J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2009/12/03/2009031584/justel

Titel
3 DECEMBER 2009. - Besluit van het Verenigd College tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen moeten voldoen alsmede tot nadere omschrijving van de groepering en de fusie en de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 17-12-2009 en tekstbijwerking tot 13-10-2011)

Bron : GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE
Publicatie : 17-12-2009 nummer :   2009031584 bladzijde : 79487       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2009-12-03/22
Inwerkingtreding : 01-01-2010

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :1996031092       

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen
Art. 1-2
TITEL II. - ALGEMENE NORMEN
HOOFDSTUK I. - Normen die van toepassing zijn op alle voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen, in de zin van artikel 2
Afdeling 1. Vrijheden en rechten van de bejaarde personen
Art. 3-5
Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement
Art. 6-7
Afdeling 3. - Individuele fiche
Art. 8
Afdeling 4. - Normen betreffende het onderzoek en de behandeling van de klachten van de bejaarde personen
Art. 9
Afdeling 5. - Normen betreffende de participatie van de bejaarde personen
Art. 10-12
Afdeling 6. - Het leefproject
Art. 13
Afdeling 7. - Normen betreffende de hygiëne
Art. 14-20
Afdeling 8. - Norm betreffende het oproepsysteem en het branddetectiesysteem
Art. 21-22
Afdeling 9. - Normen betreffende de beheerder
Art. 23
Afdeling 10. - Normen betreffende de facturatie
Art. 24-25
Afdeling 11. - Normen betreffende de boekhouding
Art. 26-27
HOOFDSTUK II. - Normen die van toepassing zijn op alle voorzieningen die bejaarde personen opvangen of huisvesten in de zin van artikel 2, met uitzondering van die bedoeld in artikel 2, 4°, a) en b), ss.
Afdeling 1. - Veiligheids- en architectonische normen
Onderafdeling 1. - Veiligheidsnormen
Art. 28-29
Onderafdeling 2. - Architectonische normen
Art. 30-39
Afdeling 2. - Overeenkomst afgesloten tussen de voorziening en de bejaarde persoon
Art. 40-41
TITEL III. - Bijzondere normen toepasselijk op de woningen voor bejaarde personen
Art. 42
HOOFDSTUK I. - Normen betreffende de overeenkomst
Art. 43
HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de plaatsbeschrijving en de waarborg
Art. 44-45
HOOFDSTUK III. - Normen betreffende het vertrouwelijk dossier
Art. 46
HOOFDSTUK IV. - Veiligheids- en architectonische normen
Afdeling 1. - Veiligheidsnormen
Art. 47
Afdeling 2. - Architectonische normen
Art. 48-55
HOOFDSTUK V. - Normen betreffende de directeur
Art. 56-60
TITEL IV. - Bijzondere normen toepasselijk op de service-residenties en de residentiële gebouwen die diensten aanbieden, bedoeld in artikel 2, 4°, b), [α], van de ordonnantie (ERRATUM, zie B.St. 22-10-2010, 62935)
HOOFDSTUK I. - Algemeen
Art. 61
HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de huurovereenkomst, het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijk dossier
Afdeling 1. - Huisvestingsovereenkomst
Onderafdeling 1. - Duur van de huurovereenkomst
Art. 62
Onderafdeling 2. - Ontbinding van de huurovereenkomst
Art. 63
Onderafdeling 3. - Plaatsbeschrijving, waarborg en nummer van de woning
Art. 64-67
Onderafdeling 4. - Huisvestingskost
Art. 68-72
Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement
Art. 73
Afdeling 3. - Vertrouwelijk dossier
Art. 74
HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de verplicht aangeboden diensten waarop de bejaarde personen vrij een beroep kunnen doen
Art. 75-78
HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de hygiëne
Art. 79-88
HOOFDSTUK V. - Architectonische normen
Art. 89-93
HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het personeel en de directeur
Art. 94-101
TITEL V. - Bijzondere normen toepasselijk op de service-residenties en residentiële gebouwen die diensten aanbieden, bedoeld in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie
HOOFDSTUK I. - Algemeen
Art. 102
HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de overeenkomst, het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijk dossier
Afdeling 1. - Bijzondere overeenkomst afgesloten tussen de vereniging van de mede-eigenaren en de beheerder
Art. 103-105
Afdeling 2. - Kosten van de verplichte diensten
Art. 106-108
Afdeling 3. - Huishoudelijk reglement
Art. 109
Afdeling 4. - Het vertrouwelijk dossier
Art. 110
HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de verplicht voorgestelde diensten
Art. 111-114
HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de hygiëne
Art. 115-117
HOOFDSTUK V. - Normen betreffende het personeel en de directeur
Art. 118-126
HOOFDSTUK VI. - [1 Participatieraad]1
Art. 126bis
TITEL VI. - Bijzondere normen toepasselijk op de rusthuizen alsmede de voorzieningen
HOOFDSTUK I. - Algemeen
Art. 127-128
HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de overeenkomst, de individuele fiche, het huishoudelijk reglementen het vertrouwelijk dossier
Afdeling 1. - Overeenkomst
Onderafdeling 1. - Algemeen
Art. 129-130
Afdeling 2. - Duur en ontbinding van de overeenkomst
Art. 131-132
Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement
Art. 133
Afdeling 3. - Vertrouwelijk dossier
Art. 134
HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de voeding, de hygiëne, de verzorging en de animatie
Afdeling 1. - Voeding
Art. 135-139
Afdeling 2. - Hygiëne
Art. 140-149
Afdeling 3. - Hulpverlening en verzorging
Art. 150-157
Afdeling 4. - Animatie
Art. 158-159
HOOFDSTUK IV. - Specifieke normen voor plaatsen voor [kortverblijf] (ERRATUM, zie B.St. 22-10-2010, p 62935)
Art. 160-161
HOOFDSTUK V. - Architectonische en veiligheidsnormen
Art. 162-179
HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het aantal, de kwalificatie en de moraliteit van het personeel en de directeur
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 180-183
Afdeling 2. - Directeur
Art. 184-189
Afdeling 3. - Personeel
Art. 190-192
TITEL VII. - Normen betreffennde de centra voor dagopvang
HOOFDSTUK I. - Algemeen
Art. 193
HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de overeenkomst, het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijk dossier
Afdeling 1. - Overeenkomst
Art. 194-197
Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement
Art. 198
Afdeling 3. - Vertrouwelijk dossier
Art. 199
HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de voeding, de hygiëne en de verzorging
Afdeling 1. - Voeding
Art. 200-203
Afdeling 2. - Hygiëne
Art. 204-209
Afdeling 3. - Hulpverlening en verzorging
Art. 210-215
Afdeling 4. - Animatie
Art. 216
HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de participatie van de bejaarde personen
Art. 217
HOOFDSTUK V. - Architectonische normen
Art. 218-222
HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het aantal, de kwalificatie en de moraliteit van het personeel en de directeur
Art. 223-231
HOOFDSTUK VII. - Normen betreffende de functionele binding met een rusthuis
Art. 232
TITEL VIII. - Normen betreffende de centra voor nachtopvang
HOOFDSTUK I. - Algemeen
Art. 233
HOOFDSTUK II. - Normen betreffende het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijk dossier
Afdeling 1. - Overeenkomst, plaatsbeschrijving en waarborg
Art. 234-237
Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement
Art. 238
Afdeling 3. - Vertrouwelijk dossier
Art. 239
HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de voeding, de hygiëne en de verzorging
Art. 240-242
HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de participatie van de bejaarden
Art. 243
HOOFDSTUK V. - Architectonische en veiligheidsnormen
Art. 244
HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het aantal, de kwalificatie en de moraliteit van het personeel en de directeur
Art. 245-247
TITEL IX. - Omchrijving van de groepering en de fusie en bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen
HOOFDSTUK I. - Omschrijving en bijzondere normen van de groepering
Afdeling 1. - Omschrijving
Art. 248
Afdeling 2. - Bijzondere normen
Art. 249-251
HOOFDSTUK II. - Omschrijving en bijzondere normen van de fusie
Afdeling 1. - Omschrijving
Art. 252
Afdeling 2. - Bijzondere normen
Art. 253-254
TITEL X. - Slotbepalingen
Art. 255-260
BIJLAGEN.
Art. N1-N2

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder :
  1° " Ordonnantie " : de ordonnantie van 24 april 2008 betreffende de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen;
  2° " Ministers " : de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het beleid inzake Bijstand aan personen;
  3° " Administratie " : de Diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel Hoofdstad;
  4° " Ambtenaren " : de ambtenaren, stagiairs en contractuele personeelsleden van de administratie die aangesteld zijn bij de inspectiedienst;
  3° " Nieuwe voorzieningen " : de voorzieningen die voor de eerste keer na de inwerkingtreding van dit besluit, worden uitgebaat;
  6° " Afgevaardigde van de Ministers " : de Leidend Ambtenaar van de administratie.

  Art. 2. Dit besluit stelt de normen vast waaraan een voorziening voor opvang of huisvesting van bejaarde personen, met uitzondering van de centra voor dagverzorging, moet voldoen om te worden erkend door de Ministers, overeenkomstig artikel 11, § 1, tweede en derde lid, van de ordonnantie.

  TITEL II. - ALGEMENE NORMEN

  HOOFDSTUK I. - Normen die van toepassing zijn op alle voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen, in de zin van artikel 2

  Afdeling 1. Vrijheden en rechten van de bejaarde personen

  Art. 3. De voorziening waarborgt aan de bejaarde persoon :
  1° een menswaardig leven, door onder meer af te zien van elke maatregel inzake immobilisatie, toezicht of afzondering, onverminderd de nadere regels bepaald door dit besluit;
  2° de grootste vrijheid tijdens de bewoning van de lokalen, voor zover zij de andere bejaarde personen en derden niet benadeelt;
  3° de volledige vrijheid van filosofische, politieke, godsdienstige, culturele overtuiging en van taal, door hem geen enkele verplichting van commerciële, culturele, politieke of godsdienstige aard of inzake taal op te leggen;
  4° als voorziening die, wegens haar organisatie, moet worden beschouwd niet uitsluitend te behoren tot de ene of de andere Gemeenschap en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 5bis van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, ingevoegd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001, en van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, samengevat op 18 juli 1966, de opvang en de behandeling van de bejaarde persoon, in het Nederlands of in het Frans, naargelang zijn taalkeuze;
  Hiertoe dienen alle documenten waartoe, luidens dit besluit, de bejaarde persoon toegang heeft, in het Nederlands of in het Frans, te worden opgesteld, naargelang zijn taalkeuze;
  5° de eerbied voor het seksuele en affectieve leven van de bejaarde persoon en zijn seksuele geaardheid;
  6° de vrije keuze van de arts.

  Art. 4. Onverminderd artikel 60, § 8, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, is het voor de voorziening verboden van de bejaarde persoon het beheer of de bewaring te eisen of te aanvaarden van het geld en de goederen die hij haar hetzij bij zijn opname, hetzij later, toevertrouwt; dit verbod geldt eveneens voor het personeel van de voorziening.

  Art. 5. De voorziening heeft de verplichting :
  1° aan elke bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger en aan zijn behandelende arts, de adressen mede te delen van de gezondheids-inspectie, van de administratie belast met de inspectie van de voorziening, alsmede het adres waar klachten kunnen worden ingediend, zowel binnen als buiten de voorziening;
  2° de volgende informatie permanent op de meest passende plaats aan te brengen volgens het publiek waarvoor zij bestemd is :
  a) de naam van de beheerder en indien het gaat over een rechtspersoon, zijn juridische vorm en de natuurlijke persoon die hem vertegenwoordigt;
  b) de personalia van de directeur en zijn gewone aanwezigheidsuren in de voorziening alsmede de naam van zijn vervanger in geval van afwezigheid of verhindering;
  c) elke inlichting betreffende de erkenning van de voorziening en, in voorkomend geval, elke inlichting betreffende een weigering of een intrekking van een erkenning alsmede een sluiting;
  d) de nadere regels voor de indiening en het onderzoek van de suggesties en opmerkingen van de bejaarde personen;
  e) de inlichtingen betreffende de bejaardenraad, hierna genoemd de " participatieraad ". Deze inlichtingen bevatten onder meer de lijst van de leden, het tijdschema van de vergaderingen, de agenda en de notulen van de laatste vergadering, die gedurende drie maanden zullen worden uitgehangen;
  f) de nadere regels betreffende het indienen van klachten binnen de voorziening alsmede bij de Ministers en de Administratie waarvan de respectievelijke adres en andere personalia vermeld worden;
  g) het adres en de telefoonnummers van de diensten van de Burgemeester van de gemeente waar de voorziening zich bevindt;
  h) het adres en het telefoonnummer van de diensten ter bestrijding van mishandeling van bejaarde personen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  i) behalve voor de woningen voor bejaarden, de activiteiten en de animaties die door de voorziening of de beheerder worden georganiseerd of die waaraan de bewoners kunnen deelnemen.
  De directeur van de voorziening neemt alle nodige maatregelen opdat de aankondiging leesbaar en voor iedereen toegankelijk zou zijn;
  3° behalve voor de woningen voor bejaarden, de vertegenwoordiger van de bejaarde persoon te raadplegen of de wettelijke bepalingen bedoeld in Titel XI van Boek I van het Burgerlijk Wetboek na te leven, indien deze bejaarde persoon niet in staat is een schriftelijke overeenkomst te sluiten;
  4° de bejaarde persoon aan te bevelen om zich te laten verzekeren voor burgerrechtelijke aansprakelijkheid.

  Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement

  Art. 6. § 1. Elke voorziening moet een huishoudelijk reglement opstellen dat in een voor de bejaarde personen toegankelijk lokaal op een zichtbare plaats dient te worden aangebracht.
  § 2. Behalve in geval van dringende opname in een rusthuis, een centrum voor kortverblijf, een centrum voor dagopvang of een centrum voor nachtopvang moet het huishoudelijk reglement vóór de opname aan de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, aan zijn vertegenwoordiger worden overhandigd. Het document wordt voor ontvangst en akkoord ondertekend.
  Het ontvangstbewijs dat als kennisneming geldt van het huishoudelijk reglement en van elke wijziging ervan, wordt in voorkomend geval gevoegd bij het vertrouwelijk dossier van de bejaarde persoon.
  § 3. De bepalingen van dit reglement en elke latere wijziging ervan moeten aan de goedkeuring van de Ministers of hun afgevaardigde worden onderworpen. Deze laatste beschikken over negentig dagen, te rekenen vanaf de ontvangstdatum van de documenten, om het ontwerp van reglement of van wijziging eventueel te verwerpen, indien het niet ten minste de in artikel 7 bepaalde gegevens opneemt of indien het rechtens ontoelaatbare bepalingen opneemt. Bij ontstentenis van een antwoord binnen deze termijn, wordt het huishoudelijk reglement geacht te zijn goedgekeurd.
  Elke goedgekeurde wijziging in dit reglement wordt aan de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, aan zijn vertegenwoordiger tegen ontvangstbewijs overhandigd. De wijzigingen hebben uitwerking ten vroegste dertig dagen na goedkeuring ervan door de Ministers of hun afgevaardigde.
  § 4. Elke met de hierboven vermelde voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn.

  Art. 7. Het huishoudelijk reglement omschrijft de rechten en de plichten van de bejaarde persoon en van de beheerder. Het bevat onder meer volgende punten :
  1° het juridisch statuut en de aard van de voorziening;
  2° de nauwkeurige personalia van de beheerder en, in voorkomend geval, van de directeur;
  3° de bijzondere voorwaarden inzake opname of opvang, behalve voor de in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie bedoelde voorzieningen;
  4° de voorwaarden inzake huisvesting of opvang, behalve voor de in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie bedoelde voorzieningen;
  5° de datum van goedkeuring van dit reglement door de Ministers of hun afgevaardigde;
  6° de nadere regels voor de werking van de participatieraad;
  7° de nadere regels voor de indiening en behandeling van klachten binnen de voorziening;
  8° de plaats waar de naam van de persoon aan wie de suggesties en opmerkingen kunnen worden gemaakt, wordt aangebracht;
  9° het feit dat de voorziening een verzekering heeft aangegaan die de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de directeur en het personeel van de voorziening dekt.

  Afdeling 3. - Individuele fiche

  Art. 8. Bij de opname van een bejaarde persoon in een voorziening wordt een individuele fiche opgemaakt, met een recente foto; zij kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, door zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd.
  Deze fiche is vertrouwelijk en vermeldt :
  1° de volledige identiteit van de bejaarde persoon (naam, voornaam, geboorteplaats en -datum, burgerlijke staat, nationaliteit);
  2° de naam, het adres en het telefoonnummer van :
  a) de gekozen behandelende arts en zijn vervanger;
  b) in voorkomend geval, het gekozen verpleegkundig en paramedisch personeel;
  c) de gewenste ziekenhuisvoorziening, onder voorbehoud, desgevallend, en voor zover bewezen wordt dat de tarifaire veiligheid niet wordt nageleefd, van de voorwaarden waaronder de financiële tenlasteneming van de zorgen onderworpen kan worden aan een beslissing van het bevoegde O.C.M.W.;
  3° de naam, het adres en het telefoonnummer van de vertegenwoordiger en de vertrouwenspersonen die in geval van nood moeten worden verwittigd;
  4° de eventueel gewenste morele, godsdienstige of filosofische bijstand;
  5° behalve in de woningen voor bejaarden en de service-residenties bedoeld in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie, de inlichtingen betreffende het ziekenfonds van de bejaarde persoon of de houder (naam, adres, categorie, aansluitingsnummer);
  6° in voorkomend geval, de noodzaak om het medische dossier te raadplegen.

  Afdeling 4. - Normen betreffende het onderzoek en de behandeling van de klachten van de bejaarde personen

  Art. 9. De bejaarde persoon en elke betrokken persoon kunnen een klacht indienen bij de beheerder of de directeur en bij de Ministers of de administratie.
  Indien de klacht tot de beheerder of de directeur wordt gericht, onderzoekt hij de gegrondheid van de ingediende klacht en informeert schriftelijk de klagende partij over het gevolg dat eraan werd gegeven.
  Wanneer de klacht bij de Ministers of de administratie wordt neergelegd, gaan de ambtenaren onverwijld over tot de controle, ter plaatse, van de gegrondheid van de klacht, na de beheerder of de directeur te hebben gehoord. Ze nemen alle nodige voorzorgsmaatregelen om de anonimiteit van de klacht en het vertrouwelijke karakter van de elementen die ertoe aanleiding gaven, te waarborgen.

  Afdeling 5. - Normen betreffende de participatie van de bejaarde personen

  Art. 10. In iedere voorziening moet een participatieraad worden opgericht, die ten minste één maal per kwartaal vergadert. Deze raad is samengesteld uit de bejaarde personen of hun vertegenwoordiger.
  Hij neemt zijn eigen huishoudelijk reglement aan en bepaalt onder meer de wijze waarop zijn voorzitter wordt aangewezen, de wijze van uitnodigen, de wijze van opstellen van de agenda's en notulen van de vergaderingen.
  De beheerder of de directeur neemt de nodige maatregelen om, binnen de participatieraad, een echte deelnamedynamiek in de hand te werken bij elke bejaarde persoon, in voorkomend geval, door een personeelslid van de voorziening of een externe gemachtigde persoon aan te wijzen om de participatieraad te organiseren.

  Art. 11. De beheerder of de directeur verleent alle faciliteiten voor de organisatie van de vergaderingen van de participatieraad, onder meer door een lokaal voor deze vergaderingen ter beschikking te stellen.
  De participatieraad kan adviezen uitbrengen, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de beheerder of de directeur van de voorziening, over alle aangelegenheden die de algemene werking van de voorziening betreffen en wordt ingelicht over het gevolg dat aan zijn adviezen werd gegeven.
  De beheerder of de directeur moet ervoor zorgen dat van alle vergaderingen van de raad notulen worden opgemaakt, die ter beschikking worden gesteld van de bejaarde personen of hun vertegenwoordiger.
  De ambtenaren kunnen op ieder ogenblik kennis nemen van deze notulen.
  De beheerder, de directeur en personeelsleden en, in voorkomend geval, de coördinerende geneesheer kunnen er worden uitgenodigd om te debatteren over de door de bejaarde personen gewenste onderwerpen.

  Art. 12. Suggesties of opmerkingen kunnen door de bejaarde personen of hun vertegenwoordiger en de participatieraad in een daartoe bestemd register worden opgetekend bij de directeur of een door de directeur aangestelde verantwoordelijke, ten minste vier uur per week beschikbaar na afspraak. Die uren moeten over minstens twee dagen gespreid zijn, waarvan ten minste één uur na achttien uur.
  Dit register moet, op eenvoudige aanvraag, ter beschikking worden gesteld van de participatieraad en de ambtenaren.
  Een doos moet op elk ogenblik beschikbaar zijn en elke persoon in de mogelijkheid stellen om alle suggesties of opmerkingen mede te delen. Deze laatste worden opgenomen in een hiertoe bestemd register.

  Afdeling 6. - Het leefproject

  Art. 13. Een leefproject dient in elke voorziening door de beheerder en de directeur in samenwerking met het personeel en de participatieraad te worden vastgelegd om de ontwikkeling en het welzijn van de bejaarde personen zowel binnen als buiten de voorziening te bevorderen.
  Op basis van het leefproject leggen de beheerder, de directeur en het personeel de operationele doelstellingen vast voor de dagelijkse praktijk alsmede de indicatoren die het mogelijk maken om deze te evalueren.
  Het leefproject wordt elk jaar door de beheerder, de directeur, het personeel en de participatieraad geëvalueerd. In voorkomend geval wordt het leefproject gewijzigd.
  Het leefproject wordt aan elk personeelslid medegedeeld bij de aanwerving en aan elke bejaarde persoon bij zijn opname en telkens als het wordt gewijzigd.
  Het leefproject alsmede de documenten betreffende de uitwerking en de evaluatie ervan, met de eventuele wijzigingen, moeten door de ambtenaren kunnen worden gecontroleerd.

  Afdeling 7. - Normen betreffende de hygiëne

  Art. 14. Deze afdeling is slechts toepasselijk op de in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie bedoelde voorzieningen voor zover die vereisten onder de bevoegdheid van de beheerder vallen.

  Art. 15. De gebouwen worden in een perfecte staat van netheid gehouden; zij worden regelmatig onderhouden en beschut tegen vochtigheid of insijpeling.

  Art. 16. Het verwarmingssysteem mag geen uitwaseming van vlammen, gassen of stof veroorzaken.

  Art. 17. Het vaste afval, onder meer het keukenafval, wordt in gesloten vuilniszakken opgeruimd die zó gesloten moeten zijn dat het afval zich niet kan verspreiden en de bepalingen ter bescherming van het leefmilieu worden nageleefd.
  De voorziening schikt zich naar de gestelde richtlijnen om de selectieve ophaling te waarborgen.

  Art. 18. Kosteloos drinkwater moet voor de bejaarde personen op elk ogenblik en naar believen in het gebouw beschikbaar zijn.
  Er zal hieraan een bijzondere aandacht worden besteed in geval van grote hitte.

  Art. 19. De lozing van het afvalwater moet permanent en in hygiënische omstandigheden worden gewaarborgd.

  Art. 20. Alle voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen om besmettelijke ziekten te voorkomen, overeenkomstig de ordonnantie van 19 juli 2007 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid.

  Afdeling 8. - Norm betreffende het oproepsysteem en het branddetectiesysteem

  Art. 21. De voorziening beschikt over een oproepsysteem waardoor de bejaarde persoon op elk ogenblik om hulp kan roepen zonder het lokaal of het appartement waarin hij zich bevindt, te verlaten.
  Deze laatste moet technisch zo ontworpen zijn dat iedere oproep voortdurend kan worden gelokaliseerd en zowel overdag als 's nachts snel kan worden beantwoord.
  Indien de voorziening over een intercomsysteem beschikt, dan moet dit door de bejaarde persoon kunnen worden uitgeschakeld vanuit de lokalen die hij betrekt. Dit systeem moet bovendien over een lichtgevend controlelampje beschikken dat aangeeft dat de luisterfunctie werd ingesteld.

  Art. 22. In de nieuwe voorzieningen wordt er in een algemeen branddetectiesysteem voorzien.
  In de bestaande voorzieningen, met uitsluiting van de in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie bedoelde voorzieningen, wordt dit systeem geïnstalleerd binnen vijf jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit. In afwachting van de plaatsing van het in het eerste lid bedoelde systeem, dient in alle kamers van de voorzieningen een erkende optische detector te worden geplaatst.

  Afdeling 9. - Normen betreffende de beheerder

  Art. 23. Onverminderd artikel 29, § 3, van de ordonnantie, kan de erkenning worden geweigerd of ingetrokken wanneer de beheerder of, in voorkomend geval, de directeur van de voorziening in België of in het buitenland ingevolge een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing werd veroordeeld wegens één van de misdrijven genoemd in Boek II, Titel VII, hoofdstuk V, VI en VII, Titel VIII, hoofdstuk I, II, IV en VI en Titel IX, hoofdstuk I en II van het Strafwetboek, of wegens één van de misdrijven bedoeld in artikel 29 van de ordonnantie, of voor misdrijven omschreven in de ordonnanties, decreten en regelgevingen, in de sectoren van de voorzieningen voor huisvesting of opvang van bejaarde personen, van de Gemeenschappen en van de Gemeenschappelijke en Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, behalve indien het om een voorwaardelijke veroordeling gaat of indien de betrokkene nog recht heeft op uitstel.

  Afdeling 10. - Normen betreffende de facturatie

  Art. 24. Met uitzondering van de woningen voor bejaarde personen bedoeld in titel III, dient elke voorziening die een aanvraag tot erkenning heeft ingediend, onverwijld aan de administratie een afschrift te bezorgen van de kennisgeving van de toepassing van de werkelijke prijzen, gedaan bij de Prijzendienst van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, overeenkomstig artikel 6 van het ministerieel besluit van 12 augustus 2005 houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor de sector van de voorzieningen voor opvang van bejaarden.
  Elke voorziening die over een voorlopige werkingsvergunning of erkenning beschikt, moet onverwijld aan de administratie een afschrift bezorgen van de beslissing van de in het eerste lid bedoelde dienst inzake een aanvraag tot prijsverhoging, die aan de aanvrager overeenkomstig artikel 4 van voormeld ministerieel besluit van 12 augustus 2005 werd betekend.
  Een afschrift van deze toestemming om de prijzen te verhogen wordt aan de bejaarde persoon of aan zijn vertegenwoordiger medegedeeld, ten laatste dertig dagen voor het opstellen van de eerste factuur waarin deze verhoging begrepen is.

  Art. 25. Met uitzondering van de woningen voor bejaarde personen bedoeld in titel III, stelt elke voorziening voor elke bejaarde persoon een individuele rekening op, waarop duidelijk zijn vermeld :
  1° de identiteit van bejaarde persoon;
  2° een gedetailleerde opgave van alle lasten (de dagprijs - of maandprijs - voor de opvang of de huisvesting en/of de beschrijving van de geleverde prestaties en, in voorkomend geval, de toeslagen, zoals bepaald in bijlage I bij dit besluit);
  3° het verschuldigd totaal nettobedrag;
  4° het bedrag betaald door de betrokkene.
  Deze rekening kan op elk ogenblik ter plaatse door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd.
  Een gedetailleerde maandelijkse factuur vermeldt de balans van de verschuldigde bedragen en ontvangsten. Zij wordt samen met alle bewijsstukken aan de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger, overhandigd.

  Afdeling 11. - Normen betreffende de boekhouding

  Art. 26. Wanneer verschillende voorzieningen één rechtspersoonlijkheid vormen, moet voor elk van hen een aparte boekhouding worden gehouden.

  Art. 27. Onverminderd de op de openbare sector toepasselijke bepalingen moet elke voorziening, jaarlijks en vóór het einde van het eerste halfjaar, een exemplaar van de balans en de rekeningen van het afgelopen jaar alsmede een begroting voor het lopende dienstjaar aan de Ministers overzenden; hierbij wordt hetzij een afschrift van het verslag van de bedrijfsrevisor die de jaarrekeningen heeft gecertificeerd, gevoegd, hetzij een attest van een onafhankelijke accountant die ze heeft nagezien.

  HOOFDSTUK II. - Normen die van toepassing zijn op alle voorzieningen die bejaarde personen opvangen of huisvesten in de zin van artikel 2, met uitzondering van die bedoeld in artikel 2, 4°, a) en b), ss.

  Afdeling 1. - Veiligheids- en architectonische normen

  Onderafdeling 1. - Veiligheidsnormen

  Art. 28. Onverminderd de veiligheidsnormen toepasselijk op de bedoelde voorzieningen, moet de voorziening zich tegen brand verzekeren en voorzien in een afstand van verhaal ten voordele van de bejaarde persoon.

  Art. 29. De voorziening werkt in samenwerking met de brandweer een veiligheidsplan uit; zij organiseert de opleiding van haar personeel inzake brandpreventie en -bestrijding. Zij moet op elk ogenblik het bewijs hiervan leveren.

  Onderafdeling 2. - Architectonische normen

  Art. 30. Alle voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen om brandgevaar te beperken, onder meer via de bescherming van de brandbare materialen.

  Art. 31. Alle vloeren en wanden moeten gemakkelijk te onderhouden zijn.

  Art. 32. Glazen deuren, die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de bejaarde personen worden door een op ooghoogte waarneembare contrasterende kleurstrook aangegeven.

  Art. 33. Ongeacht de weersomstandigheden, zowel 's nachts als overdag, moet in de verwarming, ventilatie en verlichting van alle lokalen worden voorzien. Alle voor de bejaarde personen toegankelijke lokalen moeten permanent beschikken over voldoende verlichting; deze laatste wordt aangepast aan de activiteiten die in de lokalen worden uitgeoefend.

  Art. 34. In alle weersomstandigheden moet een temperatuur kunnen worden bereikt van 22 °C in de kamers, leefruimten en badkamers of douches, en 18 °C in de overige lokalen.

  Art. 35. De oppervlakte van de ruiten in de leefruimte en de kamers moet ten minste 1/6 van de nettovloeroppervlakte bedragen.
  De hoogte van de vensterbanken moet voor iemand die neerzit en voor zich uitkijkt, een zicht op de buitenwereld mogelijk maken, evenwel zonder gevaar voor ongevallen.

  Art. 36. In geval van nieuwbouw of van verbouwingswerken die een stedenbouwkundige vergunning vereisen, zijn de normen bepaald in Titel IV van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2006 tot vaststelling van de Titels I tot VIII van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening die van toepassing is op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toepasselijk op de in de vergunning bedoelde lokalen.

  Art. 37. De toiletten dienen over een goede rechtstreekse verluchting of een degelijke ventilatie te beschikken en zijn gemakkelijk toegankelijk. Elk toilet moet uitgerust zijn met aangepaste muurleuningen, een klerenhaak en een gemakkelijk bereikbare closetpapierhouder, met papier, en met een sanitair aangepaste vuilnisbak.
  De deuren gaan naar buiten open of zijn schuifdeuren. Elk toilet beschikt over een slot dat van buiten kan worden geopend.

  Art. 38. Het bad of stortbad moet gebruiksvriendelijk zijn. Deze installaties moeten met een antislipbodem en muurleuningen worden uitgerust.
  Alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen dienen te worden getroffen zodat watertoevoer geen ongevallen kan veroorzaken. De temperatuur van de mengkranen wordt door een thermostaat zó geregeld dat bejaarde personen zich niet kunnen verbranden.
  De straal van het stortbad moet verstelbaar zijn.

  Art. 39. De voorzieningen die één of meer verdiepingen hebben boven of onder het normale evacuatieniveau, moeten, wat het aantal liften betreft, beantwoorden aan de norm NBN E52-019, wat moet worden aangetoond door een berekeningsnota conform voormelde norm.
  Bij gebrek aan voormelde nota wordt per aangesneden schijf van 40 bejaarde personen minstens één lift vereist.
  Ten minste één van de liften moet een draagberrie kunnen vervoeren.
  Ten minste één lift moet alle verdiepingen bedienen die lokalen hebben die voor de bejaarde personen toegankelijk zijn.

  Afdeling 2. - Overeenkomst afgesloten tussen de voorziening en de bejaarde persoon

  Art. 40. § 1. Vóór de opname of opvang wordt tussen de voorziening en de bejaarde persoon een overeenkomst afgesloten die verplicht vermeldt :
  1° de algemene en bijzondere voorwaarden voor de huisvesting of opvang in de voorziening;
  2° overeenkomstig artikel 11, § 1, 8°, van de ordonnantie, de elementen die gedekt zijn door de dagprijs alsmede de kosten die duidelijk en beperkend kunnen worden gefactureerd, ofwel als toeslagen, ofwel als voorschotten ten gunste van derden, bovenop de dagprijs;
  3° de betalingswijzen :
  a) in geval van betaling via de bank, het bankrekeningnummer van de voorziening;
  b) in geval van contante betaling dient er een ontvangsbewijs te worden afgeleverd;
  4° indien er een voorschot vereist is, dan zal het bedrag ervan afgetrokken worden van de factuur die betrekking heeft op de eerste maand van opvang of huisvesting;
  5° de duur en de voorwaarden inzake de ontbinding van de overeenkomst;
  6° de wijze van toepassing van het koninklijk besluit van 21 januari 2009 houdende onderrichtingen voor de apothekers. De door de apotheker eventueel toegekende korting moet op een geïndividualiseerde wijze en gedeeltelijk onder een collectieve vorm aan de bejaarde persoon worden teruggegeven. Uit de boekhouding moet duidelijk blijken welk gebruik er werd gemaakt van de onder collectieve vorm toegekende korting.
  § 2. In geval van een dringende opname wordt de overeenkomst binnen zeven werkdagen volgend op de opname van de bejaarde persoon afgesloten.
  § 3. Indien de bejaarde persoon niet in staat is een schriftelijke overeenkomst te sluiten, dan moet de voorziening zijn vertegenwoordiger raadplegen of de wettelijke bepalingen bedoeld in Titel XI van Boek I van het Burgerlijk Wetboek naleven.

  Art. 41. § 1. Ieder ontwerp van modelovereenkomst of iedere wijziging ervan wordt voorafgaandelijk aan de goedkeuring van Ministers of hun afgevaardigde onderworpen.
  Deze laatste beschikken over negentig dagen te rekenen van de ontvangst van het document om te beslissen.
  Bij gebreke aan een antwoord binnen deze termijn wordt de modelovereenkomst of de wijziging ervan geacht te zijn goedgekeurd.
  Het ontvangstbewijs dat als kennisneming geldt van de overeenkomst en van elke wijziging ervan, wordt bij het vertrouwelijke dossier gevoegd.
  Elke met de hierboven vermelde voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn.
  § 2. De Ministers of hun afgevaardigde kunnen bovendien, op elk ogenblik, de overlegging opeisen van elke overeenkomst afgesloten met een bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger.

  TITEL III. - Bijzondere normen toepasselijk op de woningen voor bejaarde personen

  Art. 42. Onverminderd de in Titel II, Hoofdstuk I, bepaalde algemene normen moet de woning voor bejaarden, in de zin van artikel 2, 4°, a), van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen.

  HOOFDSTUK I. - Normen betreffende de overeenkomst

  Art. 43. § 1. De overeenkomst wordt voor een onbepaalde duur afgesloten.
  § 2. De overeenkomst mag ontbonden worden mits een opzeggingstermijn die niet korter dan drie maanden mag zijn in geval van ontbinding door de beheerder en twee maanden in geval van ontbinding door de bejaarde persoon.
  De ontbinding geschiedt schriftelijk, hetzij bij aangetekende brief, hetzij bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, uiterlijk twee werkdagen vóór het ingaan van de opzeggingstermijn.
  De door de beheerder gegeven opzegging is behoorlijk gemotiveerd; bij gebrek hieraan wordt de opzegging als niet gegeven beschouwd.
  De bejaarde persoon die de overeenkomst zonder inachtneming van de opzeggingstermijn ontbindt, kan verplicht zijn een vergoeding te betalen, gelijk aan de maandelijkse huurprijs die de duur van de opzegging dekt.
  § 3. In geval van ontbinding wegens medische redenen, bevestigd door een arts, mag de opzeggingstermijn voor de bejaarde persoon niet langer zijn dan dertig dagen.
  In geval van overlijden van de bejaarde persoon, begint een opzeggingstermijn van dertig dagen ambtshalve te lopen op de dag van het overlijden.
  In deze twee gevallen kunnen de partijen evenwel overeenkomen om deze opzeggingstermijn in te korten en de verplichting om de te betalen huurprijs te beperken tot de periode van werkelijke bewoning van de lokalen.
  § 4. Voor het overige zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de huurcontracten van toepassing.

  HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de plaatsbeschrijving en de waarborg

  Art. 44. De plaatsbeschrijving van de door de bejaarde persoon betrokken woning wordt door hem en de directeur getekend en bij de overeenkomst gevoegd.
  Indien er geen omstandige plaatsbeschrijving werd opgesteld, dan wordt de bejaarde persoon geacht het gehuurde goed in dezelfde staat te hebben ontvangen als die waarin het zich op het einde van de overeenkomst bevindt, behoudens bewijs van het tegendeel door de beheerder.

  Art. 45. § 1. Wanneer een waarborg wordt geëist, wordt hij door de partijen op een eigen rekening geplaatst, geopend op naam van de bejaarde persoon bij een financiële instelling, met de vermelding van de bestemming : "waarborg voor elke schuldvordering voortvloeiend uit de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de verplichtingen van de bewoner".
  De intresten van de aldus belegde som worden gekapitaliseerd. Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de bejaarde persoon of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventueel krachtens de overeenkomst verschuldigde kosten en vergoedingen.
  In ieder geval mag de waarborgrekening, zowel wat het kapitaal als de interesten betreft, slechts gebruikt worden ten voordele van de ene of de andere partij en mits hetzij een schriftelijk akkoord gesloten tussen de partijen, opgemaakt op een latere datum dan die van het sluiten van de overeenkomst, hetzij een eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing, wordt overgelegd.
  § 2. Het bedrag van de waarborg mag niet hoger zijn dan twee keer de maandelijkse huurprijs die in de overeenkomst bepaald is.
  § 3. Voor het overige zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de huurcontracten van toepassing.

  HOOFDSTUK III. - Normen betreffende het vertrouwelijk dossier

  Art. 46. Een vertrouwelijk dossier moet voor elke bejaarde persoon bij zijn opname worden opgemaakt. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, de behandeling en de bijwerking ervan worden verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, en, indien nodig, artikel 458 van het Strafwetboek.
  Dit vertrouwelijk dossier omvat :
  1° een afschrift van de individuele fiche;
  2° een exemplaar van de overeenkomst en de plaatsbeschrijving getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;
  3° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon.
  Onverminderd het door de ambtenaren uitgeoefende toezicht mag dit vertrouwelijk dossier, dat door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld. Het kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd.
  Het vertrouwelijk dossier van elke bejaarde persoon wordt door de voorziening minstens drie jaar na zijn overlijden of vertrek bewaard.

  HOOFDSTUK IV. - Veiligheids- en architectonische normen

  Afdeling 1. - Veiligheidsnormen

  Art. 47. Onverminderd de veiligheidsnormen toepasselijk op de bedoelde voorzieningen, zet de voorziening elke bejaarde persoon aan zich tegen brand te verzekeren.

  Afdeling 2. - Architectonische normen

  Art. 48. De woningen zijn aangepast aan de bejaarde personen.

  Art. 49. Iedere woning moet ten minste bestaan uit een leefruimte, een kookruimte, een slaapkamer alsmede een van de andere lokalen gescheiden toiletruimte en badkamer of stortbad.
  Wanneer de leefruimte en de slaapkamer niet gescheiden zijn, bedraagt de netto-vloeroppervlakte van deze ruimte minimaal 32 m2 voor één persoon en minimaal 40 m2 voor twee personen, kookruimte inbegrepen. Wanneer die twee vertrekken gescheiden zijn moet de nettovloeroppervlakte van de slaapkamer ten minste 12 m2 bedragen.

  Art. 50. De voorzieningen die één of meer verdiepingen hebben boven of onder het normale evacuatieniveau, moeten, wat het aantal liften betreft, beantwoorden aan de norm NBN E52-019, wat aangetoond moet worden door een berekeningsnota conform voormelde norm.
  Bij gebrek aan voormelde berekeningsnota wordt er minstens één lift per aangesneden schijf van 40 bejaarde personen vereist.
  Ten minste één lift moet een draagberrie kunnen vervoeren.

  Art. 51. Glazen deuren, die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de bejaarde personen worden door een op ooghoogte waarneembare contrasterende kleurstrook aangegeven.

  Art. 52. Alle voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen om brandgevaar te beperken, onder meer via de bescherming van de brandbare materialen.

  Art. 53. Alle vloeren en wanden moeten gemakkelijk te onderhouden zijn.

  Art. 54. De toiletten dienen over een goede rechtstreekse verluchting of een degelijke ventilatie te beschikken en zijn gemakkelijk toegankelijk. Elk toilet moet uitgerust zijn met aangepaste muurleuningen, een klerenhaak en een gemakkelijk bereikbare closetpapierhouder, met papier, en met een sanitair aangepaste vuilnisbak.
  De deuren gaan naar buiten open of zijn schuifdeuren. Elk toilet beschikt over een slot dat van buiten kan worden geopend.

  Art. 55. Het bad of stortbad moet gebruiksvriendelijk zijn. Deze installaties moeten met een antislipbodem en muurleuningen worden uitgerust.
  De straal van het stortbad moet verstelbaar zijn.

