einde

Publicatie : 2016-06-22

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE

16 JUNI 2016. - Koninklijk besluit houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek



VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
De wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie voegt met artikel 3, artikel 32ter in het Gerechtelijk Wetboek in.
Gezien de nood aan een performante en veilige elektronische communicatie tussen de actoren van Justitie en de daartoe gecreëerde wettelijke grondslag, dient een Koninklijk Besluit te worden genomen dat de nodige garanties biedt op het vlak van de effectiviteit en vertrouwelijkheid van de gekozen informaticasystemen en waarbij de nadere regels en modaliteiten van die systemen worden omschreven.
Het ontwerp van Koninklijk Besluit dat ter goedkeuring wordt voorgelegd, betreft alzo de uitvoering en de inwerkingtreding van de principes vastgesteld in artikel 3 van de wet van 19 oktober 2015.
Gelet op de hoger beschreven wetswijziging dienen de volgende elementen via een Koninklijk Besluit geregeld te worden:
* Het informaticasysteem waarvan gebruik wordt gemaakt;
* De regels van dat informaticasysteem waarbij de vertrouwelijkheid en effectiviteit van de communicatie worden verzekerd;
Het Koninklijk Besluit dat nu aan U wordt voorgelegd, is erop gericht als basis te dienen voor de actuele en toekomstige technologieën die worden gebruikt voor de elektronische communicatie binnen Justitie.
Het voorliggend besluit houdt rekening met de adviezen van de Raad van State (adviezen 58.556/2 en 58.860/2 van 21 december 2015 en 17 februari 2016) en van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (advies nr.58/2015 van 16 december 2015).
Artikelsgewijze commentaar
Artikel 1. In het eerste artikel worden de informaticasystemen aangewezen voor de verschillende handelingen zoals voorzien in artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek.
IT-systemen evolueren snel en permanent. Dit artikel laat toe om tegemoet te komen aan de actuele technologische nood ter zake binnen Justitie met de mogelijkheid om steeds de meest geavanceerde technologie in de plaats te stellen van de gekozen systemen of er aan toe te voegen.
De eerste paragraaf wijst het informaticasysteem in de regel aan, de tweede paragraaf de uitzondering.
Een aanvulling met de technische elementen van e-Box en e-Deposit, zoals gesuggereerd door de Raad van State, lijkt niet aan de orde in dit verslag. Niet alleen is die techniek continu aan verandering onderhevig, de (technische) handleiding van die informaticasystemen zijn via de website van de FOD Justitie publiek beschikbaar zoals nu reeds voorhanden is voor de sociale zekerheid via de door de Raad van State vermelde Url (https://www.socialsecurity.be).
Wat de e-Deposit betreft, kan er reeds verwezen worden naar http://justitie.belgium.be/nl/rechterlijke_orde/e-services/e-deposit en https://e-services.just.fgov.be/edeposit/nl_BE.
Art. 2. De soorten handelingen die via het specifiek informaticasysteem dienen te gebeuren, worden aangeduid.
Op verzoek van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt ook de verantwoordelijke voor de verwerking aangeduid.
Art. 3. Dit artikel bepaalt de voorwaarden waaraan het informaticasysteem moet voldoen.
De e-Box maakt daarbij gebruik van loggingtechnieken, time-stamping, identificatie en authenticatie van de afzender en ontvanger en statusberichten aan de zijde van de afzender en ontvanger.
Ingevolge de vraag van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt verduidelijkt dat het gebruik van encryptietechnieken beschouwd wordt als omvat in de norm "de oorsprong en de integriteit van de inhoud van de zending verzekeren door middel van aangepaste beveiligingstechnieken", zonder dat die encryptietechnieken expliciet moeten worden opgenomen in de tekst van het besluit. De keuze van de de facto gebruikte encryptietechnieken is de verantwoordelijkheid van de verantwoordelijke voor de verwerking.
Algemeen zitten de vereisten van vertrouwelijkheid en beveiliging, opmerking van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, die wordt overgenomen door de Raad van State, vervat in de in artikel 3 en 7 opgesomde technieken. Uiteraard zal de techniek dat beveiligingsniveau, de iure in het besluit uiteengezet, de facto garanderen. Op aanraden van de Raad van State wordt de waarborg van de vertrouwelijkheid in beide artikelen uitdrukkelijk opgenomen.
Ter duiding met betrekking tot wat de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, na vergelijking met de authenticatie zoals omschreven voor e-Deposit afleidt, kan ook de e-Box een two-factor authenticatie kennen.
De e-Box heeft het voordeel dat er een bewijs is dat de elektronische post bij de bestemmeling is toegekomen. In die zin beantwoordt elke verzending via dit informaticasysteem aan meer dan de noodzakelijke voorwaarden van een aangetekende brief met ontvangstbewijs of gerechtsbrief. De e-Box garandeert niet dat de elektronische post effectief gelezen is, desgevallend dat deze geopend is, maar wel met de zekerheid dat deze toegekomen is.
Bij de e-Box heeft men alzo meteen de garantie dat de elektronische post is bezorgd en toegekomen en niet louter is aangeboden.
Het "loggen" binnen het informaticasysteem van het deponeren en ontvangen in de e-Box biedt de mogelijkheid om al die elementen onafhankelijk van de partijen ondubbelzinnig aan te tonen op elk gewenst ogenblik. De documenten worden daarenboven "ge-time-stamped", de integriteit van het document wordt verzekerd en het document wordt beveiligd. Daarnaast zijn er de waarborgen van het ogenblik van verzenden en toekomen en de identiteit van de afzender en bestemmeling.
Op vraag van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden wat betreft het registreren en loggen de gegevens aangeduid die daaronder vallen evenals de bewaartermijn daarvan. In navolging van de opmerking van de Raad van State rond de ontoereikendheid van de termijn, wordt in een mogelijkheid van verlenging voorzien zolang een gewoon of buitengewoon rechtsmiddel openstaat.
Tenslotte maakt de e-Box ook kenbaar indien er zich een fout in het systeem voordoet. Wat dat betreft kan verwezen worden naar artikel 5.
De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer vraagt tenslotte de zekerheid van een adequaat en strikt gebruikers- en toegangsbeheer. Het e-Box systeem voorziet daar in. Het principe wordt daarom uitdrukkelijk opgenomen in het besluit. De gedetailleerde uitwerking van dat gebruikers- en toegangsbeheer is, zoals de Commissie opmerkt, niet in het besluit aan de orde.
Daarbij zal de toegang moeten gecontroleerd worden met een identificatie en authenticatie van de gebruikers. Die authenticatie wordt, na opmerking daartoe van de Commissie, uitdrukkelijk opgenomen in het besluit.
Er kan gebruik worden gemaakt van hetzij e-ID en pincode, hetzij een controle op elektronische manier door de hoedanigheid van de gebruikers na te gaan aan de hand van een authentieke bron (bv. notarissen, advocaten, gerechtsdeurwaarders), hetzij door een gebruikers- en toegangsbeheermodule of een combinatie van de voorgaanden.
Daar waar de Commissie spreekt over "persoonlijke" e-Boxen, dient te worden verduidelijkt dat het steeds om functie-gebonden e-Boxen (advocaat, magistraat, notaris ...) gaat. Vanuit dezelfde optiek zijn er inderdaad ook e-Boxen op organisatieniveau mogelijk.
Volledigheidshalve kan nog bevestigd worden dat met de zinssnede "de oorsprong van de zending verzekeren" effectief de identiteit van de verzender bedoeld wordt.
De bezorgdheid van de Raad van State dat niet de systemen zelf een strikt en adequaat gebruikers- en toegangsbeheer of de andere garanties (art. 3 en 7) voorzien, maar die verplichting wel degelijk op de FOD Justitie als beheerder rust, in samenspraak met zij die gebruiken of toegang hebben en hun respectievelijke authentieke bronnen, kan beaamd worden en wordt expliciet in het besluit opgenomen. Dat de actoren van justitie van rechtswege over een recht van toegang tot en gebruik van de informaticasystemen van Justitie beschikken, volgt uit artikel 32ter van het Gerechtelijk wetboek zelf.
De principes van dat gebruikers- en toegangsbeheer worden in het besluit beter gepreciseerd, zoals gevraagd door de Commissie en de Raad van State.
Art. 4. In het vierde artikel worden de verschillende statusberichten opgesomd, wordt de bestemmeling van die berichten aangeduid en de bewijswaarde van de meldingen omschreven.
Met verwijzing naar de eerdere toelichting bij artikel 3 (6e alinea) en om tegemoet te komen aan de vraag van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer om de verschillende statusberichten nader toe te lichten, worden deze statussen in het besluit beperkt en hier verder uitgelegd.
Het eerder in het besluit opgenomen statusbericht "gepubliceerd" houdt in dat het bericht in de e-Box van de bestemmeling werd opgeladen, maar voor deze nog niet zichtbaar is aangezien het systeem slechts een beperkt aantal berichten toont. De berichten met status gepubliceerd, staan m.a.w. "in wacht". Dit is evenwel juridisch niet relevant. Het betreft een louter technische status van een bericht en wordt om die reden weggelaten uit het besluit.
Het statusbericht "ontvangen" wil op technisch vlak zeggen dat de bestemmeling het bericht effectief ook kan zien en in die zin evolueerde het bericht vanuit de status gepubliceerd. Zoals de Commissie terecht aanhaalt, is dit bericht juridisch wel relevant nu het de ontvangst aangeeft door de bestemmeling en als ontvangstbewijs geldt in hoofde van de afzender.
Het statusbericht voorheen omschreven als "gelezen" wil, in tegenstelling tot de gebruikte terminologie niet zeggen dat het bericht effectief gelezen werd, maar wel daadwerkelijk geopend. Voor de duidelijkheid spreken we dan ook beter van een status "geopend". De Raad van State merkt echter terecht op dat deze laatste status geen voorwaarde is voor de regelmatigheid van de verzending en deze wordt dan ook uit het besluit weggelaten. Tenslotte wordt de status "verzonden" bijkomend aan het besluit toegevoegd en een vaste datum bepaald voor de communicatie.
Alle statussen, zowel de technische als de juridisch relevante, worden gelogd.
Er wordt op vraag van de Raad van State gepreciseerd dat de datum van mededeling effectief de datum van het tijdstip van het verzenden via e-Box is (vastgelegd door middel van time-stamping).
Verder wordt er tegemoet gekomen aan de door de Raad van State aangestipte mogelijke onzekerheid m.b.t. de vaste datum van verzending en neerlegging (artikel 8) door daar de voorwaarde van de status ontvangen of neergelegd aan te koppelen. Deze voorwaarden worden geschrapt nu het effectief zo is dat in een elektronische omgeving de verzending of de neerlegging ten aanzien van de afzender geacht worden te zijn verricht op het ogenblik van die handelingen.
Het voormelde en uiteengezette statusbericht "ontvangen" bij de e-Box wordt evenzeer getime-stamped. Hoewel e-Deposit dergelijk statusbericht niet an sich genereert, wordt het tijdstip van ontvangst daar evenzeer geregistreerd. Dat is het ogenblik van ontvangst - i.e. de mogelijkheid het bericht of neergelegde stuk of conclusie ook te zien. In casu, tenzij een technische storing tussenkomt, betreft het milliseconden na de verzending of neerlegging en dus dezelfde dag. De regeling van een dubbele datum is in een elektronische omgeving dan ook niet nodig. Indien de geadresseerde echter een andere actor is dan die vermeld in artikel 32ter Gerechtelijk wetboek, bijvoorbeeld de rechtsonderhorige zelf, kan deze bijgevolg (voorlopig) niet elektronisch kennis of ontvangst nemen van bijvoorbeeld een verzoekschrift en dient de griffie hem of haar hiervan alsnog en bij toepassing van de geldende regels in kennis te stellen.
Voor de duidelijkheid wordt het ogenblik en de datum van ontvangst zowel bij e-Box als e-Deposit in het besluit zelf opgenomen.
Art. 5. Aangezien elk IT-systeem een disfunctie kan vertonen, wordt in dit artikel beschreven welk bericht dit genereert. Dit bericht moet aan de gebruikers toelaten kennis te nemen van een disfunctie - dus de niet uitvoering van de handeling - en de disfunctie aan te tonen.
De opmerking van de Raad van State wat indien er bij die melding zelf ook een disfunctioneren voordoet, wordt in de praktijk opgevangen door een disfunctie die dan vanuit de browser van de afzender zal blijken en niet vanuit e-Deposit of e-Box gegenereerd wordt én door een niet ontvangen van de verschillende mogelijke statusberichten, wat de disfunctie nogmaals bevestigt.
Art. 6. De soorten handelingen die via het specifiek informaticasysteem, in dit geval e-Deposit, dienen te gebeuren, worden aangeduid.
De Raad van State leidt uit de toelichting op de website van de FOD Justitie af dat het de bedoeling is om dit enkel in burgerlijke zaken in te voeren. Via de hoger geciteerde URL van de FOD Justitie staat te lezen dat e-Deposit (momenteel) niet van toepassing is in strafzaken, maar dit sluit niet uit dat dit in de toekomst wel zo zal zijn. In artikel 6 en ook in artikel 1, 2° wordt alvast expliciet bepaald dat e-Deposit ook in strafzaken kan gebruikt worden of zal kunnen gebruikt worden. Dat dit technisch vandaag nog niet mogelijk is, wordt juridisch gedekt door het optionele karakter van artikel 32ter Gerechtelijk wetboek. Bij een veralgemening van e-Deposit, wordt de toelichting op de website van de FOD Justitie vanzelfsprekend aangepast.
Op verzoek van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt ook de verantwoordelijke voor de verwerking aangeduid.
Het door de Raad van State aangehaalde wettelijk niet bestaan van het elektronisch gerechtelijk dossier is terecht. De conclusies en stukken worden in feite elektronisch neergelegd in een bestaande zaak die op de algemene rol is ingeschreven. Vandaag zal de griffie, tot de wetgever een elektronisch gerechtelijk dossier voorziet, de voormelde stukken en conclusies ofwel nog moeten afdrukken en bijvoegen, ofwel voor een meer pragmatische oplossing van een hybride dossier kiezen waar de elektronisch neergelegde conclusies en stukken op een afzonderlijke elektronische drager bij het bestaande papieren dossier worden gevoegd. Hetzelfde geldt voor de handelingen vermeld in artikel 1, 1°.
Art. 7. Dit artikel bepaalt de voorwaarden waaraan het informaticasysteem moet voldoen.
Het e-Deposit systeem maakt daarbij gebruik van logging technieken, time-stamping, two factor -authenticatie van de afzender en authenticatie van de ontvanger.
Ook het e-Deposit systeem zal net als het e-Box netwerk een passend beveiligingsniveau garanderen, onder meer op het vlak van de oorsprong en inhoud van de zending. Dit wordt zo door de Koning opgelegd als norm. Het gebeurlijk gebruik daartoe van encryptietechnieken wordt als zodanig niet uitdrukkelijk in het besluit opgenomen.
Op vraag van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden wat betreft het registreren en loggen de gegevens aangeduid die daaronder vallen evenals de bewaartermijn daarvan.
e-Deposit geeft evenzeer weer wanneer er zich een fout in het systeem voordoet. In artikel 9 wordt dit verder uitgewerkt.
Wat betreft het gebruikers- en toegangsbeheer kan verwezen worden naar de toelichting bij artikel 3.
Art. 8. Bij e-Deposit gaat het om een eenzijdige communicatie waarbij de afzender een bewijs van neerlegging krijgt. Verder wordt een vaste datum bepaald.
Er wordt op vraag van de Raad van State gepreciseerd dat de datum van neerlegging effectief de datum van het tijdstip van neerleggen door het opladen via e-Deposit is (vastgelegd door middel van time-stamping). Idem voor de datum van ontvangst.
Art. 9. Ook bij het e-Deposit systeem kan er zich een disfunctie voordoen. In deze bepaling wordt beschreven welk bericht daarop volgt. De gebruikers kunnen van de disfunctie of de niet-uitvoering kennis nemen en deze aantonen. (bv. in geval van een neerlegging buiten termijn)
Art. 10. Dit besluit treedt in werking, overeenkomstig de wet, de tiende dag na die van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Dat het besluit van toepassing is van zodra de informaticasystemen aan de actoren, diensten of instanties worden ter beschikking gesteld, lijkt logisch. Deze precisering geeft evenwel aan dat de uitrol van de systemen niet noodzakelijk overal tegelijk, maar evenzeer trapsgewijs kan gebeuren.
Ingevolge de opmerking van de Inspecteur van Financiën met betrekking tot de bepaling van inwerkingtreding blijkt het inderdaad opportuun de Minister van Justitie te mandateren om de trapsgewijze uitrol van de informaticasystemen verder uit te werken.
Art. 11. Artikel 11 bepaalt dat de verdere uitvoering van het voorliggend besluit is opgedragen aan de bevoegde minister.
Ik heb de eer te zijn,
Sire,
Van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
De Minister van Justitie,
K. GEENS

RAAD VAN STATE, afdeling Wetgeving, advies 58.556/2, van 21 december 2015 over een ontwerp van koninklijk besluit `houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek'
Op 25 november 2015 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Justitie verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek'.
Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 21 december 2015. De kamer was samengesteld uit Pierre LIENARDY, kamervoorzitter, Martine BAGUET en Luc DETROUX, staatsraden, Marianne DONY, assessor, en Colette GIGOT, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Xavier DELGRANGE, eerste auditeur-afdelingshoofd.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre VANDERNOOT, kamervoorzitter.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 21 december 2015.
Krachtens artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet in de adviesaanvraag de naam worden vermeld van de gemachtigde of van de ambtenaar die de minister aanwijst om de afdeling Wetgeving de dienstige toelichtingen te verschaffen. Krachtens artikel 82, tweede lid, van die wetten kan de afdeling Wetgeving, in casu het bevoegde lid van het auditoraat, de gemachtigde ambtenaar of de vertegenwoordiger van de minister vragen stellen of hem horen. Die bepalingen moeten het mogelijk maken de aanvraag met kennis van zaken en zo goed mogelijk te onderzoeken.
Het dossier dat aan de Raad van State is overgezonden bevat noch het advies van de inspecteur van Financiën noch het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Die documenten zijn opgevraagd bij de gemachtigde van de minister, die niet heeft geantwoord.
In het ontwerpbesluit worden enerzijds het "e-Box netwerk" en anderzijds het "e-Deposit systeem" vermeld als informaticasystemen. In het dossier dat aan de Raad van State is overgezonden bevindt zich geen nota aan de Regering en in het verslag aan de Koning is de juridische aard van dat netwerk en dat systeem niet toegelicht. De gemachtigde van de minister heeft ook niet geantwoord op het verzoek die informaticasystemen te omschrijven en aan te geven of die diensten in een rechtsregel worden gedefinieerd of vastgesteld.
In die omstandigheden is het niet mogelijk het ontwerp te onderzoeken, inzonderheid om te oordelen of het verenigbaar is met de regels inzake overheidsopdrachten.
Het ontwerp is bijgevolg niet in zoverre gereed dat er een met redenen omkleed advies over kan worden verstrekt, in de zin van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Er moet dan ook worden besloten tot de niet-ontvankelijkheid van de adviesaanvraag.
De Griffier
Colette GIGOTLE
De Voorzitter
Pierre LIENARDY

RAAD VAN STATE, afdeling Wetgeving, advies 58.860/2 van 17 februari 2016 over een ontwerp van koninklijk besluit `houdende elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek'
Op 25 januari 2016 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Justitie verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `houdende elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek'.
Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 17 februari 2016. De kamer was samengesteld uit Pierre VANDERNOOT, kamervoorzitter, Luc DETROUX en Wanda VOGEL, staatsraden, Sébastien VAN DROOGHENBROECK en Jacques ENGLEBERT, assessoren, en Bernadette VIGNERON, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Xavier DELGRANGE, eerste auditeur-afdelingshoofd.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre VANDERNOOT.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 17 februari 2016.
ALGEMENE OPMERKINGEN
I. Strekking van het ontwerp
1.1. De ontworpen tekst strekt ertoe het "informaticasysteem van Justitie" aan te wijzen waarvan sprake is in artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 oktober 2015 `houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie', en "de nadere regels van dat informaticasysteem" te bepalen.
Artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt:
"Elke kennisgeving of mededeling aan of neerlegging bij de hoven of rechtbanken, het openbaar ministerie of diensten die afhangen van de rechterlijke macht, met inbegrip van de griffies en parketsecretariaten, of elke kennisgeving of mededeling aan een advocaat, een gerechtsdeurwaarder of een notaris, door de hoven of rechtbanken, het openbaar ministerie of diensten die afhangen van de rechterlijke macht, met inbegrip van de griffies en parketsecretariaten, of door een advocaat, een gerechtsdeurwaarder of een notaris, kan gebeuren door middel van het informaticasysteem van Justitie dat door de Koning wordt aangewezen.
De Koning bepaalt de nadere regels van dat informaticasysteem, waarbij de vertrouwelijkheid en effectiviteit van de communicatie worden verzekerd.
Het gebruik van het voormelde informaticasysteem kan door de Koning aan de instanties, diensten of actoren vermeld in het eerste lid of sommigen onder hen worden opgelegd."
1.2. Luidens artikel 1 van het ontwerp wordt het "e-Box netwerk" aangewezen "voor de kennisgevingen of mededelingen en de neerleggingen", met uitzondering van de "neerlegging van conclusies en stukken", waarvoor het "e-Deposit systeem" aangewezen wordt.
Artikel 2 bevat de volgende algemene regel:
"Alle communicatie tussen de afzender en de bestemmeling zoals bepaald in artikel 1 § 1 (lees: artikel 1, 1°, (1)) gebeurt via het netwerk van beveiligde e-Boxen (...)".
Omgekeerd bepaalt artikel 6 van het ontwerp dat conclusies en stukken via het e-Depositsysteem kunnen worden neergelegd.
II. Noodzakelijke preciseringen in verband met de eventuele tenuitvoerlegging van de machtiging bepaald in artikel 32ter, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek
2. Artikel 2, eerste lid, is aldus gesteld dat daarbij verplicht wordt het e-Boxnetwerk te gebruiken.
De Koning is bij artikel 32ter, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek inderdaad gemachtigd om aan de "instanties, diensten of actoren" vermeld in het eerste lid van die wetsbepaling op te leggen gebruik te maken van het informaticasysteem dat Hij aanwijst.
De steller van het ontwerp wordt evenwel verzocht opnieuw na te gaan of zulks wel zijn bedoeling is, wat weinig waarschijnlijk is, en in overeenstemming daarmee artikel 2, eerste lid, van het ontwerp opnieuw formuleren, bijvoorbeeld door het woord "gebeurt" te vervangen door de woorden "kan geschieden". In dat laatste geval moet ook het eerste lid van de aanhef worden herzien opdat daar alleen artikel 32ter, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt vermeld.
III. Reglementaire status van het "e-Box netwerk" en van het "e-Deposit systeem"
3. Artikel 1 van het ontwerp houdt alleen de aanwijzing in van een "netwerk" en een "systeem" die reeds in feite bestaan, maar daarbij wordt niet overgegaan tot de eigenlijke juridische totstandbrenging van dat netwerk en dat systeem.
Volgens de inlichtingen die de gemachtigde van de minister heeft verstrekt, worden dat "netwerk" en dat "systeem" niet in een andere regelgeving gedefinieerd en zou het niet mogelijk zijn ze in het voorliggende ontwerp nader te omschrijven:
"het is niet gebruikelijk om informaticasystemen op zich te definiëren in een klassieke definitie. De handelingen die daarentegen via het e-Box netwerk en e-Deposit systeem zullen gebeuren, worden wel omschreven in het koninklijk besluit".
Hoewel het inderdaad niet nodig is om het in het vooruitzichtgestelde informaticanetwerk en -systeem in detail te beschrijven, neemt zulks niet weg dat in het dispositief overgegaan zou moeten worden tot de eigenlijke normatieve totstandbrenging van dat "netwerk" en dat "systeem" zodat daaraan een reglementair bestaan wordt gegeven op basis van de machtiging die dienaangaande bij artikel 32ter, eerste lid, in fine, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Koning is verleend. Hiervoor volstaat het niet louter te verwijzen naar bestaande technische procedés, en zulks geldt des te meer daar het, althans wat het "e-Box netwerk" betreft, lijkt te gaan om een technische voorziening die van algemene aard is en die in andere wetgevende of regelgevende contexten wordt gebruikt.
Het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer meldt hierover het volgende:
"De bestaande eBox-technologie, initieel ontwikkeld voor de sociale zekerheid, werd aangepast met het oog op een veralgemeend gebruik (enkel ontvangen van berichten verzonden door de overheid) door alle Belgische burgers en ondernemingen. Online opslag en toegangscontrole met de elektronische identiteitskaart (voor burgers) zorgen voor een gegarandeerde, vertrouwelijke ontvangst bij de juiste bestemmeling. De eBox kan worden ingezet door alle overheidsdiensten die dat wensen.
Zie o.a. op
https://www.socialsecurity.be/nl/citizen/static/infos/ebox/transit.htm (burgers) en
https://www.socialsecurity.be/site_nl/general/helpcentre/ebox/ transit.htm (ondernemingen).
De dienst eHealthBox heeft tot doel voor alle actoren in de gezondheidszorg een elektronische en beveiligde brievenbus beschikbaar te stellen die toelaat om berichten te verzenden en te lezen.
Zie o.a. op https://www.ehealth.fgov.be/nl/support/ basisdiensten/beveiligde-elektronische-brievenbus-ehbox". (2)
Overigens zou het een goede zaak zijn als het netwerk dat men tot stand aan het brengen is, dat dus de "e-Box"-technologie zou gebruiken, een benaming zou krijgen die specifiek geldt voor de toepassing die het ontwerp beoogt. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer stelt in dat verband de naam "eJustbox" voor. (3)
Voorts zou het verslag aan de Koning op nuttige wijze kunnen worden aangevuld met een uiteenzetting van de belangrijkste technische elementen die het "netwerk" en het "systeem" vormen die door het ontwerp tot stand worden gebracht.
IV. De omstandigheid dat het "elektronisch gerechtelijk dossier" wettelijk gezien niet bestaat
4.1. In artikel 2 van het ontwerp wordt bepaald dat de e-Boxen door de federale overheidsdienst Justitie ter beschikking van de gebruikers worden gesteld. Uit het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer over een vorige versie van het ontwerp blijkt dat het in feite gaat om
"een systeem van beveiligde elektronische brievenbussen voor bi-directionele en geadresseerde communicatie - ter beschikking gesteld door de FOD Justitie - waarin de titularis van de eBox berichten kan ontvangen en van waaruit hij berichten kan verzenden". (4)
Voorts vloeit uit artikel 1, § 2 (lees: 2° ), (5) juncto artikel 6 van het ontwerp voort dat door middel van het "e-Deposit systeem"
"conclusies en overtuigingsstukken kunnen worden neergelegd (=opgeladen) in een dossier dat aanhangig is bij een gerecht. Het betreft hier een vorm van niet-geadresseerde en uni-directionele communicatie. Het is dus een dossier-gebonden toepassing op niveau van een bepaalde zaak. Volgens verstrekte informatie is dit systeem op het niveau van de hoven van beroep in burgerlijke zaken al enige tijd operationeel". (6)
Uit artikel 6 van het ontwerp volgt dat het gebruik van het e-Depositsysteem noodzakelijkerwijs impliceert dat er op de griffies van de justitiële gerechten een "elektronisch dossier" bestaat. Luidens artikel 6 kunnen de advocaten hun conclusies en hun stukken immers "in een bestaand dossier [neerleggen] door deze op te laden via het beveiligde e-Deposit systeem". (7) Bij de huidige stand van het gerechtelijk recht bestaat er echter nog geen "elektronisch gerechtelijk dossier" bij de griffies van de hoven en rechtbanken.
De wetten waarbij het informatiesysteem "Phenix" ingevoerd is, voorzagen reeds in een dergelijk dossier. Maar in de artikelsgewijze bespreking van het ontwerp dat ontstaan heeft gegeven aan de wet van 19 oktober 2015 `houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie' heeft de minister van Justitie het volgende gesteld als antwoord op een opmerking in advies 57.529/2-3 van de Raad van State van 11 juni 2015:
"Terecht merkt de Raad van State ook op dat het gewijzigd artikel in conflict zou kunnen komen met bepalingen van de zogenaamde `Phenixwetten' die nog niet in werking zijn getreden. Deze mogelijke conflictsituaties zullen echter voor zoveel als nodig weggewerkt worden door een wetgevend initiatief, alvorens die bepalingen van de Phenixwetten in werking treden." (8)
In het voornoemde advies 57.529/2-3 had de afdeling Wetgeving van de Raad van State overigens reeds geconstateerd, zonder daarin te worden tegengesproken, dat
"[u]it de bespreking van het ontworpen artikel 32ter kan worden opgemaakt dat de bepalingen van de Phenixwetten II en III die precies op de elektronische procedure betrekking hebben nooit in werking zullen treden, aangezien een ander project voor de informatisering van Justitie in het vooruitzicht wordt gesteld (volgens de bespreking van het artikel is dat thans het eBox-systeem of elk ander efficiënter systeem dat in de toekomst beschikbaar zal zijn)". (9)
4.2. In die omstandigheden lijkt het ontwerpbesluit dat om advies aan de Raad van State is voorgelegd, te vroeg te komen, aangezien het vereist dat eerst een "elektronisch gerechtelijk dossier" in het leven wordt geroepen vooraleer de procedures die bij het ontwerp worden ingesteld, daadwerkelijk ten uitvoer kunnen worden gelegd. Het huidige gerechtelijk dossier waarvan in de artikelen 720 en 721 van het Gerechtelijk Wetboek sprake is, is een fysiek dossier dat door de griffie voor elke nieuwe zaak wordt aangelegd en waarin de "papieren" versie van de documenten vermeld in artikel 721 worden geklasseerd. Het is voor een rechtzoekende materieel onmogelijk om via zijn advocaat een conclusie of stukken in digitale vorm in dat "papieren" dossier "neer te leggen" door middel van het "e-Deposit systeem". (10)
Zo ook wordt in artikel 725 van het Gerechtelijk Wetboek bepaald dat "[i]edere partij (...) zich een eensluidend verklaard afschrift van de stukken [kan] doen afgeven door de griffier die het dossier onder zich heeft". Bij de huidige stand van het recht kan het dossier dat in deze bepaling wordt bedoeld, alleen het "papieren" dossier zijn waarvan in artikel 720 van hetzelfde Wetboek sprake is.
De wetgever dient het digitaal gerechtelijk dossier in te voeren voordat in het besluit, over het ontwerp waarvan het voorliggende advies wordt gegeven, kan worden bepaald dat elektronische conclusies of stukken kunnen worden neergelegd "in een bestaand dossier", dat tot nog toe geen enkel wettelijk bestaan heeft.
Die noodzaak is des te dwingender daar de neerlegging, in het "dossier van de rechtspleging", van conclusies of van stukken belangrijke gevolgen kan hebben voor de procedure.(11) Bijgevolg moet men het tijdstip van die neerlegging nauwkeurig kunnen bepalen en moet voorts elke partij in de procedure te allen tijde toegang kunnen hebben tot het dossier van de rechtspleging, in het bijzonder om de regelmatigheid van die rechtspleging te kunnen nagaan. Aangezien het elektronisch dossier momenteel geen enkel wettelijk bestaan heeft, kunnen de nadere regels volgens welke de partijen toegang hebben tot het elektronisch dossier, maar moeilijk in de ontworpen tekst worden vastgelegd.
4.3. De zaken zouden anders liggen in de interpretatie volgens welke de griffie tot taak zou hebben om na de elektronische indiening van conclusies of stukken via het "e-Deposit systeem" de digitale documenten die een partij (via haar advocaat) heeft overgezonden in "papieren" documenten om te zetten (door ze af te drukken) en ze vervolgens toe te voegen aan het (papieren) dossier van de rechtspleging waarin de artikelen 720 en 721 van het Gerechtelijk Wetboek voorzien.
Indien het systeem dat bij het ontwerp wordt opgezet werkelijk een dergelijke strekking heeft, moet de steller van het ontwerp dat uitdrukkelijk vermelden en moeten enkele bepalingen van het ontwerp (inzonderheid artikel 6) aldus worden gewijzigd dat ze die bedoeling beter weergeven. In dat geval moet ook worden gepreciseerd dat de datum van de neerlegging of van de mededeling wel degelijk de datum is waarop de elektronische mededeling is verzonden en niet de datum waarop de griffie de papieren versie ervan heeft afgedrukt.
4.4. Dezelfde vragen rijzen mutatis mutandis in verband met de elektronische mededelingen van de handelingen vermeld in artikel 1, § 1 (lees: 1° ), (12) van het ontwerp. Wat moet de griffie waaraan dergelijke handelingen elektronisch worden meegedeeld, volgens de steller van het ontwerp daarmee doen zodra ze die ontvangt? Moet ze die handelingen afdrukken en bij het "papieren" dossier voegen of mag ze die, na een procedurele behandeling ad hoc, op haar beurt "opladen" in het "bestaand [elektronisch] dossier" waarvan in artikel 6 van het ontwerp sprake is ? (13)
V. Coördinatie tussen de verschillende informaticasystemen ingevoerd in het kader van de informatisering van de procedure
5. Het op 18 januari 2016 ingediende wetsontwerp `houdende internering en diverse bepalingen inzake justitie' ("Potpourri III" genoemd) (14) strekt er onder meer toe de procedure van elektronische betekening in te voegen in het Gerechtelijk Wetboek. Die elektronische betekening zal verlopen via een informaticasysteem waarbij gebruik wordt gemaakt van de "gerechtelijke elektronische adressen" en van de "adressen van elektronische woonstkeuze" en dat door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders zal worden beheerd.
Het zou goed zijn als bij de informatisering van de gerechtelijke procedure een overzicht zou worden gegeven van de ingevoerde systemen.
In dat verband zou moeten worden nagegaan of het informaticasysteem dat aangewezen wordt voor de mededeling en de kennisgeving van akten tussen de rechtbanken, het openbaar ministerie en de diensten die onder de rechterlijke macht ressorteren, enerzijds, en de advocaten, gerechtsdeurwaarders en notarissen, anderzijds, via het "e-Box netwerk" en het "e-Deposit systeem" niet kan worden afgestemd op het systeem dat men voornemens is in te voeren voor de elektronische betekeningen, via het netwerk van "gerechtelijke elektronische adressen" en van "adressen van elektronische woonstkeuze". Als er veel onderscheiden elektronische-communicatiesystemen op justitieel gebied komen, kan dat immers aanleiding geven tot vergissingen en verwarring.
VI. Gebruikersbeheer en recht van toegang tot het "informaticasysteem van Justitie"
6.1. In de artikelen 3 en 7 van het ontwerp wordt bepaald dat het "e-Box netwerk" en het "e-Deposit systeem" gebruikmaken van informatietechnieken die :
-de oorsprong en de integriteit van de inhoud van de zending verzekeren door middel van aangepaste beveiligingstechnieken;
- toelaten dat de afzender en bestemmeling ondubbelzinnig kan worden geïdentificeerd en geauthenticeerd en dat het tijdstip van de verzending en ontvangst ondubbelzinnig kan worden vastgesteld;
- er voor zorgen dat de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de verzending en van de afgifte of van de aflevering van de zending aan de bestemmeling;
- registreren of loggen van de volgende gegevens : "de identiteit van de afzender en bestemmeling, de statussen, het tijdstip van verzenden, ontvangen en openen en het uniek nummer toegekend aan het bericht" (voor e-Box); "hij of zij die neerlegt of voor wie de gemandateerde neerlegt, de gemandateerde, het neergelegde stuk of de neergelegde conclusie, het tijdstip van neerleggen, het dossier waarin neergelegd wordt en het bevoegde gerecht, het uniek nummer toegekend aan het neergelegde stuk of de neergelegde conclusie" (voor e-Deposit) (in beide gevallen bedraagt de bewaartermijn van die gegevens dertig jaar);
- systeemfouten melden.
Ten slotte wordt er in beide voornoemde bepalingen op gewezen dat zowel het "e-Box netwerk" als het "e-Deposit systeem" voorzien in "een strikt en adequaat gebruikers- en toegangsbeheer".
6.2. De tekst zou aldus moeten worden herzien dat hij zich aandient als een opsomming van de verplichtingen die rusten op de FOD Justitie, die aangewezen wordt als verantwoordelijke voor de verwerking van de in beide "netwerken" of "systemen" verzamelde gegevens en niet als een loutere vaststelling van een stand van zaken, van welke vaststelling in dit stadium overigens niet kan worden bevestigd of ze met de werkelijkheid overeenstemt.
6.3. Uit artikel 32ter, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de Koning het gebruik van het "e-Box netwerk" en van het "e-Deposit systeem" verplicht kan stellen inzonderheid voor de gereglementeerde beroepen vermeld in artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek. (15) Als de Koning uitvoering geeft aan die machtiging, zullen de advocaten, in het kader van de procedures die zij voor hun cliënten voeren, voor de mededelingen en neerleggingen die zij dienen te verrichten hetzij op de griffies, hetzij onder elkaar noodzakelijkerwijze moeten gebruikmaken van het "informaticasysteem van Justitie" (e-Boxnetwerk en e-Depositsysteem). Die handelingen kunnen van wezenlijk belang zijn voor een goede afwikkeling van de genoemde procedures.
6.4. In die omstandigheden kan niet aanvaard worden dat het beheer van de gebruikers en van de toegangen tot die informaticaystemen tot de bevoegdheid van de informaticaystemen zelf behoort, - terwijl niet kan worden bepaald wie werkelijk zorgt voor het beheer van en het toezicht op die systemen - en zelfs niet dat enige beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten aan de administratie om de hoedanigheid van gebruiker of de toegang tot het informaticasysteem te verlenen of te ontnemen aan de "instanties, diensten en actoren" van Justitie.
Een ondeugdelijk beheer van de gebruikers of het ongegrond weigeren of ontnemen van de toegang zou immers rechtstreeks nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wijze waarop die "instanties, diensten en actoren" hun functie of beroep uitoefenen. Als bijvoorbeeld een advocaat geen toegang zou hebben of geen toegang meer zou hebben tot het voornoemde "informaticasysteem van Justitie", zou hij inderdaad niet meer in staat zijn om zijn beroep uit te oefenen.
6.5. In plaats van te bepalen dat "[de systemen] voorzie[n] in een strikt en adequaat gebruikers- en toegangsbeheer" zou in de tekst van het ontwerp inzonderheid moeten worden bepaald dat alle advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders van rechtswege beschikken over het recht van toegang tot en gebruik van het "informaticasysteem van Justitie" (e-Boxnetwerk en e-Depositsysteem) en dat de FOD Justitie ermee belast wordt hen die toegang te waarborgen. De toegang hangt immers rechtstreeks samen met de erkenning van de titel van advocaat, notaris of gerechtsdeurwaarder door elke betrokken overheid.
Aan het voorstel van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer om de noodzakelijkheid om te "voorzie[n] in een adequaat en strikt gebruikers- en toegangsbeheer" tot uiting te laten komen door het opnemen van de principes die de verantwoordelijke voor de verwerking bij het beheer van het netwerk en het systeem in acht moet nemen, zou gevolg moeten worden gegeven rekening houdend met hetgeen voorafgaat (16).
VII. Toepassingsgebied van het ontwerp
7. Uit de toelichtingen die de FOD Justitie op zijn website geeft, blijkt dat in de huidige stand van het systeem "enkel conclusies en stukkenbundels in burgerlijke zaken aangenomen [worden]".
Die beperking van het toepassingsgebied van de ingevoerde rechtsregels kan noch uit het voorliggende ontwerpbesluit, noch uit de tekst van artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek worden afgeleid.
Om elke rechtsonzekerheid te voorkomen zou het nuttig zijn dat in de tekst van het ontwerp te vermelden.
VIII. Waarborging van het recht op eerbiediging van het privéleven
8. Verscheidene van de hiervoor geformuleerde algemene opmerkingen en van de bijzondere opmerkingen die hierna volgen, hebben inzonderheid betrekking op de waarborgen die het ontwerp moet bieden om ervoor te zorgen dat het privéleven geëerbiedigd wordt, welk recht inzonderheid verankerd is in artikel 22 van de Grondwet en in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Daarnaast moet worden opgemerkt dat de Raad van State niet kan nagaan of het evenredigheidsbeginsel dat inherent is aan dat recht, in casu in acht genomen is, doordat in de tekst niet nader wordt toegelicht welke gegevens zullen worden geregistreerd via het "e-Box netwerk" of via het "e-Deposit systeem". (17)
Dezelfde vraag rijst in verband met de beveiliging van het netwerk en van het systeem die in het vooruitzicht worden gesteld. (18)
Het ontwerp zou op die punten moeten worden aangevuld.
Er wordt eveneens verwezen naar opmerking 24 van het voornoemde advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
9. Onder voorbehoud van de voorgaande belangrijke opmerkingen worden de volgende bijzondere opmerkingen geformuleerd.
BIJZONDERE OPMERKINGEN
Voorafgaande vormvereisten
De akkoordbevinding van de minister van Begroting bevindt zich niet in het aan de Raad van State bezorgde dossier.
De steller van het ontwerp moet erop toezien dat dit vormvereiste wordt vervuld.
Aanhef
1. Het eerste lid van de aanhef moet worden geredigeerd als volgt :
"Gelet op het Gerechtelijk Wetboek, artikel 32ter, eerste en tweede lid, ingevoegd bij de wet van 19 oktober 2015;". (19)
2. Aangezien om advies wordt verzocht binnen een termijn van dertig dagen, dient in het vijfde lid van de aanhef te worden vermeld dat het advies van de Raad van State wordt gegeven met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Dispositief
Artikel 1
1. In zijn advies 58.556/2, gegeven op 21 december 2015 over een eerste ontwerp van koninklijk besluit `houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek', heeft de Raad van State vastgesteld dat "[i]n het ontwerpbesluit [...] enerzijds het "e-Box netwerk" en anderzijds het "e-Deposit systeem" [worden] vermeld als informaticasystemen. In het dossier dat aan de Raad van State is overgezonden bevindt zich geen nota aan de Regering en in het verslag aan de Koning is de juridische aard van dat netwerk en dat systeem niet toegelicht. De gemachtigde van de minister heeft ook niet geantwoord op het verzoek die informaticasystemen te omschrijven en aan te geven of die diensten in een rechtsregel worden gedefinieerd of vastgesteld".
2. In de bespreking van artikel 3 van het wetsontwerp dat ontstaan gegeven heeft aan de wet van 19 oktober 2015 `houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie', waarbij in het Gerechtelijk Wetboek een artikel 32ter is ingevoegd, heeft de minister van Justitie de volgende uiteenzetting gegeven :
"[...] Naast een werklast- en kostenverlaging, bestaat er binnen Justitie ook de nood aan een snelle en veilige elektronische communicatie.
Tot op vandaag ontbreekt het juridisch kader en de technische oplossing om deze elektronische communicatie tussen de actoren van Justitie mogelijk te maken. Met dit artikel wordt de juridische basis gecreëerd om die elektronische communicatie juridisch mogelijk te maken.
Het gebruik van loutere e-mailapplicaties is geen afdoende oplossing, omdat het geen oplossing biedt voor de authenticatie van de verzenders en ontvangers van de e-mail bij de juridische actoren. Er is nood aan een eenduidig elektronisch adres waarop een ontvanger of geadresseerde geacht wordt zijn mededeling, kennisgeving of neerlegging te ontvangen alsook een garantie omtrent de identiteit van de verzender.
Justitie heeft tot op heden geen informaticasysteem (IT) dat de kennisgevingen, neerleggingen of mededelingen tussen haar eigen actoren organiseert. Aangezien de federale overheid over een informaticasysteem beschikt, dat aan de gestelde dringende noden voldoet, kan op relatief korte termijn de nood aan een elektronisch communicatieplatform tussen de professionals binnen Justitie opvangen [...] worden.
IT-systemen wijzigen permanent. Vandaar de generieke verwijzing in de wet naar het "informaticasysteem van Justitie" waarbij de Koning kan inspelen op wat morgen voorhanden zal zijn inzake informatica-oplossingen.
Zoals hoger vermeld evolueren IT-systemen. De keuze vandaag binnen Justitie voor de eBox die ook door de Fod Sociale zaken wordt gebruikt, houdt geen voorafname in dat andere overheidsdiensten in de toekomst ook met deze technologie zullen moeten werken of dat er binnen Justitie niet kan overgestapt worden naar een meer performant systeem van zodra dit beschikbaar is. Integendeel, van zodra er een IT-platform beschikbaar en operationeel is, dat minstens dezelfde functionaliteiten biedt, aan gunstiger voorwaarden gebruikt kan worden en het standaardplatvorm van de federale overheid zal worden, zal de overschakeling gerealiseerd worden, weg van de nu gekozen technologie naar dat nieuwe federale standaardplatvorm. Ondertussen worden met de introductie van het huidige e-box platform de aanzienlijke besparingen gerealiseerd en wordt eindelijk voor alle actoren van Justitie de mogelijkheid geboden om de weg van de elektronische communicatie in te slaan en zijn voordelen te genieten.
De actoren van Justitie, in het bijzonder de gerechtelijke instanties, inclusief het Openbaar Ministerie, de griffies en de parketsecretariaten, de advocaten, de gerechtsdeurwaarders en de notarissen in hun communicatie in het kader van de rechtsgang die voortaan via een elektronische postbus in de plaats van de klassieke fysieke postbus met elkaar communiceren, is een haalbare kaart. De kost-, tijds- en efficiëntiewinst liggen daarbij voor de hand.
[...]
De Raad van State merkt terecht op dat het nieuwe artikel geen wettelijke basis creëert voor een volledige elektronische procedure, maar slechts voor de elektronische communicatie tussen de genoemde actoren . Dit laatste was ook de enige bedoeling van de voorgestelde aanpassing. Aangezien het enkel gaat om een elektronisch communicatieplatform voor de professionele actoren, en de mogelijkheid het gebruik daarvan verplicht te maken, is uiteraard de burger niet mee opgenomen in het artikel." (20)
3. Zoals de minister van Justitie destijds te kennen heeft gegeven "beschikt de federale overheid [al] over een informaticasysteem (...), dat aan de gestelde dringende noden voldoet" (het gaat meer bepaald om het e-Boxnetwerk), waardoor het niet meer nodig lijkt na te gaan of het ontwerp in overeenstemming is met de regels inzake overheidsopdrachten, maar dat neemt niet weg dat het niet mogelijk lijkt duidelijk aan te geven op welke rechtsgrond de informaticasystemen e-Box en e-Deposit gestoeld zijn.
Dienaangaande wordt verwezen naar algemene opmerking 3.
4. Aansluitend op die opmerking behoort het volgende te worden opgemerkt.
5. Door middel van een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 32ter, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dient in de tekst in de eerste plaats te worden verduidelijkt dat het "e-Box netwerk" en het "e-Deposit systeem" tot stand worden gebracht als de "informaticasystemen van Justitie" waarvan in die bepaling sprake is.
6. Vervolgens moet worden gepreciseerd voor welke elektronische communicaties het "e-Box netwerk", "zoals beschreven in de artikelen 2 tot 5" van het ontwerpbesluit bedoeld is. Voorts dient op dezelfde wijze tewerk te worden gegaan voor het e-Depositsysteem, waarbij naar de artikelen 6 tot 9 van het ontwerpbesluit moet worden verwezen.
Aldus zou artikel 1 er uitzien als een inleiding op het vervolg van het ontwerp.
Aangezien de in het ontwerp gebruikte termen niet worden gedefinieerd, kan op grond van de voorliggende bepaling immers niet worden uitgemaakt wat dient te worden "neergelegd" via het "e-Box netwerk" en wat moet worden "neergelegd" via het "e-Depositsysteem".
7. Bovendien zou het begrip "conclusies" moeten worden verduidelijkt, inzonderheid wat de vraag betreft of de steller van het ontwerp, door specifiek die term te gebruiken, onder andere de "memories" die kunnen worden ingediend in het kader van de cassatieprocedure wil uitsluiten van het e-Depositsysteem. (21) Als dat het geval is, zou de steller van het ontwerp in staat moeten zijn om dat verschil in behandeling te verantwoorden.
Zo ook dient het begrip "stukken", vermeld in paragraaf 2 (lees : 2° (22) van de ontworpen bepaling te worden verduidelijkt. Het begrip "stukken" kan immers op welk document dan ook slaan, zodat niet duidelijk is wat dan wel zou kunnen worden "neergelegd" via het e-Boxsysteem. Ingeval het gaat om de stukken die door elke partij worden overgelegd met betrekking tot hun respectieve dossier, dient dit te worden verduidelijkt door te verwijzen naar de artikelen 736 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
Artikel 2
Terwijl in artikel 1, § 1 (lees : 1° (23) met betrekking tot het "e-Box netwerk" in de Franse tekst van het ontwerp gewag wordt gemaakt van "notifications", "communications" en "dépôts", met uitsluiting van de neerlegging van conclusies en stukken, wordt in artikel 2 alleen nog gewag gemaakt van "communication", wat niet verantwoord is tenzij de term "communicatie" in die bepaling zou moeten worden begrepen als betrekking hebbend op de "communicatie op elektronische wijze" (inleidende zin van artikel 1) van een processtuk in het algemeen, ongeacht de handeling die werkelijk bij deze communicatiewijze betrokken is [de drie soorten handelingen vermeld in artikel 1, § 1 (lees : 1 (24)].
Indien voor die uitlegging moet worden gekozen - wat lijkt te worden bevestigd door de Nederlandse tekst van het ontwerp, waarin in artikel 1, § 1, (lees : 1 (25) de term "mededelingen" en in artikel 2, eerste lid, de term "communicatie" wordt gebruikt - zou moeten worden geopteerd voor een nieuwe terminologie in artikel 2, eerste lid, van de Franse tekst van het ontwerp om elke verwarring te voorkomen tussen de elektronische communicatie bedoeld in deze bepaling en de mededeling tussen, bijvoorbeeld, een advocaat en de griffie waarvan sprake is in artikel 1, § 1 (lees : 1 (26). (27)
Dezelfde opmerking geldt voor artikel 4, vierde lid, van het ontwerp.
Artikelen 3 en 7
1. In de ontworpen tekst wordt niet uiteengezet hoe de vertrouwelijkheid gewaarborgd zal worden van de inhoud van bepaalde mededelingen, bepaalde conclusies of bepaalde stukken die neergelegd kunnen worden in het kader van een procedure (28), inzonderheid ten aanzien van de personen die belast zijn met het beheer van de informaticasystemen waarop het ontworpen besluit betrekking heeft, of met het gebruik van de encryptietechnieken waarvan sprake is in het verslag aan de Koning.
Dat geldt eveneens voor het beroepsgeheim van de advocaat waaronder alle of bepaalde gegevens van een mededeling via het e-Boxnetwerk zouden kunnen vallen.
In dat verband, heeft de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in haar voornoemde advies nr. 58/2015 over het voorontwerp het volgende benadrukt :
"Artikel 3 van het ontwerp somt op algemene wijze de informaticatechnieken op die het eBox netwerk zal gebruiken met het oog op onder meer het realiseren van de door artikel 16 WVP opgelegde vereisten qua vertrouwelijkheid en beveiliging. Op basis van de handleiding van de eBox die aan de Commissie werd bezorgd (...), kan zij echter moeilijk beoordelen of het door de FOD Justitie geconcipieerde netwerk een passend beveiligingsniveau zal verzekeren rekening houdend met de stand van de techniek enerzijds en de gevoeligheid van de betreffende gegevens anderzijds." (punt 15)
De vertrouwelijkheid van de inhoud van de documenten die via e-Box meegedeeld worden of via e-Deposit neergelegd worden, moet bijgevolg uitdrukkelijk gewaarborgd worden door in de artikelen 3 en 7 van het ontwerp een specifiek streepje toe te voegen.
2. De uitdrukking "de oorsprong van de zending verzekeren" die gebruikt wordt in artikel 3, eerste lid, eerste streepje, en artikel 7, eerste lid, eerste streepje, is niet helemaal duidelijk.
Indien het, zoals de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer veronderstelt (29), gaat om de identiteit van degene die het document verzonden heeft, dan zou dit als zodanig in de tekst aangegeven moeten worden.
3. In artikel 3, eerste lid, derde streepje, van het ontwerp is de strekking van de woorden "in voorkomend geval op zijn verzoek" onduidelijk.
Er dient verduidelijkt te worden of de afzender ambtshalve "een bewijs ontvangt van de verzending en van de afgifte of van de aflevering van de zending aan de bestemmeling", dan wel of hij een dergelijk bewijs alleen ontvangt op zijn verzoek.
Dezelfde opmerking geldt voor artikel 7, eerste lid, derde streepje.
4. Artikel 3, eerste lid, vierde streepje, en artikel 7, eerste lid, vierde streepje, bepalen dat de erin opgesomde gegevens bewaard moeten worden gedurende een termijn van dertig jaar.
Gelet op de aard van de gegevens, die nodig kunnen zijn om de geldigheid van een procedure te beoordelen, blijkt die termijn van dertig jaar ontoereikend daar bepaalde beroepen ingesteld kunnen worden binnen die termijn van dertig jaar te rekenen van de uitspraak van de beslissing. Zo wordt in artikel 1128, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaald dat derdenverzet verjaart door verloop van dertig jaar wanneer de beslissing niet betekend is aan de derde die verzet wil doen. In het kader van een dergelijk beroep zou een betwisting betrekking kunnen hebben op de geldigheid van de procedure die eerder gevolgd is zodat de computergegevens met betrekking tot de procedurestukken in dat geval geverifieerd moeten kunnen worden.
Die gegevens moeten dus op zijn minst bewaard worden zolang nog een gewoon of een buitengewoon rechtsmiddel openstaat tegen de beslissing die gewezen is na afloop van de procedure tijdens welke die handelingen gesteld zijn. Indien inderdaad beroep ingesteld wordt, zou de termijn van dertig jaar die tijdens de beroepsprocedure verjaart, verlengd moeten worden tot het tijdstip waarop deze procedure afloopt.
5. In artikel 3, eerste lid, vierde streepje, eerste zin, wordt gewag gemaakt van een niet nader gepreciseerd "bericht". Er wordt aangenomen dat het gaat om een document waarin melding wordt gemaakt van de gegevens die in dezelfde zin worden opgesomd, te weten "de identiteit van de afzender en bestemmeling, de statussen, het tijdstip van verzenden, ontvangen en openen en het uniek nummer toegekend aan het bericht."
De tekst zou kunnen worden verduidelijkt door de woorden "registreren of loggen van de volgende gegevens :" te vervangen door de woorden "de volgende gegevens registreren of loggen in een bericht :", indien zulks de bedoeling van de steller van het ontwerp is.
Dezelfde opmerking geldt voor artikel 7, eerste lid, vierde streepje, van het ontwerp.
6. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer maakt in punt 17 van haar voornoemde advies de volgende opmerking :
"De technieken vermeld in artikel 3 van het ontwerp zijn identiek aan deze vermeld in artikel 7 van het ontwerp. (30) In het verslag aan de Koning wordt echter alleen bij artikel 7 gewag gemaakt van een two-factor authenticatie (31) van de afzender zonder verdere uitleg. De manier waarop men dit wil implementeren of de motivatie waarom er bij de eBox een minder strenge aanpak zou nodig zijn dan bij eDeposit ontbreekt echter."
Het is de Raad van State niet duidelijk of en op welke wijze met die opmerking rekening zou zijn gehouden.
Artikelen 4 en 8
1. Artikel 4 bepaalt dat zich bij de verzendingen via het "e-Box netwerk" de volgende "statussen" kunnen voordoen : "verzonden", "ontvangen" en "geopend". Vervolgens geeft het een beschrijving van de strekking van die "statussen".
2. De Raad van State ziet niet in waarom het relevant zou zijn een onderscheid te maken tussen de status "ontvangen" en de status "geopend", aangezien het openen van een verzonden stuk geen voorwaarde is voor de regelmatigheid van de verzending.
Bovendien heeft de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in haar voornoemde advies het volgende benadrukt : "In de mate dat het systeem de opening/lectuur van documenten in de e-Box zou monitoren, betreft dit dus een ongerechtvaardigde en disproportionele gegevensverwerking." (32)
In artikel 4 dient dan ook elke verwijzing naar de status "geopend" te vervallen.
3. Artikel 4, vierde lid, preciseert dat de communicatie verondersteld wordt plaats te vinden op de "datum van het tijdstip van verzending", doch op voorwaarde dat aan die verzending de status "ontvangen" of "geopend" toegekend is. Krachtens artikel 8, derde lid, van het ontwerp geldt dezelfde regel mutatis mutandis voor de neerleggingen waarvan sprake is in artikel 1, § 2 (lees : 2° ). (33)
De omstandigheden waaronder de status "ontvangen" of "geopend" (voor de communicaties via e-Box) of "neergelegd" (voor de neerleggingen via e-Deposit) aan een zending wordt toegekend of het ogenblik waarop deze status wordt toegekend, worden niet nader toegelicht. De werkelijke datum van de mededeling of neerlegging van een stuk kan evenwel van essentieel belang blijken te zijn voor de geldigheid van de procedure en voor het waarborgen van de rechten van verdediging van de partijen. Dat ogenblik mag bijgevolg niet afhangen van een gebeurtenis waarvan niet bepaald is wat ze inhoudt of wanneer ze kan plaatsvinden en waarover de afzender geen enkele controle heeft.
Zo bijvoorbeeld geldt in een niet-elektronische context dat wanneer een kennisgeving een termijn doet ingaan, die termijn ten aanzien van de geadresseerde van het stuk begint te lopen, ofwel, als de kennisgeving gebeurd is bij gerechtsbrief of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op die waarop de brief door de postdiensten aan de geadresseerde aangeboden is, ofwel, in de andere gevallen, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd is. (34)
De artikelen 4 en 8 moeten worden aangevuld teneinde met deze opmerking rekening te houden.
4. Overeenkomstig de in het vooruitzicht gestelde regeling van elektronische communicatie zal volgens artikel 4, vierde lid, verondersteld worden dat de kennisgeving verricht is op voorwaarde dat aan de verzending de status "ontvangen" of "geopend" toegekend is. Die voorwaarde kan voor de afzender van het stuk tot procedurele onzekerheid leiden.
Zo ook geldt in een niet-digitale context dat een conclusie ter griffie wordt neergelegd, ofwel op het ogenblik waarop de griffie de door de concluderende partij via de post verzonden brief ontvangt, ofwel op het ogenblik waarop de concluderende partij persoonlijk haar conclusie op de griffie komt overhandigen. In dat laatste geval is de datum van de neerlegging zeker en heeft degene die de conclusie neerlegt er controle over. In het e-Depositsysteem is de datum van de neerlegging krachtens artikel 8, derde lid, "de datum van het tijdstip van neerlegging" (dat wil zeggen het tijdstip waarop het bestand met het document wordt "[opgeladen] in een elektronisch dossier dat aanhangig is bij een gerecht" (35), op voorwaarde dat daaraan de status "neergelegd" toegekend is.
Om niet het risico te lopen onzekerheid te doen ontstaan, wat onverenigbaar zou zijn met de procedurele vereisten, moet een regeling opgezet worden die het voor degene die kennis geeft, mededeelt of neerlegt mogelijk maakt om met zekerheid uit te maken op welk tijdstip die kennisgeving, mededeling of neerlegging plaatsvindt, en te controleren of ze daadwerkelijk plaatsgevonden hebben. Bij elektronische communicatie vinden het verzenden en het ontvangen van het stuk in principe gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig plaats tenzij er een technische storing optreedt. In die omstandigheden kunnen de verzending of de neerlegging ten aanzien van de afzender geacht worden verricht te zijn op het ogenblik waarop deze handelingen daadwerkelijk gesteld zijn, zonder dat daarvoor nog aan een andere voorwaarde voldaan moet zijn.
Nochtans dient eveneens te worden bepaald op welk ogenblik het stuk wordt ontvangen teneinde de rechten van de geadresseerde ervan te waarborgen, inzonderheid wanneer het verzenden en het ontvangen niet gelijktijdig plaatsvinden of wanneer de ontvangst niet plaatsvindt wegens een verstoring van het systeem.
Zoals de Raad van State heeft kunnen opmerken in zijn advies 58.416/2-3 van 11 december 2015 over het voorontwerp van wet `houdende internering en diverse bepalingen inzake justitie' in verband met het systeem van elektronische betekening (36), zou niets eraan in de weg staan dat, met het oog op een gelijke eerbiediging van de rechten van de partij die het stuk op elektronische wijze verzendt en van die welke het aldus ontvangt, de regeling van de dubbele datum in casu gehandhaafd blijft, zoals de wetgever heeft bepaald in verband met de datum van de kennisgeving "op papier" (37).
Artikelen 5 en 9
1. De artikelen 5 en 9 bepalen dat in geval van een disfunctioneren van het "e-Box netwerk" of het "e-Deposit systeem" waarbij zich fouten voordoen die volgens het verslag aan de Koning zouden leiden tot het niet uitvoeren van de kennisgeving, de mededeling of de neerlegging van het stuk "een systeemfout gemeld [wordt] aan de afzender". Er wordt gepreciseerd dat "[d]ie melding geldt als bewijs daarvan."
Wat het "e-Box netwerk" betreft, wordt in het verslag aan de Koning het volgende vermeld : "Dit bericht aan de gebruikers moet toelaten kennis te nemen van een disfunctie - dus de niet uitvoering van de handeling - en de disfunctie aan te tonen." Met betrekking tot het "e-Deposit systeem" bevat het verslag aan de Koning volgende vermelding : "De gebruikers kunnen van de disfunctie of de niet-uitvoering kennis nemen en deze aantonen. (bv. in geval van een neerlegging buiten termijn)".
2. Zoals het dispositief van het ontworpen besluit in het verslag aan de Koning geëxpliciteerd wordt, roept het twee vragen op :
1° Er is klaarblijkelijk niets bepaald voor het geval dat het disfunctioneren zich ook doet voelen bij de melding van de fout aan de afzender, die in dat geval niet zal weten dat zich een systeemfout heeft voorgedaan en/of in de materiële onmogelijkheid zal verkeren om daarvan het bewijs te leveren. De Raad van State vraagt zich echter af hoe een dergelijke probleemsituatie opgelost zou kunnen worden.
2° De melding van de fout heeft tot doel de afzender in staat te stellen om daarvan het bewijs te leveren ("bv. in geval van een neerlegging buiten termijn", zoals in het verslag aan de Koning vermeld wordt). Het nut van over dat bewijs te beschikken bestaat er ongetwijfeld in dat men dat kan aanvoeren als een verschoningsgrond waardoor men kan ontsnappen aan zijn aansprakelijkheid (overmacht) voor het niet naleven van een proceduretermijn. Als zulks de bedoeling van de steller van het ontwerp is, zou het ontwerp aan duidelijkheid winnen als die bedoeling daarin met zoveel woorden zou worden weergegeven.
Artikel 6
Er wordt verwezen naar de algemene opmerkingen, inzonderheid naar de opmerkingen die gemaakt zijn onder punt IV.
Artikel 10
Artikel 10 bepaalt dat het ontworpen besluit in werking zou treden de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt wordt.
In het verslag aan de Koning wordt geen reden opgegeven voor die afwijking van de regels inzake inwerkingtreding en het is evenmin duidelijk welke reden daarvoor opgegeven zou kunnen worden. Artikel 10, eerste lid, moet vervallen.
SLOTOPMERKINGEN EN WETGEVINGSTECHNISCHE OPMERKINGEN
1. In artikel 1 moet in de opsomming worden gewerkt met de onderverdelingen "1° " en "2° ", en niet met de onderverdelingen " § 1", " § 2". (38)
Verder in de tekst dienen de verwijzingen naar die onderverdelingen dienovereenkomstig aangepast te worden.
2. In artikel 3, eerste lid, vierde streepje, moeten de woorden "het tijdstip van verzenden, ontvangen en openen" worden vervangen door de woorden "het tijdstip van de verzending, de ontvangst en de opening."
3. In de Franse tekst van het ontwerp moeten in de tweede zin van artikel 5, in fine, de woorden "de cette défaillance" toegevoegd worden.
Dezelfde opmerking geldt voor artikel 9.
4. De Nederlandse tekst van artikel 7, eerste lid, vierde streepje, zou, indien zulks de bedoeling is van de steller van het ontwerp, beter als volgt gesteld worden :
"- de volgende gegevens registreren of loggen in een bericht : de identiteit van de persoon die de neerlegging verricht of van de persoon voor wie de neerlegging verricht word; in voorkomend geval de identiteit van de gemachtigde door wie de neerlegging verricht wordt; het stuk of de stukken of de conclusie die neergelegd worden, het tijdstip van de neerlegging; het rolnummer van het dossier waarin de neerlegging verricht wordt; de rechtbank waarbij het dossier aanhangig is; het uniek nummer dat toegekend is aan het neergelegde stuk of de neergelegde stukken of aan de neergelegde conclusie; en het uniek nummer dat aan het bericht toegekend is."
De Franse tekst van die bepaling moet geformuleerd worden zoals voorgesteld wordt in de Franse tekst van dit advies.
5. In een opsomming wordt het best geen gebruik gemaakt van tussenzinnen; dat zijn zinnen die de opsomming onderbreken om aanvullende informatie toe te voegen over een opgesomd onderdeel.78 De zin waarin bepaald wordt gedurende welke termijn de gegevens bewaard moeten worden en die thans artikel 3, eerste lid, vierde streepje, tweede zin, van het ontwerp vormt, moet het nieuwe tweede lid van dat artikel worden, waardoor het huidige tweede lid het derde lid wordt.
Dezelfde opmerking geldt voor artikel 7, eerste lid, vierde streepje, tweede zin.
6. In de Franse tekst van het ontwerp moet in artikel 8, derde lid, "visé", en niet "visée" geschreven worden.
De Griffier,
Bernadette VIGNERON
De Voorzitter
Pierre VANDERNOOT
_______
Nota's
1 Zie infra, Slotopmerkingen en wetgevingstechnische opmerkingen, opmerking 1.
2 Advies nr. 58/2015 van 16 december 2015 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, punt 7, voetnoten 4 en 5.
3 Ibid., punt 7.
4 Ibid., punt 8.
5 Zie infra, Slotopmerkingen en wetgevingstechnische opmerkingen, opmerking 1.
6 Advies nr. 58/2015 van 16 december 2015 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, punt 19.
7 Dat blijkt ook uit de toelichtingen bij het e-Depositsysteem die de FOD Justitie op zijn website geeft : "Wat is e-Deposit? e-Deposit staat voor het elektronisch neerleggen (uploaden) van stukken (conclusies, stukkenbundels, ...). Via een internetsite kunnen stukken in een bepaald dossier binnen een resp. instantie worden neergelegd, waarbij meteen een ontvangstbewijs wordt afgeleverd" (http ://justitie.belgium.be/nl/rechterlijke_orde/e-services/ e-deposit) (eigen cursivering).
8 Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/001, 7.
9 Ibid., 107.
10 De verplichting die bij artikel 720, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de griffie wordt opgelegd om de datum van de inschrijving op de rol en het nummer "op de omslag van het dossier" te schrijven, toont aan dat het noodzakelijkerwijs om een "papieren" dossier gaat. In de "Phenixwet" was overigens bepaald dat dit tweede lid moest vervallen.
11 Inzonderheid de stuiting van de verjaring of het ingaan van de termijn gedurende welke de interesten lopen.
12 Zie infra, slotopmerkingen en wetgevingstechnische opmerkingen, opmerking 1.
13 Wanneer bijvoorbeeld een advocaat met een elektronisch ingediend "gewoon schriftelijk verzoek", zoals bedoeld in artikel 747, § 2, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, om de instaatstelling van de zaak verzoekt, kan de griffie, die dat verzoek krachtens dezelfde wettelijke bepaling aan de raadslieden van de andere partijen ter kennis moet brengen, die kennisgeving in principe op haar beurt elektronisch doen. Dat neemt niet weg dat men bij de huidige stand van het recht niet weet waar het origineel van het (elektronisch) verzoek tot vaststelling van de termijnen moet worden bewaard : wordt het geklasseerd in het "papieren" dossier vermeld in artikel 720 van het Gerechtelijk Wetboek, wat betekent dat de griffie het verzoek en vervolgens de elektronische kennisgeving van dat verzoek afdrukt, of wordt het "opgeladen" in het "bestaand dossier" waarvan in artikel 6 van het ontwerp sprake is?
14 Parl.St. Kamer 2015-16, nr. 54-1590/001.
15 Zie hiervoor, opmerking 2.1.
16 Advies nr. 58/2015 van 16 december 2015 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, punt 14.
17 Zie in die zin advies nr. 58/2015 van 16 december 2015 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, punt 12.
18 Ibid., punt 15.
19 Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab "Wetgevingstechniek", aanbeveling 27, b) en c). Er wordt verwezen naar de hiervoor vermelde algemene opmerking 2 wat de vraag betreft of in het eerste lid van de aanhef alleen gewag dient te worden gemaakt van artikel 32ter van de wet, zonder de betrokken leden van dat artikel 32ter te vermelden, wat dan zou impliceren dat door het ontwerp eveneens uitvoering zou worden gegeven aan het derde lid van die bepaling.
20 Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/001, 5 (eigen cursivering).
21 Zie inzonderheid artikel 1092 van het Gerechtelijk Wetboek.
22 Zie infra, Slotopmerkingen en wetgevingstechnische opmerkingen, opmerking 1.
23 Ibid.
24 Ibid.
25 Ibid.
26 Ibid.
27 Zoals, in het reeds aangehaalde voorbeeld, de mededeling door een advocaat aan de griffie van het "gewoon schriftelijk verzoek" bedoeld in artikel 747, § 2, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
28 Zo bijvoorbeeld heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 2 november 2012 gesteld dat, wanneer bepaalde gevoelige gegevens van een partij bij het geding onder het zakengeheim vallen, het principe van de tegenspraak daarop in bepaalde gevallen niet van toepassing is en alleen de rechter daarvan kennis mag nemen. Dergelijke strikt vertrouwelijke gegevens kunnen evenwel vervat zitten in conclusies en/of stukken die via het e-Depositsysteem neergelegd worden.
29 Advies nr. 58/2015 van 16 december 2015 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, punt 16.
30 Voetnoot 9 van het voornoemde advies : Dit laatste somt de informaticatechnieken op die door het eDeposit zullen worden gebruikt.
31 Voetnoot 10 van het voornoemde advies : Two factor authentication vereist twee of meer authenticatiemiddelen (factoren), deze zijn : iets wat de gebruiker weet, iets wat de gebruiker heeft, iets wat de gebruiker is.
32 Advies nr. 58/2015 van 16 december 2015 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, punt 18, in fine.
33 Zie infra, Slotopmerkingen en wetgevingstechnische opmerkingen, opmerking 1.
34 Artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek.
35 Advies nr. 58/2015 van 16 december 2015 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, punt 19.
36 Parl.St. Kamer 2015-16, nr. 1590/1, 277.
37 Zo bijvoorbeeld is de datum van de akte voor de verzoeker de datum waarop zijn verzoekschrift ter griffie wordt neergelegd en is de datum die voor de geadresseerde in aanmerking wordt genomen (volgens de regels bepaald in artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek) daarentegen de datum waarop hem door de griffie van het verzoekschrift kennis wordt gegeven.
38 Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab "Wetgevingstechniek", aanbeveling 58, B.
39 Ibid., aanbeveling nr. 60.

16 JUNI 2016. - Koninklijk besluit houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op het Gerechtelijk Wetboek, artikel 32ter, eerste en tweede lid, ingevoegd bij de wet van 19 oktober 2015;
Gelet op het advies nr. 58/2015 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, gegeven op 16 december 2015;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 8 december 2015;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister voor Begroting, gegeven op 9 juni 2016;
Gelet op de adviezen 58.556/2 en 58.860/2 van de Raad van State, gegeven op 21 december 2015 en op 17 februari 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Justitie,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
HOOFDSTUK 1. - Informaticasystemen van Justitie
Artikel 1. Voor de hierna vermelde communicatie op elektronische wijze worden de volgende informaticasystemen van Justitie, bedoeld in artikel 32ter, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek aangewezen :
1° voor de kennisgevingen of mededelingen en de neerleggingen, het e-box netwerk, zoals beschreven in de artikelen 2 tot 5, met uitzondering van wat in 2° wordt bepaald.
2° voor de neerleggging van conclusies, van het memories en stukken in de zin van artikel 736 en volgende Gerechtelijk Wetboek, in burgerlijke en strafzaken, het e-Deposit systeem, zoals beschreven in de artikelen 6 tot 9.
HOOFDSTUK 2. - Regels van de informaticasystemen, vertrouwelijkheid en effectiviteit van de communicatie
Afdeling 1. - Het e-Box netwerk
Art. 2. Alle communicatie op elektronische wijze tussen de afzender en de bestemmeling zoals bepaald in artikel 1, 1° kan geschieden via het netwerk van beveiligde e-Boxen, die door de Federale Overheidsdienst Justitie ter beschikking worden gesteld.
De FOD Justitie wordt met betrekking tot het e-Box netwerk beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van de persoonsgegevens.
Art. 3. De verantwoordelijke voor de verwerking met betrekking tot het e-Box netwerk maakt gebruik van informaticatechnieken die :
- de oorsprong en de integriteit van de inhoud van de zending verzekeren door middel van aangepaste beveiligingstechnieken;
- de vertrouwelijkheid van de inhoud van de zending waarborgen;
- toelaten dat de afzender en de bestemmeling ondubbelzinnig kunnen worden geïdentificeerd en geauthentiseerd en dat het tijdstip van de verzending en ontvangst ondubbelzinnig kan worden vastgesteld;
- een bewijs van verzending en ontvangst van de zending registreren of loggen in het systeem en op verzoek van de afzender dit bewijs aan hem afleveren;
- de volgende gegevens registreren of loggen in het systeem : de identiteit van de afzender en bestemmeling, de statussen, het tijdstip van de verzending, de ontvangst en de opening en het uniek nummer toegekend aan de zending;
- systeemfouten melden en de tijdstippen registreren waarop systeemfouten verhinderen dat er wordt verzonden of ontvangen, en deze periodes systematisch beschikbaar maken voor de belanghebbenden.
De bewaartermijn van de geregistreerde gegevens bedraagt dertig jaar. De bewaartermijn wordt zo nodig verlengd tot alle rechtsmiddelen van elk hangend geding waarop de gegevens betrekking hebben, uitgeput zijn.
Het e-Box netwerk voorziet in een strikt en adequaat gebruikers- en toegangsbeheer dat toelaat gebruikers te identificeren, te authentiseren en hun relevante kenmerken of hoedanigheden, mandaten en toegangsmachtigingen te controleren en beheren.
Art. 4. Bij e-Box kunnen zich de volgende statussen voordoen : "verzonden" en "ontvangen". Deze statussen worden gemeld aan de afzender.
De melding van de status "verzonden" geldt als verzendbewijs in hoofde van de afzender.
De meldingen van de status "ontvangen" geldt als ontvangstbewijs in hoofde van de afzender en bestemmeling.
De datum van de communicatie op elektronische wijze bepaald in artikel 1, 1° is gelijk aan de datum van het tijdstip van verzending vastgesteld door het e-Box netwerk.
De datum van ontvangst is de datum van het tijdstip van ontvangst vastgesteld door het e-Box netwerk.
Art. 5. In geval van een disfunctioneren van het e-Box netwerk wordt een systeemfout gemeld aan de afzender.
De registratie van de tijdstippen waarop systeemfouten verhinderen dat er wordt verzonden of ontvangen, geldt als bewijs daarvan en kan worden ingeroepen als bewijs van overmacht.
Afdeling 2. - Het e-Deposit systeem
Art. 6. Conclusies, memories en stukken kunnen in een bestaande zaak, in burgerlijke en in strafzaken, worden neergelegd door deze op te laden via het beveiligde e-Deposit systeem, dat door de Federale Overheidsdienst Justitie ter beschikking wordt gesteld.
De Federale Overheidsdienst Justitie wordt met betrekking tot het e-Deposit systeem beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
Art. 7. De verantwoordelijke voor de verwerking met betrekking tot het e-Deposit systeem maakt gebruik van informaticatechnieken die :
- de oorsprong en de integriteit van de inhoud van de zending verzekeren door middel van aangepaste beveiligingstechnieken;
- de vertrouwelijkheid van de inhoud van de zending waarborgen;
- toelaten dat de afzender en de bestemmeling ondubbelzinnig kunnen worden geïdentificeerd en geauthentiseerd en dat het tijdstip van de verzending en ontvangst ondubbelzinnig kan worden vastgesteld;
- een bewijs van neerlegging en ontvangst van de neerlegging registreren of loggen in het systeem en op verzoek van de afzender dit bewijs aan hem afleveren;
- de volgende gegevens registreren of loggen in het systeem : de identiteit van de persoon die de neerlegging verricht of van de persoon voor wie de neerlegging verricht wordt; in voorkomend geval de identiteit van de gemachtigde door wie de neerlegging verricht wordt; het stuk of de stukken of de conclusie die neergelegd worden, het tijdstip van de neerlegging; het rolnummer van de zaak waarin de neerlegging verricht wordt; de rechtbank waarbij de zaak aanhangig is; het uniek nummer dat toegekend is aan het neergelegde stuk of de neergelegde stukken of aan de neergelegde conclusie; en het uniek nummer toegekend aan de zending;
- systeemfouten melden en de tijdstippen registreren waarop systeemfouten verhinderen dat er wordt verzonden of ontvangen, en deze tijdstippen systematisch beschikbaar maken voor de belanghebbenden.
De bewaartermijn van de geregistreerde gegevens bedraagt dertig jaar. De bewaartermijn wordt zo nodig verlengd tot alle rechtsmiddelen van elk hangend geding waarop de gegevens betrekking hebben, uitgeput zijn.
Het e-Deposit systeem voorziet in een strikt en adequaat gebruikers- en toegangsbeheer dat toelaat gebruikers te identificeren, te authentiseren en hun relevante kenmerken of hoedanigheden, mandaten en toegangsmachtigingen te controleren en beheren.
Art. 8. Bij e-Deposit kan zich de volgende status voordoen : "neergelegd". Deze status wordt gemeld aan de afzender.
De melding van de status "neergelegd" geldt als bewijs van neerlegging in hoofde van de afzender.
De datum van de neerlegging bepaald in artikel 1, 2° is gelijk aan de datum van het tijdstip van neerlegging vastgesteld door het e-Deposit systeem.
De datum van ontvangst is de datum van het tijdstip van ontvangst vastgesteld door het e-Deposit systeem.
Art. 9. In geval van een disfunctioneren van het e-Deposit systeem wordt een systeemfout gemeld aan de afzender.
De registratie van de tijdstippen waarop systeemfouten verhinderen dat er wordt verzonden of ontvangen, geldt als bewijs daarvan en kan worden ingeroepen als bewijs van overmacht.
HOOFDSTUK 3. - Toepassing en uitvoering
Art. 10. De Minister van Justitie kan bepalen tegenover welke gebruikers en vanaf welk ogenblik de in artikel 1 bepaalde informaticasystemen in werking zullen worden gesteld, naargelang de ter beschikking stelling van de nodige technische middelen.
Art. 11. De Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 16 juni 2016.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
K. GEENS


begin

Publicatie : 2016-06-22