J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2019/05/17/2019012826/justel

Titel
17 MEI 2019. - Koninklijk besluit tot aanpassing aan de welvaart van bepaalde uitkeringen in de regeling voor werknemers

Bron :
SOCIALE ZEKERHEID
Publicatie : 11-06-2019 nummer :   2019012826 bladzijde : 60367       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2019-05-17/24
Inwerkingtreding : 21-06-2019

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1980080802        1967122103        2001022201        1997022010       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Aanpassing van de loongrens
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Aanpassing van het gewaarborgd minimumpensioen voor een volledige loopbaan
Art. 2-3
HOOFDSTUK 3. - Aanpassing van het minimumrecht per loopbaanjaar
Art. 4
HOOFDSTUK 4. - Aanpassing van sommige pensioenen
Art. 5
HOOFDSTUK 5. - Aanpassing van het vakantiegeld
Art. 6
HOOFDSTUK 6. - Aanpassing van de inkomensgarantie voor ouderen
Art. 7
HOOFDSTUK 7. - Gemeenschappelijke bepaling
Art. 8
HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen
Art. 9-10

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Aanpassing van de loongrens

  Artikel 1. Het jaarbedrag bedoeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers wordt voor de jaren na 2019 vermenigvuldigd met 1,017.

  HOOFDSTUK 2. - Aanpassing van het gewaarborgd minimumpensioen voor een volledige loopbaan

  Art. 2. De bedragen van 13.151,52 euro en van 10.524,53 euro bedoeld in artikel 152 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 worden met ingang van 1 juli 2019 respectievelijk vervangen door de bedragen van 13.283,04 euro en 10.629,78 euro.

  Art. 3. Het bedrag van 10.383,89 euro bedoeld in artikel 153 van dezelfde wet wordt met ingang van 1 juli 2019 vervangen door het bedrag van 10.487,73 euro.

  HOOFDSTUK 3. - Aanpassing van het minimumrecht per loopbaanjaar

  Art. 4. § 1. Het bedrag van 17.662,47 euro bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels wordt vervangen door het bedrag van 18.088,35 euro.
  De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op de pensioenen en de overgangsuitkeringen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2020 ingaan.
  § 2. De bedragen van 14.045,65 euro en van 11.236,52 euro bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde besluit worden respectievelijk vervangen door de bedragen van 14.384,32 euro en 11.507,45 euro.
  De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2020 ingaan.

  HOOFDSTUK 4. - Aanpassing van sommige pensioenen

  Art. 5. Met uitsluiting van de pensioenen bedoeld in de artikelen 152 en 153 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, van de pensioenen bedoeld in artikel 7, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 14 februari 2003 tot vaststelling van het gewaarborgd minimumpensioen voor werknemers, opgeheven bij het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector, maar waarvan de bepalingen van toepassing blijven op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten laatste op 1 september 2006 zijn ingegaan en van de pensioenen bedoeld in artikel 7, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector, worden de pensioenen in de werknemersregeling die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten laatste op 1 december 2009 zijn ingegaan verhoogd met 0,785 % op 1 augustus 2019.

  HOOFDSTUK 5. - Aanpassing van het vakantiegeld

  Art. 6. De bedragen van 185,45 euro, 111,22 euro, 726,87 euro en 581,50 euro bedoeld in artikel 56, § 3, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, worden respectievelijk vervangen met ingang van 1 mei 2020 door de bedragen van 192,96 euro, 115,72 euro, 756,31 euro en 605,05 euro.
  De verhogingscoëfficiënt van 1,24621475 bedoeld in artikel 56, § 5, van hetzelfde besluit wordt met ingang van 1 mei 2020 vervangen door de verhogingscoëfficiënt van 1,29668825.

  HOOFDSTUK 6. - Aanpassing van de inkomensgarantie voor ouderen

  Art. 7. Het bedrag van 6.389,72 euro bedoeld in artikel 6, § 1, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, wordt vervangen:
  1° door het bedrag van 6.408,89 euro op 1 juli 2019;
  2° door het bedrag van 6.466,40 euro op 1 januari 2020.

  HOOFDSTUK 7. - Gemeenschappelijke bepaling

  Art. 8. Wanneer het een overlevingspensioen betreft, is het in aanmerking te nemen ingangsjaar het jaar tijdens welk het rustpensioen van de overleden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal is ingegaan wanneer deze op het ogenblik van zijn overlijden dit pensioen genoot.

  HOOFDSTUK 8. - Slotbepalingen

  Art. 9. De bepalingen van dit besluit treden in werking op 1 juli 2019 met uitzondering van:
  1° artikel 5 dat in werking treedt op 1 augustus 2019;
  2° artikelen 1, 4 en 7, 2° die in werking treden op 1 januari 2020;
  3° artikel 6 dat in werking treedt op 1 mei 2020.

  Art. 10. De minister bevoegd voor Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 17 mei 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Pensioenen
D. BACQUELAINE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, artikel 7, tiende lid, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 23 december 1996, artikel 22, tweede lid, vervangen bij de wet van 30 maart 1994 en artikel 29, § 4, ingevoegd bij de wet van 28 maart 1973 en vervangen bij het koninklijk besluit van 23 december 1996;
   Gelet op de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, artikel 152, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juli 2017 en artikel 153, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juli 2017;
   Gelet op het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, artikel 8, § 10, 1°, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wet van 18 maart 2016;
   Gelet op de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, artikel 6, § 5, vervangen bij de wet van 8 december 2013;
   Gelet op het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
   Overwegende de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, artikel 72, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 19 december 2014, artikel 73, gewijzigd bij de wet van 19 december 2014 en artikel 73bis, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006 en gewijzigd bij de wet van 19 december 2014;
   Gelet op het advies van de Nationale Arbeidsraad, gegeven op 23 april 2019;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 4 april 2019;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 5 april 2019;
   Gezien de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
   Gelet op de adviesaanvraag binnen dertig dagen, die op 10 april 2019 bij de Raad van State is ingediend, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende dat het advies niet is meegedeeld binnen die termijn;
   Gelet op artikel 84, § 4, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister van Pensioenen en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Het ontwerp van koninklijk besluit dat ik de eer heb ter ondertekening aan Uwe Majesteit voor te leggen, heeft als doel uitvoering te geven aan bepaalde welvaartsaanpassingen voorzien in het interprofessioneel akkoord 2019-2020.
   1. Opzet van het koninklijk besluit
   Dit ontwerp van koninklijk besluit brengt de nodige wijzigingen aan in de reglementering van het pensioenstelsel voor werknemers en van de inkomensgarantie voor ouderen teneinde bepaalde welvaartsaanpassingen door te voeren, meer bepaald de verhoging van een aantal uitkeringen en berekeningsplafonds.
   2. Commentaar van de artikelen
   Hoofdstuk 1. - Aanpassing van de loongrens
   Artikel 1 vermenigvuldigt het loonplafond met 1,017 voor de in aanmerking te nemen jaren na 2019.
   Hoofdstuk 2. - Aanpassing van het gewaarborgd minimumpensioen voor een volledige loopbaan
   Artikel 2 verhoogt het gewaarborgd minimumrustpensioen op basis van een volledige loopbaan met 1% met ingang van 1 juli 2019. Het stelt de nieuwe basisbedragen voor het gewaarborgd minimumrustpensioen als werknemer op basis van een volledige loopbaan vast op 13.283,04 euro (gezinsbedrag) en 10.629,78 euro (bedrag alleenstaande).
   Artikel 3 verhoogt het gewaarborgd minimumoverlevingspensioen op basis van een volledige loopbaan met 1% met ingang van 1 juli 2019. Het stelt het nieuwe basisbedrag voor het minimumoverlevingspensioen als werknemer op basis van een volledige loopbaan van de overleden echtgenoot vast op 10.487,73 euro.
   Hoofdstuk 3. - Aanpassing van het minimumrecht per loopbaanjaar
   Artikel 4 verhoogt het referentieloon dat in aanmerking wordt genomen in het minimumrecht per loopbaanjaar en het maximumpensioen dat in het kader van dit minimumrecht per loopbaanjaar kan toegekend worden met 2,4112%.
   Artikel 4, § 1, eerste lid legt het nieuwe referentieloon van het minimumrecht per loopbaanjaar vast op 18.088,35 euro. Artikel 4, § 1, tweede lid voorziet dat deze verhoging de pensioenen en de overgangsuitkeringen beoogt die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2020.
   Artikel 4, § 2, eerste lid legt de nieuwe bedragen van het maximumpensioen dat in het kader van dit minimumrecht per loopbaanjaar kan toegekend worden vast op 14.384,32 euro (gezinsbedrag) en 11.507,45 euro (bedrag alleenstaande). Artikel 4, § 2, tweede lid voorziet dat deze verhoging de pensioenen beoogt die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2020.
   Hoofdstuk 4. - Aanpassing van sommige pensioenen
   Artikel 5 verhoogt de pensioenen, met uitzondering van de minimumpensioenen, die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten laatste op 1 december 2009 zijn ingegaan met 0,785% op 1 augustus 2019.
   Hoofdstuk 5. - Aanpassing van het vakantiegeld
   Artikel 6 verhoogt het vakantiegeld en de aanvullende toeslag, met ingang van 1 mei 2020, om, rekening houdend met de verhoging doorgevoerd in mei 2019, een verhoging met 7,9 % ten opzichte van de basisbedragen van 2018 te bereiken.
   Het artikel 6, eerste lid, stelt de nieuwe basisbedragen van het vakantiegeld vast op 192,96 euro (gezinsbedrag) en 115,72 euro (bedrag alleenstaande en overlevingspensioen) en van de aanvullende toeslag op 756,31 euro (gezinsbedrag) en 605,05 euro (bedrag alleenstaande en overlevingspensioen).
   Het artikel 6, tweede lid, past de verhogingscoëfficiënt aan teneinde het tot het maandelijks pensioenbedrag beperkte vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld op een identieke wijze te verhogen, zonder dat het totaalbedrag de aangepaste maximum basisbedragen kan overschrijden.
   Hoofdstuk 6. - Aanpassing van de inkomensgarantie voor ouderen
   Artikel 7 voorziet in een dubbele verhoging van het bedrag van de inkomensgarantie voor ouderen.
   Artikel 7, 1° voorziet in een verhoging met 0,3 % met ingang van 1 juli 2019. Het stelt het nieuwe bedrag vast op 6.408,89 euro.
   Artikel 7, 2° voorziet in een verhoging met 0,8973 % met ingang van 1 januari 2020. Het stelt het nieuwe bedrag vast op 6.466,40 euro.
   Hoofdstuk 7. - Gemeenschappelijke bepaling
   Artikel 8 stelt dat het ingangsjaar van een overlevingspensioen overeenstemt met het jaar tijdens hetwelk het rustpensioen van de overleden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal is ingegaan wanneer deze op het ogenblik van zijn overlijden dit pensioen genoot.
   Hoofdstuk 8. - Slotbepalingen
   Artikel 9 legt de datum van inwerkingtreding van het besluit vast op 1 juli 2019 met uitzondering van artikel 5 dat in werking treedt op 1 augustus 2019, van de artikelen 1, 4 en 7, 2° die in werking treden op 1 januari 2020 en van artikel 6 dat in werking treedt op 1 mei 2020.
   Artikel 10 belast de Minister van Pensioenen met de uitvoering van het besluit.
   Ik heb de eer te zijn,
   Sire,
   Van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
   De Minister van Pensioenen,
   D. BACQUELAINE

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie