J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 3 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2006/01/11/2006014038/justel

Titel
11 JANUARI 2006. - Koninklijk besluit tot toepassing van titel IV (Hervorming van de Regie der Posterijen) van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 17-01-2006 en tekstbijwerking tot 09-02-2018)

Bron : MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 17-01-2006 nummer :   2006014038 bladzijde : 2686
Dossiernummer : 2006-01-11/31
Inwerkingtreding : 17-04-2006

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Definities.
Art. 1
TITEL II. - Procedure en voorwaarden voor de toekenning, de weigering en de intrekking van de individuele vergunning voor de levering van niet voorbehouden postdiensten die deel uitmaken van de universele dienst, alsmede de duur en de voorwaarden voor de overdracht ervan.
HOOFDSTUK I. - Procedure en voorwaarden voor de toekenning en de weigering van de vergunning.
Afdeling I. - Indienen van de aanvragen.
Art. 2
Afdeling II. - Onderzoek van de aanvragen.
Art. 3-4
HOOFDSTUK II. - Duur, voorwaarden met betrekking tot de beëindiging en de hernieuwing van de vergunning.
Art. 5
HOOFDSTUK III. - Overdracht van de vergunning.
Art. 6
HOOFDSTUK IV. - Verval van de vergunning.
Art. 7
TITEL III.
HOOFDSTUK I.
Art. 8-9
HOOFDSTUK II.
Art. 10-11
HOOFDSTUK III.
Art. 12-18
HOOFDSTUK IV.
Art. 19-23
HOOFDSTUK V.
Art. 24-27
TITEL IV. - Evolutie van de tarieven van de universele dienst.
HOOFDSTUK I. - Toepassing.
Art. 28-30
HOOFDSTUK II.
Art. 31-32
HOOFDSTUK III. - Tariefverhogingen.
Art. 33
TITEL V. - Inhoud en eisen in verband met de universele dienst.
Art. 34-37
TITEL VI.
Art. 38
TITEL VII.
Art. 39-42
TITEL VIII.
Art. 43-45

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Definities.

  Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° wet : de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  2° Minister : [1 de minister of staatssecretaris die bevoegd is voor postdiensten]1
  3° Instituut : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, afgekort " B.I.P.T. ", bedoeld in artikel 71 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven [1 en in artikel 2 en volgende van de wet van 17 januari met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector]1 ;
  4° essentiële eisen : de redenen die vastgesteld zijn in [1 artikel 131, 19°]1 , van de wet;
  5° diensten : soortnaam die verwijst naar de eigenlijke diensten en de producten van de [1 ...]1 leverancier van de universele dienst;
  6° [1 ...]1
  7° koninklijk besluit : het koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regels inzake aangifte en overdracht van postdiensten die geen deel uitmaken van de universele dienst en tot toepassing van de artikelen 144quater, § 3, 148sexies, § 1, 1° en 148septies van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
  8° stukpost : briefwisseling die per individueel stuk afgegeven wordt;
  9° D+1 : uitreiking op de eerste werkdag (buiten de zaterdag) volgend op die van hun afgifte voor de laatste nuttige lichting van de bus, op die van hun afgifte in het postaal service punt voor de laatste nuttige lichting in dat betrokken postaal service punt of op die van hun laatste nuttige afhaling ter plaatse of op die van hun aanlevering in het internationale uitwisselingskantoor voor het " LAT " (latest arrival time).
  10° D+2 : uitreiking ten laatste op de tweede werkdag (buiten de zaterdag) volgend op die van hun afgifte voor de laatste nuttige lichting van de bus, op die van hun afgifte in het postaal service punt voor de laatste nuttige lichting in dat betrokken postaal service punt of op die van hun laatste nuttige afhaling ter plaatse of op die van hun aanlevering in het internationale uitwisselingskantoor voor het " LAT " (latest arrival time).
  [1 11° vergunninghouder : de aanbieder van postdiensten die een individuele vergunning bezit voor de levering van een dienst van brievenpost binnen de werkingssfeer van de universele dienst;
   12° dekkingsplicht : de verplichting voor de vergunninghouder om de uitreiking te verzorgen in een welbepaald geografisch gebied van het Koninkrijk;
   13° brievenpostdiensten binnen de werkingssfeer van de universele dienst : postdiensten waarvoor een individuele vergunning vereist is op grond van artikel 148sexies van de wet;
   14° distributienetwerk : geheel van menselijke en operationele middelen die de vergunninghouder in staat stellen om brievenpostzendingen te bestellen aan de geadresseerden in het gebied waarvoor de dekkingsplicht van toepassing is;
   15° individuele vergunning : de machtiging zoals bepaald in artikel 131, 14° van de Wet;
   16° aanbieder van de universele dienst : de aanbieder van postdiensten zoals bepaald in 131, 13° van de wet.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-19/37, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  TITEL II. - Procedure en voorwaarden voor de toekenning, de weigering en de intrekking van de individuele vergunning voor de levering van niet voorbehouden postdiensten die deel uitmaken van de universele dienst, alsmede de duur en de voorwaarden voor de overdracht ervan.

  HOOFDSTUK I. - Procedure en voorwaarden voor de toekenning en de weigering van de vergunning.

  Afdeling I. - Indienen van de aanvragen.

  Art. 2. De inhoud en de presentatie van de aanvraag worden beschreven overeenkomstig artikel 10 en volgende van het koninklijk besluit en de bijlage ervan. Indien het Instituut van oordeel is dat de aanvraag onvolledig is of bijkomende inlichtingen of verduidelijkingen wenst, brengt het de aanvrager daarvan binnen een redelijke termijn op de hoogte. Na afloop van een termijn van 60 dagen na de mededeling van de aanvullende vraag van het Instituut aan de aanvrager, wordt de niet-aangepaste aanvraag verworpen.

  Afdeling II. - Onderzoek van de aanvragen.

  Art. 3. § 1. Het Instituut doet een aanbeveling en deelt die mee aan de aanvrager binnen een termijn van 30 kalenderdagen vanaf de datum van het indienen van de aanvraag. Wanneer de aanbeveling gunstig is, neemt zij de vorm aan van een ontwerp van individuele vergunning. Dit ontwerp wordt door het Instituut opgesteld op grond van de elementen die de aanvrager heeft verstrekt.
  § 2. De aanvrager heeft maximaal 30 kalenderdagen tijd om zijn opmerkingen over het ontwerp van individuele vergunning aan het Instituut mee te delen. Die termijn van 30 dagen gaat in op de derde werkdag die volgt op de verzending van de kennisgeving van de aanbeveling.
  § 3. Wanneer de aanvrager na afloop van de in het tweede lid bedoelde termijn geen opmerkingen heeft op het ontwerp van vergunning, beschikt het Instituut over ten hoogste 15 kalenderdagen om de individuele vergunning toe te kennen.
  § 4. Bij het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn, beschikt het Instituut over ten hoogste 30 kalenderdagen om de individuele vergunning al dan niet toe te kennen, wanneer de aanvrager opmerkingen heeft op het ontwerp van vergunning.

  Art. 4.§ 1. Het Instituut weigert een aanvraag indien de aanvrager zich niet verbonden heeft om de in artikel 148sexies, § 1, 2°, van de wet bedoelde voorwaarden te respecteren.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. [1 ...]1
  § 4. [1 ...]1
  ----------
  (1)<Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  HOOFDSTUK II. - Duur, voorwaarden met betrekking tot de beëindiging en de hernieuwing van de vergunning.

  Art. 5. De individuele vergunning is tien jaar geldig, te rekenen vanaf de datum waarop die vergunning is afgegeven.
  Na het verstrijken van die eerste periode wordt de vergunning stilzwijgend verlengd voor opeenvolgende termijnen van vijf jaar.

  HOOFDSTUK III. - Overdracht van de vergunning.

  Art. 6. § 1. De individuele vergunning mag worden overgedragen op voorwaarde van voorafgaande toestemming van het Instituut. Het Instituut kan de overdracht weigeren indien de cessionaris niet voldoet aan de voorwaarden voor het bekomen van een vergunning.
  § 2. Het verzoek om overdracht bevat de inlichtingen die vermeld zijn in het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 1, 7°. Die hebben betrekking op zowel de cedent als de cessionaris.

  HOOFDSTUK IV. - Verval van de vergunning.

  Art. 7.De [1 aanbieder van postdiensten]1 kan afstand doen van zijn vergunning met een opzegging van drie maanden die bij een ter post aangetekende brief aan het Instituut wordt gericht.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-19/37, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  TITEL III.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  HOOFDSTUK I.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 8.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 9.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  HOOFDSTUK II.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 10.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 11.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  HOOFDSTUK III.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 12.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 13.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 14.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 15.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 16.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 17.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 18.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  HOOFDSTUK IV.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 19.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 20.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 21.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 22.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 23.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  HOOFDSTUK V.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 24.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 25.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 26.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 27.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  TITEL IV. - Evolutie van de tarieven van de universele dienst.

  HOOFDSTUK I. - Toepassing.

  Art. 28.Deze titel is van toepassing op de [1 aanbieder van de universele dienst]1.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-19/37, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 29.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  Art. 30.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  HOOFDSTUK II.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  Art. 31.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  Art. 32.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  HOOFDSTUK III. - Tariefverhogingen.

  Art. 33.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  TITEL V. - Inhoud en eisen in verband met de universele dienst.

  Art. 34.De [1 aanbieder van de universele dienst]1 zorgt ervoor dat :
  1° de [2 postkantoren]2 ten minste gedurende een aantal uren per week buiten de kantooruren van de klanten geopend zijn afhankelijk van de noden van deze laatsten;
  2° een maximum aantal zendingen van brievenpost die beantwoordt aan de snelste standaardscategorie, uitgereikt wordt op de eerste werkdag (buiten de zaterdag) volgend op de dag van hun afgifte voor de laatste nuttige buslichting, van hun afgifte in het kantoor of van hun afhaling ter plaatse;
  a) binnen termijn D+1 minstens [2 93 %]2 van deze binnenlandse zendingen en binnen termijn D+2 minstens 97 % uitgereikt wordt, gemeten volgens de methode " CEN EN 13850 (Postdiensten - Kwaliteit van diensten - Meting van kwaliteit van eind-tot-eind dienstverlening voor prioritaire stukpost) ". [3 Van voormelde objectieven en de daaraan verbonden metingen wordt uitgesloten het gamma aan brievenpostdiensten dat gefrankeerd wordt door een postzegel specifiek daartoe gewijd en op de markt gebracht tijdens de kerstperiode, door de aanbieder van de universele dienst, waarvan de verzendingstermijn van D+1 zoals hierboven vermeld, vervangen wordt door maximaal D+3 gedurende de laatste 14 dagen van december tot en met het einde van de eerste 7 dagen van januari het daaropvolgende jaar. De aanbieder van de universele dienst kan deze periode van drie weken met maximaal 7 dagen vervroegen. De verzendingstermijn van de brievenpost die met kerstzegels is gefrankeerd zal tijdens de beschouwde periode apart worden geteld. Van de brievenpost gefrankeerd met een kerstzegel en verzonden tijdens de beschouwde periode dient 95% binnen D+3 te worden uitgereikt. Buiten deze in beschouwing genomen periode, zal brievenpost gefrankeerd met een kerstzegel meegeteld worden in het kader van de D+1 stroom]3;
  b) vanaf het ogenblik dat zij in het uitwisselingskantoor in België toekomen, dezelfde verzendingstermijnen gelden voor de binnenkomende prioritaire internationale zendingen als voor de binnenlandse zendingen;
  c) binnen termijn D+3 minstens 85 % van de intracommunautaire post en binnen termijn D+5 minstens 97 % uitgereikt wordt, gemeten volgens de " end-to-end" -methode.
  3° op alle brievenbussen het uur van de laatste nuttige lichting wordt aangegeven, alsook het adres van de dichtstbijzijnde brievenbus waar een latere afgifte mogelijk is;
  4° [2 ...]2
  5° [2 ...]2
  ----------
  (1)<KB 2014-04-19/37, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>
  (2)<KB 2014-04-19/37, art. 11, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>
  (3)<KB 2017-09-18/10, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 20-10-2017>

  Art. 35.De [1 vergunninghouders]1 zorgen ervoor dat :
  1° [2 ...]2
  2° [1 ...]1
  3° in de algemene verkoopsvoorwaarden informatie wordt gegeven over de tarieven, de regels en procedures voor het vaststellen van de aansprakelijkheid in geval van diefstal of beschadiging van postzendingen, de klachtenprocedures en de kwaliteitscriteria die moeten worden nageleefd; deze algemene verkoopvoorwaarden moeten worden ter beschikking gesteld op een voor de gebruikers eenvoudige wijze;
  4° [1 ...]1
  5° [2 ...]2
  6° [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-19/37, art. 12, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>
  (2)<W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  Art. 36.§ 1. Om te kunnen controleren of de in artikel 34 vastgestelde normen worden nageleefd, verstrekt de [1 aanbieder van de universele dienst]1 jaarlijks de volgende informatie aan het Instituut :
  1° [2 een verslag over :
   a) de omvang van het netwerk van de postale servicepunten, en het dienstenassortiment, met inbegrip van een lijst van deze toegangspunten met vermelding van het adres en van de openingsuren, met inbegrip van openingsuren buiten de normale uren;
   b) het netwerk van rode brievenbussen;
   c) de openingsuren, de continuïteit, de kwaliteit en de toegankelijkheid van de dienstverlening in de postkantoren en de postale servicepunten, hun de adressen en openingsuren buiten de kantooruren.]2
  2° een jaarverslag over de dienst voor onbestelbare poststukken, met vermelding van het aantal, de aard van de niet-bestelde postzendingen en de toegepaste behandelingswijze.
  § 2. Het Instituut of een instantie die onafhankelijk is van de [1 aanbieder van de universele dienst]1 en die gekozen wordt door het Instituut op basis van een bestek dat door het Instituut wordt vastgelegd, verricht een studie over alle voormelde inlichtingen die aan de gebruikers moeten worden verstrekt.
  § 3. In verband met de naleving van de kwaliteitsnormen met betrekking tot de duur, de verzending, de regelmatigheid en de betrouwbaarheid van de binnenlandse en de grensoverschrijdende diensten, wordt een studie onder toezicht van het Instituut verricht door een onafhankelijke instelling over de besteltermijnen van zendingen van brievenpost die beantwoorden aan de snelste standaardscategorie volgens de normen vermeld in het artikel 34, 2°a.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-19/37, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>
  (2)<KB 2014-04-19/37, art. 13, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 37.De [1 vergunninghouders]1 verstrekken aan het Instituut een jaarverslag over de dienst voor onbestelbare zendingen, met vermelding van het aantal en de aard van de niet-bestelde poststukken, alsook over de toegepaste behandelingswijze. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de zendingen die waardevolle voorwerpen en documenten bevatten en die welke er geen bevatten.
  Het Instituut kan ter plaatse controle verrichten om zich te vergewissen van de naleving van de kwaliteitsnormen door de leveranciers van niet voorbehouden diensten die onder de universele dienst vallen.
  ----------
  (1)<KB 2014-04-19/37, art. 14, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  TITEL VI.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  Art. 38.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  TITEL VII.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 16, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 39.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  Art. 40.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  Art. 41.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  Art. 42.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  TITEL VIII.
  <Opgeheven bij KB 2014-04-19/37, art. 16, 002; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 43.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  Art. 44.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>

  Art. 45.
  <Opgeheven bij W 2018-01-26/08, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 10-02-2018>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 11 januari 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Economie, Energie,
Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid
M. VERWILGHEN.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, inzonderheid op titel IV, Hervorming van de Regie der Posterijen, gewijzigd bij de wetten van 12 december 1994, 20 december 1995, 19 december 1997, 3 mei 1999, 24 december 1999, 3 juli 2000, 12 augustus 2000, 2 augustus 2002 en 24 december 2002 en bij de koninklijke besluiten van 9 juni 1999 en 7 oktober 2002;
   Gelet op het advies van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 7 juli 2002 en 12 oktober 2005;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 4 april 2003 en 14 oktober 2005;
   Gelet op de hoogdringendheid gemotiveerd door de omstandigheid dat onderhavig besluit het wettelijk kader dat geschapen werd door de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven uitvoert. Deze uitvoering dient te geschieden alvorens de volgende fase van het liberaliseringproces van de postale markt in werking treedt. Meerbepaald zal op 1 januari 2006 het monopolie van De Post verder worden ingeperkt. De Europese Commissie voorziet dat hierdoor het marktaandeel dat openstaat voor concurrentie eind 2007 zal oplopen tot 60 % (bron : "Main Developments in the European Postal Sector", wik-Consult, July 2004).
   Onderhavig besluit strekt er onder meer toe om, in uitvoering van de wet van 21 maart 1991, de toegang tot de postmarkt te reguleren aan de hand van vergunningen en aangiftes. Dit heeft tot gevolg dat enerzijds de operatoren moeten voldoen aan zekere voorwaarden zodanig dat aan de consument een kwalitatief hoogstaande dienst verzekerd wordt, en anderzijds, de regulator van de sector een beter inzicht krijgt in de activiteiten van de marktspelers zodanig dat deze zich op een doeltreffende wijze van zijn taken kan kwijten. Tevens wordt de methode voor de berekening van de kost van de universele dienst vastgelegd en, daarmee verband houdend, de procedure voor de activering van het compensatiefonds. De tijdige inwerkingtreding van deze bepalingen is noodzakelijk gezien door de afbrokkeling van het postmonopolie eventueel zal moeten voorzien worden in een alternatieve financiering van de kost van de universele dienst. Dit besluit besteedt tot slot aandacht aan essentiële zaken zoals de tariefverhogingen, de omschrijving van direct mail enz.
   Gelet op advies 35.378/4 van de Raad van State gegeven op 9 juli 2003, met toepassing van artikel 84, § 1, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Gelet op advies 39.590/4 van de Raad van State gegeven op 21 december 2005 met toepassing van artikel 84, § 1, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van Onze Minister van Economie, Energie, B uitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 26-01-2018 GEPUBL. OP 09-02-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 29-32; 35; 38-45)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-09-2017 GEPUBL. OP 10-10-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 34)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-04-2014 GEPUBL. OP 27-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 4; 7; 8-27; 28; 29; 31; 32; 34; 36; 29; 30; 31; 32; 33; 34; 35; 36; 37; 38-45)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       A. Hoofdlijnen van de tenuitvoerlegging van de wet van 21 maart 1991
       Het onderhavige koninklijk besluit heeft hoofdzakelijk betrekking op de volgende elementen :
       - de procedure en voorwaarden voor de toekenning, de weigering en de intrekking van de individuele vergunning voor de levering van de niet voorbehouden postdiensten die deel uitmaken van de universele postdienst, alsook de duur en de voorwaarden voor de overdracht ervan;
       - de interne analytische boekhouding en de berekening van de kostprijs van de universele postdienst die door de aangewezen leverancier van de universele postdienst verleend wordt;
       - de tariefevolutie van de universele postdienst;
       - de inhoud en de vereisten die verbonden zijn met de universele postdienst;
       - het aanzienlijk aantal geadresseerden inzake direct mail;
       - het Compensatiefonds voor de universele postdienst.
       De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, werd op 16 april 2003 door de Minister van Overheidsbedrijven en Participaties verzocht om hem, binnen een termijn van ten hoogste een maand, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit " tot toepassing van titel IV (Hervorming van de Regie der Posterijen) van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven ", heeft op 9 juli 2003 zijn advies gegeven.
       Het onderhavige besluit houdt rekening met alle opmerkingen van de RvSt onder voorbehoud van hetgeen volgt :
       I. Algemene opmerkingen over titel II. Procedure en voorwaarden voor de toekenning, de weigering en de intrekking van de individuele vergunning voor de levering van de niet-voorbehouden postdiensten die deel uitmaken van de universele postdienst, alsook de duur en de voorwaarden voor de overdracht ervan (gebrek aan beroepsmogelijkheden bij gedeeltelijke of volledige weigering, alsook bij intrekking van de individuele vergunning).
       Het feit dat het onderhavige koninklijk besluit niet voorziet in een mogelijkheid tot beroep bij gedeeltelijke of volledige weigering, alsook bij intrekking van de individuele vergunning moet niet worden opgelost in het koninklijk besluit. Die leemte wordt namelijk aangevuld door artikel 2, § 1, van de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector.
       II. Opmerking in verband met titel III. - Interne analytische boekhouding en berekening van de kostprijs van de universele dienst die wordt verleend door de aangewezen leverancier van de universele dienst (artikel 26, § 1)
       Artikel 144decies, § 7, van de wet van 21 maart 1991, dat bepaalt dat het Instituut vóór 30 juni van het jaar dat volgt op het jaar dat het voorwerp heeft uitgemaakt van voorschotten, het definitieve bedrag publiceert van de participatie van elk van de bijdragers in het compensatiefonds, is gewijzigd bij artikel 414 van de programmawet van (Titel IX, Telecommunicatie en Post, Hfst. IV, Wijzigingen aan de wet van 21 maart 1991). Dat artikel schrijft voor dat de woorden "Voor 30 juni van het jaar dat volgt op het jaar dat het voorwerp heeft uitgemaakt van voorschotten" worden vervangen door de woorden "Ten laatste op de datum bepaald door de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit". De datum van 30 september blijft dus gehandhaafd.
       III. Opmerking in verband met titel V. - Inhoud en eisen in verband met de universele dienst. (artikel 37)
       De verplichting van de leveranciers van niet-voorbehouden diensten de deel uitmaken van de universele dienst om aan het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie een jaarverslag voor te leggen over de dienst voor onbestelbare zendingen is noch buitensporig noch ongerechtvaardigd. De inhoud van dat verslag, namelijk het aantal en de aard van de onbestelde postzendingen, alsook de toegepaste behandelingsprocedure maken het mogelijk de naleving van de essentiële eisen na te gaan (het vertrouwelijke karakter van de brievenpost, de veiligheid van het netwerk met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen), alsook de termijnen voor het bewaren van de onbestelbare zendingen (artikel 35, 6°, de punten a en b van het onderhavige besluit).
       Aangaande de opmerking van de Raad van State in haar advies van 21 december 2005, nummer 39.590/4, dat het verzoek om advies voorbarig is voor wat betreft de artikelen 8, § 1, 12, § 2, 3e lid, 17, § 3, 18, 20, 1e lid, 28, 29, 30, 31, 32 en 44, § 2, kan opgemerkt worden dat er op 21 december 2005 in de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, wel degelijk een rechtsgrond bestond voor deze bepalingen.
       Meer in het bijzonder ging het over artikel 144unodecies (methode voor de berekening van de kosten van de universele dienst), artikel 144nonies in fine (de aangewezen leverancier van de universele dienst moet de onevenredig last aantonen) en artikel 144ter, § 3, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
       Artikel 42 werd ingevolge de opmerking van de Raad van State aangepast.
       M.b.t. de opmerking van de Raad van State aangaande artikel 44 is het zo dat dit artikel de overgang regelt tussen de huidige situatie en het regime dat ingevoerd wordt bij artikel 31 en 32 van dit besluit dat de tariefverhogingen van welbepaalde universele postdiensten van De Post moduleert volgens een tariefformule. Krachtens artikel 44 wordt de werking van de tariefformule voor het meest courante product, zijnde stukpost - briefwisseling gefrankeerd aan het volle tarief, tijdelijk beperkt : nl. in 2007 mag De Post hiervoor geen tariefverhogingen doorvoeren en in 2008 wordt de prijsstijging voor binnenlandse stukpost - briefwisseling gefrankeerd aan het volle tarief geplafonneerd op 0,54 euro. Dit laat aan de consumenten toe zich voor te bereiden op de toepassing van de tariefformule en de gevolgen daarvan in te calculeren. Hierdoor wordt vermeden dat de eis van betaalbaarheid van de tarieven voor universele postdiensten geformuleerd in artikel 144ter, § 1, 1°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven in het gedrang zou komen door onverwachte en bruuske prijsstijgingen die volgen op tariefverhogingen die reeds werden toegepast voorafgaand aan de publicatie en inwerkingtreding van dit besluit, namelijk in februari 2006.
       B. Structuur van het koninklijk besluit
       TITEL I. - Definities
       Deze titel, die de verschillende definities bevat die in dit besluit gebruikt worden, omvat bepaalde definities van de wet alsook andere die eraan toegevoegd worden.
       TITEL II. - Procedure en voorwaarden voor de toekenning, weigering en intrekking van de individuele vergunning voor de levering van de niet-voorbehouden postdiensten die deel uitmaken van de universele postdienst, alsook de duur en de voorwaarden voor de overdracht ervan
       Deze titel strekt ertoe de voorwaarden vast te stellen voor de toekenning, de weigering en de intrekking van de individuele vergunning voor de levering van niet-voorbehouden postdiensten die deel uitmaken van de universele dienst, alsmede de duur en de voorwaarden voor de overdracht ervan, zodat de houder van zo'n vergunning alle niet-voorbehouden postactiviteiten kan uitoefenen die deel uitmaken van de universele dienst.
       De procedure die moet worden gevolgd voor de toekenning van een dergelijke vergunning omvat een aangifte van de postdiensten door de aanvrager van een vergunning, ongeacht of hij reeds diensten verstrekt of voornemens is te verstrekken.
       Afhankelijk van de modaliteiten van de postdienst die zij aanbieden dienen aanbieders van pakketdiensten een vergunning aan te vragen. Het is namelijk zo dat de universele postdienst een basisdienst is, zoals bij voorbeeld het Kilopost-product van De Post. Vaak zal een aanbieder van pakketdiensten bijkomend bij deze basisdienst toegevoegde waarde diensten leveren. Zo kan hij bijvoorbeeld een uitzonderlijk snelle levering garanderen, het ophalen buiten de kantooruren aanbieden, enz. De geleverde postdienst kan aldus sterk verschillen van de basisdienst en als dusdanig geen onderdeel uitmaken van de universele postdienst in welk geval het niet nodig is om een licentie te bezitten alvorens de dienst mag aangeboden worden.
       Concreet zal de betrokken aanbieder zich tot het BIPT dienen te richten om een aangifte te doen dan wel om een vergunning aan te vragen. De aanbieders van pakketdiensten dienen na te gaan of de door hen geleverde dienst voldoende verschilt van de universele basisdienst. I.f.v het resultaat van deze afweging vraagt de aanbieder in kwestie een vergunning aan of doet hij een aangifte. Het BIPT gaat op dat ogenblik na of de juiste optie (vergunning of aangifte) gekozen wordt.
       Bij de bovenvermelde beoordeling kan de betrokken aanbieder een beroep doen op de mededeling van het BIPT van 11 februari 2004 en de adviezen van het BIPT aangaande de universele dienst. De mededeling van februari 2004 bevat een aantal criteria die toelaten om te oordelen of een postdienst al dan niet sterk verschilt van de basisdienst. Deze criteria zijn o.a. een individuele behandeling van de zending, een snellere behandeling ten gevolge van een individuele behandeling, een contractueel gegarandeerde levering van de bestelling of de mogelijkheid om een bewijs van levering te bekomen.
       TITEL III. - Interne analytische boekhouding en berekening van de kostprijs van de universele dienst die door de aangewezen leverancier van de universele dienst verleend wordt
       Deze titel beoogt :
       - de postdiensten in vier categorieën te verdelen, namelijk de drie categorieën die in de wet van 21 maart 1991 vermeld zijn, plus een specifieke categorie voor de taken van openbare dienst;
       - de boekhoudkundige elementen die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de kostprijs van de universele dienst aan te duiden;
       - de methode voor de berekening van de kostprijs van de universele dienst, de eventuele last die vergoed dient te worden, alsook de nadere regels voor de publicatie ervan, vast te stellen.
       Bovendien worden in deze titel bijkomende verduidelijkingen aangebracht betreffende :
       - de aanpassing van de interne analytische boekhouding van de aangewezen leverancier van de universele dienst om aan het Instituut de nodige gegevens te bezorgen voor de controle van de berekening van de kostprijs van de universele dienst zoals dit werd uitgevoerd door de aangewezen leverancier van de universele dienst. Dankzij deze titel kan men bovendien over voldoende gedetailleerde inlichtingen beschikken over de interne boekhoudsystemen van de aangewezen leverancier van de universele dienst en over de boekhoudkundige gegevens die op haar verzoek aan de Europese Commissie bezorgd moeten worden;
       - de controle door een bevoegde instantie op de analytische boekhouding van de aangewezen leverancier van de universele dienst en de publicatie van de jaarlijkse conformiteitverklaring;
       - de inlichtingen die de aangewezen leverancier van de universele dienst elk jaar aan het Instituut moet bezorgen om de kostprijs van de universele dienst te kunnen controleren;
       Alle boekhoudkundige, financiële en andere gegevens die door de aangewezen leverancier van de universele dienst aan het Instituut verstrekt worden, zijn vertrouwelijk;
       - de nadere regels voor de publicatie van de resultaten van de berekening van de last die door het Compensatiefonds vergoed dient te worden aan de aangewezen leverancier van de universele dienst en van het bedrag van het aandeel van de bijdragende operatoren.
       TITEL IV. - Tariefevolutie van de universele postdienst
       Deze tekst beantwoordt aan § 3 van artikel 144ter dat bepaalt dat de tarieven van de in dat artikel opgesomde postdiensten elke dienst die deel uitmaakt van de verstrekking van de universele postdienst evolueren volgens een formule die wordt vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op advies van het Instituut.
       De tekst stelt de formules vast die van toepassing zijn op de verschillende soorten diensten van de aangewezen leverancier van de universele dienst.
       Hij verzoent twee principes met elkaar : de eerbiediging van de autonomie van de aangewezen leverancier van de universele dienst wat zijn tariefstrategie betreft en de bescherming van de consument.
       Doordat de vergunninghouders concurrerende diensten aanbieden en vrijgesteld zijn van dezelfde verplichtingen die opgelegd zijn aan de aangewezen leverancier van de universele postdienst, geschiedt de tariefregeling die op hen van toepassing is volgens dezelfde formule als die welke wordt toegepast op de aangewezen leverancier van de universele postdienst voor de diensten die hij in concurrentie verstrekt binnen de universele dienst. Dit belet echter niet dat hun tarieven ook op de kosten gebaseerd zijn.
       TITEL V. - Inhoud en vereisten
       die verbonden zijn met de universele postdienst
       Deze titel voorziet in kwaliteitsnormen die zowel door de aangewezen leverancier van de universele dienst als door de vergunninghouder nageleefd moeten worden.
       Wat de aangewezen leverancier van de universele postdienst betreft, wordt de nadruk gelegd op de toegang tot het postnetwerk, de naleving van de kwaliteitsnormen inzake distributie van prioritaire zendingen en informatie aan het clientèle.
       De vergunninghouder is onderworpen aan sommige kwaliteitscriteria die moeten worden opgenomen in de algemene verkoopsvoorwaarden.
       TITEL VI. - Aanzienlijk aantal
       geadresseerden inzake direct mail
       Deze titel VI vult de definitie aan van direct mail die geformuleerd is in artikel 131, 12°, van de wet.
       TITEL VII. - Compensatiefonds voor de universele postdienst
       De artikelen 39 tot 42 van het besluit verduidelijken en vervolledigen de bepalingen van hoofdstuk Vquater van de wet, dat de artikelen 144nonies tot 144unodecies van de wet bevat.
       Dit fonds wordt opgericht om de universele postdienst, bedoeld in artikel 142 van de wet, te financieren.
       C. Artikelsgewijze bespreking
       TITEL I. - Definities
       Artikel 1
       Verwijst naar de definities die vermeld zijn in de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
       TITEL II. - Procedure en voorwaarden voor de toekenning, de weigering en intrekking van de individuele vergunning voor de levering van niet-voorbehouden postdiensten die deel uitmaken van de universele postdienst, alsmede de duur en de voorwaarden voor de overdracht ervan
       Artikel 2
       Behoeft geen commentaar.
       Artikel 3
       Het feit dat de aanvrager kan worden gehoord wanneer hij erom verzoekt, zowel indien een ontwerp van vergunning door het Instituut wordt opgesteld, als in het geval dat het Instituut overweegt een vergunningsaanvraag te weigeren, wijst op de naleving van het principe van goed bestuur. Los van het recht om opmerkingen te maken, biedt de Raad van het BIPT aan iedere persoon die rechtstreeks en persoonlijk betrokken is bij een besluit, de mogelijkheid om vooraf te worden gehoord (artikel 19, wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector.)
       Artikel 4
       Behoeft geen commentaar.
       Artikel 5
       Stelt de voorwaarden vast in verband met de duur en de voorwaarden inzake beëindiging van de vergunning.
       Artikel 6
       Stelt de voorwaarden vast voor de overdracht van de vergunning.
       Artikel 7
       Stelt de voorwaarden vast voor de beëindiging van de vergunning.
       TITEL III. - Interne analytische boekhouding en de berekening van de kostprijs van de universele dienst die wordt verleend door de aangewezen leverancier van de universele dienst
       Artikel 8
       De wet van 21 maart 1991 maakt een onderscheid tussen vier categorieën van diensten : de voorbehouden diensten, de niet-voorbehouden diensten die deel uitmaken van de universele dienst en de niet-voorbehouden diensten die geen deel uitmaken van de universele dienst, en een vierde categorie, namelijk die van de openbare diensten.
       Ter herinnering : de openbare diensten zijn diensten die de aangewezen leverancier van de universele dienst dient te verlenen in het kader van het beheerscontract.
       Dit aanvullende onderscheid is belangrijk want volgens de bewoordingen van het beheerscontract wordt de universele postdienst beschouwd als deel van de taken van openbare dienst. Welnu, hoewel volgens dat contract een overeenkomst tussen de staat en de aangewezen leverancier van de universele dienst het mogelijk maakt dat sommige verrichtingen verstrekt worden tegen een prijs die onder de kostprijs ligt, en op wettelijke basis aangerekend worden aan de staat, mogen een zeker aantal andere diensten, waaronder het grootste deel van de universele postdienst, niet onder die facturering vallen. Volgens de wet van 21 maart 1991 kan het deficit van de universele dienst dan worden vergoed door de tegemoetkoming vanwege het Compensatiefonds voor de universele postdienst.
       Daarom is het van essentieel belang om de twee categorieën van taken van elkaar te scheiden en goed te identificeren in de interne boekhouding van de aangewezen leverancier van de universele postdienst, en dit om alle onduidelijkheid te vermijden op het stuk van de terugbetaling, zowel bij de kostenberekening als op het niveau van de nadere regels voor de tegemoetkoming.
       De diensten met een postaal karakter waarvan het tekort aan de staat mag worden aangerekend zullen deel uitmaken van de categorie van de openbare diensten, zoals blindenschrift, geadresseerd verkiezingsdrukwerk, alsook abonnementen en de verdeling van tijdschriften, overeenkomstig de bepalingen van artikel 3, punt e), van de wet van 26 december 1956 op de postdienst, terwijl de overige postdiensten, dit wil zeggen de meerderheid, deel zullen uitmaken van de categorie van de voorbehouden (post)diensten of van de categorie van de niet-voorbehouden (post)diensten. De verdeling van de kranten die niet beantwoorden aan de voormelde beperkende voorwaarden vallen onder de categorie van de niet-voorbehouden universele postdiensten.
       Artikel 9
       De bepaling vermeld in § 1 is essentieel. Een onderverdeling die door de aangewezen leverancier van de universele dienst wordt gemaakt en die voornamelijk gebaseerd zou zijn op de tariefstructuren die gepubliceerd zijn in de brochures of die toegepast zijn in de overeenkomsten, kan immers ontoereikend blijken om op het niveau van sommige diensten het deel van die diensten dat onder de categorie van de voorbehouden diensten valt te onderscheiden van het deel dat onder de categorie van de niet-voorbehouden diensten valt.
       In zulke gevallen moet de aangewezen leverancier van de universele dienst zijn analytische boekhouding aanpassen. De uitsplitsing moet voldoende ver gaan om overeen te stemmen met de prijs- en gewichtsgrenzen. Dit betekent dat een zeker aantal producten en diensten meer moeten worden uitgesplitst dan in de nomenclatuur zoals die opgenomen is in de "Catalogus van de diensten die door de aangewezen leverancier van de universele dienst worden aangeboden", die gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad of in de brochures die voor de gebruikers bestemd zijn.
       § 1 preciseert ook duidelijker dan artikel 144sexies dat de kosten moeten worden verdeeld over alle diensten die behoren tot elk van de 4 categorieën van diensten. In het bijzonder is die bepaling zelfs van toepassing op de diensten in volledige concurrentie. De kosten mogen in ieder geval niet volledig bij één categorie worden geboekt.
       De technische moeilijkheden waarvan sprake in § 2 hebben in essentie betrekking op de verzameling van de nodige statistische gegevens en op de aanpassing van het kostensysteem, zodat dit laatste die nieuwe gegevens kan gebruiken. Dergelijke wijzigingen zijn niet onmiddellijk. Daarom wordt een termijn van een jaar toegestaan om een definitieve oplossing uit te werken.
       Artikel 10
       § 1 neemt de bepaling over van artikel 144septies van de wet waarbij duidelijk wordt gewezen op de frequentie van de controle.
       Er wordt expliciet bepaald dat een beroep wordt gedaan op de diensten van het College van Commissarissen. Dat College heeft immers al van de toezichthoudende minister van de aangewezen leverancier van de universele dienst de opdracht gekregen om de financiële jaarrekening te onderzoeken. Daarom kan de controle op de analytische boekhouding een aanvulling vormen op de eerste opdracht.
       De controle die het College van Commissarissen zal moeten uitoefenen, heeft betrekking op het onderzoek van de financiële analytische boekhouding (conformiteitverklaring).
       De opdracht zou vooral de analyse inhouden van de voorlopige verdeelsleutels, van de toegepaste methodologie of van de verzameling van statistische gegevens. Het Instituut kan dus een beroep doen op deskundigen indien de methodologie wordt gewijzigd.
       Artikel 11
       Deze bepaling behoeft geen bijzondere commentaar.
       Artikel 12
       De bepaling geeft verduidelijking over artikel 144unodecies § 1 van de wet die de methode vaststelt voor de berekening van de kostprijs van de universele dienst.
       De kostentoerekening volgens de methodologie "FDC -Fully Distributed Cost" waarvan sprake in § 1 blijkt vandaag de best mogelijke oplossing. Die keuze sluit perfect aan bij het boekhoudkundige systeem dat nu bij de aangewezen leverancier van de universele dienst is ingesteld en maakt het mogelijk om de geleidelijke herstructurering ervan te volgen zonder ingrijpende veranderingen. In artikel 13, punt 2 van Richtlijn 97/67/EG van het Europese Parlement en de Raad van 15 december 1997 wordt immers de manier beschreven waarop de kosten worden verdeeld tussen de voorbehouden en de niet-voorbehouden diensten. Die verplichting is overigens als zodanig overgenomen in artikel 144sexies, § 1, van de Belgische wet en past perfect bij de FDCmethodologie.
       Dat systeem van interne analytische boekhouding is wijdverspreid, met name in de postsector, zoals is aangetoond door de enquêtes die in de verschillende Europese landen gehouden zijn bij de voorbereiding van dit koninklijk besluit. Het systeem is redelijk gemakkelijk toe te passen en biedt het niet te verwaarlozen voordeel dat het kan worden verzoend met de algemene financiële boekhouding.
       § 2 impliceert dat enkel rekening wordt gehouden met de operationele kosten. De financiële en uitzonderlijke lasten komen niet in aanmerking voor de berekening van de kostprijs van de universele dienst.
       § 2 voorziet in de berekening van een billijke vergoeding van het kapitaal door de WACC-methode toe te passen ("WACC - Weighted Average Cost of Capital"). Die methode wordt al veel gebruikt in andere sectoren die geheel of gedeeltelijk geliberaliseerd zijn, maar wel gereguleerd zijn (telecommunicatie, elektriciteit, gas).
       Op te merken valt dat de postsector een domein vormt waar een groot deel van de activiteit nog traditioneel blijft. Die sector blijft zeer arbeidsintensief terwijl de kostprijs van de investeringen in infrastructuur redelijk is. Daarom zal de vergoeding van het kapitaal heel bescheiden zijn in vergelijking met de exploitatiekosten.
       § 3 impliceert dat de winstmarges die eventueel zouden kunnen worden toegepast bij de interne facturering tussen entiteiten van de aangewezen leverancier van de universele dienst, buiten beschouwing moeten worden gelaten bij het boeken van de kosten.
       Artikel 13
       De §§ 1 en 2 maken het verschil duidelijk tussen enerzijds de kostprijs van de universele dienst en anderzijds de last die door de universele dienstverplichtingen wordt gevormd. In het eerste geval boekt men alle kosten van de diensten die behoren tot de al of niet voorbehouden universele sector, terwijl men in het tweede geval enkel de verliezen boekt van de deficitaire diensten.
       Artikel 14
       Deze definitie behoeft geen bijzondere commentaar.
       Artikel 15
       Deze bepaling houdt in dat enkel de inkomsten uit verkopen en verrichtingen in aanmerking worden genomen. De financiële opbrengsten en uitzonderlijke opbrengsten blijven buiten beschouwing voor de berekening van de last waarvan sprake in artikel 13 en die door de universele dienstverplichtingen wordt gevormd, alsook voor de berekening van de in artikel 14 gedefinieerde winst van de voorbehouden diensten.
       Artikel 16
       Na de definities van de kostprijs van de universele dienst, de last die wordt gevormd door de universele dienstverplichtingen en de winst van de voorbehouden diensten, voert § 1 een vierde definitie in : die van de onevenredige last, rekening houdende met de voorbehouden diensten, aangehaald in artikel 144nonies, § 2. Die last wordt ook bestempeld als de kosten van de resterende universele dienst die moeten worden gedekt, volgens artikel 144decies, § 2, van de wet.
       Die onevenredige last is gelijk aan de last die wordt gevormd door de universele dienstverplichtingen, verminderd met de winst uit de voorbehouden diensten. Het moet worden benadrukt dat men voor de berekening van de verliezen rekening houdt met alle diensten, ongeacht of die tot de voorbehouden universele dienst behoren of niet. Bij de berekening van de winst daarentegen wordt enkel rekening gehouden met de diensten die onder de voorbehouden universele dienst vallen. Er moet opgemerkt worden dat deze onevenredige last wordt berekend voor de gehele universele dienst en niet voor bepaalde delen van de universele dienst.
       Over de definitie en de manier waarop de te compenseren bijkomende last wordt berekend, biedt Richtlijn 97/67/EG van het Europese Parlement en de Raad van 15 december 1997 geen verduidelijking. De richtlijn gaat er enkel van uit dat het behoud van een geheel van diensten die kunnen worden voorbehouden gerechtvaardigd blijkt om de werking van de universele dienst in omstandigheden van financieel evenwicht te waarborgen. De methodologie die de bijkomende last als gevolg van de universele dienst definieert als de som van de verliezen van de verschillende deficitaire producten van de al of niet voorbehouden universele dienst en die de eventuele te compenseren financiële last definieert als die bijkomende last, verminderd met de som van de winsten uit de verschillende winstgevende producten van de voorbehouden sector, is dus perfect aanvaardbaar.
       Bovendien beschikt de aangewezen leverancier van de universele dienst, door zijn statuut zelf, onvermijdelijk over een zeer ruim gamma van diensten. In combinatie met zijn alomtegenwoordigheid op het terrein, biedt die welgevulde catalogus hem een vaststaand concurrentievoordeel om het deel van de klanten te behouden en aan zich te binden die er de voorkeur aan geven zich te blijven wenden tot een enkele leverancier die in staat is om op al hun verzoeken in te gaan, liever dan hun gewoonten te veranderen en hun behoeften te spreiden over verschillende leveranciers die in verschillende segmenten gespecialiseerd zijn, zelfs wanneer de tarieven van die laatste daarbij voordeliger zijn.
       Bepaalde tariefverminderingen die de aangewezen leverancier van de universele dienst toepast in individuele tariefakkoorden kunnen door het Instituut, naar aanleiding van de bepaling van de kost van de onevenredige last van de universele dienstverlening, niet in rekening gebracht worden voor het compensatiefonds.
       De aangewezen leverancier kan de kosten die zij vermijdt door het feit dat de klant activiteiten uitvoert en die niet meer hoeven uitgevoerd te worden door de aangewezen leverancier, weerspiegelen in de tariefbepaling van de individuele tariefakkoorden.
       Daarnaast kan de situatie voorkomen dat de aangewezen leverancier bepaalde tarieven van diensten die behoren tot de universele dienst, onder kostprijs dient aan te bieden om het betaalbaar karakter van de tarieven te respecteren. Hierbij kan het voorkomen dat het toegepaste tarief lager is dan een tarief dat een loutere kostenvermijding weerspiegelt. In dit geval kan het Instituut immers tussenbeide komen om het betaalbare karakter van de tarieven te garanderen.
       Bij de bepaling van de kost van de onevenredige last van de universele dienst heeft het Instituut de mogelijkheid tariefverminderingen in individuele tariefakkoorden die verder gaan dan een tarief dat overeenkomt met de eis van betaalbaarheid, niet in rekening te nemen in de mate dat deze tariefverminderingen niet het gevolg zijn van de toepassing van de beperkingen inzake tariefwijzigingen die opgelegd worden in Titel IV van dit besluit.
       Artikel 17
       Artikel 12, § 1, bepaalt dat de boeking van de kosten ten behoeve van de berekening van de kostprijs van de universele dienst volgens de "FDC -Fully Distributed Cost"-methode geschiedt (volledige kostentoewijzing). Die bepaling stemt overeen met de wijze waarop de kosten worden verdeeld in de interne boekhouding van de aangewezen leverancier van de universele dienst, beschreven in artikel 13, punt 2, van Richtlijn 97/67/EG van het Europese Parlement en de Raad van 15 december 1997, omgezet door artikel 144sexies, § 1, in de Belgische wet.
       Toch bestaat er over de problematiek van de last van de universele postdienst geen consensus onder de operatoren, regulatoren, onafhankelijke deskundigen en de Europese Commissie. De berekening van die last kan steunen op een FDC-kostensysteem of op een ander systeem ("NAC - Net Avoidable Cost", "LRIC - Long Run Incremental Cost", ...). Op dat vlak zijn er Europese verplichtingen noch aanbevelingen. Er is niets op tegen om een kostensysteem op te zetten (ander dan FDC) dat specifiek is toegespitst op de berekening van de meerkosten van de universele dienst. Momenteel laat de Commissie de vrije wil aan de lidstaten en hun regelgevende instanties.
       De FDC-methodologie wordt momenteel als de meest aanbevelenswaardige beschouwd voor België, zoals benadrukt is in de commentaren op artikel 12, § 1. Rekening houdende met de constante ontwikkeling van de kostenanalysemethodes en met de evolutie van de Europese reglementering en of aanbevelingen, zou men evenwel binnen enkele jaren kunnen overgaan tot een nieuwe evaluatie van het gebruik van de NAC- of zelfs LRIC-methodologie.
       De NAC-methodologie lijkt geschikt. Om essentieel technische redenen kan die echter niet snel worden ingevoerd in de huidige omstandigheden. Daarbij wordt immers een beroep gedaan op een zeer fijne onderverdeling die met name aan het begrip "product" of "dienst", het begrip "route" toevoegt, d.i. de weg die werkelijk door het product of de dienst wordt afgelegd van oorsprong tot eindbestemming.
       In elk geval wordt het verkieslijk geacht om eerst te beginnen met een FDC-systeem met historische kosten ("HCA -Historical Cost Accounting"), dan huidige kosten ("CCA -Current Cast Accounting") en daarna over te stappen op meer geavanceerde methodes die rekening houden met efficiëntie.
       De §§ 1 en 2 sluiten niet uit dat eerder van methodologie kan worden veranderd, op initiatief van de Koning op het advies van het Instituut. De opzegtermijnen en het tijdschema voor de uitvoering moeten rekening houden met zowel de tijd die de leverancier nodig heeft om een geschikt systeem voor analytische boekhouding operationeel te maken als de tijd die het Instituut nodig heeft om zijn kostenmodel aan te passen.
       Artikel 18
       Deze bepaling behoeft geen bijzondere commentaar.
       Artikel 19
       § 1 benadrukt het feit dat de tegemoetkoming van het Compensatiefonds nooit automatisch geschiedt. De aangewezen leverancier van de universele dienst moet daar uitdrukkelijk om verzoeken en het verzoek rechtvaardigen. Het Instituut is op dat gebied dus niet bevoegd om het initiatief te nemen.
       Artikel 20
       Die bepaling verduidelijkt artikel 144unodecies, § 1, van de wet wat betreft de inlichtingen die aan het Instituut moeten worden verstrekt.
       Het elektronische formaat is nodig om het Instituut of de expert die het zou bijstaan ertoe in staat te stellen de gegevens rechtstreeks te verwerken door middel van software, in het bijzonder een kostenmodel dat de geautomatiseerde berekening mogelijk maakt van de eventuele, door het Compensatiefonds te compenseren last, na invoer van het bestand bedoeld in artikel 19, § 1, en dat waarvan sprake is in artikel 22.
       Artikel 21
       Het vierde gedachtestreepje van artikel 21, § 1, vereist exploitatie afschrijvingen per product om op het niveau van elk product de waarde van de te vergoeden activa te kunnen toewijzen en dus uiteindelijk de kapitaalkosten.
       Het verslag waarvan sprake in artikel 21 § 2, heeft tot doel het Instituut te helpen, enerzijds bij de verificatie van de evolutie van jaar tot jaar en, anderzijds bij de controle op de naleving van de bepalingen van artikel 12, § 3.
       Diensten welke al meer dan drie jaar niet meer bestaan, mogen definitief uit het model worden verwijderd.
       De zeer restrictieve bepalingen van artikel 21, § 3 zijn gerechtvaardigd door het feit dat het bestand moet worden ingevoerd en door het hierboven vermelde kostenmodel moet worden verwerkt.
       Artikel 22
       Deze bepaling behoeft geen bijzondere commentaar.
       Artikel 23
       Deze bepaling behoeft geen bijzondere commentaar.
       Artikel 24
       Het bedrag van het te vergoeden kapitaal, vermeld in alinea 2 komt overeen met de waarde van de gereguleerde activa ("RAB - Regulatory Asset Base"). De term "gereguleerd" verwijst in de context van de berekening van de kostprijs van de universele dienst naar de activa die worden gebruikt voor de levering van de (al of niet voorbehouden) universele dienst.
       Artikel 25
       Deze bepaling behoeft geen bijzondere commentaar.
       Artikel 26
       Die bepalingen preciseert artikel 144decies, § 3 en 7, van de wet.
       Globaal is artikel 26 in zijn geheel maar toepasselijk als het Compensatiefonds daadwerkelijk geactiveerd wordt.
       § 1 voorziet enkel in de publicatie van de resultaten van de berekening van het Instituut indien het Compensatiefonds geactiveerd wordt om de aangewezen leverancier van de universele dienst te vergoeden voor de onevenredige last die hij gedragen heeft. Indien de leverancier geen tegemoetkoming van het fonds vraagt, wordt die transparantie niet noodzakelijk geacht, met name ten opzichte van de overige operatoren, omdat van hen geen bijdrage zal worden gevraagd.
       Het Instituut zal de vertrouwelijkheid eerbiedigen van alle gegevens die haar worden overgezonden door de bijdragers in het Compensatiefonds.
       Artikel 27
       In § 2 wordt onder individueel aandeel verstaan het eigenlijke principe van het aandeel in het Compensatiefonds, alsook het bedrag van dat aandeel.
       TITEL IV. - Tariefevolutie van de universele postdienst
       Artikel 28
       Dit artikel behoeft geen bijzondere commentaar.
       Artikel 29
       § 1 wijst erop dat alle gebruikers van de diensten die tot de al of niet voorbehouden universele dienst behoren, baat hebben bij de controle op het mechanisme van de tariefverhoging, ongeacht of zij de normale tarieven betalen (het volle tarief), de voorkeurtarieven dan wel de tarieven die in het kader van een overeenkomst passen.
       Dat geldt ook voor de afgesloten overeenkomsten tussen de aangewezen leverancier van de universele dienst en zijn klanten.
       § 2 en § 3 biedt de aangewezen leverancier van de universele dienst de nodige flexibiliteit om een tariefbeleid op middellange termijn uit te stippelen, hetgeen met name in het concurrentiële klimaat van de niet-voorbehouden diensten nuttig is.
       § 4 en § 5 behoeven geen bijzondere commentaar.
       Artikel 30
       Punt 1° introduceert het begrip "kleingebruikerpakket", dat tegemoetkomt aan twee bezorgdheden.
       Ten eerste omvat dat pakket diensten die courant worden gekocht door een kleine gebruiker, of die diensten nu voorbehouden zijn of niet. Zo worden bijvoorbeeld pakketten van minder dan 10 kg dikwijls door kleine zakelijke gebruikers verstuurd, terwijl zo een dienst toch niet voorbehouden is.
       Ten tweede moeten die diensten worden gekocht onder voorwaarden die het niet toestaan om voorkeurtarieven te genieten of tarieven die in het kader van overeenkomsten verlaagd zijn.
       De gewichtsgrenzen die gebruikt werden in het "kleingebruikers pakket" stemmen overeen met bepaalde gewichtscategorieën die De Post gebruikt in haar tariefbrochure.
       Bovendien slaat het begrip "kleingebruikerpakket" enkel op de aangewezen leverancier van de universele dienst.
       De bedoeling is om de kleine gebruiker te beschermen tegen een niet gecontroleerde tariefverhoging, aangezien hij niet in dezelfde situatie is en niet over dezelfde argumenten beschikt (bijvoorbeeld grote volumes) als de grotere klanten die voorkeurtarieven kunnen genieten of over prijzen kunnen onderhandelen in het kader van overeenkomsten.
       Naast dat eerste type diensten definieert de tekst ook nog één andere soort diensten.
       De artikelen 5 en 7 van het koninklijk besluit van 12 januari 1970 houdende reglementering van de postdienst, die de begrippen " brieven " en " drukwerk " definiëren, blijven dus actueel.
       Punt 2° heeft betrekking op de rest van de voorbehouden diensten.
       Artikel 31
       Die bepalingen hebben betrekking op de aangewezen leverancier van de universele postdienst.
       Allereerst wordt de aandacht erop gevestigd dat de formules inzake tariefverhoging gebaseerd zijn op de evolutie van de consumptieprijzen, maar dat het het gezondheidsindexcijfer is dat in aanmerking wordt genomen in de formule die van toepassing is op het kleingebruikerpakket, terwijl het volledige indexcijfer toegepast wordt op alle overige diensten die niet in het pakket zitten.
       Punt 1° bepaalt dat de jaarlijkse schommeling van het gezondheidsindexcijfer de maximumverhoging vormt die gemiddeld mag worden toegepast op alle diensten van het pakket. De wegingen in de formule bieden de flexibiliteit waardoor sommige diensten meer kunnen worden verhoogd indien andere in mindere mate worden verhoogd, zolang het gemiddelde gerespecteerd wordt. Die weging biedt een zekere bescherming aan de kleine gebruikers om te vermijden dat de aangewezen van de universele postdienst vooral de prijs van die producten/diensten verhoogt waarvan zij gebruikmaken. Zo ook verleent het begrip "basistarief' dezelfde soepelheid op het niveau van de tarieflijnen die samen een dienst vormen.
       Het tarief van de dienst voor binnenlandse brieven (prioritaire zendingen) zou bijvoorbeeld gemiddeld meer kunnen worden verhoogd dan de toename van het gezondheidsindexcijfer, indien andere diensten in mindere mate worden verhoogd. Bovendien zouden binnen de binnenlandse brieven (prioritaire zendingen) de genormaliseerde brieven (prioritaire zendingen) meer kunnen worden verhoogd dan het gemiddelde van het tarief voor binnenlandse brieven (prioritaire zendingen) indien, ter compensatie, de verhoging van het tarief voor alle of sommige niet-genormaliseerde brieven (prioritaire zendingen) lager zou liggen dan dat gemiddelde. In de bijlage worden een voorbeeld gegeven.
       In geval de aangewezen leverancier goed presteert wat betreft de kwaliteit van de dienstverlening, mag hij gebruikmaken van een kwaliteitsbonus om de prijzen bijkomend te verhogen.
       N vertegenwoordigt alle diensten die in het pakket zitten, namelijk :
       - binnenlandse zendingen met een gewicht van minder dan of gelijk aan 2 kg;
       - de prioritaire of niet-prioritaire uitgaande grensoverschrijdende post waarvan het gewicht lager is dan of gelijk aan 2 kg;
       - de binnenlandse en uitgaande grensoverschrijdende postpakketten tot 10 kg;
       - de binnenlandse en grensoverschrijdende uitgaande aangetekende zendingen en zendingen met aangegeven waarde.
       Onder tarieflijn wordt verstaan de verschillende tarieven die binnen eenzelfde dienst worden toegepast. Die kunnen per geografisch gebied worden verdeeld (grensoverschrijdende postpakketten) of op basis van de gewichtsklassen (prioritaire zendingen). De omzet wordt geraamd op basis van de beschikbare gegevens bij de universele dienstverlener.
       Punt 2° bevat de formule die gehanteerd moet worden om de tariefverhoging van de overige voorbehouden diensten (diegene die niet in punt 1° vervat zijn) te berekenen.
       Hierbij wordt rekening gehouden met de jaarlijkse schommeling van het volledige indexcijfer van de consumptieprijzen vermeerderd met 2,5 %
       In bijlage is er een voorbeeld met betrekking tot de regels voor de berekening.
       Artikel 32
       Dit artikel bepaalt hoe de gemiddelde gerealiseerde kwaliteit moet berekend worden op basis waarvan de kwaliteitsbonus moet bepaald worden.
       Artikel 33
       Het Instituut wordt als regulerend orgaan verzocht de naleving van twee principes na te gaan : het baseren van de tarieven op de kosten en de beperking van de tariefverhogingen op grond van het gezondheidsindexcijfer en het indexcijfer van de consumptieprijzen.
       Indien na een onderzoek door de aangewezen leverancier van de universele dienst van zijn eigen kosten, zou blijken dat de gevraagde tariefverhoging meer zou stijgen dan de toegestane verhoging van het gezondheidsindexcijfer of indexcijfer van de consumptieprijzen, zal het Instituut ervoor zorgen dat beide principes worden nageleefd, waarbij in het bijzonder zal worden toegezien op het baseren van de tarieven op de kosten.
       TITEL V. - Inhoud en eisen in verband met de universele postdienst
       Artikel 34
       Artikel 34 heeft tot doel alle kwaliteitsnormen vast te leggen die aan de aangewezen leverancier van de universele postdienst worden opgelegd.
       Het tweede lid bepaalt de kwaliteitsnormen die moeten worden nageleefd inzake distributie van de binnenlandse en intracommunautaire grensoverschrijdende zendingen van brievenpost die beantwoorden aan de snelste standaardcategorie. Daartoe is de norm CEN EN 13850 (Postdiensten - Kwaliteit van de diensten - Meting van kwaliteit van eind-tot-eind dienstverlening voor prioritaire stukpost) van toepassing.
       Momenteel is de aangewezen leverancier van de universele dienst een meetsysteem dat moet voldoen aan de bovenvermelde norm, BELEX genoemd, aan het invoeren.
       De kwaliteitsnormen die in het tweede lid punt b) en c) gedefinieerd worden, worden tot op heden gecontroleerd door " International Post Corporation (IPC)", een samenwerking tussen nationale postale operatoren, via het UNEX meetsysteem.
       De overige leden behoeven geen commentaar.
       Artikel 35
       Dit artikel heeft tot doel alle kwaliteitsnormen te bepalen die moeten worden nageleefd door de leveranciers van niet-voorbehouden postdiensten die onder de universele postdienst vallen.
       1° en 2° De verplichting voor de leveranciers van niet-voorbehouden postdiensten die onder de universele postdienst vallen, om kwaliteitscriteria in de algemene verkoopsvoorwaarden op te nemen, houdt verband met de onmogelijkheid om aan hen op uniforme wijze soortgelijke kwaliteitscriteria op te leggen als die welke aan de aangewezen leverancier van de universele postdienst zijn opgelegd (artikel 34, 4° van het besluit) wegens de aard van de door hen verstrekte verrichtingen en de vraag van de cliënteel.
       3°. Het feit in procedures te voorzien om in geval van diefstal of beschadiging van postzendingen de aansprakelijkheid vast te stellen is een antwoord op considerans 28 van Richtlijn 2002/39 van het Europese Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG.
       4°. De leveranciers van niet-voorbehouden postdiensten die onder de universele postdienst vallen zullen, in overeenstemming met artikel 11, 2° van het koninklijk besluit van 11 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels inzake aangifte en overdracht van postdiensten die geen deel uitmaken van de universele dienst en tot toepassing van de artikelen 144quater, § 3, 148sexies, § 1, 1°, en 148septies van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, een beschrijving moeten geven van het geografische gebied waar zij van plan zijn niet-voorbehouden universele postdiensten te verstrekken.
       5°. De verplichting om de behandelde postzendingen te voorzien van een herkenningsteken aan de hand waarvan de titularis van een vergunning die de zending heeft behandeld, kan worden bepaald, beantwoordt aan vier doelstellingen :
       - de bescherming van de klanten : zonder identificatieprocedure kan de klant noch bezwaar aantekenen noch zich keren tegen iemand, meer bepaald wanneer een verdwaalde of verdwenen zending niet ontvangen wordt, of wanneer een onvolledige of beschadigde zending ontvangen wordt;
       - de naleving van de essentiële eisen : het gaat bijvoorbeeld om de veiligheid van het netwerk voor het transport van gevaarlijke stoffen, het witwassen van geld;
       - vermijden dat de aangewezen leverancier van de universele dienst in haar brievenbussen verdwaalde postzendingen vindt die behandeld zijn door leveranciers van de niet-voorbehouden universele dienst;
       - de controle door het BIPT : het gaat ook om een controlemiddel van het regulerende orgaan ten aanzien van de houders van vergunningen.
       Voor de distributie van kranten wordt een uitzondering gemaakt. De consument beschikt, voor wat betreft de distributie van kranten, over reeds voldoende middelen om bezwaar aan te tekenen indien nodig. Evenmin kan het aanbrengen van een merkteken op kranten gerechtvaardigd worden door de overige hierboven opgesomde redenen.
       6°, De instelling van een procedure voor de behandeling van onbestelbare zendingen beantwoordt aan de verplichting voorgeschreven door artikel 148sexies, § 1°, 2°, 2e streepje, namelijk dat de leverancier van niet-voorbehouden diensten die deel uitmaken van de universele dienst, de essentiële eisen moet naleven, waaronder :
       - de vertrouwelijkheid van de brievenpost;
       - de veiligheid van het netwerk;
       - de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
       De procedure lijkt op die van artikel 89 van het koninklijk besluit van 12 januari 1970 houdende reglementering van de postdienst, dat op De Post van toepassing is met het volgende voorbehoud :
       - er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de begrippen " gewone poststukken ", of " aangetekende poststukken, die noch voorwerp noch bescheid van waarde inhouden " omdat die niet beantwoorden aan de criteria die gebruikt worden in de private postsector. Er wordt enkel een onderscheid gemaakt tussen de zendingen die al dan niet waardevolle voorwerpen en documenten bevatten;
       - afhankelijk van de duur van de vergunning (10 jaar) is de termijn voor het bewaren van die poststukken die al dan niet waardevolle voorwerpen en documenten bevatten beperkt tot één jaar;
       - de twee laatste leden definiëren de procedure die van toepassing is in geval van beëindiging en intrekking van de vergunningen.
       Artikel 36
       Dit artikel behoeft geen bijzondere commentaar.
       Artikel 37
       Dit artikel behoeft geen bijzondere commentaar.
       TITEL VI. - Aanzienlijk aantal
       geadresseerden inzake direct mail
       Artikel 38
       Die bepaling is een aanvulling van de definitie van "direct mail", vastgesteld in artikel 132, 12° van de wet.
       TITEL VII. - Compensatiefonds voor de universele postdienst
       Artikelen 39 tot 41
       Deze artikelen behoeven geen bijzondere commentaar.
       Artikel 42
       Artikel 42 behoeft geen commentaar.
       TITEL VIII. - Overgangsbepalingen
       Artikel 43
       Stelt de procedure vast voor het indienen van de aanvragen. De eerste alinea heeft tot doel de postoperatoren ertoe in staat te stellen hun activiteiten normaal uit te oefenen tussen het ogenblik waarop het onderhavige besluit in werking treedt en het moment waarop hun de beslissing tot weigering of toekenning van de vergunning wordt meegedeeld. In die overgangsperiode mag de vergunninghouder zijn activiteiten blijven uitoefenen zonder over een vergunning te beschikken.
       Om van die overgangsperiode gebruik te kunnen maken, moet de vergunninghouder aan twee voorwaarden voldoen :
       1°) zijn eerste postactiviteit uiterlijk de dag waarop het onderhavige besluit in werking treedt, te hebben uitgeoefend;
       2°) zijn aanvraag voor een vergunning indienen uiterlijk binnen de twee maanden volgend op de inwerkingtreding van het onderhavige besluit.
       Ik heb de eer te zijn.
       Sire,
       Van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaar.
       De Minister van Economie, Energie,
       Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid
       M. VERWILGHEN
       Voorbeeld van tariefverhogingen en formule
       (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 17-01-2006, p. 2698-2700).

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 3 gearchiveerde versies
    Franstalige versie