J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2020/06/05/2020202754/justel

Titel
5 JUNI 2020. - Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders

Bron :
SOCIALE ZEKERHEID.WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG
Publicatie : 24-06-2020 nummer :   2020202754 bladzijde : 46481       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2020-06-05/12
Inwerkingtreding : 01-04-2020
Opheffing : 30-06-2020

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :1969112813       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-3

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, laatst gewijzigd bij het besluit van 9 januari 2020, wordt aangevuld met de bepaling onder 24°, luidende:
  "24° de netto-vergoedingen voor de 120 bijkomende overuren die in toepassing van artikel 2, § 1, van het bijzondere-machtenbesluit nr. 14 van 27 april 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot vrijwaring van een vlotte arbeidsorganisatie in de kritieke sectoren tijdens het tweede kwartaal van 2020 worden gepresteerd bij de werkgevers die behoren tot de kritieke sectoren."

  Art. 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 2020 en treedt buiten werking op 30 juni 2020.

  Art. 3. De minister bevoegd voor Sociale zaken en de minister bevoegd voor Werk zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 5 juni 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken,
M. DE BLOCK
De Minister van Werk,
N. MUYLLE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, artikel 14, § 2;
   Gelet op de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor de werknemers, artikel 23, tweede lid, laatst gewijzigd bij de wet van 24 juli 2008;
   Gelet op het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 10 april 2020;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 17 april 2020;
   Gelet op de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, artikel 15, eerste lid;
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
   Gelet op de uitzondering inzake het verrichten van de regelgevingsimpactanalyse, bedoeld in artikel 8, § 2, 2°, van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
   Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat de situatie inzake het coronavirus COVID-19 niet toelaat om dertig dagen te wachten op het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, in het bijzonder omwille van de noodzaak om zonder verwijl de nodige maatregelen te treffen om de sociaal-economische gevolgen van het coronavirus COVID-19 te milderen voor werkgevers;
   Gelet op advies 67.316/1 van de Raad van State, gegeven op 6 mei 2020, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wetten van de Raad van State van 12 januari 1973;
   Overwegende dat het bijzondere-machtenbesluit nr. 14 van 27 april 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot vrijwaring van een vlotte arbeidsorganisatie in de kritieke sectoren verschillende tijdelijke maatregelen heeft genomen waardoor bepaalde werknemers voordelen kunnen genieten die als loon zouden kunnen worden beschouwd. Dat deze maatregelen op 1 april 2020 in werking treden en uiterst beperkt zijn in de tijd, zodat het noodzakelijk is deze uit te sluiten uit het begrip van bijdrageplichtig loon, mede gelet op de termijnen inzake de aangiften bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
   Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Artikel 14, § 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, machtigt U om het begrip loon op basis waarvan de socialezekerheidsbijdragen in het stelsel der werknemers worden berekend, bij in Ministerraad overlegd besluit te verruimen of beperken;
   Artikel 23, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor de werknemers, machtigt U om het begrip loon bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, bij een in Ministerraad overlegd besluit te verruimen of beperken voor de berekeningsbasis van de socialezekerheidsbijdragen der werknemers;
   Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij ter ondertekening aan Uwe Majesteit voorleggen strekt ertoe om bepaalde maatregelen voorzien bij het bijzondere-machtenbesluit nr. 14 van 27 april 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot vrijwaring van een vlotte arbeidsorganisatie in de kritieke sectoren, uit te sluiten uit de berekeningsbasis voor socialezekerheidsbijdragen der werknemers.
   De redactie van de bepalingen alsook van het verslag aan de Koning werd verfijnd in het licht van het advies van de Raad van State (advies nr. 67.316/1 van 6 mei 2020). Ingevolge dit advies, wordt gepreciseerd dat het onderscheid dat resulteert uit de uitsluiting van de vergoeding voor bepaalde overuren uit de berekeningsbasis van de socialezekerheidsbijdragen der werknemers op een objectief criterium berust, met name het tijdstip waarop en de sectoren waarin de werknemers de overuren presteren. Dit verschil in behandeling is redelijk verantwoord gelet op de economische noodzaak ingevolge het coronavirus om de werkgevers in de kritieke sectoren te ondersteunen.
   Artikelsgewijze bespreking
   Artikel 1
   Deze bepaling voorziet een beperking van het loonbegrip als basis voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen der werknemers voor de netto-vergoedingen voor de 120 bijkomende vrijwillige overuren die tijdens het tweede kwartaal 2020 gepresteerd worden bij werkgevers in de kritieke sectoren in toepassing van artikel 2, § 1, van het bijzondere-machtenbesluit nr. 14 van 27 april 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot vrijwaring van een vlotte arbeidsorganisatie in de kritieke sectoren.
   Art. 2
   Dit artikel regelt de inwerkingtreding alsook de buitenwerkingtreding. Een inwerkingtreding met terugwerkende kracht tot 1 april 2020 is in dezen onontbeerlijk voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, meer bepaald om de sociaaleconomische gevolgen van het coronavirus COVID-19 te milderen, rekening houdende met de datum van inwerkingtreding en buitenwerkingtreding van de bepaling van voormeld bijzondere-machtenbesluit nr. 14 van 27 april 2020.
   Art. 3
   Dit artikel wijst de Ministers aan die belast zijn met de uitvoering van het besluit.
   Wij hebben de eer te zijn,
   Sire,
   Van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars,
   De Minister van Sociale Zaken,
   M. DE BLOCK
   De Minister van Werk,
   N. MUYLLE
   
   RAAD VAN STATE, afdeling Wetgeving - Advies 67.316/1, van 6 mei 2020, over een ontwerp van koninklijk besluit 'tot wijziging van artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders'
   Op 28 april 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Sociale Zaken verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit 'tot wijziging van artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders'.
   Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 30 april 2020. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Wilfried VAN VAERENBERGH en Chantal BAMPS, staatsraden, Michel TISON en Johan PUT, assessoren, en Wim GEURTS, griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Brecht STEEN, eerste auditeur-afdelingshoofd.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Chantal BAMPS, staatsraad.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 6 mei 2020.
   1. Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.
   Zowel uit de notificatie van de ministerraad, uit de adviesaanvraag als uit de aanhef van het ontwerp blijkt dat de stellers van het ontwerp de Raad van State om advies vragen binnen een termijn van vijf werkdagen bedoeld in artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State.
   Door te eisen dat de adviesaanvragen met een termijn van vijf werkdagen van een "bijzondere" motivering worden voorzien, heeft de wetgever tot uiting gebracht dat alleen in uitzonderlijke gevallen kan verzocht worden om mededeling van het advies binnen die uitzonderlijk korte termijn. De aanvrager moet derhalve pertinente en voldoende concrete gegevens aanbrengen die het aannemelijk maken dat de ontworpen regeling dermate spoedeisend is dat noodzakelijkerwijze een beroep moet worden gedaan op de procedure bedoeld in artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State (advies mede te delen binnen een termijn van vijf werkdagen) en waarom, op het ogenblik van de adviesaanvraag, geen beroep kon worden gedaan op de procedure bedoeld in artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van deze wetten (advies mede te delen binnen een termijn van dertig dagen).
   Het voornoemde artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, stelt bovendien dat een verzoek om spoedbehandeling "in de aanvraag met bijzondere redenen [moet] worden omkleed". Nu het gaat om een formele motiveringsverplichting vermag de Raad van State, afdeling Wetgeving bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een adviesaanvraag in principe enkel rekening te houden met de motivering die in de aanvraag zelf is opgenomen.
   De voorliggende adviesaanvraag bevat evenwel geen eigenlijke motivering van de spoedeisendheid doch slechts een weergave van het doel en de draagwijdte van de regeling. (1)
   In de aanhef wordt het beroep op de spoedeisendheid gemotiveerd:
   "door de omstandigheid dat de situatie inzake het coronavirus COVID-19 niet toelaat dertig dagen te wachten op het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, in het bijzonder omwille van de noodzaak om zonder verwijl de nodige maatregelen te treffen om de sociaal-economische gevolgen van het coronavirus COVID-19 te milderen voor werkgevers".
   Een dergelijke motivering bevat evenwel geen enkel concreet en pertinent gegeven waaruit blijkt dat de ontworpen regeling zo dringend is dat geen beroep kan worden gedaan op de in artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State (advies mede te delen binnen een termijn van dertig dagen) bedoelde procedure.
   In het laatste lid van de aanhef van het ontwerp wordt verder nog het volgende overwogen:
   "Overwegende dat het koninklijk besluit van XX april 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID 19 (II) tot vrijwaring van een vlotte arbeidsorganisatie in de kritieke sectoren, en tot ondersteuning van de werknemers verschillende tijdelijke maatregelen heeft genomen waardoor bepaalde werknemers voordelen kunnen genieten die als loon zouden kunnen worden beschouwd. Dat deze maatregelen op 1 april 2020 in werking treden en uiterst beperkt zijn in de tijd, zodat het noodzakelijk is deze uit te sluiten uit het begrip van bijdrageplichtig loon, bij gebreke waarvan de tijd die nodig is voor de aanpassing van de verschillende elektronische aangiften gebruikt in de sociale zekerheid het niet mogelijk maakt dat deze maatregelen te implementeren op 1 april 2020."
   Die overweging betreft evenwel enkel de noodzaak van de te nemen maatregel en kan als zodanig niet worden betrokken op de spoedeisendheid van de ontworpen regeling.
   Op de vraag waarom een advies binnen een termijn van vijf werkdagen werd gevraagd nu de sociale zekerheidsbijdragen in principe op het einde van het kwartaal worden betaald, antwoordde de gemachtigde:
   "L'arrêté royal n° 14 du 27 avril 2020 pris en exécution de l'article 5, § 1, 5°, de la loi du 27 mars 2020 accordant des pouvoirs au Roi afin de prendre des mesures dans la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19 (II) visant à garantir la bonne organisation du travail dans les secteurs critiques et à soutenir les travailleurs, a, en son article 2, fait en sorte que, dans les secteurs critiques, le nombre d'heures supplémentaires volontaires, soit porté à 220 heures (soit 120 heures supplémentaires volontaires additionnelles), pour la période allant du 1er avril 2020 au 30 juin 2020 (c'est-à-dire le deuxième trimestre de 2020).
   La rémunération relative aux 100 heures supplémentaires volontaires déjà prévues à l'article 25bis de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, est considérée comme du salaire soumis à cotisations. Le régime mis en place pour le 2ième trimestre 2020 produit ses effets le 1er avril de sorte il est nécessaire pour les employeurs de connaître sans délai le régime social auquel lesdites heures seront soumises, afin d'y avoir effectivement recours en toute connaissance de cause".
   Om het regelgevend werk in de huidige uitzonderlijke omstandigheden niet te hinderen heeft de Raad van State, afdeling Wetgeving, niettemin kennisgenomen van de elementen in de aanhef en de toelichting van de gemachtigde en kunnen vaststellen dat het om urgente maatregelen gaat die bedoeld zijn om de werkgevers en werknemers in de kritieke sectoren te ondersteunen.
   Niettemin wordt aan de stellers van het ontwerp gevraagd om in de toekomst de spoedeisendheid van dergelijke adviesaanvragen daadwerkelijk inhoudelijk en op afdoende wijze te verantwoorden, om te vermijden dat het bepaalde in artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State ontdaan zou worden van elke betekenis. Bovendien dient erop te worden gewezen dat door zonder afdoende formele motivering de spoedeisendheid in te roepen, de stellers van het ontwerp het risico lopen dat de ontworpen regeling onwettig wordt bevonden door de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak, of door de gewone hoven en rechtbanken.
   2. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
   STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP
   3. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit beoogt de bijkomende vrijwillige overuren die werknemers tijdens het tweede kwartaal van 2020 kunnen presteren bij werkgevers in de zogenaamde "kritieke sectoren" (2)-(3) vrij te stellen van sociale zekerheidsbijdragen, door de netto-vergoeding voor deze overuren niet als loon te beschouwen.
   Daartoe voegt artikel 1 van het ontwerp een punt 24° toe aan artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 'tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders'.
   4. De ontworpen regeling vindt rechtsgrond in de bepalingen die worden vermeld in het tweede en derde lid van de aanhef.
   Aangezien de betrokken bepalingen voldoende rechtsgrond bieden voor de ontworpen regeling dient geen beroep te worden gedaan op de algemene uitvoeringsbevoegdheid van de Koning op grond van artikel 108 van de Grondwet.
   VORMVEREISTEN
   5. De ontworpen regeling verleent een financieel voordeel aan de ondernemingen uit de kritieke sectoren.
   Gevraagd of de ontworpen regeling niet beschouwd moet worden als een regeling inzake staatssteun(4) in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die in beginsel onder het toepassingsgebied valt van de aanmeldingsplicht bij de Europese Commissie, bedoeld in artikel 108, lid 3, van datzelfde Verdrag, antwoordde de gemachtigde:
   "Il est exact que ce type de mesure (à savoir une exonération de cotisations et non une suspension de paiement) n'est pas, comme telle, reprise dans les différentes communications faites par la Commission européenne.
   Cette mesure a un caractère sélectif puisque les heures supplémentaires en question sont destinées aux employeurs appartenant aux secteurs critiques tels qu'ils sont défini par l'arrêté de pouvoirs spéciaux et elle est donc susceptible d'être considérée comme une aide d'Etat.
   Elle doit dès lors faire l'objet d'une notification à la Commission européenne".
   Vermits, zoals aangegeven door de gemachtigde, de ontworpen regeling alsnog zal worden aangemeld bij de Europese Commissie, zal van deze aanmelding en van het antwoord van de Europese Commissie melding dienen te worden gemaakt in de aanhef van het te nemen besluit.
   Indien de aan de Raad van State voorgelegde tekst ten gevolge van de voornoemde vormvereiste nog wijzigingen zou ondergaan, moeten de gewijzigde of toegevoegde bepalingen, ter inachtneming van het voorschrift van artikel 3, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, aan de afdeling Wetgeving worden voorgelegd.
   ONDERZOEK VAN DE TEKST
   ALGEMENE OPMERKINGEN
   6.1. De ontworpen regeling heeft tot gevolg dat op bepaalde overuren geen socialezekerheidsbijdagen moeten worden betaald. Het gaat om de overuren bedoeld in het bijzonderemachtenbesluit nr. 14 van 27 april 2020 'tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot vrijwaring van een vlotte arbeidsorganisatie in de kritieke sectoren'. Bijgevolg is er een verschil in behandeling tussen de werkgevers en werknemers naargelang het soort overuren dat wordt gepresteerd, ten nadele van de werkgevers en werknemers uit de overige sectoren waar de gepresteerde overuren wel onderworpen zijn aan de betaling van sociale zekerheidsbijdragen.
   6.2.1. Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof is een verschil in behandeling slechts verenigbaar met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, wanneer dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betrokken maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
   Het verschil in behandeling stoelt weliswaar op objectieve criteria van onderscheid, met name het tijdstip waarop en de sectoren waarin de werknemers de overuren presteren. Echter, om een verschil in behandeling tussen verschillende categorieën van (rechts)personen ten aanzien van de regel van gelijkheid en niet-discriminatie te verantwoorden, volstaat het niet het bestaan van objectieve verschillen tussen deze categorieën aan te wijzen. Er moet bovendien worden aangetoond dat, in de geregelde aangelegenheid, in casu voor het betalen van sociale zekerheidsbijdragen, de aangevoerde verschillen relevant zijn om een verschillende behandeling in redelijkheid te verantwoorden.
   6.2.2. In dat verband wordt in het twaalfde lid van de aanhef het volgende overwogen:
   "Dat deze maatregelen op 1 april 2020 in werking treden en uiterst beperkt zijn in de tijd, zodat het noodzakelijk is deze uit te sluiten uit het begrip van bijdrageplichtig loon, bij gebreke waarvan de tijd die nodig is voor de aanpassing van de verschillende elektronische aangiften gebruikt in de sociale zekerheid het niet mogelijk maakt dat deze maatregelen te implementeren op 1 april 2020;".
   Deze verantwoording, die er lijkt op neer te komen dat het verschil in behandeling verantwoord zou zijn omwille van het feit dat in het kader van de huidige elektronische aangiften, geen ruimte is om die bijkomende overuren aan te geven en er geen tijd is om daar een oplossing voor te voorzien, houdt geen verband met de doelstelling van de regeling en bevat geen enkel element dat toelaat te toetsen of de gevolgen evenredig zijn. Bijgevolg komt de overweging waarmee in de aanhef van het ontworpen besluit het verschil in behandeling wordt verantwoord als weinig pertinent voor.
   6.2.3. Geconfronteerd hiermee gaf de gemachtigde de volgende verantwoording:
   "De verantwoording in de aanhef is inderdaad ongelukkig geformuleerd. De argumenten hebben betrekking op de beslissing om voor betreffende vrijgestelde bijkomende overuren geen bijkomende specifieke elektronische aangifte te voorzien; er is geen causaal verband tussen deze argumenten en (de verantwoording voor) de vrijstelling. De vrijstelling van de bijkomende overuren in de sectoren beoogt de ondersteuning van de werkgevers die behoren tot de kritieke sectoren. Zoals u terecht stelt, steunt dit verschil in behandeling [op] een objectief criterium. Dit is redelijk verantwoord in het licht van de doelstelling, met name de economische noodzaak om de kritieke sectoren te ondersteunen. De redactie van de aanhef en het verslag aan de Koning zal in deze zin worden aangepast".
   6.2.4. Het verdient aanbeveling dat de stellers van het ontwerp deze verantwoording opnemen in het verslag aan de Koning.
   7.1. De ontworpen regeling heeft uitwerking met terugwerkende kracht met ingang van 1 april 2020. Dat is tevens de datum waarop ook de regeling van het bijzonderemachtenbesluit nr. 14 van 27 april 2020 uitwerking heeft.
   7.2. Terugwerkende kracht van verordenende bepalingen is enkel aanvaardbaar ingeval voor de retroactiviteit een wettelijke machtiging bestaat, de retroactiviteit betrekking heeft op een regeling die met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel voordelen toekent of in zoverre de retroactiviteit noodzakelijk is voor de goede werking van de diensten en erdoor, in beginsel, geen verkregen situaties worden aangetast.
   7.3. Gevraagd welke impact de terugwerkende kracht kan hebben op het berekenen en betalen van de sociale bijdragen, antwoordde de gemachtigde:
   "La mesure concerne à la fois les cotisations patronales et personnelles. Les cotisations (patronales et personnelles) sont bien payées à la fin du mois qui suit la fin du trimestre. Pour le 2ième trimestre elles doivent être payées le 31 juillet.
   Les cotisations personnelles sont bien retenues chaque mois par l'employeur, la mesure a déjà été annoncé afin qu'ils n'effectuent pas la retenue en question mais s'ils y ont procédé ils devront alors recalcul [er] la rémunération du travailleur ayant effectué ces heures supplémentaires afin de lui restituer les cotisations indûment retenues".
   7.4. Aangezien de sociale zekerheidsbijdragen worden betaald de maand na het kwartaal waarin ze verschuldigd zijn en de ontworpen regeling een voordeel betreft voor zowel de werkgever als de werknemer, en voor zover er in voorkomend geval een herberekening zal worden uitgevoerd van de ingehouden bijdragen kan de terugwerkende kracht worden gebillijkt.
   BIJZONDERE OPMERKINGEN
   Aanhef
   8. Gelet op hetgeen sub 4 in verband met de rechtsgrond is opgemerkt, dient het eerste lid van de aanhef te worden geschrapt.
   9. Aangezien het koninklijk besluit van 28 november 1969, dat in het huidige vierde lid van de aanhef, dat het derde lid wordt, wordt vermeld, het ontwerp niet tot rechtsgrond strekt, maar erdoor wordt gewijzigd, dient geen verwijzing te worden opgenomen naar de te wijzigen bepaling.(7)
   10. In het huidige zesde lid van de aanhef, dat het vijfde lid wordt, dient de datum van het begrotingsakkoord, met name 17 april 2020, te worden vermeld.
   11. Aangezien het voorliggende ontwerp niet van de regelgevingsimpactanalyse kan worden vrijgesteld op grond van artikel 8, § 1, van de wet van 15 december 2013 'houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging', maar er wel op grond van de in artikel 8, § 2, van dezelfde wet van kan worden uitgezonderd, dient het huidige negende lid van de aanhef, dat het achtste lid wordt, te worden geherformuleerd als volgt:
   "Gelet op de uitzondering inzake het verrichten van de regelgevingsimpactanalyse, bedoeld in artikel 8, § 2, 2°, van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;".
   
   DE GRIFFIER
   Wim GEURTS
   DE VOORZITTER
   Marnix VAN DAMME
   
   ----------
   
   (1) In de adviesaanvraag staat het volgende te lezen: "Gelet op de uitbraak van het COVID-19-virus in ons land beoogt het ontwerp van koninklijk besluit een beperking van het loonbegrip als basis voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen der werknemers voor de netto-vergoedingen voor de 120 bijkomende vrijwillige overuren die tijdens het tweede kwartaal 2020 gepresteerd worden bij werkgevers in de kritieke sectoren in toepassing van artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van xx april 2020 tot uitvoering van artikel 5, § l, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot vrijwaring van een vlotte arbeidsorganisatie in de kritieke sectoren, en tot ondersteuning van de werknemers."
   
   (2) De kritieke sectoren, zijn de cruciale sectoren en essentiële diensten bedoeld in het ministerieel besluit van 23 maart 2020 'houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken' (Cf. artikel 1 van het bijzonderemachtenbesluit dat in de volgende voetnoot wordt vermeld).
   
   (3) Dit wordt mogelijk gemaakt door het bijzonderemachtenbesluit nr. 14 van 27 april 2020 'tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot vrijwaring van een vlotte arbeidsorganisatie in de kritieke sectoren'. Over het ontwerp dat tot dat bijzonderemachtenbesluit heeft geleid, heeft de Raad van State op 20 april 2019 advies 67.249/1 verleend.
   
   (4) Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie maakt een maatregel slechts staatssteun uit in de zin van die bepaling indien aan de hierna volgende voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de Staat of een maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd. Ten tweede moet de maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten derde moet de maatregel de begunstigde ervan een voordeel verschaffen. Ten vierde moet de maatregel de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen. HvJ 10 juni 2010, C-140/09, Fallimento Traghetti del Mediterraneo, punt 31; HvJ 29 maart 2012, C 417/10, 3M Italia, punt 37; HvJ 8 mei 2013, C-197/11 en C-203/11, Libert e.a., punt 74; HvJ 21 december 2016, C- 6/15, Vervloet e.a., punt 89.
   
   (5) Vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Zie bv. GwH 17 juli 2014, nr. 107/2014, B.12; GwH 25 september 2014, nr. 141/2014, B.4.1; GwH 30 april 2015, nr. 50/2015, B.16; GwH 18 juni 2015, nr. 91/2015, B.5.1; GwH 16 juli 2015, nr. 104/2015, B.6.
   
   (6) Zie b.v. GwH 26 juli 2007, nr. 110/2007, B.13; GwH 11 juni 2008, nr. 90/2008, B.5.; GwH 17 juli 2014, nr 109/2014, B.6.
   
   (7) Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad van State, 2008, aanbeveling nr. 30, te raadplegen op de internetsite van de Raad van State (www.raadvst consetat.be).
   

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie