J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2005/08/10/2005012202/justel

Titel
10 AUGUSTUS 2005. - Koninklijk besluit betreffende de arbeidsduur van de mobiele werknemers tewerkgesteld in sommige ondernemingen van collectief personenvervoer over de weg die ongeregeld vervoer en/of internationaal geregeld vervoer uitvoeren (PC 140).

Bron :
WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG
Publicatie : 05-09-2005 nummer :   2005012202 bladzijde : 38724       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2005-08-10/75
Inwerkingtreding : 05-09-2005

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :1990012059       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-7

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op:
  1. de mobiele werknemers van de ondernemingen die onder het Paritair Comité voor het vervoer ressorteren en die ongeregeld vervoer en/of internationaal geregeld vervoer uitvoeren, in de zin van de EEG-Verordening nr. 684/92 van de Raad van 16 maart 1992 gewijzigd door de EG-Verordening nr. 11/98 van de raad van 11 december 1997 houdende gemeenschappelijke regels voor het internationaal vervoer van personen met touringcars en met autobussen;
  2. de werkgevers die de onder 1 bedoelde werklieden tewerkstellen.

  Art. 2. Worden voor de vaststelling van de arbeidsduur niet als arbeidstijd beschouwd :
  1. de beschikbaarheidstijd zoals bepaald in artikel 3, b) van de Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen, dit wil zeggen:
  a) andere periodes dan pauzes of rusttijden, waarin de werknemer niet op de werkplek hoeft te blijven, doch beschikbaar moet zijn om gevolg te kunnen geven aan eventuele oproepen om de rit aan te vatten of te hervatten, of om andere werkzaamheden uit te voeren;
  b) de periodes waarin de werknemer een per veerboot of trein vervoerd voertuig begeleidt;
  c) de wachttijden aan grenzen of bij laden en/of lossen;
  d) de wachttijden tengevolge van rijverboden;
  e) de tijd doorgebracht gedurende de rit naast de bestuurder of in een slaapcabine;
  2. de meertijd die de werknemer nodig heeft om de afstand af te leggen van en naar de plaats waar het voertuig zich bevindt indien dit niet op de gebruikelijke plaats is gestald;
  3. de wachttijden die verband houden met de tol-, of medische aangelegenheden;
  4. de tijd gedurende de welke de werknemer aan boord of in de nabijheid van de wagen verblijft ten einde de veiligheid van de wagen en de goederen te verzekeren, maar geen arbeid presteert;
  5. de tijd gewijd aan de eetmalen;
  6. de tijd, die overeenstemt met de onderbreking van de rijtijden bedoeld in artikel 7 van de EEG-verordening nr. 3820/85 van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer.

  Art. 3. De grenzen van de arbeidsduur, vastgesteld door de artikelen 19 en 20 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of een lagere grens vastgesteld door een collectieve arbeidsovereenkomst, kunnen overschreden worden, op voorwaarde dat de wekelijkse arbeidsduur, berekend over een periode van een semester, gemiddeld de arbeidsduur vastgesteld door de wet of de collectieve arbeidsovereenkomst niet overschrijdt.
  Met semester wordt bedoeld de periode van 6 maanden gaande van 1 januari tot 30 juni of van 1 juli tot 31 december van elk jaar.

  Art. 4. De duur van de in artikel 2 vermelde periodes is voorzienbaar en is gelijk aan twee vijfden van de diensttijd. In de maanden januari, februari, maart, oktober, november en december, vertegenwoordigt deze duur één derde van de diensttijd. De dagelijkse diensttijd is de periode tussen twee dagelijkse rusttijden of tussen een dagelijkse rusttijd en een wekelijkse rusttijd.

  Art. 5. Het koninklijk besluit van 2 mei 1990 betreffende de arbeidsduur van het rijdend personeel tewerkgesteld in sommige ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité van het vervoer wordt opgeheven.

  Art. 6. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  Art. 7. Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Nice, 10 augustus 2005.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  Voor de Minister van Werk, afwezig :
  De Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,
  J. VANDE LANOTTE.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de arbeidswet van 16 maart 1971, inzonderheid op artikel 19, derde lid, 1°, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 225 van 7 december 1983 en bij de wet van 22 januari 1985;
   Gelet op het koninklijk besluit van 2 mei 1990 betreffende de arbeidsduur van het rijdend personeel tewerkgesteld in sommige ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité van het vervoer.
   Gelet op de richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen;
   Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor het vervoer;
   Gelet op het advies nr. 38417/1 van de Raad van State, gegeven op 26 mei 2005, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Werk,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie