J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1997/04/21/1997022292/justel

Titel
21 APRIL 1997. - Koninklijk besluit houdende sommige bepalingen betreffende de gezinsbijslag ter uitvoering van artikel 21 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.

Bron :
SOCIALE ZAKEN.VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU
Publicatie : 30-04-1997 nummer :   1997022292 bladzijde : 10514
Dossiernummer : 1997-04-21/30
Inwerkingtreding :
01-01-1997 (ART. 11)     (ART. 4)     (ART. 6)
01-10-1997


Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1939121901        1971072007       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-14

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Artikel 42 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij de koninklijke besluiten nr. 122 van 30 december 1982 en nr. 534 van 31 maart 1987 en de wet van 22 december 1989, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 42. § 1. Voor de bepaling van de rang, bedoeld bij de artikelen 40, 42bis, 44, 44bis en 50ter wordt rekening gehouden met de volgorde van geboorten van de kinderen, die rechtgevend zijn krachtens deze wetten, het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel en de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag.
  De kinderbijslag die betaald wordt aan een enkele bijslagtrekkende wordt verleend rekening houdend met het aantal rechtgevende kinderen.
  Indien er verschillende bijslagtrekkenden zijn wordt voor de rangbepaling bedoeld in het eerste lid rekening gehouden met het geheel van de rechtgevende kinderen onder de volgende voorwaarden :
  1° de bijslagtrekkenden moeten dezelfde hoofdverblijfplaats hebben in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
  2° de bijslagtrekkenden moeten hetzij met elkaar gehuwd zijn, hetzij personen van verschillend geslacht zijn en een huishouden vormen, hetzij verwant of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad.
  De verwantschap verworven door adoptie wordt in aanmerking genomen.
  § 2. Voor de rangbepaling bedoeld in § 1 wordt eveneens rekening gehouden met de kinderen die geplaatst zijn overeenkomstig artikel 70 of overeenkomstig artikel 33 van voormeld koninklijk besluit van 8 april 1976, wanneer de betrokken bijslagtrekkende of bijslagtrekkenden voor deze kinderen het derde van de kinderbijslag ontvangen.
  § 3. Voor de rangbepaling bedoeld in §§ 1 en 2 wordt geen rekening gehouden met de wees die rechthebbende is tegen het bedrag bepaald bij artikel 50bis of bij artikel 18 van het voormeld koninklijk besluit van 8 april 1976.

  Art. 2. Artikel 45 van dezelfde wetten, opnieuw opgenomen bij het koninklijk besluit nr. 207 van 13 september 1983 en gewijzigd bij de wet van 22 december 1989, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 45. Voor de toepassing van artikel 70bis, vierde lid, wordt, wanneer verschillende wezen uit hoofde van dezelfde overleden of overlevende persoon recht hebben op kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 40, rekening gehouden met de rangen bepaald in artikel 42, wat betreft de weeskinderen die deel uitmaken van hetzelfde gezin en degenen die eventueel geplaatst zijn in de zin van artikel 70.".

  Art. 3. In artikel 48 van dezelfde wetten, worden de leden 6 en 7, gewijzigd bij de wet van 30 juni 1981, de koninklijke besluiten nr. 122 van 30 december 1982 en nr. 282 van 31 maart 1984 en de wet van 22 december 1989, vervangen door het volgende lid :
  " Als het aantal op grond van artikel 42 gegroepeerde rechtgevende kinderen met een eenheid vermindert, wordt van het totale bedrag aan kinderbijslag verschuldigd aan de enige bijslagtrekkende of de verschillende bijslagtrekkenden het bedrag voor het jongste kind afgetrokken. ".

  Art. 4. In artikel 50septies, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1981 en gewijzigd bij de wet van 22 december 1989, worden de woorden "in de artikelen 40 en 50bis, eventueel verhoogd met de bijslagen bedoeld in de artikelen 42bis, eerste lid, 44, 47 of 50ter. " vervangen door de woorden "in de artikelen 40 en 50bis, eventueel verhoogd met de bijslagen bedoeld in de artikelen 42bis, eerste lid, 44, 44bis, 47 of 50ter. " .

  Art. 5. In artikel 51, § 3, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de eerste zin van de 3° wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " zijn van hetzelfde gezin deel uitmakende kleinkinderen, achterkleinkinderen, neven en nichten, die van zijn echtgenoot, gewezen echtgenoot of de persoon van het andere geslacht met wie hij een huishouden vormt. " .
  2° de 4° wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " 4° zijn broers en zusters die deel uitmaken van hetzelfde gezin. Er mag echter geen recht bestaan op kinderbijslag uit hoofde van een gezinslid dat deel uitmaakt van hetzelfde gezin bij toepassing van andere Belgische of buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens bepalingen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling, behalve indien de rechthebbende krachtens deze bepalingen een broer of zuster is;".

  Art. 6. In artikel 54, § 3, tweede lid van dezelfde wetten, opnieuw opgenomen door de wet van 22 december 1989, worden de woorden "artikelen 44 en 47" vervangen door de woorden "artikelen 44, 44bis en 47".

  Art. 7. In artikel 60, § 3, 3° van dezelfde wetten, vervangen door de programmawet van 22 december 1989, wordt het punt d) vervangen door de volgende bepalingen :
  "d) wanneer de twee rechthebbende ouders, die niet samenwonen en waarvan de ene zelfstandige is en de andere werknemer, het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, het kind niet werkelijk bij een andere rechthebbende wordt opgevoed, en de rechthebbende werknemer de voorwaarden bepaald in artikel 59 van deze wetten niet vervult;
  e) wanneer het kind heeft opgehouden deel uit te maken van het gezin van een effectieve zelfstandige rechthebbende zijnde de vader, de moeder, de stiefvader of stiefmoeder, grootouder of overgrootouder, als gevolg van een plaatsing in de zin van artikel 33 van voormeld koninklijk besluit van 8 april 1976.".

  Art. 8. Artikel 64 van dezelfde wetten, gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 122 van 30 december 1982, het koninklijk besluit nr. 534 van 31 maart 1987 en de programmawet van 22 december 1989, wordt als volgt gewijzigd :
  1° Tussen § 1 en § 2 wordt een § 1bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " § 1bis. Wanneer de twee rechthebbende ouders die niet samenwonen het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en het kind niet werkelijk bij een andere rechthebbende wordt opgevoed, wordt het recht op kinderbijslag bij voorrang vastgesteld in hoofde van de vader. "
  2° In § 2, worden de woorden "bedoeld in § 1" vervangen door de woorden "bedoeld in §§ 1 en 1bis".

  Art. 9. Artikel 69 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985, 4 april 1991 en 30 december 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 69. § 1. De kinderbijslag en het kraamgeld worden uitgekeerd aan de moeder.
  Als de moeder het kind niet daadwerkelijk opvoedt, wordt de kinderbijslag betaald aan de natuurlijke of rechtspersoon die deze rol vervult.
  Wanneer de twee ouders die niet samenwonen het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en het kind niet daadwerkelijk door een andere bijslagtrekkende wordt opgevoed, wordt de kinderbijslag integraal aan de moeder uitbetaald. Op verzoek van de beide ouders kan de uitbetaling gebeuren op een rekening waartoe zij beiden toegang hebben.
  De adoptiepremie wordt betaald aan de adoptant.
  Als echtgenoten het kind samen geadopteerd hebben, bepalen zij aan wie van beiden de adoptiepremie betaald wordt. In geval van betwisting of van niet-aanwijzing, wordt de premie uitbetaald aan de echtgenote.
  § 2. De kinderbijslag wordt aan het rechtgevend kind zelf uitbetaald :
  a) als het gehuwd is;
  b) als het ontvoogd is of de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en een andere hoofdverblijfplaats heeft dan de persoon bedoeld in § 1. De hoofdverblijfplaats is die in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
  c) als het zelf bijslagtrekkende is voor één of meer van zijn kinderen.
  Het kind bedoeld in deze paragraaf kan evenwel in zijn eigen belang een andere persoon als bijslagtrekkende aanwijzen, op voorwaarde dat die persoon met het kind verbonden is door verwantschap of aanverwantschap in de eerste graad. De verwantschap verworven door adoptie wordt in aanmerking genomen.
  Het kind bedoeld in deze paragraaf is rechtsbekwaam om zelf als eiser of verweerder in rechte op te treden in de geschillen betreffende de rechten op kinderbijslag.
  § 3. In het belang van het kind, kan de vader, de adoptant, de pleegvoogd, de voogd, de toeziende voogd, de curator of de rechthebbende, volgens het geval, overeenkomstig artikel 594, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, verzet aantekenen tegen de betaling aan de persoon bedoeld in § 1 of in § 2. De moeder bekomt hetzelfde recht voor het geval bedoeld in § 2. " .

  Art. 10. Artikel 70bis, tweede lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 207 van 13 september 1983 en de wet van 22 december 1989, wordt vervangen door de volgende leden :
  " Indien kinderbijslag verschuldigd is aan een bijslagtrekkende in de zin van artikel 69 voor verschillende kinderen, waarvan sommigen geplaatst zijn overeenkomstig artikel 70 en anderen niet, worden de uitkeringen bedoeld in de artikelen 40 en de bijslagen bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter verdeeld onder deze bijslagtrekkende en de instelling of overheid bedoeld in artikel 70, naar verhouding tot het aantal kinderen opgevoed door ieder van hen.
  De bijslagen bedoeld in de artikelen 44, 44bis en 47 worden toegekend aan de bijslagtrekkende in de zin van de artikelen 69 en 70 die het kind opvoedt voor wie de bijslagen worden verleend.
  Wanneer het derde van de kinderbijslag verschuldigd aan het kind, geplaatst in de zin van artikel 70, gestort moet worden op een spaarrekening op zijn naam, gebeurt de bepaling van het bedrag verschuldigd aan dit kind, op basis van de regelen vastgelegd in dit artikel zoals het van toepassing was vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 21 april 1997 betreffende de gezinsbijslag ter uitvoering van artikel 21 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. ".

  Art. 11. In artikel 75, enig lid, 1°, van dezelfde wetten, opnieuw opgenomen bij het koninklijk besluit nr. 7 van 18 april 1967 en gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985, 29 december 1990 en 30 december 1992, worden de woorden "artikelen 40, 42bis, 44, 47, 50bis" vervangen door de woorden "artikelen 40, 42bis, 44, 44bis, 47, 50bis".

  Art. 12. In artikel 4 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag wordt vóór het eerste lid het volgend lid ingevoegd :
  " Artikel 42 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders is van overeenkomstige toepassing. " .

  Art. 13. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van het tweede trimester volgend op dat gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 4, 6 en 11, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1997.

  Art. 14. Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 21 april 1997.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken,
  Mevr. M. DE GALAN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, inzonderheid op de artikelen 21 en 49;
   Gelet op de wet van 26 juli 1996 tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, inzonderheid op artikel 3, § 1, 4° en § 2;
   Gelet op de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, inzonderheid op de artikelen 42, 45, 48, 50septies, 51, 54, 60, 64, 69, 70bis en 75;
   Gelet op de wet van 20 juli 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag, inzonderheid op artikel 4;
   Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers van 21 maart 1995;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 1 april 1997;
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat, enerzijds, zo spoedig mogelijk een einde moet worden gesteld aan de juridische onzekerheid voortvloeiend uit de niet-uniforme toepassing van de regelen inzake de groepering van de rechtgevende kinderen door de kinderbijslaginstellingen en dat anderzijds, moet worden verholpen aan de niet betaling van de kinderbijslag aan kinderen van minder dan 18 jaar die niet worden opgevoed door een bijslagtrekkende;
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 3 april 1997, in toepassing van artikel 84, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wetten betreffende de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING.
   Sire,
   Het Koninklijk besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd beoogt de regeling van de kinderbijslag voor werknemers aan te passen aan de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden en, meer in het bijzonder, de verschillende gezinsvormen.
   De wijze waarop de groepering van de kinderen dient te geschieden voor de berekening van de rang van het kind maakt het voorwerp uit van een nieuwe benadering.
   Het begrip rang van het kind gaat uit van het beginsel dat de te dragen last door het gezin vergroot volgens de omvang.
   Het principe impliceert een groepering rond de bijslagtrekkende, m.a.w. de persoon die het kind opvoedt en aan wie kinderbijslag wordt betaald, of rond meerdere bijslagtrekkenden in hetzelfde gezin.
   ONDERZOEK VAN DE ARTIKELEN.
   Artikel 1. Dit artikel betreft de groepering van kinderen voor de berekening van het bedrag van gezinsbijslag. Men heeft kunnen vaststellen dat de kinderbijslaginstellingen de vroegere beschikkingen niet op uniforme wijze toepasten. Meer nog, in bepaalde hypotheses gebeurde de groepering van de kinderen rond de rechthebbende, in andere gevallen rond de bijslagtrekkende. Een ministeriële omzendbrief corrigeerde verscheidene nefaste gevolgen van de actuele bepalingen.
   De kinderbijslag wordt toegekend rekening houdend met het aantal rechtgevende kinderen wanneer zij betaald wordt aan één bijslagtrekkende of, onder bepaalde voorwaarden, aan meerdere bijslagtrekkenden in hetzelfde gezin. Eisen dat, voor wat de groepering betreft, de bijslagtrekkenden die een huishouden vormen van verschillend geslacht zijn, heeft niet tot doel een nieuwe discriminatie in te voeren gebaseerd op het geslacht, maar beoogt wel een samenhang met de andere bepalingen van de kinderbijslagwetgeving te behouden.
   Het feit dat de rechthebbende zich in of buiten het gezin bevindt en dat er één of meer rechthebbenden zijn die recht openen op gezinsbijslag heeft voortaan geen belang meer.
   Alle rechtgevende kinderen op gezinsbijslag, opgevoed door één of meerdere bijslagtrekkenden in hetzelfde gezin worden in aanmerking genomen voor de berekening van de rang, om het even of het recht op bijslag wordt vastgesteld op basis van de werknemersregeling, van de regeling voor zelfstandigen, van de regeling toepasselijk op het door de Staat bezoldigd personeel of van de gewaarborgde gezinsbijslag.
   Zoals voorheen wordt de rechthebbende wees tegen de verhoogde kinderbijslag uitgesloten van de groepering.
   Het geplaatste kind blijft opgenomen in de groepering met de andere kinderen, opgevoed door de bijslagtrekkende, die overeenkomstig artikel 70 G.W. het derde van de kinderbijslag verkrijgt.
   Art. 2. Het betreft een aanpassing van de tekst als gevolg van de wijziging aangebracht aan het systeem van de proportionele verdeling van de kinderbijslag indien het derde van de bijslag, verschuldigd aan het in een instelling geplaatst kind, moet worden gestort op een spaarrekening op zijn naam.
   Art. 3. Het betreft een aanpassing van de tekst als gevolg van de nieuwe regelen betreffende de groepering van het kind.
   Art. 4. Het betreft een aanpassing van de tekst als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 44bis, G.W.
   Art. 5. Het artikel heft de voorwaarde op waarbij de rechtgevende kinderen deel moeten uitmaken van het gezin van de rechthebbende gedurende drie maanden, vooraleer recht te openen op kinderbijslag. In de praktijk wordt de kinderbijslag inderdaad provisioneel uitbetaald gedurende deze periode van drie maanden.
   Bovendien heft dit artikel het subsidiair karakter op van het recht op kinderbijslag, geopend uit hoofde van een broer of zuster van het rechtgevend kind, ten opzichte van een zelfstandig rechthebbende die zich buiten het gezin bevindt.
   Tenslotte heeft het recht van een van hetzelfde gezin deel uitmakende broer of zuster van het rechtgevend kind voorrang op het recht van een andere broer of zuster, eveneens deel uitmakend van dit gezin, op grond van een buitenlandse, internationale of andere Belgische bepaling.
   Art. 6. Het betreft een aanpassing van de tekst als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 44bis, G.W.
   Art. 7. Het betreft de regeling van de samenloop van rechten tussen een werknemer en een zelfstandige, afzonderlijk levende ouders die gezamenlijk de ouderlijke macht uitoefenen over het kind. In dit geval, zal de werknemer het recht openen indien deze minstens een halftijdse tewerkstelling uitoefent.
   Art. 8. Wanneer twee gescheiden ouders, werknemers, gezamenlijk de ouderlijke macht uitoefenen, opent de vader bij voorrang het recht op de kinderbijslag.
   Art. 9. Artikel 69 G.W. betreft de aanduiding van de bijslagtrekkende.
   De kinderbijslag wordt betaald aan de persoon die het kind daadwerkelijk opvoedt. De moeder wordt geacht het kind op te voeden. Indien zij het kind niet daadwerkelijk opvoedt, wordt de kinderbijslag betaald aan de persoon die deze rol vervult.
   De nieuwe bepaling regelt de aanduiding van de bijslagtrekkende wanneer twee gescheiden ouders gezamenlijk de ouderlijke macht uitoefenen over het kind. In deze hypothese wordt de kinderbijslag betaald aan de moeder, behalve indien beide ouders akkoord gaan dat de kinderbijslag wordt betaald op een gezamenlijke rekening.
   Het kind dat gehuwd is, ofwel 16 jaar of ontvoogd is en een afzonderlijke hoofdverblijfplaats heeft van die van zijn ouders of van de persoon die hem opvoedt, evenals het kind dat zelf kinderen heeft, kan worden erkend als bijslagtrekkende voor zichzelf. Nochtans kan dit kind, onder bepaalde voorwaarden, een andere persoon als bijslagtrekkende aanduiden. Deze aanduiding heeft gevolgen voor wat betreft de groepering van de kinderen.
   Deze mogelijkheid werd ingevoerd om te beantwoorden aan de verzuchting van vele ouders wier studerende meerderjarige kinderen een afzonderlijk verblijf houden, maar te hunnen laste blijven.
   Daarentegen zal de kinderbijslag rechtstreeks betaald worden aan het kind indien het zich onthouden heeft een andere bijslagtrekkende dan zichzelf aan te duiden. In dit geval is er natuurlijk geen groepering.
   De hoofdverblijfplaats is gedefinieerd in de zin van artikel 3, eerste lid, 5° van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
   Art. 10. Het systeem van de proportionele verdeling van de kinderbijslag wordt gewijzigd.
   Deze verdeling zal plaatsvinden indien de kinderbijslag verschuldigd is aan de bijslagtrekkende in de zin van artikel 69 G.W. voor verschillende kinderen waarvan sommigen geplaatst zijn overeenkomstig artikel 70 G.W. en anderen niet.
   Wanneer het derde van de kinderbijslag verschuldigd aan het in een instelling geplaatst kind, gestort moet worden op een spaarrekening op zijn naam, blijven, voor alleen de vaststelling van het bedrag verschuldigd aan het geplaatste kind, de vroegere regels inzake de groepering rond de rechthebbende en de erop volgende proportionele verdeling, van toepassing.
   Art. 11. Het betreft een aanpassing van de tekst als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 44bis, G.W.
   Art. 12. Tengevolge van de wijzigingen bepaald in artikel 1, wordt de wet tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag in dezelfde zin aangepast.
   Art. 13. Dit artikel betreft de inwerkingtreding van het koninklijk besluit.
   Er werd rekening gehouden met de opmerkingen van de Raad van State.
   Ik heb de eer te zijn,
   Sire,
   van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige
   en zeer getrouwe dienaar,
   De Minister van Sociale Zaken,
   Mevr. M. DE GALAN
   ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE.
   De Raad Van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 1 april 1997 door de Minister van Sociale Zaken verzocht haar, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "houdende sommige bepalingen betreffende de gezinsbijslag ter uitvoering van artikel 21 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels", heeft op 3 april 1997 het volgend advies gegeven :
   Volgens artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisend karakter ervan.
   In het onderhavige geval luidt die motivering als volgt :
   "Deze hoogdringendheid is gemotiveerd door het feit dat enerzijds, zo spoedig mogelijk een einde moet worden gesteld aan de juridische onzekerheid voortvloeiend uit de niet-uniforme toepassing van de regelen inzake de groepering van de rechtgevende kinderen door de kinderbijslaginstellingen en dat anderzijds, moet worden verholpen aan de niet betaling van de kinderbijslag aan kinderen van minder dat 18 jaar die niet worden opgevoed door een bijslagtrekkende. Overwegende dat dit besluit moet worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ten laatste op 30 april 1997. ".
   Met toepassing van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, heeft de afdeling wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot "het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan".
   Dat onderzoek noopt tot het maken van de volgende opmerkingen.
   STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP.
   1. Het voor advies voorgelegde ontwerp-besluit beoogt de reglementering inzake de gezinsbijslagen te wijzigen. Die wijzigingen kunnen, in essentie, worden weergegeven als volgt :
   - het ontwerp strekt ertoe in een meer eenvormige regeling te voorzien op het vlak van de groepering van kinderen voor het berekenen van de rang en past daartoe een aantal bepalingen van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders aan (artikelen 1, 2, 3 en 11 van het ontwerp). Met name worden de regelen welke tot op heden waren vervat in de artikelen 42 en 70bis van de samengeordende wetten beter op elkaar afgestemd, in die zin dat er in het ontwerp voor wordt geopteerd de groepering van kinderen in de regel te laten gebeuren in functie van de bijslagtrekkende en niet langer van de rechthebbende;
   - het ontwerp beoogt voorts een aantal bepalingen van de samengeordende wetten aan te passen door er een verwijzing in op te nemen naar artikel 44bis van die wetten, dat recent werd ingevoegd bij het koninklijk besluit van 10 december 1996 houdende bepaalde maatregelen betreffende de gezinsbijslag, ter uitvoering van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie (artikelen 4, 6 en 12 van het ontwerp);
   - het ontwerp bevat daarnaast een aantal bepalingen waarin uiteenlopende wijzigingen worden aangebracht in sommige artikelen van de samengeordende wetten. In dat verband kan worden gewezen op artikel 5 van het ontwerp (wijziging van de voorwaarden inzake het openen van het recht op gezinsbijslag), de artikelen 7, 8 en 9 (betreffende het co-ouderschap) en 10 (aanpassing van artikel 70 van de samengeordende wetten aan de federale staatsstructuur);
   - het ontwerp brengt, tot slot, nog een aantal wijzigingen aan in de wet van 20 juli 1971 tot instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag (artikelen 13, 14 en 15 van het ontwerp). Die wijzigingen strekken er in hoofdzaak toe in die wet een regeling op te nemen met betrekking tot een bijzondere bijslag welke, luidens het verslag aan de Koning "... verschuldigd is aan het oorspronkelijke gezin, wanneer het kind geplaatst is in een instelling of in een pleeggezin, of wanneer het kind, bij gerechtelijke beslissing, werd toevertrouwd aan een ander gezin. " .
   2. Onder voorbehoud van wat onder de punten 3 en 4 zal worden opgemerkt, kan voor de ontworpen regeling een voldoende rechtsgrond worden gevonden in artikel 21 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Luidens die bepaling kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de stelsels voor gezinsbijslag moderniseren met het oog op de vermindering van de bestaansonzekerheid ten gevolge van kinderlast en de aanpassing ervan aan de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden, inzonderheid de verschillende gezins- en loopbaanvormen.
   Daar het besluit in ontwerp er evenwel toe strekt om onder meer de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en de voornoemde wet van 20 juli 1971 te wijzigen, verdient het aanbeveling om in het eerste lid van de aanhef niet enkel naar artikel 21 van de wet van 26 juli 1996 te verwijzen, doch ook naar artikel 49 van die wet, dat de Koning bevoegd maakt om de van kracht zijnde wettelijke bepalingen op te heffen, aan te vullen, te wijzigen of te vervangen. Dienvolgens schrijve men in fine van het desbetreffende lid van de aanhef "..., inzonderheid op de artikelen 21 en 49;".
   3. Wat de artikelen van het ontwerp betreft welke de samengeordende wetten beogen aan te passen aan de invoeging in die wetten van het nieuwe artikel 44bis, dient de rechtsgrond daarvoor niet zozeer in de voornoemde wet van 26 juli 1996 te worden gezocht, als wel in de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en inzonderheid in artikel 3, § 1, 4°, van die wet, naar luid waarvan de Koning maatregelen kan nemen om het financieel evenwicht van de stelsels van sociale zekerheid te waarborgen.
   In zover immers het ontwerp sommige bepalingen van de samengeordende wetten beoogt aan te vullen met de verwijzing naar het nieuwe artikel 44bis, dat in die wetten is ingevoegd bij het voornoemd koninklijk besluit van 10 december 1996, hetwelk zelf rechtsgrond put uit artikel 3, § 1, 4°, van de laatstgenoemde wet van 26 juli 1996, wordt, wat de desbetreffende bepalingen van het ontwerp betreft, dan ook beter naar die wetsbepaling verwezen. Tevens kan dan ook worden gerefereerd aan artikel 3, § 2, van de laatstgenoemde wet, naar luid waarvan de besluiten welke zijn genomen krachtens die wet de van kracht zijnde wettelijke bepalingen kunnen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen.
   De aanhef van het voorliggende ontwerp zal derhalve, na het eerste lid, met een bijkomend lid moeten worden aangevuld, waarin wordt verwezen naar artikel 3, § 1, 4° en § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie.
   4. Het ontwerp bevat een aantal bepalingen welke gevolgen hebben ten aanzien van de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank (artikel 9), de jeugdrechtbank (artikelen 10 en 15) en de vrederechter (artikel 16).
   Zoals de Raad van State, afdeling wetgeving, in het verleden reeds heeft opgemerkt, moet worden aangenomen dat de in artikel 77 van de Grondwet bedoelde verplicht bicamerale procedure van toepassing is zowel op de organisatie van de hoven en rechtbanken, als op de vaststelling van hun bevoegdheden (1).
   Vermits evenwel de ontworpen regeling is gesteund op de sub 3 vermelde wetten van 26 juli 1996 en in artikel 1 van de beide wetten telkens uitdrukkelijk wordt bepaald dat zij een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, kan de Koning uit die wetten geen bevoegdheid putten met betrekking tot een aangelegenheid waaraan artikel 77 van de Grondwet refereert (1). Hiermee rekening houdend zullen, al naar het geval, de artikelen 9, 10, 15 en 16 uit het ontwerp moeten worden weggelaten, dan wel in hun redactie moeten worden aangepast.
   ONDERZOEK VAN DE TEKST.
   Aanhef.
   1. Om de redenen welke reeds bij de bespreking van de rechtsgrond van het ontwerp werden aangegeven, verdient het aanbeveling om het eerste lid van de aanhef met een verwijzing naar artikel 49 van de betrokken wet van 26 juli 1996 aan te vullen en dient onmiddellijk na dat lid een lid te worden toegevoegd waarin wordt gerefereerd aan artikel 3, § 1, 4° en § 2, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie.
   2. Het is vanuit wetgevingstechnisch oogpunt gebruikelijk dat in de aanhef van een wijzigend besluit tevens wordt verwezen naar de teksten welke het besluit beoogt te wijzigen. In de aanhef van het voorliggende ontwerp is dat niet gebeurd.
   3. In het tweede lid van de aanhef van het ontwerp zoals dat voor advies is voorgelegd, wordt melding gemaakt van het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers dat is uitgebracht op 21 maart 1995. Uit de aan de Raad van State, afdeling wetgeving, toegezonden documenten kan worden afgeleid dat het terzake gaat om het advies nr. 259 inzake een ontwerp van wet tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de kinderbijslag voor werknemers.
   Binnen het hem toebedeelde korte tijdsbestek heeft de Raad van State, afdeling wetgeving, zich moeten onthouden van een doorgedreven vergelijking van de tekst van het ontwerp van wet waarover het betrokken beheerscomité het advies nr. 259 heeft uitgebracht, met de tekst van het voorliggende ontwerpbesluit. Uit de hem toegezonden documenten blijkt alvast niet duidelijk dat het beheerscomité bij het uitbrengen van zijn advies reeds kennis had van toch wel essentiële onderdelen van de ontworpen regeling, zoals die met betrekking tot het co-ouderschap en de bijzondere bijslag, als bedoeld in de wet van 20 juli 1971. Mochten die en soortgelijke onderdelen van de regeling inderdaad niet zijn voorgelegd aan het beheerscomité, dan zou de adviesprocedure op dat punt als niet volkomen moeten worden beschouwd.
   4. In het derde lid van de aanhef van het ontwerp, zoals dat voor advies is voorgelegd, zal uiteraard melding moeten worden gemaakt van de datum waarop de Inspectie van Financiën over het ontwerp advies heeft uitgebracht, te weten op 1 april 1997.
   In hetzelfde verband moet worden opgemerkt dat reeds op 28 maart 1997 over het ontwerp overleg is gepleegd in de Ministerraad, dat wil zeggen vooraleer door de Inspectie van Financiën advies is uitgebracht. Het spreekt voor zich dat, mocht de tekst van het ontwerp naar aanleiding van dat advies en na een nieuw overleg in Ministerraad alsnog in substantiële zin worden gewijzigd, de Raad van State, afdeling wetgeving, opnieuw zal moeten worden geconsulteerd over de aldus gewijzigde tekst.
   5. Het vierde, vijfde, zesde en zevende lid van de aanhef van het ontwerp zoals dat voor advies is voorgelegd, kunnen in twee leden worden samengebracht, te redigeren als volgt :
   " Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat ... (letterlijk overnemen van de motivering die is opgenomen in de adviesaanvraag);
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 3 april 1997, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;".
   Artikel 1. Luidens het ontworpen artikel 42, § 1, derde lid, 2°, van de samengeordende wetten, is, opdat met de rechtgevende kinderen rekening zou worden gehouden voor de rangbepaling indien er verschillende bijslagtrekkenden zijn, onder meer vereist dat de bijslagtrekkenden "met elkaar gehuwd zijn, hetzij personen van verschillend geslacht zijn en een huishouden vormen, hetzij verwant of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad".
   Hieruit lijkt te moeten worden afgeleid dat de rechtgevende kinderen van personen van hetzelfde geslacht die een huishouden vormen, van de desbetreffende regeling zijn uitgesloten. Het is de vraag in hoeverre dit verenigbaar is met de grondwettelijke beginselen inzake de gelijkheid en het verbod van discriminatie. Het antwoord op die vraag zal, eenmaal de ontworpen regeling door de wetgever is bekrachtigd, uiteindelijk aan het Arbitragehof toekomen. Wel kan het nuttig zijn dat reeds in het verslag aan de Koning zou worden aangegeven welke objectieve en in redelijkheid aanvaardbare motieven een onderscheid in de zin van het ontworpen artikel 42, § 1, derde lid, 2°, van de samengeordende wetten, vermogen te verantwoorden.
   Artikel 9. Luidens het ontworpen artikel 69, § 1, vijfde lid, van de samengeordende wetten, bepalen de echtgenoten die het kind samen hebben geadopteerd, aan wie van beiden de adoptiepremie wordt betaald, "zo niet wordt zij betaald aan de echtgenote". In vergelijking met de huidige tekst van artikel 69, § 1, vierde lid, van de samengeordende wetten, wordt niet langer uitdrukkelijk melding gemaakt van het geval waarin er betwisting bestaat tussen de echtgenoten, welk geval aldus valt te onderscheiden van de hypothese waarin de echtgenoten hebben nagelaten om te bepalen aan wie van hun beiden de adoptiepremie moet worden betaald. Het is dan ook de vraag of, terwille van de rechtszekerheid, niet tevens uitdrukkelijk melding moet worden gemaakt van het geval waarin er een betwisting bestaat tussen de echtgenoten omtrent de uitbetaling van de adoptiepremie.
   Artikel 15. 1. Naar het zeggen van de gemachtigde van de regering wordt in het ontworpen artikel 10, § 2, eerste lid, van de wet van 20 juli 1971, met de woorden "de moeder bedoeld in artikel 1" gerefereerd aan de natuurlijke persoon bedoeld in artikel 1, welke tevens de moeder is. Die bedoeling zou met zoveel woorden in de tekst van het ontworpen artikel 10, § 2, eerste lid, van de wet van 20 juli 1971, tot uitdrukking moeten worden gebracht, temeer daar in artikel 1 van die wet niet uitdrukkelijk naar de term "moeder" wordt verwezen.
   2. Rekening houdend met de wijziging welke artikel 13, 2°, van het ontwerp, beoogt aan te brengen in artikel 1 van de wet van 20 juli 1971, komt het in het ontworpen artikel 10, § 3, tweede lid, bepaalde, neer op de bevestiging van een bevoegdheid waarover de Koning reeds met toepassing van het huidige artikel 4 van de wet beschikt, namelijk de bevoegdheid om het bedrag en de berekeningswijze van de in artikel 1 bedoelde gezinsbijslag - waaronder de bijzondere bijslag - te bepalen. Het tweede lid van het ontworpen artikel 10, § 3, van de wet van 20 juli 1971, is derhalve overbodig en wordt om die reden beter geschrapt.
   Slotopmerking.
   Het besluit in ontwerp zal moeten worden voorzien van een uitvoeringsbepaling.
   De kamer was samengesteld uit :
   de heren :
   J. De Brabandere, kamervoorzitter;
   M. Van Damme, D. Albrecht, staatsraden;
   Mevr. A. Beckers, griffier.
   De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de H. J. De Brabandere.
   Het verslag werd uitgebracht door de H. P. Barra, adjunct-auditeur.
   De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de H. J. Drijkoningen, referendaris.
   De griffier,
   A. Beckers.
   De voorzitter,
   J. De Brabandere.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie