J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2018/07/22/2018031606/justel

Titel
22 JULI 2018. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen

Bron :
BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 01-08-2018 nummer :   2018031606 bladzijde : 60506       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2018-07-22/02
Inwerkingtreding : 11-08-2018

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :2002000655       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-21

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 juni 2009, wordt aangevuld met de bepalingen onder 8° en 9°, luidende:
  "8° gezinswoning: plaats die zich bevindt in een centrum en die aangepast is aan de noden van een gezin met minderjarige kinderen;
  9° gezin: leden van een familie van vreemdelingen die verklaren dat ze de ouders zijn of de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen, evenals de minderjarigen die tot deze familie behoren en de familieleden tot en met de tweede graad die vallen onder de toepassing van artikel 74/8, § 1, van de wet.".

  Art. 2. In artikel 3 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "De organisatie en werking van het centrum dient hierop gericht te zijn, met bijzondere aandacht voor de noden van gezinnen en minderjarige kinderen. Voor de minderjarige kinderen wordt onder meer in spelactiviteiten voorzien die aangepast zijn aan hun leeftijd evenals in de mogelijkheid om, gedurende het schooljaar, in het centrum onderwijs te volgen dat aangepast is aan hun leeftijd en de beperkte duur van hun verblijf in het centrum. Tijdens hun vasthouding dient het belang van het kind voorop te staan.".

  Art. 3. Artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 juni 2009, wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "Vooraleer het gezin met minderjarige kinderen, bedoeld in artikel 74/9, § 2, van de wet, kan worden vastgehouden in een gezinswoning, moet het gezin de mogelijkheid hebben gekregen om in een woonunit, zoals gedefinieerd in artikel 1, 3° van het koninklijk besluit van 14 mei 2009 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de woonunits, als bedoeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, te verblijven. Slechts indien het gezin geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om in een woonunit te verblijven of wanneer het gezin zich niet houdt aan de voorwaarden om in een woonunit te verblijven, kan het gezin worden vastgehouden in een gezinswoning. Het gezin kan slechts in een gezinswoning worden vastgehouden voor een zo kort mogelijke periode, waarbij de termijn voorzien in artikel 83/11 de maximumtermijn is.
  Indien één van de gezinsleden een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, kan het verblijf in een woonunit, dat aan de vasthouding in een gezinswoning vooraf dient te gaan, achterwege gelaten worden.".

  Art. 4. In artikel 21/2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 8 juni 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt:
  "6° de voorzitters van het Grondwettelijk Hof;";
  2° de bepaling onder 13° wordt vervangen als volgt:
  "13° de directeur en de adjunct-directeur van het federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen en de strijd tegen de mensenhandel (Myria);";
  3° het eerste lid wordt aangevuld met een bepaling onder 16°, luidende:
  "16° de Kinderrechtencommissaris en de Délégué général aux droits de l'enfant.".

  Art. 5. In hetzelfde besluit wordt een artikel 28/2 ingevoegd, luidende:
  "Het bezoek aan een gezin wordt gescheiden georganiseerd van het bezoek aan de bewoners die geen gezin vormen.".

  Art. 6. In artikel 30 van hetzelfde besluit worden de woorden ", de gezinswoning" ingevoegd tussen de woorden "in zijn kamer" en de woorden "of de ziekenzaal".

  Art. 7. In artikel 44 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
  "4° het federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen en de strijd tegen de mensenhandel (Myria);";
  2° artikel 44 wordt aangevuld met een bepaling onder 9°, luidende:
  "9° Kind en Gezin, l'Office de la Naissance et de l'Enfance en het Zentrum für die gesunde Entwicklung von Kindern und Jugendlichen.".

  Art. 8. Artikel 61/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 8 juni 2009, wordt vervangen als volgt:
  "Na een mislukte poging tot verwijdering onderzoekt de arts verbonden aan het centrum de bewoner:
  1° indien dwangmaatregelen werden gebruikt of de verwijderingspoging met escorte gebeurde;
  2° indien de bewoner zelf hierom vraagt;
  3° indien de overheden belast met de uitvoering van de verwijdering vermoeden dat de fysische of psychische integriteit van de bewoner in gevaar is of kan komen.
  Het medisch onderzoek door de arts vindt zo spoedig mogelijk plaats. Bij afwezigheid van de arts evalueert een verpleegkundige van de medische dienst de gezondheidstoestand van de bewoner. De verpleegkundige roept een arts op indien de bewoner dringende medische zorgen nodig heeft. In niet urgente gevallen vindt het medisch onderzoek door de arts ten laatste 48 uren na de poging tot verwijdering plaats. De bewoner dient zijn medewerking te verlenen aan het medisch onderzoek.".

  Art. 9. In artikel 62 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 oktober 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het derde lid wordt vervangen als volgt:
  "De bewoner alsook zijn advocaat worden achtenveertig uur voor de eerste verwijderingspoging hiervan op de hoogte gebracht. In volgende gevallen kan uitzonderlijk hiervan worden afgeweken:
  1° indien de vreemdeling niet wil dat zijn advocaat op de hoogte wordt gebracht of indien het gezin, mits onderling akkoord van de volwassen gezinsleden, niet wil dat hun advocaat op de hoogte wordt gebracht. In dit geval wordt enkel de vreemdeling respectievelijk het gezin op de hoogte gebracht;
  2° wanneer de vreemdeling en zijn advocaat of het gezin en hun advocaat op de hoogte worden gebracht dat een verwijdering mogelijk is binnen een termijn van minder dan achtenveertig uur, indien de betrokken vreemdeling of de volwassen leden van het betrokken gezin hun akkoord geven over deze verwijdering.";
  2° artikel 62 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Indien de uitzonderingen vermeld in het derde lid toegepast worden, informeert de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger de Directeur-generaal hierover.".

  Art. 10. Artikel 69 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Gedurende het schooljaar volgen de kinderen die leerplichtig zijn in het centrum onderwijs dat aangepast is aan hun leeftijd en de beperkte duur van hun verblijf in het centrum.".

  Art. 11. Artikel 70 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Voor de bewoners van een gezinswoning wordt een apart programma voorzien, dat aangepast is aan hun noden.".

  Art. 12. Artikel 79 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
  "Elke bewoner krijgt driemaal per dag een maaltijd, waarbij verschillende alternatieven worden voorzien, teneinde redelijkerwijs de verschillende religieuze overtuigingen, hetzij de afwezigheid daarvan, te respecteren. Een voedselsupplement of een dieetmaaltijd kan op geneeskundig advies worden aangeboden.
  Het gezin dat in een gezinswoning verblijft heeft het recht om zijn eigen maaltijden te bereiden. Een keuken en elementair keukengerei, met uitzondering van gevaarlijke voorwerpen, worden ter beschikking gesteld. De ingrediënten, in voorkomend geval aangepast aan de leeftijd van de minderjarige kinderen, die nodig zijn om drie maaltijden per dag te bereiden, worden ter beschikking gesteld van het gezin.".

  Art. 13. In Titel III, Hoofdstuk I, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° afdeling 3, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 8 mei 2014, wordt afdeling 4;
  2° een nieuwe afdeling 3, die de artikelen 83/4 tot 83/11 bevat, wordt ingevoegd, luidende:
  "Afdeling 3. Gezinswoning.
  Art. 83/4. De gezinnen worden ondergebracht in een gezinswoning. Deze gezinswoningen bevinden zich op een welbepaalde zone binnen het centrum, waardoor de gezinnen gescheiden worden gehouden van de andere bewoners.
  Art. 83/5. De gezinswoning is voorzien van het nodige meubilair en de nodige nutsvoorzieningen, teneinde de gezinnen op waardige wijze te huisvesten. De gezinswoning bestaat op zijn minst uit een badkamer, een toilet, een woonkamer met keuken, twee slaapkamers en een opbergruimte.
  Art. 83/6. Het gezin mag geen werken uitvoeren in de gezinswoning. Indien de verwarmingsinstallatie, de elektriciteitsinstallatie of het sanitair niet naar behoren functioneert of indien het materiaal of het meubilair een defect vertonen, moet het gezin contact opnemen met het personeel van het centrum, zodat deze de vereiste maatregelen voor de nodige herstellingen kan nemen.
  De gezinswoning is voorzien van een oproepsysteem waarmee een personeelslid, in geval van nood, kan opgeroepen worden.
  Art. 83/7. Het gezin verbindt zich ertoe om ervoor te zorgen dat de gezinswoning in goede staat en proper blijft en om de gezinswoning als een goede huisvader te gebruiken, zonder de aard of de bestemming ervan te wijzigen.
  Schoonmaakproducten en hygiënische producten worden ter beschikking van het gezin gesteld.
  Art. 83/8. Elk gezinslid kan dagelijks, zonder voorafgaande toestemming, tussen 6 uur en 22 uur, gebruik maken van bepaalde buitenruimtes rondom de gezinswoning op voorwaarde dat deze niet overschreden worden.
  Wanneer er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat er zich tijdens voormelde tijdstippen incidenten kunnen voordoen die de orde of de veiligheid in het gedrang kunnen brengen, kan de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger beslissen dat het in het belang van het gezin noodzakelijk is dat ze gedurende een bepaalde periode, die zo kort mogelijk is, geen gebruik mogen maken van de buitenruimtes rondom de gezinswoning. In ieder geval moet het gezin steeds de mogelijkheid hebben om gedurende ten minste twee uur per dag de gezinswoning te verlaten. De centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger brengt de Directeur-generaal hiervan onmiddellijk op de hoogte.
  Art. 83/9. Het personeel van het centrum heeft toegang tot de gezinswoning tussen 6 uur en 22 uur. Op verzoek van het gezin of indien dit noodzakelijk is of indien de organisatie van de terugdrijving of van de verwijdering of van de terugname dit vereist heeft het personeel van het centrum toegang buiten deze uren. In deze gevallen wordt het gezin verwittigd.
  Art. 83/10. § 1. Wanneer een minderjarig gezinslid zestien jaar of ouder is en door zijn gedrag zijn veiligheid, de veiligheid van andere gezinsleden of van de personeelsleden in het gedrang brengt, kan een uitzondering gemaakt worden op het gezinsregime door dit gezinslid in een aparte ruimte te laten plaatsen.
  § 2. Enkel de Directeur-generaal kan, rekening houdend met de leeftijd, de maturiteit en de kwetsbaarheid van het kind, beslissen om het kind in een aparte ruimte te laten plaatsen. Deze plaatsing kan voor een duur van maximum vierentwintig uur en kan niet worden verlengd.
  Om de veiligheid van de minderjarige te waarborgen wordt de minderjarige regelmatig opgevolgd. Minstens om de twee uur krijgt hij het bezoek van een coach of een lid van het medisch, psychologisch of opvoedend personeel.
  De ouders mogen hun kind bezoeken in deze ruimte.
  Art. 83/11. Een gezin met minderjarige kinderen kan slechts worden vastgehouden voor een zo kort mogelijke periode, die niet langer dan twee weken mag duren. Na deze periode kan het gezin nog maximaal twee weken langer worden vastgehouden, mits de Directeur-generaal aan de Minister schriftelijk de reden opgeeft voor deze verdere vasthouding. De toestand van de minderjarige kinderen en de impact van de vasthouding op hun fysieke en psychische integriteit moeten in deze rapportering betrokken worden. Onverminderd artikel 61, kan de vasthouding niet worden verlengd wanneer uit de eerste vasthoudingsperiode is gebleken dat een verlenging van de vasthouding de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige in het gedrang kan brengen." ;
  3° het opschrift van afdeling 3, dat afdeling 4 wordt, wordt vervangen als volgt: "Regime dat afwijkt van de regimes van de afdelingen 1, 2 en 3.".

  Art. 14. In artikel 84 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "1 en 2" worden vervangen door de woorden "1, 2 en 3";
  2° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
  "3° In het kader van de verwijdering of overbrenging van een bewoner:
  a) de afzondering voorafgaand aan de effectieve verwijdering van de bewoner;
  b) de afzondering wanneer de bewoner het centrum verlaat of voor een korte duur overgebracht wordt.";
  3° artikel 84 wordt aangevuld met twee leden luidende:
  "De uitzonderingen vermeld in het eerste lid, 2° zijn niet van toepassing op minderjarige kinderen.
  De uitzonderingen vermeld in het eerste lid, 3° zijn niet van toepassing op gezinnen met minderjarige kinderen.".

  Art. 15. Artikel 97 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De orde- en veiligheidsmaatregelen worden aan de leeftijd, de maturiteit en de kwetsbaarheid van het minderjarig kind aangepast.".

  Art. 16. In artikel 98, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 juni 2009, wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
  "De ordemaatregel vermeld in § 1, 4° kan niet worden opgelegd aan een minderjarige bewoner. Evenmin kan deze maatregel worden opgelegd aan een ouder of persoon die het ouderlijk gezag uitoefent indien dit tot gevolg heeft dat een minderjarig kind zonder ouder of zonder persoon die het ouderlijk gezag over hem uitoefent, in de gezinswoning verblijft.".

  Art. 17. Artikel 105 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Een gezin met een minderjarig kind kan in geen geval worden overgebracht naar een ander centrum of een andere instelling dat of die niet aangepast is aan de noden van gezinnen met minderjarige kinderen.".

  Art. 18. In artikel 111/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 8 juni 2009, wordt paragraaf 3 vervangen als volgt:
  "De fouillering als bepaald in § 1, 2° wordt uitgevoerd door twee leden van het personeel. Het personeelslid dat de fouillering fysiek uitvoert moet steeds van hetzelfde geslacht zijn als de bewoner. Het ander personeelslid dient enkel in te staan voor de veiligheid tijdens de uitvoering van de fouillering. Met minderjarige kinderen zal steeds op een wijze worden omgegaan die aangepast is aan hun leeftijd.
  De fouillering als bepaald in § 1, 3° wordt uitgevoerd door twee leden van het personeel van hetzelfde geslacht als de bewoner. Deze fouillering moet plaatsvinden in een ruimte waar geen andere bewoners of derden aanwezig zijn of kunnen binnenkijken. Minderjarige bewoners worden niet onderworpen aan deze fouillering.".

  Art. 19. In de Nederlandse tekst van hetzelfde besluit wordt in de artikelen 13, 52, 53, 54, 55, 57, 58, 59, 60, 61, 122 en 124 het woord "geneesheer" vervangen door het woord "arts".

  Art. 20. In de Nederlandse tekst van hetzelfde besluit wordt in artikel 57 het woord "geneesheren-specialisten" vervangen door het woord "artsen-specialisten".

  Art. 21. De minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 22 juli 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
J. JAMBON
De Staatssecretaris voor Asiel en Migratie,
Th. FRANCKEN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, artikel 74/8, § 2, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2012, en artikel 74/9, §§ 1 en 2, ingevoegd bij de wet van 16 november 2011;
   Gelet op het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   Gelet op de adviezen van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 22 juli 2015, 9 september 2016, 1 februari 2017, 4 augustus 2017 en 18 september 2017;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 14 mei 2018;
   Gelet op het advies nr. 63.513/4 van de Raad van State, gegeven op 13 juni 2018 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Dit besluit heeft enerzijds tot doel de artikelen 2, 61/1, 62, 79, 84 en 111/2 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen te wijzigen en dit om de volgende redenen:
   Wat artikel 61/1 van dit koninklijk besluit betreft, gaat het erom dat er niet meer systematisch een medisch onderzoek voorzien moet worden na elke mislukte verwijderingspoging.
   Dit artikel somt de gevallen op waarbij wel nog steeds op systematische wijze een medisch onderzoek moet worden uitgevoerd.
   Wat artikel 62 van dit koninklijk besluit betreft, dit voorziet de mogelijkheid om in twee specifieke situaties af te wijken van de regel dat de bewoner en zijn advocaat achtenveertig uur voor een eventuele eerste verwijderingspoging hiervan verwittigd moeten worden.
   Artikel 79 wordt aangepast om mogelijke discriminatie uit te sluiten.
   Artikel 84 wordt als gevolg van de aanbeveling van de Klachtencommissie van 9 juli 2015 aangepast. Het gaat erom in dit artikel uitdrukkelijk te voorzien dat de bewoner in een aangepast regime kan worden geplaatst de dag voor hij het centrum (zelfs voor een korte periode) verlaat of de dag voor zijn overbrenging.
   Artikel 111/2, § 3, wordt aangepast. De regels voor het grondig betasten van boven- en onderlichaam over de kledij worden versoepeld. Voortaan zullen ook personeelsleden van een ander geslacht dan de bewoner kunnen deelnemen aan de fouille en meer bepaald instaan voor de veiligheid tijdens de uitvoering van de fouille. Het personeelslid dat het boven- en onderlichaam van de bewoner betast moet om reden van privacy nog steeds van hetzelfde geslacht zijn als de bewoner.
   Anderzijds heeft dit besluit ook tot doel het regime en de werkingsmaatregelen die specifiek van toepassing zijn op de bewoners van een gezinswoning te bepalen. Deze gezinswoningen zijn gelegen op het terrein van een gesloten centrum. Het gaat om plaatsen die bedoeld worden in artikel 74/8, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en die aangepast zijn aan de noden van een gezin met minderjarige kinderen die bedoeld worden in artikel 74/9 van dezelfde wet.
   Voormeld artikel 74/9 voorziet de mogelijkheid om gezinnen met minderjarige kinderen vast te houden. Hoewel dit artikel reeds werd aangevochten voor het Grondwettelijk Hof, oordeelde dit Hof dat het beroep verworpen diende te worden, aangezien er geen schending kon worden vastgesteld met de aangehaalde artikelen van de Grondwet, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (GwH 19 december 2013, arrest nr. 166/2013).
   In voormeld arrest wordt tevens verwezen naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waaruit blijkt dat de vasthouding van een gezin met minderjarige kinderen mogelijk is, op voorwaarde dat de omstandigheden van de detentie steeds aangepast zijn aan de noden van de minderjarige:
   "De rechtmatigheid van een vasthouding beoogd in artikel 5.1, f), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens hangt onder andere af van het bestaan van een band tussen, enerzijds, de reden voor de vasthouding en, anderzijds, de plaats en het regime van die gevangenhouding (EHRM, 12 oktober 2006, Mubilanzila Mayeka en Kaniki Mitunga t. België, § 102; 24 januari 2008, Riad en Idiab t. België, § 77; 19 januari 2010, Muskhadzhiyeva en anderen t. België, § 73; 13 december 2011, Kanagaratnam en anderen t. België, § 84; 20 december 2011, Yoh-Ekale Mwanje t. België, § 118).
   Een dergelijke band bestaat niet wanneer een buitenlands minderjarig kind, al dan niet begeleid door een van zijn ouders, in dezelfde omstandigheden als die van de gevangenhouding van een volwassen persoon, gevangen wordt gehouden in een gesloten centrum dat is ontworpen voor buitenlandse volwassenen die illegaal op het grondgebied verblijven (EHRM, 12 oktober 2006, Mubilanzila Mayeka en Kaniki Mitunga t. België, § 103; 19 januari 2010, Muskhadzhiyeva en anderen t. België, §§ 73-74; 13 december 2011, Kanagaratnam en anderen t. België, §§ 86-88)."
   Een gezin met minderjarige kinderen dat zich in België in illegaal verblijf bevindt, wordt in beginsel niet geplaatst in een gesloten centrum tenzij aangepast aan de noden voor gezinnen met minderjarige kinderen (artikel 74/9, § 1 van de wet van 15 december 1980). Er moeten eerst andere alternatieven worden aangeboden aan het gezin vooraleer zij kunnen worden vastgehouden in een gesloten centrum. Zo zal dit gezin eerst de mogelijkheid krijgen om onder bepaalde voorwaarden in een eigen woning te verblijven. Slechts indien het gezin zich niet houdt aan de voorwaarden om in een eigen woning te verblijven, kan het gezin voor een beperkte tijd in een gesloten centrum worden vastgehouden, "tenzij andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast" (artikel 74/9, § 3 van de wet van 15 december 1980), zoals bijvoorbeeld een waarschuwing, een vasthouding in een woonunit of preventieve maatregelen zoals voorzien in artikel 74/14 van de wet van 15 december 1980 en artikel 110quaterdecies van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Zij zullen bijgevolg pas in laatste instantie voor beperkte tijd worden vastgehouden in een gesloten centrum. Ten aanzien van een gezin met minderjarige kinderen dat zich illegaal in België bevindt, is dan ook een duidelijk cascadesysteem van toepassing.
   Op het ogenblik dat aan een gezin een bevel om het grondgebied te verlaten, wordt afgeleverd, zal het gezin vooreerst de mogelijkheid krijgen om vrijwillig te vertrekken. Het gezin zal daartoe geïnformeerd worden over de mogelijkheden van vrijwillige terugkeer (contactgegevens, informatie over de mogelijkheid tot terugkeersteun, de procedure die men hiertoe dient te volgen...). Indien het gezin niet binnen de door het bevel voorziene termijn kan vertrekken, kan er ten allen tijde uitstel van vertrek worden gevraagd als men daarvoor gegronde redenen kan aantonen.
   Indien het gezin niet terugkeert binnen de voorziene termijn zal er een ondersteunende ambtenaar worden toegewezen. De ondersteunende ambtenaar zal het gezin uitnodigen voor een gesprek over de vrijwillige en gedwongen terugkeer en er zullen contractuele afspraken gemaakt worden met het gezin waaraan zij zich dienen te houden tijdens de periode waarbinnen hun terugkeer kan worden georganiseerd. Indien zij zich onttrekken aan de gemaakte afspraken of indien zij afzien van een terugkeer binnen de bepaalde termijn zal er worden overgegaan tot een overbrenging naar een woonunit, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 14 mei 2009 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de woonunits, als bedoeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Dit betreft een open terugkeerwoning waar gezinnen met minderjarige kinderen vastgehouden kunnen worden. De gezinsleden kunnen deze woning dagelijks, zonder voorafgaande toestemming, verlaten, bijvoorbeeld om naar school te gaan of om boodschappen te doen maar er dient wel steeds een volwassen gezinslid aanwezig te zijn in de woning. Vanuit de woonunit kan dan nog eens geopteerd worden om vrijwillig en zonder dwang terug te keren met de nodige ondersteuning. Indien men hier niet op ingaat, zal een gedwongen terugkeer worden georganiseerd.
   In dat geval zal er worden geopteerd om voor een zo kort mogelijke periode het gezin over te brengen naar een gesloten centrum, aangepast aan de noden voor gezinnen met minderjarige kinderen, om een gedwongen verwijdering ten uitvoer te brengen. De verwijdering dient, vooraleer het gezin over te brengen naar een gesloten centrum, reeds zo veel mogelijk voorbereid te zijn, waardoor het verblijf in het gesloten centrum zo kort mogelijk kan worden gehouden. Er dient dus benadrukt te worden dat een gezin met minderjarige kinderen slechts in laatste instantie en voor een zo kort mogelijke periode vastgehouden zal worden in een gesloten centrum (hetgeen conform is aan artikel 17 van Richtlijn 2008/115 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven).
   In dit besluit wordt nu ook voor het gezin met minderjarige kinderen dat tracht België binnen te komen zonder aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied te voldoen, voorzien in een gelijkaardig principe. Ook deze gezinnen moeten eerst de mogelijkheid krijgen om vanuit een woonunit naar hun herkomstland terug te keren vooraleer zij worden overgebracht naar een gesloten centrum om van daaruit gedwongen te worden verwijderd.
   Binnen het gesloten centrum wordt voor de gezinnen een apart regime voorzien waarbij rekening wordt gehouden met hun noden. Zij zullen er verblijven in een gezinswoning.
   Aangezien de gezinswoningen zich in het gesloten centrum bevinden, genieten de gezinnen met minderjarige kinderen dezelfde rechten en verplichtingen als de bewoners van de gesloten centra, behalve indien specifieke bepalingen voorzien worden om ze aan de noden van gezinnen met minderjarige kinderen aan te passen. Zo zijn de bepalingen inzake de medische en sociale verzorging, de juridische bijstand etc. eveneens van toepassing op gezinnen met minderjarige kinderen.
   Artikelsgewijze commentaar.
   Artikel 1.
   Artikel 1 wordt aangepast om erin te preciseren dat de gezinswoning een plaats is die bedoeld wordt in artikel 74/8, § 2, van de wet van 15 december 1980.
   De begrippen "gezinswoning" en "gezin" worden gedefinieerd in dit artikel.
   Artikel 2.
   Artikel 3 wordt aangevuld om erin te voorzien dat bij de organisatie en de werking van het centrum er bijzondere aandacht moet zijn voor de noden van het gezin en de minderjarige kinderen.
   Er dient te worden benadrukt dat de algemene regels die gelden voor de gesloten centra ook van toepassing blijven voor de gezinnen. In sommige gevallen zullen deze regels echter aangepast worden aan de specifieke noden van een gezin.
   Zo zal er op het domein en in de gezinswoningen rekening worden gehouden met de beleving en bescherming van kinderen, dus met een sterk verminderde detentiebeleving. Uitgangspunt is het bieden van een tijdelijke woonomgeving in een gesloten setting. Het toezicht is gericht op de veiligheid van de aanwezige bewoners en zal voor de gezinnen minder nadrukkelijk op het terrein zichtbaar zijn.
   Het gezin zal bovendien extra ondersteuning krijgen, aangezien zij tijdens hun verblijf begeleid worden door een multidisciplinair team (o.a. een coach die hen zal begeleiden).
   Voor de kinderen zal er in voldoende ontspanning worden voorzien. Speelgoed zal ter beschikking gesteld worden, maar er zullen ook activiteiten voor kinderen georganiseerd worden. Zij hebben bovendien toegang tot de tuin, waar er voldoende speelgelegenheid zal zijn.
   Naar aanleiding van het advies van de Raad van State werd deze bepaling preciezer omschreven, zodanig dat dit uitvoering geeft aan artikel 17 van Richtlijn 2008/115 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.
   Artikel 3.
   Artikel 74/9, § 2, van de wet van 15 december 1980 voorziet dat het gezin met minderjarige kinderen dat tracht België binnen te komen zonder aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied te voldoen, met het oog op het overgaan tot de verwijdering, voor een zo kort mogelijke periode kan worden vastgehouden in een welbepaalde plaats aangepast aan de noden voor gezinnen met minderjarige kinderen, gelegen in het grensgebied. In artikel 4 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 wordt voorzien dat vooraleer deze grensgezinnen worden vastgehouden in een gezinswoning, zij eerst de mogelijkheid moeten hebben gekregen om in een woonunit, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 14 mei 2009 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de woonunits, als bedoeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, te verblijven om van daaruit hun vertrek te organiseren.
   Wanneer het gezin geen gebruik wenst te maken van deze mogelijkheid, kunnen zij worden vastgehouden in een gezinswoning.
   Ook wanneer het gezin in een woonunit wordt ondergebracht, maar zich daar niet houdt aan de gemaakte afspraken, kan het gezin in een gezinswoning worden vastgehouden.
   Dit cascadesysteem bestaat reeds voor een gezinnen met minderjarige kinderen die zich illegaal op het Belgische grondgebied bevinden. Dit principe is voorzien in artikel 74/9, §§ 1 en 3, van de wet van 15 december 1980.
   Voor grensgezinnen kan dit systeem achterwege gelaten worden wanneer één van de gezinsleden een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
   De duur van deze vasthouding dient steeds zo kort mogelijk te zijn. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de vasthoudingstermijn die in het nieuwe artikel 83/11 wordt voorzien. Daarin wordt bepaald dat een gezin met minderjarige kinderen kan worden vastgehouden voor een periode van twee weken. Na deze periode kan het gezin nog maximaal twee weken langer worden vastgehouden, mits de Directeur-generaal aan de Minister schriftelijk de reden opgeeft voor deze verdere vasthouding.
   Naar aanleiding van het advies van de Raad van State werd dit artikel aangepast teneinde te verduidelijken dat het principe voorzien in artikel 74/9, § 2 van de wet van 15 december 1980, namelijk dat de vasthouding steeds zo kort mogelijk dient te zijn, prevaleert op de maximale vasthoudingsduur voorzien in het nieuwe artikel 83/11. De toestand van de minderjarige kinderen en de impact van de vasthouding op hun fysieke en psychische integriteit moeten bovendien in deze rapportering van de Directeur-generaal betrokken worden. Onverminderd artikel 61, kan de vasthouding niet worden verlengd wanneer uit de eerste vasthoudingsperiode is gebleken dat een verlenging van de vasthouding de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige in het gedrang kan brengen.
   Artikel 4.
   In 2010 werd de benaming "Arbitragehof" vervangen door "Grondwettelijk Hof". Aangezien in artikel 21/2 nog steeds de benaming "Arbitragehof" vermeld stond, wordt dit artikel nu geactualiseerd waardoor de correcte benaming, zijnde "Grondwettelijk Hof", gehanteerd wordt.
   Ook de oude benaming van het "Centrum voor Gelijkheid van kansen en racismebestrijding" wordt vervangen door de nieuwe benaming "Federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen en de strijd tegen de mensenhandel" (Myria).
   Dit artikel wordt tevens aangepast om erin te voorzien dat de brieven afkomstig van of gericht aan de Kinderrechtencommissaris en de Délégué général aux droits de l'enfant niet onderworpen zijn aan de in de artikelen 20 en 21 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 bepaalde controles.
   Artikel 5.
   De gezinnen dienen tijdens hun verblijf in het centrum zo veel mogelijk gescheiden te worden gehouden van de overige bewoners (die niet onder de definitie van een "gezin" vallen). Om die reden wordt ook het bezoek aan de gezinnen en het bezoek aan de andere bewoners gescheiden georganiseerd.
   Artikel 6.
   Artikel 30 wordt aangepast om erin te voorzien dat, wanneer een bewoner van een gezinswoning zodanig ziek is dat hij zich niet naar de bezoekruimte kan begeven, de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger hem kan toestaan om zijn bezoekers in de gezinswoning te ontvangen.
   Artikel 7.
   Artikel 44 wordt aangepast om:
   1) de oude benaming van "het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding" door "het Federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen en de strijd tegen de mensenhandel", zijnde het Federaal Migratiecentrum (Myria), te vervangen;
   2) de toegang van Kind en Gezin, l'Office de la Naissance et de l'Enfance en het Zentrum für die gesunde Entwicklung von Kindern und Jugendlichen tot het centrum te voorzien. Dit kadert binnen de uitvoering van hun wettelijke opdracht zoals respectievelijk voorzien in het Decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 30/04/2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, het Decreet van de Franse Gemeenschap van 17 juli 2002 houdende hervorming van de " Office de la Naissance et de l'Enfance ", afgekort " ONE " en het Decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 31 maart 2014 betreffende het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren.
   Artikel 8.
   Artikel 61/1 wordt om de volgende twee redenen aangepast:
   1) het beperken van de gevallen waarin een medisch onderzoek van de bewoner moet uitgevoerd worden wanneer de verwijderingspoging mislukt is;
   2) het mogelijk maken dat bij afwezigheid van de centrumarts, een verpleegkundige van de medische dienst kan nagaan of de bewoner dringend medische zorg nodig heeft waarvoor een arts moet worden opgeroepen.
   Het is niet steeds nodig om de bewoner na elke mislukte verwijderingspoging systematisch door een arts te laten onderzoeken. Het gaat hier bijvoorbeeld over het geval dat een bewoner mondeling verklaart aan de leden van de politiedienst dat hij weigert mee te werken aan zijn verwijderingspoging en hij gewoon teruggevoerd wordt naar het centrum. In dergelijke gevallen is er totaal geen reden om een medische controle uit te voeren.
   Daarentegen waarborgt dit artikel dat de centrumarts de bewoner systematisch onderzoekt wanneer dwangmaatregelen toegepast werden of de verwijderingspoging met escorte gebeurde. Ook wanneer de bewoner hier zelf om vraagt of wanneer de overheden belast met de uitvoering van de verwijdering vermoeden dat de fysische of psychische integriteit van de bewoner in gevaar is of kan komen, zal de bewoner medisch onderzocht worden.
   Indien de centrumarts niet aanwezig is, zal een verpleegkundige van de medische dienst de gezondheidstoestand van de bewoner evalueren. Daarbij wordt nagegaan of de bewoner dringend medische zorg nodig heeft waarvoor een arts vereist is. In bevestigend geval zal de verpleegkundige onmiddellijk een arts oproepen om de bewoner te onderzoeken. De verpleegkundige brengt de arts op de hoogte van de gezondheidstoestand van de bewoner.
   Er dient echter over gewaakt te worden dat het medisch onderzoek door de arts zo spoedig mogelijk plaatsvindt en (in niet urgente gevallen) ten laatste achtenveertig uur na de verwijderingspoging.
   Deze wijziging doet geen afbreuk aan de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen en haar uitvoeringsbesluiten. De taakomschrijving van de arts en de verpleegkundige zoals voorzien in respectievelijk artikel 3 en artikel 45 van voormelde wet wordt gerespecteerd.
   Artikel 9.
   Conform artikel 39/83 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wordt de vastgehouden vreemdeling geacht op elk moment te kunnen worden verwijderd na het verstrijken van de in artikel 39/57, § 1, derde lid, van voormelde wet bedoelde beroepstermijn (respectievelijk vijf of tien dagen) of, wanneer de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingeleid binnen deze termijn, nadat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze vordering heeft verworpen. Ook wanneer een vordering tot het bepalen van voorlopige maatregelen binnen voormelde termijn wordt ingediend (conform artikel 39/85 van voormelde wet), kan er niet overgegaan worden tot dwanguitvoering van de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel totdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich heeft uitgesproken over deze vordering. De vreemdeling kan echter ook al verwijderd worden vooraleer voormelde beroepstermijnen zijn afgelopen, doch enkel wanneer hij daar zijn toestemming voor geeft.
   Om de communicatie met betrekking tot de uitvoering van de beslissing tot verwijdering te verbeteren en de risico's beter te kunnen opvangen zullen de vreemdeling en zijn advocaat in principe achtenveertig uur voor de eerste verwijderingspoging verwittigd worden, behalve in de twee gevallen ingevoegd in artikel 62, derde lid, zijnde:
   1° indien de vreemdeling of het gezin weigert dat zijn/hun advocaat op de hoogte wordt gebracht van deze verwijderingspoging. In dit geval wordt enkel de vreemdeling respectievelijk het gezin verwittigd. Wat het gezin betreft dienen alle volwassen gezinsleden hiermee akkoord te gaan, zoniet wordt de advocaat op de hoogte gebracht ;
   2° wanneer de vreemdeling en zijn advocaat of het gezin en hun advocaat op de hoogte worden gebracht dat een verwijdering mogelijk is binnen een termijn van minder dan achtenveertig uur, indien de betrokken vreemdeling of de volwassen leden van het betrokken gezin hun akkoord geven over deze verwijdering.
   Wanneer de volwassen leden van het gezin niet allen dezelfde advocaat hebben, dienen de verschillende advocaten van het gezin op de hoogte gebracht te worden.
   De rechten van de vreemdeling komen hierdoor niet in het gedrang. Hoger werd er immers op gewezen dat de vreemdeling pas verwijderbaar is na het verstrijken van de beroepstermijn. Dat in sommige uitzonderlijke gevallen de vreemdeling niet achtenveertig uur voor zijn verwijdering op de hoogte wordt gesteld van het tijdstip waarop hij verwijderd zal worden, betekent geenszins dat hem een beroepsmogelijkheid wordt ontzegd. De verwijderingsbeslissing werd hem al enige tijd ervoor betekend en de beroepstermijn is in principe al verstreken op het ogenblik dat de vreemdeling verwijderd wordt. De verwijderingsbeslissing is met andere woorden reeds definitief en uitvoerbaar op het ogenblik dat de vreemdeling verwijderd wordt.
   Er dient te worden benadrukt dat de regel blijft dat zowel de vreemdeling als zijn advocaat achtenveertig uur op voorhand worden verwittigd van het tijdstip waarop de vreemdeling verwijderd zal worden. De in het ontwerp voorziene gevallen die daarvan afwijken, zijn uitzonderingen.
   De Centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger dient de Directeur-generaal te informeren wanneer deze uitzonderingen worden toegepast. Op die manier wordt een controle ingevoerd die misbruiken moet tegengaan. Deze controle moet met andere woorden waarborgen dat de uitzonderingen niet eerder de regel zouden worden.
   In het geval onder 1° wordt de vreemdeling of het gezin achtenveertig uur op voorhand verwittigd, maar zijn/hun advocaat niet. Dit op vraag van de vreemdeling of het gezin (mits onderling akkoord van de volwassen gezinsleden) zelf. Deze bepaling doet dus geen afbreuk aan het recht op informatie voor de vreemdeling zelf.
   De uitzondering voorzien onder 2° kan worden toegepast indien de vreemdeling of het gezin te kennen geeft vrijwillig te willen vertrekken. Indien de vreemdeling of het gezin de plaats kan innemen van andere vreemdelingen die weigeren te vertrekken, is het eveneens geoorloofd dat zij minder dan 48 uur op voorhand worden verwittigd van deze vlucht, op voorwaarde dat zij akkoord gaan om met die vlucht te vertrekken. Indien de vreemdeling of het gezin in zo'n geval hun akkoord niet geven over deze verwijdering, dan kan er op dat ogenblik geen gedwongen verwijdering plaatsvinden.
   Artikel 10.
   Artikel 69 wordt aangepast om erin te voorzien dat de kinderen die leerplichtig zijn, in het centrum gedurende het schooljaar onderwijs zullen volgen. Hierbij zal steeds rekening gehouden worden met de keuze van de ouders. Het onderwijs dat voorzien wordt in de centra, is aangepast aan de omstandigheden: er zal rekening gehouden worden met de korte duur van het verblijf in het centrum en de leeftijd van het kind. Onder de leerplichtige jongeren zullen er verschillende leeftijdscategorieën zijn die samen onderwijs krijgen. Dit onderwijs zal naar best vermogen worden aangepast aan de verschillende leeftijden van de kinderen die in het centrum verblijven. Ook zal het nodige didactische materiaal ter beschikking worden gesteld.
   Artikel 11.
   Artikel 70 wordt aangepast om erin te voorzien dat de bewoners van een gezinswoning een activiteitenprogramma ontvangen dat aan hun noden is aangepast.
   Een apart activiteitenprogramma dringt zich op aangezien de gezinnen gescheiden worden gehouden van de overige bewoners.
   De gezinnen hebben, net zoals de overige bewoners, de mogelijkheid om boeken te lenen uit de bibliotheek van het centrum. Daarenboven krijgen zij de mogelijkheid om speelgoed te ontlenen. De gezinnen kunnen dit materiaal ontlenen in aparte lokalen die voorzien worden op de afgesloten terreinen waar de gezinswoningen gelegen zijn en zijn dus niet toegankelijk voor de andere bewoners.
   De gezinnen hebben rondom de gezinswoning vrije toegang tot de open ruimtes (tuin, speeltuin, sportveld etc.) waar er voor de kinderen voldoende speelgelegenheid is voorzien. Hierdoor kan in een ruimer aanbod aan activiteiten worden voorzien voor de gezinnen. Ook voor de ouders zullen activiteiten georganiseerd worden.
   In uitoefening van hun ouderlijk gezag beslissen de ouders of hun kind(eren) mogen deelnemen aan bepaalde activiteiten. Deze keuze zal door het centrumpersoneel steeds gerespecteerd worden.
   In het kader van hun ontspanning kunnen de gezinnen, net zoals de overige bewoners, in de mate van het mogelijke, beschikken over een gsm en internet.
   Artikel 12.
   Dit artikel voorziet in de vervanging van artikel 79: de zin die voorschrijft dat er nooit varkensvlees zal worden geserveerd in de gesloten centra, wordt geschrapt. Deze zin is immers discriminerend ten opzichte van bepaalde geloofsgroepen. Het religieus voorschrift dat het eten van varkensvlees verbiedt, geldt enkel binnen een beperkt aantal religies. Aangezien destijds in artikel 79 werd opgenomen dat er nooit varkensvlees wordt geserveerd in de gesloten centra, werd eenzelfde regeling opgelegd aan alle religies, terwijl het in sommige religies weldegelijk is toegestaan om varkensvlees te eten.
   Het is bovendien niet rechtvaardig om in het besluit enkel rekening te houden met de voedselvoorschriften van een beperkt aantal religies, terwijl ook andere religies voedselvoorschriften hebben. Om een voorbeeld te geven: hindoes beschouwen de koe als een heilig dier waardoor veel hindoes geen rundvlees eten. Toch werd in dit besluit niet voorzien dat er nooit rundvlees geserveerd zou worden. Als hindoe kan men zich hierdoor gediscrimineerd voelen.
   Om aan deze problematiek tegemoet te komen worden nu geen regels meer voorzien over welk vlees al dan niet geserveerd mag worden.
   Er zal wel steeds rekening gehouden worden met de verschillende religieuze voedingsvoorschriften. Om daaraan te voldoen zullen er steeds alternatieven aangeboden worden. Zo zullen de bewoners steeds de keuze krijgen tussen een paar verschillende gerechten. Het is dan aan de bewoner zelf om uit te maken voor welk gerecht hij opteert.
   Bijgevolg wordt eenzelfde regime gevolgd zoals ook van toepassing is in het gevangeniswezen. In geen enkele wet is voorzien dat het verboden zou zijn om in een gevangenis varkensvlees te serveren. Er kan dus weldegelijk varkensvlees op het menu staan, maar men voorziet in een keuzemenu, waarbij de gedetineerden kunnen kiezen uit drie of vier gerechten.
   De alternatieven die met betrekking tot voeding, zowel in de gevangenissen als in de gesloten centra, worden aangeboden, moeten ervoor zorgen dat elke persoon dit aspect van zijn geloofsovertuiging kan belijden. Deze werkwijze ligt bovendien volledig in lijn met de rechtspraak dienaangaande van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 7 december 2010, nr. 18429/06, Jakóbski/Polen, §§ 52-53). In voormeld arrest werd geoordeeld dat er inzake voeding rekening moet worden gehouden met de religieuze overtuiging van de gedetineerde, in zoverre dit niet onredelijk is.
   Artikel 79 wordt bovendien ook aangepast om erin te voorzien dat de bewoners van een gezinswoning het recht hebben om hun eigen maaltijden te bereiden en de ingrediënten ontvangen, in voorkomend geval aangepast aan de leeftijd van de minderjarige kinderen, die nodig zijn om drie maaltijden per dag te bereiden. Er wordt gepreciseerd dat een keuken en elementair kookgerei te hunner beschikking worden gesteld.
   Artikel 13.
   Dit artikel voegt een nieuwe afdeling 3 met betrekking tot de gezinswoning in. De huidige afdeling 3 wordt afdeling 4 "Regime dat afwijkt van de regimes van de afdelingen 1, 2 en 3.".
   Er wordt voorzien dat op gezinnen die worden vastgehouden in een centrum een apart regime van toepassing is. Elk gezin krijgt een eigen gezinswoning toegewezen, waardoor er niet meer dan één gezin in één gezinswoning kan verblijven.
   Deze bepalingen bepalen de inrichting en de uitrusting van de gezinswoning. Ze verduidelijken de rechten en plichten van de bewoners met betrekking tot het gebruik van de verwarmingsinstallaties, de elektriciteitsinstallaties, het sanitair, de procedure die moet worden gevolgd indien deze installaties niet functioneren of indien het materiaal en het meubilair gebreken vertonen. Deze artikelen verduidelijken dat het gezin de aard en de bestemming van de gezinswoning die ter beschikking wordt gesteld niet mag wijzigen en zich ertoe verbindt om het proper te houden en er als een goede huisvader gebruik van te maken. De gezinswoning is voorzien van het sanitair comfort dat vereist is om aan de noden op het gebied van hygiëne en netheid van het gezin te voldoen.
   De gezinswoningen zijn duidelijk gescheiden van het terrein waar de andere bewoners, die niet onder de definitie van `gezin' vallen, verblijven. Zodoende is er tussen de gezinnen en de overige bewoners geen contact. Ook visueel zal er geen contact zijn tussen hen. De andere bewoners hebben geen zicht op de terreinen waar de gezinswoningen gelegen zijn en kunnen dus niet zien wat er zich afspeelt in de tuin, op het sportveld etc.
   Binnen de voorziene tijdstippen heeft elk gezinslid toegang tot de buitenruimtes rondom de gezinswoning. In het huishoudelijk reglement zal worden verduidelijkt welke buitenruimtes hieronder verstaan worden. Teneinde de scheiding tussen de gezinnen en de andere bewoners te behouden, mogen de gezinsleden deze buitenruimtes niet overschrijden.
   Omwille van veiligheidsredenen kan in uitzonderlijke gevallen, in het belang van het gezin, aan de gezinnen de toegang tot deze ruimtes voor een zo kort mogelijke periode worden ontzegd. Het is de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger die daartoe beslist. De centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger brengt de Directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken hiervan onmiddellijk op de hoogte. Zo zal er bijvoorbeeld bij een betoging vlak aan het centrum, aan de gezinnen gevraagd worden om tijdens de betoging in de gezinswoning te blijven, ook al vindt deze betoging plaats gedurende een tijdsduur waarbinnen de gezinnen in principe het recht hebben om de gezinswoning te verlaten. Wanneer een dergelijke maatregel wordt genomen, zal er steeds rekening gehouden worden met het belang van het kind. Bovendien dient er rekening mee gehouden te worden dat, als de toegang tot de buitenruimtes wordt beperkt, het gezin alsnog de mogelijkheid moet krijgen om ten minste twee uur per dag de gezinswoning te verlaten.
   Het gezin zorgt ervoor dat het personeel van het centrum de administratieve formaliteiten kan vervullen in de gezinswoning tussen 6 uur en 22 uur. Buiten deze uren is toegang door het personeel geoorloofd indien dit noodzakelijk is, bijvoorbeeld om hulp te verlenen aan het gezin in geval van brand, indien de verwarmingsinstallatie of de elektriciteitsinstallatie niet functioneert, op verzoek van het gezin of indien de organisatie van de terugkeer dit vereist. In dit laatste geval wordt het gezin verwittigd teneinde het familieleven te respecteren.
   Eveneens in het kader van het respect voor hun privacy, is het aan het gezin toegestaan om de deur van de gezinswoning te vergrendelen.
   Er wordt tevens voorzien dat wanneer een minderjarig gezinslid zijn veiligheid, de veiligheid van andere gezinsleden of van de personeelsleden in het gedrang brengt, een afwijking op het gezinsregime mogelijk is. In dat geval kan het minderjarig gezinslid in een aparte ruimte worden geplaatst. Deze maatregel kan enkel worden opgelegd indien dit minderjarig gezinslid minstens zestien jaar oud is.
   Het betreft hier geen sanctie of ordemaatregel, maar wel een maatregel die kan worden opgelegd om de veiligheid van de vermelde personen te garanderen.
   Deze maatregel kan enkel door de Directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken opgelegd worden, voor een duur van maximum vierentwintig uur. Deze termijn kan niet worden verlengd.
   Vooraleer een dergelijke maatregel te nemen, moet de Directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken steeds rekening houden met de leeftijd, de maturiteit en de kwetsbaarheid van het kind.
   Teneinde de veiligheid van de minderjarige te waarborgen, zal de toestand van de minderjarige, gedurende de tijd dat de minderjarige in een aparte ruimte geplaatst is, op regelmatige tijdstippen gecontroleerd worden. Het bevoegd personeel van het centrum zal dus geregeld de situatie in de aparte ruimte nagaan. De minderjarige dient minstens om de twee uur bezocht te worden door een coach of door een lid van het medisch, psychologisch of opvoedend personeel.
   Deze bepalingen voorzien gelijkaardige bepalingen als voorzien in enerzijds artikel 55 e.v. van het besluit van de regering van de Franse Gemeenschap van 13 maart 2014 betreffende het instellen van de overheidsinstellingen voor jeugdbescherming, tot bepaling van de verscheidene stelsels binnen deze instelling, tot vaststelling van de code voor de overheidsinstellingen voor jeugdbescherming en tot regeling van sommige nadere regels voor de werking van deze instellingen en anderzijds in de "Gedragscode isolatie", gevalideerd op 18 januari 2007 door het Vlaams Agentschap Jongerenwelzijn, die in de Vlaamse Gemeenschap van toepassing is en die in de Gemeenschapsinstellingen voor Bijzondere Jeugdbijstand wordt gehanteerd.
   Het contact met het gezin blijft gewaarborgd, aangezien aan de ouders de mogelijkheid wordt geboden om hun kind te bezoeken in de aparte ruimte.
   Hoger werd er reeds op gewezen dat gezinnen met minderjarige kinderen slechts in laatste instantie en voor een zo kort mogelijke periode vastgehouden zullen worden in een gesloten centrum. In het nieuwe artikel 83/11 wordt verder gepreciseerd dat gezinnen met minderjarige kinderen gedurende twee weken kunnen worden vastgehouden. Het gezin kan echter nog maximaal twee weken langer worden vastgehouden. Opdat dit mogelijk zou zijn dient de Directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken dit onmiddellijk schriftelijk te melden aan de Minister. Hij vermeldt daarbij de reden waarom het gezin langer dan twee weken moet worden vastgehouden. De toestand van de minderjarige kinderen en de impact van de vasthouding op hun fysieke en psychische integriteit moeten in deze rapportering betrokken worden. Onverminderd artikel 61, kan de vasthouding niet worden verlengd wanneer uit de eerste vasthoudingsperiode is gebleken dat een verlenging van de vasthouding de fysieke of psychische integriteit van de minderjarige in het gedrang kan brengen. Zoals steeds het geval is, wordt dit document met de rapportage aan de Minister toegevoegd aan het administratief dossier waardoor, in voorkomend geval, de beroepsinstanties (b.v. raadkamer) hier ook inzage van zullen krijgen.
   Artikel 14.
   Artikel 84 voorziet reeds dat in bepaalde gevallen een uitzondering gemaakt kan worden op het groeps- en kamerregime. Dit artikel wordt nu gewijzigd opdat het ook mogelijk zou zijn om een uitzondering te maken op het regime `gezinswoning'.
   Bovendien wordt dit artikel (meer bepaald de bepaling onder 3° ) aangepast als gevolg van de aanbeveling van de Klachtencommissie van 9 juli 2015.
   Voortaan voorziet deze bepaling uitdrukkelijk dat de bewoner de dag voor hij het centrum (zelfs voor een korte periode) verlaat of de dag voor zijn overbrenging in een aangepast regime kan worden geplaatst.
   Dit is onder andere het geval wanneer hij het centrum verlaat om zich naar zijn ambassade of consulaat te begeven om de afgifte van een reisdocument te bekomen, aangezien dit soort overbrenging meestal zeer vroeg wordt uitgevoerd.
   Het doel is om de andere bewoners niet wakker te maken en onnodig onrust te veroorzaken, wanneer laatstgenoemde persoon in groepsregime verblijft.
   De afzondering als orde- of veiligheidsmaatregel kan niet worden toegepast ten aanzien van minderjarige kinderen. Voor een minderjarig kind dat ouder is dan zestien jaar en die zijn veiligheid, de veiligheid van andere gezinsleden of van de personeelsleden in het gedrang brengt, bestaat daarentegen wel de mogelijkheid om hem, onder bepaalde voorwaarden, in een aparte ruimte te laten plaatsen. Dit wordt voorzien in het nieuwe artikel 83/10.
   De afzondering in het kader van de verwijdering of overbrenging van de bewoner is niet van toepassing op gezinnen met minderjarige kinderen.
   Artikel 15.
   Dit artikel preciseert dat de orde- en veiligheidsmaatregelen aan de leeftijd, de maturiteit en de kwetsbaarheid van een minderjarig kind worden aangepast wanneer ze worden toegepast.
   De ordemaatregelen hebben tot doel de veiligheid en de goede orde in het centrum te vrijwaren. Zij kunnen enkel worden genomen wanneer een bewoner een inbreuk heeft gepleegd die wordt opgesomd in artikel 96 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002. Dit betreft gedrag dat als onaanvaardbaar wordt beschouwd in de centra. Hiervoor kan enkel een van de ordemaatregelen worden opgelegd die limitatief staan opgesomd in artikel 98, § 1 van het koninklijk besluit, o.a. intrekking van bepaalde gunsten.
   Ook veiligheidsmaatregelen zijn erop gericht om de veiligheid en de goede orde in het centrum te vrijwaren, maar zij worden niet gekoppeld aan expliciet in het koninklijk besluit opgesomde inbreuken en hebben dus een ruimere betekenis. Zo kunnen zij preventief genomen worden, bijvoorbeeld de afzondering voorafgaand aan de verwijdering van de bewoner, zoals voorzien in artikel 84, 3° a) van het koninklijk besluit. Op die manier hoopt men geen andere bewoners te wekken als een bewoner 's morgensvroeg al verwijderd wordt. Ook wanneer een bewoner door zijn gedrag andere bewoners ergert, maar geen inbreuk pleegt, kan een veiligheidsmaatregel aangewezen zijn.
   Artikel 16.
   In artikel 98 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 worden een aantal ordemaatregelen opgesomd. Zoals reeds werd vermeld in het Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 is er een duidelijke gradatie in het gamma van ordemaatregelen die zal moeten overeenstemmen met de gradatie in het verboden gedrag.
   De plaatsing in een afzonderingsruimte is de meest verregaande ordemaatregel en zal daarom niet worden opgelegd aan minderjarige bewoners.
   Binnen een gezin kan deze maatregel evenmin worden opgelegd aan een alleenstaande ouder of aan beide ouders tegelijkertijd, indien zij met (minstens) een minderjarig kind in de gezinswoning verblijven. Dit zou immers tot gevolg hebben dat het kind zonder ouder achterblijft in de gezinswoning.
   Artikel 17.
   Dit artikel voorziet dat een gezin met minderjarige kinderen in geen geval naar een ander centrum of een andere instelling dat of die niet aangepast is aan de noden van gezinnen met minderjarige kinderen kan worden overgebracht.
   Artikel 18.
   Artikel 111/2, § 3, wordt aangepast zodat de fouillering bedoeld in artikel 111/2, § 1, 2°, zijnde het grondig betasten van het boven- en onderlichaam over de kledij, niet meer systematisch in aanwezigheid van twee personeelsleden van hetzelfde geslacht als de bewoner uitgevoerd moet worden.
   De regels voor het grondig betasten van het lichaam over de kledij worden dus versoepeld.
   Voortaan zullen ook personeelsleden van een ander geslacht kunnen deelnemen aan de fouille en meer bepaald instaan voor de veiligheid tijdens de uitvoering van de fouille. Het personeelslid dat het boven- en onderlichaam betast moet om reden van privacy nog steeds van hetzelfde geslacht zijn als de bewoner.
   Voorheen moest ook het personeelslid dat instaat voor de veiligheid van hetzelfde geslacht zijn als de bewoner.
   De aanpassing is ingegeven door een probleem van beschikbaarheid van personeelsleden van hetzelfde geslacht, vooral in de centra waar enkel mannelijke bewoners worden opgevangen maar er ook een groot aantal vrouwelijke personeelsleden werkzaam zijn.
   De fouille bedoeld in artikel 111/2, § 1, 3°, dient wel nog steeds door twee leden van het personeel van hetzelfde geslacht als de bewoner te worden uitgevoerd. Dit principe blijft ongewijzigd.
   Gelet op de ingrijpendheid van een dergelijke fouillering ten aanzien van minderjarigen, wordt voorzien dat zij niet onderworpen zullen worden aan deze fouillering.
   Voor de fouilles bedoeld in artikel 111/2, § 1, 1° en 2°, wordt geen uitzondering voorzien voor minderjarigen. Dergelijke fouilles worden ook op bepaalde openbare plaatsen toegepast op minderjarigen, bijvoorbeeld bij de veiligheidscontrole in de luchthaven.
   Bij het uitvoeren van een fouillering zal er steeds op gepaste wijze met minderjarige kinderen worden omgegaan.
   Artikelen 19 en 20.
   Deze artikelen vervangen in de Nederlandse tekst van het koninklijk besluit het woord "geneesheer"/"geneesheren-specialisten" door het genderneutrale woord "arts"/"artsen-specialisten".
   Artikel 21.
   Dit artikel vereist geen bijzondere commentaar.
   Dit is het onderwerp van dit ontwerp van koninklijk besluit.
   Ik heb de eer te zijn,
   Sire,
   Van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
   De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
   J. JAMBON
   De Staatssecretaris voor Asiel en Migratie,
   Th. FRANCKEN
   
   Raad van State
   afdeling Wetgeving
   Advies 63.513/4 van 13 juni 2018 over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen'
   Op 16 mei 2018 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vice Eersteminister en Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der gebouwen verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied,
   beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen'.
   Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 13 juni 2018. De kamer was samengesteld uit Martine BAGUET, kamervoorzitter, Bernard BLERO en Wanda VOGEL, staatsraden, Sébastien VAN DROOGHENBROECK, assessor, en Charles Henri VAN HOVE, toegevoegd griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Anne VAGMAN, eerste auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Martine BAGUET.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 13 juni 2018.
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   VOORAFGAANDE OPMERKING
   Aangezien momenteel zeer veel dossiers om advies aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State zijn voorgelegd, is het niet mogelijk geweest het ontwerp exhaustief te onderzoeken, zelfs niet indien dat onderzoek wordt beperkt tot de drie punten die in artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zijn vermeld.
   Dit advies beperkt zich dus tot het onderzoek van enkele bijzonder belangrijke kwesties van algemene dan wel specifieke aard.
   In de genoemde omstandigheden kan uiteraard niets worden afgeleid uit het feit dat in dit advies niets wordt gezegd over sommige bepalingen of sommige kwesties.
   ONDERZOEK VAN HET ONTWERP
   DISPOSITIEF
   Artikel 2
   1. In artikel 2 van het ontwerp wordt bepaald dat "[d]e organisatie en werking van het centrum (...) hierop gericht dient te zijn, met bijzondere aandacht voor de noden van gezinnen en minderjarige kinderen."
   Het verslag aan de Koning stelt in dat verband het volgende:
   "Artikel 3 wordt aangevuld om erin te voorzien dat bij de organisatie en de werking van het centrum er bijzondere aandacht moet zijn voor de noden van het gezin en de minderjarige kinderen.
   Er dient te worden benadrukt dat de algemene regels die gelden voor de gesloten centra ook van toepassing blijven voor de gezinnen. In sommige gevallen zullen deze regels echter aangepast worden aan de specifieke noden van een gezin.
   Zo zal er op het domein en in de gezinswoningen rekening worden gehouden met de beleving en bescherming van kinderen, dus met een sterk verminderde detentiebeleving. Uitgangspunt is het bieden van een tijdelijke woonomgeving in een gesloten setting. Het toezicht is gericht op de veiligheid van de aanwezige bewoners en zal voor de gezinnen minder nadrukkelijk op het terrein zichtbaar zijn.
   Het gezin zal bovendien extra ondersteuning krijgen, aangezien zij tijdens hun verblijf begeleid worden door een multidisciplinair team (o.a. een coach die hen zal begeleiden).
   Voor de kinderen zal er in voldoende ontspanning worden voorzien. Speelgoed zal ter beschikking gesteld worden, maar er zullen ook activiteiten voor kinderen georganiseerd worden. Zij hebben bovendien toegang tot de tuin, waar er voldoende speelgelegenheid zal zijn."
   De aldus weergegeven bedoeling sluit meer bepaald aan bij artikel 17 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 `over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven', een bepaling die over de "[b]ewaring van minderjarigen en gezinnen" gaat, in het bijzonder bij de leden 3 en 5 ervan, die als volgt luiden:
   "3. In bewaring gestelde minderjarigen wordt de mogelijkheid geboden tot vrijetijdsbesteding, zoals op hun leeftijd afgestemde spel- en recreatieactiviteiten en, afhankelijk van de duur van hun verblijf, tot toegang tot onderwijs.
   (...)
   5. Tijdens bewaring van minderjarigen in afwachting van verwijdering dient het belang van het kind voorop te staan."
   Hoewel het verslag aan de Koning tamelijk nauwkeurig is, is het dispositief van zijn kant te algemeen. Om te garanderen dat de voornoemde Europeesrechtelijke bepalingen daadwerkelijk in acht worden genomen en volledig worden omgezet, moet het ontworpen dispositief zelf met precieze regels worden aangevuld.
   Artikel 3
   1. Artikel 4 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 (1), dat gewijzigd wordt, luidt momenteel als volgt:
   "De centra staan in voor de opvang van:
   1° vreemdelingen die ressorteren onder de artikelen 74/5, §§ 1, 2° en 2 van de wet;
   2° vreemdelingen die ressorteren onder artikel 74/6 van de wet;
   3° vreemdelingen, die ressorteren onder artikel 7, 25 en 27 van de wet."
   Artikel 3 van het voorliggende ontwerp strekt ertoe twee leden aan die bepaling toe te voegen die als volgt luiden:
   "Vooraleer het gezin met minderjarige kinderen, bedoeld in artikel 74/9, § 2, van de wet, kan worden vastgehouden in een gezinswoning, moet het gezin de mogelijkheid hebben gekregen om in een woonunit, zoals gedefinieerd in artikel 1, 3° van het koninklijk besluit van 14 mei 2009 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de woonunits, als bedoeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, te verblijven. Slechts indien het gezin geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om in een woonunit te verblijven of wanneer het gezin zich niet houdt aan de voorwaarden om in een woonunit te verblijven, kan, onverminderd artikel 83/11, het gezin voor een zo kort mogelijke periode worden vastgehouden in een gezinswoning.
   Het vorige lid is niet van toepassing indien het gezin een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid of in geval van een sterke stijging van de instroom."
   In het verslag aan de Koning wordt die bepaling als volgt verantwoord:
   "Artikel 74/9, § 2, van de wet van 15 december 1980 voorziet dat het gezin met minderjarige kinderen dat tracht België binnen te komen zonder aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied te voldoen, met het oog op het overgaan tot de verwijdering, voor een zo kort mogelijke periode kan worden vastgehouden in een welbepaalde plaats aangepast aan de noden voor gezinnen met minderjarige kinderen, gelegen in het grensgebied. In artikel 4 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 wordt voorzien dat vooraleer deze grensgezinnen worden vastgehouden in een gezinswoning, zij eerst de mogelijkheid moeten hebben gekregen om in een woonunit, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 14 mei 2009 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de woonunits, als bedoeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, te verblijven om van daaruit hun vertrek te organiseren.
   Wanneer het gezin geen gebruik wenst te maken van deze mogelijkheid, kunnen zij worden vastgehouden in een gezinswoning.
   Ook wanneer het gezin in een woonunit wordt ondergebracht, maar zich daar niet houdt aan de gemaakte afspraken, kan het gezin voor een zo kort mogelijke periode in een gezinswoning worden vastgehouden.
   Hierbij dient rekening gehouden te worden met de vasthoudingstermijn die in het nieuwe artikel 83/11 wordt voorzien. Daarin wordt bepaald dat een gezin met minderjarige kinderen kan worden vastgehouden voor een periode van twee weken. Na deze periode kan het gezin nog maximaal twee weken langer worden vastgehouden, mits de Directeur-generaal aan de Minister schriftelijk de reden opgeeft voor deze verdere vasthouding.
   Deze regeling voor grensgezinnen geldt niet wanneer het gezin een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid of in geval van een sterke stijging van de instroom.
   Voor een gezin met minderjarige kinderen dat zich illegaal op het Belgische grondgebied bevindt bestaat reeds een gelijkaardig principe. Dit is voorzien in artikel 74/9, §§ 1 en 3, van de wet van 15 december 1980."
   2.1. Over de voorliggende bepaling dienen de volgende opmerkingen te worden gemaakt.
   2.2. De woorden "onverminderd artikel 83/11", die in het ontworpen tweede lid voorkomen, volstaan niet om te zorgen voor de samenhang tussen de voorliggende bepaling en de periode van twee weken, die eenmaal vernieuwbaar is, waarin het ontworpen artikel 83/11 voorziet.
   De ontworpen tekst moet worden herzien om te zorgen voor meer samenhang tussen die twee bepalingen en om ervoor te zorgen dat de naleving van artikel 74/9, § 2, van de wet van 15 december 1980, waaruit voortvloeit dat de vasthouding van het gezin in een gesloten centrum zo kort mogelijk moet duren, wordt gegarandeerd. De ontworpen tekst moet met andere woorden een regeling invoeren waarbij de periode waarin het gezin in het gesloten centrum - noodzakelijkerwijs in een gezinswoning aangepast aan de noden voor gezinnen (2) -wordt vastgehouden, weliswaar tot twee weken kan duren, een periode die eventueel eenmaal vernieuwbaar is, maar waarbij dat om een maximumduur gaat. Die periode moet zo kort mogelijk blijven en dus in voorkomend geval korter uitvallen dan de voormelde periode van twee weken.
   Zoals de ontworpen tekst is geredigeerd, kan hij echter zo worden geïnterpreteerd dat de periode van twee weken, eventueel vernieuwbaar, de norm is.
   Het ontworpen besluit moet in het licht van deze opmerking worden herzien.
   2.3. Voor gezinnen met minderjarige kinderen bedoeld in artikel 74/9, § 2, van de wet van 15 december 1980, voorziet het ontworpen tweede lid in een subsidiariteitsregel: zo moet het gezin in kwestie (te weten het gezin met minderjarige kinderen dat tracht het Rijk binnen te komen zonder dat het voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 2 of 3 van de wet) eerst en vooral de mogelijkheid krijgen te verblijven in "een woonunit, zoals gedefinieerd in artikel 1, 3° van het koninklijk besluit van 14 mei 2009 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de woonunits, als bedoeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 (...)". Enkel indien het gezin weigert van die mogelijkheid gebruik te maken of indien het die mogelijkheid weliswaar heeft benut maar de voorwaarden die voor het verblijf in een dergelijke "woonunit" zijn gesteld niet naleeft - en enkel in die gevallen - kan het in een gesloten centrum worden vastgehouden, en dat voor een zo kort mogelijke periode en in omstandigheden die aan minderjarige kinderen zijn aangepast.
   Een dergelijke regeling kan in principe garanderen dat de geplande maatregelen evenredig zijn, niet alleen ten aanzien van het recht op de bescherming van het privéleven en het gezinsleven, gewaarborgd door onder meer artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het Europees Verdrag voor de rechten van de mens), maar ook ten aanzien van artikel 5, lid 1, f), van hetzelfde Verdrag, waaruit voortvloeit, zoals het verslag aan de Koning bij de ontworpen tekst vermeldt, dat de rechtmatigheid van elke vasthouding bedoeld in dat artikel, "onder andere [afhangt] van het bestaan van een band tussen, enerzijds, de reden voor de vasthouding en, anderzijds, de plaats en het regime van die gevangenhouding".
   Los daarvan staan de ontworpen wijzigingen niettemin bloot aan fundamentele kritiek, daar het ontworpen artikel 3 stelt dat de subsidiariteitsregel betreffende het verblijf van gezinnen met minderjarige kinderen in een gesloten centrum, zoals bepaald in het ontworpen tweede lid, niet toepasselijk is "indien het gezin een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid of in geval van een sterke stijging van de instroom".
   Dergelijke uitzonderingen, aldus geredigeerd en geconcipieerd, zijn niet aanvaardbaar om de volgende redenen:
   1° Wat betreft de eerste uitzondering, waaraan normaal gezien uitvoering moet worden gegeven bij een beslissing met individuele strekking, die betrekking heeft op een welbepaald gezin, moet worden vastgesteld dat het begrip "gezin [dat] een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid" te vaag is. De afdeling Wetgeving begrijpt immers niet hoe een "gezin met minderjarige kinderen" als zodanig een "gevaar (...) voor de openbare orde of de nationale veiligheid" zou kunnen vormen. Een dergelijk gevaar zou men eventueel slechts betreffende een of meerdere geïdentificeerde gezinsleden (3) kunnen vaststellen, op basis van precieze feiten die in de motivering van de beslissing naar behoren moeten worden vermeld.
   2° De tweede uitzondering die in het vooruitzicht wordt gesteld, lijkt principieel niet aanvaardbaar.
   Het begrip "sterke stijging van de instroom" is immers uitermate subjectief, wat de voorzienbaarheid van de rechtsregel en van de tenuitvoerlegging ervan onzeker en zelfs onmogelijk maakt. De onvoorzienbaarheid die daaruit voortvloeit, is in strijd met de voornoemde bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
   Fundamenteler nog is dat de plaats en het regime van de vasthouding in het afwijkende geval waarin het ontwerp voorziet dan niet meer in verhouding zou staan tot de reden die de vasthouding rechtvaardigt: het zou er dan immers niet om gaan ervoor te zorgen dat de verwijderingsmaatregel naar behoren kan worden uitgevoerd ingeval de overheid zou kunnen twijfelen aan de samenwerking van de betrokken persoon, maar het zou dan gaan om het vasthouden van personen in een gesloten centrum omdat er onvoldoende aangepaste "woonunits" zijn, wat meer bepaald in strijd is met artikel 5, lid 1, f), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
   2.4. Voorts moet in het algemeen worden opgemerkt dat de vasthouding van minderjarige kinderen in de context van de controle van migratiestromen ernstige vragen kan doen rijzen ten aanzien van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat een absoluut verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen inhoudt. Zo stelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in arrest S.F. e.a. v. Bulgarije van 7 december 2017 het volgende:
   "the immigration detention of minors, whether accompanied or not, raises particular issues in that regard, since, as recognised by the Court, children, whether accompanied or not, are extremely vulnerable and have specific needs (see, as a recent authority, Abdullahi Elmi and Aweys Abubakar v. Malta, nos. 25794/13 and 28151/13, § 103, 22 November 2016). Indeed, the child's extreme vulnerability is the decisive factor and takes precedence over considerations relating to the status of illegal immigrant. Article 22 § 1 of the 1989 Convention on the Rights of the Child (1577 UNTS 3) encourages States to take appropriate measures to ensure that children seeking refugee status, whether or not accompanied by their parents or others, receive appropriate protection and humanitarian assistance (see Popov v. France, nos. 39472/07 and 39474/07, § 91, 19 January 2012). In recent years, the Court has in several cases examined the conditions in which accompanied minors had been kept in immigration detention.
   80. The applicants in Muskhadzhiyeva and Others v. Belgium (no. 41442/07, 19 January 2010) had been respectively seven months, three and a half years, five years and seven years old, and had been detained for one month. Noting their age, the length of their detention, the fact that the detention facility had not been adapted for minors, and the medical evidence that they had undergone serious psychological problems while in custody, the Court found a breach of Article 3 (ibid., §§ 57-63).
   81. The applicants in Kanagaratnam v. Belgium (no. 15297/09, 13 December 2011) had been respectively thirteen, eleven, and eight years old, and had been detained for about four months. The Court noted that they had been older than those in the above-mentioned case and that there was no medical evidence of mental distress having been experienced by them in custody. Even so, noting that (a) the detention facility had not been adapted to minors, (b) the applicants had been particularly vulnerable owing to the fact that before arriving in Belgium, they had been separated from their father on account of his arrest in Sri Lanka and had fled the civil war there, (c) their mother, although with them in the facility, had been unable to take proper care of them, and (d) their detention had lasted a much longer period of time than that in the case of Muskhadzhiyeva and Others (cited above), the Court found a breach of Article 3 (ibid., §§ 64-69).
   82. The applicants in Popov v. France (nos. 39472/07 and 39474/07, 19 January 2012) had been respectively five months and three years old, and had been detained for fifteen days. Although designated for receiving families, the detention facility had been, according to several reports and domestic judicial decisions, not properly suited for that purpose, both in terms of material conditions and in terms of the lack of privacy and the hostile psychological environment prevailing there. That led the Court to find that, (a) despite the lack of medical evidence to that effect, the applicants, who had been very young, had suffered stress and anxiety, and that (b) in spite of the relatively short period of detention, there had been a breach of Article 3 (ibid., §§ 92-103).
   83. The applicants in five recent cases against France - R.M. and Others v. France (no. 33201/11, 12 July 2016), A.B. and Others v. France (no. 11593/12, 12 July 2016), A.M. and Others v. France (no. 24587/12, 12 July 2016), R.K. and Others v. France (no. 68264/14, 12 July 2016) and R.C. and V.C. v. France (no. 76491/14, 12 July 2016) - had been between four months and four years old, and had been detained for periods ranging between seven and eighteen days. The Court noted that unlike the detention facility at issue in Popov (cited above), the material conditions in the two detention facilities concerned in those five cases had not been problematic. They had been adapted for families that had been kept apart from other detainees and provided with specially fitted rooms and child-care materials. However, one of the facilities had been situated right next to the runways of an airport, and so had exposed the applicants to particularly high noise levels. In the other facility, the internal yard had been separated from the zone for male detainees by only a net, and the noise levels had also been significant. That had affected the children considerably. Another source of anxiety had been the constraints inherent in a place of detention and the conditions in which the facilities had been organised. Although over a short period of time those factors had not been sufficient to attain the threshold of severity engaging Article 3 of the Convention, over a longer period their effects would necessarily have affected a young child to the point of exceeding that threshold. Since the periods of detention had been, in the Court's view, long enough in all five cases, it found breaches of Article 3 in each of them (see R.M. and Others v. France, §§ 72-76; A.B. and Others v. France, §§ 111-15; A.M. and Others v. France, §§ 48-53; R.K. and Others v. France, §§ 68-72; and R.C. and V.C. v. France, §§ 36-40, all cited above)."
   Zoals het Hof in het voornoemde arrest opmerkt, is het mogelijk dat sommige maatregelen die op zichzelf worden beschouwd als aanvaardbaar ten aanzien van artikel 3 wanneer ze van korte duur zijn, niet meer aanvaardbaar zijn wanneer minderjarigen in het geding zijn, louter door het feit dat ze worden verlengd. Aangezien het om een absoluut recht gaat, valt de schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens die aldus zou ontstaan, op geen enkele wijze te rechtvaardigen met het gedrag van de betrokkenen of met omstandigheden zoals de instroom van migranten. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens merkt in arrest J.R. e.a v. Griekenland van 25 januari 2018 het volgende op:
   "eu égard au caractère absolu de l'article 3 de la Convention, les facteurs liés à un afflux croissant de migrants ne peuvent pas exonérer les Etats contractants de leurs obligations au regard de cette disposition [...], qui exige que toute personne privée de sa liberté puisse jouir de conditions compatibles avec le respect de sa dignité humaine. A cet égard, même un traitement infligé sans l'intention d'humilier ou de rabaisser la victime, et résultant, par exemple, de difficultés objectives liées à la gestion d'une crise migratoire, peut être constitutif d'une violation de l'article 3 de la Convention (...)."(4).
   3. Artikel 3 van het ontwerp moet grondig worden herzien in het licht van de voorgaande opmerkingen.
   Artikel 9
   1. Artikel 62 van het besluit van 2 augustus 2002, dat zou worden gewijzigd, luidt momenteel als volgt:
   "Art. 62. De bewoner heeft recht op juridische bijstand.
   De centrumdirecteur ziet erop toe dat de bewoner in de gelegenheid wordt gesteld een beroep te doen op de rechtshulp waarin de wet voorziet.
   Indien de bewoner een beroep doet op een advocaat, wordt zijn advocaat minstens 48 uur voor een eventuele eerste verwijderingspoging verwittigd, tenzij de bewoner dit weigert."
   Artikel 9 van het voorliggende ontwerp sterkt ertoe dat artikel te wijzigen zodat het voortaan als volgt luidt:
   "Art. 62. De bewoner heeft recht op juridische bijstand.
   De centrumdirecteur ziet erop toe dat de bewoner in de gelegenheid wordt gesteld een beroep te doen op de rechtshulp waarin de wet voorziet.
   De bewoner alsook zijn advocaat worden achtenveertig uur voor de eerste verwijderingspoging hiervan op de hoogte gebracht. In volgende gevallen kan uitzonderlijk hiervan worden afgeweken:
   1° indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat deze mededeling de fysieke integriteit of gezondheid van de bewoner in het gedrang zal brengen;
   2° indien de vreemdeling niet wil dat zijn advocaat op de hoogte wordt gebracht;
   3° indien de informatie over de verwijdering minder dan achtenveertig uur voor de verwijdering beschikbaar is. Behalve in de gevallen bedoeld onder 1° en 2°, wordt de informatie gegeven op het ogenblik dat deze beschikbaar is.
   De Centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger neemt een gemotiveerde beslissing in het geval vermeld in het derde lid, 1°, op basis van een psychologisch advies.
   Indien de uitzonderingen vermeld in het derde lid toegepast worden, informeert de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger de Directeur-generaal hierover.
   De uitzonderingen vermeld in het derde lid, 1° en 3°, zijn niet van toepassing op gezinnen met minderjarige kinderen, tenzij het gezin vrijwillig instemt met de verwijderingspoging."
   In het verslag aan de Koning worden die wijzigingen als volgt verantwoord:
   "Conform artikel 39/83 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wordt de vastgehouden vreemdeling geacht op elk moment te kunnen worden verwijderd na het verstrijken van de in artikel 39/57, § 1, derde lid, van voormelde wet bedoelde beroepstermijn (respectievelijk vijf of tien dagen) of, wanneer de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingeleid binnen deze termijn, nadat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze vordering heeft verworpen. Ook wanneer een vordering tot het bepalen van voorlopige maatregelen binnen voormelde termijn wordt ingediend (conform artikel 39/85 van voormelde wet), kan er niet overgegaan worden tot dwanguitvoering van de verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel totdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich heeft uitgesproken over deze vordering. De vreemdeling kan echter ook al verwijderd worden vooraleer voormelde beroepstermijnen zijn afgelopen, doch enkel wanneer hij daar zijn toestemming voor geeft.
   Om de communicatie met betrekking tot de uitvoering van de beslissing tot verwijdering te verbeteren en de risico's beter te kunnen opvangen zullen de vreemdeling en zijn advocaat in principe achtenveertig uur voor de eerste verwijderingspoging verwittigd worden, behalve in de drie gevallen ingevoegd in artikel 62, derde lid, zijnde:
   1° indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat de mededeling van dergelijke informatie een negatieve invloed kan hebben op de vreemdeling. Het gaat bijvoorbeeld om een risico voor de vreemdeling op zelfverminking of op zelfmoord;
   2° indien de vreemdeling weigert dat zijn advocaat op de hoogte wordt gebracht van deze verwijderingspoging. In dit geval wordt enkel de vreemdeling zelf verwittigd;
   3° wanneer de informatie met betrekking tot de verwijdering minder dan achtenveertig uur voor de verwijdering beschikbaar is. Zodra de informatie beschikbaar is zullen de vreemdeling en zijn advocaat op de hoogte worden gebracht.
   De rechten van de vreemdeling komen hierdoor niet in het gedrang. Hoger werd er immers op gewezen dat de vreemdeling pas verwijderbaar is na het verstrijken van de beroepstermijn. Dat in sommige uitzonderlijke gevallen de vreemdeling niet achtenveertig uur voor zijn verwijdering op de hoogte wordt gesteld van het tijdstip waarop hij verwijderd zal worden, betekent geenszins dat hem een beroepsmogelijkheid wordt ontzegd. De verwijderingsbeslissing werd hem al enige tijd ervoor betekend en de beroepstermijn is in principe al verstreken op het ogenblik dat de vreemdeling verwijderd wordt. De verwijderingsbeslissing is met andere woorden reeds definitief en uitvoerbaar op het ogenblik dat de vreemdeling verwijderd wordt.
   Er dient te worden benadrukt dat de regel blijft dat zowel de vreemdeling als zijn advocaat achtenveertig uur op voorhand worden verwittigd van het tijdstip waarop de vreemdeling verwijderd zal worden. De in het ontwerp voorziene gevallen die daarvan afwijken, zijn uitzonderingen.
   In het geval onder 1° wordt het recht op informatie ingeperkt om voorrang te geven aan de bescherming van de fysieke integriteit van de vreemdeling.
   Om de mate van subjectiviteit te beperken die bij het nemen van een beslissing in dit geval gepaard kan gaan, wordt voorzien dat enkel de Centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger een beslissing kan nemen. Deze beslissing wordt genomen op basis van een psychologisch advies. Deze beslissing dient steeds gemotiveerd te zijn.
   De Centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger dient de Directeur-generaal te informeren wanneer deze uitzonderingen worden toegepast. Op die manier wordt een controle ingevoerd die misbruiken moet tegengaan. Deze controle moet met andere woorden waarborgen dat de uitzonderingen niet eerder de regel zouden worden.
   In het geval onder 2° wordt de vreemdeling achtenveertig uur op voorhand verwittigd, maar zijn advocaat niet. Dit op vraag van de vreemdeling zelf. Deze bepaling doet dus geen afbreuk aan het recht op informatie voor de vreemdeling zelf.
   De bepaling onder 3° behelst de gevallen waarbij de Dienst Vreemdelingenzaken over geen informatie beschikt met betrekking tot de vluchtgegevens (en bijgevolg ook het gesloten centrum niet). De informatie over het tijdstip van verwijdering is soms maar een paar uur op voorhand beschikbaar. Het is evident dat het centrum onmogelijk informatie kan meedelen aan de vreemdeling waarover ze zelf nog niet beschikt. Van zodra het centrum de vluchtgegevens ontvangt, dient ze deze informatie over te maken aan de vreemdeling en zijn advocaat.
   Deze laatste categorie behelst ook de vreemdelingen die in plaats van andere vreemdelingen worden verwijderd. Wanneer een bewoner die normaal verwijderd zou worden, op het laatste moment nog een verzoek om internationale bescherming indient of niet fit-to-fly wordt bevonden, dan kan hij niet verwijderd worden. Op dat moment kan er beslist worden om een andere bewoner te verwijderen in zijn plaats. Ook in dit geval zal deze informatie geen achtenveertig uur op voorhand beschikbaar zijn.
   De uitzonderingen voorzien onder 1° en 3° zijn niet van toepassing op gezinnen met minderjarige kinderen, tenzij zij vrijwillig instemmen met de verwijderingspoging. Gezinnen met minderjarige kinderen dienen in principe steeds 48 uur op voorhand verwittigd te worden van de eerste verwijderingspoging, tenzij de uitzonderingen voorzien onder 1° en 3° zich voordoen én zij vrijwillig instemmen met hun vertrek. Zo kan bijvoorbeeld de uitzondering voorzien onder 3° op gezinnen met minderjarige kinderen worden toegepast indien het gezin te kennen geeft vrijwillig te willen vertrekken. Indien het gezin de plaats kan innemen van andere vreemdelingen die weigeren te vertrekken, is het geoorloofd dat het gezin minder dan 48 uur op voorhand werd verwittigd van deze vlucht, op voorwaarde dat het gezin akkoord gaat om met die vlucht te vertrekken. Weigert het gezin in zo'n geval te vertrekken, dan kan er op dat ogenblik geen gedwongen verwijdering plaatsvinden."
   2.1. In het licht van die toelichtingen dienen over artikel 9 van het ontwerp de volgende opmerkingen te worden gemaakt.
   2.2. De uitzondering waarin het derde lid, 1°, voorziet, is niet aanvaardbaar.
   Het is weliswaar evident dat bijzondere maatregelen mogen en zelfs moeten genomen worden wanneer blijkt dat de informatie die aan de bewoner wordt verstrekt over de eerste verwijderingspoging een gevaar kan meebrengen voor zijn fysieke of psychologische integriteit (wat overeenkomt met een geval van overmacht die verband houdt met een noodtoestand). Maar het valt niet te begrijpen hoe louter het onthouden van informatie aan de bewoner zowel als aan zijn advocaat, een passende maatregel zou zijn die evenredig is met het nagestreefde doel, in het bijzonder aangezien er andere, minder zware maatregelen voor de bewoner mogelijk zijn om diens veiligheid te garanderen (zoals specifieke psychologische bijstand, toezicht of eventueel afzondering, in omstandigheden die bij het nagestreefde doel passen), waarbij ervoor wordt gezorgd dat de bewoner en zijn raadsman volledig en transparant worden geïnformeerd.
   2.3. Zoals de uitzondering bepaald in het ontworpen derde lid, 2°, is geredigeerd, kan ze zo worden geïnterpreteerd dat het mogelijk is zowel de bewoner als zijn advocaat niet te informeren indien de bewoner niet wenst dat zijn advocaat op de hoogte wordt gebracht. Dat laatstgenoemde gegeven rechtvaardigt weliswaar afdoend dat de advocaat niet op de hoogte wordt gebracht, maar kan uiteraard niet rechtvaardigen dat de bewoner zelf niet wordt geïnformeerd.
   De ontworpen tekst moet worden herzien zodat duidelijk blijkt dat in het vermelde geval de bewoner zelf op de hoogte wordt gebracht.
   2.4. De uitzondering waarin het derde lid, 3°, voorziet, komt erop neer dat de geldende regel, die inhoudt dat een bewoner niet kan worden verwijderd indien zijn advocaat daar niet ten minste 48 uur op voorhand van in kennis is gesteld, wordt uitgehold. Het argument dat in het verslag aan de Koning wordt aangehaald, namelijk dat hoe dan ook pas voor het eerst kan worden gepoogd de bewoner te verwijderen wanneer "de beroepstermijn (...) in principe al verstreken [is]", is in dat opzicht irrelevant aangezien de voorafgaande kennisgeving aan de advocaat er precies toe strekt onder meer juridische bijstand aan de bewoner mogelijk te maken die kan garanderen dat de verwijderingspoging niet plaatsvindt voordat de beroepstermijn is verstreken, in omstandigheden die dus voorbarig zouden zijn en die meer bepaald de Europeesrechtelijke (5) en internrechtelijke wettelijke en reglementaire vereisten zouden schenden.
   De uitzondering die hier is onderzocht lijkt dus niet aanvaardbaar.
   2.5. Wat in bijkomende orde de vraag betreft of de beoogde uitzonderingen toepasbaar zijn op gezinnen met minderjarige kinderen, bepaalt het ontworpen dispositief dat de uitzonderingen vermeld in het derde lid, 1° en 3°, niet van toepassing zijn, tenzij "het gezin vrijwillig instemt met de verwijderingspoging". De uitzondering vermeld in het ontworpen derde lid, 2°, is dan weer in alle gevallen toepasselijk.
   Wat die verschillende gevallen betreft, dient te worden vastgesteld dat de situatie van een volledig gezin met minderjarige kinderen niet op dezelfde manier kan worden bekeken als die van meerderjarige personen zonder minderjarige kinderen.
   Aldus kan het volgende worden gesteld:
   1° Wat betreft het geval vermeld in punt 2° van het ontworpen derde lid dient te worden opgemerkt, los van wat hierboven in punt 2.3 al is gezegd, dat daarin geen rekening is gehouden met het geval waarin de ouders onderling geen overeenstemming bereiken over de kennisgeving aan de advocaat, een geval dat niet uit te sluiten valt.
   2° De eventuele toepassing van punt 1° van het ontworpen derde lid op gezinnen met minderjarige kinderen roept het principiële bezwaar op dat in punt 2.2 hierboven is vermeld. Wanneer het om een gezin gaat, weegt dat bezwaar des te zwaarder daar het niet-verstrekken van informatie per definitie heel het gezin zou treffen, terwijl slechts een of meerdere leden ervan - en niet alle - zich eventueel zouden kunnen bevinden in de situatie van fysiek of psychologisch gevaar die bedoeld wordt. Wat dat betreft doet het niet ter zake of het gezin al dan niet voorafgaandelijk heeft ingestemd met de verwijderingsmaatregel. De "instemming van het gezin" doet hoe dan ook opnieuw de vraag rijzen wat er dient te gebeuren ingeval de ouders van mening verschillen.
   3° Wat betreft de eventuele toepassing van punt 3° van het ontworpen derde lid op gezinnen met minderjarige kinderen rijst nog steeds de vraag wat er dient te gebeuren ingeval de ouders van mening verschillen.
   3. De conclusie is dat artikel 9 grondig moet worden herzien in het licht van de voorgaande opmerkingen.
   Artikel 12
   1. Artikel 79 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002, dat zou worden gewijzigd, luidt momenteel als volgt:
   "Art. 79. Elke bewoner krijgt driemaal per dag een maaltijd. Een voedselsupplement of een dieetmaaltijd kan op geneeskundig advies worden aangeboden. Varkensvlees wordt nooit geserveerd."
   Bij artikel 12 van het ontwerp zou die bepaling als volgt worden vervangen:
   "Art. 79. Elke bewoner krijgt driemaal per dag een maaltijd, waarbij verschillende alternatieven worden voorzien. Een voedselsupplement of een dieetmaaltijd kan op geneeskundig advies worden aangeboden.
   Het gezin dat in een gezinswoning verblijft heeft het recht om zijn eigen maaltijden te bereiden. Een keuken en elementair keukengerei, met uitzondering van gevaarlijke voorwerpen, worden ter beschikking gesteld. De ingrediënten, in voorkomend geval aangepast aan de leeftijd van de minderjarige kinderen, die nodig zijn om drie maaltijden per dag te bereiden, worden ter beschikking gesteld van het gezin."
   In het verslag aan de Koning wordt die wijziging als volgt gerechtvaardigd:
   "Dit artikel voorziet in de vervanging van artikel 79: de zin die voorschrijft dat er nooit varkensvlees zal worden geserveerd in de gesloten centra, wordt geschrapt. Deze zin is immers discriminerend ten opzichte van bepaalde geloofsgroepen. Het religieus voorschrift dat het eten van varkensvlees verbiedt, geldt enkel binnen een beperkt aantal religies. Aangezien destijds in artikel 79 werd opgenomen dat er nooit varkensvlees wordt geserveerd in de gesloten centra, werd eenzelfde regeling opgelegd aan alle religies, terwijl het in sommige religies wel degelijk is toegestaan om varkensvlees te eten.
   Het is bovendien niet rechtvaardig om in het besluit enkel rekening te houden met de voedselvoorschriften van een beperkt aantal religies, terwijl ook andere religies voedselvoorschriften hebben. Om een voorbeeld te geven: hindoes beschouwen de koe als een heilig dier waardoor veel hindoes geen rundvlees eten. Toch werd in dit besluit niet voorzien dat er nooit rundvlees geserveerd zou worden. Als hindoe kan men zich hierdoor gediscrimineerd voelen.
   Om aan deze problematiek tegemoet te komen worden nu geen regels meer voorzien over welk vlees al dan niet geserveerd mag worden.
   Er zal wel steeds rekening gehouden worden met de verschillende religieuze voedingsvoorschriften. Om daaraan te voldoen zullen er steeds alternatieven aangeboden worden. Zo zullen de bewoners steeds de keuze krijgen tussen een paar verschillende gerechten. Het is dan aan de bewoner zelf om uit te maken voor welk gerecht hij opteert.
   Bijgevolg wordt eenzelfde regime gevolgd zoals ook van toepassing is in het gevangeniswezen. In geen enkele wet is voorzien dat het verboden zou zijn om in een gevangenis varkensvlees te serveren. Er kan dus wel degelijk varkensvlees op het menu staan, maar men voorziet in een keuzemenu, waarbij de gedetineerden kunnen kiezen uit drie of vier gerechten.
   De alternatieven die met betrekking tot voeding, zowel in de gevangenissen als in de gesloten centra, worden aangeboden, moeten ervoor zorgen dat elke persoon dit aspect van zijn geloofsovertuiging kan belijden. Deze werkwijze ligt bovendien volledig in lijn met de rechtspraak dienaangaande van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 7 december 2010, nr. 18429/06, Jakóbski/Polen, §§ 52-53). In voormeld arrest werd geoordeeld dat er inzake voeding rekening moet worden gehouden met de religieuze overtuiging van de gedetineerde, in zoverre dit niet onredelijk is.
   Artikel 79 wordt bovendien ook aangepast om erin te voorzien dat de bewoners van een gezinswoning het recht hebben om hun eigen maaltijden te bereiden en de ingrediënten ontvangen, in voorkomend geval aangepast aan de leeftijd van de minderjarige kinderen, die nodig zijn om drie maaltijden per dag te bereiden. Er wordt gepreciseerd dat een keuken en elementair kookgerei te hunner beschikking worden gesteld."
   2. De regeling zoals die in het verslag aan de Koning is geconcipieerd en toegelicht, lijkt geen principiële moeilijkheden op te leveren in verband met de garantie dat eenieders godsdienstige overtuigingen (of de afwezigheid van dergelijke overtuigingen) op het vlak van voeding worden geëerbiedigd, met inachtneming van het beginsel van de gelijkheid van personen die verschillende of geen godsdienstige overtuigingen hebben.
   Dat neemt niet weg dat de tekst met het oog op de rechtszekerheid beter zou bepalen dat de "drie of vier gerechten" waarnaar het verslag aan de Koning verwijst, zo worden samengesteld dat daarmee op een redelijke wijze tegemoetgekomen wordt aan de godsdienstige overtuigingen (of de afwezigheid ervan) van de bewoners, overeenkomstig de interpretatie die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft gegeven.
   Artikel 13
   Ontworpen artikel 83/11
   Er wordt verwezen naar de opmerking die bij artikel 3 van het ontwerp is gemaakt in verband met het ontworpen artikel 83/11.
   Artikel 18
   Artikel 18 van het voorontwerp heeft tot gevolg dat de regels inzake de fouillering waarin artikel 111/2 van het te wijzigen besluit voorziet, worden versoepeld.
   Om ervoor te zorgen dat de versoepeling van die regels niet verder gaat dan wat nodig is om het nagestreefde doel te bereiken en er bijgevolg een redelijke verhouding blijft bestaan, dienen in het ontworpen dispositief zelf de volgende twee preciseringen te worden aangebracht, die in het verslag aan de Koning staan:
   1° bij de fouillering zoals omschreven in artikel 111/2, § 1, 2°, heeft het personeelslid dat niet van hetzelfde geslacht is als de bewoner, als enige taak te zorgen voor de veiligheid tijdens de fouillering;
   2° eveneens bij de fouillering zoals die omschreven is in artikel 111/2, § 1, 2°, wordt de wijze waarop met de minderjarige kinderen wordt omgegaan steeds aangepast aan hun leeftijd.
   Artikel 18 van het ontwerp moet dienovereenkomstig worden aangevuld.
   De griffier,
   Charles Henri VAN HOVE
   De voorzitter,
   Martine BAGUET
   Nota's
   (1) Koninklijk besluit van 2 augustus 2002 `houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen'.
   (2) Zie in die zin GwH 19 december 2013, nr. 166/2013.
   (3) Vergelijk met artikel 74/9, § 3, van de wet van 15 december 1980.
   (4) EHRM 25 januari 2018, J.R. e.a. v. Griekenland, § 137.
   (5) Zie in het bijzonder de artikelen 12 en 13 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 `over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven'.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie