einde

Publicatie : 2018-02-27

Beeld van de publicatie
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

18 JANUARI 2018. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties



De Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
Gelet op het koninklijk besluit van 8 maart 1989 tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, artikel 3, § 3;
Gelet op de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, artikelen 4, derde lid, 6, paragraaf 1, en 10, tweede lid;
Gelet op het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing, artikelen 3.2.1, paragraaf 1, 3.2.4, 3.2.5 en 3.2.9;
Gelet op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
Rekening houdend met Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2005 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties;
Gelet op de gendertest zoals bedoeld in artikel 3, 2░ van de ordonnantie van 29 maart 2012 houdende de integratie van de genderdimensie in de beleidslijnen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, uitgevoerd op 31 mei 2017;
Gelet op het advies van de Raad voor het Leefmilieu, gegeven op 11 oktober 2017;
Gelet op het advies van de Economische en Sociale Raad, gegeven op 19 oktober 2017;
Gelet op het advies n░ 62.498/1 van de Raad van State, gegeven op 19 december 2017 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2░, van de op 12 januari 1973 geco÷rdineerde wetten op de Raad van State;
Op voordracht van de Minister van Leefmilieu,
Na beraadslaging,
Besluit :
Doelstellingen
Artikel 1. Dit besluit is bedoeld ter omzetting van Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2005 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties.
Het legt regels vast om de emissie van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxides (NOx) en stof van middelgrote . stookinstallaties te beperken en zodoende de emissies en de daarmee gepaard gaande risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken.
Het stelt ook regels in om te waken over de koolmonoxide-emissies (CO) en deze te beperken.
Toepassingsgebied
Art. 2. § 1 Dit besluit is van toepassing op stookinstallaties met een nominaal thermisch vermogen (nominaal ingangsvermogen) dat gelijk is aan of hoger dan 1 MW en lager is dan 50 MW ("middelgrote stookinstallaties"), ongeacht het gebruikte brandstoftype, vermeld in rubrieken 40, 55 en 104 van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
§ 2. Op grond van artikel 4 is het ook van toepassing op een samenstel van nieuwe middelgrote stookinstallaties, met inbegrip van een samenstel waarvan het totaal nominaal thermisch vermogen 50 MW of meer is, tenzij dit samenstel een stookinstallatie is zoals vermeld in hoofdstuk III van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2013 inzake ge´ntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door industriŰle emissies.
§ 3. Het besluit is niet van toepassing op:
a) stookinstallaties die worden vermeld in hoofdstuk III of hoofdstuk IV van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2013 inzake ge´ntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door industriŰle emissies;
b) verbrandingsinstallaties die worden vermeld in het Koninklijk besluit van 5 december 2004 houdende vaststelling van productnormen voor inwendige verbrandingsmotoren in niet voor de weg bestemde mobiele machines;
c) stookinstallaties voor de landbouw met een totaal nominaal thermisch vermogen van 5 MW of minder en die als brandstof alleen niet-verwerkte mest van pluimvee gebruiken, zoals bedoeld in artikel 9, punt a) van verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad;
d) stookinstallaties waarvan de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen, drogen of anderzijds behandelen van voorwerpen of materialen;
e) stookinstallaties waarvan de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen met gas van binnenruimten ter verbetering van de omstandigheden op de arbeidsplaats;
f) naverbrandingsinstallaties voor de zuivering door verbranding van afgassen die vrijkomen bij industriŰle processen en die niet als autonome stookinstallatie worden geŰxploiteerd;
g) technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;
h) gasturbines en gas- of dieselmotoren, die op offshore-platforms worden gebruikt;
i) installaties voor het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;
j) voorzieningen voor de omzetting van zwavelwaterstof in zwavel
k) reactoren die worden gebruikt in de chemische industrie;
l) cokesovens;
m) windverhitters van hoogovens;
n) crematorias;
o) stookinstallaties die raffinaderijbrandstof stoken, alleen of in combinatie met andere brandstoffen voor de productie van energie in minerale olie- en gasraffinaderijen;
p) terugwinningsinstallaties in installaties voor de productie van houtpulp.
§ 4. Het besluit is niet van toepassing op onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten of experimenten waarbij middelgrote stookinstallaties worden gebruikt.
Definities
Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1) "emissie": uitstoot van stoffen in de lucht door een stookinstallatie;
2) "emissiegrenswaarde": toelaatbare hoeveelheid van een stof die met de afgassen van een stookinstallatie gedurende een bepaalde periode in de lucht mag worden uitgestoten;
3) "stikstofoxiden" (NOx): stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt als stikstofdioxide (NO2);
4) "stof": in de gasfase onder bemonsteringscondities verstrooide deeltjes van welke vorm, structuur of dichtheid dan ook, die kunnen worden opgevangen door filtering onder specifiek omschreven omstandigheden na representatieve bemonstering van het te analyseren gas en vˇˇr het filter en op het filter achterblijven;
5) "stookinstallatie": elke technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd teneinde de aldus opgewekte warmte te gebruiken;
6) "bestaande stookinstallatie": een stookinstallatie die vˇˇr 20 december 2018 in bedrijf is gesteld of waarvoor een vergunning werd verleend vˇˇr 19 december 2017, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 20 december 2018 in bedrijf wordt gesteld;
7) "nieuwe stookinstallatie": een andere stookinstallatie dan een bestaande stookinstallatie;
8) "motor": een gas- of dieselmotor of een dual-fuelmotor;
9) "gasmotor": een verbrandingsmotor die werkt volgens de Otto-cyclus en die gebruik maakt van vonkontsteking om brandstof te verbranden;
10) "ieselmotor": een verbrandingsmotor die werkt volgens de dieselcyclus en die gebruik maakt van compressieontsteking om brandstof te verbranden;
11) "dual-fuelmotor": een verbrandingsmotor die gebruik maakt van compressieontsteking en die werkt volgens de dieselcyclus tijdens het verbranden van vloeibare brandstoffen en volgens de Otto-cyclus tijdens het verbranden van gasvormige brandstoffen;
12) "gasturbine": een roterende machine die thermische energie in arbeid omzet en die in hoofdzaak bestaat uit een compressor, een thermisch toestel waarin brandstof wordt geoxideerd om het werkmedium te verhitten en een turbine; deze definitie omvat zowel een open- of gecombineerde-cyclus gasturbine als een gasturbine in warmtekrachtkoppelingsmodus, met of zonder aanvullende verbranding;
13) "klein ge´soleerd systeem": een systeem met een verbruik van minder dan 3 000 GWh in 1996 waarvan minder dan 5 % van het jaarverbruik via interconnectie met andere systemen wordt verkregen;
14) "ge´soleerd microsysteem": een systeem met een verbruik van minder dan 500 GWh in 1996 zonder interconnectie met andere systemen;
15) "brandstof": elke vaste, vloeibare of gasvormige brandbare stof;
16) "raffinaderijbrandstof": een vaste, vloeibare of gasvormige brandbare stof, afkomstig uit de distillatie en de omzettingsstappen bij de raffinage van ruwe olie, met inbegrip van raffinaderijgas, syngas, geraffineerde oliŰn en petroleumcokes;
17) "afvalstoffen": afvalstoffen zoals omschreven in artikel 3, punt 1, van de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen;
18) "biomassa": biomassa van artikel 2, 26░ van het besluit van Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2013 inzake ge´ntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door industriŰle emissies;
19) "gasolie":
a) een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die onder GN-codes 2710 19 25, 2710 19 29, 2710 19 47, 2710 19 48, 2710 20 17 of 2710 20 19 valt, of
b) een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof, waarvan minder dan 65 volumeprocent (met inbegrip van verliezen) bij 250 ░ C overdistilleert, en waarvan ten minste 85 volumeprocent (met inbegrip van verliezen) bij 350 ░ C overdistilleert, gemeten met de ASTM-methode D86;
20) "aardgas": in de natuur voorkomend methaan met maximaal 20 % (v/v) inerte en andere bestanddelen;
21) "zware stookolie":
a) een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die onder de GN-codes 2710 19 51 tot en met 2710 19 68, 2710 20 31, 2710 20 35 of 2710 20 39 valt, of
b) een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof, met uitzondering van gasolie zoals omschreven in punt 19, die op grond van de distillatiegrenzen ervan behoort tot de categorie zware oliŰn welke zijn bestemd om als brandstof te worden gebruikt en die, verliezen inbegrepen, voor minder dan 65 volumeprocent overdistilleren bij 250 ░ C, gemeten met ASTM-methode D86. Wanneer de distillatie niet met ASTM-methode D86 kan worden bepaald, wordt het aardolieproduct eveneens als zware stookolie ingedeeld;
22) "bedrijfsuren": de tijd, uitgedrukt in uren, gedurende de welke een stookinstallatie in werking is en emissies in de lucht uitstoot, met uitzondering van de voor het opstarten en stilleggen benodigde tijd;
23) "exploitant": iedere natuurlijke of rechtspersoon die de stookinstallatie exploiteert of die de controle daarover heeft of aan wie economische beslissingsbevoegdheid over de technische werking van de installatie is overgedragen;
24) "zone": een zone in de zin van artikel 3.1.1, 15░ van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing;
25) "richtlijn": de Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties;
26) "Instituut", het Brussels Instituut voor Milieubeheer, opgericht bij Koninklijk besluit van 8 maart 1989 tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer;
27) "bevoegde overheid": de overheid uit artikel 3, punt 1, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
Samentelling
Art. 4. Voor de toepassing van dit besluit wordt een samenstel van twee of meer nieuwe middelgrote stookinstallaties als ÚÚn middelgrote stookinstallatie beschouwd en hun nominale thermische vermogens samengeteld voor de berekening van het totale nominaal thermisch vermogen van de installatie, indien:
* de afgassen van die middelgrote stookinstallaties via een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten, of
* de afgassen van die middelgrote stookinstallaties - met inachtneming van technische en economische factoren - volgens het oordeel van de bevoegde overheid via een gemeenschappelijke schoorsteen kunnen worden uitgestoten.
Milieuvergunningen
Art. 5. § 1 Bovenop de specifieke vermeldingen uit artikel 10 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en de bijlagen bij het besluit van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 mei 2009 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een milieucertificaat, een aangifte en milieuvergunning, bestaat de aanvraag om een milieuvergunning betreffende middelgrote stookinstallaties uit de specifieke onderdelen die worden vermeld in bijlage I van dit besluit.
§ 2. De bevoegde overheid houdt het register bij uit artikel 86 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen met betrekking tot de middelgrote stookinstallaties waarop dit besluit betrekking heeft, de gegevens uit paragraaf 1 en de aanvragen betreffende de toepassing van artikel 7bis van genoemde ordonnantie.
§ 3. Voor middelgrote stookinstallaties die deel uitmaken van een installatie die wordt vermeld in hoofdstuk II van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2013 inzake ge´ntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door industriŰle emissies, wordt geacht te zijn voldaan aan de eisen uit dit artikel wanneer het genoemde besluit wordt nageleefd.
Emissiegrenswaarden
Art. 6. § 1. Onverminderd hoofdstuk II van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2013 inzake ge´ntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door industriŰle emissies hebben de emissiegrenswaarden, indien van toepassing, uit bijlage II van dit besluit desgevallend betrekking op middelgrote stookinstallaties.
§ 2. Drie jaren na de bekendmaking van onderhavig besluit in het Belgisch Staatsblad en Tot 31 december 2024 voor installaties met een nominaal thermisch vermogen van meer dan 5 MW, en tot 31 december 2029 voor installaties met een nominaal thermisch vermogen dat hoger is dan of gelijk is aan 1 MW en lager is dan of gelijk is aan 5 MW, mogen emissies in de lucht van CO- en NOx van bestaande middelgrote stookinstallaties de vastgestelde emissiegrenswaarden uit bijlage II, deel 1, tabel 3 niet overschrijden.
EÚn jaar na de bekendmaking van onderhavig besluit in het Belgisch Staatsblad mogen emissies in de lucht van CO- en NOx van bestaande middelgrote stookinstallaties de vastgestelde emissiegrenswaarden uit bijlage II, deel 1, tabel 5 niet overschrijden.
Met ingang van 1 januari 2025 mogen de emissies in de lucht van SO2, NOx, stof en CO van bestaande middelgrote stookinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van meer dan 5 MW de vastgestelde emissiegrenswaarden uit bijlage II, deel 1, tabellen 2 en 4 niet overschrijden.
Met ingang van 1 januari 2030 mogen de emissies in de lucht van SO2, NOx, stof en CO van bestaande middelgrote stookinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van 5 MW of minder niet hoger zijn dan de vastgestelde emissiegrenswaarden uit bijlage II, deel 1, tabellen 1 en 4 niet overschrijden.
§ 3. Vrijgesteld van de naleving van de emissiegrenswaarden uit bijlage II, deel 1, tabellen 4 en 5 zijn bestaande motoren op gasolie waarvan het voorziene aantal jaarlijkse bedrijfsuren lager is dan 50 uren.
Op basis van de in de milieuvergunningsaanvraag aangevoerde motivatie mogen er in de milieuvergunning voor bestaande verwarmingssystemen met minder dan 500 bedrijfsuren per jaar andere, aangepaste emissiegrenswaarden worden vastgelegd. Deze motivatie dient minimaal de volgende gegevens te bevatten: het stookrendement, de emissies, de leeftijd, het voorziene en het daadwerkelijke aantal bedrijfsuren, het gebruik...
§ 4 Met ingang van 1 januari 2030 dienen bestaande middelgrote stookinstallaties die deel uitmaken van kleine ge´soleerde systemen of microsystemen de emissiegrenswaarden na te leven die worden vermeld in bijlage II, deel 1, tabellen 1, 2, 3, 4 en 5.
§ 5. Met ingang van 20 december 2018 mogen de emissies van SO2, NOx, stof en CO van nieuwe middelgrote stookinstallaties de vastgestelde emissiegrenswaarden uit bijlage II, deel 1, tabellen 1 en 2 niet overschrijden.
§ 6. Vrijgesteld van de naleving van de emissiegrenswaarden uit bijlage II, deel 2, tabel 2 zijn nieuwe motoren op gasolie waarvan het voorziene aantal jaarlijkse bedrijfsuren lager is dan 50 uren.
§ 7. In zones of delen van zones waar niet aan de vastgestelde grenswaarden voor de luchtkwaliteit uit het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing wordt voldaan, zal het Instituut in het kader van de regionale lucht-, -klimaat- en -energieplannen uit artikelen 1.4.1 en volgende van voornoemd Wetboek beoordelen of het nodig is om voor iedere middelgrote stookinstallatie in deze zones of delen van zones strengere emissiegrenswaarden toe te passen dan die welke in dit besluit zijn vastgesteld, rekening houdend met de resultaten van de informatie-uitwisseling uit paragraaf 10 van artikel 6 van de richtlijn, mits de toepassing van dergelijke grenswaarden daadwerkelijk zou bijdragen tot een merkbare verbetering van de luchtkwaliteit.
§ 8. Volgens de formaliteiten uit artikel 64 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, en voor een periode van ten hoogste zes maanden, kan het Instituut voor middelgrote stookinstallaties die normaliter gebruik maken van laagzwavelige brandstof, een uitzondering maken op de nalevingsplicht met betrekking tot de SO2-emissiegrenswaarden uit paragrafen 2 en 5; een dergelijke uitzondering is echter alleen mogelijk wanneer de exploitant niet in de gelegenheid is om de emissiegrenswaarden na te leven vanwege onderbrekingen in de levering van de brandstof met een laag zwavelgehalte als gevolg van nijpende tekorten.
Ingeval middelgrote stookinstallaties die alleen werken op gasvormige brandstoffen uitzonderlijk moeten teruggrijpen naar andere brandstoffen vanwege een plotselinge onderbreking in de gasleveringen en deze stookinstallaties derhalve moeten worden uitgerust met een secundaire voorziening tegen verontreiniging, kan het Instituut tevens een uitzondering toestaan op de nalevingsverplichting met betrekking tot de emissiegrenswaarden uit paragrafen 2 en 5. De periode waarvoor een dergelijke uitzondering wordt toegestaan mag niet langer zijn dan tien dagen, tenzij de exploitant kan aantonen dat een langere periode gerechtvaardigd is.
In dat geval zal de gemeentelijke administratie een uitzondering toekennen middels een officieel bericht van het Instituut.
Het Instituut dient de Commissie binnen een periode van ÚÚn maand op de hoogte te stellen van iedere toegekende uitzondering overeenkomstig de drie vorige leden.
§ 9. Indien in een middelgrote stookinstallatie gelijktijdig twee of meer brandstoffen worden gebruikt, wordt de emissiegrenswaarde voor elke verontreinigende stof als volgt berekend:
a) Bepaal voor elke individuele brandstof de emissiegrenswaarde zoals bepaald in bijlage II;
b) Bepaal per brandstof de gewogen emissiegrenswaarde per brandstof die wordt verkregen door de onder punt a) bedoelde emissiegrenswaarden te vermenigvuldigen met de hoeveelheid door elke brandstof geleverde warmte, en door het resultaat van deze vermenigvuldiging te delen door de warmte geleverd door alle brandstoffen tezamen, en
c) Tel de per brandstof gewogen emissiegrenswaarden bij elkaar op.
Verplichtingen van de exploitant
Art. 7. § 1. De exploitant dient de monitoring van de emissies ten minste overeenkomstig bijlage III, deel 1 uit te voeren.
De bemonsteringen en de analyse van verontreinigende stoffen worden verricht door erkende laboratoria in het Brussel Hoofdstedelijke Gewest met toepassing van het Besluit van 23 juni 1994 betreffende de algemene voorwaarden en de procedure voor erkenning van laboratoria.
§ 2. Voor middelgrote stookinstallaties waarin meerdere brandstoffen worden gebruikt, moet de monitoring van emissies plaatsvinden tijdens het stoken van de brandstof of het brandstofmengsel dat waarschijnlijk het hoogste emissieniveau zal opleveren en gedurende een periode onder normale bedrijfsomstandigheden.
§ 3. De exploitant houdt alle monitoringresultaten op zodanige wijze bij dat kan worden gecontroleerd of de emissiegrenswaarden worden nageleefd, overeenkomstig de regels in bijlage III, deel 2.
§ 4. Voor middelgrote stookinstallaties die aanvullende emissiebeperkende apparatuur gebruiken om aan de emissiegrenswaarden te voldoen, houdt de exploitant informatie bij ten bewijze van de doeltreffende voortdurende exploitatie van die apparatuur.
§ 5. De exploitant van een middelgrote stookinstallatie bewaart het volgende:
a) de milieuvergunning en de latere versies ervan alsmede alle bijbehorende gegevens;
b) de monitoringresultaten en -informatie als bedoeld in de paragrafen 3 en 4;
c) in voorkomend geval een verslag over het aantal bedrijfsuren als bedoeld in artikel 6, paragrafen 3 en 6;
d) een overzicht van de soort en de hoeveelheid in de installatie gebruikte brandstoffen en van eventuele storingen of uitvallen van aanvullende emissiebeperkende apparatuur;
e) een overzicht van de gevallen van niet-naleving en de getroffen maatregelen, zoals bedoeld in paragraaf 7.
De in de punten b) tot en met e) van de eerste alinea bedoelde gegevens en informatie worden ten minste zes jaar lang bewaard.
§ 6. De exploitant stelt de gegevens en de informatie die vermeld worden in paragraaf 5 zonder onnodige vertraging op verzoek ter beschikking aan de bevoegde overheid. De bevoegde overheid mag een dergelijk verzoek doen om te kunnen nagaan of aan de vereisten van dit besluit is voldaan. De bevoegde overheid doet een dergelijk verzoek als een burger verzoekt om toegang tot de gegevens of informatie als vermeld in paragraaf 5
§ 7. Indien de in bijlage II vastgestelde emissiegrenswaarden niet worden nageleefd, neemt de exploitant de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die grenswaarden zo spoedig mogelijk weer worden nageleefd, onverminderd de maatregelen die zijn vereist op grond van artikel 8.
De bevoegde overheid bepaalt de regels voor het type, de frequentie en het format van de informatie betreffende gevallen van niet-naleving door de exploitanten aan de bevoegde overheid.
§ 8. Op basis van artikelen 10, 11, 12 et 21 van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid verleent de exploitant de bevoegde overheid alle noodzakelijke assistentie om haar in staat te stellen inspecties en bezoeken ter plaatse uit te voeren, monsters te nemen en de informatie te verzamelen die nodig is voor het vervullen van haar taken in het kader van dit besluit.
§ 9. De exploitant houdt de perioden voor het opstarten en stilleggen van de middelgrote stookinstallaties zo kort mogelijk.
Controle van de naleving
Art. 8. Op basis van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid, ziet de bevoegde overheid erop toe dat geldige waardes voor emissies die overeenkomstig bijlage III zijn gemonitord, de in bijlage II vermelde emissiegrenswaarden niet overschrijden.
Op basis van artikelen 21 en 23 van genoemd Wetboek zal de bevoegde overheid de exploitant in geval van inbreuken verplichten om bovenop de maatregelen in verband met artikel 7, paragraaf 7, alle maatregelen te nemen die zijn vereist om de geldende regels zonder onnodige vertraging opnieuw na te leven.
Indien de niet-naleving een aanzienlijke achteruitgang van de plaatselijke luchtkwaliteit veroorzaakt, kan de exploitatie van de middelgrote stookinstallatie opgeschort worden totdat de eisen van voornoemd artikelen 21 en 23 van bovengenoemd Wetboek weer worden nageleefd.
Wijzigingen aan middelgrote stookinstallaties
Art. 9. Overeenkomstig artikel 7bis van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen dient de exploitant de bevoegde overheid zonder onnodige vertraging op de hoogte te stellen van elke in de middelgrote stookinstallatie door te voeren geplande verandering die de toepasselijke emissiegrenswaarden zou be´nvloeden.
Desgevallend zal de bevoegde overheid in dat verband de exploitatievoorwaarden aanpassen.
Verslaggeving
Art. 10. § 1. Het Instituut brengt uiterlijk 1 oktober 2026 en 1 oktober 2031, een verslag over aan de Commissie met kwalitatieve en kwantitatieve informatie over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, over de maatregelen die zijn getroffen om te controleren of de exploitatie van middelgrote stookinstallaties voldoet aan deze richtlijn en over de eventueel in het kader daarvan getroffen handhavingsmaatregelen.
Het eerste verslag als bedoeld in de eerste alinea bevat een raming van de totale jaarlijkse emissies van SO2, NOx en stof van middelgrote stookinstallaties, ingedeeld naar installatietype, brandstoftype en capaciteitsklasse.
§ 2. Het Instituut brengt uiterlijk op 1 januari 2021 ook een verslag uit aan de Commissie met een raming van de totale jaarlijkse CO-emissies en de beschikbare informatie over de concentratie van CO-emissies uit middelgrote stookinstallaties, ingedeeld naar brandstoftype en capaciteitsklasse.
Wijziging van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen
Art. 11. De rubrieken 40 A, 40 B, 40 C, 40 D, 55 -1A, 55-1B, 55-1C, 104 A, en 104 B van de bijlage bij het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, IC, ID, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen worden vervangen zoals weergegeven in bijlage IV van dit besluit.
Inwerkingtreding
Art. 12. Dit besluit treedt in werking de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad.
De bepalingen uit het besluit zijn van toepassing op aanvragen om vergunningen of milieucertificaten waarvan de datum van overlegging aan de aanvrager later valt dan de datum van inwerkingtreding.
Voor bestaande stookinstallaties, ten laatste ÚÚn jaar na de bekendmaking van onderhavig besluit in het Belgisch Staatsblad, worden de bemonsteringen en de analyse van de verontreinigende stoffen waarvoor een emissiegrenswaarde is vastgesteld in de milieuvergunning en/of in onderhavig besluit door erkend laboratorium in de zin van artikel 7, § 1 uitgevoerd of wordt er in die zin een contract met een erkend laboratorium afgesloten.
Uitvoering
Art. 13. De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 18 januari 2018.
Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
R. VERVOORT
De Minister van Huisvesting, Levenskwaliteit, Leefmilieu en Energie,
C. FREMAULT

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld


begin

Publicatie : 2018-02-27