  HOOFDSTUK V. - Normen betreffende de directeur

  Art. 56. De directeur moet tijdens de kantooruren kunnen worden gecontacteerd; bovendien moet hij op afspraak beschikbaar zijn, minstens vier uur per week, verdeeld over minimaal twee dagen, waarvan minstens één uur na achttien uur.

  Art. 57. De directeur kan de directeur zijn van een andere door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie erkende voorziening.

  Art. 58. Indien de directeur alleen verbonden is aan de woning voor bejaarde personen, moet hij minstens houder zijn van een diploma van hoger niet-universitair onderwijs en een opleiding van minstens 100 uren hebben gevolgd.
  Er wordt aan de voormelde voorwaarden voldaan indien uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet.
  Bij afwijking van het eerste lid en voor een maximum duur van twee jaar mag de beheerder een persoon die de opleiding tot directeur volgt, als directeur in dienst nemen.

  Art. 59. Het slagen in de in artikel 58 bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de Ministers wordt erkend, wordt door een attest bekrachtigd, na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid.

  Art. 60. De directeur moet bovendien deelnemen aan een voortgezette beroepsopleiding van minstens drie dagen per jaar. Het programma van deze dagen moet op zijn laatst één maand voor de organisatie ervan door de Ministers worden erkend.

  TITEL IV. - Bijzondere normen toepasselijk op de service-residenties en de residentiële gebouwen die diensten aanbieden, bedoeld in artikel 2, 4°, b), [α], van de ordonnantie (ERRATUM, zie B.St. 22-10-2010, 62935)

  HOOFDSTUK I. - Algemeen

  Art. 61. Onverminderd de in Titel II bepaalde algemene normen moeten de serviceresidenties en het residentiële gebouw dat diensten aanbiedt, in de zin van artikel 2, 4°, b), a, van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen.

  HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de huurovereenkomst, het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijk dossier

  Afdeling 1. - Huisvestingsovereenkomst

  Onderafdeling 1. - Duur van de huurovereenkomst

  Art. 62. De overeenkomst wordt voor een onbepaalde duur gesloten; de eerste maand dient als proefperiode.

  Onderafdeling 2. - Ontbinding van de huurovereenkomst

  Art. 63. § 1. Vóór de opname mag de bejaarde persoon de overeenkomst zonder kosten opzeggen, op voorwaarde dat hij de beheerder hiervan, bij aangetekende brief, binnen een termijn van zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de ondertekening van het contract, verwittigt.
  § 2. Gedurende de proefperiode kunnen de twee partijen de overeenkomst ontbinden mits een opzegging van zeven dagen.
  § 3. Na deze proefperiode mag de overeenkomst op elk ogenblik ontbonden worden mits een opzeggingstermijn die niet korter dan drie maanden mag zijn in geval van ontbinding door de beheerder en twee maanden in geval van ontbinding door de bejaarde persoon.
  § 4. De ontbinding geschiedt schriftelijk, hetzij bij aangetekende brief, hetzij bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, uiterlijk twee werkdagen vóór het ingaan van de opzeggingstermijn.
  De door de beheerder gegeven opzegging is behoorlijk gemotiveerd, bij gebrek hieraan wordt de opzegging als niet gegeven beschouwd.
  § 5. Indien de bejaarde persoon de voorziening verlaat tijdens de door de beheerder gegeven opzeggingsperiode, dient hij deze opzeggingstermijn niet tot het einde ervan te presteren.
  § 6. De bejaarde persoon die de overeenkomst zonder inachtneming van de opzeggingstermijn ontbindt, kan verplicht zijn een vergoeding te betalen, gelijk aan de maandelijkse huurprijs die de duur van de vastgestelde opzegging dekt, met uitsluiting van eventuele toeslagen.
  § 7. In geval van ontbinding wegens medische redenen, bevestigd door een arts, mag de opzeggingstermijn voor de bejaarde niet langer zijn dan dertig dagen.
  In geval van overlijden van de bejaarde persoon begint een opzeggingstermijn van dertig dagen ambtshalve te lopen op de dag van het overlijden.
  In deze twee gevallen kunnen de partijen evenwel overeenkomen om deze opzeggingstermijn in te korten en de verplichting om de te betalen huurprijs te beperken tot de periode van werkelijke bewoning van de lokalen.

  Onderafdeling 3. - Plaatsbeschrijving, waarborg en nummer van de woning

  Art. 64. De plaatsbeschrijving van de door de bejaarde persoon betrokken woning wordt door hem en de directeur getekend en bij de overeenkomst gevoegd.
  Indien er geen omstandige plaatsbeschrijving werd opgesteld, dan wordt de bejaarde persoon geacht het gehuurde goed in dezelfde staat te hebben ontvangen als die waarin het zich op het einde van de overeenkomst bevindt, behoudens bewijs van het tegendeel door de beheerder.

  Art. 65. De overeenkomst vermeldt het bedrag van de eventueel gestorte waarborg :
  1° wanneer een waarborg wordt geëist, wordt hij door de partijen op een eigen rekening geplaatst, geopend op naam van de bejaarde persoon bij een financiële instelling, met de vermelding van de bestemming : " waarborg voor elke schuldvordering voortvloeiend uit de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de verplichtingen van de bewoner ";
  2° de intresten van de aldus belegde som worden gekapitaliseerd. Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de bejaarde persoon of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventueel krachtens de overeenkomst verschuldigde kosten en vergoedingen;
  3° in ieder geval mag de waarborgrekening, zowel wat het kapitaal als de interesten betreft, slechts gebruikt worden ten voordele van de ene of de andere partij en mits hetzij een schriftelijk akkoord gesloten tussen de partijen, opgemaakt op een latere datum dan die van het afsluiten van de overeenkomst, hetzij een eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing wordt overgelegd.

  Art. 66. Het bedrag van de waarborg mag niet hoger zijn dan twee keer de maandelijkse huurprijs die in de overeenkomst bepaald is.

  Art. 67. De overeenkomst neemt het nummer over van de betrokken woning.

  Onderafdeling 4. - Huisvestingskost

  Art. 68. De overeenkomst neemt de maandelijkse huurprijs over alsmede de prijs van de huisvestingslasten.
  De maandelijkse huisvestingskost omvat minstens :
  1° het gebruik van de individuele woning;
  2° het gebruik van de gemeenschappelijke ruimten, met inbegrip van de liften, overeenkomstig het huishoudelijk reglement;
  3° het gewone onderhoud en het reinigen van de gemeenschappelijke ruimten, materiaal en producten inbegrepen;
  4° de herstellingen van de woning die uit een gewoon huurgebruik voortvloeien;
  5° het gebruik van het meubilair van de gemeenschappelijke ruimten;
  6° de afvalverwijdering;
  7° de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten en hun onderhoud;
  8° het gebruik van alle gemeenschappelijke sanitaire installaties;
  9° de elektrische installaties van de gemeenschappelijke ruimten, het onderhoud ervan en elke wijziging erin en het elektriciteitsverbruik van de gemeenschappelijke ruimten;
  10° het gebruik van de installaties voor de bewaking, de bescherming tegen brandgevaar en intercom;
  11° in voorkomend geval, het gebruik van de openbare telefoontoestellen, met uitsluiting van de kostprijs van de persoonlijke commu-nicaties;
  12° de kosten voor de organisatie van de permanentie bepaald in artikel 86;
  13° de verzekeringen, die de beheerder heeft aangegaan overeenkomstig de wetgeving, met uitzondering van elke persoonlijke verzekering van de bejaarde persoon.

  Art. 69. De kosten van het water-, elektriciteits- en verwarmingsverbruik van de privéwoning worden door de bejaarde persoon betaald, hetzij rechtstreeks bij de distributiefirma, hetzij bij de beheerder, op basis van een individuele meter.

  Art. 70. Wanneer de bejaarde persoon bezit neemt van de woning in de loop van de maand, is hij voor de eerste maand een bedrag verschuldigd dat evenredig is met het resterende deel van de maand.

  Art. 71. Wat de in hoofdstuk III bedoelde diensten betreft, vermeldt de overeenkomst, de kortingsvoorwaarden van de financiële tegemoet-koming van de bejaarde persoon in geval van een ziekenhuisopname of een ononderbroken afwezigheid van meer dan zeven dagen.

  Art. 72. In alle gevallen blijft de verplichting tot betaling van de maandelijkse huisvestingsprijs van toepassing zolang de woning niet is vrijgegeven.

  Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement

  Art. 73. Het huishoudelijk reglement bevat verplicht de volgende bijkomende vermeldingen :
  1° de permanente vrije toegang tot de bejaarde persoon voor de familie, de vrienden en de bedienaars van de erediensten of de lekenconsulenten die door deze persoon of zijn vertegenwoordiger worden gevraagd;
  2° de vrije keuze van het verplegend en paramedisch personeel;
  3° de samenstelling en de wijze waarop de participatieraad is georganiseerd alsmede het recht, voor de bejaarde persoon, om ervan deel uit te maken, overeenkomstig artikel 10;
  4° de wijze waarop de suggesties of opmerkingen, bedoeld in artikel 12, en de klachten, bedoeld in artikel 9, worden ingediend en onderzocht; het vermeldt onder meer de plaats waar de naam van de persoon aan wie de suggesties en opmerkingen kunnen worden gemaakt, wordt aangebracht;
  5° de referenties van het verzekeringcontract dat de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de directeur en het personeel van de voorziening dekt;
  6° het recht om slechts de bezoekers van zijn keuze te ontvangen; elke bezoeker, en meer bepaald ieder personeelslid van de voorziening, moet de privacy van de bejaarde persoon eerbiedigen, onder meer door zich aan te melden vóór hij de woning binnentreedt.

  Afdeling 3. - Vertrouwelijk dossier

  Art. 74. Een vertrouwelijk dossier moet voor elke bejaarde persoon bij zijn opname worden opgemaakt. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, de behandeling en de bijwerking ervan wordt verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, indien nodig artikel 458 van het Strafwetboek.
  Dit vertrouwelijk dossier omvat :
  1° een afschrift van de individuele fiche;
  2° een exemplaar van de overeenkomst, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;
  3° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;
  4° de plaatsbeschrijving en de inventaris van de goederen bij de aankomst, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;
  5° in voorkomend geval, de bepalingen betreffende de voorwaarden met betrekking tot het levenseinde;
  6° de naam, het adres en het telefoonnummer van de persoon die de huisvestingsprijs verschuldigd is (de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger, het O.C.M.W.,...) en de inlichtingen betreffende de betaling.
  Onverminderd het door de ambtenaren uitgeoefende toezicht mag dit vertrouwelijk dossier, dat door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld. Het kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd.
  Het vertrouwelijk dossier van elke bejaarde persoon wordt door de voorziening minstens drie jaar na zijn overlijden of zijn vertrek bewaard.

  HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de verplicht aangeboden diensten waarop de bejaarde personen vrij een beroep kunnen doen

  Art. 75. De door de gezins- of huishoudelijke hulpen verleende diensten en de verpleegkundige zorgen waarop de bejaarde personen een beroep kunnen doen, maken het voorwerp uit van een bijzondere overeenkomst.
  Deze mag in geen geval door de beheerder van de voorziening aan de bejaarde persoon worden opgelegd.

  Art. 76. De voorziening moet minstens één warme maaltijd per dag aan de bejaarde persoon die het wenst bezorgen, 's middags of 's avonds, die gemeenschappelijk kan worden genuttigd.
  Voor het middag- en avondmaal moet er een keuze tussen twee menu's zijn.

  Art. 77. Het menu wordt aan de bejaarde personen medegedeeld en ten minste zeven dagen op voorhand, in het Frans en het Nederlands, op een toegankelijke en goed zichtbare plaats aangebracht.
  Het blijft ten minste twee maanden ter inzage van de ambtenaren.

  Art. 78. De door dit hoofdstuk bedoelde diensten maken het voorwerp uit van een afzonderlijke maandelijkse facturatie.

  HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de hygiëne

  Art. 79. Het voedsel moet gezond en gevarieerd zijn; het is aangepast aan de bejaarde personen.
  De door de arts voorgeschreven diëten moeten in acht worden genomen.
  De bederfelijke eetwaren worden bewaard, bereid en verdeeld volgens de meest strikte regels inzake netheid en hygiëne.

  Art. 80. De voorziening moet aan de administratie het bewijs leveren van de betaling van haar jaarlijkse forfaitaire bijdrage bij het Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.

  Art. 81. De keukens en waslokalen moeten dermate zijn ingericht dat hun geuren, dampen en geluiden de bejaarde personen niet hinderen; zij moeten uitgerust zijn met een systeem van lucht-verversing.

  Art. 82. Dieren mogen geen toegang hebben tot de keukens, noch tot de lokalen waar het voedsel wordt bewaard.

  Art. 83. De gemeenschappelijke lokalen beantwoorden aan hun bestemming en worden in een perfecte staat van netheid gehouden; zij worden regelmatig onderhouden en beschut tegen vochtigheid of insijpeling.

  Art. 84. Het verwarmingssysteem mag geen uitwaseming van vlammen, gassen of stof veroorzaken.

  Art. 85. Het vaste afval, onder meer het keukenafval, wordt in gesloten vuilniszakken opgeruimd. Die zakken moeten zó gesloten zijn dat het afval zich niet kan verspreiden en de bepalingen ter bescherming van het leefmilieu worden nageleefd.
  De voorziening schikt zich naar de uitgevaardigde richtlijnen om de selectieve ophaling te waarborgen.

  Art. 86. Drinkwater moet naar believen beschikbaar zijn.

  Art. 87. De lozing van het afvalwater moet permanent en in hygiënische omstandigheden worden gewaarborgd, overeenkomstig de vigerende regelgeving.

  Art. 88. Alle voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen om besmettelijke ziekten te voorkomen, overeenkomstig de ordonnantie van juli 2007 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid.

  HOOFDSTUK V. - Architectonische normen

  Art. 89. Elke woning moet ten minste bestaan uit een leefruimte, een kookruimte uitgerust met een elektrisch fornuis, een dampkap en een koelkast, een slaapkamer alsmede een van de andere lokalen gescheiden toilet, wasbak en een bad of stortbad en aangepast aan de bejaarde personen.
  Elke woning moet over een aansluiting op de telefoonlijn, de kabeltelevisie en het internet beschikken.

  Art. 90. Wanneer de leefruimte en de slaapkamer niet gescheiden zijn, bedraagt de totale nettovloeroppervlakte van die ruimte minstens 32 m2 voor één persoon en minstens 40 m2 voor twee personen, kookruimte inbegrepen. Wanneer die twee vertrekken gescheiden zijn, bedraagt de nettovloeroppervlakte van de slaapkamer ten minste 12 m2 .

  Art. 91. Als de voorziening geen functionele band heeft met een rusthuis dat vlakbij ligt, dienen de lokalen en gemeenschappelijke uitrustingen ten minste het volgende te bevatten :
  1° een polyvalente zaal die kan dienen als eet- en woonkamer, die beschikt over kabeltelevisie en een internetaansluiting;
  2° een toilet dat toegankelijk is voor personen met beperkte mobiliteit, in de nabijheid van de polyvalente zaal;
  3° een washok met wasketel en droger.
  De gemeenschappelijke lokalen dienen uitgerust te zijn met een systeem waardoor het dienstdoende personeel kan worden opgeroepen.

  Art. 92. Voor de bejaarde personen en het personeel moet in gescheiden, degelijke en voldoende aantallen sanitaire installaties worden voorzien. Deze laatste zijn uitgerust met een handenwasser.

  Art. 93. De verlichting van het gebouw en van de belangrijkste herkenningspunten moet aan de in de lokalen ontwikkelde activiteiten en aan de situatie van de bejaarde persoon aangepast zijn.
  In de gemeenschappelijke ruimten en de toiletten is het verboden de schakelaars met vertragingsfunctie te gebruiken, tenzij deze over een sensorsysteem beschikken.

  HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het personeel en de directeur

  Art. 94. Een personeelslid moet steeds, dag en nacht, in de voorziening aanwezig zijn, om onverwijld elke oproep van een bejaarde persoon te kunnen beantwoorden. Het beschikt ten minste over een opleiding als E.H.B.O.-er, waarvan de geldigheidsdatum niet overschreden is.
  Als de voorziening een functionele band heeft met een rusthuis dat in de onmiddellijke nabijheid ligt en op voorwaarde dat een systeem het hem mogelijk maakt oproepen van de bejaarde personen te ontvangen, kan het personeelslid dat instaat voor de wachtdienst in de service-residentie, in dat rusthuis aanwezig zijn zodat het onverwijld elke oproep van een bejaarde persoon van de service-residenties kan beantwoorden. In dat geval is de norm voor het nachtpersoneel de RH-norm en wordt die volgens het totaal aantal bejaarde personen van de verschillende eenheden berekend.

  Art. 95. De beheerder legt, voor hemzelf, voor ieder personeelslid en, voor de directeur of de natuurlijke persoon die deze taak waarneemt, een bewijs van goed gedrag en zeden voor aan de administratie.

  Art. 96. Bij verandering van beheerder of van directeur of bij de aanwerving van een nieuw personeelslid of van de directeur dient er een bewijs van goed gedrag en zeden te worden voorgelegd dat minder dan één maand oud is.

  Art. 97. De directeur moet tijdens de kantooruren kunnen worden gecontacteerd; bovendien moet hij op afspraak beschikbaar zijn, minstens vier uur per week, verdeeld over minimaal twee dagen, waarvan minstens één uur na achttien uur.

  Art. 98. Onverminderd artikel 187, § 1, mag de directeur de directeur zijn van een andere service-residentie of woning voor bejaarde personen.

  Art. 99.[1 1° de directeur die voor de eerste keer na de inwerkingtreding van dit besluit in functie treedt, moet, vóór zijn indiensttreding, ten minste houder zijn van een diploma van hoger niet-universitair onderwijs en een opleiding van minstens 250 uur volgen bij een universiteit of opleidingscentrum erkend door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, een andere Gemeenschap of bevoegde Gemeenschapscommissie.
   In afwijking op de eerste alinea zijn de titularissen van een kwalificatie erkend voor de uitoefening van de directeursfunctie van een rusthuis en de houders van een universitair diploma in ziekenhuisbeheer vrijgesteld van een bijkomende opleiding.
   2° worden vrijgesteld van de in 1° bedoelde eisen :
   a) de directeurs in functie op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, die hebben voldaan aan de toegangsvoor-waarden tot het beroep gesteld bij het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996 tot vaststelling van de normen waaraan de inrichtingen die bejaarden huisvesten, moeten voldoen, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
   b) de directeurs die de bij een vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit betekende ministeriële beslissing, opgelegde opleiding volgen;
   c) de directeurs die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, een aanvraag tot afwijking hebben ingediend bij de Ministers, overeenkomstig artikel 68 van het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996.
   3° in afwijking van 1° en voor een maximum-duur van twee jaar mag de beheerder een persoon die de opleiding tot directeur volgt, als directeur in dienst nemen.
   4° De directeur in functie van een rusthuis of van een service-residentie erkend door de bevoegde overheid in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese economische ruimte wordt geacht te beschikken over de vereiste opleiding.
   Er wordt aan de voormelde voorwaarden voldaan indien uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en de vereiste opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet
   Voor de toepassing van dit artikel dient onder nuttige ervaring te worden verstaan de ervaring opgedaan in de sectoren van de huisvesting van bejaarden, van de rust- en verzorgingstehuizen, van de ziekenhuizen of van de huisvesting van gehandicapte personen, voor zover het een verantwoordelijke functie betreft.]1
  ----------
  (1)<BESL 2010-11-18/01, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 29-11-2010>

  Art. 100. Het slagen in de in artikel 99 bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de Ministers wordt erkend, wordt door een attest bekrachtigd, na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid.

  Art. 101. De directeur moet bovendien deelnemen aan een voortgezette beroepsopleiding van minstens drie dagen per jaar. Het programma van deze dagen moet op zijn laatst één maand voor de organisatie ervan door de Ministers worden erkend.

  TITEL V. - Bijzondere normen toepasselijk op de service-residenties en residentiële gebouwen die diensten aanbieden, bedoeld in artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie

  HOOFDSTUK I. - Algemeen

  Art. 102. Onverminderd de in Titel II, Hoofdstuk I, bepaalde algemene normen moeten de serviceresidentie en het residentiële gebouw dat diensten aanbiedt, in de zin van artikel 2, 4°, b), ss, van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen.

  HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de overeenkomst, het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijk dossier

  Afdeling 1. - Bijzondere overeenkomst afgesloten tussen de vereniging van de mede-eigenaren en de beheerder

  Art. 103. Een overeenkomst wordt afgesloten tussen de vereniging van mede-eigenaren of haar gevolmachtigde en de beheerder, waartoe elke bejaarde persoon verplicht is toe te treden.
  Ze bepaalt onder meer :
  1° de duur van de overeenkomst, de procedure en de termijnen van ontbinding om een nieuwe beheerder aan te wijzen, waardoor de continuïteit van de diensten kan worden gewaarborgd, alsmede de wijze waarop de bejaarde personen over deze wijziging worden ingelicht;
  2° de maandelijkse kost van de verplichte diensten die duidelijk en beperkend worden opgesomd;
  3° de betalingswijzen en, in geval van betaling via de bank, het bankrekeningnummer van de voorziening;
  indien er een voorschot vereist is, zal het bedrag afgetrokken worden van de factuur die betrekking heeft op de eerste maand van huisvesting.

