, 4°, bij de Administratie van de Thesaurie een specifieke aanvraag van informatie in. Daarin vermelden zij minstens het volgende:
  1° het ondernemingsnummer bedoeld in artikel III.17 van het wetboek van economisch recht, of de naam van de informatieplichtige waarvoor de aanvraag is ingediend, of de naam, de voornaam en de geboortedatum van de uiteindelijk begunstigde voor wie de aanvraag is ingediend;
  2° elk document dat aantoont dat de bij de aanvraag van informatie betrokken informatieplichtige een vennootschap, vereniging zonder winstoogmerk, internationale vereniging zonder winstoogmerk of stichting beheerst.
  § 2. De Minister kan de lijst vervolledigen van de informatie bedoeld in de voorgaande paragraaf en bepaalt hij de technische modaliteiten betreffende de overdracht, de registratie, de bewaring en de verwerking van deze aanvragen.

  Art. 12. De personen die krachtens de artikelen 6, 1° en 2° en 7, 1° en 2°, een toegangsrecht tot het register hebben, nemen alle nodige technische en organisatorische maatregelen om, onder hun exclusieve verantwoordelijkheid, te garanderen dat:
  1° elkeen die bij de Administratie van de Thesaurie een toegangsaanvraag indient in zijn naam en voor eigen rekening of toegang krijgt tot het register, wordt geïdentificeerd en bevoegd is om ze te vertegenwoordigen;
  2° elke toegang of aanvraag van toegang tot het register die wordt ingediend in zijn naam en voor eigen rekening, toegestaan is, legitiem is en de door de wet van 18 september 2017 en dit besluit nagestreefde doelstelling naleeft;
  3° de vertrouwelijkheid van de uit het register verkregen informatie wordt bewaard en dat deze informatie vervolgens niet wordt gebruikt, herwerkt of verspreid voor doeleinden die niet verenigbaar zijn met de door de wet en dit besluit nagestreefde doelstelling.

  Art. 13. De personeelsleden van de Administratie van de Thesaurie die daartoe zijn gemachtigd, kunnen het register raadplegen om de bepalingen van dit besluit toe te passen.
  Zij mogen de gegevens van het register gebruiken voor wetenschappelijke of statistische doeleinden.

  Art. 14. De toegang tot het register door de onderworpen entiteiten en de personen en organisaties bedoeld in artikel 6, 2° en 3°, en 7, 2° tot 4°, is onderworpen aan de betaling van de administratieve kosten, waarvan het bedrag en de betalingsmodaliteiten door de Minister worden vastgelegd.

  Art. 15. § 1. De Administratie van de Thesaurie ziet erop toe dat de raadpleging van de gegevens van het register gebeurt zonder dat de betrokken informatieplichtigen of uiteindelijke begunstigden daarvan worden verwittigd.
  § 2. De Administratie van de Thesaurie ziet erop toe dat elke raadpleging van het register wordt geregistreerd en bewaard voor een duur van 10 jaar.

  HOOFDSTUK 4. - Afwijking

  Art. 16. § 1. De Administratie van de Thesaurie kan op verzoek van een uiteindelijke begunstigde waarover informatie in het register is opgenomen, de toegang van de personen en organisaties bedoeld in artikel 6, 2° en 3°, en 7, 2° tot 4°, met uitzondering van de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 4° tot 22° en 26°, van de wet van 18 september 2017, beperken tot alle of een gedeelte van de informatie over die uiteindelijke begunstigde.
  § 2. De Administratie van de Thesaurie kan per geval en na gedetailleerde analyse van het uitzonderlijke karakter van de omstandigheden, indien door de betrokken uiteindelijke begunstigde wordt aangetoond dat die toegang blootstelling aan een onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie inhoudt of indien de uiteindelijke begunstigde minderjarig of anderszins handelingsonbekwaam is, gebruikmaken van het prerogatief dat haar wordt toegekend in paragraaf 1.
  § 3. Alle aanvragen van een uiteindelijke begunstigde, zoals bedoeld in paragraaf 1, moeten bij de Administratie van de Thesaurie worden ingediend, samen met de volgende gegevens:
  1° het ondernemingsnummer, bedoeld in artikel III.17 van het wetboek van economisch recht, van de in de aanvraag bedoelde informatieplichtige(n);
  2° elk element dat aantoont dat een toegang tot alle informatie over deze uiteindelijke begunstigde voor deze laatste een blootstelling aan een risico op fraude, ontvoering, chantage, geweld of intimidatie inhoudt of dat de uiteindelijke begunstigde minderjarig of anderszins handelingsonbekwaam is;
  3° desgevallend, elk element dat aantoont dat de persoon die de aanvraag indient, de lasthebber van de in de aanvraag tot afwijking bedoelde uiteindelijke begunstigde is.
  § 4. De Minister kan de lijst vervolledigen van de informatie bedoeld in paragraaf 3 en bepaalt hij de technische modaliteiten betreffende de overdracht, de registratie, de bewaring en de verwerking van deze aanvragen.
  § 5. De Administratie van de Thesaurie publiceert elk jaar een verslag met het aantal overeenkomstig dit artikel verleende afwijkingen en de reden ervan en deelt dit verslag aan de Europese Commissie mee.

  HOOFDSTUK 5. - Controle en sancties

  Art. 17. § 1. Onverminderd de prerogatieven die haar zijn toegekend door of krachtens de wet is de Administratie van de Thesaurie belast met de controle op de naleving van de artikelen 3 en 4.
  § 2. In het kader van haar controleopdrachten bedoeld in artikel 74, § 2, tweede en derde lid, van de wet van 18 september 2017 en in paragraaf 1 van dit artikel en onverminderd de wet van 8 december 1992, kan de Administratie van de Thesaurie:
  1° na advies van de gegevensbeschermingsautoriteit, andere binnen de Federale Overheidsdienst Financiën aangemaakte databanken benutten;
  2° na advies van de gegevensbeschermingsautoriteit, andere door derden aangemaakte databanken benutten;
  3° met alle derden samenwerken om de gegevens van het register en de werking ervan te analyseren en te corrigeren en de bepalingen van de wet van 18 september 2017 en dit besluit te doen naleven. Na advies van de gegevensbeschermingsautoriteit sluit de Administratie van de Thesaurie met deze derden samenwerkingsakkoorden om de voorwaarden en de modaliteiten betreffende deze samenwerking vast te leggen en om te garanderen dat de gecommuniceerde gegevens in geen geval worden gebruikt, herwerkt of verspreid voor doeleinden die niet verenigbaar zijn met de door de wet van 18 september 2017 nagestreefde doelstelling;
  4° met de beheerders van de door de andere lidstaten opgestelde gelijkaardige registers samenwerken en elk type van informatie uitwisselen. Na advies van de gegevensbeschermingsautoriteit sluit de Administratie van de Thesaurie met deze beheerders samenwerkingsakkoorden om de voorwaarden en de modaliteiten betreffende deze informatie-uitwisseling vast te leggen en om te garanderen dat de gecommuniceerde gegevens in geen geval worden gebruikt, herwerkt of verspreid voor doeleinden die niet verenigbaar zijn met de door de wet van 18 september 2017 nagestreefde doelstelling.

  Art. 18. De Minister kan, in geval van een inbreuk op artikel 3, een administratieve geldboete opleggen overeenkomstig artikel 132, § 6, van de wet van 18 september 2017.
  De administratieve geldboete wordt opgelegd nadat de informatieplichtigen bedoeld in voornoemd artikel werd gehoord of minstens behoorlijk werd opgeroepen.
  De dader van de inbreuk wordt met een bij de post aangetekend schrijven in kennis gesteld van de beslissing om een administratieve geldboete op te leggen. Deze beslissing wordt gemotiveerd en vermeldt ook het bedrag van de opgelegde administratieve boete en de uiterste datum voor de betaling ervan. Er wordt een verzoek tot betaling van de boete bijgevoegd.
  De administratieve geldboetes die met toepassing van dit artikel worden opgelegd, worden ingevorderd door de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen, overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.

  Art. 19. § 1. Elke onderworpen entiteit meldt elk verschil dat zij zou vaststellen tussen de in het register opgenomen informatie en deze waarvan zij kennis heeft via elektronische weg aan de Administratie van de Thesaurie.
  Deze meldingsplicht is van toepassing op de bevoegde autoriteiten voor zover ze de vervulling van hun wettelijke opdrachten niet tegenwerkt.
  § 2. De Administratie van de Thesaurie doet het nodige om de informatie uit het register te bevestigen, te verbeteren of te verduidelijken. Ze kan inzonderheid de redenen van die melding bedoeld in paragraaf 1 aan de betrokken informatieplichtige meedelen die de informatie uit het register verbetert, bevestigt of verduidelijkt, binnen de maand na de ontvangst van die kennisgeving. De naam van de onderworpen entiteit of bevoegde autoriteit die deze melding deed, mag in geen geval aan de betrokken informatieplichtige worden doorgegeven.
  De Administratie van de Thesaurie vermeldt in het register dat een kennisgeving werd ingediend zonder het voorwerp ervan of de entiteit die aan de oorsprong ervan ligt te bepalen. Die vermelding wordt ingetrokken van zodra de informatie in het register werd bevestigd, verbeterd of verduidelijkt overeenkomstig het vorige lid.

  HOOFDSTUK 6. - Verwerking van persoonsgegevens

  Art. 20. De Administratie van de Thesaurie wordt aangesteld als verantwoordelijke instelling voor de verwerking van het register in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992.
  De informatieplichtigen zijn verantwoordelijk voor de verwerkingen van de persoonsgegevens die ze verrichten om te voldoen aan de verplichtingen die op hen rusten krachtens de wet van 18 september 2017 en dit besluit.

  Art. 21. De informatieplichtigen informeren hun uiteindelijke begunstigden op een duurzame drager over:
  1° de verplichting van de informatieplichtigen om de gegevens bedoeld in de artikelen 3 en 4 mee te delen aan het register;
  2° de registratie en de bewaring van deze gegevens in het register;
  3° de naam en het adres van de dienst die binnen de Administratie van de Thesaurie belast is met het beheer van het register;
  4° de toegangsmogelijkheid tot het register voor de in artikel 6 en 7 opgesomde entiteiten en personen;
  5° het recht van de uiteindelijke begunstigde, overeenkomstig artikel 22, om kennis te nemen van de gegevens die op zijn naam zijn opgenomen in het register;
  6° het recht van de uiteindelijke begunstigde, uit te oefenen bij de betrokken informatieplichtige overeenkomstig artikel 23, tot verbetering en verwijdering van onjuiste gegevens die op zijn naam zijn opgenomen in het register;
  7° de in artikel 25 vastgelegde bewaartermijn van de in het register opgeslagen gegevens.
  De Administratie van de Thesaurie brengt de uiteindelijke begunstigden op de hoogte van hun inschrijving in het register en geeft hen de informatie door die op hun naam werd geregistreerd.

  Art. 22. Elke natuurlijke persoon kan kennisnemen van de gegevens die op zijn naam in het register zijn opgenomen door een aanvraag in te dienen bij de Administratie van de Thesaurie.
  De Minister kan de lijst bepalen van de documenten die bij deze aanvraag moeten worden gevoegd en ook de technische modaliteiten betreffende de overdracht, de verwerking, de registratie en de bewaring van deze aanvragen.
  De lijst van de in het register opgenomen gegevens aangaande de natuurlijke persoon wordt door de Administratie van de Thesaurie kosteloos naar het adres van deze natuurlijke persoon gestuurd, zoals vermeld in het Rijksregister van natuurlijke personen, de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, of desgevallend in de toegevoegde bewijsstukken overeenkomstig het tweede lid.

  Art. 23. § 1. Elke natuurlijke persoon kan, rechtstreeks of via de Administratie van de Thesaurie, kosteloos aan de informatieplichtige waarvan hij de uiteindelijke begunstigde is vragen om de onjuiste gegevens die op zijn naam geregistreerd zijn, te verbeteren of te verwijderen.
  § 2. De informatieplichtige dient, onder zijn uitsluitende verantwoordelijkheid, de in zijn eigen bestanden geregistreerde onjuiste gegevens met betrekking tot zijn uiteindelijke begunstigden te verbeteren of te verwijderen en deze wijzigingen onverwijld aan het register mee te delen.

  HOOFDSTUK 7. - Diverse bepalingen

  Art. 24. § 1 Om de verplichtingen na te leven die worden opgelegd door of op grond van de wet van 18 september 2017 of van dit besluit, in het bijzonder met het oog op het meedelen aan het register van de informatie bedoeld in de artikelen 3 en 4, mogen de informatieplichtigen:
  1° het identificatienummer van het Rijksregister van natuurlijke personen of van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van hun uiteindelijke begunstigden waarover ze reeds zouden beschikken in het kader van een door of op grond van de wet vastgelegde andere doelstelling, opnieuw gebruiken;
  2° als ze nog niet over één van deze twee nummers zouden beschikken, aan hun uiteindelijke begunstigden vragen om hen een van deze twee nummers mee te delen, het registreren in hun bestanden in een digitale en gestructureerde vorm en het gebruiken om deze uiteindelijke begunstigde te identificeren;
  3° indien de uiteindelijke begunstigden geen passend gevolg zouden geven aan dit verzoek tot mededeling van één van deze twee nummers, de gegevens van het Rijksregister van natuurlijke personen bedoeld in artikel 3, 1° (naam en voornamen) en 2° (geboorteplaats en -datum), van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van natuurlijke personen raadplegen, om er het identificatienummer van deze uiteindelijke begunstigde te zoeken, dit nummer te kopiëren, dit identificatienummer in hun bestanden te registreren in een digitale en gestructureerde vorm en die gebruiken om de betrokken uiteindelijke begunstigde te identificeren. Er kan geen enkele zoekopdracht worden gedaan door een informatieplichtige die niet minstens over de naam, de voornamen en de geboortedatum beschikt op het moment van het opstarten van de zoekopdracht.
  De informatieplichtigen kunnen, individueel of samen met andere informatieplichtigen, een instelling oprichten of gebruiken die in hun plaats de bovengenoemde toelating geniet en die aan de informatieplichtige die dit vraagt, na toelating van de gegevensbeschermingsautoriteit, het identificatienummer van het Rijksregister van de betrokken uiteindelijke begunstigde meedeelt. De Minister legt de voorwaarden vast waaraan de in dit lid bedoelde instellingen moeten voldoen.
  § 2. Met als enig doel om de door of op grond van de wet van 18 september 2017 of van dit besluit opgelegde verplichtingen na te leven, mag de Administratie van de Thesaurie:
  1° het identificatienummer van de natuurlijke personen uit het Rijksregister van natuurlijke personen of de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, gebruiken voor het beheer van de toegangen tot de informatie van het register en de werking ervan, en voor de uitvoering van haar controleopdrachten;
  2° het adres van de uiteindelijke begunstigde dat wordt vermeld in het Rijksregister van natuurlijke personen of de Kruispuntbank van de sociale zekerheid raadplegen en gebruiken, onder meer in het kader van de uitoefening van het recht op raadpleging en verbetering door de uiteindelijke begunstigde van de persoonsgegevens die op zijn naam zijn opgenomen in het register.

  Art. 25. De informatie bedoeld in de artikelen 3 en 4 wordt gedurende een periode van tien jaar bewaard vanaf de dag van het verlies van de rechtspersoonlijkheid van de informatieplichtige of de definitieve stopzetting van zijn activiteiten.

  HOOFDSTUK 8. - Inwerkingtreding

  Art. 26. Dit koninklijk besluit treedt in werking op 31 oktober 2018.

  HOOFDSTUK 9. - Uitvoeringsbepaling

  Art. 27. De minister bevoegd voor Financiën, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te L'Ile-d'Yeu, 30 juli 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
J. VAN OVERTVELDT

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op artikel 108 van de Grondwet;
   Gelet op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, artikel 75;
   Gelet op de regelgevingsimpactanalyse van 13 maart 2018, uitgevoerd overeenkomstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
   Gelet op het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer nr. 43/2018, gegeven op 23 mei 2018;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 13 maart 2018;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 29 maart 2018;
   Gelet op het advies nr. 63.630/2 van de Raad van State, gegeven op 4 juli 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister van Financiën en op advies van de in Raad vergaderde ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Ik heb de eer aan Uwe Majesteit een besluit ter ondertekening voor te leggen dat tot doel heeft de werkingsmodaliteiten vast te leggen van het register van de uiteindelijke begunstigden (UBO-register, hierna het "Register", zoals bedoeld in artikelen 73 tot 75 van de wet van 18 september 2017 betreffende de voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en de beperking van het gebruik van contanten (hierna de "Wet" genoemd), ter omzetting van richtlijn 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (hierna de "Richtlijn"), zoals gewijzigd bij het Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering en tot wijziging van Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU.
   Dit register heeft tot doel te beschikken over een gecentraliseerde databank van alle personen die één van de juridische entiteiten geïdentificeerd in de Wet bezitten of er controle over uitoefenen
   Een dergelijke identificatie is immers een noodzakelijke maatregel om de daadwerkelijke transparantie van de eigendomsstructuren van deze juridische entiteiten te kunnen garanderen en zo op een efficiënteremanier de strijd aan te gaan tegen het witwassen van geld en terrorismefinanciering, wat de voornaamste doelstellingen zijn bedoeld in artikel 2 van de Wet.
   Door het oprichten van een dergelijk register en de precieze identificatie van de uiteindelijke begunstigden van deze juridische entiteiten kan België eveneens tegemoet komen aan en zich conformeren met aanbevelingen 24 en 25 van de Financiële Actiegroep ("FAG"). Een dergelijk instrument laat België bovendien toe te reageren op de vereisten en werkzaamheden van het Wereldforum inzake transparantie en gegevensuitwisseling voor belastingdoeleinden van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling ("OESO").
   Artikelsgewijze bespreking
   Artikel 2
   Dit artikel definieert de sleutelbegrippen waarnaar in dit koninklijk besluit verwezen wordt.
   De definitie van informatieplichtige omvat alle juridische entiteiten bedoeld in artikel 75 van de Wet.
   De begrippen rechtstreekse en onrechtstreekse uiteindelijke begunstigde beogen de uiteindelijke begunstigden te identificeren die beschikken over een effectief belang of over controle over de informatieplichtige via andere informatieplichtigen of buitenlandse juridische entiteiten. Dit onderscheid moet het mogelijk maken de eigendomsstructuren te identificeren die door de uiteindelijke begunstigde of begunstigden werden ingevoerd om te beschikken over effectieve controle of een effectief belang in de informatieplichtige.
   Het begrip bevoegde autoriteiten begrip omvat de controleautoriteiten bedoeld in artikel 85 van de wet, de CFI en alle overheidsinstanties die instaan voor de strijd tegen het witwassen van geld, de financiering van het terrorisme of de daarmee verband houdende basisdelicten. België kan zich met dit concept richten naar bovengenoemde Europese richtlijnen door deze overheden toegang te verstrekken tot het Register. De definitie van dit begrip wordt ontleend aan de bovenvermelde Europese bepalingen.
   Artikel 3
   Artikel 3 van het ontwerp somt de informatie betreffende elk van hun uiteindelijke begunstigden op die de informatieplichtigen die een vennootschap, een vereniging zonder winstoogmerk, een internationale vereniging zonder winstoogmerk of een stichting zijn zullen moeten meedelen aan het register. Het verplicht meedelen van die informatie ten laste van de informatieplichtigen en niet van de uiteindelijke begunstigden zelf is bepaald in de artikelen 14/1 van het Wetboek van Vennootschappen en 58/11 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen, de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen, beide ingevoegd door de artikelen 143 en 154 van de Wet.
   Dit artikel specificeert de informatie die moet worden overgemaakt aan het Register en vervolledigt het minimumpakket van informatie die moet worden ingezameld krachtens artikel 58/11, leden 3 en 4, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen, de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen en artikel 14/1, leden 2 en 3, van het Wetboek van Vennootschappen.
   De overeenkomstig paragraaf 1 voorgeschreven informatie maakt het mogelijk om de uiteindelijke begunstigden van de vennootschappen nauwkeurig te identificeren.
   De nationaliteit(en) van de uiteindelijke begunstigden maakt deel uit van de informatie die vereist is om te voldoen aan de voorschriften van artikel 30, § 5, al. 2 van de richtlijn.
   Punten 7° en 8° betreffen respectievelijk het land van verblijf en het volledige verblijfadres. Dit onderscheid is er gekomen om in artikel 9, § 1 een duidelijke verwijzing mogelijk te maken naar de informatie die voor elke burger toegankelijk is.
   De punten 11° tot 15° van paragraaf 1 hebben tot doel om de aard en de omvang van het uiteindelijk belang van de uiteindelijke begunstigde te identificeren.
   De informatieplichtigen moeten dus vermelden:
   i. Of hun uiteindelijke begunstigden rechtstreeks of onrechtstreeks een toereikend percentage van de stemrechten of van het eigendomsbelang in deze vennootschap houden, met inbegrip van het houden van aandelen aan toonder;
   ii. Of hun uiteindelijke begunstigden door andere middelen de controle over deze vennootschap uitoefenen;
   iii. Indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, geen van de personen als bedoeld onder i) of ii) is geïdentificeerd, of indien er enige twijfel bestaat of de geïdentificeerde persoon of personen de uiteindelijke begunstigde(n) is, respectievelijk zijn, de natuurlijke persoon of personen die de functie van hoofdbestuurder uitoefent of uitoefenen.
   De vennootschappen moeten overigens aangeven of de uiteindelijke begunstigde alleen of in coördinatie met andere uiteindelijke begunstigde onder één van de in punt 12° bedoelde categorieën valt. Eén van de hier bedoelde situaties is bijvoorbeeld het geval van een aandeelhouder die 10 % van de aandelen in het kapitaal van de vennootschap bezit, maar die met andere aandeelhouders waarmee een overeenkomst is gesloten een groep aandeelhouders vormt die samen meer dan 25 % van de aandelen in het kapitaal van de vennootschap bezitten. In die gevallen dienen alle personen geregistreerd te worden als "gegroepeerde" uiteindelijke begunstigde.
   Punt 13° heeft tot doel de identificatie van de intermediaire juridische entiteiten mogelijk te maken. Deze bepaling moet toelaten de tussenpersonen te identificeren via dewelke de uiteindelijke begunstigde de informatieplichtige controleert.
   In het geval van onrechtstreekse uiteindelijke begunstigden, stelt punt 14° dat de informatieplichtigen de identificatiegegevens van de tussenkomende juridische entiteiten vrijgeven, ongeacht of deze Belgisch of buitenlands zijn. Het doel van deze bepaling is een nauwkeurigere kwalificatie van de aard van het economische belang van de uiteindelijke begunstigden.
   Punt 15° heeft tot doel het percentage te identificeren van het kapitaal of van de stemrechten waarover de uiteindelijke begunstigde beschikt die toebehoort aan de in artikel 4, 27°, a), i van de Wet bedoelde categorie, met name diegene die "rechtstreeks of onrechtstreeks een toereikend percentage van de stemrechten of van het eigendomsbelang in deze vennootschap houdt/houden, met inbegrip van het houden van aandelen aan toonder".
   Paragraaf 2 somt de informatie op die door (i)vzw's en stichtingen moet worden meegedeeld en beoogt, net als bij vennootschappen, om de uiteindelijke begunstigde (punten 1° tot 10° ), de aard en de omvang van hun effectief belang te identificeren (punten 11° en 12° ).
   Punt 11° heeft zo tot doel te identificeren tot welke categorie van uiteindelijke begunstigden vermeld in artikel 4, 27°, c), van de Wet de uiteindelijke begunstigde behoort. Hier moet de informatieplichtige aangeven wie de uiteindelijke begunstigde is:
   (i) De persoon respectievelijk bedoeld in artikel 13, lid 1, artikel 34, § 1, en in artikel 49, lid 2, van de wet van 27 juni 1921;
   (ii) De persoon die krachtens artikel 13, lid 4 van dezelfde wet gemachtigd is de vereniging te vertegenwoordigen;
   (iii) De persoon belast met het dagelijks bestuur van de (internationale) vereniging of stichting, respectievelijk bedoeld in artikel 13bis, lid 1, artikel 35, lid 1, en artikel 49, lid 2, van dezelfde wet;
   (iv) De stichter van een stichting, bedoeld in artikel 27, lid 1, van dezelfde wet;
   (v) De natuurlijke persoon of, als deze persoon nog niet werd aangeduid, de categorie van natuurlijke personen in wiens grootste belang de (internationale) vereniging zonder winstoogmerk of de stichting werd opgericht of actief is;
   (vi) Een natuurlijke persoon die de uiteindelijke controle over de (internationale) vereniging of de stichting uitoefent via andere middelen.
   Paragraaf 3 kent de minister de bevoegdheid toe om de technische modaliteiten voor de overmaking, de registratie en het bewaren van de informatie bedoeld in artikel 3 vast te leggen. Om aan de opmerking van de Raad van State te voldoen, heeft de Regering de woorden "op advies van de Administratie van de Thesaurie" van dit 4de lid en artikel 4, § 5, 8, § 2, alinea 3, 9, § 2, 11, § 2, 14, alinea 1, 16, § 4 et 22, alinea 2 van het ontwerp weggelaten.
   Artikel 4
   De eerste paragraaf somt de informatie op betreffende de uiteindelijke begunstigden van de trusts of gelijkaardige juridische entiteiten die moet worden ingezameld en aan het Register worden meegedeeld. Het gaat om dezelfde informatie als die bedoeld in artikel 3, aangepast aan de definitie van de uiteindelijke begunstigden van de trusts.
   Het tweede lid vermeldt dat de trustees van een trust over toereikende, accurate en actuele informatie moeten beschikken.
   De tweede paragraaf somt de situaties op waarbinnen de informatie betreffende de uiteindelijke begunstigden aan de Register moet worden doorgegeven.
   De derde paragraaf voorziet in een vrijstelling van registratie in het Register wanneer de uiteindelijke begunstigde is geregistreerd in een soortgelijk register van een andere lidstaat wordt meegedeeld aan de Administratie van de Thesaurie en wanneer één van de in deze paragraaf genoemde voorwaarden is vervuld.
   Artikel 5
   Dit artikel bepaalt dat de informatie in het register minstens jaarlijks bijgewerkt wordt of dat er minstens jaarlijks bevestigd wordt dat deze gegevens nog actueel zijn om ervoor te zorgen dat de gebruikers bedoeld in de artikelen 6 en 7 over de meest actuele informatie beschikken.
   Artikel 6
   Dit artikel laat de bevoegde autoriteiten, de onderworpen entiteiten in het kader van het cliëntenonderzoek en elke burger toe kennis te nemen van de in het Register vermelde gegevens betreffende de vennootschappen onder de voorwaarden vastgelegd in hoofdstuk 3 van het koninklijk besluit.
   Als antwoord op de opmerking van de Raad van State over artikel 6 van het ontwerpbesluit, heeft de Regering beslist om de voorwaarden voor toegang tot informatie van de (i)vzw's en stichtingen in overeenstemming te brengen met de voorwaarden voor toegang tot informatie van de uiteindelijke begunstigde van de trusts, fiducieën en vergelijkbare juridische constructies (zie artikel 7).
   Artikel 7
   Dit artikel laat de bevoegde autoriteiten, de onderworpen entiteiten, de personen en organisaties die een legitiem belang aantonen en elke persoon die een schriftelijke aanvraag indient bij de Algemene Administratie van de Thesaurie van de FOD Financiën (hierna "Administratie van de Thesaurie") toe om voor de (i)vzw's, stichtingen, trusts, fiducieën en andere vergelijkbare juridische constructies die één van de entiteiten bedoeld in artikel 3 controleren, kennis te nemen van de informatie betreffende de uiteindelijke begunstigde van (i)vzw's, stichtingen, trusts, fiducieën en andere vergelijkbare juridische constructies in het Register, onder de voorwaarden vastgelegd in hoofdstuk 3 van het koninklijk besluit.
   Artikel 8
   Dit artikel regelt de procedure door middel waarvan de bevoegde autoriteiten en de onderworpen entiteiten toegang tot het register zal worden verleend. Die entiteiten zullen een aanvraag moeten indienen bij de Administratie van de Thesaurie en vermelden welke persoon verantwoordelijk zal zijn voor het beheer van de toegangen tot het Register door de personeelsleden of ambtenaren van de betrokken controleautoriteit. Zodra de Administratie van de Thesaurie die aanvraag heeft aanvaard, kan deze persoon de identiteit van de personen die toegang zullen hebben tot het register op naam en voor rekening van de betrokken entiteit, rechtstreeks beheren.
   De Administratie van de Thesaurie zal de hoedanigheid van onderworpen entiteit van de aanvrager controleren op basis van de lijsten van onderworpen entiteiten die door elke toezichtautoriteit werden overgemaakt. Elke toezichtautoriteit moet aldus ten minste de naam en het KBO-nummer van elke onderworpen entiteit die onder haar bevoegdheid valt, meedelen aan de Thesaurie.
   Lid 2 van deze paragraaf preciseert dat de verantwoordelijkheid voor de toereikendheid, nauwkeurigheid en actualiteit van bovengenoemde informatie exclusief bij de toezichtautoriteit berust. Deze aansprakelijkstelling is met name bedoeld om situaties te dekken waarin schade zou worden veroorzaakt door het gebruik van de informatie in het Register door een persoon die voorheen was opgenomen als onderworpen entiteit en waarvan de informatie niet zou zijn bijgewerkt door de toezichtautoriteit (bijv. in geval van schrapping, pensionering, enz.).
   Artikel 9
   Een burger zal enkel toegang hebben tot de volgende informatie betreffende de uiteindelijke begunstigde van de vennootschappen bedoeld in artikel 3, § 1 waarvoor een opzoeking is verricht: naam, geboortemaand en -jaar, woonstaat, nationaliteit(en), aard en omvang van het effectief gehouden belang.
   Voor wat de aard en de omvang van het effectief gehouden belang betreft, zullen deze personen en organisaties toegang hebben tot de categorie waartoe de uiteindelijk begunstigde behoort, indien het een alleenstaande of gegroepeerde uiteindelijke begunstigde betreft, indien het een rechtstreekse of onrechtstreekse uiteindelijke begunstigde betreft en in het tweede geval tot de identificatie van de intermediaire entiteiten en tot de datum waarop de persoon uiteindelijke begunstigde is geworden.
   Met betrekking tot de opmerking van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in paragraaf 10 van haar advies nr. 43/2018 van 23 mei 2018, rechtvaardigen de volgende elementen de toegang voor elke burger en dat dergelijke toegang evenredig is aan het doel van de wet:
   i. Deze toegang voor elke burger is voorzien in artikel 1, 15), c) van de Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU;
   ii. Deze toegang wordt beperkt tot de gegevens hierboven vermeld;
   iii. De gegevens zijn enkel toegankelijk via het KBO-nummer of via de naam van de onderneming;
   iv. De raadpleging door een burger is slechts mogelijk na identificatie van de persoon door middel van de elektronische identiteitskaart;
   v. Informatie over de raadplegingen wordt bewaard conform artikel 15, § 2 van onderhavig besluit en conform de vereisten van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
   Voor wat betreft de opmerking in de laatste zin van paragraaf 10 van bovengenoemd advies, verwijzen we naar artikel 65 van de Wet die voorziet in een mechanisme dat personen die betrokken zijn bij de verwerking van hun persoonsgegevens in staat stelt informatie te verkrijgen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op de in dat artikel vastgestelde wijze.
   Artikel 10
   Dit artikel regelt de procedure van toegang tot de informatie betreffende de (i)vzw's, stichtingen, trusts, fiducieën of gelijkaardige juridische constructies voor de personen en organisaties die een legitiem belang aantonen.
   Om die informatie te krijgen, zullen deze personen specifieke aanvragen om informatie moeten indienen bij de Administratie van de Thesaurie. Ze zullen dus geen rechtstreekse toegang hebben tot het Register. Eens de Administratie van de Thesaurie de aanvraag heeft aanvaard, zal de informatie over de uiteindelijke begunstigde of over de bedoelde entiteit hen worden meegedeeld.
   De aanvrager moet samen met zijn aanvraag alle informatie meedelen die toelaat om de betrokken (i)vzw, stichting, trust of gelijkaardige juridische entiteiten te identificeren of de naam, voornaam en geboortedatum van de uiteindelijke begunstigde waarvoor de aanvraag wordt ingediend. Daarnaast moet hij elk document meedelen dat zijn aanvraag motiveert en dat aantoont dat hij over een legitiem belang beschikt om het register voor de (i)vzw's, stichtingen, trusts, fiducieën of gelijkaardige juridische constructies of uiteindelijke begunstigden waarvoor de aanvraag wordt ingediend te raadplegen.
   Paragraaf 2 van dit artikel bepaalt dat de Algemene Administratie van de Thesaurie elk bijkomend document mag vragen dat nodig is om vast te stellen of de aanvrager over een legitiem belang beschikt.
   Paragraaf 3 van dit artikel verduidelijkt het begrip `legitiem belang' en de bewijsmiddelen die door de aanvragers kunnen worden gebruikt al naargelang het om natuurlijke personen of rechtspersonen gaat.
   Het feit dat het legitieme belang moet worden gekoppeld aan de strijd tegen het witwassen van geld, de financiering van terrorisme of de onderliggende criminele activiteiten of activiteiten, zet de bovengenoemde Europese bepalingen om.
   Artikel 11
   Dit artikel geeft een gedetailleerde beschrijving van de schriftelijke procedure die moet worden gevolgd voor de informatieaanvragen die zijn bedoeld in artikel 7, 4°.
   Artikel 12
   Dit artikel bepaalt dat een onderworpen entiteit de nodige technische en organisatorische maatregelen moeten treffen om ervoor te zorgen dat (i) iedereen die toegang tot het Register heeft of aanvraagt, wordt geïdentificeerd en bevoegd is om haar te vertegenwoordigen, (ii) dat elke toegang of verzoek om toegang tot het Register dat namens haar en voor haar rekening wordt ingevoerd, naar behoren is geautoriseerd, legitiem en in overeenstemming is met het doel van de wet en (iii) dat de vertrouwelijkheid van uit het Register verkregen informatie wordt gewaarborgd en dat deze informatie later niet wordt gebruikt, herwerkt of verspreid voor doeleinden die niet verenigbaar zijn met het doel van de wet en deze verordening.
   Artikel 13
   Dit artikel bepaalt dat de personeelsleden van de Administratie van de Thesaurie die daartoe zijn gemachtigd, het Register kunnen raadplegen om de in dit besluit vastgelegde verplichtingen toe te passen en dat zij de gegevens die erin opgenomen zijn voor wetenschappelijke of statistische doeleinden mogen gebruiken.
   In de praktijk gebeurt de aanduiding van de personeelsleden door het beheerscomité van de Administratie van de Thesaurie.
   Indien nodig zal dit artikel aangepast worden om rekening te houden met de in voorbereiding zijnde wet waarnaar paragraaf 8 van het eerder genoemde advies 43/2018 verwijst.
   Artikel 14
   Dit artikel bepaalt dat, vooraleer de in het register vermelde gegevens ter beschikking kunnen worden gesteld, de personen en andere entiteiten dan de controleautoriteiten de bijbehorende administratieve kosten dienen te betalen.
   Deze kosten worden vastgelegd door de minister. Als antwoord op de opmerking van de Raad van State is artikel 75 van de Wet gewijzigd, teneinde te bepalen dat de raadpleging van de informatie door de onderworpen entiteiten, elke burger, de personen die een legitiem belang kunnen aantonen en de personen bedoeld in artikel 7, 4°, pas na betaling van de administratieve kosten mogelijk is.
   Artikel 15
   Zoals vastgelegd in de de bovengenoemde Europese wetgeving, bepaalt de eerste paragraaf van dit artikel dat de gegevens van het register moeten kunnen worden geraadpleegd zonder de betrokken informatieplichtige of uitendelijk begunstigde daarvan op de hoogte te brengen.
   Er wordt bovendien verwezen naar artikel 65 van de Wet, dat betrekking heeft op het toegangsrecht van de betrokken persoon tot de informatie over de verwerking.
   Paragraaf 2 bepaalt dat de uitgevoerde raadplegingen getraceerd worden en gedurende 10 jaar bewaard blijven.
   Artikel 16
   Dit artikel heeft tot doel de omzetting van de uitzondering van de Richtlijn, als de toegang tot de gegevens in het register door onderworpen entiteiten en andere personen en organisaties bedoeld in artikel 6, 3° en 7, 3° en 4° voor de uiteindelijk begunstigde blootstelling aan een onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie inhoudt of indien de uiteindelijke begunstigde minderjarig of anderszins handelingsonbekwaam is. Indien de uiteindelijke begunstigde of zijn gevolmachtigde een dergelijk risico aantoont, zal de informatie waartoe onderworpen entiteiten en andere personen of organisaties toegang hebben, geheel of gedeeltelijk ontoegankelijk zijn.
   Deze afwijking kan niet van toepassing zijn op de kredietinstellingen of financiële instellingen, bedoeld in artikel 5, § 1, 4° tot 22°, van de Wet, noch op notarissen (artikel 5, § 1, 27° van de Wet).
   Bij het indienen van dit verzoek tot afwijking deelt de uiteindelijke begunstigde aan de Algemene Administratie van de Thesaurie het ondernemingsnummer mee van de betreffende informatieplichtige, evenals elk document dat het (de) voormelde risico('s) aantoont en, desgevallend, elk document dat aantoont dat de persoon die het verzoek indient beschikt over de hoedanigheid van gevolmachtigde van de uiteindelijke begunstigde waarop het verzoek tot afwijking betrekking heeft. De minister van Financiën is gemachtigd om deze lijst met documenten of informatie die bij het indienen van het verzoek verstrekt moeten worden aan te vullen en om de technische modaliteiten voor de overmaking, de registratie, het bewaren en de verwerking van deze aanvragen vast te leggen.
   Artikel 17
   Dit artikel definieert de modaliteiten voor de controle van de in het register geregistreerde gegevens door de Administratie van de Thesaurie.
   Paragraaf 1 van dit artikel kent de Administratie van de Thesaurie de bevoegdheid toe om te controleren of de verplichtingen vermeld in artikel 3 van het besluit werden nageleefd.
   Paragraaf 2 van dit artikel heeft tot doel de Administratie van de Thesaurie de middelen toe te kennen om haar toe te laten gerichte controles uit te voeren.
   Punt 1° van deze paragraaf moet de Administratie van de Thesaurie toelaten de binnen de FOD Financiën bestaande databanken te exploiteren (bijvoorbeeld Sitran), om ze te kruisen met de gegevens uit het register om de situaties te identificeren waarin er een groter risico bestaat op foute codering of fraude. Deze identificatie zal de Administratie van de Thesaurie eveneens toelaten de controles die ze uitvoert beter te richten.
   Punt 2° van deze paragraaf moet de Administratie van de Thesaurie toelaten de databanken te benutten die werden opgesteld door ondernemingen gespecialiseerd in het opstellen van databanken met de uiteindelijke begunstigden van de informatieplichtigen. Aangezien deze instrumenten al lange tijd geleden ontwikkeld werden, is het voor de Administratie van de Thesaurie absoluut noodzakelijk deze informatie te kruisen met die in het register, om foute, tegenstrijdige of frauduleuze gegevens te identificeren of om de controles die ze moet uitvoeren beter te richten.
   Punt 3° heeft tot doel de Administratie van de Thesaurie toe te laten met derden samen te werken om de gegevens van het register en de werking ervan te analyseren en om te controleren of de in artikel 3 en 4 van dit besluit bedoelde informatie correct werd meegedeeld. Elke informatie-uitwisseling met deze derden zal enkel betrekking hebben op de gegevens uit het register die gecodeerd zullen worden.
   Punt 4° van deze paragraaf heeft tot doel de Administratie van de Thesaurie toe te laten samenwerkingsakkoorden te sluiten met de beheerders van de registers van uiteindelijke begunstigden van de andere lidstaten van de Europese Unie, om de werking ervan te analyseren en haar eigen werking en controleprocedures te verbeteren.
   Alvorens de middelen aan te wenden die zijn vermeld in punt 1° tot 4°, moet het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden gevraagd.
   Artikel 18
   Dit artikel vermeldt aanvullend op artikel 132, § 6, van de Wet, de modaliteiten voor het opleggen van administratieve boetes indien vastgesteld wordt dat de in de Wet en in dit besluit vastgelegde verplichtingen niet werden nageleefd.
   Artikel 19
   Dit artikel heeft tot doel toezichthoudende autoriteiten en onderworpen entiteiten toe te laten de Administratie van de Thesaurie in kennis te stellen van elke situatie waarin er een incoherentie of fout zou zitten in de informatie van het register. Een dergelijke mogelijkheid moet een betere kwaliteit van de gegevens in het Register kunnen waarborgen.
   In geval van een dergelijke kennisgeving zal de Administratie van de Thesaurie de meegedeelde elementen analyseren en desgevallend de informatieplichtige de opdracht geven de informatie te corrigeren of te verduidelijken.
   Artikel 20
   Voor de geregistreerde natuurlijke personen heeft de informatie in het register betrekking op persoonlijke gegevens. De toepassing van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens op de gegevensverwerking in het Register, impliceert dat er meerdere voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen, waaronder de aanduiding van de Administratie van de Thesaurie als verantwoordelijke voor de verwerking van de in het register geregistreerde gegevens, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid van de informatieplichtigen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens die zij uitvoeren om te voldoen aan de aangifteverplichting opgelegd in dit besluit.
   Artikel 21
   Dit artikel bepaalt dat de begunstigden op een duurzame drager geïnformeerd dienen te worden over de verschillende kenmerken van dit Register en over de rechten en plichten die dit doet ontstaan, zowel voor de informatieplichtigen als voor de uiteindelijke begunstigden zelf. Er wordt gepreciseerd dat deze informatie de verplichting voor de informatieplichtige moet vermelden om de in artikel 3 en 4 van dit besluit bedoelde informatie mee te delen, evenals het feit dat deze gegevens geregistreerd en opgeslagen zullen worden, alsook de naam en het adres van de dienst die belast is met het beheer van het register binnen de Administratie van de Thesaurie, de toegang tot het register door de in artikel 6 en 7 van dit besluit opgesomde personen en entiteiten, het recht van de uiteindelijke begunstigde om kennis te nemen van de gegevens die op zijn naam geregistreerd staan in het register, en om aan de informatieplichtige te vragen dat deze informatie gecorrigeerd wordt bij fouten en de termijn dat deze gegevens bewaard worden.
   Dit artikel bepaalt ook dat de Administratie van de Thesaurie de personen zal inlichten die als uiteindelijke begunstigden in het Register zijn ingeschreven, en hen de informatie zal bezorgen die daarin op hun naam is vermeld. In de praktijk zal deze communicatie op geautomatiseerde wijze gebeuren (via de MyMinfin-applicatie voor diegenen die geregistreerd zijn via hun rijksregister- of bisnummer of via mail in de andere gevallen).
   Artikel 22
   Dit artikel laat iedere als uiteindelijke begunstigde in het register geregistreerde persoon toe kennis te nemen van de op zijn naam geregistreerde informatie, door een aanvraag in te dienen bij de Administratie van de Thesaurie.
   Artikel 23
   Dit artikel laat iedere persoon vermeld als uiteindelijke begunstigde in het register toe aan de betreffende informatieplichtige te vragen de informatie die op zijn naam in het register vermeld staat te wijzigen of weg te halen. Dit verzoek kan rechtstreeks aan de informatieplichtige gericht worden, aangezien hij de echte eigenaar van de gegevens is. Er kan ook een verzoek tot wijziging ingediend worden bij de Administratie van de Thesaurie, die de nodige stappen zal ondernemen bij de betrokken informatieplichtige om deze gegevens te wijzigen of te corrigeren.
   Artikel 24
   Dit artikel betreft het gebruik van het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen of de Kruispuntbank van de sociale zekerheid, zoals beoogd in artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid (in het algemeen het "bisregisternummer" genoemd), door de informatieplichtigen, met als enig doel de informatie bedoeld in artikelen 3 en 4 mee te delen aan het register en deze bij te werken.
   De informatieplichtigen hebben eerst en vooral de toelating het rijksregisternummer dat ze reeds in hun bestanden in een digitale en gestructureerde vorm geregistreerd zouden hebben te hergebruiken, bijvoorbeeld in het kader van en voor de behoeften van de Wet, de "slapende rekeningen", de Centrale voor Kredieten aan Particulieren of ook het "Centraal aanspreekpunt", om hun uiteindelijke begunstigden te registreren in het register.
   In vele gevallen beschikken de informatieplichtigen echter niet over het rijksregister- of bisregisternummer van hun uiteindelijke begunstigden, bijvoorbeeld omdat ze tot op heden niet de toelating hadden dit gegeven op te vragen en/of te registreren in een digitale en gestructureerde vorm. Om deze reden hebben de informatieplichtigen daarnaast de toelating om, als ze nog niet over een van deze twee voormelde identificatienummers in een digitale en gestructureerde vorm beschikken, aan hun uiteindelijke begunstigden te vragen hen een van deze twee nummers mee te delen, deze in een digitale en gestructureerde vorm te registreren in hun bestanden en te gebruiken om hun uiteindelijke begunstigden te identificeren, maar enkel met als doel aan het register de informatie bedoeld in artikel 3 en 4 mee te delen en deze naderhand bij te werken.
   Tenslotte leert de ervaring dat in de praktijk veel uiteindelijke begunstigden geen verder gevolg geven aan een dergelijk verzoek om informatie mee te delen, zelfs niet na meerdere herinneringen. In dit geval bestaat de enige manier om de informatieplichtigen toe te laten het rijksregisternummer te gebruiken voor de identificatie van nalatige uiteindelijke begunstigden er dan ook in hen tijdelijk toegang te geven tot de informatie in het Rijksregister van de natuurlijke personen. Een dergelijke toegang moet de informatieplichtigen in de mogelijkheid stellen hier het rijksregisternummer van een nalatige uiteindelijke begunstigde in op te zoeken, op basis van diens naam, voornaam, geboortedatum. Een opzoeking die niet gebaseerd is op deze minimale parameters riskeert immers te leiden tot een foutief resultaat, aangezien in een dergelijke situatie geen "one-to-one" overeenkomst gegarandeerd kan worden. In dit geval zou de opzoeking niet bijdragen tot de verwezenlijking van het nagestreefde doel en dus als niet-relevant en overmatig gekwalificeerd dienen te worden (artikel 4, § 1, 3°, van de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Tenslotte is het van belang zo veel mogelijk de voorkeur te geven aan een onrechtstreekse toegang van de informatieplichtigen tot het Rijksregister van de natuurlijke personen, via een instelling, zoals de vereniging zonder winstoogmerk IDENTIFIN (ondernemingsnummer 0808.911.704), als deze hiertoe door een informatieplichtige gevolmachtigd wordt. Een dergelijke onrechtstreekse toegang werd goedgekeurd en zelfs aangemoedigd door het Sectoraal comité van het Rijksregister (zie beslissingen 22/2009 van 25 maart 2009 en 02/2010 van 26 januari 2011) en werd reeds ingevoerd in verschillende wetgevingen, zoals de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen, die tot doel heeft het opzoeken van titularissen van "slapende rekeningen, safes en verzekeringsovereenkomsten" te vergemakkelijken, het koninklijk besluit van 17 juli 2013 betreffende de werking van het centraal aanspreekpunt bedoeld in artikel 322, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de Wet. De minister van Financiën is gemachtigd om de voorwaarden te bepalen waaraan deze instellingen moeten voldoen, en hen via een ministerieel besluit toe te laten bovenstaande toelating te krijgen.
   Voor wat de toegang van de Administratie van de Thesaurie tot de informatie in het Rijksregister van de natuurlijke personen betreft, is de in paragraaf 2 vastgelegde bepaling nodig om de uiteindelijke begunstigden eenduidig te kunnen registreren of raadplegen, maar ook in het kader van de uitoefening door een bepaald persoon van het recht op raadpleging van de persoonsgegevens die op zijn naam geregistreerd staan in het register, om het overzicht van deze persoonsgegevens naar het adres voor deze persoon vermeld in het Rijksregister van de natuurlijke personen op te sturen. Deze manier van werken beperkt het risico op ongepaste toe-eigening van deze persoonsgegevens door een derde die niet gemachtigd is er kennis van te nemen aanzienlijk.
   Artikel 25
   Dit artikel legt de termijn voor de bewaring van de gegevens in het register vast op tien jaar, te rekenen vanaf de dag dat de informatieplichtige zijn rechtspersoonlijkheid verliest of zijn activiteiten definitief stopzet.
   Artikel 26
   Als antwoord op de opmerking van de Raad van State bepaalt de Regering dat dit besluit in werking treedt op 31 oktober 2018.
   Gelet op de termijn van één maand bepaald in artikel 14/1, derde lid van het Wetboek van vennootschappen, artikel 58/11, vierde lid van de wet van 27 juni 1921 en artikel 4 paragraaf 2 van dit besluit, zal de uiterste datum om de gegevens de eerste keer mee te delen aan het register 30 november 2018 zijn.
   Ik heb de eer te zijn,
   Sire,
   Van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
   De Minister van Financiën,
   J. VAN OVERTVELDT
   
   Advies 63.630/2 van 4 juli 2018 over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register"
   Op 31 mei 2018 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Financiën, belast met bestrijding van de fiscale fraude verzocht binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 6 juli 2018(*) een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register".
   Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 4 juli 2018 . De kamer was samengesteld uit Pierre Vandernoot, kamervoorzitter, Luc Detroux en Patrick Ronvaux, staatsraden, Marianne Dony, assessor, en Bernadette Vigneron, griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Jean-Luc Paquet, eerste auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Jacques Jaumotte .
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 4 juli 2018.
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten "op de Raad van State", gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   Algemene opmerkingen
   1. Zoals vermeld in artikel 1 van het ontwerp, strekt het tot
   "gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2015/849/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie, en van Richtlijn XXX (lees: richtlijn 2018/843) van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering en tot wijziging van Richtlijn 2009/101/EG (lees: en tot wijziging van richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU)".
   Het zijn meer bepaald de artikelen 30 en 31 van richtlijn 2015/849, waarin wijzigingen aangebracht zijn bij richtlijn 2018/843, die omgezet moeten worden.
   Het dossier bevat een tabel met de overeenstemming tussen de bepalingen van het ontwerp en de artikelen van richtlijn 2015/849, die gewijzigd zijn bij richtlijn 2018/843.
   Naast die tabel is er geen tabel opgenomen waarin die concordantie in omgekeerde zin weergegeven wordt, uitgaande van de gewijzigde bepalingen van richtlijn 2015/849.
   Er dient eveneens opgemerkt te worden dat de tabel niet erg nauwkeurig opgesteld is.
   Het zou ook beter geweest zijn in de tabel aan te geven welke bepalingen van de artikelen 30 en 31, zoals ze gewijzigd zijn, van richtlijn 2015/849 onder de bevoegdheid van de wetgever vallen of, in voorkomend geval, betrekking zouden hebben op in het Belgische recht niet-relevante aspecten en derhalve niet omgezet moeten worden in het voorliggende ontwerp.
   De omzettingstabel moet nauwkeuriger opgesteld worden en aangevuld worden om aan die opmerkingen tegemoet te komen.
   Bovendien zou die nauwkeurig opgestelde omzettingstabel beter in het verslag aan de Koning opgenomen worden.
   2. In verscheidene bepalingen wordt nog verwezen naar de wet van 8 december 1992 `tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens'.
   Aangezien de inhoud van die wet vervangen is en ze dus materieel opgeheven is bij verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 `betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)" (1), welke verordening rechtstreekse werking heeft, moet het ontwerp dienovereenkomstig herzien worden (2).
   Bijzondere opmerkingen
   Dispositief
   Artikel 3
   Aangezien de administratie onder het hiërarchisch gezag van de minister staat, kan in paragraaf 4 niet bepaald worden dat de minister een reglementaire norm vaststelt na het advies van de administratie ingewonnen te hebben.
   De woorden "Na advies van de Administratie van de Thesaurie" moeten geschrapt worden en die opmerking geldt ook voor de artikelen 4, § 5, 8, § 2, derde lid, 9, § 2, 11, § 2, 16, § 4, en 22, tweede lid, van het ontwerp (3).
   Artikel 6
   Artikel 6 bepaalt dat de gegevens van de in artikel 3 bedoelde informatieplichtigen onder meer toegankelijk zijn "voor elke burger".
   De in artikel 3 bedoelde informatieplichtigen zijn, enerzijds, de vennootschappen en, anderzijds, de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.
   Wat de vennootschappen betreft, is die bepaling in overeenstemming met artikel 30, lid 5, eerste alinea, c), van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/843, waarin inderdaad bepaald wordt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de informatie over de uiteindelijke begunstigden [van de binnen hun grondgebied opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten] in alle gevallen toegankelijk is (...) "voor elk lid van de bevolking".
   Wat de (internationale) verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen betreft, doet dat feit dat elke burger toegang heeft tot de informatie over de uiteindelijke begunstigden wel problemen rijzen.
   Artikel 31, lid 4, eerste alinea, c), van de richtlijn bepaalt immers dat, wat "de uiteindelijk begunstigden van een trust of van een soortgelijke juridische constructie" betreft, de informatie over de uiteindelijke begunstigden in alle gevallen niet toegankelijk is voor "elk lid van de bevolking", maar wel voor "elke natuurlijke of rechtspersoon die een legitiem belang kan aantonen".
   Artikel 7 van het ontwerpbesluit zet die bepaling daadwerkelijk om, door te bepalen dat, behalve indien de trust of een andere gelijkaardige juridische entiteit zeggenschap heeft over een vennootschap of een (internationale) vereniging zonder winstoogmerk of een stichting, de persoon of organisatie die geen bevoegde autoriteit of een onderworpen entiteit is en die toegang wenst te hebben tot de gegevens van het register met betrekking tot de trusts en andere gelijkaardige juridische entiteiten een legitiem belang moet aantonen.
   De vraag rijst of het in overeenstemming is met de richtlijn en meer in het algemeen met het recht op eerbiediging van het privéleven om aan elke persoon toegang te verlenen tot de gegevens die betrekking hebben op alle uiteindelijke begunstigden van de (internationale) verenigingen zonder winstoogmerk en op de stichtingen, zonder dat die persoon een legitiem belang moet aantonen.
   Richtlijn 2015/849 heeft immers niet specifiek betrekking op de begunstigden van die laatste entiteiten. In artikel 3, lid 6, ervan wordt het begrip "uiteindelijk begunstigde" gedefinieerd en daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen, enerzijds, het geval van de vennootschappen (a) en, anderzijds, het geval van de trusts (b) en van de "juridische entiteiten als stichtingen en juridische constructies die vergelijkbaar zijn met trusts" (c). In het eerste geval zijn de uiteindelijke begunstigden in wezen en kort samengevat degenen die rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap hebben over de vennootschap, terwijl het in het tweede geval bovendien onder meer gaat om "iv) de begunstigden, of voor zover de afzonderlijke personen die de begunstigden van de juridische entiteit of de juridische constructie zijn, nog niet zijn geïdentificeerd, de groep van personen in wier belang de juridische entiteit of de juridische constructie hoofdzakelijk werd opgericht of werkzaam is" en om "v) elke andere natuurlijke persoon die door directe of indirecte eigendom of via andere middelen, uiteindelijke zeggenschap over de trust uitoefent".
   In de aanhef van richtlijn 2018/843 wordt het verschil in behandeling tussen de vennootschappen, enerzijds, en de trusts en soortgelijke juridische constructies, anderzijds, wat de transparantie van de informatie betreft, als volgt gemotiveerd:
   "(27) Regels die van toepassing zijn op trusts en soortgelijke juridische constructies met betrekking tot de toegang tot informatie over hun uiteindelijk begunstigden moeten vergelijkbaar zijn met de overeenkomstige regels die van toepassing zijn op vennootschappen en andere juridische entiteiten. Gezien de brede waaier van soorten trusts die momenteel in de Unie bestaan en de nog grotere verscheidenheid van soortgelijke juridische constructies, is het aan de lidstaten om te beslissen of een trust of een soortgelijke juridische constructie al dan niet vergelijkbaar is met vennootschappen of andere juridische entiteiten. De nationale wetgeving tot omzetting van deze bepalingen moet tot doel hebben te voorkomen dat trusts of soortgelijke juridische constructies worden gebruikt voor het witwassen van geld, terrorismefinanciering of daarmee verband houdende basisdelicten.
   (28) Met het oog op de verschillende kenmerken van trusts en soortgelijke juridische constructies moeten de lidstaten, krachtens het nationale recht en de regels voor gegevensbescherming, de mate van transparantie kunnen bepalen met betrekking tot trusts en soortgelijke juridische constructies die niet vergelijkbaar zijn met vennootschappen en andere juridische entiteiten. De risico's van witwassen van geld en terrorismefinanciering kunnen verschillen naargelang van de kenmerken van het type trust of soortgelijke juridische constructie en de inschatting van deze risico's kan in de loop der tijd evolueren,
   bijvoorbeeld als gevolg van de nationale en supranationale risicobeoordelingen. Daarom moet het voor de lidstaten mogelijk zijn in een ruimere toegang tot informatie over de uiteindelijk begunstigden van trusts en soortgelijke juridische constructies te voorzien indien zulke toegang een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt met als legitiem doel het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering. De lidstaten moeten, wanneer zij de mate van transparantie van de informatie over de uiteindelijk begunstigden van dergelijke trusts of soortgelijke juridische constructies bepalen, naar behoren rekening houden met de bescherming van de grondrechten van personen, met name het recht op privacy en bescherming van persoonsgegevens. Toegang tot informatie over de uiteindelijk begunstigden van trusts en soortgelijke juridische constructies moet worden verleend aan eenieder die een legitiem belang kan aantonen. Tevens moet toegang worden verleend aan eenieder die een schriftelijk verzoek indient met betrekking tot een trust of soortgelijke juridische constructie die een zeggenschapsdeelneming in een buiten de Unie opgerichte vennootschap of andere juridische entiteit heeft door rechtstreekse of middellijke eigendom, met inbegrip van het houden van toonderaandelen, of via zeggenschap met andere middelen. De criteria en voorwaarden voor het verlenen van toegang bij verzoeken om informatie over de uiteindelijk begunstigden van trusts en soortgelijke juridische constructies moeten voldoende nauwkeurig zijn en in overeenstemming zijn met de doelstellingen van deze richtlijn. Voor de lidstaten moet het mogelijk zijn om een schriftelijk verzoek af te wijzen als er goede redenen zijn om te vermoeden dat het schriftelijke verzoek niet in overeenstemming is met de doelstellingen van deze richtlijn."
   Artikel 4, 27°, c), van de wet van 18 september 2017 `tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten', welke wet voorziet in de omzetting van richtlijn 2015/849, definieert de uiteindelijke begunstigden van de (internationale) verenigingen zonder winstoogmerk en van de stichtingen naar analogie met wat de richtlijn voor de trusts bepaalt, aangezien het bij de categorieën van uiteindelijke begunstigden van die entiteiten een omschrijving geeft van "v) de natuurlijke personen of, wanneer deze personen nog niet werden aangeduid, de categorie van natuurlijke personen in wier hoofdzakelijk belang de (internationale) vereniging zonder winstoogmerk of stichting werd opgericht of werkzaam is" en van "vi) elke andere natuurlijke persoon die via andere middelen uiteindelijke zeggenschap over de (internationale) vereniging of stichting uitoefent".
   Die bepaling, die zich toen in de ontwerpfase bevond, heeft in de parlementaire voorbereiding aanleiding gegeven tot de volgende commentaar:
   "v. De natuurlijke personen of, wanneer deze personen nog niet werden aangeduid, de categorie van natuurlijke personen in wier hoofdzakelijk belang de (internationale) vereniging zonder winstoogmerk of stichting werd opgericht of werkzaam is;
   Dit punt is de uitwerking van artikel 3, § 6, b), iv, van voormelde Richtlijn. Het kan gaan om de persoon of personen (niet-leden) waarvoor het doel van de stichting of vereniging zonder winstoogmerk voorziet in een ondersteuning, voordeel, hulp, enz. Een voorbeeld is een vereniging zonder winstoogmerk die als doel heeft het ondersteunen van oorlogsslachtoffers. Begunstigden zijn dan bijvoorbeeld Syrische oorlogsslachtoffers. Ander voorbeeld is een stichting die zich bekommert over gehandicapten. Ofwel gaat het om iemand met naam genoemd in de statuten of zo niet een categorie van deze personen bijvoorbeeld enkel uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   vi. Elke andere natuurlijke persoon die via andere middelen uiteindelijke zeggenschap over de (internationale) vereniging of stichting uitoefent. Deze restcategorie neemt mutatis mutandis dezelfde bewoording op die in artikel 4, 27°, b, v) werd gebruikt wat betreft fiducieën en trusts. (...) De term "begunstigden" vloeit voort uit de algemene definitie onder artikel 4, 27°, eerste lid, en slaat onder meer op diegene die zeggenschap heeft over de vereniging zonder er lid van te zijn, bijvoorbeeld een persoon die achter de schermen handelt via een of meer stromannen, of een lid dat, door middel van een cumulatie van vertegenwoordigingsmandaten gekoppeld aan de afwezigheid van andere leden op de algemene vergadering, gedurende verschillende opeenvolgende boekjaren een feitelijke uiteindelijke zeggenschap over de (internationale) vereniging zou uitoefenen.
   De inlichtingen i) tot en met iv) bevinden zich in de Kruispuntbank van Ondernemingen. De inlichtingen onder v) tot en met vi) zouden binnen een maand via elektronische weg moeten worden overgemaakt aan het Register van uiteindelijke begunstigden, opgericht door artikel 73 van de ontwerpwet" (4).
   Aangezien de wetgever, gebruikmakend van de beoordelingsvrijheid die de richtlijn hem toekent, ervoor gekozen heeft op de (internationale) verenigingen zonder winstoogmerk en op de stichtingen de bepalingen toe te passen die met betrekking tot de definitie van "uiteindelijke begunstigden" gelden voor de fiducieën en de trusts, lijkt het meer in overeenstemming, zowel met die richtlijn als met de naleving van het recht op eerbiediging van het privéleven van de personen in wier belang een (internationale) vereniging zonder winstoogmerk of een stichting opgericht werd of werkzaam is, dat enkel de reeds in de Kruispuntbank van Ondernemingen opgenomen informatie betreffende die entiteiten voor elke burger toegankelijk zou zijn en dat de persoonlijke gegevens met betrekking tot de andere uiteindelijke begunstigden enkel beschikbaar zouden zijn voor de personen (andere dan de bevoegde autoriteiten en de onderworpen entiteiten) die een legitiem belang aantonen. Als het inderdaad zo is dat met die entiteit daadwerkelijk de personen aangewezen worden die een beroep doen op de diensten van een vereniging of een stichting, zou het stellig met het gelijkheidsbeginsel en met het recht op eerbiediging van het privéleven strijdig zijn dat de gegevens die hen kunnen identificeren voor elke burger toegankelijk zouden zijn, zonder dat deze laatste een legitiem belang zou moeten aantonen. Die personen bevinden zich immers in een vergelijkbare situatie als de personen die een beroep doen op een fiducie of een trust, terwijl de personen, die lid zijn van de raad van bestuur, die gemachtigd zijn de vereniging te vertegenwoordigen, die belast zijn met het dagelijks bestuur van een (internationale) vereniging of een stichting, of de stichters zijn van een stichting (5), en van wie de gegevens op basis waarvan ze geïdentificeerd kunnen worden reeds in de Kruispuntbank van Ondernemingen opgenomen moeten zijn, zich in een vergelijkbare situatie bevinden als de personen die als de uiteindelijke begunstigden van een vennootschap omschreven worden.
   Artikel 6 moet herzien worden teneinde rekening te houden met die opmerking.
   Artikel 14
   Artikel 14 van het ontwerp luidt als volgt:
   "De toegang tot het register door de onderworpen entiteiten en de personen en organisaties bedoeld in artikel 6, 2° en 3°, en 7, 2° tot 4°, is onderworpen aan de betaling van de administratieve kosten, waarvan het bedrag en de betalingsmodaliteiten door de Minister worden vastgelegd, na advies van de Administratie van de Thesaurie".
   Dat artikel moet weggelaten worden, aangezien het ontworpen besluit uitvoering geeft aan de machtiging vervat in artikel 75 van de wet van 18 september 2017 "tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten", welk artikel als volgt luidt:
   "De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, opgericht bij artikel 23 van [de] wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, de wijze waarop de informatie wordt verzameld, de inhoud van de verzamelde informatie, het beheer, de toegang, het gebruik van de gegevens, de modaliteiten voor de verificatie van de gegevens, en de werking van het UBO-register".
   Die wetsbepaling machtigt de Koning niet om de toegang tot de gegevens van het UBO-register aan de betaling van "administratieve kosten" te onderwerpen. Artikel 173 van de Grondwet luidt echter als volgt:
   "Behalve voor de provincies, de polders en wateringen en de gevallen uitdrukkelijk uitgezonderd door de wet, het decreet en de regelen bedoeld in artikel 134, kan van de burgers geen retributie worden gevorderd dan alleen als belasting ten behoeve van de Staat, de gemeenschap, het gewest, de agglomeratie, de federatie van gemeenten of de gemeente."
   Aangezien artikel 75 van de voornoemde wet van 18 september 2017 niet "uitdrukkelijk" voorziet in de in artikel 14 van het ontwerp bedoelde "administratieve kosten", mag de Koning de betaling ervan niet vorderen, noch a fortiori aan een minister een bevoegdheid delegeren die hem niet bij wet verleend wordt.
   De afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft immers recent nog in opmerking 48 van advies 62.411/2/AV, dat op 2 maart 2018 gegeven is over een voorontwerp dat geleid heeft tot het wetsontwerp `houdende oprichting van het Brussels International Business Court', het volgende geoordeeld:
   "De Raad van State heeft dat herhaaldelijk benadrukt:
   "Uit artikel 173 van de Grondwet volgt dat van de burger slechts een financiële bijdrage kan worden geëist, onder de vorm van een retributie, als er daarvoor een wettelijke grondslag is. Dat betekent dat de wetgever zelf de gevallen dient te bepalen wanneer de retributie is verschuldigd en door wie; de wetgever die bevoegd is om de retributie in te voeren, moet ook voorzien in de gevallen van vrijstelling en vermindering ervan" (6)" (7).
   Artikel 26
   In de bespreking van artikel 26 staat het volgende:
   "Dit besluit treedt in werking op 1 augustus 2018. Evenwel zal in een overgangsperiode tot 30 november 2018 worden voorzien, waarbinnen de informatieplichtigen de gegevens de eerste keer kunnen meedelen aan het Register".
   Teneinde die laatste bedoeling weer te geven, dienen artikel 14/1, derde lid, van het Wetboek van vennootschappen en artikel 58/11, vierde lid, van de wet van 27 juni 1921 "betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen" aangepast te worden.
   De griffier,
   B. Vigneron
   De voorzitter,
   P. Vandernoot
   Nota's
   (*) Bij e-mail van 6 juni 2018.
   (1) Uit formeelrechtelijk oogpunt is het de bedoeling dat de wet van 8 december 1992 in het Belgische recht vervangen wordt door de wet van 3 december 2017 "tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit" en door de wet waarop het wetsontwerp "betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens" betrekking heeft (Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-3126/1), aangezien artikel 275, eerste lid, van dat ontwerp strekt tot opheffing van de wet van 8 december 1992 (zie ook artikel 109 van de wet van 3 december 2017).
   (2) Zie inzonderheid overweging 38 van richtlijn 2018/843.
   (3) Wat artikel 14 betreft, wordt verwezen naar de opmerking bij die bepaling.
   (4) Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2566/001, 107 en 108.
   (5) Naar die personen wordt verwezen in artikel 4, 27°, c), i) tot iv), van de wet van 18 september 2017.
   (6) Voetnoot 64 van het geciteerde advies: Adv. RvS nr. 47.147/1-1/V gegeven op 8 september 2009 over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 april 1999, gewijzigd bij koninklijk besluit van 23 januari 2006, tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Fonds voor de beroepsziekten in het kader van zijn preventieve opdrachten adviezen inzake blootstelling aan beroepsziekterisico's kan verstrekken" http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/47147.pdf. In dezelfde zin: Adv. RvS nr. 46.941/3 gegeven op 14 juli 2009 over een ontwerp van koninklijk besluit "tot bepaling van de bedragen en de betalingswijze van de retributies geheven met toepassing van de reglementering betreffende de bescherming tegen ioniserende straling" http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/46941.pdf en Adv. RvS nr. 49.269/3 gegeven op 8 maart 2011 over een voorontwerp van decreet "tot wijziging van verschillende decreten in het kader van de herstructurering van het agentschap Toerisme Vlaanderen" http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/49269.pdf.
   (7) Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3072/1, 129, www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/62411.pdf.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie