einde

Publicatie : 2018-02-27

Beeld van de publicatie
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

1 FEBRUARI 2018. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de opslag van ontvlambare vloeistoffen die worden gebruikt als brandstof



De Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
Gelet op de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, artikelen 6, § 1, 10, alinea 2 en 66, § 1;
Gelet op de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, artikelen 14, § 4 en 68;
Gelet op het advies van de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gegeven op 12 oktober 2016;
Gelet op het advies van de Economische en Sociale Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gegeven op 20 oktober 2016;
Gelet op de gendertest zoals bedoeld in artikel 3, 2° van de ordonnantie van 29 maart 2012 houdende de integratie van de genderdimensie in de beleidslijnen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, uitgevoerd op 18 april 2016;
Gelet op de mededeling aan de Europese Commissie, op 6 oktober 2017, met toepassing van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2015/1535/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 die een informatieprocedure voorziet op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij;
Gelet op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
Gelet op het advies van de Raad van State nr. 62.202/1 gegeven op 25 oktober 2017 in toepassing van artikel 84, § 1, alinea 1, 2° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op het voorstel van de Minister van Leefmilieu,
Na beraadslaging,
Besluit :
TITEL I. - Gemeenschappelijke bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied en definities
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Artikel 1. Dit artikel is van toepassing op de opslag, in vaste houders, van ontvlambare vloeistoffen waarvan het vlampunt ligt tussen 55 ° C tot en met 100 ° C, en die als brandstof gebruikt worden. Het betreft de rubrieken 88.3A, 88.3B en 88.3C van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
Het is van toepassing op opslagtanks met een individuele inhoud van 50.000 liter of minder.
Het is niet van toepassing op voorraadtanks noch op dagtanks die integraal deel uitmaken van noodaggregaten of stroomaggregaten, noch op inrichtingen bestemd voor brandstofverdeling, noch de tijdelijke inrichtingen in de zin van artikel 3, 2° van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
De voorwaarden van dit besluit zijn van toepassing onverminderd strengere of aanvullende voorwaarden opgelegd door de bevoegde overheid in de milieuvergunningen, voor of na de inwerkingtreding van huidig besluit.
Afdeling 2. - Definities
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit verstaat men onder :
1° vaste houder : houder die niet gemakkelijk kan worden verplaatst, in het bijzonder wegens zijn gewicht, zijn verankering in de grond of het overhevelsysteem/de overhevelsystemen dat/die eraan is/zijn bevestigd;
2° opslagtank : iedere vaste houder die wordt gebruikt voor de opslag van brandstof;
3° opslagplaats : opslagtank of geheel van opslagtanks die op dezelfde site staan en onder de verantwoordelijkheid van dezelfde uitbater vallen;
4° bestaande opslagplaats : opslagplaats die wordt uitgebaat op de datum van het in werking treden van dit besluit;
5° nieuwe opslagplaats : opslagplaats waarvan de uitbating aanvangt na de datum van het in werking treden van dit besluit;
6° vervangende opslagtank : opslagtank die bedoeld is om een bestaande opslagtank te vervangen;
7° opslagtank met verdubbelde wand : enkelwandige opslagtank bij plaatsing die nadien werd uitgerust met een tweede binnenwand;
8° dubbelwandige opslagtank : dubbelwandige opslagtank bij plaatsing;
9° ingegraven opslagtank : opslagtank die rechtstreeks in de bodem of in een aangevulde groeve is geplaatst of opslagtank die niet toegankelijk is;
10° niet-ingegraven opslagtank : alle opslagtanks die niet vallen onder 9° ;
11° in batterij geplaatste opslagtanks : verschillende opslagtanks die onderling zijn verbonden met gemeenschappelijke leidingen voor aanzuiging, koppeling, vulling of ontluchting;
12° toegankelijke opslagtank : opslagtank waarvan de hele buitenoppervlakte bereikbaar is voor een visuele controle;
13° dichtheidstest : test gedefinieerd in bijlage I van dit besluit;
14° corrosietest : test gedefinieerd in bijlage II van dit besluit;
15° ondoordringbaar : met een dynamische permeabiliteitscoëfficiënt ten opzichte van koolwaterstoffen van minder dan 2.10-9 cm.s-1, of een totale statistische waterabsorptiecoëfficiënt (volgens de norm NBN B 15-215 of elke andere gelijkwaardige norm) van minder dan 7,5 %. Deze waarden dienen door een expert op het vlak van « opslaginstallaties » bevestigd te worden;
16° groeve : ondergrondse constructie waarin een opslagtank wordt geplaatst en die geen deel uitmaakt van een gebouw;
17° inkuiping : niet-brandbare, ondoorlatende uitrusting/constructie in de vorm van een kuip die de vloeistoffen afkomstig van lekken of van doorsijpelen kan tegenhouden en welke beschikt over een mechanische weerstand en chemische resistentie tegen brandbare vloeistoffen;
18° inspecteerbare groeve of inkuiping : groeve of inkuiping die een visuele inspectie van de buitenwanden van de opslagtank toelaten alsook, indien nodig, de werken die nodig zijn voor het onderhoud of herstel ervan;
19° niet-brandbaar materiaal : materiaal dat geen enkele waarneembare vorm van warmteontwikkeling vertoont tijdens de uitvoering van een gestandaardiseerde proef waarbij het onderworpen wordt aan een voorgeschreven opwarming (volgens de norm NBN S 21-201 of elke andere gelijkwaardige norm);
20° bodemverontreinigingsdeskundige : natuurlijke of rechtspersoon die is erkend als « bodemverontreinigingsdeskundige » in overeenstemming met artikel 3, 30° van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
21° expert op het vlak van « opslaginstallaties » :
• natuurlijke of rechtspersoon die is erkend in overeenstemming met artikel 67, § 2 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 januari 1999 tot vaststelling van de uitbatingsvoorwaarden voor benzinestations;
• experten erkend door het Waals Gewest voor de dichtheidscontrole op stookolietanks door middel van ultrasoon of onderdruk;
• stookolietechnici erkend door het Vlaams Gewest;
22° expert op het vlak van « kathodische bescherming » :
• natuurlijke of rechtspersoon die is erkend in overeenstemming met artikel 67, § 4 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 januari 1999 tot vaststelling van de uitbatingsvoorwaarden voor benzinestations;
• de « milieudeskundige bodemcorrosie » erkend door het Vlaams Gewest;
23° bevoegde overheid : overheid zoals bepaald in artikel 3, 11° van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
24° BIM : Brussels instituut voor milieubeheer dat werd opgericht door het koninklijk besluit van 8 maart 1989;
25° code van goede praktijk : regels die gevolgd worden door de professionele sectoren en die betrekking hebben op de constructie, het transport, de installatie, het onderhoud en de aansluiting van de opslagtanks voor de opslag van vloeibare producten met een vlampunt hoger dan 55° C en lager dan of gelijk aan 100° C;
26° brandweerstand (REI) : kenmerk van een element van een gebouw met een brandweerstand volgens de norm NBN EN 13501 of elke andere gelijkwaardige norm;
27° minister : de Minister die Leefmilieu onder zijn/haar bevoegdheid heeft;
28° bodemordonnantie : de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
29° beschermingszones : de beschermingszones zoals gedefinieerd in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 september 2002 houdende afbakening van een beschermingszone rondom grondwaterwinningen in het Ter Kamerenbos en onder de Lotharingendreef in het Zoniënwoud, de beschermde gebieden zoals gedefinieerd in de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid, alsook de gebieden die worden beschermd krachtens de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;
30° gevaarlijke afvalstof : elke afvalstof die een of meerdere gevaarlijke eigenschappen bezit die vermeld zijn in bijlage 3 van de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen;
31° traceerbaarheidsdocument van afvalstoffen : traceerbaarheidsdocument volgens het artikel 1.6 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 1 december 2016 betreffende het beheer van afvalstoffen.
HOOFDSTUK 2. - Vestiging en bouw
Afdeling 1. - Transport en plaatsing van nieuwe opslagtanks en vervangende opslagtanks
Art. 3. § 1. Bij hun installatie beantwoorden de opslagtanks aan de Belgische constructienormen of elke andere CEN-norm betreffende de constructie, het transport, de plaatsing en de aansluiting. Elk andere equivalente norm mag toegepast worden, voorzover deze expliciet toegelaten wordt door de milieuvergunning of door de bijkomende voorschriften aan de aangifte.
§ 2. Een opslagtank mag niet worden geplaatst als zij zichtbare sporen van beschadiging, vervorming of constructiefouten vertoont, meer in het bijzonder op haar buitenbekleding.
§ 3. De nodige maatregelen worden genomen teneinde de stabiliteit van de opslagtanks te waarborgen in alle omstandigheden, meer in het bijzonder bij overstromingen. De opslagtank wordt stevig bevestigd aan een fundering waarvan het gewicht hoger is dan de opwaartse kracht in geval van onderdompeling van de opslagtank.
§ 4. Wanneer de grond moet worden aangevuld rond een opslagtank of de leidingen ervan, wordt gebruik gemaakt van inert, niet-vervuild materiaal dat geen schade kan toebrengen aan de opslagtank of de bekleding ervan.
§ 5. Het is verboden een opslagtank tegen een gemeenschappelijke muur te plaatsen.
§ 6. De minimale ruimte die moet worden gelaten tussen de toegankelijke opslagtanks en de wanden of andere opslagtanks moet voldoen aan de volgende voorschriften :
- tussen de wand van de opslagtank en het inkuipingsmuurtje : 50 cm;
- tussen de wand van de opslagtank en de bodem van de inkuiping : 20 cm;
- tussen de wand van de opslagtank en de muur : 50 cm;
- tussen het deksel van het mangat en het plafond : 50 cm.
§ 7. Het is verboden een ingegraven opslagtank van minder dan 5.000 liter onder een gebouw of onder de verticale projectie ervan te plaatsen.
Het is verboden een nieuw ingegraven opslagtank te installeren in een beschermingszone.
Afdeling 2. - De opslagtanks
Art. 4. Het is verboden een verbrandingsinstallatie te voeden vanaf verplaatsbare houders.
Art. 5. § 1. Alle opslagtanks zijn uitgerust met een overvulbeveiligingssysteem.
§ 2. Enkel metalen opslagtanks of opslagtanks in gewapende thermohardende of thermoplastische kunststof zijn toegelaten.
§ 3. Elke ingegraven opslagtank is voorzien van een mangat. De inspectieruimtes boven het mangat zijn koolwaterstofdicht.
§ 4. Op de opslagtank wordt een identificatieplaatje aangebracht, nabij het mangat of de toezichtsopening, op een gemakkelijk toegankelijke plaats die op elk moment zichtbaar is.
Het vermeldt :
- het constructienummer en bouwjaar,
- de inhoud van de opslagtank,
- het opgeslagen product,
- de gevarenpictogrammen van het opgeslagen product.
§ 5. De buitenwand van de opslagtank evenals het eventueel zichtbare deel van de binnenste opslagtank worden, indien deze van metaal zijn, uitwendig beschermd tegen corrosie door een bekleding die minimum een diëlektrische weerstand heeft in overeenstemming met de overeenkomstige NBN-norm of elke andere gelijkwaardige norm die van kracht is op het moment van de installatie van de opslagtank.
Voor de metalen opslagtanks mag de bekleding niet bestaan uit teer, asfalt of een gelijksoortig product.
De Minister kan een lijst van toegelaten bekledingsmaterialen opstellen.
§ 6. Alle koppelingen met de opslagtanks en de openingen bevinden zich boven het maximale vulniveau van de brandstof. Een afwijking kan worden toegekend voor bovengrondse opslagtanks die zich niet in een beschermingszone bevinden en dienen voor verwarmingsinstallaties zonder aanzuiging, zoals kachels.
Art. 6. § 1. De bestaande enkelwandige opslagtanks kunnen worden verdubbeld, indien het niet mogelijk is een nieuwe opslagtank te plaatsen elders op de site en indien de verwijdering ervan een groot stabiliteits- of haalbaarheidsprobleem, bevestigd door een expert op het vlak van « opslaginstallaties », inhoudt.
§ 2. Een dergelijke verdubbeling van de wanden van opslagtanks wordt toegestaan onder de volgende voorwaarden :
a) de dikte van de buitenwand van de opslagtank moet ten minste 60 % bedragen van de dikte van de oorspronkelijke wand. Als dit niet het geval is, wordt er eerst een zelfdragende bekleding op deze buitenwand geplaatst voordat kan worden overgegaan tot de plaatsing van de dubbele wand van de opslagtank. De mechanische weerstand van het geheel is gegarandeerd;
b) een expert op het vlak van « opslaginstallaties » bevestigt na een inwendig onderzoek van de opslagtank en een controle van de dikte van de wand op een voldoende aantal plaatsen, dat de buitenwand voldoet aan de voorschriften zoals voorzien in punt a). Een afschrift van het attest wordt bij het aanvraagdossier van de milieuvergunning of de aangifte gevoegd;
c) de verdubbelingssystemen zijn in ten minste één Lidstaat van de Europese Unie erkend of gecertifieerd. Een afschrift van de erkenning of het getuigschrift wordt bij het aanvraagdossier van de milieuvergunning of de aangifte gevoegd;
d) de werken moeten gesuperviseerd worden door een expert op het vlak van « opslaginstallaties » die de installaties controleert en bevestigt dat de opslagtanks en hun toebehoren voldoen aan de voorschriften. Dit attest wordt ter beschikking gehouden van de overheid die belast is met de controle;
e) elke verdubbelde opslagtank is uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem.
Afdeling 3. - De leidingen
Art. 7. § 1. Elke opslagtank is aangesloten op een ontluchtingsleiding die in de open lucht uitkomt.
Het is verboden deze ontluchtingsleidingen te laten uitkomen op een gesloten binnenkoer of onder een luifel.
Voor opslagtanks van meer dan 10.000 liter komt de leiding uit in de open lucht, niet onder de verticale projectie van een gebouw en ten minste 3 meter verwijderd van welke opening dan ook in een gebouw.
§ 2. Elke opslagtank beschikt over eigen vulleidingen. Er kan een afwijking op deze paragraaf toegekend worden voor de eenheden van in batterij geplaatste opslagtanks die in éénzelfde inkuiping geplaatst werden.
Alle leidingen die koolwaterstoffen bevatten en die niet bereikbaar zijn, zijn geplaatst ofwel in een greppel met ondoorlatende bodem en zijwanden, ofwel in een ondoordringbare omsluiting.
Afdeling 4 - De veiligheidsvoorzieningen
Art. 8. § 1. Het overvulbeveiligingssysteem moet beantwoorden aan de overeenkomstige NBN-norm of aan elke andere gelijkwaardige norm die van kracht is tijdens de installatie van dit toebehoren. Het omvat een mechanische of elektronische voorziening die automatisch de brandstoftoevoer stopzet wanneer maximaal 98 % van de nominale inhoud van de opslaginstallatie bereikt is.
§ 2. Het permanente lekdetectiesysteem voldoet aan de volgende voorschriften :
a) De gekozen lekdetectievloeistof mag het staal of het plastic niet aantasten en mag niet stollen bij de laagste wintertemperaturen die voorzien worden.
b) Het systeem moet zo ontworpen zijn dat :
• voor ingegraven opslagtanks, de aanwezigheid van koolwaterstoffen of elke wijziging van de druk of het peil van de interstitiële vloeistof een hoorbaar en zichtbaar alarm doet afgaan bij de verantwoordelijke;
• voor niet-ingegraven opslagtanks die niet voorzien zijn van een inkuiping, de aanwezigheid van koolwaterstoffen of elke wijziging van de druk of het peil van de interstitiële vloeistof een hoorbaar en/of zichtbaar alarm;
• de exploitant gewaarschuwd wordt van elk defect aan het waarschuwingsmechanisme.
§ 3. De kathodische bescherming voldoet aan de volgende vereisten :
- de elektrische continuïteit van alle metalen en ingegraven opslaginstallaties is gegarandeerd, zodanig dat al deze metalen onderdelen aan eenzelfde negatieve potentiaal onderworpen zijn die volstaat om in de immuniteitszone van het diagram van Pourbaix te komen;
- de doeltreffendheid van deze kathodische bescherming moet gecontroleerd worden door met een voltmeter het bestaande potentiaalverschil te meten tussen enerzijds de opslagtank en haar bovenstructuur van leidingen en anderzijds de anode of het aftaptoestel.
- Om het meten te vereenvoudigen, wordt een meetkast aangebracht op de kabel die de potentiaalaftap van de opslagtank met de beschermingsanode verbindt;
- de installatie van deze bescherming vormt tevens een aarding voor de opslagtank;
- de bovengrondse metalen onderdelen zijn geïsoleerd van de rest van de installatie die kathodisch beschermd is.
§ 4. De aarding van alle metalen opslagtanks die in rechtstreeks contact met de grond staan voldoet aan de volgende vereisten :
- de aarding beantwoordt aan de normen beschreven onder artikel 69 van het AREI;
- het begin van de equipotentiaalverbinding moet voor controle toegankelijk zijn.
TITEL II. - Niet-ingegraven opslagtanks
HOOFDSTUK 1. - Het lokaal
Art. 9. § 1. De voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing onverminderd eventuele strengere normen die kunnen worden opgelegd omwille van de grootte of de bezetting van het gebouw en die in het bijzonder zijn vastgelegd in de milieuvergunning, de voorwaarden gekoppeld aan de aangiften, de stedenbouwkundige vergunningen, of die zijn opgelegd krachtens een koninklijk besluit.
§ 2. Het lokaal, ongeacht of het om een deel van een gebouw of een groeve gaat, waarin één of meer opslagtanks staan, is uitgerust met een brandwerende deur met een brandweerstand van minimaal een half uur. De wanden, vloeren en plafonds van het lokaal bieden een brandweerstand van minimaal 1 uur.
§ 3. Het lokaal waarin een niet-ingegraven opslagtank is ondergebracht, wordt rechtstreeks naar buiten verlucht.
De verluchting naar buiten kan echter ook gebeuren met behulp van onbrandbare kanalen/leidingen met een brandweerstand van minimaal 1 uur en die voorzien zijn van brandkleppen, op voorwaarde dat dit uitdrukkelijk is toegestaan door de milieuvergunning of door de aanvullende voorwaarden in de aangifte.
§ 4. In alle lokalen waar opslagtanks staan is het verboden te roken, vuur te maken of ontvlambare stoffen, brandstoffen of stoffen die de installaties kunnen beschadigen, op te slaan. Deze voorschriften zijn aan de hand van adequate pictogrammen aangebracht, aan de buitenkant op de toegangsdeuren van het lokaal.
§ 5. De kunstmatige verlichting van deze lokalen is uitsluitend elektrisch.
HOOFDSTUK 2. - De inkuiping
Art. 10. § 1. Alle niet-ingegraven enkelwandige opslagtanks of dubbelwandige opslagtanks zonder permanent lekdetectiesysteem zijn voorzien van een inkuiping die voldoet aan de voorschriften van dit artikel.
§ 2. Indien het technisch onmogelijk is een bestaande opslagtank in een inkuiping te plaatsen, wordt het lokaal waarin de opslagtank staat zo ingericht dat het een inkuiping vormt die de voorschriften van dit artikel naleeft.
§ 3. De inkuiping en de funderingen van de opslaginstallaties worden overeenkomstig een code van goede praktijk en onder toezicht van een expert op het vlak van « opslaginstallaties » gebouwd. De opslagtanks rusten op een voldoende grote basis die verhindert dat de belasting tot verzakkingen leidt waardoor de opslagtank kan kantelen of breken of de inkuiping beschadigd kan worden.
§ 4. De inkuiping is voldoende stevig om bestand te zijn tegen de vloeistofmassa die zou ontsnappen bij een breuk van de grootste opslagtank die in de inkuiping geplaatst is.
§ 5. De inkuiping is gemaakt van metaal of een stevig materiaal zoals gewapend beton of niet-brandbare bakstenen.
§ 6. De minimuminhoud van de inkuiping komt overeen met de grootste van de onderstaande waarden :
- de inhoud van de grootste opslagtank, vermeerderd met 25 % van de totale inhoud van de andere opslagtanks die in de inkuiping geplaatst zijn;
- de helft van de totale inhoud van de opslagtanks die in de inkuiping geplaatst zijn.
§ 7. De inkuiping mag niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan het onderbrengen van de opslagtanks en mag slechts doorkruist worden door leidingen die onontbeerlijk zijn voor het gebruik van de opslagtanks die in de inkuiping geplaatst zijn. Er mogen enkel leidingen doorheen de inkuiping lopen wanneer de lekdichtheid van de inkuiping gegarandeerd blijft.
§ 8. De opslagtank die zich in een inkuiping bevindt en die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, § 6, van dit besluit, wordt beschouwd als een niet-toegankelijke opslagtank en moet onderworpen worden aan de controles opgenomen in artikel 24, § 1, van dit besluit.
§ 9. Alle maatregelen zijn genomen om te verhinderen dat regen- en afvloeiend water in de inkuipingen belandt.
§ 10. De inkuiping mag niet verbonden zijn met het rioleringsnetwerk, behalve indien de milieuvergunning dit uitdrukkelijk toestaat. In dit geval is de afvoerleiding voorzien van een klep die normaal gezien in gesloten stand staat.
Alle nodige maatregelen worden getroffen om het water dat zich in de inkuiping heeft kunnen ophopen regelmatig af te voeren en om vervuiling van de bodem, het grondwater en de oppervlaktewateren te vermijden. Indien nodig wordt dit water afgevoerd als gevaarlijk afval of geloosd in het riool via een koolwaterstofafscheider.
§ 11. Het is niet toegelaten gemeenschappelijke muren te gebruiken als wand voor een inkuiping.
§ 12. Een afwijking op dit artikel kan door de bevoegde overheid worden toegestaan voor bestaande niet-ingegraven opslagtanks die zijn uitgerust met een lekdetectiesysteem zoals beschreven in artikel 8, § 2.
TITEL III. - Ingegraven opslagtanks
Art. 11. § 1. Alle ingegraven opslagtanks hebben een dubbele of verdubbelde wand. Ze zijn ook uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem dat voldoet aan de vereisten van artikel 8, § 2.
§ 2. De ingegraven opslagtanks zijn bedekt met een minimaal 0,5 meter dikke laag neutraal zand, aarde of een ander inert materiaal.
Boven een rechtstreeks in de bodem ingegraven opslagtank is het verboden :
- wegen aan te leggen die toegankelijk zijn voor motorvoertuigen,
- eender welk voertuig te laten rijden.
§ 3. Elke nieuwe ingegraven metalen opslagtank is voorzien van een kathodische bescherming die voldoet aan de eisen van artikel 8, § 3. Een afwijking op deze paragraaf kan worden toegestaan door de bevoegde overheid wanneer een expert op het vlak van "kathodische bescherming" het bewijs levert dat aan geen van de hieronder opgenomen voorwaarden is voldaan :
- de soortelijke weerstand van de bodem bedraagt minder dan 5.000 ohm.cm, waarbij de meting op het laagste punt van de uitgraving en buiten droogteperiodes moet gebeuren;
- het pH-gehalte van de bodem, gemeten op het laagste punt van de uitgraving, bedraagt minder dan 5;
- de aanwezigheid van zwerfstromen wordt vastgesteld.
§ 4. Wanneer een van de onder paragraaf 3 opgesomde voorwaarden is voldaan, in het geval van een bestaande ingegraven metalen opslagtank, die oorspronkelijk niet is uitgerust met een kathodische bescherming die voldoet aan de eisen van artikel 8, § 3, dan wordt deze buiten gebruik gesteld in overeenstemming met artikelen 17 en 18.
Voor bestaande opslagplaatsen t.e.m. 10.000 liter, kan een afwijking op deze paragraaf toegestaan worden, indien de opslagtank doeltreffend geaard is, welke voldoet aan de eisen van artikel 8, § 4. Deze doeltreffendheid dient gestaafd te worden door een expert « kathodische bescherming » tijdens de voorziene controles volgens titel V van dit besluit.
§ 5. Bestaande ingegraven metalen opslagtanks die oorspronkelijk niet zijn uitgerust met een kathodische bescherming die voldoet aan de eisen van artikel 8, § 3, en die in een beschermingszone zijn geplaatst, worden buiten gebruik gesteld in overeenstemming met artikelen 17 en 18.
TITEL IV. - Beheer van de installaties
HOOFDSTUK 1. - Het vullen van de opslagtank
Art. 12. § 1. Er wordt een mechanisme voorzien om de toegang tot de vulmonden te verhinderen aan alle onbevoegden.
§ 2. Alleen opslagtanks die een groen controleplaatje dragen krachtens artikel 26 mogen worden gevuld en geëxploiteerd.
Opslagtanks die een oranje controleplaatje dragen krachtens artikel 26 mogen worden gevuld en geëxploiteerd voor een periode van maximum 6 maanden, te beschouwen vanaf de datum van kennisgeving van het controleverslag.
Bijgevolg is het verboden opslagtanks met een rode of zonder controleplaat te vullen.
§ 3. Het vullen en leegmaken van een opslagtank mag slechts gebeuren met behulp van aan de opslagtank aangepaste leidingen om een perfecte en degelijke ondoorlaatbaarheid te garanderen.
§ 4. Het is verboden om een pompdebiet hoger dan 400 l/min te gebruiken voor het vullen van de opslaginstallaties. Dit debiet mag 300 l/min niet overschrijden voor de eenheden van in batterij geplaatste opslagtanks.
§ 5. Het vullen van de opslaginstallaties gebeurt onder permanent toezicht van de brandstofleverancier.
Tijdens het vullen van de opslaginstallaties blijft de brandstofleverancier op een redelijke afstand van de plaats waar het vullen plaatsvindt, zodat hij bij een incident onmiddellijk kan tussenkomen.
HOOFDSTUK 2. - De documenten
Art. 13. § 1. Een afschrift van het controleverslag van de installaties, zoals voorzien onder artikel 21 van dit besluit, wordt op de plaats van de exploitatie ter beschikking gehouden van de ambtenaar die belast is met het toezicht.
§ 2. De uitbater zorgt ervoor dat het identificatieplaatje van alle opslagtanks altijd zichtbaar en duidelijk leesbaar blijft.
§ 3. De verslagen van de periodieke controles die worden uitgevoerd zoals bepaald in artikelen 23 en 24 worden ter beschikking gehouden van de ambtenaar die belast is met het toezicht.
§ 4. Elke gecontroleerde opslagtank draagt een duidelijk zichtbaar en leesbaar controleplaatje, dat op de vulleiding, in de nabijheid van de vulmond, is aangebracht en het volgende vermeldt :
- het adres waar ze is geïnstalleerd,
- het jaar en de maand van de laatste controle,
- de instantie die de controle heeft uitgevoerd,
- de datum van de volgende controle,
- het maximale vuldebiet, conform artikel 12, § 4.
De kleur van het controleplaatje geeft informatie over het resultaat van de controles in overeenstemming met artikel 26.
HOOFDSTUK 3. - Kennisgevingen aan de bevoegde overheden
Art. 14. § 1. Alle in dit artikel bedoelde kennisgevingen gebeuren schriftelijk, in de zin van artikel 2281 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. De uitbater stelt de bevoegde overheid in kennis van :
1. alle lekken en incidenten die zich voordoen aan de installaties, onmiddellijk nadat ze zijn vastgesteld;
2. elke onderbreking van meer dan vijf dagen van de werking van het permanent lekdetectiesysteem, binnen de vierentwintig uur na deze periode;
3. alle plaatsingen van oranje of rode controleplaatjes, binnen de acht dagen na de periodieke controle;
4. alle herstellingen die betrekking hebben op de lekdichtheid van de opslagtank of van de leidingen, binnen de acht dagen na de herstelling;
5. de vervanging van een opslagtank, voorafgaand aan deze vervanging;
6. de tijdelijke buitengebruikstelling van een opslagtank voor werkzaamheden, binnen de acht dagen hiervan;
7. de stopzetting van activiteit en dus de definitieve buitengebruikstelling van een opslagtank, voorafgaand aan al de werkzaamheden en in overeenstemming met de buitengebruikstellingsprocedure van de artikelen 17 en 18 van dit besluit.
De uitbater stelt het BIM eveneens in kennis van elke ontdekking of elk vermoeden van bodemverontreiniging, die in het bijzonder voortvloeien uit de vaststelling van een lek in de installaties of vervangingswerken of de buitengebruikstelling van de opslagtank, onmiddellijk na deze ontdekking of dit vermoeden.
§ 3. De experten verschaffen de bevoegde overheid of stellen haar in kennis van :
1. een afschrift van het controleverslag zoals gedefinieerd in artikel 25, voor de indienststelling van de opslagtank en binnen de 30 dagen na de uitvoering van de periodieke controles die worden vermeld in de artikelen 21 tot 25;
2. elke vaststelling van lekken die wordt gedaan in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens dit besluit, binnen de vierentwintig uur na de ontdekking ervan.
De experten stellen het BIM eveneens op de hoogte van elke ontdekking of elk vermoeden van bodemverontreiniging, in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens dit besluit, binnen de vierentwintig uur na deze ontdekking of dit vermoeden.
HOOFDSTUK 4. - Vaststelling van lekken
Art. 15. § 1. Wanneer er in een installatie een lek of lekken worden vastgesteld, wordt de betrokken opslagtank onmiddellijk leeggemaakt, gereinigd en ontgast. De gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij deze verrichtingen, waaronder het slib, het bezinksel op de bodem en het afvalwater, worden afgevoerd door een in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest erkende inzamelaar, handelaar of makelaar van gevaarlijk afval.
§ 2. De uitbater neemt de nodige maatregelen om elk ontploffingsgevaar te voorkomen en de verontreiniging van de bodem en het grondwater te voorkomen of in voorkomend geval te beperken, in het bijzonder door de ontvlambare vloeistof op te vangen.
Wanneer er een vermoeden of een vaststelling is van bodemverontreiniging, wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, in overeenstemming met de bodemordonnantie.
§ 3. Elke herstelling die betrekking heeft op de lekdichtheid van de opslagtank of de leidingen wordt uitgevoerd onder toezicht van een expert op het vlak van « opslaginstallaties ».
§ 4 Indien de opslagtank niet kan worden hersteld, wordt ze buiten gebruik gesteld in overeenstemming met de procedure die is vastgelegd in artikelen 17 en 18.
HOOFDSTUK 5. - Definitieve buitengebruikstelling van de opslagtanks
Art. 16. De opslagtanks die worden uitgebaat na 1 januari 1993 worden definitief buiten gebruik gesteld :
- bij de definitieve stopzetting van hun gebruik, conform de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
- wanneer een lek wordt vastgesteld dat niet kan worden hersteld.
Dit artikel is niet van toepassing op de opslagtanks die buiten gebruik werden gesteld in overeenstemming met de geldende wetgeving op moment van de definitieve buitengebruikstelling.
Art. 17. Opslagplaatsen met een inhoud van 10.000 liter of minder worden buiten gebruik gesteld volgens de volgende procedure en in de volgende volgorde :
1° Voorafgaand aan alle werken, brengt de uitbater de bevoegde overheid per aangetekend schrijven op de hoogte van « het buiten gebruikstellen ». Dit schrijven vermeldt een beschrijving van de werken, evenals de datum van uitvoering ervan.
2° De opslagtanks en hun leidingen worden leeggemaakt.
3° De opslagtanks worden ontgast.
4° De binnenkant van de opslagtanks wordt gereinigd. De gevaarlijke afvalstoffen die hierbij vrijkomen, zoals het slib, het bezinksel op de bodem en het afvalwater, worden afgevoerd door een in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest erkende inzamelaar, handelaar of makelaar van gevaarlijk afval.
5° Wanneer er een vermoeden of een vaststelling is van bodemverontreiniging wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, in overeenstemming met de bodemordonnantie.
6° Na de resultaten van het verkennend bodemonderzoek, indien de vereiste zich stelt, moeten de ingegraven opslagtanks desgevallend ofwel verwijderd worden, ofwel ter plaatse blijven onder volgende voorwaarden :
- ze belemmeren geen eventuele latere behandeling of controle van een bodemverontreiniging;
- de vulsystemen worden buiten dienst gesteld zodat elke levering onmogelijk wordt gemaakt;
- ze worden met zand of een ander inert materiaal gevuld, zoals cement, mortel, beton, betonschuim of gestabiliseerd zand. Het gebruik van schuim is verboden, tenzij de bevoegde overheid hiervoor formeel toestemming geeft.
De buiten gebruik gestelde niet-ingegraven opslagtanks kunnen ofwel verwijderd worden, ofwel ter plaatse blijven onder volgende voorwaarden :
- ze belemmeren geen eventuele latere behandeling of controle van een bodemverontreiniging;
- de vulsystemen worden buiten dienst gesteld zodat geen enkele levering mogelijk wordt gemaakt.
Art. 18. Opslagtanks van meer dan 10.000 liter worden buiten gebruik gesteld volgens de volgende procedure en in de volgende volgorde :
1° Voorafgaand aan alle werken, brengt de uitbater de bevoegde overheid per aangetekend schrijven op de hoogte van « het buiten gebruik stellen ». Dit schrijven vermeldt een beschrijving van de werken, evenals de datum van uitvoering ervan.
2° De opslagtanks en hun leidingen worden leeggemaakt.
3° De opslagtanks worden ontgast.
4° De binnenkant van de opslagtanks wordt gereinigd. De gevaarlijke afvalstoffen die hierbij vrijkomen, zoals het slib, het bezinksel op de bodem en het afvalwater, worden afgevoerd door een in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest erkende inzamelaar, handelaar of makelaar van gevaarlijk afval.
5° Een verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd in overeenstemming met de bodemordonnantie.
6° Na de resultaten van het verkennend bodemonderzoek, moeten de ingegraven opslagtanks desgevallend ofwel verwijderd worden, ofwel ter plaatse blijven onder volgende voorwaarden :
- ze belemmeren geen eventuele latere behandeling of controle van een bodemverontreiniging;
- de vulsystemen worden buiten dienst gesteld zodat elke levering onmogelijk wordt gemaakt;
- ze worden met zand of een ander inert materiaal gevuld (cement, mortel, beton, betonschuim, gestabiliseerd zand). Het gebruik van schuim is verboden, tenzij de bevoegde overheid hiervoor formeel toestemming geeft.
De buiten gebruik gestelde niet-ingegraven opslagtanks kunnen ofwel verwijderd worden, ofwel ter plaatse blijven onder volgende voorwaarden :
- ze belemmeren geen eventuele latere behandeling of controle van een bodemverontreiniging;
- de vulsystemen worden buiten dienst gesteld zodat geen enkele levering mogelijk wordt gemaakt.
HOOFDSTUK 6. - Stopzetting van activiteit
Art. 19. Bij stopzetting van de activiteit van de vestiging, conform de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, volgt de uitbater de procedure van definitieve buitengebruikstelling die is vastgelegd in artikelen 17 en 18 van dit besluit.
TITEL V. - Controles van en toezicht op de installaties
HOOFDSTUK 1. - Controle van de bodemcorrosiviteit
Art. 20. § 1. De corrosiviteit van de bodem wordt geanalyseerd voorafgaand aan de installatie van een nieuwe ingegraven metalen opslagtank of vervangende ingegraven metalen opslagtank, en bij de eerste periodieke controle van elke ingegraven metalen opslagtank.
Het corrosiviteitsonderzoek mag niet gebeuren bij extreme droogte of vochtigheid.
De bodem wordt gerangschikt volgens een van de volgende categorieën :
• weinig corrosief,
• matig corrosief,
• corrosief,
• sterk corrosief.
De classificatie is gebaseerd op een afweging van de volgende criteria :
• de specifieke weerstand van de bodem,
• zijn watergehalte,
• zijn zuurtegraad of zijn buffercapaciteit,
• zijn chemische samenstelling en zijn consistentie,
• zijn homogeniteit,
• zijn redox-potentiaal,
• de aanwezigheid van zwerfstromen.
§ 2. De Minister kan de toegelaten methodes voor analyse en evaluatie van de corrosiviteit van een bodem vaststellen.
§ 3. Het corrosiviteitsonderzoek van de bodem wordt uitgevoerd door een expert op het vlak van « kathodische bescherming ».
HOOFDSTUK 2. - Controles van de installaties
Afdeling 1. - Controles van de plaatsing
Art. 21. § 1. Bij de plaatsing en aansluiting van de opslagtanks, leidingen en toebehoren, worden de volgende controles uitgevoerd door een expert op het vlak van « opslaginstallaties » :
- controle van de certificaten van conformiteit met de geldende wetgeving en de normen op het gebied van constructie en transport,
- controle van de naleving van de geldende wetgeving op het gebied van het gebruikte materiaal en de plaatsing,
- controle van de aarding, indien aanwezig,
- visuele controle van de buitenwand,
- controle van de basis van de opslagtank,
- controle van de lekdichtheid van de koppelingen,
- controle van toebehoren zoals ontluchtingsleidingen of peilsystemen en van veiligheidsuitrustingen zoals lekdetectiesystem of overvulbeveiligingen,
- controle van de lekdichtheid van de volledige installatie en van de inkuiping, in voorkomend geval,
- controle van de aanvulling, voor de ingegraven opslagtanks.
§ 2. Aan het einde van deze controle stelt de expert op het vlak van « opslaginstallaties » een controleverslag op van de installaties. De naam van de firma en van de natuurlijke persoon die de controle heeft uitgevoerd, moet duidelijk leesbaar op het verslag staan. Het moet gedateerd en ondertekend zijn.
§ 3. Wanneer het gaat om een ingegraven metalen opslagtank omvat dit verslag ook de conclusies van de expert op het vlak van « kathodische bescherming » en betreffende de aard van de bodem en of het al dan niet noodzakelijk is een kathodische bescherming te installeren.
In voorkomend geval vermeldt dit verslag de verplichting een kathodische bescherming te voorzien vóór de inwerkingstelling van de installatie.
Afdeling 2. - Periodieke controles
Art. 22. § 1. De in deze sectie voorziene controles moeten worden uitgevoerd door een expert op het vlak van « opslaginstallaties », met uitsluiting van de eventuele controle van de kathodische bescherming die moet worden uitgevoerd door een expert op het vlak van « kathodische bescherming ».
§ 2. Naast de controles die voorzien zijn in de volgende artikelen kan de bevoegde overheid een controle van de opslagtanks opleggen voorafgaand aan elke beslissing tot verlenging van een milieuvergunning of wijziging van de installaties.
Onderafdeling 1. - Periodiciteit van de controles
Art. 23. § 1. De eerste periodieke controle van een nieuwe opslagtank of een vervangende opslagtank gebeurt ten laatste vijftien jaar na de controle die werd uitgevoerd bij de plaatsing van de installaties zoals bepaald in artikel 21, en voorafgaand aan elke aanvraag van verlenging van de vergunning.
Indien de uitbater niet beschikt over de attesten van de plaatsingscontrole overeenkomstig artikel 21, wordt de eerste periodieke controle onmiddellijk uitgevoerd.
§ 2. De eerste periodieke controle van een bestaande opslagtank wordt uiterlijk uitgevoerd :
1° twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit voor de ingegraven opslagtanks van meer dan 10.000 liter;
2° vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit voor de ingegraven opslagtanks van 10.000 liter of minder;
3° zes jaar na de inwerkingtreding van dit besluit voor de niet-ingegraven opslagtanks.
Indien voor het verstrijken van deze termijnen een verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd in overeenstemming met de bodemordonnantie, gebeurt de eerste controle gelijktijdig met dit verkennend bodemonderzoek.
§ 3. Nadat de eerste controle is uitgevoerd, zoals bepaald in paragrafen 1 en 2, ondergaan de opslagtanks een controle :
- om de drie jaar voor de ingegraven opslagtanks;
- om de vijf jaar voor de niet-ingegraven opslagtanks.
Onderafdeling 2. - Inhoud van de controles
Art. 24. § 1. Het onderzoek van de ingegraven opslagtanks omvat de volgende controles :
1° visuele controle van de zichtbare delen van de opslagtank;
2° onderzoek van de omgeving van de vulzone om eventuele bodemverontreiniging op te sporen;
3° controle van de lekdichtheid van de koppelingen;
4° controle van toebehoren zoals ontluchtingsleidingen of peilsystemen;
5° controle op de aanwezigheid van water of bezinksel in de opslagtank. Voor metalen ingegraven opslagtanks, indien de aanwezigheid van water of slib in de opslagtank werd vastgesteld, controle van de binnenwand van de opslagtank;
6° controle van de doeltreffendheid van de overvulbeveiliging en het permanent lekdetectiesysteem;
7° controle van de alarmen die aan deze systemen gekoppeld zijn;
8° controle van de bodemcorrosiviteit zoals bepaald in artikel 20;
9° alleen voor de enkelwandige opslagtanks : test van de lekdichtheid van de volledige installatie d.w.z. van de opslagtank en, indien dit technisch mogelijk is, van de leidingen, zoals bepaald in bijlage I;
10° voor metalen ingegraven opslagtanks met kathodische bescherming, een controle van de beschermingsuitrusting;
11° voor metalen ingegraven opslagtanks zonder kathodische bescherming en waarvoor de bevoegde overheid een afwijking heeft toegekend overeenkomstig § 4 van artikel 11, een controle van de aarding.
§ 2. Het onderzoek van de niet-ingegraven opslagtanks behelst de volgende controles :
1° controle van de lekdichtheid van de koppelingen;
2° controle van toebehoren zoals ontluchtingsleidingen of peilsystemen;
3° controle op de aanwezigheid van water of bezinksel in de opslagtank;
4° controle van het overvulbeveiligingssysteem;
5° controle op eventuele verontreiniging in de omgeving van de opslagtank, haar toebehoren en het vulpunt;
6° visuele controle van de buitenwand, van de stabiliteit van de opslagtank en van de staat van de inkuiping;
7° voor de opslagtanks in open lucht, controle van de inhoud van de inkuiping, van de aanwezigheid van water of slib en van de staat van de uitwendige bescherming tegen corrosie.
Art. 25. Nadat de controles zijn uitgevoerd, stelt de expert op het vlak van « opslaginstallaties » een controleverslag van de installaties op. Eventueel vastgestelde gebreken en uitgevoerde onderhoudsbeurten en herstellingen worden in dit verslag vermeld.
De naam van de firma en van de natuurlijke persoon die de controle heeft uitgevoerd, moet duidelijk leesbaar op dit verslag staan. Het moet gedateerd en ondertekend zijn.
HOOFDSTUK 3. - Follow-up van de controles van en het toezicht op de installaties
Art. 26. § 1. De kleur van het controleplaatje waarnaar wordt verwezen in artikel 13, § 4, verwijst naar de resultaten van de controle, namelijk :
- GROEN als de installatie voldoet aan de voorschriften van dit besluit;
- ORANJE als er geen vermoeden is van verontreiniging van de bodem of van het grondwater, maar bepaalde herstellingen aan de opslagtanks, de beveiligingssystemen, de beschermingen of de installaties toch nodig blijken;
- ROOD als er een vermoeden is van verontreiniging van de bodem of het grondwater.
§ 2. De opslagtanks die een rood controleplaatje dragen mogen niet meer worden gebruikt en bevoorraad. Ze worden onmiddellijk leeggemaakt, ontgast en gereinigd. Ze worden binnen een gepaste termijn die niet langer is dan 6 maanden vervangen of hersteld.
§ 3. De opslagtanks die een oranje controleplaatje dragen mogen worden gebruikt en bevoorraad. Ze worden binnen een gepaste termijn die niet langer is dan 6 maanden conform gesteld aan de voorschriften van dit besluit.
Art. 27. Indien het alarmsysteem van het lekdetectiesysteem dat wordt beschreven in artikel 8, § 2, niet werkt, dient de uitbater het zo snel mogelijk te herstellen.
HOOFDSTUK 4. - De experten
Art. 28. De experten op het vlak van « opslaginstallaties » en de experten op het vlak van « kathodische bescherming » mogen niet rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden zijn aan :
1° een fabrikant, invoerder of verkoper van uitrustingen die onderworpen zijn aan controle krachtens dit besluit;
2° de installateur van de installatie waarvoor ze een controle uitvoeren;
3° de uitbater van de installatie waarvoor ze een controle uitvoeren.
TITEL VI. - Administratieve overgangs- en slotbepalingen
HOOFDSTUK 1. - Aangifte of aanvraag vergunning
Art. 29. § 1. Bij elke aangifte in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen levert de aangever de bevoegde overheid bovenop de informatie die wordt voorgeschreven door deze ordonnantie en door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 april 1999 tot vaststelling van het voorafgaande aangifteformulier voor de inrichtingen van klasse III in de zin van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen ook de resultaten van de controles die voorzien zijn onder TITEL V van dit besluit en waarover hij beschikt.
§ 2. Bij elke aanvraag van een milieuvergunning in de zin van dezelfde ordonnantie dient de aanvrager, bovenop de informatie die wordt voorgeschreven door deze ordonnantie en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 mei 2009 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag van een milieuattest, - aangifte en -vergunning ook de resultaten te verstrekken van de controles die voorzien zijn onder TITEL V van dit besluit en waarover hij beschikt.
Deze bepaling is ook van toepassing indien het gaat om een verlenging van de milieuvergunning
HOOFDSTUK 2. - Toepassing van het besluit
Art. 30. § 1. De artikelen 5 paragrafen 2 tot 6, 7, § 2 en 11, § 2 zijn niet van toepassing op de bestaande opslagtanks.
§ 2. De artikelen 5, § 1, 7, § 1, 10 en 11, § 1 en § 4 zijn van toepassing :
a) voor bestaande ingegraven opslagtanks van meer dan 10.000 liter : uiterlijk drie jaar na de publicatie van dit besluit;
b) voor bestaande ingegraven opslagtanks van 10.000 liter of minder en voor bestaande niet-ingegraven opslagtanks : uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 3. Artikel 11, § 5, is van toepassing uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.
§ 4. Gedurende de overgangsperiodes die worden bedoeld in paragrafen 2 en 3 worden de periodieke controles die voorzien zijn door TITEL V, Hoofdstuk 2, Afdeling 2, uitgevoerd voor de bestaande opslagtanks die niet in overeenstemming met zijn met de bepalingen van de artikelen 5, § 1, 7, 10 en 11, paragrafen 1, 4 en 5 :
1° twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit voor de eerste controle;
2° jaarlijks na de uitvoering van de eerste controle voor de volgende controles.
§ 5. Na de overgangsperiode worden bestaande opslagtanks van 10.000 liter of minder, die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 11, § 1, jaarlijks onderworpen aan periodieke controles die voorzien zijn in titel V, hoofdstuk 2, sectie 2.
§ 6. Een afwijking op § 2 van dit artikel kan worden toegekend door de bevoegde overheid. Het verzoek tot afwijking zal de vorm aannemen van een aanvraag tot wijziging van de uitbatingsvoorwaarden van de milieuvergunning of van de aangifte.
Art. 31. Dit besluit treedt in werking zes maanden na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 32. De minister bevoegd voor Leefmilieu wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 1 februari 2018.
Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
R. VERVOORT
De Minister van Huisvesting, Levenskwaliteit, Leefmilieu en Energie,
C. FREMAULT

BIJLAGE I
Dichtheidstests
De dichtheidstest van de ingegraven opslagtanks die niet zijn uitgerust met een lekdetectiesysteem wordt uitgevoerd aan de hand van de volgende methoden of eender welke andere gelijkwaardige methode waarmee het BIM zich voorafgaandelijk schriftelijk akkoord heeft verklaard :
1° akoestische methode met ultrasone trillingen;
2° methode door onderdruk;
3° Onder druk zetten van de opslagtanks volgens de normen van de fabrikant en de kennis van de bevoegde technici. Het water dat voor deze test werd gebruikt, wordt beschouwd als een gevaarlijke afvalstof en moet worden verwijderd door een door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest erkende inzamelaar, handelaar of makelaar van gevaarlijk afval.
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 1 februari 2018 betreffende de opslag van ontvlambare vloeistoffen die worden gebruikt als brandstof.
Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
R. VERVOORT
De Minister van Huisvesting, Levenskwaliteit, Leefmilieu en Energie,
C. FREMAULT

BIJLAGE II
Corrosietest
Richtsnoeren die moeten worden nageleefd in het kader van de controle van de corrosie van de metalen opslagtanks.
1. Elementen die in aanmerking moeten worden genomen in de analyse :
Voor de opslagtank :
- corrosiepotentieel en structuur van de bodem
- ouderdom
- fysieke afmetingen
- type van opslagtank
- leidingen
- beschermingsgraad van de bekleding (weerstand)
Voor de bodem :
- type van bodem
- plaats van de opslagtank ten opzichte van de grondwatertafel
- homogeniteit van de bodem
- soortelijke weerstand van de bodem
- watergehalte
- pH van de bodem
- analyse van de bodem
- specifieke metingen van de corrosiesnelheid
2. Praktische uitvoering :
De totale meetprocedure omvat drie fasen :
1. meting op het terrein door de operatoren
2. laboratoriumtests op bodem- en watermonsters
3. evaluatie door een expert (in dit geval het expertsysteem METALogic)
1. Meting op het terrein :
Hieronder vindt u een schematisch overzicht van de verschillende fasen van de meetprocedure op het terrein :
Fase 1 : visuele inspectie : plaats van de opslagtank en van het mangat
De volgende elementen zijn belangrijk :
- toegankelijkheid
- staat van de oppervlakte rond het mangat
- plaats van het mangat
- materiaal van de leidingen
- aanwezigheid van veiligheidsapparatuur (lekdetectie, ...)
- aanwezigheid van een kathodische bescherming
Fase 2 : vaststelling van de aanwezigheid van water/slib in de opslagtank
Tijdens de voorbereiding van de dichtheidstest wordt de eventuele aanwezigheid van water en slib vastgesteld aan de hand van een peilstok en een speciale detectiepasta. Een water-/slibmonster wordt genomen.
Fase 3 : nemen van een bodemstaal/boring - kernboring
De plaats van de opslagtank wordt in eerste instantie bepaald met een metaaldetector.
Vervolgens wordt een bodemstaal genomen aan de zijkant van de opslagtank.
De plaats van de grondwatertafel wordt bepaald en een algemene beschrijving van de bodem opgesteld.
Fase 4 : bepaling van de soortelijke weerstand van de bodem
De weerstand van de bodem wordt vastgesteld met de klassieke techniek van een vierpuntsmeting. Hiervoor wordt een nauwkeurig werkend en stevig veldtoestel gebruikt.
Fase 5 : bepaling van de weerstand van de bekleding
De weerstand van de bekleding wordt beoordeeld door een driepuntsmeting, waarbij wordt gewerkt met een verbinding tussen de opslagtank en twee paaltjes in de grond.
Fase 6 : bepaling van de potentiaal van de opslagtank
Dit is een klassieke potentiaalmeting die gebruik maakt van een referentie-elektrode (in dit geval een Cu/CuSO4-elektrode die specifiek is ontwikkeld voor bodemmetingen).
2. Laboratoriumtests voor evaluatie van de bodemcorrosie :
De water- en bodemstalen worden meer in detail geanalyseerd met behulp van verschillende meettechnieken door een laboratorium dat erkend is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
3. Expertsysteem voor evaluatie van de gegevens van de bodemcorrosie :
Alle meetresultaten worden samengevoegd in een database en doorgegeven aan een expertsysteem. Dit systeem is een software dat in eerste instantie de resultaten analyseert en vervolgens wijst op verkeerde en/of ontbrekende gegevens. Vervolgens worden de verschillende kennisregels toegepast op een gegevensset (per gemeten opslagtank), wat uiteindelijk leidt tot een antwoord over de levensduur van de opslagtank en over de risico's waaraan ze is blootgesteld.
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 1 februari 2018 betreffende de opslag van ontvlambare vloeistoffen die worden gebruikt als brandstof.
Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
R. VERVOORT
De Minister van Huisvesting, Levenskwaliteit, Leefmilieu en Energie,
C. FREMAULT


begin

Publicatie : 2018-02-27