J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2018/06/08/2018013062/justel

Titel
8 JUNI 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de erkenning van dierentuinen

Bron :
VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 03-08-2018 nummer :   2018013062 bladzijde : 61159       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2018-06-08/21
Inwerkingtreding : 01-11-2018

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied en definities
Art. 1-4
HOOFDSTUK 2. - Erkenningsprocedure
Art. 5-7
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de gegevens en stopzetting van activiteit
Art. 8
HOOFDSTUK 4. - Erkenningsvoorwaarden
Afdeling 1. - Huisvesting en uitrusting
Art. 9-20
Afdeling 2. - Verzorging, hygiëne en diergeneeskundige begeleiding
Art. 21-31
Afdeling 3. - Informatie aan de bezoeker en educatief programma
Art. 32-34
Afdeling 4. - Kweken van dieren en soortbehoudsprogramma
Art. 35-37
Afdeling 5. - Registers
Art. 38
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
Art. 39-44
BIJLAGEN.
Art. N1-N2

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied en definities

  Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 1999/22/EG van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen.

  Art. 2. Dit besluit is niet van toepassing op:
  1° overeenkomstig artikel 3, 9., van de wet van 14 augustus 1986, circussen en rondreizende tentoonstellingen;
  2° overeenkomstig artikel 3, 9., van de wet van 14 augustus 1986, handelszaken voor dieren;
  3° inrichtingen die alleen runderen, schapen, geiten, varkens- en hertachtigen of loopvogels houden en dit in hoofdzaak voor productiedoeleinden;
  4° inrichtingen die niet meer dan vijf frequent gehouden soorten houden en die daarnaast geen enkel ander dier van een niet-gedomesticeerde soort houden;
  5° inrichtingen die niet meer dan vijf aquaria tentoonstellen, met een totaalvolume water van minder dan 5000 liter;
  6° inrichtingen die uitsluitend tijdelijke opvang verzekeren, voornamelijk van in het wild levende dieren, met het oog op hun revalidatie en herintroductie in hun natuurlijk milieu.

  Art. 3. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° Departement Omgeving: het departement, vermeld in artikel 29, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
  2° dierentuin: inrichting bedoeld in artikel 3, 9., van de wet van 14 augustus 1986 die gedurende zeven dagen of meer per jaar toegankelijk is voor het publiek;
  3° gedomesticeerde soorten: de diersoorten, vermeld op de lijst, opgenomen in bijlage 1 die bij dit besluit is gevoegd;
  4° frequent gehouden soorten: de diersoorten, vermeld op de lijst, opgenomen in bijlage 2 die bij dit besluit is gevoegd;
  5° dierenverblijf: de binnen- of buitenruimte waarin het dier is ondergebracht;
  6° collectieplan: het overzicht van alle diersoorten die de dierentuin wil houden, met vermelding van de manier waarop invulling gegeven wordt aan de instandhouding van soorten, de voorlichting van het publiek en het wetenschappelijk onderzoek;
  7° uitbater: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een dierentuin uitbaat of voor rekening van wie een dierentuin wordt uitgebaat;
  8° verantwoordelijke: de uitbater of de natuurlijke persoon, aangewezen door de uitbater die instaat voor de toepassing van de wet van 14 augustus 1986 en dit besluit;
  9° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het dierenwelzijn;
  10° dienst: de subentiteit van het Departement Omgeving die bevoegd is voor het dierenwelzijn;
  11° wet van 14 augustus 1986: de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren;
  12° Vlaamse Dierentuinencommissie: het comité van deskundigen, vermeld in artikel 5, § 2, van de wet van 14 augustus 1986.

  Art. 4. De minister kan de lijst van gedomesticeerde soorten en de lijst van frequent gehouden soorten, opgenomen in respectievelijk bijlage 1 en bijlage 2, die bij dit besluit zijn gevoegd, wijzigen na advies van de Vlaamse Dierentuinencommissie.

  HOOFDSTUK 2. - Erkenningsprocedure

  Art. 5. § 1. De aanvraag tot erkenning wordt, volledig ingevuld, gedateerd en ondertekend door de verantwoordelijke, ingediend bij de dienst. De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:
  1° de gegevens van de dierentuin, met name naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres;
  2° de gegevens van de uitbater, met name naam (voor- en achternaam indien de uitbater een natuurlijke persoon is), adres, telefoonnummer en e-mailadres;
  3° indien deze verschillend is van de uitbater, de gegevens van de verantwoordelijke, met name voor- en achternaam, adres, telefoonnummer en e-mailadres.
  § 2. De aanvrager betaalt de volgende retributie die voortvloeit uit de erkenningsaanvraag:
  1° 250 euro als de verzameling zoogdieren, vogels of reptielen bevat;
  2° 125 euro als de verzameling uitsluitend andere dieren dan zoogdieren, vogels of reptielen bevat.
  De retributie, vermeld in het eerste lid, wordt gestort op rekeningnummer BE04 3751 1109 9031 van het Departement Omgeving.
  § 3. De volgende stukken worden bij de aanvraag gevoegd:
  1° een overzichtsplan van de dierentuin met de afmetingen van elk dierenverblijf en met aanduiding van de functie van de verschillende lokalen;
  2° het collectieplan;
  3° een kopie van het contract, opgesteld met toepassing van artikel 23;
  4° het bewijs van betaling van het bedrag, vermeld in paragraaf 3.

  Art. 6. Als het administratieve dossier volledig is, bezorgt de dienst een ontvankelijkheidsverklaring aan de aanvrager.
  De minister beslist over de erkenning op advies van de dienst binnen 180 dagen na de ontvangst van het volledige dossier. De minister weigert de erkenning als niet voldaan is aan al de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4, en in de ministeriële besluiten ter uitvoering daarvan. Aan de erkenning kunnen beperkingen voor de diersoorten en het aantal dieren verbonden worden.
  In de erkenning wordt verwezen naar de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4, en in de ministeriële besluiten ter uitvoering daarvan.
  De lijst van de erkende dierentuinen wordt bekendgemaakt op de website van de dienst met de naam en het adres van de inrichting.

  Art. 7. De minister kan, op ieder ogenblik, de erkenning van een dierentuin intrekken, overeenkomstig artikel 5, § 4, tweede lid, van de wet van 14 augustus 1986, of schorsen als die niet langer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4, en in de ministeriële besluiten ter uitvoering daarvan.
  De schorsing of intrekking kan betrekking hebben op de hele dierentuin of een gedeelte ervan.
  De lijst van geschorste en ingetrokken erkenningen wordt bekendgemaakt op de website van de dienst met de naam en het adres van de inrichting. Deze vermelding wordt verwijderd van zodra de schorsing is beëindigd of een nieuwe erkenning werd afgeleverd.

  HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de gegevens en stopzetting van activiteit

  Art. 8. § 1. Een wijziging van de verantwoordelijke wordt binnen dertig dagen schriftelijk gemeld aan de dienst. De melding wordt gedateerd en ondertekend door de nieuwe verantwoordelijke en bevat zijn voor- en achternaam, adres, telefoonnummer en e-mailadres.
  Een wijziging van de contractdierenarts, van de diergeneeskundige rechtspersoon of van de dierenarts via dewelke de diergeneeskundige rechtspersoon de taken voorzien in dit besluit uitvoert, bedoeld in artikel 23, wordt binnen dertig dagen gemeld aan de dienst, met een kopie van het nieuwe contract, opgesteld overeenkomstig artikel 23, § 1.
  § 2. Elke stopzetting van activiteit, waaronder ook het overlijden of de wijziging van de uitbater valt, wordt binnen tien dagen aan de dienst gemeld. Als een stopzetting van activiteit niet binnen de vastgestelde termijn wordt gemeld, wordt de erkenning ambtshalve ingetrokken. De activiteit kan door de dienst ook als stopgezet beschouwd worden als de stopzetting van de activiteit tijdens een controlebezoek is vastgesteld.
  In geval van stopzetting van de activiteit blijft de erkenning behouden, op voorwaarde dat een nieuwe uitbater de uitbating binnen dertig dagen na de stopzetting overneemt, een verantwoordelijke aanwijst, en de dienst daarvan op de hoogte brengt.
  Bij stopzetting zonder overname van de activiteit door een nieuwe uitbater of bij intrekking van de erkenning zoals bedoeld in artikel 7, zorgen de laatste uitbater en de verantwoordelijke ervoor dat de dieren goed worden verzorgd op hun oorspronkelijke locatie, conform artikel 4 van de wet van 14 augustus 1986, in afwachting dat ze overgebracht worden naar een definitieve bestemming. Naargelang het geval wordt daarvoor op het moment van de stopzetting of binnen de veertien dagen na de intrekking aan de dienst een plan van aanpak over de bestemmingen en de termijnen bezorgd.

  HOOFDSTUK 4. - Erkenningsvoorwaarden

  Afdeling 1. - Huisvesting en uitrusting

  Art. 9. De dierenverblijven zijn zo ontworpen en onderhouden dat de dieren in geen enkele omstandigheden kunnen ontsnappen en dat de veiligheid van de dieren, het publiek en het personeel gewaarborgd is.
  Er wordt op toegezien dat:
  1° de gevaarlijke dieren die kunnen klimmen of springen, binnen een volledige, ook bovenaan afgesloten, omheining gehouden worden, tenzij het klimmen of springen over de omheining op een andere wijze onmogelijk is of het verblijf omringd is door een voldoende brede en diepe strook water;
  2° de gravende dieren niet via de bodem kunnen ontsnappen;
  3° de omheining en steunpilaren stevig verankerd zijn in de bodem, zodat de dieren ze door hun gewicht of kracht niet kunnen vernielen;
  4° de grachten rond dierenverblijven een voldoende afsluiting vormen;
  5° de deuren of poorten stevig zijn en op slot gehouden worden;
  6° de gebouwen, lokalen of gedeelten van de dierentuin waartoe het publiek geen toegang heeft, afgesloten zijn en voorzien zijn van waarschuwings- of verbodstekens;
  7° direct contact tussen publiek en gevaarlijke dieren onmogelijk gemaakt wordt door barrières die een voldoende afstand creëren;
  8° het publiek ingelicht wordt over eventueel gevaar.

  Art. 10. Een omheining of een muur omsluit de dierentuin.

  Art. 11. De dierenverblijven en de gebruikte materialen worden zo gekozen en onderhouden dat dieren er zich in normale omstandigheden niet aan kunnen verwonden en er geen andere hinder van ondervinden die hun welzijn kan schaden.
  De elektriciteitsvoorzieningen worden zo aangebracht dat het risico van elektrocutie vermeden wordt.

  Art. 12. De minister kan na advies van de Vlaamse Dierentuinencommissie bijkomende voorschriften voor de minimale afmetingen, de klimatologische parameters en de inrichting van de dierenverblijven vaststellen.
  De normen, vermeld in het eerste lid, gelden voor alle verblijven, ongeacht of de dieren zichtbaar of onzichtbaar zijn voor het publiek, tenzij er diergeneeskundige redenen gelden op verantwoording van de contractdierenarts.

  Art. 13. De dieren die permanent buiten gehouden mogen worden, moeten in hun buitenverblijf altijd beschikken over een natuurlijke beschutting of een schuilhok.
  De dieren waarvoor zowel in een binnen- als een buitenverblijf voorzien moet zijn, hebben altijd vrije toegang tot beide verblijven.
  In afwijking van het eerste en tweede lid mag de vrije toegang van de dieren tot een deel van het verblijf kortstondig, en niet langer dan strikt noodzakelijk, beperkt worden in het kader van het dagelijks beheer of als dat door de klimatologische omstandigheden noodzakelijk is om het welzijn en de veiligheid van de dieren te garanderen. Een afwijking om andere redenen kan toegestaan worden door de dienst, op basis van een dossier dat de omstandigheden, de reden en de duur van de aangevraagde afwijking beschrijft.

  Art. 14. De dierenverblijven zijn zo ontworpen en ingericht dat ze een zo gevarieerd mogelijk natuurlijk gedrag stimuleren.

  Art. 15. Er wordt bij de huisvesting van de dieren op toegezien dat:
  1° de sociaal levende soorten in sociale groepen gehouden worden, tenzij dat niet aan te bevelen is om diergeneeskundige redenen, op verantwoording van de contractdierenarts;
  2° de solitair levende soorten alleen gehouden worden, tenzij in de periode van en met het oog op de voortplanting;
  3° er zich geen schadelijke interactie voordoet bij en door de samenstelling van een diergroep.

  Art. 16. De minister kan voor bepaalde soorten de uitwerking en toepassing van een verrijkingsplan opleggen.
  Het verrijkingsplan bevat de volgende elementen:
  1° de doelstellingen;
  2° de middelen;
  3° een planning;
  4° de uitvoering;
  5° een wetenschappelijke onderbouwing;
  6° een bepaling over de evaluatie en bijsturing van het verrijkingsplan.
  De minister kan bepalen voor welke diersoorten of groepen van diersoorten de verrijkingsplannen ter goedkeuring voorgelegd moeten worden aan de dienst.

  Art. 17. De verantwoordelijke stelt een ethische commissie samen waarvan ten minste de uitbater of zijn vertegenwoordiger, de contractdierenarts, een of meer vertegenwoordigers van de verzorgers en een externe deskundige deel uitmaken.
  De ethische commissie geeft advies over:
  1° het collectieplan;
  2° de huisvesting en verzorging van de dieren en de inrichting van de verblijven;
  3° het beheer van de dierentuinpopulatie, het kweekbeleid en het beleid aangaande overtallige dieren;
  4° het beheer van de diergroepen en de noodzaak om dieren af te zonderen;
  5° de verrijkingsplannen;
  6° vertoningen met dieren;
  7° het voederen van levende prooidieren;
  8° de interactie tussen dieren en het publiek.

  Art. 18. Het voeder wordt bewaard en bereid in goede hygiënische omstandigheden in ruimten die vrij zijn van schadelijke dieren en die gescheiden zijn van de dierenverblijven. Voor de bewaring van vlees of vis of andere bederfbare waren is een koelinstallatie vereist. Bedorven voedselresten worden zo snel mogelijk verwijderd.

  Art. 19. Voor diergeneeskundig onderzoek van en diergeneeskundige ingrepen bij gewervelde dieren is een schoon, goed geventileerd en goed verlicht lokaal beschikbaar. Dat lokaal is uitgerust met:
  1° een aftappunt voor stromend water;
  2° ontsmettingsproducten;
  3° voldoende verlichting om ingrepen te kunnen uitvoeren;
  4° een onderzoekstafel;
  5° een stopcontact;
  6° muren en een vloer die afwasbaar zijn en ontsmet kunnen worden.
  Voor elk van de gehouden soorten is er een geschikte mogelijkheid om dieren af te zonderen om diergeneeskundige redenen.

  Art. 20. Een hulppost met uitrusting om eerste hulp te bieden aan mensen en gepaste gebruiksaanwijzingen is aanwezig en is goed aangeduid.
  Als giftige dieren die gevaarlijk zijn voor de mens, gehouden worden, is antiserum binnen gepaste tijd voorhanden. De verantwoordelijke legt de te volgen procedure vast in een noodplan.

  Afdeling 2. - Verzorging, hygiëne en diergeneeskundige begeleiding

  Art. 21. De verantwoordelijke ziet erop toe dat voldoende en bekwaam personeel ter beschikking is om de dieren te verzorgen en om de dierenverblijven te onderhouden.
  De personeelsleden, vermeld in het eerste lid, zijn op de hoogte van:
  1° de voedingsvereisten van de dieren die aan hen toevertrouwd zijn;
  2° de ziektebeelden en tekenen die het mogelijk maken om ziektes te ontdekken;
  3° de risico's van ziekteoverdracht;
  4° de gedragsmatige behoeften van de soort, potentiële stressfactoren, verrijking en welzijnsevaluatie;
  5° de te treffen noodmaatregelen als de dieren ontsnappen;
  6° de te nemen maatregelen bij ongevallen.
  De verantwoordelijke ziet erop toe dat de kennis van het personeel op peil gehouden wordt. Op eenvoudig verzoek van de dienst legt hij het bewijs voor dat de kennis van de personeelsleden up-to-date is.
  De minister kan nadere voorwaarden stellen over het aantal personeelsleden en de opleiding van de personeelsleden.

  Art. 22. De dieren worden ten minste twee keer per dag gecontroleerd. Als de dieren niet gezond blijken te zijn of andere tekenen vertonen die wijzen op een verminderd welzijn, worden onmiddellijk stappen ondernomen om de oorzaak vast te stellen en die te verhelpen. Als dat nodig is, wordt een beroep gedaan op de contractdierenarts, vermeld in artikel 23.

  Art. 23. § 1. Voor het regelmatige toezicht op de gezondheid en het welzijn van de gewervelde dieren sluit de verantwoordelijke een contract met een dierenarts of een diergeneeskundige rechtspersoon.
  Het contract bevat ten minste de volgende gegevens:
  1° de gegevens van de verantwoordelijke, met name voor- en achternaam, adres, telefoonnummer en e-mailadres;
  2° in geval van een dierenarts, zijn voor- en achternaam, adres, ordenummer, telefoonnummer en e-mailadres;
  3° in geval van een diergeneeskundige rechtspersoon, naam, adres, telefoonnummer en e-mailadres van de diergeneeskundige rechtspersoon en naam, adres, ordenummer, telefoonnummer en e-mailadres van de dierenarts via dewelke de diergeneeskundige rechtspersoon de taken voorzien in dit besluit uitvoert;
  4° de gegevens van de plaatsvervangende dierenarts, met name voor- en achternaam, adres, ordenummer, telefoonnummer en e-mailadres;
  5° de taken toegewezen aan de dierenarts op grond van paragraaf 2 en artikel 38, tweede lid.
  Het contract wordt door alle betrokken partijen gedateerd en ondertekend.
  § 2. De dierenarts staat in voor de preventieve en diagnostische geneeskundige onderzoeken, de vaccinaties en euthanasie.
  De dierenarts onderzoekt nieuw binnengebrachte dieren en bepaalt de duur van een eventuele quarantaineperiode. De dierenarts volgt de gezondheid op van de dieren in quarantaine.
  De verantwoordelijke brengt de dierenarts op de hoogte van alle sterfgevallen van dieren. De dierenarts stelt de doodsoorzaak vast en neemt de nodige maatregelen om de gezondheid van de overige dieren te vrijwaren. De dierenarts kan beslissen om bepaalde dieren om diergeneeskundige redenen af te zonderen.
  De dierenarts licht de verantwoordelijke in als hij vaststelt dat de gezondheid of het welzijn van de dieren gevaar loopt en stelt maatregelen voor. Als zijn raad en aanbevelingen niet opgevolgd worden, brengt hij de dienst daarvan op de hoogte.
  § 3. Bij verbreking van het contract, vermeld in paragraaf 1, wordt de andere partij daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht met een kopie aan de dienst. Het lopende contract blijft gelden tot een nieuw contract ondertekend wordt en maximaal tot dertig dagen na de verbreking.

  Art. 24. In gesloten ruimten waarin dieren worden gehouden, geldt een rookverbod.

  Art. 25. Het verstrekte voedsel is kwalitatief en kwantitatief aangepast, zowel aan de behoeften van de soort als aan de behoeften van het individuele dier. Daarvoor wordt het advies van deskundigen ingewonnen en opgevolgd.
  Bij het verstrekken van voeder en drinkwater wordt het sociale gedrag van de dieren in acht genomen opdat, als dat nodig is, alle dieren binnen hetzelfde verblijf gelijktijdig kunnen eten.
  Het publiek mag de dieren niet voederen, behalve als er een toelating is gegeven conform artikel 29, tweede lid.
  Bij het kweken en het verstrekken van prooidieren worden gepaste maatregelen genomen om onnodig lijden van die dieren te vermijden.
  Met uitzondering van ongewervelden mogen geen levende prooidieren verstrekt worden aan dieren, behalve als de dierenarts bevestigt dat dit noodzakelijk is.

  Art. 26. Bij zoogdieren en vogels zijn handopfok en de vroegtijdige scheiding van de jongen van hun ouders alleen toegestaan om diergeneeskundige redenen op verantwoording van de contractdierenarts.

  Art. 27. De dierenverblijven en de uitrusting die erin is aangebracht, worden regelmatig gereinigd en, als dat nodig is, ontsmet.
  Alle nodige maatregelen worden getroffen om het binnendringen van ongewenste dieren en ziektevectoren tot een minimum te beperken, en de vermenigvuldiging ervan te voorkomen.

  Art. 28. De gestorven dieren worden zo snel mogelijk uit de dierenverblijven verwijderd.

  Art. 29. Direct fysiek contact tussen de dieren en het publiek is verboden.
  In afwijking van het eerste lid kan contact met het publiek worden toegelaten door de dienst, na advies van de Vlaamse Dierentuinencommissie, op basis van een dossier dat de omstandigheden van de interactie van de dieren met het publiek beschrijft. De criteria om het contact toe te laten, zijn:
  1° het pedagogische doel;
  2° de aard van het contact en de duur ervan;
  3° het dierenwelzijn, zowel tijdens het contact als in de boodschap die wordt gegeven;
  4° hygiënische voorzorgsmaatregelen, onder andere tegen ziekteoverdracht;
  5° het toezicht;
  6° de huisvesting van de dieren tijdens het contact;
  7° de mogelijkheid van de dieren om zich terug te trekken.
  Doorloopverblijven zijn toegelaten onder toezicht van het personeel en op voorwaarde dat het welzijn van de dieren er niet door geschaad wordt.

  Art. 30. De verantwoordelijke vestigt de aandacht van het publiek op de agressiviteit en het gevaar van sommige dieren door informatieborden te plaatsen als dat nodig is.
  In dierentuinen waar het publiek met voertuigen dieren kan benaderen zonder dat enige barrière hen scheidt, worden strikte maatregelen genomen om de veiligheid van de dieren te verzekeren en conflictsituaties met bezoekers te vermijden. Het publiek wordt duidelijk geïnformeerd over de voorschriften waaraan het zich moet houden. In dergelijke inrichtingen kan het toezichthoudend personeel onmiddellijk over een vuurwapen beschikken om in geval van nood een gevaarlijk dier te doden.

  Art. 31. Bij ontsnapping van een gevaarlijk dier brengt de verantwoordelijke de burgerlijke overheid en de ordediensten op de hoogte en verleent de verantwoordelijke bijstand bij de opsporing, de vangst en het terugbrengen van het dier.

  Afdeling 3. - Informatie aan de bezoeker en educatief programma

  Art. 32. Op of in de nabijheid van elk dierenverblijf is duidelijk leesbare, wetenschappelijk en taalkundig correcte basisinformatie aangebracht over de diersoorten die erin zijn ondergebracht. De basisinformatie bevat al de volgende gegevens:
  1° de correcte wetenschappelijke naam van de soort;
  2° de Nederlandse naam van de soort;
  3° een beschrijving van het natuurlijke verspreidingsgebied van de wildsoort en, in voorkomend geval, een verklaring voor de wijziging van de geografische verspreiding in de loop van de tijd;
  4° de biologische kenmerken van de soort en de ecologische context waarin ze geëvolueerd is;
  5° de beschermingsstatus, gegeven door the International Union for Conservation of Nature (IUCN), als dat van toepassing is.
  Bij dierenverblijven waarin verschillende diersoorten zijn ondergebracht die moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, wordt de basisinformatie aangevuld met een afbeelding en een aanwijzing om ze te onderscheiden.
  De dierentuin plaatst bij het verstrekken van informatie de dieren zo veel mogelijk in hun biologische en ecologische context.

  Art. 33. De dierentuin stelt een informatief en educatief programma voor onder meer schoolkinderen op, dat gebaseerd is op een inleiding in de biologie, de ecologie en het natuurbehoud. Daarvoor wordt het advies ingewonnen van een persoon met biologische, ethologische en pedagogische kennis. Een schriftelijke versie van dat programma moet beschikbaar zijn.

  Art. 34. Als vertoningen met dieren worden georganiseerd, staat het natuurlijke gedrag van de dieren centraal, ook in de commentaar die erbij verstrekt wordt.
  De dieren mogen alleen kunsten vertonen die voornamelijk bestaan uit hun soorteigen natuurlijke gedragingen.

  Afdeling 4. - Kweken van dieren en soortbehoudsprogramma

  Art. 35. De dierentuin verleent zijn medewerking aan gecoördineerde internationale kweek- en uitwisselingsprogramma's als er dieren gehouden worden waarop die programma's betrekking hebben. Het dierenbestand wordt doorgegeven aan de coördinatoren of stamboekhouders in kwestie.

  Art. 36. Ongecontroleerd kweken wordt vermeden. Het kweken van hybriden is verboden tenzij dat past in een wetenschappelijk verantwoord kweekprogramma en na goedkeuring door de dienst.
  De minister kan een lijst van soorten vaststellen waarvan het kweken in dierentuinen om redenen van dierenwelzijn verboden of beperkt kan worden.

  Art. 37. De dierentuin werkt mee aan onderzoek en aan de uitwisseling van informatie over het behoud van de soorten door actief aan onderzoeksprojecten deel te nemen of door de uitvoering van onderzoeksprojecten over soortenbehoud te vergemakkelijken.

  Afdeling 5. - Registers

  Art. 38. De verantwoordelijke houdt in een register of computerbestand van elk dier of elke diergroep de volgende gegevens bij:
  1° de Nederlandse en de wetenschappelijke benaming van de soort;
  2° het geslacht;
  3° de oorsprong en de datum waarop de dierentuin het dier of de diergroep verkregen heeft, of de geboortedatum in geval van geboorte in de dierentuin;
  4° in geval van vertrek van een dier of diergroep, de naam van de ontvanger en het adres van de bestemming, of, in geval van sterfte, de datum van sterfte;
  5° de identificatie van het specimen met, naargelang het geval, het ring-, tatoeage- of microchipnummer of de bijzondere uitwendige kenmerken.
  De gegevens over het dier of de diergroep, vermeld in het eerste lid, worden door de contractdierenarts, vermeld in artikel 23, aangevuld met al de volgende gegevens:
  1° de datum van de controlebezoeken;
  2° de gezondheidstoestand, met inbegrip van vastgestelde ziektes, behandelingen en andere ingrepen;
  3° bij sterfte: de oorzaak;
  4° de gevallen van quarantaine en afzondering van dieren om diergeneeskundige redenen, met vermelding van de reden, de begindatum van de quarantaine of afzondering om diergeneeskundige redenen, de voorziene en vastgestelde einddatum en het verblijf waar het dier zich bevindt.
  De gegevens, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden bewaard tot ten minste vijf jaar na de dood of het vertrek van het dier en ze worden ter beschikking gehouden van de dienst.

  HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen

  Art. 39. Het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 betreffende de erkenning van dierentuinen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007, wordt opgeheven.

  Art. 40. Op de inrichtingen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit erkend zijn als dierentuin of een volledige aanvraag tot erkenning als dierentuin hebben ingediend, blijven hoofdstuk I, hoofdstuk III, en artikel 29 en 30, van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 betreffende de erkenning van dierentuinen, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing tot en met de elfde maand die volgt op de maand van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 41. De erkenningen die de minister heeft verleend met toepassing van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 betreffende de erkenning van dierentuinen, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van huidig besluit, blijven geldig, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de bepalingen van hoofdstuk 3 en 4 van huidig besluit tegen de eerste dag van de twaalfde maand die volgt op de maand van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 42. De verantwoordelijke van de dierentuin die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit geen collectieplan of geen overzichtsplan van de dierentuin met de afmetingen van elk dierenverblijf en met aanduiding van de functie van de verschillende lokalen heeft overgemaakt aan de dienst, bezorgt de ontbrekende documenten binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit aan de dienst. De andere documenten die in het kader van de erkenning aan de dienst zijn bezorgd, blijven geldig.

  Art. 43. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
  In afwijking van het eerste lid treedt hoofdstuk 4 van dit besluit in werking op de eerste dag van de twaalfde maand die volgt op de maand van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad voor de inrichtingen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit al erkend zijn als dierentuin of een volledige aanvraag tot erkenning als dierentuin hebben ingediend.

  Art. 44. De Vlaamse minister, bevoegd voor het dierenwelzijn, is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 1. Lijst van gedomesticeerde dieren als vermeld in artikel 3, 3°
  

  
LIJST VAN GEDOMESTICEERDE ZOOGDIEREN
wetenschappelijke naam Nederlandse naam
Canis familiaris hond
Felis catus kat
Mustela furo fret
Equus caballus paard
Equus asinus ezel
Equus asinus x Equus caballus muildier
Equus caballus x Equus asinus muilezel
Sus domesticus varken
Bos taurus koe
Ovis aries schaap
Capra hircus geit
Cavia porcellus cavia
Mus musculus1 muis
Rattus norvegicus1 bruine rat
Mesocricetus auratus1 goudhamster
Oryctolagus cuniculus1 konijn
LIJST VAN GEDOMESTICEERDE VOGELS
wetenschappelijke naam Nederlandse naam
Anser anser1 grauwe gans
Anser cygnoides1 zwaangans
Cairina moschata1 muskuseend
Anas platyrhynchus1 wilde eend
Columba livia1 postduif
Gallus gallus domesticus kip
Meleagris gallopavo1 kalkoen
Pavo cristatus1 blauwe pauw
Numida meleagris1 helmparelhoen
Coturnix coturnix kwartel
LIJST VAN GEDOMESTICEERDE VISSEN
wetenschappelijke naam Nederlandse naam
Carassius auratus auratus goudvis
Cyprinus carpio carpio koikarper

(1)alleen gedomesticeerde vormen

  Art. N2. Bijlage 2. Lijst van frequent gehouden soorten als vermeld in artikel 3, 4°
  Van de onderstaande dieren mogen maximaal vijf verschillende diersoorten gehouden worden zonder dat een erkenning als dierentuin is vereist.
  

  
LIJST VAN ZOOGDIEREN
wetenschappelijke naam Nederlandse naam
Lama glama glama lama
Vicugna pacos alpaca
Dama dama damhert
Meriones unguiculatus Mongoolse renmuis
Chinchilla lanigera chinchilla (kweekvormen)
Phodopus spp. Cricetulus barbarensis dwerghamsters



  
LIJST VOGELS
wetenschappelijke naam1 Nederlandse naam
Cygnus olor knobbelzwaan
Phasianus colchicus ringnekfazant
Streptopelia risoria javaduifje
Excalfactoria chinensis Chinese dwergkwartel
Nymphicus hollandicus valkparkiet
Melopsittacus undulatus grasparkiet
Psittacula krameri halsbandparkiet
Psittacula cyanocephala pruimkopparkiet
Lonchura domestica Japans meeuwtje
Padda oryzivora rijstvink, padda
Agapornis spp. Agapornis,
Excl. behalve de volgende soorten:
- A. nigrigenis - A. nigrigenis
- A. fischeri - A. fischeri
- A. lilianae - A. lilianae
Taeniopygia guttata zebravink
Serinus canaria kanarie

(1) naam van de soort die voorkomt in de natuur, waaruit de gedomesticeerde vorm is gekweekt
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 8 juni 2018.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
G. BOURGEOIS
De Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn,
B. WEYTS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   DE VLAAMSE REGERING,
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;
   Gelet op de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, artikel 3, 9., gewijzigd bij de wet van 9 juli 2004, artikel 4, gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, en artikel 5, het laatst gewijzigd bij de wet van 27 december 2012;
   Gelet op het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 betreffende de erkenning van dierentuinen;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 21 maart 2018;
   Gelet op advies 63.411/3 van de Raad van State, gegeven op 29 mei 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende het advies van de Dierentuinencommissie, gegeven op 3 oktober 2016;
   Op voorstel van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie