J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2001/09/05/2001000961/justel

Titel
5 SEPTEMBER 2001. - Koninklijk besluit houdende het algemeen reglement op de boekhouding van de [politiezone]. <KB 2004-04-25/58, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-09-2001 en tekstbijwerking tot 10-08-2010)

Bron : BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 26-09-2001 nummer :   2001000961 bladzijde : 32342       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2001-09-05/43
Inwerkingtreding : 26-09-2001

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 1-4
TITEL II. - DE BEGROTING.
HOOFDSTUK I. - Algemeenheden.
Art. 5-7
HOOFDSTUK II. - De begroting.
Art. 8-13
HOOFDSTUK III. - De begrotingswijzigingen.
Art. 14-15
TITEL III. - HET PATRIMONIUM EN HET BEHEER.
HOOFDSTUK I. - Het patrimonium en de balans.
Art. 16-23
HOOFDSTUK II. - Leningen.
Art. 24-27
HOOFDSTUK III. - Thesaurie en beleggingen.
Art. 28-34
TITEL IV. - DE BOEKHOUDING.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 35-41
HOOFDSTUK II. - De ontvangsten en de opbrengsten.
Afdeling 1. - De invorderingsrechten en de opbrengsten.
Art. 42-48
Afdeling 2. - De ontvangsten.
Art. 49-52
HOOFDSTUK III. - De uitgaven en de kosten.
Afdeling 1. - Voorafgaande bepaling.
Art. 53
Afdeling 2. - De vastlegging en de aanrekening van de uitgaven en de kosten.
Art. 54-60
Afdeling 3. - Het opmaken van bevelschriften tot betaling.
Art. 61-63
Afdeling 4. - De betaling van de uitgaven.
Art. 64-65
HOOFDSTUK IV. - De jaarrekeningen.
Afdeling 1. - Afsluiting van de rekeningen.
Art. 66, 66bis, 66ter, 66quater
Afdeling 2. - De vaststelling van de jaarrekeningen.
Art. 67-71, 71bis, 72
TITEL V. - DE BIJZONDERE REKENPLICHTIGE EN DE EINDREKENING.
HOOFDSTUK I. - De bijzondere rekenplichtige.
Art. 73-76
HOOFDSTUK II. - De eindrekening.
Art. 77-82
TITEL VI. - DIVERSE BEPALINGEN.
Art. 83-86
BIJLAGE.
Art. N1-N7

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Artikel 1.Voor de toepassing van dit reglement moet worden verstaan onder :
  1° " de wet " : de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;
  2° " de raad " : de gemeenteraad in de ééngemeentezones en de politieraad in de meergemeentezones;
  3° " het college " : het college van burgemeester en schepenen in de ééngemeentezones en het politiecollege in de meergemeentezones;
  4° " politiezone " : de ééngemeentezone of de meergemeentezone;
  5° [1 " bijzondere rekenplichtige " : de financiële raadgever en financiële beheerder van de lokale politie bedoeld in artikel 30 van de wet]1;
  6° " toezichthoudende overheid " : de gouverneur en de Minister van Binnenlandse Zaken;
  7° " gewone dienst van de begroting " : alle ontvangsten en uitgaven die ten minste één maal per financieel dienstjaar voorkomen en die de politiezone regelmatige inkomsten en een regelmatige werking waarborgen, met inbegrip van de periodieke aflossing van de schuld;
  8° " buitengewone dienst van de begroting " : alle ontvangsten en uitgaven die rechtstreeks en op een duurzame wijze invloed hebben op de omvang, de waarde of de instandhouding van het patrimonium van de politiezone, uitgezonderd de normale onderhoudswerken; de term omvat eveneens de voor hetzelfde doel toegestane toelagen en leningen, deelnemingen en beleggingen op meer dan één jaar, alsmede de vervroegde terugbetalingen van de schuld;
  9° " begrotingswijziging " : elke beslissing die door de raad aangenomen wordt na de vaststelling van de begroting en die leidt tot het ontstaan, de schrapping of de wijziging van één of meer begrotingskredieten;
  10° " functionele en economische code " : de numerieke identificatie, bestaande uit twee reeksen van ten minste drie cijfers, die de toewijzing en de aard bepaalt van het krediet waarop ze betrekking heeft; het geheel van de functionele en economische codes vormt de functionele en economische classificatie;
  11° " journaal " boekhoudkundig register dat chronologisch en zonder compensatie alle boekhoudkundige bewerkingen vermeldt; het bestaat uit twee onderscheiden en onafhankelijke delen;
  - het journaal van de budgettaire verrichtingen;
  - het journaal van de algemene verrichtingen;
  12° " grootboek " : boekhoudkundig register dat per rekening de verrichtingen overneemt van het journaal; het omvat twee onderscheiden delen :
  - het grootboek van de budgettaire verrichtingen;
  - het grootboek van de algemene verrichtingen;
  13° " betalingsbevel " : het geschreven bevel waarbij het college opdracht geeft aan de bijzondere rekenplichtige de vermelde som te betalen aan de aangeduide rechthebbende;
  14° " kasvoorraad van de politiezone " : het geheel van de gelden en de waarden die beschikbaar zijn of op maximaal één jaar belegd zijn;
  15° " invorderingsrecht " : elk bedrag dat met zekerheid, door een welbepaalde derde, tijdens een bepaald dienstjaar, aan de politiezone verschuldigd is;
  16° " vastgesteld recht " : invorderingsrecht dat geboekt is.
  [1 17° " suffix " : de numerieke identificatie, bestaande uit 1 reeks van 2 cijfers, die de toewijzing van een (loon)element aan een economische code bepaalt waarop ze betrekking heeft.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-07-05/08, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2011>

  Art. 2. Alle door de raad of het college getroffen uitvoerbare beslissingen i.v.m. de financiën worden onmiddellijk door het college aan de bijzondere rekenplichtige doorgezonden; te dien einde worden zij eensluidend verklaard met het register van de beraadslagingen en met de beslissingen van de toezichthoudende overheid.

  Art. 3. De Minister bepaalt op welke manier de bewijzen van de inschrijvingen of bewaargevingen, alsmede alle andere akten waaruit de rechten van de politiezone blijken, bewaard worden.

  Art. 4. De financiële rekeningen worden, nadat het college zijn instemming heeft betuigd, door de bijzondere rekenplichtige op naam van de politiezone geopend. Ze worden door hem beheerd en de post wordt rechtstreeks aan hem geadresseerd.
  Op de verzoeken tot betaling wordt steeds het nummer van de financiële rekening vermeld waarop het bedrag moet worden gestort.

  TITEL II. - DE BEGROTING.

  HOOFDSTUK I. - Algemeenheden.

  Art. 5. De begroting omvat de precieze raming van alle ontvangsten en uitgaven die in de loop van het financieel dienstjaar kunnen worden gedaan, met uitzondering van de geldverrichtingen voor rekening van derden of die slechts de thesaurie treffen.
  Binnen de begroting wordt een onderscheid gemaakt tussen de gewone en buitengewone dienst en, binnen elk van die diensten, tussen het eigenlijk financieel dienstjaar en de vorige dienstjaren.

  Art. 6. De ontvangsten en uitgaven, alsook het resultaat ervan, worden onherroepelijk op een dienstjaar en op een dienst aangerekend.

  Art. 7. Alle door de toezichthoudende overheid getroffen beslissingen i.v.m. de begroting worden door het college aan de raad meegedeeld.

  HOOFDSTUK II. - De begroting.

  Art. 8. Wanneer de begrotingsmiddelen toereikend zijn, kan de raad kredieten op zijn begroting uittrekken om die middelen te bestemmen :
  1° voor de verwerving van publieke fondsen en effecten;
  2° voor de vervroegde terugbetaling van de leningen;
  3° voor :
  a) de vorming van voorzieningen voor risico's en kosten;
  b) de vorming van gewone reserves geput uit gewone overschotten, of buitengewone reserves geput uit gewone of buitengewone overschotten;
  c) het dekken van buitengewone uitgaven.

  Art. 9. Het geraamde overschot of tekort van de vorige dienstjaren, dat op de begroting wordt gebracht, is het resultaat van de begroting van het voorgaande dienstjaar, aangepast door de begrotingswijzigingen.
  Zodra de begrotingsrekening van dat voorgaand dienstjaar door de raad goedgekeurd is, wordt het geraamde overschot of tekort dat op de begroting gebracht is, vervangen door dat van het afgesloten dienstjaar.
  Wanneer die wijziging van die aard is dat ze een tekort veroorzaakt of vergroot, neemt de raad de passende maatregelen om het begrotingsevenwicht te herstellen.
  In de meergemeentezones kan dit slechts gebeuren na overleg met en akkoord van de afzonderlijke gemeenteraden.
  De modaliteiten van dit overleg worden door Ons bepaald.

  Art. 10. De uitgavenkredieten mogen slechts worden gebruikt voor het door de begroting vooropgestelde doel en ze zijn beperkt.
  Voor de uitgaven van de gewone dienst geldt de beperking waarvan sprake in het eerste lid voor het geheel van de kredieten die dezelfde functionele code dragen, beperkt tot de eerste drie cijfers, en die behoren tot dezelfde economische groep.

  Art. 11. Het college maakt het begrotingsontwerp op na het advies te hebben ingewonnen van een commissie waarin tenminste één daartoe aangeduid lid van het college, de korpschef van de lokale politie en de bijzondere rekenplichtige zetelen.
  Het advies van de commissie, bedoeld in het eerste lid, slaat uitsluitend op de wettelijkheid en de verwachte financiële weerslag.

  Art. 12. Zodra de begroting definitief vastgesteld is, is ze uitvoerbaar, onverminderd de controle op de wettigheid van ontvangsten en uitgaven.

  Art. 13. § 1. Voor de definitieve goedkeuring van de begroting door de toezichthoudende overheid, zoals bepaald in artikel 72 van de wet, mogen, door middel van voorlopige kredieten, uitgaven worden verricht waarvoor een uitvoerbaar krediet uitgetrokken was op de begroting van het vorige dienstjaar.
  Wanneer de begroting nog niet goedgekeurd is door de raad, zoals bepaald in de artikelen 39 en 40 van de wet, worden de voorlopige kredieten evenwel vastgesteld door de raad.
  § 2. De voorlopige kredieten mogen, per verlopen of begonnen maand, niet meer bedragen dan één twaalfde :
  1° van het begrotingskrediet van het vorige dienstjaar, wanneer de begroting van het dienstjaar nog niet goedgekeurd is door de raad;
  2° van het begrotingskrediet van het lopende dienstjaar of, indien het kleiner is, van het begrotingskrediet van het vorige dienstjaar, wanneer de begroting van het dienstjaar reeds goedgekeurd is door de raad.
  Die beperking is niet van toepassing op de uitgaven voor de bezoldiging van het personeel, voor de betaling van verzekeringspremies, voor de betaling van belastingen, voor de betaling van aflossingen en van interesten op leningen.
  § 3. De voorlopige kredieten hebben alleen betrekking op uitgaven van de gewone dienst.

  HOOFDSTUK III. - De begrotingswijzigingen.

  Art. 14. De begrotingswijzigingen zijn onderworpen aan dezelfde procedures als deze die toepasbaar zijn op de begroting.
  Zij worden voor elk krediet behoorlijk gerechtvaardigd.

  Art. 15. Op de begrotingswijzigingen moeten zonder verwijl worden uitgetrokken, de begrotingskredieten die nodig zijn om de uitgaven die door dwingende en onvoorziene omstandigheden worden vereist te dekken, alsmede de begrotingskredieten die betrekking hebben op niet-geraamde ontvangsten.

  TITEL III. - HET PATRIMONIUM EN HET BEHEER.

  HOOFDSTUK I. - Het patrimonium en de balans.

  Art. 16. § 1. De algemene toestand van de politiezone op 31 december van elk dienstjaar wordt bepaald door de balans.
  § 2. Het actief van de balans, dat bestaat uit de bezittingen en de vorderingen als geheel, die zijn opgebracht door het gebruik van de waarden van het passief, omvat :
  1° de vaste activa, welke de goederen zijn die blijvend verworven zijn door de politiezone, namelijk :
  a) de oprichtingskosten;
  b) de immateriële vaste activa;
  c) de materiële vaste activa die het onroerend en het roerend patrimonium omvatten;
  d) de financiële vaste activa;
  2° de vlottende activa, die de bezittingen en de vorderingen van de politiezone zijn, namelijk :
  a) de voorraden;
  b) de vorderingen op ten hoogste één jaar;
  c) de verrichtingen voor rekening van derden;
  d) de geldbeleggingen op ten hoogste één jaar;
  e) de liquide middelen;
  f) de overlopende rekeningen.
  § 3. Het passief van de balans, dat de herkomst aangeeft van de middelen waarover de politiezone beschikt om haar doelstellingen te bereiken, omvat :
  1° het eigen vermogen dat bestaat uit de middelen die de politiezone heeft geïnvesteerd en waarvan zij eigenaar is, namelijk :
  a) het aanvangskapitaal;
  b) de gekapitaliseerde resultaten;
  c) de resultaten van de vorige dienstjaren;
  d) de reserves;
  e) de ontvangen investeringstoelagen;
  f) de voorzieningen voor risico's en kosten;
  2° het vreemd vermogen of de schuld, welke de middelen zijn die door derden ter beschikking van de politiezone worden gesteld, namelijk :
  a) de schulden op meer dan één jaar;
  b) de schulden op ten hoogste één jaar;
  c) de verrichtingen voor rekening van derden;
  d) de overlopende rekeningen.
  § 4. In de beginbalans bestaat het aanvangskapitaal uit het verschil tussen het actief en het totaal van de schulden, de reserves, het samengevoegde resultaat van de voorgaande dienstjaren, de ontvangen investeringstoelagen en de voorzieningen voor risico's en kosten.
  Het verschil tussen het actief en de schulden bepaalt het nettovermogen van de politiezone. Dit wordt elk jaar aangepast door de inbreng van het saldo van de resultatenrekening van het afgesloten dienstjaar.

  Art. 17. De resultatenrekening omvat de vergelijkende boeking van en het verschil tussen de opbrengsten en de kosten van de politiezone tijdens een dienstjaar.
  De opbrengsten en de kosten zijn van drieërlei aard :
  1° de courante opbrengsten. Zij bestaan uit de vastgestelde rechten en de uitgaven aangerekend op de begrotingsposten van de gewone dienst;
  2° de opbrengsten en kosten die voortvloeien uit de normale schommelingen van de balanswaarden of de rechtzettingen van de opbrengsten en de kosten.
  Zij komen met name voort uit :
  a) de toevoegingen aan afschrijvingen en aan voorzieningen voor risico's en kosten;
  b) de wijzigingen in de voorraad;
  c) de verrichtingen i.v.m. de boekhoudkundige rechtzetting van de aanrekening van periodieke terugbetalingen van leningen;
  d) de inbreng van werken uitgevoerd in eigen beheer in de vaste activa;
  3° de uitzonderlijke opbrengsten en kosten en reserves :
  a) dergelijke opbrengsten komen met name voort uit :
  - de in artikel 20 bedoelde herwaarderingen van de waarde van de goederen van de vaste activa;
  - de meerwaarden gerealiseerd bij de overdracht van goederen uit de vaste activa;
  - de ontvangen uitzonderlijke schadevergoedingen voor de goederen van het patrimonium;
  - de onttrekkingen aan de reserves;
  - enige andere uitzonderlijke inbreng van de gewone of de buitengewone dienst;
  b) dergelijke kosten vinden met name hun oorsprong in :
  - de in artikel 20 bedoelde herwaarderingen van de waarde van de goederen van de vaste activa;
  - het oninbaar of oninvorderbaar verklaren van vorderingen, zoals bedoeld in artikel 52;
  - de minderwaarden gerealiseerd bij de overdracht of bij het verlies van goederen van de vaste activa;
  - de uitzonderlijke schadeloosstellingen van derden door de politiezone;
  - de toevoegingen aan de waardeverminderingen;
  - de toevoegingen aan het gewoon of buitengewoon reservefonds.
  In de resultatenrekening worden de volgende resultaten opgenomen :
  a) batig of nadelig exploitatieresultaat : het resultaat dat blijkt uit de algemene boekhouding en wordt bepaald door het vergelijken van de in 1° en 2° bedoelde kosten en opbrengsten;
  b) uitzonderlijk batig of nadelig saldo : het resultaat dat blijkt uit de algemene boekhouding en wordt bepaald door het vergelijken van de in 3° bedoelde kosten en opbrengsten;
  c) batig of nadelig saldo van het dienstjaar : het bedrijfsresultaat vermeerderd met het uitzonderlijk resultaat.

  Art. 18. Het college houdt de gedetailleerde, volledige en gewaardeerde inventaris bij van al zijn goederen, bezittingen, rechten en vorderingen, evenals van zijn investeringstoelagen en zijn schuld.
  De inventaris vermeldt bovendien de verplichtingen die voornoemde waarden bezwaren, evenals de avals en toegestane waarborgen.
  De nomenclatuur van de inventaris en de regels voor de waardebepaling van het patrimonium zijn deze die vervat zijn in het ministerieel besluit van 30 oktober 1990 tot uitvoering van de artikelen 19 en 21 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit.
  De bijzondere rekenplichtige registreert in de balansrekening de waarden die in de inventaris opgenomen worden en hun wijzigingen.
  Te dien einde ontvangt hij van het college een eensluidend verklaard afschrift van alle akten, documenten en stukken betreffende deze waarden.

  Art. 19. In de boekhouding wordt een onderscheid gemaakt tussen de waarde van de grond en die van de onroerende goederen die zich daarop bevinden.

  Art. 20. § 1. De goederen van het onroerend patrimonium worden jaarlijks geherwaardeerd.
  De herwaardering geschiedt volgens de aard van het goed, rekening houdende met de index van de prijzen van de bouwsector.
  § 2. Indien er zich aanzienlijke en niet-incidentele marktschommelingen voordoen, kan de Koning een uitzonderlijke herwaardering van de goederen van het onroerend patrimonium opleggen, op voorwaarde dat het in het § 1 bedoelde criterium niet volstaat om die schommelingen in te calculeren.

  Art. 21.De afschrijving is jaarlijks en lineair.
  De goederen worden afgeschreven [1 overeenkomstig de bijlage 7]1.
  De investeringstoelagen worden op dezelfde wijze verrekend als de afschrijvingen van het goed waarvoor de toelage werd verleend.
  ----------
  (1)<KB 2010-07-05/08, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2011>

  Art. 22. De politiezone kan voorzien in een beheer van voorraad overeenkomstig de regels vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken.

  Art. 23. Wanneer kosten en opbrengsten betrekking hebben op een volgend dienstjaar, worden zij aangerekend op een overlopende rekening die geen invloed heeft op het resultaat van het dienstjaar.

  HOOFDSTUK II. - Leningen.

  Art. 24. Op beslissing van de raad kan de politiezone leningen aangaan om het bedrag van de buitengewone uitgaven te dekken.
  De termijn voor terugbetaling van de leningen mag niet langer lopen dan de termijn voor de afschrijving van de goederen waarvoor die leningen zijn aangegaan.
  In het leningenbestand worden de terugbetalingtranches en de verschuldigde intresten per jaar en per lening vermeld volgens de vigerende rentevoet.

  Art. 25. Op beslissing van de raad kan de politiezone kredietopeningen aangaan door verdiscontering van toelagen of andere in de opgenomen begroting ontvangsten.

  Art. 26. De ongebruikte saldi van de leningen worden bij beslissing van de raad bestemd voor :
  1° de vervroegde terugbetaling van de lening;
  2° of de betaling van buitengewone uitgaven die niet gedekt zijn door daartoe overeenkomstig artikel 24, 1e lid, aangewezen ontvangsten.

  Art. 27. Voorafgaand aan het opmaken van de balans wordt de schuld op meer dan één jaar verminderd met de aflossingstranches die binnen het volgend jaar vervallen en worden geboekt op een rekening van de schuld op ten hoogste één jaar.

  HOOFDSTUK III. - Thesaurie en beleggingen.

  Art. 28. Het college ziet erop toe dat de kasvoorraad van de politiezone voldoende kasmiddelen bevat om te allen tijde de verbintenissen van de politiezone te kunnen nakomen en haar uitgaven te kunnen betalen.
  Te dien einde waakt het er eveneens over dat de beslissingen omtrent het aangaan van leningen of kredietopeningen zonder verwijl worden genomen en uitgevoerd.

  Art. 29. De beleggingen, verricht met speciale fondsen afkomstig van giften en legaten met een bepaalde bestemming, alsmede de inkomsten uit die beleggingen, worden aangerekend op de begrotingsposten die op elk van deze fondsen betrekking hebben.
  Die beleggingen worden zowel in de inventaris als in de boekhouding apart beheerd.

  Art. 30. De beschikbare gelden mogen slechts bij financiële instellingen erkend door de Commissie voor het bank- en financiewezen belegd worden via plaatsingen waarbij minstens het kapitaal gewaarborgd is.

  Art. 31. De nettowaarde van de materiële vaste activa moet, in geval van realisatie, zo spoedig mogelijk opnieuw worden wedersamengesteld.
  De waarden en effecten van de politiezone kunnen te gelde worden gemaakt om te vermijden dat leningen moeten worden aangegaan waarvan de lasten de inkomsten uit die waarden en effecten zouden overtreffen.

  Art. 32. De bijzondere rekenplichtige is verantwoordelijk voor de kasvoorraad.
  De gelden van de kasvoorraad worden afzonderlijk beheerd in de boekhouding waarin alle verrichtingen worden vermeld.

  Art. 33. § 1. De bijzondere rekenplichtige bewaart in kas slechts het geld dat nodig is om op de nabije vervaldagen de contante betalingen te verrichten.
  § 2. De overige beschikbare kasmiddelen worden gestort op de financiële rekeningen, of worden op minder dan een jaar belegd.
  § 3. Na raadpleging van de bijzondere rekenplichtige, regelt het college het beheer van de kasvoorraad.

  Art. 34. De bijzondere rekenplichtige is aansprakelijk voor het intrestverlies dat zou voortspruiten uit het feit :
  1° dat door zijn schuld de inkomsten van de politiezone niet tijdig werden ingevorderd;
  2° dat de gelden van de politiezone in kas werden gehouden of op niet renderende rekeningen bleven staan boven de door het college vastgestelde normen;
  3° dat op de lopende rekeningen van de politiezone een negatief saldo is blijven staan wanneer de beschikbare kasmiddelen meer bedragen dan die nodig voor betalingen op nabije vervaldagen.

  TITEL IV. - DE BOEKHOUDING.

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Art. 35. Het college en de bijzondere rekenplichtige, onder het gezag van dit college, zijn belast met het houden van de boekhouding van de politiezone.
  Het college stelt de bijzondere rekenplichtige de materiële middelen alsmede het personeel ter beschikking die noodzakelijk zijn om zijn bevoegdheden uit te oefenen.
  In de meergemeentezones betreft het personeelsleden van het administratief en logistiek kader van het lokale politiekorps.
  De terbeschikkingstelling ervan aan de bijzondere rekenplichtige gebeurt in overleg met de korpschef van de politiezone.

  Art. 36. § 1. Alle door een wet of dit besluit vereiste boeken en bescheiden worden op papier opgemaakt in de voorgeschreven vorm, telkens wanneer ze aanleiding geven tot afsluiting, mededeling, controle, nazicht of archivering.
  Elke boeking wordt gestaafd door bewijsstukken.
  § 2. Op de bewijsstukken worden vermeld :
  1° een volgnummer dat overeenstemt met de boeking ervan;
  2° het dienstjaar;
  3° het begrotingsartikel;
  4° een controlemerk van het invorderingsrecht of van de vastlegging.
  De door derden afgegeven stukken die betrekking hebben op diensten of leveringen ten bate van de politiezone worden bovendien voor ontvangst geviseerd.
  § 3. De boekingen worden dag na dag bijgehouden, van 1 januari tot 31december.
  Bij elke afsluiting worden de journalen doorlopend genummerd.
  Elke inschrijving draagt een volgnummer. Er wordt geen blanco of interlinie gelaten en er mogen geen doorhalingen, overheenschrijvingen of randaanmerkingen aangebracht worden. Elke correctie wordt aangegeven met een kenteken dat ter wille van de duidelijkheid aan het begin van de regel wordt geplaatst. Elk negatief bedrag wordt voorafgegaan door een kenteken.
  § 4. De verhogingen van de actiefrekeningen en de kostenrekeningen worden op het debet geboekt, en de verminderingen op het credit.
  De verhogingen van de passiefrekeningen en de opbrengstenrekeningen worden op het credit geboekt, en de verminderingen op het debet.
  De linkerzijde van de boeken vermeldt de actiefrekeningen en de kostenrekeningen, alsook de debetwaarden. De rechterzijde van de boeken vermeldt de passiefrekeningen en de opbrengstenrekeningen, alsmede de creditwaarden.
  Het debiteren van rekeningen heeft het crediteren van andere rekeningen tot gevolg.
  § 5. Bij de hoofdboeken kunnen hulpboeken worden geopend wanneer de omvang van de verrichtingen dat vereist. Die hulpboeken, die niet genummerd dienen te worden, worden bijgehouden volgens dezelfde regels als de hoofdboeken.
  § 6. Op het einde van elke bladzijde en van elke maand wordt het totaal van alle boeken gemaakt. De boeken worden tenminste eens per maand afgesloten. In voorkomend geval worden de totalen overgedragen naar de volgende bladzijde of naar het volgende boek.
  Bij elke afsluiting maakt de bijzondere rekenplichtige een staat op waaruit de overeenstemming van de boekingen met de kasmiddelen blijkt.
  § 7. Zodra de boeken aan het einde van het dienstjaar afgesloten zijn, wordt hiervan een afschrift overhandigd aan het college. De boeken en bewijsstukken worden door de bijzondere rekenplichtige bewaard tot de definitieve vaststelling van de rekening.
  Ze worden gedurende dertig jaar in de politiezone bewaard. De jaarrekeningen worden voor onbeperkte duur bewaard.

  Art. 37. De budgettaire boekhouding vermeldt en verantwoordt :
  1° bij de ontvangsten : de invorderingsrechten, de onverhaalbare posten en de oninvorderbare ontvangsten;
  2° bij de uitgaven : de vastleggingen en de aanrekeningen.
  Ze wordt gevoerd volgens de methode van enkelvoudig boekhouden door middel van het journaal en het grootboek van de budgettaire boekhouding. Ze geeft na afloop van elk dienstjaar de begrotingsrekening.

  Art. 38. De algemene boekhouding registreert de veranderingen in de balanswaarden, de kosten en de opbrengsten.
  Ze wordt gevoerd volgens de dubbele methode, door middel van het journaal en het grootboek van de algemene verrichtingen. Zij geeft na afloop van elk dienstjaar de balans en de resultatenrekening.

  Art. 39. Aan de algemene rekeningen van de balans worden individuele rekeningen betreffende de bezittingen, schulden en vorderingen van de politiezone toegevoegd.
  Zij worden gelijktijdig met de balansrekeningen bijgehouden.

  Art. 40. Alle bewerkingen van de algemene en de budgettaire boekhouding worden geregistreerd tijdens het dienstjaar waarin zij zich voordoen.
  De op een ander dienstjaar aan te rekenen budgettaire verrichtingen worden aangeduid door de vermelding van dat dienstjaar.

  Art. 41.[1 § 1. De toegepaste functionele en economische classificatie, de classificatie van de algemene en individuele rekeningen alsook van de minimale rekeningstelsels en van de suffixen zijn vastgelegd in de bijlagen 1, 2, 3, 4 en 5.
   § 2. Het staat de politiezone vrij de suffixen al dan niet toe te voegen aan de economische code. Enkel de codering opgenomen in bijlage 5 mag gebruikt worden bij de toevoeging van de suffixen aan de economische code.
   § 3. Wanneer een politiezone de voorkeur heeft om op het subniveau van de suffixen te werken moet zij deze op het niveau van de economische code waarop de suffix(en) betrekking heeft (hebben) totaliseren, teneinde de leesbaarheid en vergelijkbaarheid van de gegevens te garanderen.
   § 4. De functionele code en de economische code betreffende de federale, de gemeentelijke dotatie(s) en financiële bijdragen worden eenduidig bepaald in de bijlage 6.]1
  ----------
  (1)<KB 2010-07-05/08, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2011>

  HOOFDSTUK II. - De ontvangsten en de opbrengsten.

  Afdeling 1. - De invorderingsrechten en de opbrengsten.

  Art. 42. § 1. Alleen het college stelt het invorderingsrecht vast.
  § 2. Wanneer het recht niet door een wet of door een bewijskrachtig document wordt aangetoond, maakt het college een invorderingsstaat op die het samen met alle bewijsstukken van het recht en van de vaststelling ervan aan de bijzondere rekenplichtige bezorgt.
  Op de invorderingsstaat worden de naam en het adres van de schuldenaar, de aard en het bedrag van de vordering, alsook het dienstjaar en het begrotingsartikel, vermeld.
  Er kan een collectieve invorderingsstaat worden opgemaakt wanneer de boekhoudkundige verantwoording en aanrekening voor verscheidene vorderingen gemeenschappelijk zijn.
  § 3. Op de bewijsstukken worden het dienstjaar en het begrotingsartikel, waarop de ontvangsten worden aangerekend, vermeld.

  Art. 43. § 1. Elk invorderingsrecht wordt onmiddellijk geboekt.
  § 2. In de volgende gevallen wordt het invorderingsrecht vastgesteld :
  1° wanneer andere personeelsleden van de politiezone de bedragen die contant geïnd zijn voor rekening van de politiezone, aan de bijzondere rekenplichtige overmaken;
  2° op het ogenblik dat de raad de voorwaarden aanvaardt die de kredietinstelling voor het leningscontract geeft;
  3° bij de kennisgeving van de dividenden en winstaandelen en van het bedrag van de gemeentelijke en federale dotaties;
  4° op de vervaldag van de intresten.
  § 3. Bij een ontvangst waarvan het invorderingsrecht of de verantwoording niet voorafgaandelijk vastgesteld zijn, legt de bijzondere rekenplichtige aan het college een invorderingsstaat in tweevoud voor. Hiervan bezorgt het college hem een voor akkoord ondertekend exemplaar terug.

  Art. 44. De algemene rekeningen worden tegelijkertijd met de vaststelling van de rechten in de budgettaire boekhouding bijgehouden.

  Art. 45. De werken, leveringen of diensten die de politiezone voor rekening van derden heeft verricht, geven aanleiding tot het opmaken van facturen, schuldvorderingen of invorderingsstaten in tweevoud. Op de facturen en de schuldvorderingen worden alle inlichtingen vermeld die op elke invorderingsstaat moeten staan.
  Er is echter geen factuur of schuldvordering vereist voor rechten die ter plaatse en contant betaalbaar zijn tegen kwijting of enig ander bewijsstuk.

  Art. 46. De rechten kunnen voorlopig worden vastgesteld in de budgettaire boekhouding alhoewel ze nog geen invorderingsrechten uitmaken.
  Deze worden door invorderingsrechten vervangen op het ogenblik van de vaststelling.
  De voorlopige invorderingsrechten worden in elk geval geschrapt bij de afsluiting van het dienstjaar.

  Art. 47. Het grootboek van de budgettaire boekhouding vermeldt elk begrotingsartikel van de ontvangsten :
  1° de omschrijving en het bedrag van het begrotingskrediet;
  2° de datum en het nummer van het basisdocument dat het bewijs levert van het invorderingsrecht, de onverhaalbare post of de oninvorderbare ontvangst en, in voorkomend geval, het nummer van de individuele rekening;
  3° het bedrag van de invorderingsrechten, onverhaalbare posten en oninvorderbare ontvangsten die dag na dag genummerd zijn, waarbij ze worden onderscheiden van de voorlopig vastgestelde rechten;
  4° het verschil tussen het begrotingskrediet en het totaal van de invorderingsrechten verminderd met de oninvorderbare ontvangsten en de onverhaalbare posten.

  Art. 48. De bijzondere rekenplichtige houdt de individuele rekeningen bij van de schuldenaren die benevens hun identiteit, volgende inlichtingen bevatten :
  1° de datum, het bedrag en het nummer van het vastgesteld recht;
  2° de datum, het bedrag en de refertes van de inningen;
  3° de onwaarden en de oninvorderbare rechten.
  De rechten vastgesteld bij middel van collectieve invorderingsstaten mogen ingeschreven worden in een globale rekening per retributie en per dienstjaar.

  Afdeling 2. - De ontvangsten.

  Art. 49. Zodra de bijzondere rekenplichtige in het bezit is van de documenten die de rechten van de politiezone vaststellen, controleert hij de regelmatigheid van deze documenten en van hun bewijsstukken, evenals hun aanrekening in de budgettaire en algemene boekhouding.

  Art. 50. De bijzondere rekenplichtige geeft geregeld aan het college schriftelijk kennis van de maatregelen die genomen werden om de openstaande vorderingen te innen.
  Als een schuldenaar niet betaalt binnen de toegestane termijnen en als er geen uitvoerbare titel is, brengt de bijzondere rekenplichtige het college schriftelijk daarvan op de hoogte, met het oog op de eventuele toepassing van artikel 270 van de nieuwe gemeentewet, zoals aangevuld door artikel 210 van de wet.
  Bij beslissing van het college, genomen op basis van een verslag van de bijzondere rekenplichtige, worden de vorderingen van de politiezone waarvan de invorderbaarheid twijfelachtig is, in de algemene boekhouding overgeboekt naar een rekening "dubieuze debiteuren".

  Art. 51. § 1. De bijzondere rekenplichtige boekt de geïnde invorderingsrechten.
  Hij boekt tevens de onrechtmatig geïnde bedragen.
  § 2. Wanneer de bedragen in gereed geld worden betaald, geeft de bijzondere rekenplichtige een kwijting of enig ander bewijs van betaling.

  Art. 52. § 1. De bijzondere rekenplichtige boekt als onverhaalbare post de ontheffingen en verminderingen die behoorlijk zijn toegestaan door het college, dat hem kennis geeft van de toestemmingen.
  § 2. De bijzondere rekenplichtige boekt als oninvorderbare ontvangsten :
  1° de bedragen te betalen door schuldenaren wier insolventie bewezen is door om het even welke bewijsstukken;
  2° de vastgestelde rechten die wegens materiële vergissingen vervallen.

  HOOFDSTUK III. - De uitgaven en de kosten.

  Afdeling 1. - Voorafgaande bepaling.

  Art. 53. Behoudens de bij een wet of bij dit besluit bepaalde uitzondering, kan geen uitgave aangezuiverd worden dan na de definitieve vastlegging, de aanrekening op een begrotingsartikel, de registratie in de algemene rekeningen betreffende de inkomende facturen, de aanrekening op de algemene en individuele rekeningen, de betaalbaarstelling door het college en het opmaken van een bevelschrift tot betaling overeenkomstig artikel 250 van de nieuwe gemeentewet en artikel 34, 4°, van de wet.

  Afdeling 2. - De vastlegging en de aanrekening van de uitgaven en de kosten.

  Art. 54. Alleen het college is bevoegd om tot vastleggingen over te gaan.
  De vastlegging is het gevolg van een verplichting voortvloeiend uit een wet, een overeenkomst of een eenzijdige beslissing van de raad of het college.
  Door de vastlegging wordt het volledige of het gedeeltelijke begrotingskrediet uitsluitend voor een welbepaalde bestemming voorbehouden.
  Een vastlegging omvat :
  1° de naam van de schuldeiser of rechthebbende;
  2° het vermoedelijk bedrag;
  3° het dienstjaar en het budgettair artikel.

  Art. 55. Een uitgave kan voorlopig vastgelegd worden indien het college besluit een begrotingskrediet geheel of gedeeltelijk te bestemmen voor de uitvoering van een voorzienbare verbintenis van de politiezone.
  Deze vastlegging wordt opgenomen in de begrotingsartikelen; ze wordt geheel of gedeeltelijk vervangen door een definitieve vastlegging en vervalt in elk geval bij de afsluiting van het dienstjaar.

  Art. 56. Wanneer de betalingen door een factuur kunnen gestaafd worden, plaatst de betrokken dienst elke bestelling door middel van een bestelbon die voor de verzending door het college geviseerd wordt.
  De factuur, die de schuldeiser, in tweevoud, aan het college richt, dient vergezeld te zijn van de bestelbon.

  Art. 57. De vastleggingen van de uitgaven worden in het grootboek van de budgettaire boekhouding ingeschreven zodra ze worden gedaan overeenkomstig artikel 54.

  Art. 58. Het budgettair grootboek vermeldt voor elk begrotingsartikel van de uitgaven :
  1° de omschrijving en het bedrag van het begrotingskrediet;
  2° de datum en het nummer van het basisdocument en, in voorkomend geval, het nummer van de individuele rekening;
  3° het bedrag van de dag na dag genummerde vastleggingen, op elk begrotingskrediet, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de voorlopige vastleggingen en de definitieve vastleggingen;
  4° het aangerekend bedrag op elke vastlegging;
  5° het saldo van het begrotingskrediet.

  Art. 59. Het college registreert onmiddellijk de facturen of de documenten die deze vervangen. Die registratie geschiedt zodanig dat de vervaldatum altijd gemakkelijk kan worden nagekeken.
  De facturen worden voor ontvangst getekend door het personeelslid dat met de controle op de leveringen of de gepresteerde diensten belast is.

  Art. 60. De facturen en andere uitgavendocumenten worden aan de bijzondere rekenplichtige overgemaakt samen met alle stukken tot staving van de regelmatigheid van de uitgaven die hiermee gepaard gaan.
  Na onderzoek van deze documenten, gaat de bijzondere rekenplichtige over tot de aanrekening op de budgettaire en algemene rekeningen, of zendt hij ze aan het college terug indien hij niet akkoord gaat.
  Door de aanrekening in de algemene rekeningen worden de kosten en de balanswijzigingen, die daaraan verbonden zijn, geregistreerd.
  Door de aanrekening wordt het werkelijk verschuldigd bedrag, ingevolge de vastlegging, op de begrotingsrekeningen geboekt en, indien nodig, de vastlegging aangepast.

  Afdeling 3. - Het opmaken van bevelschriften tot betaling.

  Art. 61. § 1. Op de bevelschriften tot betaling worden vermeld :
  1° de datum van uitgifte;
  2° het lopende dienstjaar;
  3° het begrotingsartikel;
  4° het oorspronkelijk dienstjaar;
  5° de aard van de uitgave;
  6° het nummer van de vastlegging;
  7° de rechthebbenden;
  8° het te betalen bedrag.
  In voorkomend geval kan op het bevelschrift tot betaling ook de wijze van betaling worden vermeld.
  De bevelschriften die in gereed geld moeten worden betaald aan instellingen zonder rechtspersoonlijkheid, maken melding van de naam, de voornaam en de hoedanigheid van twee personen belast met het innen van het geld.
  Bij collectieve bevelschriften tot betaling wordt tot staving ook een staat met een opsomming van de uitgaven gevoegd.
  § 2. Alle verantwoordingsstukken worden bij het bevelschrift tot betaling gevoegd en blijven erbij.
  De verantwoordingsstukken betreffende verscheidene opeenvolgende bevelschriften worden bij het eerste gevoegd.
  § 3. Wijzigingen van de vermeldingen op een bevelschrift tot betaling moeten worden ondertekend door de personen bedoeld in artikel 53 van dit besluit.

  Art. 62. Er behoeft geen bevelschrift tot betaling te worden opgemaakt :
  1° bij betaling van een ontvangst gedaan ten voordele van een derde;
  2° bij terugbetaling aan een derde van een bedrag dat hij ten onrechte heeft betaald.

  Art. 63. De bijzondere rekenplichtige registreert in de boekhouding de betalingen in uitvoering.

  Afdeling 4. - De betaling van de uitgaven.

  Art. 64. De bijzondere rekenplichtige stuurt elk niet regelmatig bevelschrift aan het college terug, met vermelding van de redenen waarop zijn weigering tot betalen steunt.

  Art. 65. Het nummer van de financiële rekening van de schuldeisers van de politiezone moet vermeld worden op de contracten, facturen, schuldvorderingen en andere documenten betreffende de voor werken, leveringen, of om het even welke diensten, uit te keren bedragen.

  HOOFDSTUK IV. - De jaarrekeningen.

  Afdeling 1. - Afsluiting van de rekeningen.

  Art. 66. Tussen 1 december van het af te sluiten jaar en 15 februari van het volgend jaar, worden de volgende verrichtingen uitgevoerd :
  1° de opgave van de beschikbare begrotingskredieten wordt aan de beherende beambten of diensten bezorgd;
  2° dezen overhandigen aan de bijzondere rekenplichtige de stukken betreffende de niet-afgehandelde aanrekeningen, waarvan de inschrijving in de begrotingsartikelen zo vlug mogelijk moet worden verricht;
  3° de bijzondere rekenplichtige stelt daarna de lijst van de lopende vastleggingen op en laat die door de beheerders aanvullen, die er de af te sluiten vastleggingen op vermelden;
  4° de aanzuivering van de begrotingsartikelen geschiedt door het optellen van de afgesloten vastleggingen en door elke niet-afgesloten vastlegging apart te vermelden;
  5° er wordt een eerste voorlopige opgave van de toestand van de begrotingskredieten, de vastleggingen en de aanrekeningen opgemaakt en toegezonden aan de beheerders die er de nog te verrichten vastleggingen en aanrekeningen op aantekenen;
  6° op grond van die voorlopige opgave boekt de bijzondere rekenplichtige definitief en afzonderlijk :
  a) de afgesloten vastleggingen;
  b) de af te trekken vastleggingen;
  c) het totaal van de vastleggingen;
  d) de niet-afgesloten kredieten die naar het volgende dienstjaar moeten worden overgedragen;
  e) de ongebruikte kredieten;
  7° het college stelt onverwijld, per vastlegging en per begrotingsartikel, de lijst op van de over te dragen kredieten en vastleggingen;
  8° de in ten 7° bedoelde overdrachten worden ingeschreven in de begrotingsartikelen van het volgende dienstjaar.

  Art. 66bis. <Ingevoegd bij KB 2004-04-25/58, art. 2, Inwerkingtreding : 17-05-2004> Voor de jaarrekening van (de jaren 2002 tot en met 2005) wordt de termijn bedoeld in artikel 66 herleid tot twee maanden. Deze termijn neemt een aanvang na afloop van een verificatietermijn van één maand, waarbinnen de door de Centrale Dienst voor Vaste Uitgaven aangeleverde stukken door de bijzondere rekenplichtige gecontroleerd worden. Bedoelde verificatietermijn neemt een aanvang de dag nadat de politiezone van de Centrale Dienst voor Vaste Uitgaven alle boekhoudkundige stukken, betalingsstukken en de nodige verantwoordingsstukken, zoals bedoeld in artikel 140ter van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, heeft ontvangen. Het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege stelt de datum vast waarop alle hiervoor bedoelde stukken ontvangen werden en licht daar onverwijld de gouverneur van in. <KB 2006-01-24/31, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 06-02-2006>
  Indien de bijzondere rekenplichtige fouten vaststelt in de door de Centrale Dienst voor Vaste Uitgaven aangeleverde stukken, stuurt hij deze onverwijld terug, vergezeld van een toelichtende nota. Zolang de verbeterde stukken niet terug ontvangen werden wordt de verificatietermijn opgeschort.
  Het politiecollege licht de gouverneur onverwijld in van elke opschorting van de verificatietermijn en van de reden van de opschorting. In dat geval licht het college de gouverneur onverwijld in van de datum waarop alle stukken correct bevonden zijn.

  Art. 66ter. <Ingevoegd bij KB 2004-04-25/58, art. 3, Inwerkingtreding : 17-05-2004> Het college van burgemeester en schepenen of het politiecollege stelt de in artikel 66bis bedoelde datum vast onmiddellijk nadat, voor het (dienstjaar 2002, 2003, 2004 en 2005), alle hieronder vermelde stukken ontvangen zijn : <KB 2006-01-24/31, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 06-02-2006>
  1. de brutobedragen van de wedden, de toelagen en de premies, verschuldigd met toepassing van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot vaststelling van het juridisch statuut van het politiepersoneel, per personeelslid en per maand of referentieperiode. Voor de ex-personeelsleden van het operationeel korps van een korps van de gemeentepolitie die het recht op voorafgaande betaling van de wedde hebben behouden, gaat het om de maanden januari tot en met (december 2002, 2003, 2004 en 2005). Voor de overige personeelsleden gaat het om de maanden januari tot en met (november 2002, 2003, 2004 en 2005); <KB 2006-01-24/31, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 06-02-2006>
  2. het brutobedrag van de vergoedingen van de bijzondere rekenplichtige en, indien hij er één ontvangt, van de secretaris van de politiezone;
  3. het brutobedrag van de presentiegelden van de leden van de politieraad, per raadslid en per zitting;
  4. een duidelijk overzicht van de berekening van de wettelijke en reglementaire inhoudingen inzake bedrijfsvoorheffing, sociale zekerheid en pensioenen en van de berekening van de patronale socialezekerheidsbijdragen, vertrekkende van de in de punten 1 tot 3 opgesomde brutobedragen;
  5. het brutoloon per personeelslid, waarop de totale bijdrage voor de diverse pensioenregelingen waaraan de personeelsleden op 31 maart 2001 onderworpen waren, moet berekend worden zoals bepaald in artikel 41, tweede lid, van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid;
  6. een prognose, voor de totaliteit van het personeelsbestand, van de totale patronale sociale zekerheidsbijdragen op toelagen, vergoedingen en premies, verschuldigd met toepassing van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot vaststelling van het juridisch statuut van het politiepersoneel;
  7. het basisbedrag waarop de bijdrage inzake arbeidsongevallen, zoals bedoeld in de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssectoren en haar uitvoeringsbesluiten, kan berekend worden;
  8. het bedrag van 0,15 % van de bezoldigingen van alle personeelsleden van de politiekorpsen, die in aanmerking komen voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen, zoals bedoeld in artikel 11, § 2, van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten, zoals gewijzigd bij artikel 17 van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid;
  9. een jaaroverzicht, met een weergave per personeelslid en per maand, van de brutobedragen van alle wedden, vergoedingen, toelagen, premies en presentiegelden, alsook van de ventilatie van deze bedragen en de werkgeversbijdragen, eveneens per personeelslid en per maand weergegeven.

  Art. 66quater. [1 Het Secretariaat van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, maakt per in artikel 66 bedoelde begunstigde, de boekhoudkundige stukken, de betalingsstukken en de verantwoordingsstukken op die betrekking hebben op hun geldelijke rechten conform de toegepaste functionele en economische classificatie, de classificatie van de algemene en individuele rekeningen alsook van de minimale rekeningstelsels en van de suffixen.
   Het Secretariaat levert eveneens de subtotalen op het niveau van de functioneel-economische-suffix code alsook op het niveau van de functioneel-economische code aan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-07-05/08, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2011>

  Afdeling 2. - De vaststelling van de jaarrekeningen.

  Art. 67. Na de afsluiting van de grootboeken en nadat het college de lijst van de naar het volgende dienstjaar overgedragen begrotingskredieten en vastleggingen opgesteld heeft, maakt de bijzondere rekenplichtige de begrotingsrekening op.

  Art. 68. § 1. De begrotingsrekening recapituleert elk begrotingsartikel van het grootboek van de begrotingsverrichtingen en maakt het totaal van de begrotingsartikelen in de volgorde van de functionele en economische indeling van de begroting.
  Ze vermeldt :
  1° het begrotingsresultaat, dat is het verschil tussen, enerzijds, de vastgestelde rechten, verminderd met de onverhaalbare posten en de oninvorderbare ontvangsten, en, anderzijds, de vastleggingen;
  2° het boekhoudkundig resultaat, dat is het verschil tussen enerzijds de vastgestelde rechten, verminderd met de onverhaalbare posten en oninvorderbare ontvangsten, en anderzijds de aangerekende uitgaven.
  Het boekhoudkundig resultaat vormt het saldo dat naar het volgende dienstjaar moet worden overgedragen. In dat resultaat zijn de gecumuleerde boekhoudkundige resultaten van de voorgaande dienstjaren begrepen.
  § 2. Bij de begrotingsrekening worden gevoegd :
  1° de lijst per artikel van de naar het volgende dienstjaar over te dragen begrotingskredieten en vastleggingen;
  2° de lijst per individuele rekening en per dienstjaar van de nog te innen vastgestelde invorderingsrechten, waarbij de dubieuze debiteuren afzonderlijk worden vermeld.

  Art. 69. Het opmaken van de balans wordt voorafgegaan door de herwaardering bedoeld in artikel 20,§1, de afschrijvingen bedoeld in artikel 21, en het opmaken van de inventaris op 31 december.

  Art. 70. De resultatenrekening en de balans worden opgemaakt op basis van de saldi van de definitieve balans van de algemene rekeningen.

  Art. 71. De door de bijzondere rekenplichtige ondertekende jaarrekeningen, worden vóór 1 maart van het volgende dienstjaar aan het college toegezonden.
  Na verificatie bevestigt het college dat alle handelingen waarvoor het bevoegd is, correct zijn opgenomen in de rekeningen.

  Art. 71bis. <Ingevoegd bij KB 2004-04-25/58, art. 4, Inwerkingtreding : 17-05-2004> In afwijking van de bepalingen van artikel 71, eerste lid, wordt de door de bijzondere rekenplichtige ondertekende (jaarrekening van 2002, 2003, 2004 en 2005), binnen de 14 dagen na afloop van de in artikel 66bis bepaalde termijn, aan het college toegezonden. <KB 2006-01-24/31, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 06-02-2006>

  Art. 72. De definitief goedgekeurde rekeningen worden voor kennisgeving aan de bijzondere rekenplichtige bezorgd.
  De schrifturen van de boeken worden in voorkomend geval aangepast aan de goedgekeurde rekeningen.

  TITEL V. - DE BIJZONDERE REKENPLICHTIGE EN DE EINDREKENING.

  HOOFDSTUK I. - De bijzondere rekenplichtige.

  Art. 73. De bijzondere rekenplichtige overhandigt aan het einde van elke maand aan het college het in artikel 36, § 6, 2e lid, bedoelde stuk waaruit de overeenstemming tussen de boekingen blijkt.

  Art. 74. Het nazicht van de kasmiddelen geschiedt zonder voorafgaande waarschuwing.
  De met nazicht belaste overheid kan toegang eisen tot de kantoren van de bijzondere rekenplichtige, zelfs wanneer ze in diens privé-woning ingericht zijn. Ze kan zich zonder afbreuk te doen aan haar verantwoordelijkheid laten vergezellen door een deskundige en door iemand die de verrichtingen i.v.m. het nazicht moet bijhouden.
  Bij dat nazicht moet de bijzondere rekenplichtige alle boeken, bescheiden en waarden overleggen en alle inlichtingen verstrekken omtrent zijn beheer en het vermogen van de politiezone.

  Art. 75. Ten einde de juistheid van de rekeningen te behouden in geval van tekort, diefstal of verlies, zal een vordering ten belope van hetzelfde bedrag worden geboekt in de algemene boekhouding.
  Zodra de definitieve beslissing hieromtrent genotificeerd is, zal de bijzondere rekenplichtige in voorkomend geval het bedrag waarvoor hij ontlasting bekwam, in uitgave brengen.

  Art. 76. De bijzondere rekenplichtige is verantwoordelijk voor de hem toevertrouwde akten, titels en documenten.
  Hij moet :
  1° het college ten minste zes maanden van tevoren in kennis stellen van het aflopen van de contracten;
  2° verhinderen dat de rechten van de politiezone verjaren en waken over het behoud van de domeinen, voorrechten en hypotheken;
  3° de inschrijving op het kantoor der hypotheken vorderen voor alle daarvoor in aanmerking komende titels;
  4° het college verwittigen van diefstal of verlies van de akten, titels en documenten die hem toevertrouwd worden.
  De bijzondere rekenplichtige mag zich niet van de hem toevertrouwde boeken en documenten ontdoen, noch er, zonder toestemming van het college, afschriften of uittreksels van geven.

  HOOFDSTUK II. - De eindrekening.

  Art. 77. § 1. De ontslagnemende bijzondere rekenplichtige blijft zijn dienst waarnemen tot aan de ambtsaanvaarding van zijn opvolger.
  Op dat ogenblik maakt hij, in drievoud, een inventaris op van de documenten, boeken, meubilair, materieel en andere voorwerpen die ter beschikking van de bijzondere rekenplichtige zijn gesteld. Deze inventaris wordt door beide bijzondere rekenplichtigen ondertekend, die er elk één exemplaar van behouden. Het derde exemplaar berust in het archief van de politiezone. In geval het een gewestelijke ontvanger betreft, wordt er een vierde exemplaar opgesteld, dat berust in het archief van het provinciebestuur.
  § 2. Bij overlijden, afzetting of schorsing van de bijzondere rekenplichtige, of wanneer hij zich in de onmogelijkheid bevindt om de eindrekening op te maken, worden alle vereiste bewarende maatregelen getroffen en wordt de voormelde inventaris opgemaakt door bemiddeling van het college.
  Zodra de vervanger aangewezen is, wordt hem die inventaris ter hand gesteld.

  Art. 78. § 1. Na de inventaris wordt de eindrekening opgemaakt, ondertekend en gewaarmerkt door de uittredende bijzondere rekenplichtige, en onder voorbehoud aanvaard door de aantredende bijzondere rekenplichtige.
  § 2. Wanneer de uittredende bijzondere rekenplichtige de eindrekening te laat afgeeft of weigert af te geven aan de opvolger, maant het college hem aan zijn verplichtingen na te komen.
  De aanmaning geschiedt bij gerechtsdeurwaardersexploot dat de uitvoeringstermijn vaststelt.
  Is de aanmaning bij het verstrijken van die termijn zonder gevolg gebleven, dan maakt het college de eindrekening op volgens de gegevens die in zijn bezit zijn.
  De aanmanings- en expertisekosten worden in de eindrekening ten laste van de uittredende bijzondere rekenplichtige aangerekend.
  Een exemplaar van de rekening wordt de uittredende bijzondere rekenplichtige ter hand gesteld met verzoek zijn opmerkingen te formuleren binnen dertig dagen.
  § 3. Bij overlijden of afzetting van de bijzondere rekenplichtige, of wanneer de uittredende bijzondere rekenplichtige zich in de onmogelijkheid bevindt om de eindrekening op te maken, maakt het college die rekening op.
  Een exemplaar van de rekening wordt de uittredende bijzondere rekenplichtige of aan zijn rechtverkrijgenden ter hand gesteld, met verzoek hun opmerkingen te formuleren binnen dertig dagen.
  § 4. De eindrekening wordt, in voorkomend geval samen met de opmerkingen van de uittredende bijzondere rekenplichtige of zijn rechtverkrijgenden, voorgelegd aan de raad, die ze voorlopig afsluit.

  Art. 79. De artikelen 77, § 2, en 78, §§ 2 tot 4, zijn van toepassing op de gewestelijke ontvanger-bijzondere rekenplichtige, onder voorbehoud dat de bevoegdheden door deze bepalingen toevertrouwd aan het college of aan de raad worden uitgeoefend door de provinciegouverneur.

  Art. 80. De eindrekening omvat :
  1° de resultaten van de laatste definitief vastgestelde jaarrekeningen;
  2° de daaropvolgende niet-definitief vastgestelde jaarrekeningen;
  3° de verrichtingen die nog niet in de jaarrekening zijn opgenomen.
  Ze vermeldt dat de fondsen, waarden, effecten en boekhoudingsstukken overhandigd werden aan de aantredende bijzondere rekenplichtige en dat hij de verbintenis aangaat in de volgende jaarrekeningen de verrichtingen, aangehaald in lid 1, 3°, te verantwoorden, onder voorbehoud van alle rechten in geval van vergissing, verzuim, valsheid in geschriften of onnodige herhalingen.
  Indien een kastekort wordt vastgesteld, wordt een vordering ten belope van het bedrag van het tekort geboekt in de algemene boekhouding ten laste van de uittredende bijzondere rekenplichtige.
  Een afschrift van de eindrekening wordt, na de vaststelling ervan, overhandigd aan :
  1° de uittredende bijzondere rekenplichtige of zijn rechtverkrijgenden;
  2° de aantredende bijzondere rekenplichtige;
  3° het college.

  Art. 81. Zodra de eindrekening definitief werd vastgesteld, wordt de boekhouding, zo daar aanleiding toe bestaat, ermee in overeenstemming gebracht.

  Art. 82. Het tekort ten bezware van de gewestelijke ontvangers wordt door het bij koninklijk besluit van 16 maart 1935 ingestelde waarborgfonds voor het beheer van de gewestelijke ontvangers, aan de politiezone terugbetaald en door de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, de registratie en domeinen ten laste van de gewestelijke ontvangers in debet teruggevorderd.

  TITEL VI. - DIVERSE BEPALINGEN.

  Art. 83. De jaarrekeningen en de eindrekeningen kunnen niet meer gewijzigd worden, nadat zij definitief goedgekeurd zijn.
  Bij vergissing, verzuim, valsheid in geschriften of onnodige herhalingen kunnen de bijzondere rekenplichtige of de raad evenwel binnen de dertig jaren die volgen op hun definitieve goedkeuring, de herziening van deze rekeningen aanvragen bij de overheid die bevoegd is om ze definitief vast te stellen.
  De aanvraag bepaalt nauwkeurig de feiten die de herziening rechtvaardigen.

  Art. 84. Per 1 januari 2002 maakt de politiezone een inventaris en een beginbalans op.

  Art. 85. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  Art. 86. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 5 september 2001.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  A. DUQUESNE.

  BIJLAGE.
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-07-05/08, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  

  Art. N1.[1 Bijlage 1. - De genormaliseerde functionele classificatie
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-08-2010, p. 50945-50953)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-07-05/08, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  

  Art. N2. [1 Bijlage 2. - Tabel van de economische codes
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-08-2010, p. 50954-51008)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-07-05/08, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  

  Art. N3. [1 Bijlage 3. - Tabel van de algemene rekeningen
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-08-2010, p. 51061-51133)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-07-05/08, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  

  Art. N4. [1 Bijlage 4. - Tabel van de individuele rekeningen
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-08-2010, p. 51204-51205)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-07-05/08, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  

  Art. N5. [1 Bijlage 5. - De suffixen
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-08-2010, p. 51206-51207)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-07-05/08, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  

  Art. N6. [1 Bijlage 6. - Federale dotaties
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-08-2010, p. 51208-51209)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-07-05/08, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  

  Art. N7.[1 N7. Bijlage 7. - Afschrijvingsduur van de goederen volgens hun aard
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 10-08-2010, p. 51210-51212)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-07-05/08, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, inzonderheid op het artikel 34;
   Gelet op de nieuwe gemeentewet, inzonderheid op het artikel 239, gewijzigd bij de wet van 27 mei 1989;
   Gelet op de afwezigheid van het advies van de adviesraad voor burgemeesters binnen de gestelde termijn;
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
   Overwegende dat het aangewezen is om voor de begroting van de lokale politie regels te bepalen die aangepast zijn aan de specificiteit van de politiezones en hun organen;
   Overwegende dat de datum van de in plaatsstelling van de lokale politie, na vaststelling door de Koning dat de voorwaarden vastgelegd in artikel 248 van de wet op de geïntegreerde politie vervuld zijn, in elk geval niet later dan 1 januari 2002 mag vallen; dat de politiezones per 1 januari 2002 moeten kunnen van start gaan met een eigen begroting; dat overeenkomstig artikel 240, § 1, derde lid, van de nieuwe gemeentewet in samenlezing met artikel 34, 3°, van de wet op de geïntegreerde politie over de begroting van 2002 van de politiezones dient te worden besloten in oktober 2001; dat de regels met het oog op het opstellen ervan bijgevolg zonder verwijl moeten worden bekendgemaakt, teneinde de vooropgestelde termijn te kunnen respecteren;
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 8 augustus 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-07-2010 GEPUBL. OP 10-08-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 21; 41; 66quater; N1-N7)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-01-2006 GEPUBL. OP 06-02-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 66BIS; 66TER; 71BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-04-2004 GEPUBL. OP 17-05-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : OPSCHRIFT; 66BIS; 66TER; 71BIS)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
    Franstalige versie