  Art. 104. Als de bejaarde persoon huurder is, dienen alle bestaande verplichtingen tussen de eigenaar van de woning en de beheerder in het huurcontract te worden vermeld; voor de huurcontracten die reeds vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden afgesloten, moeten deze verplichtingen bij het contract worden gevoegd.

  Art. 105.Ieder ontwerp van overeenkomst of iedere wijziging ervan wordt, na onderlinge overeenkomst aangenomen door de vereniging van mede-eigenaren of haar gemachtigde en de beheerder, voorafgaandelijk aan de goedkeuring van de Ministers of hun afgevaardigde worden voorgelegd. Zij beschikken over negentig dagen te rekenen van de ontvangst van het document om te beslissen. Bij gebreke aan een antwoord binnen deze termijn wordt de modelovereenkomst of de wijziging ervan geacht te zijn goedgekeurd.
  Het ontvangstbewijs dat als kennisneming geldt van het [1 overeenkomst]1 en van elke wijziging ervan, wordt bij het vertrouwelijk dossier gevoegd.
  Elke met de hierboven vermelde voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn.
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Afdeling 2. - Kosten van de verplichte diensten

  Art. 106. De overeenkomst vermeldt de maandelijkse kosten van de verplichte diensten die duidelijk en beperkend opgesomd zijn.
  Wat de diensten betreft die door de beheerder worden geboden in de gemeenschappelijke lokalen die hem door de vereniging van mede-eigenaren ter beschikking worden gesteld, omvat deze maandelijkse prijs ten minste :
  1° het gewone onderhoud en het reinigen van de gemeenschappelijke ruimten, materiaal en producten inbegrepen;
  2° het gebruik van het meubilair van de gemeenschappelijke ruimten;
  3° de afvalverwijdering;
  5° het gebruik van iedere gemeenschappelijke sanitaire installatie;
  5° het gebruik en het onderhoud van de elektrische installaties van de gemeenschappelijke ruimten;
  6° in voorkomend geval, het gebruik van de openbare telefoontoestellen, met uitsluiting van de kostprijs van de persoonlijke commu-nicaties;
  7° de kosten voor de organisatie van de permanentie, bepaald in artikel 118;
  8° de verzekeringen die de beheerder heeft aangegaan overeenkomstig de wetgeving, met uitzondering van elke persoonlijke verzekering van de bejaarde persoon.

  Art. 107. Wanneer de bejaarde persoon bezit neemt van de woning in de loop van de maand, is hij voor de eerste maand een bedrag verschuldigd dat evenredig is met het resterende deel van de maand.

  Art. 108. Wat de in hoofdstuk III bedoelde diensten betreft, vermeldt de overeenkomst, de kortingsvoorwaarden van de financiële tegemoet-koming van de bejaarde persoon in geval van een ziekenhuisopname of een ononderbroken afwezigheid van meer dan zeven dagen.

  Afdeling 3. - Huishoudelijk reglement

  Art. 109. Het huishoudelijk reglement bevat verplicht de volgende bijkomende vermeldingen :
  1° de permanente vrije toegang tot de bejaarde persoon voor de familie, de vrienden en de bedienaars van de erediensten of de lekenconsulenten die door deze bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden gevraagd;
  2° de vrije keuze van het verplegend en paramedisch personeel;
  3° de samenstelling en de wijze waarop de participatieraad is georganiseerd alsmede het recht, voor de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger, ervan deel uit te maken, overeenkomstig artikel 10;
  4° de wijze waarop de suggesties of opmerkingen, bedoeld in artikel 12, en de klachten, bedoeld in artikel 9, worden ingediend en onderzocht; het vermeldt onder meer de plaats waar de naam van de persoon aan wie de suggesties en opmerkingen kunnen worden gemaakt, wordt aangebracht;
  5° de referenties van het verzekeringcontract dat de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de beheerder en zijn personeel dekt.

  Afdeling 4. - Het vertrouwelijk dossier

  Art. 110. Een vertrouwelijk dossier moet voor elke bejaarde bij zijn opname worden opgemaakt. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, de behandeling en de bijwerking ervan wordt verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, indien nodig artikel 458 van het Strafwetboek.
  Dit vertrouwelijk dossier omvat :
  1° een afschrift van de individuele fiche;
  2° een exemplaar van de bijzondere overeenkomst, afgesloten tussen de vereniging van de mede-eigenaren of haar gemachtigde en de beheerder, waartoe de bejaarde persoon heeft toegetreden;
  3° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon;
  4° in voorkomend geval, de bepalingen betreffende de voorwaarden met betrekking tot het levenseinde.
  Onverminderd het door de ambtenaren uitgeoefende toezicht mag dit vertrouwelijk dossier, dat door de bejaarde persoon werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld. Het kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd.
  Het vertrouwelijk dossier van elke bejaarde persoon wordt door de voorziening minstens drie jaar na zijn overlijden of zijn vertrek bewaard.

  HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de verplicht voorgestelde diensten

  Art. 111. De beheerder staat in voor het dagelijks onderhoud, de schoonmaak en de herstelling van de gemeenschappelijke lokalen bedoeld in deze Titel.

  Art. 112. De beheerder garandeert ten minste één warme maaltijd per dag aan de bejaarde persoon, 's middags of 's avonds, die gemeenschappelijk kan worden genuttigd.
  Voor het middag- en avondmaal moet er een keuze tussen twee menu's zijn.

  Art. 113. Het menu wordt aan de bejaarde personen medegedeeld en ten minste zeven dagen op voorhand, in het Frans en het Nederlands, op een toegankelijke en goed zichtbare plaats aange-bracht.
  Het blijft ten minste twee maanden ter inzage van de ambtenaren.

  Art. 114. Het voedsel moet gezond en gevarieerd zijn; het is aangepast aan de bejaarde personen.
  De door de arts voorgeschreven diëten moeten in acht worden genomen.
  De bederfelijke eetwaren worden bewaard, bereid en verdeeld volgens de meest strikte regels inzake netheid en hygiëne.

  HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de hygiëne

  Art. 115. De beheerder moet aan de administratie het bewijs leveren van de betaling van haar jaarlijkse forfaitaire bijdrage bij het Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.

  Art. 116. De keukens en waslokalen moeten dermate zijn ingericht dat hun geuren, dampen en geluiden de bejaarde personen niet hinderen; zij moeten uitgerust zijn met een systeem van lucht-verversing, waarvan het onderhoud door de beheerder wordt verzekerd.

  Art. 117. Dieren mogen geen toegang hebben tot de keukens, noch tot de lokalen waar het voedsel wordt bewaard.

  HOOFDSTUK V. - Normen betreffende het personeel en de directeur

  Art. 118. Een personeelslid moet steeds, dag en nacht, in de voorziening zelf aanwezig zijn om onverwijld elke oproep van een bejaarde persoon te kunnen beantwoorden. Hij beschikt ten minste over een opleiding als E.H.B.O.-er.

  Art. 119. Bij verandering van beheerder of van directeur of bij de aanwerving van een nieuw personeelslid of van de directeur dient er een bewijs van goed gedrag en zeden te worden voorgelegd dat minder dan één maand oud is.

  Art. 120. Op hun vraag legt de beheerder, voor hemzelf, voor ieder personeelslid en, voor de directeur of de natuurlijke persoon die deze taak waarneemt, een bewijs van goed gedrag en zeden voor aan de administratie.

  Art. 121. De directeur moet tijdens de kantooruren kunnen worden gecontacteerd; bovendien moet hij op afspraak beschikbaar zijn, minstens vier uur per week, verdeeld over minimaal twee dagen, waarvan een uur na achttien uur.

  Art. 122. De directeur kan de directeur zijn van een andere voorziening. Indien de directeur eveneens directeur is van een rusthuis, dient hij enkel te beantwoorden aan de in artikel 184 bedoelde norm.

  Art. 123.[1 1° de directeur die voor de eerste keer na de inwerkingtreding van dit besluit in functie treedt, moet, vóór zijn indiensttreding, ten minste houder zijn van een diploma van hoger niet-universitair onderwijs en een opleiding van minstens 250 uur volgen bij een universiteit of opleidingscentrum erkend door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, een andere Gemeenschap of bevoegde Gemeenschapscommissie.
   In afwijking op de eerste alinea zijn de titularissen van een kwalificatie erkend voor de uitoefening van de directeursfunctie van een rusthuis en de houders van een universitair diploma in ziekenhuisbeheer vrijgesteld van een bijkomende opleiding.
   2° worden vrijgesteld van de in 1° bedoelde eisen :
   a) de directeurs in functie op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, die hebben voldaan aan de toegangsvoor-waarden tot het beroep gesteld bij het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996 tot vaststelling van de normen waaraan de inrichtingen die bejaarden huisvesten, moeten voldoen, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
   b) de directeurs die de bij een vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit betekende ministeriële beslissing, opgelegde opleiding volgen;
   c) de directeurs die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, een aanvraag tot afwijking hebben ingediend bij de Ministers, overeenkomstig artikel 68 van het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996.
   3° in afwijking van 1° en voor een maximum-duur van twee jaar mag de beheerder een persoon die de opleiding tot directeur volgt, als directeur in dienst nemen.
   4° De directeur in functie van een rusthuis of van een service-residentie erkend door de bevoegde overheid in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese economische ruimte wordt geacht te beschikken over de vereiste opleiding.
   Er wordt aan de voormelde voorwaarden voldaan indien uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en de vereiste opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet
   Voor de toepassing van dit artikel dient onder nuttige ervaring te worden verstaan de ervaring opgedaan in de sectoren van de huisvesting van bejaarden, van de rust- en verzorgingstehuizen, van de ziekenhuizen of van de huisvesting van gehandicapte personen, voor zover het een verantwoordelijke functie betreft.]1
  ----------
  (1)<BESL 2010-11-18/01, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 29-11-2010>

  Art. 124. Het slagen in de in artikel 123 bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de Ministers wordt erkend, wordt door een attest bekrachtigd, na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid.
  De Ministers kunnen de kandidaat-directeur of de directeur in functie van die opleidingen geheel of gedeeltelijk vrijstellen, rekening houdend met zijn diploma's of met zijn opgedane ervaring.

  Art. 125. De directeur moet bovendien deelnemen aan een voortgezette beroepsopleiding van minstens drie dagen per jaar. Het programma van deze dagen moet op zijn laatst één maand voor de organisatie ervan door de Ministers worden erkend.

  Art. 126. De beheerder werkt in samenwerking met de brandweer een veiligheidsplan uit; voor de gemeenschappelijke ruimten past dit plan, in voorkomend geval, in het algemeen veiligheidsplan van het gebouw.
  De beheerder organiseert de opleiding van zijn personeel inzake brandpreventie en -bestrijding. Hij moet op elk ogenblik het bewijs hiervan kunnen leveren.

  HOOFDSTUK VI. - [1 Participatieraad]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2011-09-08/08, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Art. 126bis. [1 § 1. De syndicus van de service-residentie in mede-eigendom wordt uitgenodigd op elke vergadering van de participatieraad.
   § 2. De participatieraad onderhoudt regelmatige contacten met de syndicus of met de vereniging van mede-eigenaren en pleegt, met nauwkeurige naleving van ieders rechten en plichten, met hen overleg over alle punten die, zij het gedeeltelijk, onder de bevoegdheid van de mede-eigendom vallen. "
   De modaliteiten van het overleg zijn opgenomen in het huishoudelijk reglement.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2011-09-08/08, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  TITEL VI. - Bijzondere normen toepasselijk op de rusthuizen alsmede de voorzieningen
  die plaatsen voor kortverblijf aanbieden

  HOOFDSTUK I. - Algemeen

  Art. 127. Onverminderd de in Titel II bepaalde algemene normen moeten de rusthuizen, alsmede de instellingen die plaatsen voor kortverblijf aanbieden, bedoeld in artikel 2, 4°, c) en f), van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen.

  Art. 128. De nieuwe voorzieningen mogen per vestigingsplaats niet meer dan 200 bedden uitbaten.

  HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de overeenkomst, de individuele fiche, het huishoudelijk reglementen het vertrouwelijk dossier

  Afdeling 1. - Overeenkomst

  Onderafdeling 1. - Algemeen

  Art. 129. § 1. Onverminderd artikel 40 wordt vóór de opname tussen de voorziening en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger, een overeenkomst afgesloten die verplicht vermeldt :
  1° overeenkomstig artikel 11, § 1, vierde lid, 10°, van de ordonnantie de elementen die gedekt zijn door de dagprijs alsmede de kosten die duidelijk en beperkend kunnen worden gefactureerd, ofwel als toeslagen, ofwel als voorschotten ten gunste van derden, bovenop de dagprijs, overeenkomstig bijlage II betreffende de toeslagen op de dagprijs;
  2° de kortingsvoorwaarden van de financiële tegemoetkoming van de bejaarde persoon in geval van een ziekenhuisopname of een ononderbroken afwezigheid van meer dan zeven dagen;
  3° het feit dat de verplichting tot betaling van de dagprijs van toepassing blijft zolang de kamer niet is vrijgegeven, na het verstrijken van de in artikel 132 bepaalde opzeggingstermijn;
  4° het bedrag van de eventueel gestorte waarborg mag niet hoger zijn dan de maandelijkse huurprijs :
  a) wanneer een waarborg wordt geëist, wordt hij door de partijen op een eigen rekening geplaatst, geopend op naam van de bejaarde bij een financiële instelling, met de vermelding van de bestemming : " waarborg voor elke schuldvordering voortvloeiend uit de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de verplichtingen van de bejaarde persoon ";
  b) de intresten van de aldus belegde som worden gekapitaliseerd. Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de bejaarde of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventueel krachtens de overeenkomst verschuldigde kosten en vergoedingen;
  c) in ieder geval mag de waarborgrekening, zowel wat het kapitaal als de interesten betreft, slechts gebruikt worden ten voordele van de ene of de andere partij en mits hetzij een schriftelijk akkoord afgesloten tussen de partijen, opgemaakt op een latere datum dan die van het sluiten van de overeenkomst, hetzij een eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing wordt overgelegd;
  d) er mag geen waarborg geëist worden in geval van een huisvesting in een kortverblijf;
  5° het nummer van de kamer die door de bejaarde persoon wordt bewoond.
  § 2. In geval van een dringende opname wordt de overeenkomst binnen zeven werkdagen volgend op de opname van de bejaarde persoon afgesloten.

  Art. 130. De plaatsbeschrijving van de door de bejaarde persoon betrokken kamer wordt door hem of zijn vertegenwoordiger en de directeur of, in voorkomend geval, de beheerder, getekend en bij de overeenkomst gevoegd.
  Indien er geen omstandige plaatsbeschrijving werd opgemaakt, dan wordt de bejaarde persoon geacht de kamer te hebben ontvangen in dezelfde staat als die waarin het zich op het einde van de overeenkomst bevindt, behoudens bewijs van het tegendeel door de beheerder.

  Afdeling 2. - Duur en ontbinding van de overeenkomst

  Art. 131. De overeenkomst wordt voor onbepaalde of bepaalde duur gesloten, de eerste maand dient als proefperiode.
  In geval van huisvesting in een kortverblijf moet een overeenkomst voor bepaalde duur worden gesloten.

  Art. 132. § 1. Vóór de opname mag de bejaarde persoon de overeenkomst zonder kosten opzeggen, op voorwaarde dat hij de beheerder hiervan, bij aangetekende brief, binnen een termijn van zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de ondertekening van het contract, verwittigt.
  § 2. Gedurende de proefperiode kunnen de twee partijen de overeenkomst ontbinden mits een opzegging van zeven dagen.
  § 3. Na deze proefperiode mag de overeenkomst op elk ogenblik ontbonden worden, mits een opzeggingstermijn die niet korter dan twee maanden mag zijn in geval van ontbinding door de beheerder en één maand in geval van ontbinding door de bejaarde persoon.
  In geval van ontbinding wegens medische redenen, bevestigd door een arts, mag de opzeggingstermijn voor de bejaarde persoon niet langer zijn dan veertien dagen.
  In geval van overlijden van een bejaarde persoon begint een opzeggingstermijn van vijftien dagen ambtshalve te lopen op de dag van het overlijden.
  In deze twee gevallen kunnen de partijen evenwel overeenkomen om deze opzeggingstermijn in te korten en de verplichting om de dagprijs te betalen tot de periode van werkelijke bewoning van de lokalen te beperken.
  § 4. Als de behandelende arts vindt dat de fysieke en geestelijke toestand van de bejaarde persoon dusdanig zó is dat er onherroepelijk bijzondere zorg vereist is in een meer passende voorziening, dan verbindt de voorziening er zich toe om de opzeggingstermijn te verlengen a rato van de tijd die nodig is om een nieuwe voorziening te vinden, voor zover de voortzetting van de huisvesting van de betrokken bejaarde persoon, op grond van een door die arts opgemaakt attest, geen ernstig gevaar inhoudt voor hemzelf of voor derden.
  § 5. In geval van huisvesting in een kortverblijf kan de overeenkomst worden ontbonden mits een opzegging van zeven dagen, ongeacht de partij die van deze opzegging kennis geeft.
  § 6. De ontbinding geschiedt schriftelijk, hetzij bij aangetekende brief, hetzij bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, uiterlijk twee werkdagen vóór het ingaan van de opzeggingstermijn.
  De door de beheerder gegeven opzeggingstermijn is behoorlijk gemotiveerd; bij gebrek hieraan wordt de opzegging als niet gegeven beschouwd.
  § 7. Indien de bejaarde persoon de voorziening verlaat tijdens de periode van de opzegging gegeven door de beheerder, is hij niet verplicht deze opzeg te presteren tot het einde ervan.
  § 8. De bejaarde persoon die de overeenkomst zonder inachtneming van de opzeggingstermijn ontbindt, kan verplicht zijn een vergoeding te betalen, gelijk aan de huurprijs die de duur van de vastgestelde opzegging dekt, met uitsluiting van eventuele toeslagen.

  Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement

  Art. 133. Buiten de in artikel 7 bedoelde vermeldingen, bevat het huishoudelijk reglement verplicht de volgende bijkomende vermeldingen :
  1° de nauwkeurige omschrijving, in de bijzondere opnamevoorwaarden, van onder meer de bejaarde personen die minder dan zestig jaar oud zijn en de afhankelijkheidsgraden die voor de opname van de bejaarde personen in de voorziening worden geselecteerd;
  2° volledige bewegingsvrijheid in de voorziening alsmede volledige vrijheid om de voorziening te verlaten, tenzij een attest van de behandelende arts het tegenovergestelde voorschrijft;
  3° de door de voorziening ingevoerde schriftelijke procedures betreffende de afzondering, het toezicht en de immobilisatie, bedoeld in artikel 151;
  4° de vrijheid om elke dag bezoek te ontvangen minstens tussen 11 tot 20 uur, met inbegrip van zon- en feestdagen, zonder de dienst te storen;
  5° het recht om slechts de bezoekers van zijn keuze te ontvangen; elke bezoeker moet zich bekendmaken vooraleer de kamer te betreden;
  6° elk personeelslid van de voorziening dient ervoor te zorgen dat het privéleven van de bejaarde persoon wordt geëerbiedigd, onder meer door zich bekend te maken vooraleer de kamer te betreden;
  7° het feit dat de naam van de bejaarde persoon aan de buitenkant van de kamer wordt aangebracht, tenzij laatstgenoemde of zijn vertegenwoordiger zich daartegen verzet;
  8° behalve een voorschrift van de behandelende arts, het verbod om de bejaarde persoon van kamer te veranderen, zonder zijn schriftelijke toestemming of de toestemming van zijn vertegenwoordiger;
  9° de vrije keuze van de kinesitherapeut en het paramedisch personeel voor de bijkomende verzorging naast die welke door de voorziening wordt aangeboden, onder voorbehoud, desgevallend, en voor zover bewezen wordt dat de tarifaire veiligheid niet wordt nageleefd, van de voorwaarden waaronder de financiële tenlasteneming van de zorgen onderworpen kan worden aan een beslissing van het bevoegde O.C.M.W.;
  10° de permanente vrije toegang tot de stervende bejaarde voor de familie, de vrienden en de bedienaars van de erediensten of de lekenconsulenten die door deze bejaarde persoon worden gevraagd of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;
  11° de toelatingsvoorwaarden voor een gezelschapsdier.

  Afdeling 3. - Vertrouwelijk dossier

  Art. 134. Een vertrouwelijk dossier moet voor elke bejaarde persoon bij zijn opname worden opgemaakt. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, de behandeling en de bijwerking ervan wordt verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, indien nodig artikel 458 van het Strafwetboek.
  Dit vertrouwelijk dossier omvat :
  1° een afschrift van de individuele fiche;
  2° in voorkomend geval, het schriftelijk attest waarbij de vertegenwoordiger wordt aangesteld of een afschrift van de rechterlijke beslissing genomen overeenkomstig Titel XI van Boek I van het Burgerlijk Wetboek;
  3° een exemplaar van de overeenkomst, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;
  4° in voorkomend geval, de bepalingen betreffende de voorwaarden met betrekking tot het levenseinde die overeenkomstig de wensen van de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger dienen te worden nageleefd;
  5° de plaatsbeschrijving en de inventaris van de goederen bij de opname, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;
  6° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;
  7° de naam, het adres en het telefoonnummer van de persoon die de dagprijs verschuldigd is en de inlichtingen betreffende de betaling;
  8° indien zij door de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger, werden meegedeeld, de inlichtingen betreffende het pensioen (aard, fonds en rekeningnummer).
  Onverminderd het door de ambtenaren uitgeoefende toezicht mag dit vertrouwelijk dossier, dat door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld.
  Het kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd.
  Het vertrouwelijk dossier van elke bejaarde persoon wordt door de voorziening minstens drie jaar na zijn overlijden of, in voor komend geval vertrek bewaard.

  HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de voeding, de hygiëne, de verzorging en de animatie

  Afdeling 1. - Voeding

  Art. 135.§ 1. De bederfelijke eetwaren worden bewaard, bereid en verdeeld volgens de meest strikte regels inzake netheid en hygiëne.
  § 2. Het voedsel moet gezond en gevarieerd zijn; het is aangepast aan de gezondheidstoestand van de bejaarde persoon.
  De voorziening dient ten minste maandelijks te zorgen voor afwisselende maaltijden.
  § 3. De voorziening beschikt over een schriftelijk voedingsprogramma dat onder meer voorziet in gedocumenteerde procedures of protocollen die toegepast worden voor de voortijdige opsporing van [1 de ondervoeding en de dehydratatie alsmede]1 en de opvolging van de ondervoede en uitgedroogde bejaarde persoon.
  § 4. De door de arts voorgeschreven diëten moeten in acht worden genomen, zonder aanleiding te geven tot bijkomende kosten.
  In geval van [1 enterale]1 voeding onder medisch voorschrift worden de voedingsproducten gefactureerd ten belope van het verschil met de prijs van de gewone voeding.
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Art. 136. Het menu wordt aan de bejaarde personen meegedeeld en ten minste zeven dagen op voorhand, in het Frans en het Nederlands, op een toegankelijke en goed zichtbare plaats aangebracht.
  Het wordt ten minste twee maanden ter inzage van de ambtenaren bewaard.

  Art. 137. Tenzij er een medische tegenaanwijzing bestaat, die bij het verzorgingsdossier wordt gevoegd, mag het ontbijt niet vóór 7 u. 30 worden opgediend, het middagmaal niet vóór 11 u. 30 en het avondmaal niet vóór 17 u. 30 m.

  Art. 138. Voor het middag- en avondmaal moet er een keuze tussen twee menu's zijn.

  Art. 139. De voorziening moet ten minste één warme maaltijd per dag, 's middags of 's avonds, aan de bejaarde persoon bezorgen, die gemeenshappelijk kan worden genuttigd.
  Aan de bejaarde personen die dit wensen, of voor wie het om gezondheidsredenen noodzakelijk is, moet de voorziening op elk ogenblik een tussendoortje kunnen bezorgen, zonder financiële meerkost.

  Afdeling 2. - Hygiëne

  Art. 140. De keukens en waslokalen moeten dermate zijn ingericht en ingeplant dat hun geuren, dampen en geluiden de bejaarde personen niet hinderen; zij moeten uitgerust zijn met een systeem van luchtverversing.

  Art. 141. De voorziening moet aan de administratie het bewijs leveren van de betaling van haar jaarlijkse forfaitaire bijdrage bij de Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.

  Art. 142. Dieren mogen geen toegang hebben tot de keukens, de lokalen waar het voedsel wordt bewaard, noch tot de lokalen voor de verzorging of de voorbereiding van de verdeling van de geneesmiddelen.

  Art. 143. Het beddegoed moet steeds zindelijk en in goede staat worden gehouden. Het moet ten minste om de acht dagen en telkens het nodig blijkt, worden ververst.

  Art. 144. Alle passende hygiënische voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen inzake de vuile was, die steeds uit de voor bejaarde personen toegankelijke lokalen alsmede de keukens, de eetkamer, de lokalen waar het voedsel wordt bewaard, de lokalen voor de verzorging of de voorbereiding van de verdeling van de genees-middelen, moet worden verwijderd.

  Art. 145. Nachtstoelen mogen slechts worden gebruikt wanneer dit voor de bejaarde persoon strikt noodzakelijk is en nooit tijdens de maaltijden. Zij mogen niet worden gebruikt om de gewone zetels te vervangen.
  In elk geval moeten zij steeds zindelijk en hygiënisch worden gehouden.
  Het gebruik van luiers wordt beperkt tot incontinente personen en mag de hulpverlening bij het gebruik van de toiletten van personen met verlies van zelfredzaamheid niet vervangen.

  Art. 146. Voor de bejaarde personen en het personeel moet in gescheiden, degelijke en in voldoende aantal sanitaire installaties worden voorzien.

  Art. 147. De badkuipen of stortbaden moeten dagelijks door de bejaarde personen kunnen worden gebruikt.
  In elk geval moet de directie van de voorziening ervoor zorgen dat geen enkele bejaarde persoon de andere bejaarde personen door een gebrek aan zindelijkheid hindert.
  Elke bejaarde persoon neemt ten minste één keer per week een bad of een douche.

  Art. 148. Alle gemeenschappelijke lokalen moeten steeds zindelijk worden gehouden en aan hun bestemming beantwoorden.

  Art. 149. De voorziening moet het materiaal en de producten ter beschikking stellen die nodig zijn ter voorkoming van infecties verbonden aan de verzorging en de procedures betreffende deze preventie bepalen, door onder meer een handleiding op te stellen betreffende het te volgen beleid inzake hygiëne en preventie van nosocomiale aandoeningen in de voorziening.

  Afdeling 3. - Hulpverlening en verzorging

  Art. 150. § 1. Bij het binnenkomen van de bejaarde persoon in de voorziening wordt er een multidisciplinaire evaluatie van de persoon uitgevoerd en een individueel zorg- en begeleidingsplan met betrekking tot het leefproject aangenomen.
  Dit plan wordt regelmatig herzien afhankelijk van de evolutie van de toestand van de bejaarde persoon; het wordt gevoegd bij het in artikel 152 bedoelde medisch dossier.
  § 2. Aan de bejaarde personen die niet in staat zijn alleen de activiteiten van het dagelijks leven te verrichten moet de nodige hulp worden geboden.
  § 3. Het persoonlijk ritme van de bejaarde persoon heeft de overhand op de organisatie en het dienstrooster van de tussenkomsten van het personeel.
  § 4. Tussen 22 en 7 uur ziet de voorziening erop toe bij de bejaarde personen enkel in geval van nood of oproep in te grijpen, dan wel wegens een hygiënische noodtoestand of indien de tussenkomst door de arts is voorgeschreven.
  § 5. De voorziening moet ervoor zorgen dat een dagelijkse toilet wordt gegeven aan de bejaarde personen die wegens hun gezondheids-toestand hulp nodig hebben. Deze hulp dient individueel te worden geboden.
  De dagelijkse verzorging mag niet vóór 7 u. worden gegeven en enkel als de bejaarde persoon wakker is.

  Art. 151. Als er maatregelen inzake immobilisatie, toezicht of afzondering noodzakelijk zijn, dan kunnen die slechts worden genomen op medisch voorschrift, na overleg met een pluridisciplinair team; deze maatregelen zullen aan de bejaarde persoon, ongeacht zijn toestand, aan zijn familie of zijn vertegenwoordiger, worden medegedeeld en bij het medisch dossier worden gevoegd; deze maatregelen zullen altijd in de tijd worden beperkt en zullen het voorwerp uitmaken van een evaluatie door een pluridisciplinair team; deze maatregelen dienen uitzonderlijk te blijven en kunnen slechts worden genomen als alle andere alternatieve maatregelen uitgeput zijn.

  Art. 152. § 1. Voor elke bejaarde persoon moet een medisch dossier worden bijgehouden met vermelding onder meer van de bezoekdatum van de behandelende arts, zijn richtlijnen, de toe te dienen geneesmiddelen alsmede de te verlenen zorg, de eventueel voorgeschreven diëten en de gevraagde medische onderzoeken.
  Dit dossier zal eveneens informatie verstrekken over :
  1° de geregelde gewichtscontrole;
  2° de geregelde controle op mond- en tandhygiëne (met inbegrip van de tandprothesen);
  3° duidelijke tekenen van risico op ondervoeding, meer bepaald in geval van ziekte, informatie die wordt bezorgd aan de behandelende arts of aan de diëtist.
  Het bevat bovendien de eventuele vroegtijdige wilsverklaringen inzake euthanasie en behandeling, overeenkomstig de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie.
  § 2. Bovendien wordt er ook voor elke bejaarde persoon een verzorgingsdossier bijgehouden met vermelding van de uitvoering van de medische richtlijnen alsmede de opmerkingen van het personeel dat met de toepassing van deze richtlijnen belast is. Dit dossier vermeldt tevens alle prestaties verricht door het verpleeg- en paramedisch personeel dat door de bejaarde persoon werd geraadpleegd. Elke handeling of vaststelling wordt gedateerd en geviseerd door het personeel die de prestaties heeft geleverd.
  § 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde dossiers worden onderworpen aan het beroepsgeheim alsmede aan de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
  De bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger mag op elk ogenblik deze dossiers raadplegen en kan er een gedeeltelijk of volledig afschrift van verkrijgen tegen de kostprijs. Op elk afschrift wordt er verduidelijkt dat dit persoonlijk en vertrouwelijk is.
  Als deze bovenbedoelde dossiers automatisch verwerkt werden, dan zijn deze gegevens zó beveiligd dat ze conform zijn aan de in het eerste lid bedoelde wettelijke bepalingen. Ze dienen eveneens toegankelijk te zijn voor de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger.
  De directeur van elke voorziening moet deze dossiers gedurende minimum drie jaar na het overlijden of, in voorkomend geval, het vertrek van de bejaarde persoon bewaren.
  In geval van vertrek van die bejaarde persoon worden dit medisch dossier en de nodige inlichtingen voor de continuïteit van de verzor-ging meegedeeld aan de bejaarde persoon of aan zijn behandelende arts, of, op zijn verzoek, aan de nieuwe directeur, onder geheimhouding van de inlichtingen.

  Art. 153. De medische en verzorgingsdossiers kunnen worden geraadpleegd zonder verplaatsing door de artsen of verzorgenden van de voorziening.
  Ze kunnen ook worden geraadpleegd door de ambtenaren, met als enige bedoeling om hun bestaan en overeenstemming met de ordonnantie en de uitvoeringsbesluiten ervan, na te gaan. Onder voorbehoud daarvan zijn de ambtenaren gehouden tot beroepsgeheim en mogen ze de naamgegevens die ze bevatten niet kenbaar maken.

  Art. 154. De voorziening stelt een register op, met op de eerste bladzijde de volgende nuttige telefoonnummers :
  1° de directie;
  2° de behandelende arts en de dienstdoende artsen;
  3° het dichtstbijzijnde ziekenhuis of waarmee een overeenkomst werd aangegaan;
  4° de ambulancedienst of waarmee een overeenkomst werd aangegaan;
  5° de brandweer;
  6° de politie.
  Dit register vermeldt voor elke periode van 24 u. de volgende inlichtingen :
  1° de opmerkingen betreffende de bejaarde personen, met betrekking tot de aankomst van nieuwe bejaarde personen, de eventuele ziekenhuisopnamen, de verandering van medicatie, het vertrek;
  2° in voorkomend geval, elk beroep op een arts, een verpleegkundige of de directie alsmede de instructies van die personen.
  Dit register wordt door het personeelslid dat zijn dienst verlaat en datgene dat zijn dienst aanvangt, medeondertekend; het wordt dagelijks door de verantwoordelijke voor de verpleegkundige zorg geviseerd.

  Art. 155. De door de behandelende arts voorgeschreven geneesmiddelen worden maximaal vier dagen op voorhand bereid en bewaard door een beoefenaar van de verpleegkunde, of, in voor-komend geval, door een apotheker en worden verdeeld en toegediend onder de verantwoordelijkheid van een beoefenaar van de verpleegkunde.

  Art. 156. De geneesmiddelen worden bewaard in een afgesloten aangepast meubel of uitsluitend met het oog hierop voorbehoude lokaal.

  Art. 157. De behandelende arts moet op elk ogenblik de goede toediening van de voorgeschreven geneesmiddelen kunnen controleren.

  Afdeling 4. - Animatie

  Art. 158. De voorziening stelt een animatie- en activiteitenprogramma op.
  Dit programma wordt zó ontworpen dat het dagelijks voldoet aan de socioculturele behoeften van de bejaarde personen; het heeft meer bepaald betrekking op de activiteiten gericht op de handelingen van het dagelijks leven, het welzijn alsmede de culturele en participatieve activiteiten. Voor de organisatie van deze activiteiten kan de voorziening beroep doen op de medewerking van externe diensten of instellingen.
  Dit programma wordt uitgewerkt door de directeur in samenwerking met het personeel en de participatieraad. Zij evalueren dit en, in voorkomend geval, wijzigen ze dit elk jaar.
  Het programma wordt regelmatig aan elke bejaarde persoon meegedeeld. Het wordt aan de ambtenaren meegedeeld.

  Art. 159. De voorziening beschikt over een verantwoordelijke voor de animatie of sluit een akkoord met één of verschillende in animatie gespecialiseerde verenigingen.

  HOOFDSTUK IV. - Specifieke normen voor plaatsen voor [kortverblijf] (ERRATUM, zie B.St. 22-10-2010, p 62935)

  Art. 160.Een personeelslid [1 voor reactivering]1 van de voorziening die plaatsen van kortverblijf aanbiedt neemt een verbindingsfunctie waar, onder meer in overleg met de bejaarde persoon, zijn familie of verwanten, zijn behandelende arts en de diensten voor thuishulp of thuiszorg, met de bedoeling om de bejaarde persoon de mogelijkheid te geven om onder de beste voorwaarden naar huis terug te keren.
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Art. 161. De plaatsen voor kortverblijf worden geïdentificeerd binnen het rusthuis en zijn bestemd voor de bewoners in kortverblijf.

  HOOFDSTUK V. - Architectonische en veiligheidsnormen

  Art. 162. Elke kamer is genummerd en het nummer staat in de overeenkomst vermeld.
  De naam van de bejaarde persoon wordt aan de buitenkant van de kamer aangebracht, tenzij hij of zijn vertegenwoordiger zich hiertegen verzet.

  Art. 163.[1 Voor de nieuwe voorzieningen en de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat en die verbouwings- of uitbreidingswerken in de kamers uitvoeren bedraagt de minimale netto-oppervlakte van de individuele kamers, met uitsluiting van de sanitaire installaties, 15 m2 en 11 m2 per bejaarde persoon in de gemeenschappelijke kamers.
   In afwijking van het eerste lid, in de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat en in de voorzieningen waarvan de vergunning voor werken werd toegekend door de Ministers of waarvan het ontwerpdossier goedgekeurd werd door de Ministers vóór de inwerkingtreding van dit besluit, mag de minimale netto-oppervlakte niet kleiner zijn dan 12 m2 per bejaarde persoon; zij bedraagt 10 m2 per bejaarde persoon voor de gemeenschappelijke kamers.]1
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Art. 164.[1 Voor de nieuwe voorzieningen en de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat en die verbouwings- of uitbreidingswerken in de kamers uitvoeren, mogen er in de gemeenschappelijke kamers niet meer dan twee bedden staan. De afstand tussen de bedden moet, zowel in de lengte als in de breedte, minstens 1 m 30 bedragen. Bovendien moet elk bed ten minste één meter van een raam verwijderd zijn.]1
  In de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat, mogen in de gemeenschappelijke kamers niet meer dan drie bedden staan, uiterlijk tot 1 januari 2015; de afstand tussen de bedden moet, zowel in de lengte als in de breedte, minstens 0,90 m bedragen.
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Art. 165.[1 Voor de nieuwe voorzieningen en de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat en die verbouwings- of uitbreidingswerken in de kamers uitvoeren, bestaat de helft van de opnamecapaciteit van de voorziening uit één-persoonskamers.]1
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Art. 166. In de voorzieningen met gemeenschappelijke kamers moet een individuele kamer gemakkelijk beschikbaar zijn om een bejaarde persoon te kunnen isoleren; hiervoor gelden dezelfde voorschriften als voor de individuele kamers.

  Art. 167. § 1. Het kamermeubilair is aan de toestand van de bejaarde personen aangepast. Het is functioneel en in goede staat.
  § 2. In de individuele kamer moet het meubilair ten minste bestaan uit een bed, een hang- en legkast, een tafel, een leunstoel, een stoel en een nachttafel met lade en een individuele lichtbron boven of naast het bed.
  § 3. In de gemeenschappelijke kamer moet het meubilair ten minste bestaan, voor elke bejaarde, uit een bed, een hang- en legkast, een leunstoel, een nachttafel met lade en een individuele lichtbron boven of naast het bed. Bovendien moet zij beschikken over één of meerdere tafels met stoelen om alle bewoners van de kamer in de mogelijkheid te stellen in voorkomend geval gelijktijdig hun maaltijd te gebruiken.
  Door het plaatsen van beschotten tussen de bedden wordt in een minimum aan intimiteit voorzien.
  § 4. Een dubbelbed kan worden geïnstalleerd voor de koppels die het wensen.

  Art. 168.§ 1. De bediening van de verlichting en het oproepsysteem in de kamers moet vanuit het bed en de leunstoel bereikbaar zijn zonder dat het bewegingsvrijheid van de bejaarde personen door een loshangend snoer wordt gehinderd.
  § 2. [1 Voor de nieuwe voorzieningen en de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat en die verbouwings- of uitbreidingswerken in de kamers uitvoeren, bestaat de verlichting minstens uit een algemene verlichting van de kamer en een aparte leesverlichting die apart moeten kunnen worden bediend.]1
  Het aantal stopcontacten bedraagt per kamer minimaal één per 5 m2 ; het aantal lichtschakelaars bedraagt in de kamers minimaal drie waarvan één aan de inkom, één bij de leunstoel en één aan het bed.
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Art. 169. § 1. Alle kamers worden met een vanuit de bedden en de leunstoelen bereikbaar oproepsysteem uitgerust; in voorkomend geval moet dit systeem kunnen worden ingesteld zonder de andere bewoners van de kamer te storen.
  § 2. Binnen de twee jaar die volgen op de inwerkingtreding van dit besluit, moeten alle kamers zijn uitgerust met een vast oproepapparaat om het beantwoorden van de oproep te registreren.
  Elke oproep en eveneens het beantwoorden ervan moeten minstens drie maanden bijgehouden worden.
  Bovendien moet de centrale met een stroombron worden uitgerust, die de werking van het oproepsysteem bij stroomonderbreking voor één uur waarborgt.

  Art. 170. Elke kamer beschikt over een aansluiting op de telefoonlijn, de kabeltelevisie en het internet.

  Art. 171.§ 1. [1 Voor de nieuwe voorzieningen en de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat en die verbouwings- of uitbreidingswerken in de kamers uitvoeren, bevat elke kamer een sanitaire installatie gescheiden van de kamer, met toilet, wastafel, spiegel en lig- of stortbad die toegankelijk zijn voor rolstoelgebruikers met begeleider.]1
  § 2. Voor de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat, beschikt elke kamer over een wastafel met warm en koud stromend drinkwater, een spiegel, alsmede over een scheidingswand tussen wastafel en bed.
  De sanitaire installaties omvatten ten minste één wc per acht bejaarden, met een minimum van één per verdieping.
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Art. 172. De toiletten bevinden zich in de nabijheid van de gemeenschappelijke lokalen, waarvan ten minste één toegankelijk is voor rolstoelgebruikers met begeleider.

  Art. 173. De toiletten, de douches en de gemeenschappelijke badkamers zijn met een systeem uitgerust dat aangeeft of ze al dan niet bezet zijn, alsmede met een oproepsysteem.
  Alle toiletten, stortbaden en badkamers van de voorziening zijn met een oproepsysteem uitgerust.

  Art. 174. Elke voorziening moet minstens over één in de hoogte verstelbaar bad beschikken.

  Art. 175. Alle lokalen die voor de bejaarde personen toegankelijk zijn, moeten uitgerust zijn met een binnen- of buiten systeem dat de bescherming van de bejaarde personen tegen zonnestralen mogelijk maakt.
  De voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat, dienen te beantwoorden aan de voornoemde norm wanneer zij een verlenging van de erkenning vanaf 1 januari 2011 aanvragen.

  Art. 176. De voorziening moet over een voor alle bejaarde personen toegankelijke leefruimte beschikken, ongeacht hun afhankelijkheidsgraad. Deze ruimte beschikt over een aansluiting op het internet en kabeltelevisie.
  De totale oppervlakte van de gemeenschappelijke leefruimten bedraagt minstens 1,5m2 per bejaarde persoon, rekening houdend met de maximale huisvestingscapaciteit van de voorziening.

  Art. 177. De voorziening dient te beschikken over een lokaal dat bestemd is voor rokers.
  Dit lokaal moet duidelijk afgebakend en volledig geïsoleerd zijn, het mag niet als doorgang dienen en moet beschikken over een rookaf-zuigsysteem met een capaciteit van vijftien m3 per uur en per m2 .

  Art. 178. De gangen en de trappen moeten voldoende breed zijn en uitgerust zijn met trap- of muurleuningen aan beide kanten.
  De eerste en de laatste trede alsmede elke afzonderlijke trede, moeten een boord hebben waarvan de kleur duidelijk tegen de vloerbekleding afsteekt.

  Art. 179. De voorziening moet over een aangepast en gemakkelijk toegankelijk lokaal beschikken, dat als sterfkamer of lijkkamer kan dienen.
  Dit lokaal is uitgerust met een koeltafel en dermate ingericht dat het de verwanten van de overleden persoon mogelijk maakt zich te bezinnen met respect voor de door de overledene of zijn vertegenwoordiger gekozen filosofische overtuigingen.
  Bij gebreke hieraan dient er een overeenkomst te worden gesloten die in de ter beschikkingstelling van een sterfkamer of lijkkamer, op kosten van de voorziening, voorziet.

  HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het aantal, de kwalificatie en de moraliteit van het personeel en de directeur

  Afdeling 1. - Algemeen

  Art. 180. De directie en het personeel van de voorziening dragen, in het kader van het leefproject, bij tot de zelfredzaamheid en ontplooiing van de bejaarde personen door hun toegang tot een dynamisch sociaal leven te bevorderen, een beroep te doen op hun creatief potentieel en door de deelname en de communicatie te vergemakkelijken.

  Art. 181. De voorziening moet de lijst van de personeelsleden bijhouden alsmede een tabel waarop hun werkzaamheden alsmede hun werkrooster en hun kwalificatie worden vermeld.
  Deze tabel moet in een voor het personeel voortdurend toegankelijk lokaal worden aangebracht.

  Art. 182. Voor elk personeelslid, de directeur inbegrepen, wordt een repertorium opgemaakt met alle administratieve stukken, afschriften van diploma's en bekwaamheidsattesten of attesten van nuttige ervaring, de arbeids- of ondernemingsovereenkomsten, de bewijzen van goed gedrag en zeden, het verzekeringscontract voor burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de directeur en het personeel van de voorziening alsmede van alle wettelijk voorgeschreven verzekeringen.
  Dit repertorium alsmede de staten van de driemaandelijkse aangiften bestemd voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid staan ter beschikking van de ambtenaren, die een afschrift ervan op eenvoudige aanvraag kunnen bekomen.

  Art. 183.Het geheel van het personeel moet een voortgezette opleiding volgen van minstens dertig uur per jaar, waarvan het programma door de Ministers wordt erkend.
  De voorziening stelt paritair een plan voor voortgezette opleiding op voor haar [1 ...]1 personeel, dat over twee jaar wordt gespreid. Dit plan wordt voor goedkeuring aan de administratie overgezonden. De administratie controleert de kwaliteit van de geboden opleiding.
  [1 Er moet op regelmatige wijze, onder meer in de opleidingsplannen ]1, opleidingen betreffende de bestrijding van mishandeling, de kwaliteit van de zorg, de diversiteit, de participarie van de bejaarde personen en de hygiëne worden voorzien.
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Afdeling 2. - Directeur

  Art. 184. De directeur moet aan de volgende eisen voldoen :
  1° de directeur die voor de eerste keer na de inwerkingtreding van dit besluit in functie treedt moet, vóór zijn indiensttreding, ten minste houder zijn van een diploma van hoger niet-universitair onderwijs en een opleiding van minstens 500 uren volgen bij een universiteit of opleidingscentrum erkend door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, een andere Gemeenschap of bevoegde Gemeenschapscommissie.
  Deze opleiding is beperkt tot 100 uren voor de houders van een diploma ziekenhuiswetenschappen; houders van een diploma ziekenhuiswetenschappen met oriëntatie geriatrie zijn van deze aanvullende opleiding vrijgesteld;
  2° worden vrijgesteld van de in 1° bedoelde eisen :
  a) de directeurs in functie op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, die hebben voldaan aan de toegangsvoorwaarden tot het beroep gesteld bij het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996 tot vaststelling van de normen waaraan de inrichtingen die bejaarden huisvesten, moeten voldoen, op de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
  b) de directeurs die de bij een vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit betekende ministeriële beslissing, opgelegde opleiding volgen;
  c) de directeurs die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, een aanvraag tot afwijking hebben ingediend bij de Ministers, overeenkomstig artikel 68 van het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996.
  3° in afwijking van 1° en voor een maximumduur van twee jaar mag de beheerder een persoon die de opleiding tot directeur volgt, als directeur in dienst nemen.
  Er wordt aan de voormelde voorwaarden voldaan indien uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet.

  Art. 185. Het slagen in de in artikel 184 bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de Ministers wordt erkend, wordt door een attest bekrachtigd, na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid.

  Art. 186. De directeur moet deelnemen aan een voortgezette beroepsopleiding van minstens drie dagen per jaar; hij moet regelmatig opleidingen volgen inzake bestrijding van mishandeling en kwaliteitsvolle zorgverlening, alsmede met betrekking tot de diversiteit en de participatie van de bejaarde personen.
  Het programma van deze dagen moet op zijn laatst één maand voor de organisatie ervan door de Ministers worden erkend.

  Art. 187. § 1. De functie van directeur wordt voltijds uitgeoefend.
  Hij mag deze functie echter cumuleren met die van directeur van woningen voor bejaarde personen, van service-residenties met of zonder mede-eigendom, van een centrum voor dagopvang, van een dagverzorgingscentrum of van een centrum voor nachtopvang, voor zover de voorzieningen zich op dezelfde vestigingsplaats bevinden en door dezelfde beheerder worden beheerd.
  De directeur dient minstens twintig uur per week in de voorziening aanwezig te zijn.
  De directeur moet in geval van afwezigheid of verhindering, binnen of buiten de voorziening een persoon aanwijzen die de dagelijkse leiding van deze voorziening kan waarnemen en deze voor de administratie kan vertegenwoordigen. De naam van de vervanger wordt op een voor iedereen toegankelijke en zichtbare plaats aangebracht en de bejaarde personen en de leden van het personeel worden ervan op de hoogte gesteld.
  In geval van overmacht moet de directeur of zijn vervanger oproepbaar zijn.
  § 2. Voor de voorzieningen met meer dan zestig erkende bedden mag de directeur niet begrepen worden in de norm van het verplegend en paramedisch personeel.

  Art. 188. Op vraag van de administratie legt de beheerder, voor hemzelf, voor ieder personeelslid en, voor de directeur of de natuurlijke persoon die deze taak waarneemt, een bewijs van goed gedrag en zeden voor.

  Art. 189. Bij verandering van beheerder of van directeur of bij de aanwerving van een nieuwe directeur of nieuw personeelslid dient de beheerder een bewijs van goed gedrag en zeden voor te leggen dat minder dan één maand oud is.

  Afdeling 3. - Personeel

  Art. 190. De voorziening moet over voldoende verpleegkundig, verzorgend en paramedisch personeel beschikken om permanentvoortdurend, zowel overdag als 's nachts, voor het toezicht op en de verzorging van de bejaarde personen in te staan.
  Hiertoe beschikt zij over het personeel opgelegd door het ministerieel besluit van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rustoorden en in de rust- en verzorgingstehuizen voor bejaarden.

  Art. 191. § 1. De voorziening beschikt over voldoende personeel, zowel kwantitatief als kwalitatief, om te zorgen voor de taken betreffende de keuken, het restaurant, het beddegoed, de wasserij, het technisch onderhoud, de netheid en de hygiëne van de lokalen en te voldoen aan de normen van dit besluit.
  De aan dit personeel toevertrouwde taken worden duidelijk vermeld in het arbeidscontract ervan.
  § 2. Er is minstens één voltijds equivalent nodig voor 15 bejaarde personen. Indien het aantal bejaarde personen lager of hoger ligt, wordt het aantal betrekkingen in verhouding daarmee vastgesteld.
  § 3. De voorziening mag deze taken volledig of gedeeltelijk laten uitvoeren met de hulp van buitendiensten die door een schriftelijke overeenkomst verplicht met haar verbonden zijn.
  De gelijkstelling van die prestaties met de arbeidstijd van het personeel wordt door de directeur van de voorziening voorgesteld op grond van de in bijlage II gestelde bepalingen en door de administratie nagegaan. In geval van onenigheid wordt de gelijkstelling door de Ministers vastgesteld, na advies van de afdeling.

  Art. 192.[1 In een voorziening die maximaal 60 bedden telt, wordt de nachtdienst uitgevoerd door ten minste een zorgkundige of, indien de voorziening ten minste 50 bewoners telt die beantwoorden aan de afhankelijkheidscriteria zoals bepaald in artikel 148, 3° van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, door een verpleegkundige;
   In een voorziening die tussen 61 en 99 bedden telt, wordt de nachtdienst uitgevoerd door ten minste twee zorgkundigen of, indien de voorziening ten minste 50 bewoners telt die beantwoorden aan de afhankelijkheidscriteria zoals bepaald in artikel 148, 3° van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, door een verpleegkundige en een zorgkundige.
   In een voorziening die tussen 100 en 130 bedden telt, wordt de nachtdienst uitgevoerd door ten minste een verpleegkundige en een zorgkundige.
   In een voorziening die tussen 131 en 199 bedden telt, wordt de nachtdienst uitgevoerd door ten minste een verpleegkundige en twee zorgkundigen.
   In een voorziening die meer dan 199 bedden telt, wordt de nachtdienst uitgevoerd door ten minste een verpleegkundige en drie zorgkundigen.
   In een voorziening met meer dan zestig bedden moet ten minste één personeelslid dat de dienst waarneemt, minstens twee keer per nacht zijn ronde doen.]1
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 12, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  TITEL VII. - Normen betreffennde de centra voor dagopvang

  HOOFDSTUK I. - Algemeen

  Art. 193. Onverminderd de in Titel II bepaalde algemene normen moet het centrum voor dagopvang, in de zin van artikel 2, 4°, e), van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen.

  HOOFDSTUK II. - Normen betreffende de overeenkomst, het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijk dossier

  Afdeling 1. - Overeenkomst

  Art. 194. Vóór de opname wordt er tussen de voorziening en de bejaarde persoon een overeenkomst gesloten dat verplicht :
  1° de algemene en bijzondere opvangvoorwaarden vermeldt, met inbegrip van de aanwezigheidsdagen en het uurrooster van elke bejaarde persoon;
  2° de samenwerkingsvoorwaarden met de zorg- en dienstverleners die de bejaarde persoon thuis verzorgen;
  3° de dagprijs van de opvang en de inbegrepen diensten; het middagmaal is begrepen in deze prijs.

  Art. 195. Naar gelang van de behoeften van de bejaarde persoon wordt de overeenkomst voor een bepaalde of onbepaalde duur gesloten.
  Als de overeenkomst voor een onbepaalde duur wordt gesloten, dan geldt de eerste maand als proefperiode.

  Art. 196. § 1. Vóór de opname mag de bejaarde persoon de overeenkomst zonder kosten opzeggen, op voorwaarde dat hij de beheerder hiervan, bij aangetekende brief, binnen een termijn van zeven dagen, te rekenen vanaf de dag na de ondertekening van het contract, verwittigt.
  § 2. Op het einde van de proefperiode kan de overeenkomst worden ontbonden mits een opzegging van zeven dagen, ongeacht de partij die van deze opzegging kennis geeft.
  § 3. De ontbinding geschiedt schriftelijk, ofwel bij aangetekende brief, ofwel bij aangetekend schrijven met ontvangsbewijs, uiterlijk twee werkdagen vóór het ingaan van de opzeggingstermijn.
  De door de beheerder gegeven opzeggingstermijn is behoorlijk gemotiveerd; bij gebrek hieraan wordt de opzegging als niet gegeven beschouwd.

  Art. 197. Er mag geen enkele waarborg worden geëist.

  Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement

  Art. 198. Het huishoudelijk reglement bevat verplicht de volgende bijkomende vermeldingen :
  1° de voorwaarden voor het gebruik en het genot van de lokalen, uitrustingen en gemeenschappelijke diensten van het centrum waarover de bejaarde personen kunnen beschikken;
  2° de openingsdagen en Buren van het centrum : dit centrum dient minstens vijf dagen per week en minstens zes uur elke dag tussen 9 en 17 uur toegankelijk te zijn;
  3° de dagelijkse organisatie van activiteiten en animaties met het oog op het bevorderen van het behoud of het terugwinnen van de hoogst mogelijke zelfredzaamheid bij de bejaarde personen;
  4° de voorwaarden volgens welke de bejaarde persoon een beroep mag doen op het verzorgend of paramedisch personeel van zijn keuze of van het centrum of van het personeel van het rusthuis waarmee het een functionele binding heeft, onder voorbehoud, desgevallend, en voor zover bewezen wordt dat de tarifaire veiligheid niet wordt nageleefd, van de voorwaarden waaronder de financiële tenlasteneming van de zorgen onderworpen kan worden aan een beslissing van het bevoegde O.C.M.W.;
  5° de wijze waarop het centrum de continuïteit van de toediening van de geneesmiddelen aan de opgevangen personen waarborgt;
  6° de voorwaarden volgens welke een samenwerking wordt opgezet met de diensten voor thuishulp;
  7° de vrije keuze van de arts en de kinesitherapeut;
  8° de volledige bewegingsvrijheid in het centrum alsmede de volledige vrijheid om het centrum te verlaten met eerbiediging van de goede organisatie van het centrum;
  9° de vrijheid om bezoek te ontvangen of te weigeren : het verloop van deze bezoeken gebeurt met naleving van de goede organisatie van het centrum;
  10° de voorwaarden die de bejaarde persoon de gelegenheid bieden om deel te nemen aan de participatieraad van het rusthuis waarin het centrum zich bevindt of waarmee het een binding heeft;
  11° de wijze waarop de suggesties of opmerkingen, bedoeld in artikel 12, en de klachten, bedoeld in artikel 9, worden ingediend en onderzocht; het vermeldt onder meer de plaats waar de naam van de persoon aan wie de suggesties en opmerkingen kunnen worden gemaakt, wordt aangebracht;
  12° het feit dat de voorziening gedekt is door een verzekering die de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de directeur en het personeel van de voorziening dekt;
  13° in voorkomend geval, de nadere regels voor de organisatie van de verplaatsingen.

  Afdeling 3. - Vertrouwelijk dossier

  Art. 199. Een vertrouwelijk dossier wordt voor elke bejaarde persoon bij zijn opname opgemaakt. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, de behandeling en de bijwerking ervan wordt verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, indien nodig artikel 458 van het Strafwetboek.
  Dit vertrouwelijk dossier omvat :
  1° een afschrift van de individuele fiche;
  2° een exemplaar van de overeenkomst, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;
  3° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;
  4° de naam, het adres en het telefoonnummer van de persoon die de prijs van de opvang verschuldigd is en de inlichtingen betreffende de betaling.
  Onverminderd het door de ambtenaren uitgeoefende toezicht mag dit vertrouwelijk dossier, dat door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld.
  Het kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon en zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd.
  Het vertrouwelijk dossier van elke bejaarde persoon wordt door de voorziening gedurende minimum drie jaar na zijn overlijden of, in voorkomend geval, zijn vertrek bewaard.

  HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de voeding, de hygiëne en de verzorging

  Afdeling 1. - Voeding

  Art. 200.§ 1. De bederfelijke eetwaren worden bewaard en bereid en verdeeld volgens de meest strikte regels inzake netheid en hygiëne.
  De voorziening dient ten minste maandelijks in te staan voor afwisselende maaltijden.
  § 2. Het voedsel moet gezond en gevarieerd zijn, aangepast aan de gezondheidstoestand van de bejaarde persoon.
  § 3. De voorziening beschikt over een schriftelijk voedingsprogramma dat onder meer voorziet in gedocumenteerde procedures of protocollen die toegepast worden voor de voortijdige opsporing van [1 de ondervoeding en de dehydratatie alsmede]1 de opvolging van de ondervoede en uitgedroogde bejaarde persoon.
  § 4. De door de arts voorgeschreven diëten moeten in acht worden genomen, zonder bijkomende kosten.
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Art. 201. De voorziening moet aan de administratie het bewijs leveren van de betaling van haar jaarlijkse forfaitaire bijdrage bij het Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.

  Art. 202. Het menu wordt aan de bejaarde personen medegedeeld en ten minste zeven dagen op voorhand, in het Frans en het Nederlands, op een toegankelijke en goed zichtbare plaats aange-bracht.
  Het blijft ten minste twee maanden ter inzage van de ambtenaren.

  Art. 203. Het warme middagmaal mag niet vóór 11 u. 30 worden opgediend. Er moet de keuze tussen twee menu's worden gelaten.
  Een licht tussendoortje en een drankje worden in het midden van de voor- en namiddag aangeboden. Die tussendoortjes en drankjes zijn begrepen in de dagprijs of de halve dagopvang.

  Afdeling 2. - Hygiëne

  Art. 204. In voorkomend geval moeten de keukens dermate zijn ingericht en ingeplant dat hun geuren, dampen en geluiden de bejaarde personen niet hinderen; zij moeten uitgerust zijn met een systeem van luchtverversing.

  Art. 205. Dieren mogen geen toegang hebben tot de keukens, de lokalen waar het voedsel wordt bewaard, noch tot de lokalen voor de verzorging of de voorbereiding van de verdeling van de geneesmiddelen.

  Art. 206. Alle passende hygiënische voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen ten opzichte van de vuile was, die steeds uit de voor bejaarde personen toegankelijke lokalen alsmede, in voorkomend geval, de keukens en de lokalen waar het voedsel wordt bewaard.

  Art. 207. Het gebruik van nachtstoelen is verboden.

  Art. 208. Een douche moet, indien nodig, dagelijks door de bejaarde personen kunnen worden gebruikt.

  Art. 209. Alle lokalen moeten steeds zindelijk worden gehouden en aan hun bestemming beantwoorden.

  Afdeling 3. - Hulpverlening en verzorging

  Art. 210. De nodige hulp wordt geboden aan de bejaarde personen die niet in staat zijn alleen de activiteiten van het dagelijkse leven te verrichten.

  Art. 211. In voorkomend geval wordt voor elke bejaarde persoon een verzorgingsdossier bijgehouden met vermelding onder meer van de bezoekdatum van de behandelende arts, zijn richtlijnen, de toe te dienen geneesmiddelen alsmede de te verlenen zorg en de eventueel voorgeschreven diëten.
  In voorkomend geval vermeldt dit dossier tevens de prestaties verricht door het verpleegkundig en paramedisch personeel dat door de bejaarde persoon werd geraadpleegd, met het oog op de continuïteit van de zorgverlening in het kader van het centrum voor dagopvang. Het bevat ook de opmerkingen van het personeel dat deze prestaties heeft verricht alsmede de kennisgeving ervan aan de door de bejaarde persoon gekozen dienstverleners.
  Dit dossier wordt onderworpen aan het beroepsgeheim alsmede aan de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.
  De bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger mogen op elk ogenblik dit dossier raadplegen en kunnen er een gedeeltelijk of volledig afschrift van verkrijgen tegen de kostprijs. Op elk afschrift wordt verduidelijkt dat dit persoonlijk en vertrouwelijk is.
  Als het voornoemde dossier automatisch verwerkt werd, dan zijn deze gegevens beveiligd dat ze conform zijn aan de in het derde lid bedoelde wettelijke bepalingen. Het dient eveneens toegankelijk te zijn voor de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger.
  De directeur van elk centrum moet dit dossier minstens drie jaar na het overlijden of, in voorkomend geval, het vertrek van de bejaarde persoon bijhouden.
  In geval van vertrek van die bejaarde persoon wordt dit dossier, op zijn verzoek of dat van de behandelende arts of zijn vertegenwoor-diger, onder geheimhouding van de inlichtingen, aan de directeur overgezonden.

  Art. 212. Het centrum stelt een register op, met op de eerste bladzijde de volgende nuttige telefoonnummers van :
  1° de directie;
  2° de behandelende arts en de dienstdoende artsen;
  3° het dichtstbijzijnde ziekenhuis of waarmee een overeenkomst werd aangegaan;
  4° de ambulancedienst of waarmee een overeenkomst werd aangegaan;
  5° de brandweer;
  6° de politie.
  Dit register vermeldt, per dag, de volgende inlichtingen :
  1° de opmerkingen betreffende de bejaarde personen;
  2° in voorkomend geval, elk beroep op een arts, een verpleegkundige of de directie alsmede de instructies van die personen.

  Art. 213. Indien noodzakelijk, zorgt een beoefenaar van de verpleegkunde voor de verdeling en de toediening aan de bejaarde persoon van de door de behandelende arts voorgeschreven geneesmiddelen.

  Art. 214. In voorkomend geval moeten de geneesmiddelen, gedurende de aanwezigheid van de bejaarde persoon, onder de verantwoorde-lijkheid van de verpleegkundige, in een afgesloten aangepast meubel of uitsluitend met het oog hierop voorbehouden lokaal worden bewaard.

  Art. 215. De behandelende arts moet op elk ogenblik de goede toediening van de voorgeschreven geneesmiddelen kunnen controleren.

  Afdeling 4. - Animatie

  Art. 216. Elk centrum stelt een animatie- en activiteitenprogramma op die het behoud van de zelfredzaamheid van de bejaarde personen en hun deelname aan het maatschappelijk leven bevorderen.
  Dit programma wordt zó ontworpen dat het dagelijks voldoet aan de socioculturele behoeften van de bejaarde personen; het heeft meer bepaald betrekking op de activiteiten gericht op de handelingen van het dagelijks leven, op het paramedische en welzijnsgebied, de gezondheids-opvoeding alsmede culturele en participatieve activiteiten. Voor de organisatie van deze activiteiten kan het centrum een beroep doen op de medewerking van externe diensten of instellingen.
  Dit programma wordt door de directeur bepaald in samenwerking met het personeel en de participatieraad die het evalueren en, in voorkomend geval, het elk jaar wijzigen.
  Het programma wordt aan elke bejaarde persoon bij zijn opname in het centrum medegedeeld. Het wordt aan de ambtenaren medegedeeld.

  HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de participatie van de bejaarde personen

  Art. 217. § 1. Indien het centrum gelegen is in een rusthuis of op hetzelfde vestigingsplaats als het rusthuis, dan kunnen de bejaarde personen deelnemen aan de participatieraad van het in artikel 10 bedoelde rusthuis.
  Indien het centrum zich niet in een rusthuis bevindt, of als de bejaarde personen niet kunnen deelnemen aan de participatieraad van het rusthuis, dan wordt er een participatieraad voor de bejaarde personen opgericht.
  § 2. De participatieraad komt minstens één keer per kwartaal bijeen.

  HOOFDSTUK V. - Architectonische normen

  Art. 218. Het centrum omvat minstens de volgende lokalen :
  1° een verblijfsruimte voor de opvang, de ontspanning en, eventueel, de catering, als de maaltijden niet worden opgediend in het restaurant van het rusthuis waarin het centrum zich bevindt of waarmee het een functionele binding heeft.
  Indien het centrum voor dagopvang zich niet in een rusthuis bevindt, een kitchenette;
  2° een aparte rustzaal die aan de bejaarde personen de mogelijkheid geeft zich af te zonderen en uit te rusten en die over voldoende relaxfauteuils beschikt. Elke maatregelen moeten worden genomen opdat de bejaarde personen er in alle intimiteit zouden kunnen worden verzorgd;
  3° het centrum stelt evenveel kleerkasten ter beschikking van de bejaarde personen als de erkende capaciteit.
  Deze plaatsen moeten voor alle bejaarde personen toegankelijk zijn.

  Art. 219. Voor de bejaarde personen en het personeel moet in gescheiden, degelijke en voldoende aantal sanitaire installaties worden voorzien.

  Art. 220. § 1. De sanitaire voorzieningen beschikken ten minste over een toilet per vijf bejaarde personen waaronder ten minste een toilet voor personen met beperkte mobiliteit.
  De toiletten zijn met een systeem uitgerust dat aangeeft of ze al dan niet bezet zijn en beschikken over een handenwasser.
  § 2. De leefruimten en toiletten zijn uitgerust met een oproepsysteem.
  § 3. Het centrum beschikt over een stortbad.

  Art. 221. De gangen en de trappen moeten voldoende breed zijn en uitgerust zijn met trap- of muurleuningen aan beide kanten.
  De eerste en de laatste trede, alsmede elke afzonderlijke trede, moeten een boord hebben waarvan de kleur duidelijk tegen de vloerbekleding afsteekt.

  Art. 222. Alle voor de bejaarde personen bereikbare plaatsen moeten voldoende verlicht zijn; de verlichting is aan de in de lokalen uitgeoefende activiteiten aangepast.

  HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het aantal, de kwalificatie en de moraliteit van het personeel en de directeur

  Art. 223. De directie en het personeel van het centrum dragen bij tot de zelfredzaamheid en ontplooiing van de bejaarde personen door hun toegang tot een dynamisch sociaal leven te bevorderen, een beroep te doen op hun creatief potentieel en de participatie en de communicatie te vergemakkelijken.

  Art. 224. - Het centrum beschikt over voldoende personeel, zowel kwantitatief als kwalitatief, om de hulpverlening bij het dagelijkse leven en de deelname aan de activiteiten, zoals bepaald in het vorige artikel, te waarborgen.
  De aanwezigheid van minstens één loontrekkend personeelslid wordt voortdurend gewaarborgd.
  Alle personeelsleden moeten minstens beschikken over het brevet van E.H.B.O.-er.

  Art. 225. Wanneer het personeel gemeenschappelijk is aan het centrum voor dagopvang en het rusthuis waarin het gevestigd is, wordt het personeel dat dienstverlening biedt in het centrum voor dagopvang duidelijk geïdentificeerd en wordt de tijd die aan deze taken wordt besteed, perfect geschat in voltijds equivalent.

  Art. 226. Elk centrum voor dagopvang beschikt over een directeur. In voorkomend geval, is de directeur dezelfde als die van het rusthuis waarin het centrum is ondergebracht.

  Art. 227. Indien de directeur alleen verbonden is aan het centrum voor dagopvang, moet hij minstens houder zijn van een diploma van hoger niet-universitair onderwijs en een opleiding van minstens 100 uur volgen.
  Bij afwijking van het eerste lid en voor een maximum duur van twee jaar mag de beheerder een persoon die de opleiding tot directeur volgt, als directeur in dienst nemen.
  Er wordt aan de voormelde voorwaarden voldaan indien uit een vergelijking van de diploma's, getuigschriften, attesten, andere titels en relevante ervaring waarover de kandidaat beschikt met het vereiste diploma en opleiding, blijkt dat hij aan de vereiste voorwaarden voldoet.

  Art. 228. Het slagen in de in artikel 227 bedoelde opleidingen, waarvan de inhoud door de Ministers wordt erkend, wordt door een attest bekrachtigd, na de evaluatie van de kandidaat, zowel op het vlak van zijn regelmatige aanwezigheid als van zijn kennis en geschiktheid.
  De Ministers kunnen de kandidaatdirecteur of de directeur in functie van die opleidingen geheel of gedeeltelijk vrijstellen, rekening houdend met zijn diploma's of met zijn opgedane ervaring.

  Art. 229. Voor elk personeelslid, de directeur inbegrepen, wordt een repertorium opgemaakt met alle administratieve stukken, afschrift van het diploma, bekwaamheidsattesten of attesten van nuttige ervaring, de arbeids- of ondernemings-overeenkomsten, de bewijzen van goed gedrag en zeden, het verzekeringscontract voor burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de directeur en het personeel van de voorziening alsmede van alle wettelijk voorgeschreven verzekeringen.
  Bij verandering van beheerder of bij de aanwerving van een nieuwe directeur of nieuw personeelslid dient de beheerder getuigschrift van goed gedrag en zeden voor te leggen voor hemzelf of voor de nieuw aangeworven persoon dat minder dan één maand oud is.
  Dit repertorium alsmede de staten van de driemaandelijkse aangiften bestemd voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid staan ter beschikking van de ambtenaren, die een afschrift ervan op eenvoudige aanvraag kunnen bekomen.

  Art. 230. Het geheel van het personeel moet een voortgezette opleiding volgen van minstens dertig uur per jaar, waarvan het programma door de Ministers is erkend.
  De voorziening stelt paritair een plan voor voortgezette opleiding op voor haar personeel, dat over twee jaar wordt gespreid. Dit plan wordt voor goedkeuring aan de administratie overgezonden. De administratie controleert de kwaliteit van de geboden opleiding.
  In de opleidingsplannen moet regelmatig in opleidingen ter bestrijding van mishandeling en betreffende de kwaliteit van de zorg, de diversiteit en de participatie van de bejaarde personen worden voorzien.

  Art. 231. De directeur moet deelnemen aan een voortgezette beroepsopleiding van minstens drie dagen per jaar. Het programma van deze dagen moet op zijn laatst één maand voor de organisatie ervan door de Ministers worden erkend.
  De directeur moet opleidingen volgen inzake bestrijding van mishandeling en kwaliteitsvolle zorgverlening, alsmede met betrekking tot de diversiteit en de participatie van de bejaarde personen.

  HOOFDSTUK VII. - Normen betreffende de functionele binding met een rusthuis

  Art. 232. Het centrum voor dagopvang moet een overeenkomst met een rusthuis sluiten.
  Als het om een centrum gaat dat op dezelfde vestigingsplaats gelegen is als het rusthuis, dan kunnen alle verstrekkingen worden verricht door gemeenschappelijke diensten, overeenkomstig de voorschriften van de interne beschikkingen.
  In alle andere gevallen bepaalt het centrum voor dagopvang samen met het rusthuis waarmee het verbonden is, hun gemeenschappelijke verplichtingen, die, wat het rusthuis betreft, minimaal de prioritaire huisvesting van de in het centrum opgevangen personen omvatten, voor zover die het wensen.
  Deze overeenkomst moet naar de ambtenaren worden verstuurd.

  TITEL VIII. - Normen betreffende de centra voor nachtopvang

  HOOFDSTUK I. - Algemeen

  Art. 233. Onverminderd de in Titel II bepaalde algemene normen moet het centrum voor nachtopvang, in de zin van artikel 2, 4°, g), van de ordonnantie, aan de volgende voorwaarden voldoen.

  HOOFDSTUK II. - Normen betreffende het huishoudelijk reglement en het vertrouwelijk dossier

  Afdeling 1. - Overeenkomst, plaatsbeschrijving en waarborg

  Art. 234. Vóór de opname wordt er tussen de voorziening en de bejaarde persoon een overeenkomst gesloten dat verplicht vermeldt :
  1° de aanwezigheden 's nachts alsmede het uurrooster van elke bejaarde persoon;
  2° de samenwerkingsvoorwaarden met de zorg- en dienstverleners en de andere personen die de bejaarde persoon thuis verzorgen;
  3° de verblijfsprijs en de gedekte diensten.

  Art. 235. De overeenkomst vermeldt het feit dat de bejaarde persoon al dan geen avondmaal wenst.

  Art. 236. De overeenkomst wordt voor een bepaalde, hernieuwbaare, duur, gesloten.

  Art. 237. Er mag geen enkele waarborg worden geëist in geval van nachtopvang.

  Afdeling 2. - Huishoudelijk reglement

  Art. 238. Het huishoudelijk reglement bevat verplicht de volgende bijkomende vermeldingen :
  1° de nadere regels voor het gebruik en het genot van de lokalen, uitrustingen en gemeenschappelijke diensten van het centrum waarover de bejaarde personen kunnen beschikken;
  2° de onthaaluren van het centrum; dit centrum is minstens open gedurende twaalf uur tussen 20 en 9 uur;
  3° de nadere regels volgens welke de bejaarde persoon een beroep mag doen op het verzorgend of paramedisch personeel van het rusthuis waarin het centrum zich bevindt;
  4° de vrije keuze van de geneesheer, van de kinesitherapeut en het paramedisch personeel voor de bijkomende verzorging naast die welke door de voorziening wordt aangeboden, onder voorbehoud, desgevallend, en voor zover bewezen wordt dat de tarifaire veiligheid niet wordt nageleefd, van de voorwaarden waaronder de financiële tenlasteneming van de zorgen onderworpen kan worden aan een beslissing van het bevoegde O.C.M.W.;
  5° de nadere regels volgens welke het centrum de continuïteit van de toediening van de geneesmiddelen aan de bejaarde personen waarborgt.

  Afdeling 3. - Vertrouwelijk dossier

  Art. 239. Een vertrouwelijk dossier moet voor elke bejaarde persoon bij zijn opname worden opgemaakt. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens, hun behandeling en de bijwerking ervan wordt verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en, indien nodig artikel 458 van het Strafwetboek.
  Dit vertrouwelijk dossier omvat :
  1° een afschrift van de individuele fiche;
  2° in voorkomend geval, het schriftelijk attest waarbij de vertegenwoordiger wordt aangesteld of een afschrift van de rechterlijke beslissing genomen, overeenkomstig Titel XI van Boek I van het Burgerlijk Wetboek;
  3° een exemplaar van de overeenkomst, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;
  4° in voorkomend geval, de bepalingen betreffende de voorwaarden met betrekking tot het levenseinde die overeenkomstig de wensen van de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger dienen te worden nageleefd;
  5° een exemplaar van het huishoudelijk reglement, getekend door de beheerder of de directeur en de bejaarde persoon of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger;
  6° de naam, het adres en het telefoonnummer van de persoon die de prijs van het verblijf verschuldigd is en de inlichtingen betreffende de betaling.
  Onverminderd het door de ambtenaren uitgeoefende toezicht mag dit vertrouwelijk dossier, dat door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger werd geviseerd, niet aan derden worden meegedeeld.
  Het kan op elk ogenblik door de bejaarde persoon of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd.
  Het vertrouwelijk dossier van elke opgevangen persoon wordt door de voorziening minstens drie jaar na zijn overlijden of, in voorkomend geval, zijn vertrek bewaard.

  HOOFDSTUK III. - Normen betreffende de voeding, de hygiëne en de verzorging

  Art. 240. Onverminderd de hierna opgesomde specifieke normen zijn de in Hoofdstuk III van Titel VI bedoelde normen toepasselijk op het centrum voor nachtopvang.

  Art. 241. De voorziening moet in een ontbijt voorzien, dat na 7 u. 30 wordt bediend.
  Op vraag van de bejaarde persoon mag deze ook voor een avondmaal zorgen, dat na 17 u. 30 wordt bediend.

  Art. 242. De bejaarde persoon mag de noodzakelijke hulp, zorg en bewaking genieten.

  HOOFDSTUK IV. - Normen betreffende de participatie van de bejaarden

  Art. 243. De bejaarde personen mogen deelnemen aan de participatieraad van het rusthuis.

  HOOFDSTUK V. - Architectonische en veiligheidsnormen

  Art. 244. De in Hoofdstuk V van Titel VI bedoelde normen zijn toepasselijk op het centrum voor nachtopvang.

  HOOFDSTUK VI. - Normen betreffende het aantal, de kwalificatie en de moraliteit van het personeel en de directeur

  Art. 245. Onverminderd de hierna opgesomde specifieke normen zijn de in Hoofdstuk VI van Titel VI bedoelde normen toepasselijk op het centrum voor nachtopvang.

  Art. 246. Het personeel dat dienstverlening biedt in het centrum voor nachtopvang wordt duidelijk geïdentificeerd en de tijd die aan deze taken wordt besteed, wordt perfect geschat in voltijds equivalent.

  Art. 247. De directeur is dezelfde als die van het rusthuis waarin het centrum is ondergebracht.

  TITEL IX. - Omchrijving van de groepering en de fusie en bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen

  HOOFDSTUK I. - Omschrijving en bijzondere normen van de groepering

  Afdeling 1. - Omschrijving

  Art. 248. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "groepering" verstaan, een door de Ministers erkend juridisch geformaliseerd duurzaam samenwerkingsverband tussen twee of meerdere voorzieningen die afzonderlijk erkend blijven, die van een verschillende beheerder afhangen en die zich binnen het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad op verschillende vestigingsplaatsen bevinden, waarbij afspraken worden gemaakt tot taakverdeling en complementariteit op het vlak van aanbod van diensten of uitrustingen, om aldus beter te beantwoorden aan de behoeften van de bevolking en de kwaliteit van de hulp- en of zorgverlening te verbeteren.

  Afdeling 2. - Bijzondere normen

  Art. 249. De groepering dient, om te worden erkend, steeds te beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1° de voorzieningen die van de groepering deel uitmaken dienen op het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gevestigd te zijn;
  2° de voorzieningen die van de groepering deel uitmaken moeten elk afzonderlijk aan alle erkenningsnormen voldoen;
  3° ten einde te komen tot een optimale samenwerking moeten de voorzieningen die van de groepering deel uitmaken overgaan tot de aanduiding van een algemeen coördinator en, wanneer de groepering eveneens de verstrekte zorgen betreft, een verpleegkundige coördina-tor. De coördinatoren wonen de vergadering van het in artikel 251 bedoelde coördinatie-comité bij;
  4° de voorzieningen die van de groepering deel uitmaken moeten tot een efficiënte taakverdeling komen zodat ze op termijn daadwerkelijk complementair zijn ten opzichte van elkaar. Daartoe moeten ze een plan uitwerken dat ze aan de Ministers moeten overzenden, welke de toepassing ervan opvolgen;
  5° elke beslissing tot investering door de voorzieningen die van de groepering deel uitmaken moet door het in artikel 251 bedoelde coördinatiecomité worden goedgekeurd. Zonder dergelijke beslissing kunnen geen vergunningen of erkenningen worden afgeleverd;
  6° de voorzieningen die van de groepering deel uitmaken dienen een overeenkomst, zoals beschreven in artikel 250, te sluiten en een coördinatiecomité, zoals bedoeld in artikel 251, op te richten.

  Art. 250. De beheerders van de voorzieningen die van de groepering deel uitmaken sluiten een overeenkomst die door de Ministers wordt goedgekeurd. Indien deze overeenkomst niet ten minste de in het tweede lid bedoelde aangelegenheden regelt, wordt zij door de Ministers geweigerd.
  In deze overeenkomst worden ten minste de volgende aangelegenheden geregeld :
  1° de doelstelling;
  2° de juridische vorm van de samenwerkingsovereenkomst;
  3° de taakverdeling op het vlak van het aanbod van hulpen of zorgverlening, met inbegrip van de uitrusting;
  4° de rationalisatie die eventueel uit de sub 3° bedoelde taakverdeling voortspruit;
  5° de oprichting, de samenstelling, de taken en de werking van in artikel 251 bedoelde coördinatiecomité;
  6° de bestuursbeslissingen die eventueel het akkoord van het coördinatiecomité vergen;
  7° de organisatie van eventueel gemeenschappelijke activiteiten;
  8° in voorkomend geval, de middelen die voor de sub 7° bedoelde activiteiten zullen worden aangewend alsmede het beheer en het gebruik ervan;
  9° in voorkomend geval, de personeelsorganisatie voor de sub 7° bedoelde activiteiten alsmede de eventuele overplaatsing van personeel van de ene voorziening naar een andere;
  10° de financiële afspraken;
  11° de verzekeringen;
  12° de regeling voor geschillen tussen partijen;
  13° de duur van de overeenkomst en de opzeggingsmodaliteiten, met inbegrip van een gebeurlijke proefperiode;
  14° de aanduiding van de algemene coördinator en, in voorkomend geval, van de verpleegkundige coördinator.

  Art. 251. Er wordt in elke groepering een coördinatiecomité opgericht, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de beheerders van de onderscheidene voorzieningen die deel uitmaken van de groepering.
  Het coördinatiecomité vervult, benevens de taken omschreven in de in artikel 250 bedoelde overeenkomst, in ieder geval de hiernavolgende opdrachten :
  1° het waakt over de uitvoering van de overeenkomst;
  2° het stelt alles in het werk om door taakverdeling een zo groot mogelijke complementariteit na te streven en de kwaliteit van de hulp- en of zorgverlening te verbeteren;
  3° het pleegt overleg over alle beslissingen tot nieuwbouw of uitbreiding of verbouwing van de voorzieningeninrichtingen, met inachtneming van de sub 2° bedoelde principes;
  4° het komt meerdere keren per jaar samen en het stelt een jaarlijks verslag op. Dit verslag wordt aan de Ministers toegestuurd.
  Bij de aanvraag van een in artikel 9 van de ordonnantie bedoelde vergunning voor werken wordt een verslag van het coördinatiecomité gevoegd waaruit het in 3° van het vorige lid bedoelde overleg moet blijken.

  HOOFDSTUK II. - Omschrijving en bijzondere normen van de fusie

  Afdeling 1. - Omschrijving

  Art. 252. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "fusie" verstaan, het samenbrengen van twee of meerdere afzonderlijk erkende voorzieningen, die al of niet van een verschillende beheerder afhangen, die zich binnen het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad op verschillende vestigingsplaatsen bevinden, onder één enkel beheerder met één enkele erkenning.

  Afdeling 2. - Bijzondere normen

  Art. 253. Een fusie dient, om te worden erkend, steeds te beantwoorden aan de hiernavolgende voorwaarden :
  1° de voorzieningen die van de fusie deel uitmaken dienen op het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gevestigd te zijn;
  2° het totaal aantal bedden van de in artikel 2, 4°, c), van de ordonnantie bedoelde voorzieningen die van de fusie deel uitmaken mag per locatie de 200 bedden of plaatsen niet overschrijden;
  3° de voorzieningen die van de fusie deel uitmaken moeten elk afzonderlijk aan de architechtonische en personeelsnormen voldoen. De voorzieningen van de fusie moeten gezamenlijk aan alle erkenningsnormen voldoen;
  4° binnen de fusie moet de homogeniteit van de hulp- en of zorgverlening worden gerealiseerd.
  5° de voorzieningen die van de fusie deel uitmaken dienen een overeenkomst, zoals beschreven in artikel 254, te sluiten.

  Art. 254. De beheerders van de voorzieningen die van de fusie deel uitmaken sluiten een overeenkomst af, hierna "het fusieplan" genoemd.
  De in het vorige lid bedoelde overeenkomst wordt door de Ministers goedgekeurd. Indien deze overeenkomst niet ten minste de in het derde lid bedoelde aangelegenheden regelt, wordt zij door de Ministers geweigerd.
  Deze overeenkomst regelt minstens volgende aangelegenheden :
  1° de algemene doelstellingen van de fusie, waaronder :
  a) de kwaliteitsverbetering van de hulp- of zorgverlening;
  b) de rationalisatie van de werking en van de infrastructuur van de voorziening, in voorkomend geval, door de voorzieningen die van de fusie deel uitmaken op een zelfde vestigingsplaats samen te brengen;
  c) de eenheid van concept, beheer en organisatie van de voorziening;
  2° de juridische vorm van de fusie;
  3° de financiële en boekhoudkundige aspecten van de fusie;
  4° een realisatieplan aangaande :
  a) de rationalisatie die met de fusie gepaard gaat;
  b) de tussenfasen om de doelstellingen van de fusie te verwezenlijken, waaronder de taakverdeling tussen de verschillende voorzieningen die van de fusie deel uitmaken, op het vlak van het aanbod van hulp- en of zorgverlening, met inbegrip van de uitrusting;
  c) in voorkomend geval, het samenbrengen op een zelfde vestigingsplaats van de voorzieningen die van de fusie deel uitmaken;
  5° de personeelsorganisatie en -verdeling die met de fusie gepaard gaat.
  De functie van directeur wordt voltijds uitgeoefend. De directeur dient minstens achtendertig uur per week in één van de ves-tigingsplaatsen van de voorziening aanwezig te zijn.
  De beheerder of de directeur moet in de andere vestigingsplaatsen van de voorziening een persoon aanwijzen die de dagelijkse leiding van de vestigingsplaats kan waarnemen en deze voor de administratie kan vertegenwoordigen. De naam van deze persoon wordt op een voor iedereen toegankelijke en zichtbare plaats aangebracht en de bejaarde personen en de leden van het personeel worden ervan op de hoogte gesteld.
  De directeur van de voorziening en de personen aangesteld om zijn functies in de andere vestigingsplaatsen uit te oefenen dienen, in geval van overmacht, oproepbaar te zijn;
  6° de wijze waarop aan de in artikel 253, 3° en 4° bedoelde voorwaarden zal worden voldaan.
  Het in het eerste lid bedoelde fusieplan moet dusdanig worden opgesteld dat er van bij het tot stand komen van de fusie één beheerder, één directeur en, in voorkomend geval, één verpleegkundige verantwoordelijke is voor alle voorzieningen die van de fusie deel uitmaken.

  TITEL X. - Slotbepalingen

  Art. 255.[1 § 1. Met uitsluiting van de in artikel 2, 4, b), ss, van de ordonnantie bedoelde voorzieningen, verlenen de Ministers, bij wijze van uitzondering, toestemming voor de opname en de opvang van bejaarde personen van minder dan 60 jaar oud, voor zover er een specifiek begeleidingsplan voor deze personen wordt opgesteld en 5 % van de erkenningscapaciteit niet wordt overschreden.
   De voorzieningen die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit dit percentage overschrijden, mogen geen nieuwe bejaarde personen van minder dan 60 jaar oud meer opvangen tot ze die drempel van 5 % hebben bereikt.
   § 2. De drempel van 5% mag overschreden worden, zonder evenwel 10 % te overschrijden, voor de opname van bejaarde personen van minder dan zestig jaar oud en meer dan vijftig jaar oud, voor zover de vroegtijdige veroudering door een arts is geattesteerd en voor zover een specifiek begeleidingsplan voor deze personen wordt opgesteld.
   Een onderhoud over medische, psychosociale en financiële kwesties wordt gevoerd door de voorziening waar de huisvesting of opvang gepland wordt. Dit onderhoud maakt het voorwerp van een verslag uit.
   De toepassing van de drempel vastgelegd in het eerste lid zal het voorwerp uitmaken van een evaluatie. Om de twee jaar zal de Dienst voor Bijstand aan Personen van de administratie een verslag opstellen, over de aanvragen, toestemmingen en de rechtvaardiging ervan.
   Op basis van dit verslag is het College gemachtigd om de drempel bepaald in het eerste lid te wijzigen.
   § 3. Voor de opname en de opvang van personen bedoeld in § 1 en § 2, moet de voorziening een voorafgaande toestemming van de ministers bekomen.
   Aan de aanvraag wordt toegevoegd :
   - het begeleidingsplan voor de personen bedoeld in § 1;
   - het begeleidingsplan, het attest van de arts en het verslag voor de personen bedoeld in § 2.
   De toestemming wordt verleend binnen de tien dagen nadat de administratie de aanvraag heeft ontvangen; bij gebreke hiervan wordt de toestemming geacht te zijn gegeven.]1
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Art. 256. Met uitsluiting van de in artikel 2, 4, b), ss, van de ordonnantie bedoelde voorzieningen, kunnen de Ministers, voor een bestaande voorziening en op een met redenen omklede aanvraag van de beheerder afwijkingen toestaan van de door dit besluit vastgestelde architectonische normen, na advies van de afdeling.

  Art. 257. De afgesloten huurcontracten tussen de eigenaar en de huurder van de in artikel 2, 4, b), ss, van de ordonnantie bedoelde voorzieningen, waarin de bestaande plichten tussen de eigenaar en de beheerder zijn opgenomen, worden binnen een termijn van twee jaar dat aanvangt op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, aangepast.

  Art. 258.[1 Het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996 tot vaststelling van de normen waaraan de inrichtingen die bejaarden huisvesten moeten voldoen, wordt opgeheven, met uitzondering zijn artikel 68 alsmede, voor wat betreft de voorzieningen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werden uitgebaat, zijn artikelen 109 tot 111.]1
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Art. 259. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2010.

  Art. 260. De Ministers zijn belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel, 3 december 2009.
  Voor het Verenigd College :
  De Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het Beleid inzake Bijstand aan Personen,
  Mevr. B. GROUWELS

  BIJLAGEN.

  Art. N1.[1 Bijlage I.
  

  
  
  
KOSTENELEMENTENINBEGREPEN IN DAGPRIJSSUPPLEMENTVOORGESCHOT TEN GUNSTE VAN DERDEN
  
Woonfunctie   
  
- Het gebruik van de kamerX 
  
- Het meubilair van de kamer (aangepast aan de toestand van de bewoner)X 
  
- De basisaccommodatie en het meubilair overeenkomstig de architectonische normen van dit besluitX 
  
- Het ter beschikking stellen van een nachtstoel wanneer de toestand van de bejaarde dit vereist X 
  
- Het gebruik en het onderhoud van de sanitaire installaties, individueel en gemeenschappelijkX 
  
- Het gebruik van de gemeenschappelijke plaatsen, met inbegrip van de liften, overeenkomstig het huishoudelijk reglementX 
  
- Het onderhoud van het patrimonium, het algemene onderhoud en het reinigen van de gemeenschappelijke plaatsen, materiaal en producten inbegrepen; de herstellingen van de kamers en huisvestingen die uit een gewoon huurgebruik voortvloeienX 
  
- Het aangepaste meubilair van de gemeenschappelijke plaatsenX 
  
- De afvalverwijderingX 
  
- De verwarming van de kamer en gemeenschappelijke plaatsen, het onderhoud van de installaties en elke wijziging van de verwarmingsapparatuurX 
  
- Het stromende koude en warme water en het gebruik van alle sanitaire installatieX 
  
- De elektrische installaties, hun onderhoud en elke wijziging ervan en het elektriciteitsverbruik.X 
  
- De installaties voor bescherming tegen brandgevaar en voor interne communicatie in functie van gemeenschappelijk gebruikX 
  
- De kosten voor de installatie, het onderhoud en de aansluiting van een publiek toegankelijke telefoon X 
  
- Het ter beschikking stellen in de gemeenschappelijke ruimten van televisie, radio of andere audiovisueel materiaalX 
  
- De keukeninstallaties, het onderhoud ervan en de wijzigingen gebonden aan de ontwikkeling van de wetgeving en de aanvoer van ruwe grondstoffen en de opslag ervanX 
  
- Het onderhoud van de individuele kamers en het meubilair en het materiaal in de kamersX 
  
- Elke hygiënische maatregel conform de normen betreffende de hygiëne van dit besluit met inbegrip van het desinfecteren van de kamers na het overlijden of het vertrek van de bejaardeX 
  
- Het beschikbaar stellen, het onderhoud en de hernieuwing van het beddengoed : aangepaste matras, dekens, spreien, lakens, hoofdkussens, steeklakensX 
  
- De bescherming van het beddengoed in geval van incontinentie  
  
- Gordijnen en overgordijnen, behangsel en meubelstoffenX 
  
- Onderhoud-, schoonmaak- en herstellingskosten t.g.v. normale slijtage (bv. behang, schilderwerk)X 
  
- Was en droogkuis van het niet-persoonlijke linnenX 
  
- Was en droogkuis van het persoonlijk linnen :   
  
1. dienst georganiseerd door de instelling via een loontrekkendeX (1.) 
  
2. dienst georganiseerd door een externe dienstverlener of op zelfstandige basis.  X (2.)
  
- Het elektriciteitsverbruik dat te wijten is aan een gebruik van individuele toestellen die behoren tot het basiscomfort zijnde de koelkast, TV en radioX 
  
- De kosten voor de installatie en het onderhoud van een radio, televisie, frigo en telefoon in de kamer die ter beschikking worden gesteld aan de bejaardeX 
  
- De kosten voor de individuele aansluiting en abonnement op radio, televisie en telefoon in de kamer  X
  
- De kosten voor een collectieve aansluiting en abonnement op radio, televisie en telefoon in de kamer  X
  
Zorgfunctie   
  
- Alle verpleging en hulp die niet door de ZIV gefinancierd wordenX 
  
- Alle bijdragen ziektefonds  X
  
- Honorarium  X
  
- Medicatie (min de korting)  X
  
- De bevoorrading, het beheer, het stockeren en de verdeling van de geneesmiddelenX 
  
- De honoraria voor verstrekkingen die zijn opgenomen in de nomenclatuur van het RIZIV voorzover ze niet begrepen zijn in de forfaits die voor de bejaarde terugbetaald worden   X
  
- Hospitalisatiekosten  X
  
- IncontinentiemateriaalX 
  
- Kosten voor hoorapparaat, bril, tandprothesen  X
  
- Kosten voor rolstoel, krukken, looprekX
   Indien dit valt onder toepas-
   sing van de overeenkomst ROB - RVT - VI
 X
   In de andere gevallen
  
- Verzorgingsmateriaal dat niet gedekt is door de RIZIV-forfaits   X
  
Leeffunctie  -
  
- De bereiding en verdeling van de maaltijden met inbegrip van de dranken, het naleven van diëten, de tussendoortjes en de dranken waarvan de verdeling tussen de maaltijden systematisch gebeurtX-
  
- De dienst in de kamer als deze door medische redenen verantwoord is.X 
  
- Onbeperkte beschikbaarheid van drinkbaar waterX 
  
- Dranken buiten de maaltijd op individuele vraag van de bejaarde met uitzondering van drinkbaar water X
  
- Het gebruik van de maaltijd op de kamer voor valide bewoners X
  
- Voedingsproducten buiten de maaltijd op individuele vraag van de bejaarde X
  
- Lichte en dadelijk opneembare voedingsstoffen :
   1. enterale voeding
   2. Voedingssupplementen
   3. een speciale maaltijd ter vervanging van de normale maaltijd (1)
  X (1., 2. en 3.)
  
- Pedicure :  
  
1. dienst georganiseerd door de instelling via een loontrekkendeX (1.) 
  
2. dienst georganiseerd door een externe dienstverlener of op zelfstandige basis  X (2.)
  
- Manicure :  
  
1. dienst georganiseerd door de instelling via een loontrekkendeX (1.) 
  
2. dienst georganiseerd door een externe dienstverlener of op zelfstandige basis  X (2.)
  
- Esthetische verzorging :  
  
1. dienst georganiseerd door de instelling via een loontrekkendeX (1.) 
  
2. dienst georganiseerd door een externe dienstverlener of op zelfstandige basis  X (2.)
  
- Kapper   
  
1. dienst georganiseerd door de instelling via een loontrekkendeX (1.) 
  
2. dienst georganiseerd door een externe dienstverlener of op zelfstandige basis wordt georganiseerd.  X (2.)
  
- Toiletartikelen (wc-papier, handzeep, shampoo) die door de instelling ter beschikking worden gesteldX 
  
- Toiletartikelen die op uitdrukkelijke vraag van de bejaarde (cfr. huishoudelijk reglement) door de instelling worden aangekocht - X
  
- Animatie georganiseerd buiten de instelling X
  
- De collectieve animatie- en, recreatie activiteiten wanneer ze in en door de instelling worden georganiseerd X 
  
- Herstellingkosten van het persoonlijk linnen :  
  
1. dienst georganiseerd door de instelling via een loontrekkendeX (1.) 
  
2. dienst georganiseerd door een externe dienstverlener of op zelfstandige basis  X (2.)
  
- Vervoerskosten die verband houden met de gezondheid van de bejaarde :  
  
1. dienst georganiseerd door de instelling en waarvan de kost niet vervat zit in de dagprijs en/of niet vanuit de overheid gesubsidieerd is  X (1.)
  
2. dienst georganiseerd door een externe dienstverlener  X (2.)
  
- Huisdierensupplement (alle mogelijke kosten verbonden aan het houden van een huisdier) X
  
Beleidsfunctie   
  
- De administratieve kosten, ongeacht de aard ervan, die gebonden zijn aan de huisvesting of de opvang van de bejaarde of die de werking van de instelling betreffenX 
  
- Verzekeringspolissen van allerlei aard : de verzekeringen burgerlijke aansprakelijkheid, de brandverzekering alsmede alle verzekeringen die de beheerder overeenkomstig de wetgeving heeft aangegaan, met uitzondering van elke persoonlijke verzekering van de bejaardeX 
  
- De kosten van mortuarium  
  
1. dienst georganiseerd door de instelling, met uitzondering van het ter beschikking stellen van een lokaal door de instelling. X (1.)
   Bvb : bloemen,...

  
2. dienst georganiseerd door een externe dienstverlener  X (2.)
  
- De kost van de begrafenis  X
  
- Belastingen eigen aan de instellingX 


   ------
   (1) De kost van een speciale maaltijd wordt aanzien als een voorschot ten gunste van derden en er moet een korting gegeven worden op de dagprijs ten belope van het bedrag van een normale maaltijd.]1
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>

  Art. N2.[1 Bijlage II.
   1. Om nadere regels vast te leggen voor de gelijkstelling van de door externe diensten geleverde prestaties met hotelpersoneelskosten en voor de raming ervan in VTE, moeten eerst de vier taakcategorieën die door die diensten kunnen worden waargenomen, precies worden vastgesteld.
   Het gaat om het volgende :
   1. de netheid en de hygiëne van de lokalen hebben betrekking op het dagelijks onderhoud van de lokalen. Dit sluit dus het onderhoud van de wegen of onderhoudswerken aan parken en tuinen uit.
   2. het technisch onderhoud moet worden verstaan als het niet-gespecialiseerde onderhoud dat door elke niet-gespecialiseerde persoon kan worden verricht. Dit sluit dus de taken uit waarvoor de voorziening hoe dan ook een beroep moet doen op een gespecialiseerde arbeider (bijv. voor het onderhoud van de liften);
   3. de taken betreffende het beddengoed en de wasserij hebben betrekking op het onderhoud van hotellinnen (beddengoed, gordijnen, tafellakens en servetten, kledij van de personeelsleden,Y), met uitsluiting van het persoonlijke wasgoed van de bejaarde;
   4. de taken betreffende de keuken en het restaurant hoeven niet te worden omschreven.
   2. Als de rusthuisbeheerder geen schriftelijk bewijs kan voorleggen van het juiste bedrag van de hotelpersoneelskosten voor de door de externe diensten geleverde prestaties, worden de door de externe diensten gedragen arbeidskosten berekend op grond van het aan het rusthuis gefactureerde bedrag, exclusief BTW; op dat bedrag wordt een percentage toegepast al naar gelang het soort diensten om geen rekening te houden met de winstmarge, de gebruikte producten, enz. :
   * Reiniging (netheid/hygiëne) : 90 %;
   * Technisch onderhoud : 80 %;
   * Beddengoed/Wasserij : 65 %;
   * Keuken/Restaurant : 40 %.
   3. Om het aantal VTE's te berekenen dat verkregen wordt door de door externe diensten geleverde prestaties gelijk te stellen met personeelskosten, moeten de door het rusthuis voor 1 VTE gedragen arbeidskosten eerst worden bepaald.
   * Reiniging (netheid/hygiëne) : aaaa euro (*);
   * Technisch onderhoud : bbbbb euro (*);
   * Beddengoed/Wasserij : ccccc euro (*)
   * Keuken/Restaurant : dddd euro (*)
   (*) Deze bedragen worden bekomen op grond van de weging van de verschillende loonschalen die gelden krachtens het koninklijk besluit van 16 juli 1997 waarbij de C.A.O. van 24 juni 1996 algemeen verbindend wordt verklaard, met toepassing van index 1,xxxx en verhoogd met de werkgeverslasten.
   Als de rusthuisbeheerder geen schriftelijk bewijs kan voorleggen van het juiste aantal VTE's die de in punt 1 van deze bijlage bedoelde externe prestaties hebben verricht, wordt het aantal VTE's, berekend door de prestaties van externe diensten met personeelskosten gelijk te stellen, bekomen door de in punt 2 van deze bijlage bedoelde bedragen te delen door de in dit punt vermelde bedragen.
   Voorbeeld :
   De traiteurdienst stelt voor het jaar 2008 een factuur op van XXXXX euro, exclusief BTW (onder meer personeelskosten inbegrepen).
   Drie hypotheses kunnen zich voordoen :
   1. De beheerder levert het schriftelijke bewijs van het aantal VTE's. In dit geval is de huidige bijlage niet van toepassing.
   2. De beheerder levert niet het schriftelijke bewijs van het aantal VTE's, maar wel het schriftelijke bewijs van het precieze bedrag van de personeelskosten (bijvoorbeeld yyy euro, exclusief BTW) dat overeenstemt met de desbetreffende factuur. Het aantal VTE wordt dan op de volgende wijze berekend :
   VTE = yyy/dddd = zzz
   3. De beheerder levert noch het schriftelijke bewijs van het aantal VTE's, noch het van het precieze bedrag van de personeelskosten die overeenstemmen met de desbetreffende factuur. Het aantal VTE wordt dan op de volgende wijze berekend :
   ETP = xxx * 40 %/dddd = wwww.]1
  ----------
  (1)<BESL 2011-09-08/08, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 13-10-2011>
  

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Het Verenigd College,
   Gelet op de ordonnantie van 24 april 2008 betreffende de voorzieningen voor opvang of huisvesting van bejaarde personen, artikel 11;
   Gelet op het besluit van het Verenigd College van 14 maart 1996 tot vaststelling van de normen waaraan de inrichtingen die bejaarden huisvesten moeten voldoen;
   Gelet op de adviezen van de afdeling instellingen en diensten voor bejaarden van de Commissie voor Welzijnszorg van de Adviesraad voor Gezondheids- en Welzijnszorg van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, gegeven op 13 en 25 februari 2009;
   Gelet op het advies 46.473/VR/3 van de Raad van State, gegeven op 2 juni 2009, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Leden van het Verenigd College, bevoegd voor het beleid inzake Bijstand aan personen;
   Na beraadslaging,
   Besluit :
Erratum Tekst Begin

originele versie
2010031482
PUBLICATIE :
2010-10-22
bladzijde : 62935

Rechtzetting



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 08-09-2011 GEPUBL. OP 13-10-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : NL105; 126bis; F132; 135; NL160; 163; 164; 165; 168; 171; NL183; 192; 200; 255; 258; N1; N2)
  • originele versie
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 18-11-2010 GEPUBL. OP 29-11-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 99; 123)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie