J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2019/05/05/2019030435/justel

Titel
5 MEI 2019. - Wet houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek

Bron :
JUSTITIE
Publicatie : 24-05-2019 nummer :   2019030435 bladzijde : 50023       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2019-05-05/10
Inwerkingtreding : 03-06-2019

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
Art. 2-63
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 1 oktober 1833 op de uitleveringen
Art. 64
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Strafwetboek
Art. 65-82
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering
Art. 83-85
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het Wetboek diverse rechten en taksen
Art. 86-87
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 88-106
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het Wetboek der successierechten
Art. 107-108
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
Art. 109-110
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Art. 111-112
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten, van de bedienaars van de erkende erediensten en van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad
Art. 113-114
HOOFDSTUK 12. - Wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden
Art. 115
HOOFDSTUK 13. - Wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
Art. 116-117
HOOFDSTUK 14. - Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 118-119
HOOFDSTUK 15. - Wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen
Art. 120
HOOFDSTUK 16. - Wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie
Art. 121
HOOFDSTUK 17. - Wijzigingen van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel
Art. 122-123
HOOFDSTUK 18. - Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen
Art. 124-144
HOOFDSTUK 19. - Wijziging van de wet van 21 juni 2004 tot omzetting van het besluit van de raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken
Art. 145
HOOFDSTUK 20. - Wijziging van de wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering
Art. 146
HOOFDSTUK 21. - Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten
Art. 147-150
HOOFDSTUK 22. - Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens
Art. 151-163
HOOFDSTUK 23. - Wijziging van het Sociaal Strafwetboek
Art. 164
HOOFDSTUK 24. - Wijzigingen van de wet van 15 mei 2012 betreffende het tijdelijk huisverbod in geval van huiselijk geweld
Art. 165-169
HOOFDSTUK 25. - Wijzigingen van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering
Art. 170-189
HOOFDSTUK 26. - Wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten
Art. 190
HOOFDSTUK 27. - Opheffingsbepalingen
Art. 191-192
HOOFDSTUK 28. - Overgangsbepalingen
Art. 193-199
HOOFDSTUK 29. - Inwerkingtreding
Art. 200

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering

  Art. 2. In artikel 28sexies, § 6, tweede zin, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 19 december 2002, worden in de Franse tekst de woorden "en chambre du conseil" ingevoegd tussen de woorden "sur cette requête" en de woorden "dans les quinze jours.".

  Art. 3. Artikel 29 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Iedere gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar en, voor de sector van de gezinsbijslag, iedere meewerkende instelling in de zin van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, is verplicht daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden, en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen.
  De ambtenaren die op basis van de wet van 15 september 2013 betreffende de melding van een veronderstelde integriteitsschending in de federale administratieve overheden door haar personeelsleden, gebruik maken van het meldingssysteem, worden van de in het eerste lid bedoelde verplichting vrijgesteld.
  § 2. De ambtenaren van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie of de daartoe bevoegde ambtenaar in geval van regionale of lokale fiscaliteit kunnen echter de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechtelijk strafbaar zijn, niet zonder de machtiging van de adviseur-generaal onder wie zij ressorteren of de daarmee gelijkgestelde ambtenaar ter kennis brengen van de procureur des Konings.
  § 3. Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, geeft de adviseur-generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, van de Algemene Administratie van de inning en de invordering, van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie en van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie of de ambtenaar die hij aanwijst of de daartoe bevoegde ambtenaar in geval van regionale of lokale fiscaliteit de feiten waarvan het onderzoek aanwijzingen van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, die naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijke inbreuken zijn, aan het licht brengt aan bij de procureur des Konings.
  De procureur des Konings pleegt hierover overleg met de in het eerste lid bedoelde ambtenaren binnen de maand na ontvangst hiervan. Hij kan de bevoegde politiediensten uitnodigen deel te nemen aan dit overleg.
  Op basis van het overleg beslist de procureur des Konings voor welke feiten omschreven in tijd en ruimte hij de strafvordering zal uitoefenen en deelt dit schriftelijk en uiterlijk binnen de drie maanden na de in het eerste lid bedoelde initiële aangifte mee aan de bevoegde adviseur-generaal of de daartoe bevoegde ambtenaar in geval van regionale of lokale fiscaliteit.
  § 4. De Koning bepaalt de criteria waaraan de in paragraaf 3 bedoelde feiten beantwoorden, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  § 5. Twee maal per jaar ontmoet de procureur-generaal die binnen het college van procureurs-generaal belast is met de economische, financiële en fiscale criminaliteit, de fiscale autoriteiten en de federale politie teneinde de mechanismen van de zware of georganiseerde fiscale fraude te bepalen die bijzondere aandacht vergen.".

  Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 29bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 29bis. Indien een strafrechtelijk onderzoek aanwijzingen van fraude inzake directe of indirecte belastingen aan het licht brengt, brengt de procureur des Konings de minister van Financiën of de dienst die hij aanwijst ervan op de hoogte en verleent hij inzage en afschrift tenzij de inzage van het dossier en het nemen van een afschrift van het dossier lopende strafrechtelijke onderzoeken in gevaar kunnen brengen.
  Wanneer de fiscale administratie belastingen vestigt, met inbegrip van de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten, voor de in het eerste lid bedoelde strafbare feiten staat dit de strafvordering niet in de weg voor zover de fiscale en strafrechtelijke behandeling van de feiten deel uitmaken van een samenhangend geheel in tijd en inhoud.".

  Art. 5. In artikel 37, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 19 december 2002, worden in paragraaf 4 de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt tussen de eerste en de tweede zin een zin ingevoegd, luidende : "De derde-beslagene die dat verbod miskent, wordt gewoon schuldenaar verklaard voor de oorzaken van het beslag, onverminderd schadevergoeding indien daartoe grond bestaat.";
  2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid luidende :
  "Indien hij zijn verklaring niet heeft gedaan binnen de wettelijke termijn of ze niet met nauwkeurigheid heeft gedaan, kan de derde-beslagene, geheel of ten dele, schuldenaar worden verklaard van de oorzaken en de kosten van het beslag.".

  Art. 6. In artikel 39bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 november 2000, gewijzigd bij de wetten van 6 juni 2010 en 25 december 2016, en gedeeltelijk vernietigd door arrest nr. 174/2018 van 6 december 2018 van het Grondwettelijk Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "voorzien in de paragrafen 2 en 3" vervangen door de woorden "bedoeld in paragraaf 2";
  2° in paragraaf 4, tweede lid, worden de woorden "de uitbreiding van" opgeheven;
  3° in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden "voor de toepassing van paragraaf 3" vervangen door de woorden "voor de toepassing van artikel 88ter";
  4° er wordt een paragraaf 9 ingevoegd, luidend als volgt :
  " § 9. De maatregelen bedoeld in dit artikel kunnen alleen betrekking hebben op de informaticasystemen van een advocaat of een arts, indien deze er zelf van verdacht worden een strafbaar feit te hebben gepleegd of eraan deelgenomen te hebben, of, indien precieze feiten doen vermoeden dat derden die ervan verdacht worden een strafbaar feit te hebben gepleegd, gebruik maken van diens elektronische communicatiemiddelen.
  De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd, zonder dat, naar gelang het geval, de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte werd gebracht. Diezelfden zullen door de procureur des Konings in kennis worden gesteld van wat volgens hem onder het beroepsgeheim valt. Deze gegevens worden niet opgenomen in het proces-verbaal. Deze personen zijn tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.".

  Art. 7. In artikel 39ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016, worden in paragraaf 1 de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder het eerste streepje van het tweede lid worden de woorden "die om de bewaring verzoekt" vervangen door de woorden "die de bewaring beveelt";
  2° in de bepaling onder het tweede streepje van het tweede lid, wordt het woord "verzoek" vervangen door het woord "bevel";
  3° in het derde lid worden de woorden "de opdracht" telkens vervangen door de woorden "het bevel".

  Art. 8. Artikel 46quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 juli 2018, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 46quater. § 1. Bij het opsporen van de misdaden en de wanbedrijven kan de procureur des Konings, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de misdrijven een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben, de noodzakelijke informatie over de producten, diensten en verrichtingen van financiële aard en betreffende virtuele waarden, die betrekking hebben op een verdachte vorderen bij :
  1° personen en instellingen als bedoeld in artikel 5, § 1, 3° tot 22° van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
  2° personen en instellingen die binnen het Belgisch grondgebied diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld.
  § 2. In geval van misdrijven bedoeld in de artikelen 137 tot 141 of 505, eerste lid, 2° tot 4°, van het Strafwetboek, of in het kader van fiscale fraude zoals bedoeld in de artikelen 449 en 450 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in de artikelen 73 en 73bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in de artikelen 133 en 133bis van het Wetboek der successierechten, in de artikelen 206 en 206bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, in de artikelen 207 en 207bis van het Wetboek diverse rechten en taksen, in de artikelen 220, § 2, 259 en 260 van de Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, in de artikelen 3.15.3.0.1. en 3.15.3.0.2. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en in de artikelen 68 en 68ter van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, alsook in geval van het misdrijf bedoeld in artikel 4, 23°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, kan de procureur des Konings op specifiek en met redenen omkleed verzoek, informatie opvragen die is opgenomen in het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België, overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.
  § 3. Ingeval de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek dit vergen, kan de procureur des Konings bovendien vorderen dat :
  1° gedurende een vernieuwbare periode van maximum twee maanden de verrichtingen van de verdachte onder toezicht worden geplaatst;
  2° de bevraagde persoon of instelling de tegoeden en verbintenissen met betrekking tot de producten, diensten, verrichtingen en waarden bedoeld in paragraaf 1 niet meer uit handen mag geven voor een termijn die hij bepaalt, maar die niet langer kan zijn dan de termijn die loopt van het ogenblik waarop die persoon of instelling kennis neemt van zijn vordering tot vijf werkdagen na de kennisgeving van de hier bedoelde gegevens door die persoon of instelling.
  De maatregel bedoeld in het eerste lid, 2°, kan slechts gevorderd worden wanneer ernstige en uitzonderlijke omstandigheden dit verantwoorden en enkel in geval de opsporing betrekking heeft op misdaden of wanbedrijven als bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4.
  § 4. De procureur des Konings kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing, de medewerking vorderen van de personen en instellingen bedoeld in paragraaf 1. De bevraagde instelling of persoon is gehouden zijn medewerking onverwijld te verlenen. In zijn beslissing beschrijft de procureur des Konings nauwkeurig de inlichtingen die hij vordert en de vorm waarin deze hem worden meegedeeld.
  Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
  Iedere persoon die de gegevens weigert mee te delen of niet meedeelt in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro of met een van die straffen alleen.".

  Art. 9. In artikel 56ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016, worden de woorden "artikel 46quater, § 1, eerste lid" vervangen door de woorden "artikel 46quater, § 1".

  Art. 10. In artikel 88bis, § 1, derde lid, vervangen bij de wet van 25 december 2016, van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord "oproepgegevens" wordt vervangen door het woord "verkeersgegevens";
  2° in de Franse tekst wordt het woord "télécommunication" vervangen door de woorden "communication électronique".

  Art. 11. Artikel 88ter van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 25 december 2016 en hersteld bij arrest nr. 174/2018 van 6 december 2018 van het Grondwettelijk Hof, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 88ter. De onderzoeksrechter kan de zoeking in een informaticasysteem of een deel ervan, aangevat op grond van artikel 39bis, uitbreiden naar een informaticasysteem of een deel ervan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar de zoeking plaatsvindt :
  - indien deze uitbreiding noodzakelijk is om de waarheid aan het licht te brengen ten aanzien van het misdrijf dat het voorwerp uitmaakt van de zoeking; en
  - indien andere maatregelen disproportioneel zouden zijn, of indien er een risico bestaat dat zonder deze uitbreiding bewijselementen verloren gaan.
  De uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem mag zich niet verder uitstrekken dan tot de informaticasystemen of de delen ervan waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte informaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder toegang hebben.
  Inzake de door de uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem aangetroffen gegevens, die nuttig zijn voor dezelfde doeleinden als de inbeslagneming, wordt gehandeld zoals bepaald in artikel 39bis, § 6.
  Wanneer blijkt dat deze gegevens zich niet op het grondgebied van het Rijk bevinden, worden ze enkel gekopieerd. In dat geval deelt de onderzoeksrechter dit onverwijld mee aan de Federale Overheidsdienst Justitie, die de bevoegde overheid van de betrokken Staat hiervan op de hoogte brengt, indien deze redelijkerwijze kan worden bepaald.
  In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de onderzoeksrechter de uitbreiding van de zoeking bedoeld in het eerste lid mondeling bevelen. Dit bevel wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd, met vermelding van de redenen van de uiterst dringende noodzakelijkheid.".

  Art. 12. In artikel 88quater, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 november 2000 en gewijzigd bij de wetten van 6 juni 2010 en 25 december 2016, worden de woorden "of de uitbreiding ervan bedoeld in artikel 39bis, § 3" vervangen door de woorden "of de uitbreiding ervan bedoeld in artikel 88ter".

  Art. 13. In artikel 89ter, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 januari 2003 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, wordt het woord "politiedienst" vervangen door het woord "politiediensten".

  Art. 14. In de Franse tekst van artikel 90ter, § 6, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 december 2004 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, wordt het woord "temporairement" ingevoegd tussen de woorden "d'une enquête pénale," en de woorden "intercepter, prendre connaissance et enregistrer".

  Art. 15. In het opschrift van hoofdstuk VIIbis van titel I van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 november 2000, worden de woorden "en kwetsbare meerderjarigen" ingevoegd tussen de woorden "van minderjarigen" en de woorden "die het".

  Art. 16. In artikel 91bis van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 februari 2016, worden de volgende wijzingen aangebracht :
  1° de woorden "en elke kwetsbare meerderjarige," worden ingevoegd tussen de woorden "Elke minderjarige" en de woorden "die het slachtoffer";
  2° in de Franse tekst worden de woorden "victime ou témoin" remplacés par les mots "victimes ou témoins";
  3° in de Franse tekst worden de woorden "a le droit" vervangen door de woorden "ont le droit";
  4° in de Franse tekst worden de woorden "son choix" vervangen door de woorden "leur choix";
  5° de woorden "of de kwetsbare meerderjarige" worden ingevoegd tussen de woorden "van de minderjarige" en de woorden "of teneinde";
  6° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "kwetsbare meerderjarige" verstaan elke persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van zijn leeftijd, een zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk is.".

  Art. 17. In artikel 92 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 november 2011 en gewijzigd bij de wetten van 10 april 2014 en 1 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "en kwetsbare meerderjarigen," ingevoegd tussen de woorden "Het verhoor van minderjarigen" en de woorden "die het slachtoffer";
  2° paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met de woorden "of van de kwetsbare meerderjarige";
  3° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "en kwetsbare meerderjarigen" ingevoegd tussen de woorden "verhoor van minderjarigen" en de woorden "die het slachtoffer";
  4° de eerste zin van paragraaf 1, derde lid, wordt aangevuld met de woorden "of van de kwetsbare meerderjarige";
  5° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "en kwetsbare meerderjarigen" ingevoegd tussen de woorden "van minderjarigen" en de woorden "die slachtoffer";
  6° de eerste zin van paragraaf 2, tweede lid, wordt aangevuld met de woorden "of van de kwetsbare meerderjarige".

  Art. 18. In artikel 93 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 november 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "en de kwetsbare meerderjarige" worden ingevoegd tussen de woorden "van de minderjarige" en de woorden "wordt, afhankelijk";
  2° de woorden "een politieambtenaar die bij name door een van hen aangewezen wordt" worden vervangen door de woorden "een daartoe gebrevetteerde politieambtenaar".

  Art. 19. In artikel 94 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 november 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "en de kwetsbare meerderjarige" worden ingevoegd tussen de woorden "van de minderjarige" en de woorden "vindt plaats";
  2° de woorden "en een psychiater- of psycholoog-deskundige" worden vervangen door de woorden "en een deskundige".

  Art. 20. In artikel 95 van hetzelfde Wetboek hersteld bij de wet van 28 november 2000 en gewijzigd bij de wet van 30 november 2011 die gewijzigd is bij de wet van 28 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "of aan de kwetsbare meerderjarige" ingevoegd tussen de woorden "aan de minderjarige" en de woorden "de redenen";
  2° in het eerste lid worden in de eerste zin de woorden "dat de minderjarige" vervangen door de woorden "dat hij";
  3° in het tweede lid worden de woorden "of de kwetsbare meerderjarige" ingevoegd tussen de woorden "de minderjarige" en de woorden "te allen tijde".

  Art. 21. In artikel 96, tweede lid, tweede zin, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 november 2000, worden de woorden "of de kwetsbare meerderjarige" ingevoegd tussen de woorden "van de minderjarige" en het woord "weergegeven".

  Art. 22. In artikel 97 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 november 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord "cassettes" wordt telkens vervangen door de woorden "audiovisuele gegevensdragers";
  2° in de Franse tekst van het eerste lid wordt het woord "déposées" vervangen door het woord "déposés";
  3° In de Franse tekst van het tweede lid, worden de woorden "une des cassettes peut être mise" vervangen door de woorden "un des supports de données audiovisuels peut être mis".

  Art. 23. In artikel 98, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 november 2000, worden de woorden "of de kwetsbare meerderjarige" ingevoegd tussen de woorden "de minderjarige" en de woorden "opnieuw te verhoren".

  Art. 24. In artikel 99 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 november 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "cassette mag" vervangen door de woorden "audiovisuele gegevensdragers mogen";
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
  "Andere personen die beroepshalve betrokken zijn bij de opvang, begeleiding en hulpverlening van de minderjarige of de kwetsbare meerderjarige, die het slachtoffer of getuige is van de in de artikelen 91bis en 92 bedoelde misdrijven, kunnen de audiovisuele opname bekijken, met toestemming van de procureur des Konings of de onderzoeksrechter en na instemming van de kwetsbare meerderjarige.";
  3° in het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt het woord "cassette" vervangen door de woorden "audiovisuele gegevensdragers".

  Art. 25. In artikel 100 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 november 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt het woord "cassettes" vervangen door de woorden "audiovisuele gegevensdragers";
  2° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden "of de kwetsbare meerderjarige";
  3° in het tweede lid wordt het woord "minderjarige" vervangen door de woorden "verhoorde persoon".

  Art. 26. In artikel 101 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 28 november 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord "cassettes" wordt vervangen door de woorden "audiovisuele gegevensdragers";
  2° in de Franse tekst wordt het woord "détruites" telkens vervangen door het woord "détruits";
  3° In de Franse tekst worden de woorden "elles sont conservées" vervangen door de woorden "ils sont conservés".

  Art. 27. In boek I van hetzelfde Wetboek, wordt een hoofdstuk VIIter/1 ingevoegd, luidende "De bescherming van bepaalde bedreigde personen die een openbaar ambt uitoefenen".

  Art. 28. In hoofdstuk VIIter/1, ingevoegd bij artikel 27, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende "Definities van sommige in dit hoofdstuk voorkomende uitdrukkingen."

  Art. 29. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 28, wordt een artikel 111bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 111bis. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° bedreigde persoon : een persoon die een ernstig gevaar loopt voor zijn fysieke of psychische integriteit als gevolg van de uitoefening van een openbaar ambt en die hetzij :
  a) belast is of was met de opsporing, de vaststelling, het onderzoek, de vervolging of de berechting van misdrijven of met de uitvoering van straffen;
  b) belast is of was met de bestuurlijke politie bedoeld in artikel 14 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
  c) een agent is of was als bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
  2° gezinsleden : de echtgenoot van de bedreigde persoon of de persoon met wie hij samenleeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft, de inwonende bloedverwanten van de bedreigde persoon, van diens echtgenoot of van de persoon met wie hij samenleeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft, hun inwonende adoptanten en adoptiekinderen en de inwonende bloedverwanten van hun adoptanten en adoptiekinderen;
  3° andere bloedverwanten : de niet-inwonende bloedverwanten tot in de derde graad van de bedreigde persoon, van diens echtgenoot of van de persoon met wie hij samenleeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft, hun niet-inwonende adoptanten en adoptiekinderen en de niet-inwonende bloedverwanten van hun adoptanten en adoptiekinderen tot in de tweede graad."

  Art. 30. In hoofdstuk VIIter/1, ingevoegd bij artikel 27, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende "De organen van de bescherming".

  Art. 31. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 30, wordt een artikel 111ter ingevoegd, luidende :
  "Art. 111ter. § 1. De Getuigenbeschermingscommissie bedoeld in artikel 103, § 1, is bevoegd voor het toekennen, wijzigen en intrekken van beschermingsmaatregelen en van financiële hulpmaatregelen. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt zij "de Beschermingscommissie" genoemd.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk is de Beschermingscommissie samengesteld uit de federale procureur, die als voorzitter optreedt, een procureur des Konings aangewezen door de Raad van procureurs des Konings, de procureur-generaal aan wie de specifieke taak van internationale betrekkingen is toegewezen, de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie, de directeur van de centrale directie van de operaties inzake gerechtelijke politie van de federale politie, een vertegenwoordiger van de Federale Overheidsdienst Justitie en een vertegenwoordiger van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken. De twee laatstgenoemden hebben slechts een adviserende bevoegdheid en hebben geen stemrecht.
  Wanneer de bedreigde persoon een agent is zoals bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, nemen de diensthoofden van de twee diensten bedoeld in artikel 3, 8°, van dezelfde wet deel aan de beraadslagingen van de Beschermingscommissie, met stemrecht.
  De voorzitter van de Beschermingscommissie heeft de mogelijkheid om andere personen, die een belang hebben bij de bevoegdheden bedoeld in het eerste lid, uit te nodigen.
  Iedere persoon die, ook op occasionele basis, deelneemt aan de beraadslagingen van de Beschermingscommissie, dient te beschikken over een veiligheidsmachtiging van het niveau "ZEER GEHEIM" zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
  De Beschermingscommissie komt samen na bijeenroeping door haar voorzitter. De leden van de Beschermingscommissie zijn in persoon aanwezig of laten zich vervangen overeenkomstig de regels die zij vastleggen in het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 103, § 1, derde lid.
  § 2. De coördinatie van de bescherming wordt verzekerd door de Getuigenbeschermingsdienst bij de Algemene Directie Gerechtelijke Politie van de federale politie. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt zij "de Dienst voor de bescherming van bedreigde ambtenaren" genoemd.
  § 3. De tenuitvoerlegging van de bescherming van gedetineerde personen binnen de gevangenis wordt verzekerd door het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen.
  In alle andere gevallen wordt de tenuitvoerlegging van de bescherming verzekerd door de Dienst voor de bescherming van bedreigde ambtenaren.
  § 4. De minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken nemen, op voorstel van de Beschermingscommissie, de bijzondere maatregelen die strikt noodzakelijk zijn om de afscherming van de identiteit en de veiligheid van de in paragrafen 2 en 3, tweede lid, bedoelde politieambtenaren en de in paragraaf 3, eerste lid, bedoelde ambtenaren bij de voorbereiding en de uitvoering van hun opdrachten te allen tijde te vrijwaren. Er is geen misdrijf wanneer feiten in dat verband worden gepleegd.
  § 5. De minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken nemen de bijzondere organisatorische maatregelen, die noodzakelijk zijn om de in dit hoofdstuk vervatte bescherming van bedreigde personen mogelijk te maken.".

  Art. 32. In hoofdstuk VIIter/1, ingevoegd bij artikel 27, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende "De toekenning van bescherming".

  Art. 33. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 32, wordt een artikel 111quater ingevoegd, luidende :
  "Art. 111quater. § 1. De Beschermingscommissie kan, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit, de bijzondere beschermingsmaatregelen bedoeld in artikel 104, § 2, tweede lid, slechts toekennen aan een bedreigde persoon wiens bescherming met andere maatregelen niet kan worden verzekerd en, in voorkomend geval, aan zijn gezinsleden en, voorzover zij gevaar lopen als gevolg van de uitoefening van zijn functie, aan zijn andere bloedverwanten.
  Wanneer het gaat om een bedreigde persoon zoals bedoeld in artikel 111bis, 1°, a), kan de bescherming bedoeld in het eerste lid slechts toegekend worden wanneer die persoon belast is of was met de opsporing, de vaststelling, het onderzoek, de vervolging of de berechtingvan een misdrijf of met de uitvoering van de straf met betrekking tot een misdrijf zoals bedoeld in artikel 90ter, §§ 2, 3 of 4, of van een misdrijf gepleegd in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek.
  Wanneer het gaat om een bedreigde persoon zoals bedoeld in artikel 111bis, 1°, b), kan de bescherming bedoeld in het eerste lid slechts toegekend worden wanneer die persoon belast is of was met een opdracht van bestuurlijke politie voor de categorieën van personen bedoeld in artikel 44/5, § 1, eerste lid, 2° en 3° van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
  Wanneer het gaat om een bedreigde persoon zoals bedoeld in artikel 111bis, 1°, c), kan de bescherming bedoeld in het eerste lid slechts toegekend worden :
  1° in het geval van een agent van de Veiligheid van de Staat, wanneer deze belast is of was met een inlichtingenopdracht in uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel 7, 1° en 3° /1 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
  2° in het geval van een agent van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, wanneer deze belast is of was met een inlichtingenopdracht in uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3° en 5° van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, met uitzondering van elk ander fundamenteel belang van het land bedoeld in artikel 11, § 1, 1°, f) van dezelfde wet.
  De Beschermingscommissie kan aan een bedreigde persoon en, in voorkomend geval, aan zijn gezinsleden en, voorzover zij gevaar lopen als gevolg van de uitoefening van zijn functie, aan zijn andere bloedverwanten, slechts bijzondere beschermingsmaatregelen toekennen in andere gevallen dan degene bedoeld in het tweede, derde en vierde lid wanneer zij daartoe met eenparigheid van stemmen beslist.
  In voorkomend geval kan de Beschermingscommissie gewone beschermingsmaatregelen bedoeld in artikel 104, § 1, tweede lid toekennen aan de bedreigde persoon wanneer deze noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de bijzondere beschermingsmaatregelen. Wanneer de Beschermingscommissie van oordeel is dat de gewone beschermingsmaatregelen bedoeld in artikel 104, § 1, tweede lid, 7° of 13°, toegekend moeten worden, pleegt zij voorafgaand overleg met het Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, die de procedure in werking doet treden.
  § 2. De Beschermingscommissie kan, rekening houdend met de specifieke situatie van de betrokken persoon, financiële hulpmaatregelen toekennen aan de bedreigde persoon aan wie bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
  De financiële hulpmaatregelen zijn degene voorzien in artikel 104, § 3, tweede lid.
  § 3. De persoon aan wie bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend, heeft van rechtswege recht op psychologische begeleiding en op hulp bij het zoeken naar werk.
  De persoon aan wie bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend, heeft recht op de vrijwaring van zijn sociale en administratieve rechten. De federale procureur kan hiertoe de medewerking vorderen van de ambtenaren en agenten van de openbare diensten en besturen. De Dienst voor de bescherming van bedreigde ambtenaren staat in voor de uitvoering van deze vordering.
  Iedere persoon die weigert de in dit artikel bedoelde medewerking te verlenen wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
  Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van deze maatregelen of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
  § 4. De federale procureur kan tevens bij gemotiveerde beslissing toelating verlenen om de noodzakelijke, preventieve toezichtmaatregelen te nemen ter vrijwaring van de veiligheid en de fysieke, psychische en morele integriteit van de in het artikel 111bis bedoelde personen na toekenning van beschermingsmaatregelen zoals bedoeld in paragraaf 1. Van de mogelijkheid hiertoe wordt schriftelijk kennis gegeven aan de bedreigde persoon.".

  Art. 34. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 111quinquies ingevoegd, luidende :
  "Art. 111quinquies. § 1. De bevoegde hiërarchisch overste van de bedreigde persoon of het Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, naar gelang van het geval, kan bij een met redenen omkleed verzoekschrift, waarbij een afschrift van het dossier is gevoegd, om de toekenning van beschermingsmaatregelen en van financiële hulpmaatregelen verzoeken.
  Het verzoekschrift vermeldt :
  1° de dag, de maand en het jaar;
  2° de naam en de functie van de persoon die het verzoekschrift indient;
  3° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de personen voor wie de bedoelde maatregelen worden gevraagd of, in voorkomend geval, de code toegekend met toepassing van artikel 112quater, of de code toegekend door het diensthoofd bedoeld in artikel 3, 8°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
  4° welke bijzondere beschermingsmaatregelen, en, in voorkomend geval welke financiële hulpmaatregelen dienen te worden toegekend;
  5° de gewone beschermingsmaatregelen bedoeld in paragraaf 3, en de bijzondere redenen die deze wettigen.
  De bevoegde hiërarchisch overste van de bedreigde persoon of het Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken zendt het verzoekschrift over aan de voorzitter van de Beschermingscommissie en neemt de nodige maatregelen om de vertrouwelijkheid van het verzoekschrift te waarborgen.
  Op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de bedreigde persoon kan de bevoegde hiërarchisch overste van de bedreigde persoon of het Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse zaken, in zijn verzoekschrift aanduiden aan welke andere personen dan degenen bedoeld in artikel 111bis beschermingsmaatregelen kunnen worden toegekend. Deze beschermingsmaatregelen kunnen door de Beschermingscommissie slechts worden toegekend voor zover deze personen daadwerkelijk gevaar lopen.
  § 2. Zodra de voorzitter van de Beschermingscommissie het verzoekschrift tot het toekennen van beschermingsmaatregelen en desgevallend van financiële hulpmaatregelen heeft ontvangen, verzoekt hij onverwijld de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie om een schriftelijk advies.
  § 3. Indien bij hoogdringendheid beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn, kan de voorzitter van de Beschermingscommissie na ruggespraak met de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie en in afwachting van diens advies, bij voorlopige beslissing gewone beschermingsmaatregelen toekennen. Wanneer de Beschermingscommissie van oordeel is dat de gewone beschermingsmaatregelen bedoeld in artikel 104, § 1, tweede lid, 7° of 13°, toegekend moeten worden, pleegt zij voorafgaand overleg met het Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, die de procedure in werking doet treden.
  De voorlopige beslissing is met redenen omkleed. Zij houdt precieze opgave in van de beschermingsmaatregelen die worden toegekend.
  Van de voorlopige beslissing wordt schriftelijk kennis gegeven aan de bedreigde persoon.
  § 4. De directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie zendt, binnen een maand na ontvangst van het verzoek bepaald in paragraaf 2, een omstandig advies over het voldaan zijn van de wettelijke voorwaarden voor de gevraagde beschermingsmaatregelen in hoofde van de personen waarvoor bescherming wordt gevraagd en, nopens de persoonlijke geschiktheid van de betrokken personen voor de toekenning van de gevraagde bijzondere beschermingsmaatregelen, alsook nopens in voorkomend geval gevraagde financiële hulpmaatregelen.
  Indien een persoon waarvoor bijzondere beschermingsmaatregelen worden gevraagd, schuldig is bevonden aan een feit dat een gevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, of indien de strafvordering wegens dergelijk feit ten aanzien van hem vervallen is ingevolge toepassing van artikel 216bis of 216ter, houdt het advies nopens de persoonlijke geschiktheid van de betrokkene voor de toekenning van bijzondere beschermingsmaatregelen in elk geval een evaluatie in van het gevaar dat de betrokkene zou kunnen vormen voor de omgeving waarnaar hij wordt gereloceerd.
  § 5. Van zodra de voorzitter van de Beschermingscommissie het advies van de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie heeft ontvangen, roept hij onverwijld de Beschermingscommissie samen om over het verzoek te beslissen.
  § 6. De Beschermingscommissie beslist bij meerderheid van stemmen, behalve in het geval bepaald in artikel 111quater, § 1, vijfde lid.
  § 7. De beslissing van de Beschermingscommissie is met redenen omkleed. Zij houdt precieze opgave in van de bijzondere beschermingsmaatregelen en de financiële hulpmaatregelen die in voorkomend geval worden toegekend.
  Indien met toepassing van artikel 111quater, § 1, zesde lid, gewone beschermingsmaatregelen worden toegekend, worden deze eveneens opgenomen in de beslissing van de Beschermingscommissie.
  § 8. Wanneer de beslissing een wijziging van de identiteit betreft, wordt zij onverwijld meegedeeld aan de minister van Justitie.
  § 9. De beslissing van de Beschermingscommissie heft van rechtswege de door de voorzitter bij voorlopige beslissing toegekende beschermingsmaatregelen op.
  § 10. Tegen de beslissing van de Beschermingscommissie staat geen rechtsmiddel open.".

  Art. 35. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 111sexies ingevoegd, luidende :
  "Art. 111sexies. Indien de Beschermingscommissie de in artikel 104, § 2, tweede lid, 2°, bedoelde bijzondere beschermingsmaatregel voorstelt, is artikel 106 van toepassing."

  Art. 36. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 111septies ingevoegd, luidende :
  "Art. 111septies. De bedreigde persoon aan wie de beslissing tot het toekennen van beschermingsmaatregelen wordt overhandigd, ondertekent een schriftelijk memorandum, waarin hij zich ertoe verbindt om oprechte en volledige verklaringen af te leggen omtrent zijn situatie en de ernst van de dreiging waaraan hij onderhevig is en om gedragsregels met betrekking tot zijn veiligheid na te leven.
  Hij verbindt zich er in het memorandum bovendien toe om oprechte en volledige verklaringen af te leggen over alle burgerrechtelijke verplichtingen die hetzij op hemzelf, hetzij op de samen met hem te beschermen gezinsleden of andere bloedverwanten rusten, en verzekert de integrale nakoming van deze verplichtingen.".

  Art. 37. In hoofdstuk VIIter/1, ingevoegd bij artikel 27, wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende "Wijziging en intrekking van de bescherming.".

  Art. 38. In afdeling 4, ingevoegd bij artikel 37, wordt een artikel 111octies ingevoegd, luidende :
  "Art. 111octies. De Dienst voor de bescherming van bedreigde ambtenaren toetst op verzoek van de hiërarchisch overste van de bedreigde persoon, het Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse zaken, de directeur-generaal der Strafinrichtingen, de bedreigde persoon of ambtshalve, doch minimaal om de zes maanden, of er een grond is tot wijziging of intrekking van de toegekende beschermingsmaatregelen en, desgevallend, van de toegekende financiële hulpmaatregelen.
  De toegekende beschermingsmaatregelen kunnen worden gewijzigd indien deze niet volstaan of indien minder verstrekkende maatregelen volstaan om de bescherming van de bedreigde persoon of de leden van zijn gezin of andere bloedverwanten te verzekeren, en in de gevallen waarin zij kunnen worden ingetrokken.
  De aan een persoon toegekende beschermingsmaatregelen kunnen worden ingetrokken indien :
  1° hij ervan verdacht wordt een wanbedrijf of misdaad te hebben gepleegd na toekenning van de beschermingsmaatregelen;
  2° hij na toekenning van beschermingsmaatregelen schuldig is bevonden aan een feit dat een gevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, of indien de strafvordering wegens dergelijk feit ten aanzien van hem vervallen is ingevolge toepassing van artikel 216bis of 216ter;
  3° hij enige handeling heeft gesteld die afbreuk doet aan de hem toegekende beschermingsmaatregelen;
  4° de bepalingen van het memorandum niet worden nageleefd.
  De aan een persoon toegekende beschermingsmaatregelen worden in elk geval ingetrokken wanneer deze geen gevaar meer loopt, voor zover het in gevaar zijn door de wet als een voorwaarde voor toekenning van de toegekende beschermingsmaatregelen wordt omschreven.
  De aan de bedreigde persoon toegekende financiële hulpmaatregelen kunnen worden gewijzigd indien het bedrag ervan niet volstaat, dan wel een geringer bedrag volstaat om in het onderhoud van de bedreigde persoon en de samen met hem beschermde gezinsleden en andere bloedverwanten te voorzien, en in de gevallen waarin zij kunnen worden ingetrokken. De Beschermingscommissie houdt rekening met de specifieke situatie van de betrokken persoon.
  De aan de bedreigde persoon toegekende financiële hulpmaatregelen kunnen worden ingetrokken :
  1° indien de bedreigde persoon zelf in zijn onderhoud en dat van de samen met hem gereloceerde leden van zijn gezin en andere bloedverwanten kan voorzien of had kunnen voorzien, doch dit door eigen fout of nalatigheid heeft verhinderd;
  2° in geval van aanwending van voor specifieke doeleinden bestemde gedeelten van de maandelijkse uitkering of van een bijzondere financiële bijdrage, voor andere dan de door de Beschermingscommissie bepaalde doeleinden;
  3° wanneer de bedreigde persoon overleden is, en de samen met hem gereloceerde gezinsleden en andere bloedverwanten zelf in hun onderhoud kunnen voorzien.".

  Art. 39. In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 111novies ingevoegd, luidende :
  "Art. 111novies. § 1. Indien de Dienst voor de bescherming van bedreigde ambtenaren van oordeel is dat een grond tot wijziging of intrekking, zoals bepaald in artikel 111octies, van de toegekende beschermingsmaatregelen of financiële hulpmaatregelen voorhanden is, zendt de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie binnen een maand een met redenen omkleed advies ter zake over aan de voorzitter van de Beschermingscommissie.
  § 2. Van zodra de voorzitter van de Beschermingscommissie het advies van de directeur-generaal Gerechtelijke Politie van de federale politie heeft ontvangen, roept hij onverwijld de Commissie samen om te beslissen.
  § 3. De Beschermingscommissie beslist bij meerderheid van stemmen, behalve in het geval voorzien in artikel 111quater, § 1, vijfde lid.
  § 4. De Beschermingscommissie beslist met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en van proportionaliteit over de wijziging of de intrekking van de toegekende beschermingsmaatregelen of de financiële hulpmaatregelen.
  § 5. De beslissing van de Beschermingscommissie is met redenen omkleed. Zij houdt precieze opgave in van de bijzondere beschermingsmaatregelen en de financiële hulpmaatregelen die desgevallend worden toegekend. In voorkomend geval wordt het memorandum bedoeld in artikel 111septies aangepast.
  Indien met toepassing van artikel 111quater, § 1, zesde lid, gewone beschermingsmaatregelen worden toegekend, worden deze eveneens opgenomen in de beslissing van de Beschermingscommissie.
  § 6. Van de beslissing wordt schriftelijk kennis gegeven aan de bedreigde persoon.
  § 7. Tegen de beslissing van de Beschermingscommissie staat geen rechtsmiddel open.".

  Art. 40. In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 111decies ingevoegd, luidende :
  "Art. 111decies. § 1. De beslissing tot intrekking van de aan de bedreigde persoon toegekende beschermingsmaatregelen leidt van rechtswege tot het verval van de aan zijn gezinsleden, andere bloedverwanten en de andere personen bedoeld in artikel 111quinquies, § 1, vierde lid, toegekende beschermingsmaatregelen.
  § 2. De beslissing tot intrekking van de aan de bedreigde persoon toegekende bijzondere beschermingsmaatregelen leidt van rechtswege tot het verval van het recht op psychologische begeleiding en op hulp bij het zoeken naar werk.".

  Art. 41. In artikel 190bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 november 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden tussen de woorden "Wat de minderjarige" en de woorden "getuigen betreft", de woorden "of de kwetsbare meerderjarige" ingevoegd;
  2° in het tweede lid, worden, tussen de woorden "van de minderjarige" en de woorden "noodzakelijk vindt" de woorden "of de kwetsbare meerderjarige" ingevoegd en de woorden "tenzij de minderjarige" vervangen door de woorden "tenzij de getuige";
  3° in het derde lid, worden, tussen de woorden "de minderjarige" en de woorden "gehoord in een afzonderlijk" de woorden "of de kwetsbare meerderjarige" ingevoegd en worden de woorden "psychiater- of psycholoog-deskundige" vervangen door het woord "deskundige";
  4° in het vierde lid, worden tussen de woorden "de minderjarige" en de woorden "en de beklaagde" de woorden "of de kwetsbare meerderjarige" ingevoegd.

  Art. 42. Artikel 205 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 juni 1981 en gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Het openbaar ministerie geeft nauwkeurig de grieven aan die tegen het vonnis worden ingebracht overeenkomstig artikel 204.".

  Art. 43. In artikel 216quater van het hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 oktober 2016, worden in paragraaf 2, eerste en tweede lid, de woorden "binnen twee maanden" telkens vervangen door de woorden "binnen een maand".

  Art. 44. In artikel 254, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "Tenminste vijftien dagen vóór de preliminaire zitting" vervangen door de woorden "Ten laatste vijftien dagen na de dagvaarding om te verschijnen op de preliminaire zitting".

  Art. 45. In artikel 278 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigen aangebracht :
  1° In paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "Uiterlijk tien dagen voor de preliminaire zitting legt de procureur-generaal ter griffie de lijst neer van de getuigen die hij wenst te horen. Uiterlijk vijf dagen voor de preliminaire zitting leggen de overige partijen de lijst neer van de bijkomende getuigen die zij wensen te horen. De lijsten bevatten de gegevens van die getuigen. Zo de gegevens van bepaalde getuigen ontbreken of onvolledig zijn, verricht de procureur-generaal het nodige opzoekingswerk. Bij die lijsten wordt een motivering van de keuze van de getuigen gevoegd.";
  2° in paragraaf 2 wordt het vierde lid vervangen als volgt :
  "De voorzitter kan de verzoeken van de partijen afwijzen wanneer vaststaat dat de voorgedragen getuigen kennelijk niet kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding met betrekking tot het aan de beschuldigde ten laste gelegde feit, diens schuld of onschuld, of tot de moraliteit van de beschuldigde of het slachtoffer.".

  Art. 46. In afdeling 1 van hoofdstuk VI van titel II van boek II van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 278bis ingevoegd, luidend :
  "Art. 278bis. Op straffe van verval omschrijven de partijen bij conclusie alle onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden en alle gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering die zij overeenkomstig artikel 235bis, § 5, voor de feitenrechter kunnen opwerpen. De voorzitter doet hierover uitspraak in een afzonderlijk arrest dan dit bedoeld in artikel 278, § 3. De eis tot cassatie tegen dit arrest wordt ingesteld samen met de eis tegen het eindarrest, bedoeld in artikel 359.".

  Art. 47. Artikel 290 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 21 december 2009, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 290. Vervolgens richt de voorzitter tot de gezworenen de volgende toespraak :
  "U belooft de aan N. ten laste gelegde feiten onpartijdig en met de grootste aandacht te zullen onderzoeken rekening houdende met de belangen van de beschuldigde, de burgerlijke partij en de maatschappij. U belooft tevens tot na uw verklaring met niemand te zullen communiceren en uw beslissing enkel te zullen steunen op de bewijzen en de middelen van verdediging die tijdens de openbare zitting werden uiteengezet."
  of :
  "Vous promettez d'examiner de manière impartiale et avec l'attention la plus scrupuleuse les charges qui seront portées contre N., en tenant compte des intérêts de l'accusé, de la partie civile et de la société. Vous promettez également de ne communiquer avec personne jusqu'après votre déclaration et de fonder votre décision uniquement sur les preuves et les moyens de défense qui auront été présentés lors de l'audience publique."
  of :
  "Sie versprechen, die gegen N. erhobenen Beschuldigungen unparteiisch und mit grö;szlig;ter Aufmerksamkeit zu prüfen, unter Berücksichtigung der Interessen des Angeklagten, der Zivilpartei und der Gesellschaft. Sie versprechen ebenfalls, mit niemandem in Verbindung zu treten, bis Sie Ihre Erklärung abgegben haven, und Ihre Entscheidung nur aufgrund der während der öffentlichen Sitzung vorgebrachten Belastungs- und Entlastungsmittel zu fällen."
  De gezworenen, een voor een door de voorzitter genoemd, antwoorden met opgeheven hand "Ik zweer het", op straffe van nietigheid.".

  Art. 48. Artikel 291 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 19 december 2014, wordt opgeheven.

  Art. 49. In artikel 292 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt opgeheven;
  2° in het vroegere derde lid, dat het tweede lid wordt, worden de woorden "geheel of ten dele" ingevoegd tussen de woorden "de akte van beschuldiging" en het woord "voor" en het lid wordt aangevuld met de volgende zin : "Bij gedeeltelijke voorlezing leest de procureur de betekenisvolle delen voor, waarbij hij acht slaat op het beginsel van de loyaliteit van de procedure.".

  Art. 50. In artikel 295 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  "De getuigen worden gehoord, in de door de voorzitter bepaalde volgorde. De voorzitter vraagt ze hun naam, voornamen, leeftijd en beroep. Hij vraagt hen de eed af te leggen en te beloven dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen. Daarna leggen de getuigen mondeling hun verklaring af.";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.

  Art. 51. In artikel 297 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 30 juni 2000 en vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "In afwijking van artikel 295, dient" vervangen door "Er dient".

  Art. 52. Artikel 300 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 21 december 2009, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 300. De voorzitter kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van één van de partijen, de griffier opdragen aantekening te houden van de toevoegingen, veranderingen of verschillen die in het getuigenis mochten voorkomen ten opzichte van de vorige verklaringen van de getuige.".

  Art. 53. In artikel 311 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden tussen de woorden "Wat de minderjarige" en de woorden "getuigen betreft", de woorden "of de kwetsbare meerderjarige" ingevoegd;
  2° in het tweede lid, worden, tussen de woorden "van de minderjarige" en de woorden "noodzakelijk vindt" de woorden "of de kwetsbare meerderjarige" ingevoegd en de woorden "tenzij de minderjarige" vervangen door de woorden "tenzij de getuige";
  3° in het derde lid, worden, tussen de woorden "de minderjarige" en de woorden "gehoord in een afzonderlijk" de woorden "of de kwetsbare meerderjarige" ingevoegd en worden de woorden "psychiater- of psycholoog-deskundige" vervangen door het woord "deskundige";
  4° in het vierde lid, worden tussen de woorden "de minderjarige" en de woorden "en de beschuldigde" de woorden "of de kwetsbare meerderjarige" ingevoegd.

  Art. 54. Artikel 313 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 313. In de loop van het getuigenverhoor of daarna doet de voorzitter, ambtshalve of op verzoek van één van de partijen, aan de beschuldigde of aan de getuigen één of meerdere stukken met betrekking tot het misdrijf voorleggen. De voorzitter doet alle voor de waarheidsvinding nuttige stukken van het dossier voorleggen.".

  Art. 55. In artikel 429, vierde lid, van het zelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 februari 2014, worden de woorden ", op de door de Koning bepaalde wijze," opgeheven.

  Art. 56. In artikel 433, tweede lid van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 februari 2014, worden de woorden ", op de door de Koning bepaalde wijze," opgeheven.

  Art. 57. In boek II, titel IV van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk VIbis ingevoegd, luidende "Opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van hoofdgevangenisstraffenstraffen, opsluitingen of interneringen".

  Art. 58. In hoofdstuk VIbis, ingevoegd bij artikel 57, wordt een artikel 520bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 520bis. § 1. De opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van hoofdgevangenisstraffen, opsluitingen of interneringen wordt gevoerd onder het gezag en de leiding van de magistraat van het openbaar ministerie dat bevoegd is voor de uitvoering van de in gezag of kracht van gewijsde gegane veroordeling.
  Het eerste lid is ook van toepassing op personen bedoeld in het eerste lid tegen wie een Europees aanhoudingsbevel, een rechtshulpverzoek of een verzoek tot uitlevering is uitgevaardigd. De bevoegde procureur des Konings is deze van de plaats waar de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel of verzoek tot uitlevering is uitgevaardigd, kan worden aangetroffen.
  Het bevoegde openbaar ministerie waakt over de wettigheid van de opsporingshandelingen.
  § 2. Behoudens de wettelijke uitzonderingen, verloopt de opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van hoofdgevangenisstraffen, opsluitingen of interneringen volgens de regels van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.
  Het openbaar ministerie kan over het hele grondgebied van het Rijk alle opsporingshandelingen verrichten of laten verrichten die tot zijn bevoegdheid horen.
  § 3. De politieambtenaren die in het raam van een opsporing bedoeld in paragraaf 1 inlichtingen hebben verzameld die van belang kunnen zijn voor een lopend strafonderzoek of strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, brengen deze inlichtingen onmiddellijk ter kennis van de bevoegde procureur des Konings. Wanneer zij in de loop van een opsporing zoals bedoeld in paragraaf 1 feiten ontdekken die een wanbedrijf of misdaad kunnen uitmaken, stellen zij het bevoegde openbaar ministerie hiervan onmiddellijk in kennis.
  Het bevoegde openbaar ministerie kan de inlichtingen bedoeld in het eerste lid, die op regelmatige wijze zijn verzameld, aanwenden in het kader van de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten in een lopend strafonderzoek of strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek.".

  Art. 59. In hetzelfde hoofdstuk VIbis wordt een artikel 520ter ingevoegd, luidende :
  "Art. 520ter. § 1. Met het oog op de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, kan het bevoegde openbaar ministerie elke opsporingshandeling die toegelaten is in het raam van het in artikel 28bis bedoelde opsporingsonderzoek laten verrichten door de gevorderde politiedienst, met uitzondering van de maatregelen bepaald in de artikelen 47sexies en 47octies.
  § 2. De opsporingshandelingen bedoeld in paragraaf 1 kunnen enkel worden toegepast wanneer is voldaan aan de voorwaarden vermeld in de artikelen die betrekking hebben op deze opsporingshandelingen.".

  Art. 60. In hetzelfde hoofdstuk VIbis wordt een artikel 520quater ingevoegd, luidende :
  "Art. 520quater. Met het oog op de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, kan het bevoegde openbaar ministerie de informantenwerking toepassen overeenkomstig artikel 47decies.".

  Art. 61. In hetzelfde hoofdstuk VIbis wordt een artikel 520quinquies ingevoegd, luidende :
  "Art. 520quinquies. § 1. Met het oog op de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, kan het bevoegde openbaar ministerie de onderzoeksrechter van de plaats waar de straf of de vrijheidsberovende maatregel is uitgesproken, vorderen om machtiging te verlenen tot toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie of infiltratie, zoals omschreven in de artikelen 47sexies tot 47novies, met inachtneming van de hierna omschreven voorwaarden.
  § 2. De onderzoeksrechter kan slechts machtiging verlenen tot een observatie of een infiltratie wanneer deze onontbeerlijk is voor de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1.
  § 3. Een observatie met gebruik van technische hulpmiddelen kan enkel gemachtigd worden wanneer de strafbare feiten waarvoor de hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken, een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben.
  Een infiltratie en een observatie met gebruik van technische hulpmiddelen om zicht te verwerven in een woning, of in de door deze woning omsloten eigen aanhorigheid in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek, of in een lokaal dat aangewend wordt voor beroepsdoeleinden of de woonplaats van een advocaat of een arts, kunnen enkel gemachtigd worden wanneer een hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken voor een strafbaar feit bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4 , of dat gepleegd werd in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek.
  Wanneer een observatie als bedoeld in het tweede lid of een infiltratie betrekking hebben op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden of de woonplaats van een advocaat of een arts, kunnen zij bovendien slechts gemachtigd worden wanneer tegen de advocaat of de arts een hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken voor één van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, of voor een strafbaar feit gepleegd in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek, of indien precieze feiten doen vermoeden dat derden waartegen een dergelijke hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken, gebruik maken van diens lokalen of woonplaats.
  Deze maatregelen kunnen niet ten uitvoer worden gelegd zonder dat de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte is. Deze personen zijn tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
  § 4. De vordering bedoeld in paragraaf 1 vermeldt :
  1° de dag, de maand en het jaar;
  2° de naam van het lid van het bevoegde openbaar ministerie dat de vordering indient;
  3° de identiteitsgegevens van de persoon die veroordeeld is en zich aan de uitvoering van zijn hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering heeft onttrokken;
  4° het strafbare feit waarvoor een hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken;
  5° de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is voor de opsporing van de betrokken persoon;
  6° de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 3°, 5° en 6°, of in artikel 47octies, § 3, 3°, 5° en 6°.
  Een afschrift van de vrijheidsberovende titel wordt bij de vordering gevoegd.
  Van zodra de onderzoeksrechter de vordering ontvangen heeft, controleert hij of aan de voorwaarden voor de toepassing van een observatie of infiltratie voldaan is, en indien dit het geval is, verleent hij een schriftelijke machtiging.
  De machtiging vermeldt :
  1° de naam van de persoon die veroordeeld is en zich aan de uitvoering van zijn hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering heeft onttrokken;
  2° het strafbare feit waarvoor een hoofdgevangenisstraf of opsluiting of internering is uitgesproken, en de rechterlijke beslissing waarbij deze is uitgesproken;
  3° de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is voor de opsporing van de betrokken persoon;
  4° de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 3° tot 6°, of 47octies, § 3, 3° tot 6°.
  De onderzoeksrechter zendt de machtiging en de stukken rechtstreeks aan het bevoegde openbaar ministerie. Het bevoegde openbaar ministerie bewaart de machtiging in een afzonderlijk en vertrouwelijk dossier en heeft als enige toegang tot dit dossier, onverminderd het inzagerecht van de machtigende onderzoeksrechter bedoeld in paragraaf 8, derde lid. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim.
  § 5. In spoedeisende gevallen kan de vordering bedoeld in paragraaf 1 of de machtiging bedoeld in paragraaf 4 mondeling worden gedaan. De vordering en de machtiging moeten zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in paragraaf 4, eerste en vierde lid.
  § 6. Op verzoek van het bevoegde openbaar ministerie kan de onderzoeksrechter steeds op gemotiveerde wijze zijn machtiging tot observatie of infiltratie wijzigen, aanvullen of verlengen. Hij kan te allen tijde zijn machtiging intrekken. Hij gaat bij elke wijziging, aanvulling of verlenging van zijn machtiging na of de voorwaarden bepaald in paragrafen 1 tot 4 zijn vervuld en handelt daarbij in overeenstemming met paragraaf 4, vierde lid, 1° tot 4°. De beslissingen tot wijziging, aanvulling of verlenging worden door het bevoegde openbaar ministerie bij het vertrouwelijk dossier gevoegd.
  § 7. Het bevoegde openbaar ministerie staat in voor de tenuitvoerlegging van de machtigingen tot observatie of infiltratie die zijn verleend door de onderzoeksrechter.
  Het vermeldt op dat ogenblik in een afzonderlijke en schriftelijke beslissing de misdrijven die door de politiediensten en de personen bedoeld in artikel 47quinquies, § 2, derde lid, in het kader van de door de onderzoeksrechter gemachtigde observatie of infiltratie kunnen worden gepleegd. Deze beslissing wordt in het dossier bedoeld in paragraaf 4, vijfde lid, bewaard.
  § 8. De officier van gerechtelijke politie die de leiding heeft over de uitvoering van de observatie of de infiltratie brengt het bevoegde openbaar ministerie nauwgezet, volledig en waarheidsgetrouw schriftelijk verslag uit over elke fase in de uitvoering van de maatregelen.
  Deze vertrouwelijke verslagen worden rechtstreeks aan het bevoegde openbaar ministerie overgezonden, die ze bewaart in het dossier bedoeld in paragraaf 4, vijfde lid.
  De onderzoeksrechter heeft steeds het recht het vertrouwelijk dossier aangaande de uitvoering van de observatie of de infiltratie in te zien, zonder dat hij van de inhoud ervan in het kader van zijn opdracht gewag kan maken.
  § 9. De officier van gerechtelijke politie die de leiding heeft over de uitvoering van de observatie of de infiltratie stelt proces-verbaal op van de verschillende fasen van de uitvoering van de observatie of de infiltratie, doch vermeldt hierin geen elementen die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant, de politieambtenaren belast met de uitvoering van de observatie of de infiltratie, en de in artikel 47octies, § 1, tweede lid, bedoelde burger in het gedrang kunnen brengen. Deze elementen worden enkel opgenomen in het schriftelijk verslag bedoeld in paragraaf 8, eerste lid.
  In een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot observatie of infiltratie en worden de vermeldingen bedoeld in paragraaf 4, derde lid, 1° tot 4°, opgenomen, met uitzondering van de vermelding in 4° die verwijst naar de artikelen 47sexies, paragraaf 3, 4° en 6°, en 47octies, paragraaf 3, 4° en 6°.
  De onderzoeksrechter bevestigt bij schriftelijke beslissing het bestaan van de door hem verleende machtiging tot observatie of infiltratie.
  De opgestelde processen-verbaal en de in het derde lid bedoelde beslissing worden bij het proceduredossier gevoegd.".

  Art. 62. In hetzelfde hoofdstuk VIbis wordt een artikel 520sexies ingevoegd, luidende :
  "Art. 520sexies. § 1. Met het oog op de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, kan het bevoegde openbaar ministerie de onderzoeksrechter van de plaats waar de straf of de vrijheidsberovende maatregel is uitgesproken, vorderen om, met inachtneming van de hierna omschreven voorwaarden, de onderzoekshandelingen te machtigen waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde onderzoekshandelingen kunnen enkel worden gemachtigd wanneer is voldaan aan de voorwaarden vermeld in dezelfde artikelen die deze onderzoekshandelingen regelen in het kader van een gerechtelijk onderzoek.
  § 3. De vordering bedoeld in paragraaf 1 vermeldt :
  1° de dag, de maand en het jaar;
  2° de naam van het lid van het bevoegde openbaar ministerie dat de vordering indient;
  3° de identiteitsgegevens van de persoon die veroordeeld is en zich aan de uitvoering van zijn hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering heeft onttrokken;
  4° het strafbare feit waarvoor een hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken;
  5° de redenen waarom de onderzoekshandeling onontbeerlijk is voor de opsporing van de betrokken persoon;
  6° de onderzoekshandeling bedoeld in paragraaf 1 waarvoor het bevoegde openbaar ministerie een machtiging van de onderzoeksrechter vraagt.
  Een afschrift van de vrijheidsberovende titel wordt bij de vordering gevoegd.
  Van zodra de onderzoeksrechter de vordering ontvangen heeft, controleert hij of aan de voorwaarden voor de toepassing van de onderzoekshandeling bedoeld in het eerste lid, 6°, voldaan is, en indien dit het geval is, verleent hij een schriftelijke machtiging.
  De machtiging vermeldt :
  1° de naam van de persoon die veroordeeld is en zich aan de uitvoering van zijn hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering heeft onttrokken;
  2° het strafbare feit waarvoor een hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken, en de rechterlijke beslissing waarbij deze is uitgesproken;
  3° de redenen waarom de onderzoekshandeling onontbeerlijk is voor de opsporing van de betrokken persoon;
  4° de onderzoekshandeling die gemachtigd wordt en, desgevallend, de voorwaarden ervoor.
  De onderzoeksrechter zendt de machtiging en de stukken rechtstreeks aan het bevoegde openbaar ministerie.
  § 4. In spoedeisende gevallen kan de vordering bedoeld in paragraaf 1 of de machtiging bedoeld in paragraaf 3 mondeling worden gedaan. De vordering en de machtiging moeten zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in paragraaf 3, eerste en vierde lid.
  § 5. Het bevoegde openbaar ministerie staat in voor de tenuitvoerlegging van de machtigingen tot de in paragraaf 1 bedoelde onderzoekshandelingen die zijn verleend door de onderzoeksrechter.".

  Art. 63. In hetzelfde hoofdstuk VIbis wordt een artikel 520septies ingevoegd, luidende :
  "Art. 520septies. De kosten van de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, omvatten alle kosten die veroorzaakt worden door de toepassing van de opsporingshandelingen bedoeld in de voorgaande artikelen, uitgezonderd de personeels- en werkingskosten die verbonden zijn aan het optreden van de betrokken magistraten en politieambtenaren.
  De kosten zijn ten laste van de persoon die zich onttrokken heeft aan de uitvoering van de betreffende hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering. De kosten die het gevolg zijn van onregelmatige opsporingshandelingen en de kosten die kennelijk niet te wijten zijn aan de persoonlijke gedraging van de betrokken persoon zijn ten laste van de Staat.
  Indien een vergoeding moet worden betaald voor de in het eerste lid bedoelde opsporingshandelingen, gelden de tarieven die bepaald zijn bij de regelgeving betreffende de gerechtskosten in strafzaken.
  De magistraat van het openbaar ministerie dat de leiding heeft over de opsporing begroot de kosten, die namens zijn ambt zijn gemaakt.
  De vervolging tot invordering van deze kosten wordt namens de magistraat van het openbaar ministerie dat de leiding heeft over de opsporing uitgeoefend door de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën.
  De beslissing van de magistraat van het openbaar ministerie dat de leiding heeft over de opsporing om de kosten ten laste van de persoon die zich onttrokken heeft aan de uitvoering van de betreffende hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering te leggen, wordt bij een ter post aangetekende brief aan de betrokken persoon ter kennis gebracht.
  De betrokken persoon kan tegen de beslissing van de magistraat van het openbaar ministerie dat de leiding heeft over de opsporing om de kosten te zijnen laste te leggen, een beroep instellen bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling bij aangetekende zending binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van de bestreden beslissing.
  De Kamer van Inbeschuldigingstelling doet in eerste en laatste aanleg uitspraak over de vordering.".

  HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 1 oktober 1833 op de uitleveringen

  Art. 64. In artikel 6, zevende lid, van de wet van 1 oktober 1833 op de uitleveringen, gewijzigd bij de wet van 8 juli 1946, wordt de zin "De slotalinea van artikel 11 der wet van 15 maart 1874, is, in dat geval, van toepassing." vervangen als volgt :
  "Zij zal de teruggave bevelen van de papieren en andere voorwerpen die geen rechtstreeks verband houden met het aan verdachte ten laste gelegd feit, en zal eventueel beslissen over de terugvorderingen van derde bezitters of andere rechthebbenden.".

  HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Strafwetboek

  Art. 65. In artikel 34quater, eerste lid, 4°, van het Strafwetboek, gewijzigd bij de wet van 30 november 2011, worden de woorden "61, 62 of 65" vervangen door de woorden "62 of 65".

  Art. 66. In artikel 37septies, § 3, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 7 februari 2014 en 10 april 2014, worden de woorden "37ter" telkens vervangen door de woorden "37quinquies".

  Art. 67. In de Franse tekst van artikel 43, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 2018, wordt het woord "étaient" vervangen door de woorden "ont été".

  Art. 68. In de Franse tekst van artikel 43bis, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 1990 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 2018, wordt het woord "étaient" vervangen door de woorden "ont été".

  Art. 69. In artikel 43quater, § 3, tweede lid, in fine, van het hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 december 2002 en gewijzigd bij de wet van 18 maart 2018, worden de woorden "identieke feiten" vervangen door de woorden "misdrijven die, rechtstreeks of onrechtstreeks, aanleiding kunnen geven tot een economisch voordeel voor zover zij voorkomen in dezelfde rubriek, bepaald in § 1, als het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld".

  Art. 70. Artikel 61 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

  Art. 71. In artikel 82 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 augustus 1919, worden de woorden "de artikelen 61 en 62" vervangen door de woorden "het artikel 62".

  Art. 72. Artikel 136quater, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 augustus 2003, wordt aangevuld als volgt :
  "41° gebruiken van wapens die werken met microbiologische of andere biologische agentia of toxines, ongeacht hun oorsprong of wijze van vervaardiging;
  42° gebruiken van wapens waarvan de voornaamste uitwerking is dat ze een letsel toebrengen door middel van deeltjes die niet met röntgenstralen in het menselijk lichaam kunnen worden ontdekt;
  43° gebruiken van laserwapens die dusdanig zijn ontworpen dat zij in de strijd worden ingezet met als enig doel of onder meer als doel blijvende blindheid te veroorzaken bij personen zonder geassisteerd zicht, met andere woorden personen die met het blote oog kijken of corrigerende lenzen dragen.".

  Art. 73. In artikel 136quinquies, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 augustus 2003, worden de woorden "tot 43° " ingevoegd tussen de woorden "De misdrijven bedoeld in dezelfde paragraaf van hetzelfde artikel, 3°, 4°, 10°, 16°, 19°, 36° tot 38° en 40° " en de woorden ", worden gestraft met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar.".

  Art. 74. In artikel 137 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 december 2003 en gewijzigd bij de wetten van 30 december 2009 en 18 februari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2 wordt een bepaling onder 4° /1 ingevoegd, luidende :
  "4° /1 de onrechtmatige verstoring van een informaticasysteem en de onrechtmatige verstoring van de gegevens in een informaticasysteem, zoals bepaald in artikel 550ter, §§ 1 tot 3;";
  2° in paragraaf 3, worden de bepaling onder 3° vervangen als volgt :
  "3° het vervaardigen, bezitten, verwerven, vervoeren, of leveren van kernwapens of radiologische of chemische wapens, het gebruik van kernwapens, biologische, radiologische of chemische wapens, alsmede het verrichten van onderzoek in en het ontwikkelen van radiologische of chemische wapens;".

  Art. 75. In artikel 140 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 december 2003 en gewijzigd bij de wet van 14 december 2016, wordt een nieuw paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende :
  " § 1/1. Iedere persoon die deelneemt aan het nemen van welke beslissing dan ook in het raam van de activiteiten van de terroristische groep, terwijl hij wist of moest weten dat zijn deelname zou kunnen bijdragen tot het plegen van een misdaad of een wanbedrijf door deze terroristische groep, wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en met een geldboete van duizend euro tot tweehonderdduizend euro of met een van die straffen alleen.".

  Art. 76. In artikel 140bis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 februari 2013 en gewijzigd bij de wet van 3 augustus 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "rechtstreeks of onrechtstreeks" worden opgeheven;
  2° het artikel wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
  "De straf is opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en een geldboete van vijfduizend euro tot tienduizend euro indien de verspreiding of de publiekelijke terbeschikkingstelling bedoeld in het eerste lid specifiek gericht is op minderjarigen.".

  Art. 77. In artikel 140ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 februari 2013 en gewijzigd bij de wet van 3 augustus 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° worden de woorden "of het bijdragen tot het plegen" ingevoegd tussen de woorden "voor het plegen" en de woorden "van een van de in de artikelen 137, 140 of 140sexies bedoelde misdrijven";
  2° het artikel wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
  "De straf is opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en een geldboete van vijfduizend euro tot tienduizend euro indien het werven specifiek gericht is op minderjarigen".

  Art. 78. In artikel 140quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 februari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° worden de woorden "of het bijdragen tot het plegen" ingevoegd tussen de woorden "met het oog op het plegen" en de woorden "van een van de in artikel 137 bedoelde misdrijven";
  2° het artikel wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
  "De straf is opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en een geldboete van vijfduizend euro tot tienduizend euro indien de onderrichtingen of de opleiding bedoeld in het eerste lid specifiek gericht is op minderjarigen.".

  Art. 79. In artikel 140quinquies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 februari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° worden de woorden "of het bijdragen tot het plegen" ingevoegd tussen de woorden "met het oog op het plegen" en de woorden "van een van de in artikel 137 bedoelde misdrijven";
  2° het artikel wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
  "Met dezelfde straffen wordt gestraft iedere persoon die, in België of in het buitenland, zelf kennis verwerft of zichzelf vormt in de materies bedoeld in artikel 140quater, met het oog op het plegen of het bijdragen tot het plegen van een van de in artikel 137 bedoelde misdrijven, met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6°, bedoelde misdrijf.".

  Art. 80. In artikel 140sexies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 1°, worden de woorden "of het bijdragen tot het plegen" ingevoegd tussen de woorden "met het oog op het plegen" en de woorden ", in België of in het buitenland";
  2° in de bepaling onder 2°, worden de woorden "of het bijdragen tot het plegen" ingevoegd tussen de woorden "met het oog op het plegen" en de woorden ", in België of in het buitenland".

  Art. 81. Artikel 141 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 december 2003 en vervangen bij de wet van 14 december 2016, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende
  "De straf is opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en een geldboete van vijfduizend euro tot tienduizend euro indien het verstrekken of het inzamelen van de materiële middelen plaatsvindt met het oogmerk dat ze geheel of gedeeltelijk gebruikt zouden worden door een minderjarige met het oog op het plegen of het bijdragen tot het plegen van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 137.".

  Art. 82. In artikel 460ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998 en gewijzigd bij de wetten van 26 juni 2000 en 27 december 2012, worden de woorden "van het opsporingsonderzoek of" ingevoegd tussen de woorden "het verloop" en de woorden "van het gerechtelijk onderzoek".

  HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering

  Art. 83. In de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, wordt een artikel 4bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 4bis. In geval de strafvordering wordt ingesteld wegens de feiten bedoeld in de artikelen 29, §§ 2 en 3 en 29bis van het Wetboek van strafvordering neemt de strafrechter benevens van de strafvordering tevens kennis van de burgerlijke vordering tot betaling van de betreffende belastingen, de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten en bijbehoren. Deze burgerlijke vordering betreft een zelfstandige vordering waarbij de bevoegde belastingadministratie tussenkomt in de strafzaak.
  Zodra de burgerlijke vordering aanhangig is bij de strafrechter, worden de procedures voor de burgerlijke rechtbanken, die betrekking hebben op dezelfde vordering, beëindigd en verder gezet voor de strafrechter.
  De bevoegde belastingadministratie wordt minstens twee maanden vooraf op de hoogte gebracht van de bepaling van de rechtsdag voor het vonnisgerecht.".

  Art. 84. In artikel 12, eerste lid, van dezelfde Voorafgaande titel, gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1951 en van 5 augustus 2003, en vervangen bij de wet van 6 februari 2012, wordt een punt 1° /1 ingevoegd, luidende als volgt :
  "1° /1. artikel 7, wat de in de artikelen 347bis, 393 tot 397 en 475 van het Strafwetboek bedoelde misdrijven betreft;".

  Art. 85. In artikel 21bis, tweede lid, van dezelfde voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016, worden de woorden "artikel 376, eerste lid, van het Strafwetboek en" ingevoegd tussen de woorden "misdrijven bedoeld in" en de woorden "artikel 21".

  HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het Wetboek diverse rechten en taksen

  Art. 86. In het Wetboek diverse rechten en taksen, wordt een artikel 207bis/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 207bis/1. Ten einde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, houdt de rechter bij de straftoemeting rekening met de verschuldigde fiscale geldboeten.
  Artikel 42, 3°, van het Strafwetboek vindt geen toepassing op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de fiscale misdrijven zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen in geval de vordering van de fiscale administratie gegrond wordt verklaard en tot een effectieve betaling van deze volledige vordering heeft geleid.".

  Art. 87. In artikel 207nonies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden " § 2";
  2° paragraaf 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  "Het openbaar ministerie beslist om al dan niet de strafvervolging in te stellen van de feiten waarvan het kennis heeft genomen gedurende het overleg bedoeld in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering binnen de 3 maanden na de initiële aangifte bedoeld in artikel 29, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek.";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "derde lid" vervangen door de woorden " § 3, tweede lid".

  HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

  Art. 88. In artikel 78 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 17 mei 2006, 13 juni 2006, 3 december 2006, 17 maart 2013, 30 juli 2013, 10 april 2014, 19 oktober 2015 en 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het vierde en het vijfde lid wordt een lid ingevoegd luidende :
  "Wanneer de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer bestaat uit drie rechters zoals voorzien in artikel 92, § 1, eerste lid en § 1/1, is zij samengesteld uit twee rechters van de rechtbank van eerste aanleg en een rechter in de arbeidsrechtbank.";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid luidende :
  "In afwijking van de artikelen 80 en 259sexies en opdat de jeugdkamers die bevoegd zijn voor de in artikel 92, § 1, derde lid, bedoelde aangelegenheden, rechtsgeldig zouden zijn samengesteld, moeten twee leden ervan de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, bedoelde voortgezette vorming van de magistraten, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter in de familie- en jeugdrechtbank. Het derde lid is een rechter van de correctionele rechtbank.".

  Art. 89. In artikel 88, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 1 december 2013 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, wordt tussen de eerste en de tweede zin een zin ingevoegd luidende :
  "Het advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank is eveneens vereist voor de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamers.".

  Art. 90. Artikel 92, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 3 augustus 1992 en gewijzigd bij de wetten van 28 november 2000, 17 mei 2006, 13 juni 2006, 21 december 2009, 22 april 2010, 2 juni 2010, 25 april 2014, 19 oktober 2015 en 4 mei 2016, wordt aangevuld met een lid luidende :
  "De berechting van de personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, wegens een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad wordt toegewezen aan de overeenkomstig artikel 78, achtste lid, samengestelde kamers.".

  Art. 91. In het tweede deel, boek I, titel I, hoofdstuk II, afdeling IX, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 99quater ingevoegd, luidende :
  "Art. 99quater. Behoudens in het gerechtelijk arrondissement Eupen, geeft de eerste voorzitter van het arbeidshof, via een beschikking, opdracht aan één of meerdere rechters in de arbeidsrechtbank, die de opdracht aanvaarden, om aanvullend zitting te nemen in de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer van één of meerdere rechtbanken van eerste aanleg van het rechtsgebied.
  Met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, geeft de eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, via een beschikking, in elke arbeidsrechtbank opdracht aan een rechter, die de opdracht aanvaardt, om aanvullend zitting te nemen in de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer.
  In het gerechtelijk arrondissement Eupen, neemt de rechter in de arbeidsrechtbank aanvullend zitting in de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer. De instemming van de rechter in de arbeidsrechtbank is vereist wanneer hij niet benoemd is overeenkomstig artikel 100/1. Bij gebreke hieraan, wijst de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg een andere rechter aan die overeenkomstig artikel 100/1 in subsidiaire orde benoemd is in de arbeidsrechtbank.
  De opdracht is een jaar geldig en kan worden verlengd.
  De rechter in de arbeidsrechtbank wiens opdracht bij de gespecialiseerde correctionele kamer eindigt, blijft tot het eindvonnis in deze kamer zitting hebben in de zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn.".

  Art. 92. In artikel 119, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "Indien vervolging wordt ingesteld tegen" vervangen door de woorden "Voor de berechting van" en worden de woorden "in het kader van" vervangen worden door het woord "wegens".

  Art. 93. Artikel 144bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 maart 1997 en vervangen bij de wetten van 22 december 1998 en 21 juni 2001, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De federale procureur kan, met het oog op de goede en efficiënte werking ervan, het federaal parket van een interne organisatiestructuur voorzien, welke hij aan de minister bevoegd voor Justitie en het College van procureurs-generaal ter kennis brengt. Hij kan daartoe, onder meer, adjuncten aanwijzen onder de federale magistraten die deel uitmaken van zijn directiecomité en dit voor de periode gelijk aan deze van zijn mandaat. Bij deze aanwijzingen wordt de taalpariteit verzekerd.".

  Art. 94. In artikel 162 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wetten van 8 mei 2014, 5 februari 2016 en 4 mei 2016, wordt paragraaf 3 vervangen als volgt :
  " § 3. Zij worden door de Koning benoemd per rechtsgebied van een hof van beroep of bij het federaal parket. Met uitzondering van de parketjuristen benoemd bij het federaal parket, worden zij door de minister bevoegd voor Justitie aangewezen om hun ambt, volgens de behoeften van de dienst, uit te oefenen binnen dit rechtsgebied. Die aanwijzing kan ofwel plaatsvinden bij het hof van beroep, het arbeidshof of het parket-generaal, ofwel bij een rechtbank of een parket uit het rechtsgebied van dat hof van beroep.
  Hun aantal wordt bepaald volgens de behoeften van de dienst. Deze behoeften blijken uit een gemotiveerd verslag opgesteld door de korpschef ter attentie van de minister bevoegd voor Justitie. De minister wint over de behoeften van de dienst ook het gemotiveerd advies in van de eerste voorzitter en van de procureur-generaal of, wat het federaal parket betreft, van het College van het openbaar ministerie. Hun aantal per rechtsgebied kan echter niet meer bedragen dan 35 % van het totaal aantal magistraten van de zetel van het hof van beroep, de zetel van de rechtbanken van eerste aanleg en de parketten van de procureur des Konings in dat rechtsgebied van het hof van beroep, zoals vastgesteld in de wet bedoeld in artikel 186, § 1, tiende lid, onverminderd artikel 287sexies en dit binnen de budgettaire middelen. Het aantal parketjuristen bij het federaal parket, uitgezonderd de medewerker bij Eurojust, kan niet meer bedragen dan 35 % van het totaal aantal federale magistraten, zoals vastgesteld in de wet bedoeld in artikel 186, § 1, tiende lid, onverminderd artikel 287sexies en dit binnen de budgettaire middelen.".

  Art. 95. Artikel 239 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 21 december 2009, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 239. De loting wordt derwijze verricht dat :
  1° een zelfde gezworene niet kan geroepen worden om zitting te nemen in meer dan een zaak gedurende dezelfde zitting of tegelijkertijd bij twee verschillende hoven van assisen;
  2° de helft van de gezworenen van hetzelfde geslacht zijn.".

  Art. 96. In artikel 259sexies, § 3, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 juni 2001 en gewijzigd bij de wetten van 13 juni 2006 en 25 mei 2018, wordt het woord "309/2," ingevoegd tussen het woord "309/1," en het woord "323bis".

  Art. 97. In artikel 259sexies/1, achtste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 juli 2013, wordt het woord "309/2," ingevoegd tussen het woord "308," en het woord "323bis".

  Art. 98. In artikel 288, zevende lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 juni 2001, worden de woorden "en van de parketjuristen bij het federaal parket" ingevoegd tussen de woorden "federale magistraten" en de woorden "geschiedt voor".

  Art. 99. In het tweede deel, boek II, titel I, van hetzelfde Wetboek, wordt een hoofdstuk IVter ingevoegd, luidende "Magistraten gemachtigd om een opdracht in het Europees Openbaar Ministerie te vervullen".

  Art. 100. In hoofdstuk IVter, ingevoegd bij artikel 99, wordt een artikel 309/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 309/2. § 1. Magistraten kunnen de opdrachten van Europese hoofdaanklager, Europese aanklager en gedelegeerd Europese aanklager vervullen overeenkomstig en volgens de voorwaarden voorzien in de verordening 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM").
  § 2. De minister bevoegd voor Justitie wijst drie magistraten aan die voorgedragen worden om de opdracht van Europese aanklager te vervullen zoals bepaald in artikel 16, lid 1, van de in paragraaf 1 genoemde verordening.
  Om te kunnen worden voorgedragen als Europese aanklager dient de kandidaat op het ogenblik van de aanwijzing :
  1° het ambt van magistraat uit te oefenen waarvan in de laatste vijftien jaar ten minste tien jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie;
  2° houder te zijn van het getuigschrift bedoeld in artikel 43quinquies, § 1, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaruit de kennis blijkt van de andere taal dan die van zijn diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten.
  § 3. De minister bevoegd voor Justitie wijst ten minste één magistraat van de Nederlandstalige taalrol en één magistraat van de Franstalige taalrol aan die voorgedragen worden om de opdracht van gedelegeerd Europese aanklager te vervullen zoals bepaald in artikel 17, lid 1, van de in paragraaf 1 genoemde verordening.
  Om te kunnen worden voorgedragen als gedelegeerd Europese aanklager dient de kandidaat op het ogenblik van de aanwijzing het ambt van magistraat uit te oefenen waarvan in de laatste tien jaar ten minste vijf jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie.
  § 4. De minister bevoegd voor Justitie kan de kandidaten bedoeld in de paragrafen 2 en 3 slechts aanwijzen na gemeenschappelijk advies van het College van procureurs-generaal en de federale procureur. Zij kunnen de kandidaten daartoe horen.
  De oproep in het Belgisch Staatsblad vermeldt de wijze waarop de kandidaturen worden ingediend.
  § 5. De opdrachten worden voltijds uitgeoefend.
  Artikel 323bis is van toepassing.
  Tijdens hun opdracht zijn de magistraten niet onderworpen aan de bepalingen van deel II, boek II, titel V.
  § 6. De gedelegeerd Europese aanklagers beschikken over een secretariaat waarvan de samenstelling en de nadere werkingsregels vastgesteld worden door de Koning.".

  Art. 101. In artikel 309ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "met uitzondering van de artikelen 355bis, § 2, en 357, § 4, vijfde lid" opgeheven;
  2° paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende zinnen :
  "Artikel 355bis, § 2, is van toepassing op de adjunct van het Belgisch lid die zijn functie niet uitoefent op de zetel van Eurojust. De uitbetaling van de premie bedoeld in artikel 357, § 4, vijfde lid, wordt bovendien geschorst zolang de federaal magistraat zijn functie van Belgisch lid of zijn functie van adjunct van het Belgisch lid uitoefent op de zetel van Eurojust.";
  3° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
  " § 4. Onverminderd de evaluatie bedoeld in artikel 259undecies, hoort het College van procureurs-generaal de federale procureur in het kader van de evaluatie bedoeld in artikel 143bis § 3, derde lid, over de wijze waarop het Belgisch bureau bij Eurojust de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid heeft uitgevoerd en zijn bevoegdheden heeft uitgeoefend met inachtneming van de taken en doelstellingen van Eurojust. Deze evaluatie wordt opgenomen in het in artikel 143bis, § 7, bedoelde verslag.
  Het Belgisch lid bij Eurojust bezorgt daartoe aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de federale procureur en via deze laatste aan de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen jaarlijks een toelichting over de activiteiten van het Belgisch bureau bij Eurojust, de interne taakverdeling, een analyse en beoordeling van het beleid in het voorbije jaar, alsook de prioritaire doelstellingen voor het komende jaar.
  Om de zes maanden brengt het Belgische lid bij Eurojust over de werking van het Belgisch bureau verslag uit aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de federale procureur en via deze laatste aan de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen.".

  Art. 102. Artikel 309sexies, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 februari 2016, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "De taalpremie bedoeld in artikel 373 wordt hem niet toegekend zolang hij zijn functie uitoefent op de zetel van Eurojust.".

  Art. 103. In artikel 330bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wetten van 10 april 2014 en 8 mei 2014, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "of in het secretariaat van de gedelegeerd Europese aanklagers".

  Art. 104. In artikel 330ter, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 juni 2006 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt het eerste lid aangevuld met de woorden "of in het secretariaat van de gedelegeerd Europese aanklagers".

  Art. 105. In artikel 379quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 juli 1997, worden de woorden "het hof van beroep die opdracht hebben het hof van assisen voor te zitten, conform artikel 120, eerste lid" vervangen door de woorden "de hoven van beroep en de rechtbanken die opdracht hebben te zetelen in het hof van assisen overeenkomstig de artikelen 120, eerste en derde lid, 121, tweede lid en 122, tweede lid".

  Art. 106. In artikel 411, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 mei 2018, wordt het woord "309/2," ingevoegd tussen het woord "309/1," en het woord "309ter".

  HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het Wetboek der successierechten

  Art. 107. In het Wetboek der successierechten, wordt een artikel 133bis/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 133bis/1. Wanneer de overtreding werd begaan in het kader van Boek II of IIbis en ten einde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, houdt de rechter bij de straftoemeting rekening met de verschuldigde fiscale geldboeten.
  Artikel 42, 3°, van het Strafwetboek vindt geen toepassing op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de fiscale misdrijven zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen in geval de vordering van de fiscale administratie gegrond wordt verklaard en tot een effectieve betaling van deze volledige vordering heeft geleid.".

  Art. 108. In artikel 133nonies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden " § 2";
  2° paragraaf 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  "Het openbaar ministerie beslist om al dan niet de strafvervolging in te stellen van de feiten waarvan het kennis heeft genomen gedurende het overleg bedoeld in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering binnen de 3 maanden na de initiële aangifte bedoeld in artikel 29, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek.";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "derde lid" vervangen door de woorden " § 3, tweede lid".

  HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

  Art. 109. In het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, wordt een artikel 206bis/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 206bis/1. Wanneer de overtreding werd begaan in het kader van een registratierecht dat geen gewestelijke belasting is volgens het bepaalde in artikel 3, eerste lid, 6° tot 8° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten en teneinde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, houdt de rechter bij de straftoemeting rekening met de verschuldigde fiscale boeten.
  Artikel 42, 3°, van het Strafwetboek vindt geen toepassing op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de fiscale misdrijven zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen in geval de vordering van de fiscale administratie gegrond wordt verklaard en tot een effectieve betaling van deze volledige vordering heeft geleid.".

  Art. 110. In artikel 207septies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981, vervangen bij de wet van 4 augustus 1986 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden " § 2";
  2° paragraaf 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  "Het openbaar ministerie beslist om al dan niet de strafvervolging in te stellen van de feiten waarvan het kennis heeft genomen gedurende het overleg bedoeld in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering binnen de 3 maanden na de initiële aangifte bedoeld in artikel 29, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek.";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "derde lid" vervangen door de woorden " § 3, tweede lid".

  HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

  Art. 111. In het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wordt een artikel 73bis/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 73bis/1. Ten einde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, houdt de rechter bij de straftoemeting rekening met de verschuldigde administratieve geldboeten.
  Artikel 42, 3°, van het Strafwetboek vindt geen toepassing op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de fiscale misdrijven zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen in geval de vordering van de fiscale administratie gegrond wordt verklaard en tot een effectieve betaling van deze volledige vordering heeft geleid.".

  Art. 112. In het artikel 74 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 4 augustus 1986 en laatst gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden " § 2";
  2° paragraaf 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  "Het openbaar ministerie beslist om al dan niet de strafvervolging in te stellen van de feiten waarvan het kennis heeft genomen gedurende het overleg bedoeld in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering binnen de 3 maanden na de initiële aangifte bedoeld in artikel 29, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek.";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "derde lid" vervangen door de woorden " § 3, tweede lid".

  HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten, van de bedienaars van de erkende erediensten en van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad

  Art. 113. Artikel 28 van de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten, van de bedienaars van de erkende erediensten en van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 februari 1997 en het koninklijk besluit van 13 juli 2001, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 28. De jaarwedden van de door het Rijk bezoldigde bedienaars van de anglicaanse eredienst worden vastgesteld als volgt :
  a) Kapelaan-Voorzitter van het Centraal Comité van de Anglicaanse Eredienst in België
  20 418,57 EUR
  b) Secretaris van het Centraal Comité van de Anglicaanse Eredienst in België;
  15 840,77 EUR
  c) Kapelaan van de kerken te Antwerpen en te Elsene (geünificeerde anglicaanse kerk)
  15 840,77 EUR
  d) Kapelaan van de andere kerken
  14 397,74 EUR".

  Art. 114. Artikel 29bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 januari 1981 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 29bis. De jaarwedden van de door het Rijk bezoldigde bedienaars van de islamitische eredienst worden vastgesteld als volgt :
  a) Secretaris-generaal
  43 228,00 EUR
  b) Adviseur
  20 500,33 EUR
  c) Secretaris
  20 500,33 EUR
  d) Adjunct-secretaris
  16 994,30 EUR
  e) Theoloog
  18 652,70 EUR
  f) Eerste Imam in rang
  18 652,70 EUR
  g) Predikant
  15 840,77 EUR
  h) Tweede Imam in rang
  15 840,77 EUR
  i) Derde Imam in rang
  13 409,11 EUR".

  HOOFDSTUK 12. - Wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden

  Art. 115. Artikel 20 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007, wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende :
  "5° hij die in een van de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden, feiten overeenstemmend met een misdaad van genocide, een misdaad tegen de mensheid of een oorlogsmisdaad zoals bedoeld in artikel 136quater van het Strafwetboek, en als dusdanig vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht, ontkent, schromelijk minimaliseert, poogt te rechtvaardigen of goedkeurt, wetende of verondersteld zijnde te weten dat dit gedrag hetzij een persoon, hetzij een groep, een gemeenschap of leden ervan zou kunnen blootstellen aan discriminatie, haat of geweld wegens een van de beschermde criteria of godsdienst, in de zin van artikel 1, lid 3, van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht, en dit, zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen.".

  HOOFDSTUK 13. - Wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis

  Art. 116. In artikel 24bis van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012 en gewijzigd bij de wetten van 25 april 2014 en 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt een bepaling onder 5° ingevoegd, luidende :
  "5° het technisch onmogelijk blijkt het elektronisch toezicht voort te zetten.";
  2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
  " § 4. De verdachte die in voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht is geplaatst, verblijft in de gevangenis :
  1° voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de plaatsing en de activering van het materiaal voor het elektronisch toezicht;
  2° op bevel van de procureur des Konings, in geval van overmacht of wanneer hij een van de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden vervuld acht, of wanneer de verdachte wordt onderschept nadat hij zich aan het elektronisch toezicht heeft onttrokken, of wanneer het noodzakelijk blijkt bij wijziging van het adres van uitvoering van het elektronisch toezicht.
  De onderzoeksrechter, die behoorlijk en onverwijld in kennis wordt gesteld door de procureur des Konings van het bevel vermeld in het eerste lid, 2°, doet binnen vijf werkdagen te rekenen vanaf de terugkeer van de verdachte in de gevangenis uitspraak over het al dan niet voortzetten van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht, zulks met toepassing van de paragrafen 1 en 2. Hij moet voorafgaandelijk de verdachte en zijn advocaat horen, aan wie daarvan bericht wordt gegeven overeenkomstig artikel 21, § 2. In geval van handhaving van een hechtenis onder elektronisch toezicht overeenkomstig artikel 26, § 3, tweede lid, wordt gehandeld overeenkomstig paragraaf 3.".

  Art. 117. In artikel 33, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 28 maart 2000 en bij de wet van 2 augustus 2002, worden de woorden "of alleen tot een geldboete" vervangen door de woorden ", veroordeeld wordt tot een straf onder elektronisch toezicht, tot een werkstraf, tot een autonome probatiestraf, of tot een geldboete alleen, of indien een eenvoudige schuldigverklaring wordt uitgesproken".

  HOOFDSTUK 14. - Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

  Art. 118. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel 450bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 450bis. Ten einde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, houdt de rechter bij de straftoemeting rekening met de verschuldigde administratieve geldboeten en belastingverhogingen.
  Artikel 42, 3°, van het Strafwetboek vindt geen toepassing op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de fiscale misdrijven zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen in geval de vordering van de fiscale administratie gegrond wordt verklaard en tot een effectieve betaling van deze volledige vordering heeft geleid.".

  Art. 119. In artikel 460 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 20 september 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden " § 2";
  2° paragraaf 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  "Het openbaar ministerie beslist om al dan niet de strafvervolging in te stellen van de feiten waarvan het kennis heeft genomen gedurende het overleg bedoeld in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering binnen de 3 maanden na de initiële aangifte bedoeld in artikel 29, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek.".

  HOOFDSTUK 15. - Wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen

  Art. 120. In artikel 3, § 1, i), van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002, worden de woorden "krachtens artikel 104, § 2, van het Wetboek van strafvordering" vervangen door de woorden "krachtens de artikelen 104, § 2, of 111quater, § 1, van het Wetboek van strafvordering".

  HOOFDSTUK 16. - Wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie

  Art. 121. Artikel 4, § 1, zesde lid, van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie wordt vervangen als volgt :
  "Met de wilsverklaring kan alleen rekening worden gehouden indien zij minder dan tien jaar vóór het moment waarop betrokkene zijn wil niet meer kan uiten, is opgesteld of bevestigd. Wanneer de persoon ervoor kiest om zijn wilsverklaring te registreren, overeenkomstig het achtste lid, kan hij de geldigheidsduur van zijn wilsverklaring zelf bepalen. In het geval van een geregistreerde wilsverklaring, wordt de persoon drie maanden vóór de vervaldag of ten minste om de tien jaar verwittigd van het bestaan van de wilsverklaring en van de mogelijkheid om deze aan te passen, te verlengen of in te trekken. De Koning bepaalt de nadere regels van deze informering.".

  HOOFDSTUK 17. - Wijzigingen van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel

  Art. 122. In artikel 11 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, gewijzigd bij de wet van 31 oktober 2017 en bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 5, vierde lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Het verlaten hebben van het Belgisch grondgebied zonder de Belgische autoriteiten daarvan in te lichten of het zich onttrokken hebben aan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, wordt op vordering van het openbaar ministerie vastgesteld door het onderzoeksgerecht dat de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgesproken. De beschikking of het arrest verklaart tevens dat de borgsom aan de Staat vervalt.";
  2° paragraaf 5 wordt aangevuld met een vijfde lid, luidende :
  "De in het vierde lid vermelde beslissing over de borgsom wordt betekend zoals de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel overeenkomstig artikel 16, § 3, en 17, § 5. Tegen deze beslissing staan dezelfde rechtsmiddelen open als tegen de door dat onderzoeksgerecht genomen beslissing inzake de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.";
  3° in paragraaf 7, wordt het getal "24" vervangen door het woord "achtenveertig".

  Art. 123. Artikel 13, § 4, van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 25 april 2014 en hersteld bij de wet van 5 februari 2016, wordt aangevuld met de volgende leden :
  "De borgsom wordt teruggegeven nadat met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel een definitieve beslissing is genomen en de betrokken persoon voortdurend op het Belgisch grondgebied aanwezig was tijdens alle procedurehandelingen.
  De borgsom wordt aan de Staat toegewezen zodra de betrokken persoon zonder gegronde redenen van verschoning het Belgische grondgebied heeft verlaten zonder de Belgische rechterlijke autoriteiten in te lichten of zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.
  Het verlaten hebben van het Belgisch grondgebied zonder de Belgische rechterlijke autoriteiten daarvan in te lichten of het zich onttrokken hebben aan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, wordt op vordering van het openbaar ministerie vastgesteld door de raadkamer. De beschikking van de raadkamer verklaart tevens dat de borgsom aan de Staat vervalt.
  De in het vijfde lid vermelde beslissing over de borgsom wordt betekend zoals de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel overeenkomstig artikel 16, § 3, en 17, § 5. Tegen deze beslissing staan dezelfde rechtsmiddelen open als tegen de door de raadkamer genomen beslissing inzake de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.".

  HOOFDSTUK 18. - Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen

  Art. 124. In artikel 26, § 3, van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "door het openbaar ministerie" worden ingevoegd tussen de woorden "wordt" en "op";
  2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Voor zover zijn bevoegdheden dit mogelijk maken, staat het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring het openbaar ministerie bij in de tenuitvoerlegging van deze paragraaf, indien het openbaar ministerie erom verzoekt.".

  Art. 125. In artikel 40 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de huidige eerste zin wordt paragraaf 1;
  2° er wordt na de nieuwe paragraaf 1 een paragraaf 2 ingevoegd, luidende :
  " § 2. Het verzoek van het Hof tot tenuitvoerlegging van een geldboete moet worden geformuleerd in euro of anders gepaard gaan met een omzetting van het bedrag van de geldboete in euro.
  Het openbaar ministerie gaat over tot de tenuitvoerlegging van dat verzoek, voor zover dit betrekking heeft op een definitieve geldboete. De procedure bedoeld in de artikelen 464/1 tot 464/41 van het Wetboek van strafvordering, met betrekking tot het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, is van toepassing ongeacht het bedrag van de geldboete.
  Wanneer de betrokkene in staat is het bewijs van een betaling, geheel of ten dele, te leveren, brengt het openbaar ministerie dit ter kennis van de centrale autoriteit, die het Hof raadpleegt en daarbij alle nodige informatie opvraagt. Elk deel van het bedrag van de geldboete dat op eender welke wijze wordt geïnd door het Hof, wordt integraal in mindering gebracht van het bedrag van de geldboete die het voorwerp is van tenuitvoerlegging in België.
  Er wordt een einde gesteld aan de tenuitvoerlegging van de geldboete zodra het openbaar ministerie door de centrale autoriteit in kennis gesteld is van de betaling van het volledige bedrag van de geldboete.";
  3° de huidige tweede en derde zin worden paragraaf 3;
  4° de huidige vierde zin, die de nieuwe paragraaf 4 wordt, wordt vervangen als volgt :
  " § 4. De geldsommen, de roerende en onroerende goederen of de opbrengst van de verkoop ervan, verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Hof, overeenkomstig de paragrafen 2 en 3, worden integraal overdragen aan het Hof op initiatief van het openbaar ministerie. Het stelt de centrale autoriteit in kennis van alle overdrachten aan het Hof met toepassing van deze paragraaf.";
  5° een paragraaf 5 wordt ingevoegd, luidende :
  " § 5. Voor zover zijn bevoegdheden dit mogelijk maken, staat het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring het openbaar ministerie bij in de tenuitvoerlegging van dit artikel, indien het openbaar ministerie erom verzoekt.".

  Art. 126. In dezelfde wet, wordt een titel VIquater ingevoegd, luidende "Samenwerking met het internationaal, onpartijdig en onafhankelijk Mechanisme belast met het ondersteunen van de onderzoeken naar de meest ernstige schendingen van internationaal recht die zijn gepleegd in de Arabische Republiek Syrië sinds maart 2011 en het helpen bij de berechting van de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn".

  Art. 127. In titel VIquater van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 126, wordt een hoofdstuk I ingevoegd, luidende "Algemeen".

  Art. 128. In hoofdstuk I van titel VIquater, ingevoegd bij artikel 127, wordt een artikel 91 ingevoegd, luidende :
  "Art. 91. Voor de toepassing van Titel VIquater van deze wet wordt verstaan onder :
  - "Mechanisme" : het internationaal, onpartijdig en onafhankelijk Mechanisme belast met het ondersteunen van de onderzoeken naar de meest ernstige schendingen van internationaal recht die zijn gepleegd in de Arabische Republiek Syrië sinds maart 2011 en het helpen bij de berechting van de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn, ingesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bij haar resolutie 71/248 van 21 december 2016;
  - "Statuut" : het mandaat van het Mechanisme, zoals nader omschreven in het verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, getiteld "Toepassing van de resolutie tot instelling van een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk Mechanisme belast met het ondersteunen van de onderzoeken naar de meest ernstige schendingen van internationaal recht die zijn gepleegd in de Arabische Republiek Syrië sinds maart 2011 en het helpen bij de berechting van de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn", met referentienummer A/71/755;
  - "Hoofd van het Mechanisme" : het hoofd van het Mechanisme alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functies die hij uitoefent krachtens het Statuut;
  - "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Mechanisme, te weten binnen de federale Overheidsdienst Justitie de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
  - "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".

  Art. 129. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 92 ingevoegd, luidende :
  "Art. 92. België kan overeenkomstig de bepalingen van deze wet gevolg geven aan de verzoeken om samenwerking van het Mechanisme.".

  Art. 130. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 93 ingevoegd, luidende :
  "Art. 93. § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Mechanisme in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Mechanisme en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Mechanisme kan vallen, over te zenden aan het Mechanisme. Zij staat in voor de opvolging ervan.
  § 2. De verzoeken van het Mechanisme worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of in het Engels. Zo niet moeten zij vergezeld gaan van een eensluidend verklaarde vertaling in een van de officiële talen van België.
  § 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Mechanisme verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Mechanisme de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Mechanisme, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van de officiële talen van de Verenigde Naties.".

  Art. 131. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 94 ingevoegd, luidende :
  "Art. 94. De bevoegde autoriteiten verlenen aan het Mechanisme hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek van het Mechanisme om samenwerking en waaraan de centrale autoriteit heeft beslist gevolg te geven.".

  Art. 132. In titel VIquater van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 126, wordt een hoofdstuk II ingevoegd, luidende "Wederzijdse rechtshulp".

  Art. 133. In hoofdstuk II van titel VIquater, ingevoegd bij artikel 132, wordt een artikel 95 ingevoegd, luidende :
  "Art. 95. § 1. De verzoeken van het hoofd van het Mechanisme die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die, overeenkomstig het Statuut van het Mechanisme, inzonderheid betrekking hebben op het vaststellen van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
  § 2. Het verzoek van het hoofd van het Mechanisme dat betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
  Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
  § 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Mechanisme om verzoekt, overeenkomstig zijn Statuut, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Mechanisme toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Mechanisme en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
  § 4. Wanneer het Mechanisme, overeenkomstig zijn Statuut, iemand het statuut van beschermde getuige toekent of vraagt om de toekenning ervan en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant, bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
  In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
  De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
  De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
  De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
  De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
  In afwijking van artikel 29 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven op verzoek van de centrale autoriteit.
  Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid, ter verzekering van de bescherming van de getuige.
  Wanneer het Mechanisme de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van de andere personen moeten worden behouden.

  Art. 134. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 96 ingevoegd, luidende :
  "Art. 96. De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt het Mechanisme in kennis van de datum en plaats van de tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. Het hoofd van het Mechanisme kan door de centrale autoriteit gemachtigd worden om die tenuitvoerlegging bij te wonen.".

  Art. 135. In dezelfde wet wordt een Titel VIquinquies ingevoegd, luidende "Samenwerking met de Onderzoeksteams".

  Art. 136. In titel VIquinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 135, wordt een hoofdstuk I ingevoegd, luidende "Algemeen".

  Art. 137. In hoofdstuk I van titel VIquinquies, ingevoegd bij artikel 136, wordt een artikel 97 ingevoegd, luidende :
  "Art. 97. Voor de toepassing van Titel VIquinquies van deze wet wordt verstaan onder :
  - "Onderzoeksteams" : de Onderzoeksteams opgericht door de Verenigde Naties en met mandaat om straffeloosheid voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid, misdaden van genocide of enig ander internationaal misdrijf te bestrijden;
  - "Statuut" : het mandaat van het Onderzoeksteam, zoals nader omschreven in de relevante instrumenten die zijn aangenomen door de Verenigde Naties;
  - "Personeel van het Onderzoeksteam" : elke persoon die door zijn mandaat gemachtigd is om op te treden in naam van een Onderzoeksteam;
  - "Centrale autoriteit" : de autoriteit bevoegd voor samenwerking tussen België en een Onderzoeksteam, te weten, binnen de federale overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
  - "Openbaar ministerie" : de federale procureur.".

  Art. 138. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 98 ingevoegd, luidende :
  "Art. 98. Overeenkomstig de bepalingen van deze wet, wanneer er een internationale verplichting tot samenwerking met een Onderzoeksteam bestaat, geeft België gevolg aan de verzoeken tot samenwerking zoals geformuleerd door het Onderzoeksteam.
  Overeenkomstig de bepalingen van deze wet, wanneer er geen internationale verplichting tot samenwerking met een Onderzoeksteam is, kan België gevolg geven aan de verzoeken tot samenwerking zoals geformuleerd door het Onderzoeksteam.".

  Art. 139. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 99 ingevoegd, luidende :
  "Art. 99. § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Onderzoeksteam in ontvangst te nemen via de diplomatieke weg en om via diezelfde weg aan het Onderzoeksteam de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden alsook elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Onderzoeksteam kan vallen. Zij staat in voor de opvolging ervan.
  § 2. De verzoeken van het Onderzoeksteam worden aan de Belgische autoriteiten gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten opgesteld zijn in een van de officiële talen van België of in het Engels. Zo niet moeten zij vergezeld gaan van een eensluidend verklaarde vertaling in een van de officiële talen van België.
  § 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Onderzoeksteam verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit en via de diplomatieke weg. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Onderzoeksteam de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. De stukken ter staving moeten, indien zij niet in een van de werktalen van het Onderzoeksteam zijn opgesteld, vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".

  Art. 140. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 100 ingevoegd, luidende :
  "Art. 100. De bevoegde autoriteiten verlenen aan het Onderzoeksteam hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek tot samenwerking vanwege het Onderzoeksteam en die vallen onder een internationale verplichting tot samenwerking, of waaraan de centrale autoriteit beslist heeft gevolg te geven.".

  Art. 141. In titel VIquinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 135, wordt een hoofdstuk II ingevoegd, luidende "Wederzijdse rechtshulp".

  Art. 142. In hoofdstuk II van titel VIquinquies, ingevoegd bij artikel 141, wordt een artikel 101 ingevoegd, luidende :
  "Art. 101. § 1. De verzoeken van het Onderzoeksteam die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die, overeenkomstig het Statuut van het Onderzoeksteam, inzonderheid betrekking hebben op het vaststellen van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
  § 2. Het verzoek van het Onderzoeksteam met betrekking tot een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
  Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
  § 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Onderzoeksteam om verzoekt, overeenkomstig zijn Statuut, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Onderzoeksteam toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Onderzoeksteam en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
  § 4. Wanneer het Onderzoeksteam bevoegd is om iemand het statuut van beschermde getuige toe te kennen of om de toekenning ervan te vragen en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant, bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
  In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
  De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de Getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger, en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
  De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
  De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
  De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
  In afwijking van artikel 29 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
  Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid ter verzekering van de bescherming van de getuige.
  Wanneer het Onderzoeksteam de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van de andere personen moeten worden behouden.".

  Art. 143. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 102 ingevoegd, luidende :
  "Art. 102. De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt het Onderzoeksteam in kennis van de datum en plaats van tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. Het personeel van het Onderzoeksteam kan door de centrale autoriteit gemachtigd worden om die tenuitvoerlegging bij te wonen.".

  Art. 144. Het huidige artikel 91 van dezelfde wet wordt vernummerd tot artikel 103.

  HOOFDSTUK 19. - Wijziging van de wet van 21 juni 2004 tot omzetting van het besluit van de raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken

  Art. 145. In artikel 9 van de wet van 21 juni 2004 tot omzetting van het besluit van de raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken, wordt paragraaf 2 opgeheven.

  HOOFDSTUK 20. - Wijziging van de wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering

  Art. 146. Artikel 8, § 4, eerste lid, van de wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering, wordt aangevuld met de volgende zinnen :
  "De overeenkomst wordt opgesteld en ondertekend conform artikel 12 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken of in het Engels. In dat laatste geval wordt een afschrift van de overeenkomst, dat vertaald is in de taal voorgeschreven in strafzaken voor de rechtbank waarin de onderzoeksrechter, de procureur des Konings of de federale procureur zijn opdracht uitoefent, toegevoegd aan het dossier.".

  HOOFDSTUK 21. - Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten

  Art. 147. In artikel 31, § 1, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt tussen het zevende en het achtste streepje een nieuw streepje ingevoegd, luidende :
  "- in voorkomend geval het verslag van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de problematieken verbonden met het terrorisme en het gewelddadig extremisme;".

  Art. 148. In artikel 32 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 en de wet van 1 februari 2016, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 ingevoegd, luidende :
  " § 2. Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in titel 1ter van boek II van het Strafwetboek, of indien de veroordeelde tekenen vertoont van gewelddadig extremisme zoals gedefinieerd in het tweede lid, moet het advies bedoeld in artikel 30, § 2, vergezeld zijn van een verslag van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de problematieken verbonden met het terrorisme en het gewelddadig extremisme.
  Onder gewelddadig extremisme wordt verstaan het bevorderen, het aanmoedigen of het plegen van handelingen die tot terrorisme kunnen leiden en waarbij een ideologie wordt verdedigd ter verkondiging van een raciale, nationale, etnische of religieuze suprematie of die in strijd is met de fundamentele waarden en principes van de democratie.
  Het advies omvat een beoordeling van de noodzaak om een aangepast begeleidingstraject op te leggen.".

  Art. 149. In artikel 41 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 1 februari 2016, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 ingevoegd, luidende :
  " § 2. Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor één van de feiten bedoeld in titel 1ter van boek II van het Strafwetboek, of indien de veroordeelde tekenen vertoont van gewelddadig extremisme zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, kan de strafuitvoeringsrechter aan de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit de voorwaarde verbinden van het volgen van een aangepast begeleidingstraject bij een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de problematieken verbonden met het terrorisme en het gewelddadig extremisme. De rechter bepaalt de termijn gedurende dewelke de veroordeelde dit traject moet volgen.".

  Art. 150. Artikel 56 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 wordt, wordt aangevuld met de 2, 3 en 4 luidende paragrafen :
  " § 2. De strafuitvoeringsrechtbank omkleedt het vonnis tevens met bijzondere redenen wanneer de beslissing tot toekenning of afwijzing van de desbetreffende strafuitvoeringsmodaliteit afwijkt van het advies van de directeur of van het advies van het openbaar ministerie of wanneer haar beslissing om al dan niet bijzondere voorwaarden op te leggen overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, afwijkt van het advies van de directeur of van het advies van het openbaar ministerie.
  § 3. Ingeval het een toekenning van een voorwaardelijke invrijheidsstelling betreft, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in haar vonnis eveneens of de veroordeelde tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling al dan niet het grondgebied van het Rijk mag verlaten.
  Ingeval de veroordeelde het grondgebied van het Rijk mag verlaten, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in haar vonnis de maximumperiode voor dewelke de veroordeelde dit kan en de frequentie ervan en, in voorkomend geval, of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar ministerie voorafgaandelijk moet inlichten voor hij het grondgebied van het Rijk verlaat.
  § 4. In geval van een veroordeling wegens feiten bedoeld in Boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, of in geval er concrete elementen bestaan van gewelddadig extremisme, zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, moet de strafuitvoeringsrechtbank haar overeenkomstig paragraaf 3, gegeven toestemming om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met bijzondere redenen omkleden.".

  HOOFDSTUK 22. - Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens

  Art. 151. Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens.

  Art. 152. Artikel 2 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, gewijzigd bij de wet van 25 juli 2008 en de wet van 7 januari 2018, wordt gewijzigd als volgt :
  1° tussen de bepalingen onder 2° en 3° worden een 2° /1 en een 2° /2 ingevoegd, luidende :
  "2° /1 "museum" : "een permanente instelling ten dienste van de samenleving en de ontwikkeling daarvan, die toegankelijk is voor het publiek en die vuurwapens, essentiële onderdelen onderworpen aan de proef, munitie of laders verwerft, bewaart, onderzoekt en tentoonstelt voor historische, culturele, wetenschappelijke, technische, educatieve of amusementsdoeleinden of uit erfgoedoverwegingen";
  2° /2 "verzamelaar" : "iedere natuurlijke of rechtspersoon die zich bezighoudt met het verzamelen en bewaren van vuurwapens, essentiële onderdelen onderworpen aan de proef, munitie of laders voor historische, culturele, wetenschappelijke, technische of educatieve doeleinden of uit erfgoedoverwegingen";";
  2° tussen de bepalingen onder 11° en 12° wordt een bepaling onder 11° /1 ingevoegd, luidende :
  "11° /1 "vuurwapen" : "een van een loop voorzien wapen waarmee door explosieve voortstuwing een lading, kogel of een projectiel wordt uitgestoten, en dat daartoe is ontworpen of daartoe kan worden omgebouwd.
  Een object wordt geacht te kunnen worden omgebouwd zodat door middel van explosieve voortstuwing een lading, kogel of projectiel uitgestoten kan worden wanneer :
  a) het qua vormgeving gelijk is aan een vuurwapen, en
  b) het ingevolge zijn constructie of het materiaal waarvan het is gemaakt aldus kan worden omgebouwd."
  3° tussen de bepalingen onder 26° en 27° wordt een bepaling onder 26° /1 ingevoegd, luidende :
  "26° /1 "wapens voor saluutschoten en akoestische signalen" : "vuurwapens die specifiek gebouwd of omgebouwd zijn om enkel blanke patronen af te vuren en bedoeld zijn voor gebruik in bijvoorbeeld theatervoorstellingen, fotosessies, film- en televisieopnames, het naspelen van historische gebeurtenissen, optochten, sportevenementen of opleiding";".

  Art. 153. In artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet 11 mei 2007, de wet van 25 juli 2008 en de wet van 7 januari 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, 3°, worden de woorden "laders die uitsluitend geschikt zijn voor die wapens," ingevoegd tussen de woorden "munitie die specifiek is ontworpen voor die wapens," en het woord "bommen";
  2° in paragraaf 1, 15°, wordt het tweede streepje aangevuld met de woorden "en desgevallend voor bepaalde categorieën bezitters";
  3° paragraaf 1 wordt aangevuld als volgt :
  "19° Automatische vuurwapens die zijn omgebouwd tot semiautomatische vuurwapens;
  20° Lange semiautomatische vuurwapens die kunnen worden ingekort tot een lengte van minder dan 60 cm zonder functionaliteit te verliezen door middel van een opvouwbare of telescopische kolf of een kolf die kan worden verwijderd zonder gebruik van instrumenten.";
  4° in paragraaf 2, 3°, worden de woorden "en de voorwaarden" ingevoegd tussen het woord "regels" en het woord "vastgesteld" en wordt de bepaling aangevuld als volgt : "Het voorhanden hebben van onbruikbaar gemaakte vuurwapens is aangifteplichtig. De modaliteiten van die aangifteplicht worden bepaald door de Koning;";
  5° er wordt een vierde paragraaf toegevoegd, luidende :
  " § 4. Vuurwapens die zijn omgebouwd om blanke patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen af te vuren of zijn omgebouwd tot wapens voor saluutschoten of akoestische signalen, en niet in die zin omgebouwde vuurwapens waarmee enkel met de genoemde patronen of stoffen wordt geschoten, blijven ingedeeld in de categorie waartoe ze op basis van de paragrafen 1 en 3 worden ingedeeld."

  Art. 154. In artikel 6 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 juli 2008 en de wet van 7 januari 2018, worden in paragraaf 1 de woorden "een museum of" vervangen door de woorden "als museum of verzamelaar" en worden in paragraaf 2 de woorden ", munitie of laders" ingevoegd tussen het woord "vuurwapens" en het woord "uitoefenen".

  Art. 155. In artikel 11/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 juli 2008 en gewijzigd bij de wet van 7 januari 2018, wordt in het tweede en het derde lid het woord "twee" vervangen door het woord "drie".

  Art. 156. In artikel 12 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 juli 2008 en de wet van 7 januari 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "hun geschiktheid om veilig een vuurwapen te hanteren zijn nagegaan" vervangen door de woorden "hun geschiktheid op praktisch en medisch vlak om veilig een vuurwapen te hanteren zonder gevaar voor henzelf of voor anderen vooraf zijn nagegaan";
  2° in het eerste lid, 2°, worden de woorden "hun geschiktheid om veilig een vuurwapen te hanteren vooraf zijn nagegaan" vervangen door de woorden "hun geschiktheid op praktisch en medisch vlak om veilig een vuurwapen te hanteren zonder gevaar voor henzelf of voor anderen vooraf zijn nagegaan".

  Art. 157. In artikel 12/1, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 7 januari 2018, worden de woorden "een maand" vervangen door de woorden "een week" en worden de woorden "bij de politiediensten of bij de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats" vervangen door de woorden "volgens de modaliteiten bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".

  Art. 158. In artikel 19, lid 1, 1°, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 juli 2008, worden na de woorden "de verkoop op afstand van wapens" de woorden ", munitie en laders" ingevoegd.

  Art. 159. In artikel 27 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 20 juli 2006, de wet van 11 mei 2007, de wet van 25 juli 2008 en de wet van 7 januari 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt een nieuw vierde lid ingevoegd, luidende :
  "Wapenhandelaars mogen de wapens en hulpstukken bedoeld in artikel 3, § 1, enkel verwerven, voorhanden hebben en overdragen in de zin van deze paragraaf als zij daartoe zijn erkend. Deze vuurwapens en hulpstukken moeten overeenstemmen met specifieke bestellingen of dienen tot prospectie in een beperkte hoeveelheid die de Koning nader kan bepalen.";
  2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "en 15° " vervangen door de woorden ", 15°, 19° en 20° ";
  3° in paragraaf 3 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "Erkende verzamelaars en musea mogen ze verwerven en voorhanden hebben op voorwaarde dat ze definitief geneutraliseerd zijn. De onder artikel 3, § 1, 3°, bedoelde laders moeten niet worden geneutraliseerd.
  De automatische vuurwapens en de wapens bedoeld in artikel 3, § 1, 19° en 20°, mogen evenwel in originele staat verworven en voorhanden gehouden worden door erkende verzamelaars en musea, die uit de automatische vuurwapens de slagpin moeten verwijderen en ze bewaren op de wijze bepaald door de Koning. Ten aanzien van erkende verzamelaars wordt dit enkel toegelaten in individuele speciale gevallen, bij wijze van uitzondering en naar behoren gemotiveerd, en na het bewijs aan de gouverneur te hebben geleverd dat er maatregelen zijn getroffen om te kunnen omgaan met risico's voor de openbare veiligheid of de openbare orde.";
  4° paragraaf 3 wordt met twee leden aangevuld, luidende :
  "De automatische vuurwapens, de laders die er uitsluitend voor geschikt zijn en de wapens bedoeld in artikel 3, § 1, 19° en 20°, mogen worden verworven, voorhanden gehouden en overgedragen door daartoe erkende wapenhandelaars in het kader van bestellingen voor erkende verzamelaars en musea. De wapens bedoeld in artikel 3, § 1, 19°, mogen worden verworven, voorhanden gehouden en overgedragen door daartoe erkende wapenhandelaars in het kader van bestellingen voor sportschutters die voldoen aan de voorwaarden genoemd in het vierde lid. De voorhanden gehouden vuurwapens moeten overeenstemmen met specifieke bestellingen of dienen tot prospectie in een beperkte hoeveelheid die de Koning nader kan bepalen.
  De wapens bedoeld in artikel 3, § 1, 19°, mogen verworven, voorhanden gehouden en overgedragen worden door houders van een sportschutterslicentie die :
  1° het bewijs leveren dat ze actief trainen voor of deelnemen aan schietwedstrijden die worden erkend door een in België officieel erkende schietsportorganisatie of door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie, en
  2° een certificaat kunnen voorleggen van een in België officieel erkende schietsportorganisatie waarin wordt bevestigd dat :
  i) de sportschutter lid is van een schietvereniging en daar gedurende ten minste twaalf maanden regelmatig heeft getraind, en
  ii) het vuurwapen in kwestie voldoet aan de specificaties die vereist zijn voor de beoefening van een onderdeel van de schietsport dat wordt erkend door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie."

  Art. 160. In artikel 30, tweede lid, van dezelfde wet, wordt na het woord "gouverneur" de komma opgeheven.

  Art. 161. In artikel 32, derde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 juli 2008 en gewijzigd bij de wet van 7 januari 2018, worden de woorden "of artikel 27, § 3, vierde lid," ingevoegd tussen de woorden "of artikel 11/1" en de woorden "bedoelde voorwaarden".

  Art. 162. In artikel 37, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 juli 2008, worden de woorden "Het advies" vervangen door de woorden "De raadpleging".

  Art. 163. In het hoofdstuk XVIII van dezelfde wet wordt een artikel 45/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 45/2. Personen die een vuurwapen bedoeld in artikel 3, § 1, 19° of 20°, rechtmatig verwierven en registreerden vóór 13 juni 2017, hetzij door een vergunning, hetzij door een registratie op grond van een jachtverlof, getuigschrift van bijzondere wachter of sportschutterslicentie, hetzij door een registratie in het register van een erkende persoon, mogen dit vuurwapen verder voorhanden hebben, mits aan de overige wettelijke voorwaarden inzake het voorhanden hebben van wapens is voldaan. Zij kunnen het betreffende vuurwapen enkel overdragen aan de sportschutters bedoeld in artikel 27, § 3, vierde lid en aan daartoe erkende handelaars, verzamelaars en musea. Ze kunnen het vuurwapen tevens laten neutraliseren overeenkomstig artikel 3, § 2, 3°, of er afstand van doen."

  HOOFDSTUK 23. - Wijziging van het Sociaal Strafwetboek

  Art. 164. In artikel 186, eerste lid, 3°, van het Sociaal Strafwetboek, gewijzigd bij de wet van 30 maart 2018, worden de woorden ", de overeenkomst voor het mobiliteitsbudget met toepassing van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget" ingevoegd tussen de woorden "de overeenkomst voor de mobiliteitsvergoeding met toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding" en de woorden "en de arbeidsovereenkomst voor uitvoering van tijdelijke arbeid".

  HOOFDSTUK 24. - Wijzigingen van de wet van 15 mei 2012 betreffende het tijdelijk huisverbod in geval van huiselijk geweld

  Art. 165. In artikel 3 van de wet van 15 mei 2012 betreffende het tijdelijk huisverbod in geval van huiselijk geweld worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 3 worden de woorden "tien dagen" vervangen door de woorden "veertien dagen";
  2° de inleidende zin van paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
  "De beslissing van de Procureur des Konings wordt mondeling meegedeeld aan de uithuisgeplaatste. Binnen de kortst mogelijke termijn wordt via het meest geschikte communicatiemiddel aan de uithuisgeplaatste en aan degenen die dezelfde verblijfplaats betrekken, een afschrift meegedeeld van dit op schrift gesteld bevel, dat inzonderheid bevat :";
  3° de eerste zin van paragraaf 5, eerste lid, wordt opgeheven;
  4° paragraaf 5, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  "De procureur des Konings deelt zijn beslissing tot tijdelijk huisverbod onverwijld mee aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen opdat deze de personen die met de uithuisgeplaatste dezelfde verblijfplaats betrekken zou bijstaan en voorlichten.".
  5° paragraaf 5, derde lid, wordt vervangen als volgt :
  "De procureur des Konings deelt zijn beslissing tot tijdelijk huisverbod eveneens onverwijld mee aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, krachtens artikel 5, § 1, III, tweede lid, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen, opdat deze de uithuisgeplaatste zou bijstaan en opvolgen tijdens het tijdelijk huisverbod.".

  Art. 166. In artikel 5, paragraaf 5, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, die vervangen is bij de wet van 8 mei 2014, worden de woorden "het vredegerecht" vervangen door de woorden "de familierechtbank".

  Art. 167. In dezelfde wet wordt een nieuw hoofdstuk 2/1 ingevoegd, luidende "Bestraffing van de overtreding van het huisverbod".

  Art. 168. In het hoofdstuk 2/1 van dezelfde wet, ingevoegd door artikel 167, wordt een artikel 5/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 5/1. De uithuisgeplaatste, bedoeld in artikel 2, die het ten aanzien van zijn persoon door de procureur des Konings opgelegde bevel overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en een geldboete van 26 euro tot 100 euro of met een van die straffen alleen.".

  Art. 169. In hetzelfde hoofdstuk 2/1, wordt een artikel 5/2 ingevoegd, luidend :
  "Art. 5/2. De uithuisgeplaatste, bedoeld in artikel 2, die het ten aanzien van zijn persoon door de familierechtbank verlengde bevel overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en een geldboete van 26 euro tot 100 euro of met een van die straffen alleen.".

  HOOFDSTUK 25. - Wijzigingen van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering

  Art. 170. Artikel 12, eerste lid, van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, wordt vervangen door de volgende leden :
  "De onderzoeks- of vonnisgerechten kunnen beslissen, bij afzonderlijke gemotiveerde beschikking, ten aanzien van een beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde die zich hetzij in de toestand van opsluiting bevindt zoals omschreven in de artikelen 10 en 11, hetzij in vrijheid onder voorwaarden is gesteld, de hechtenis uit te voeren onder elektronisch toezicht, de betrokkene in vrijheid te laten of te stellen, al dan niet onder de oplegging van een of meer voorwaarden, voor de tijd die zij bepalen en uiterlijk tot aan de eerste zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij vastgesteld overeenkomstig artikel 29, § 2.
  Ten aanzien van een beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde wiens bevel tot aanhouding wordt uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht, kunnen zij, bij afzonderlijk gemotiveerde beschikking, beslissen hetzij tot onmiddellijke opsluiting overeenkomstig artikel 10, hetzij tot de verdere uitvoering van de hechtenis onder elektronisch toezicht, hetzij tot de invrijheidstelling van betrokkene, al dan niet onder de oplegging van een of meer voorwaarden, voor de tijd die zij bepalen en uiterlijk tot aan de eerste zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij vastgesteld overeenkomstig artikel 29, § 2.
  In geval de betrokkene in vrijheid wordt gelaten of gesteld onder de oplegging van een of meer voorwaarden zijn de artikelen 37, tweede lid, en 38, §§ 1 en 2, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis van toepassing. In geval de verdere uitvoering van de hechtenis onder elektronisch toezicht wordt gehandhaafd, is artikel 24bis, §§ 3 en 4, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis van toepassing.".

  Art. 171. In art 28, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, wordt de bepaling onder 1° opgeheven.

  Art. 172. Artikel 34 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 4 mei 2016, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Indien er tegelijkertijd een andere interneringsbeslissing in uitvoering is, neemt de kamer voor de bescherming van de maatschappij ook hierover een beslissing. In geval de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist tot een invrijheidsstelling op proef, dan bepaalt zij ook de duur van de termijn overeenkomstig artikel 42, § 1, rekening houdend met het zorgtraject.".

  Art. 173. In artikel 42, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord "inrichting" wordt telkens vervangen door het woord "instelling";
  2° in de Franse tekst worden de woorden "un établissement résidentiel" vervangen door de woorden "une institution résidentielle", de woorden "l'établissement" door de woorden "l'institution", en de woorden "cet établissement" door de woorden "cette institution";
  3° de woorden "te verlaten" worden vervangen door de woorden "tijdelijk te verlaten".

  Art. 174. Artikel 43 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Indien er geen advies werd uitgebracht binnen deze termijn, vat het openbaar ministerie onverwijld de kamer voor de bescherming van de maatschappij.".

  Art. 175. In artikel 44 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 4 mei 2016 en 6 juli 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "of van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, indien de geïnterneerde persoon in vrijheid is" vervangen door de woorden "van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, indien de geïnterneerde persoon in vrijheid is, of van de verantwoordelijke van de residentiële instelling ingeval het een invrijheidsstelling op proef overeenkomstig artikel 42, § 3, betreft";
  b) in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "Het vonnis tot toekenning" vervangen door de woorden "Het vonnis tot plaatsing overeenkomstig artikel 19 en het vonnis tot toekenning";
  c) paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld met een 5°, 6°, 7° en 8° luidende :
  "5° aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen van de verblijfplaats van het slachtoffer in geval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd;
  6° aan de korpschef van de lokale politie van de plaatsen waar de veroordeelde zich niet mag begeven en van de verblijfplaatsen van de personen waarmee hij niet in contact mag komen;
  7° in voorkomend geval, de directeur, indien het een beslissing tot plaatsing betreft in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, b), of de verantwoordelijke voor de zorg, indien het een beslissing tot plaatsing betreft in een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d);
  8° in voorkomend geval, indien het een beslissing tot invrijheidsstelling op proef betreft overeenkomstig artikel 42, § 3, de verantwoordelijke van de residentiële instelling.";
  d) In paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "of 4° " vervangen door de woorden "tot 5° ".

  Art. 176. In artikel 46 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1 worden de woorden "de rechter of" ingevoegd tussen de woorden "een uitvoeringsmodaliteit door" en de woorden "de kamer voor de bescherming";
  b) in paragraaf 1 worden de woorden "de rechter of" ingevoegd tussen de woorden "kan" en de woorden "de kamer voor de bescherming";
  c) in paragraaf 3 worden de woorden "de rechter of, in voorkomend geval," ingevoegd tussen de woorden "met dien verstande dat" en de woorden "de kamer voor de bescherming".

  Art. 177. In de Franse tekst van artikel 47, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 4 mei 2016, worden de woorden "et lequel" vervangen door het woord ", lequel".

  Art. 178. In artikel 51, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, worden de woorden " § 2" vervangen door de woorden " § 1".

  Art. 179. In artikel 54 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 4 mei 2016 en 6 juli 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "De beschikking wordt genomen" vervangen door de woorden "Tenzij de kamer voor de bescherming van de maatschappij van oordeel is dat voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing een tegensprekelijke zitting moet worden georganiseerd overeenkomstig paragraaf 8, neemt ze de beschikking";
  b) paragraaf 5, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
  "Tegen deze beschikking kan het openbaar ministerie of de advocaat van de geïnterneerde persoon, voor zover het verzoek niet van deze partij is uitgegaan, binnen vijf werkdagen na de kennisgeving verzet aantekenen bij een verklaring ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.";
  c) in paragraaf 6, tweede lid, worden de woorden "de artikelen 47 § 1, 50, 51 en 52" vervangen door de woorden "paragraaf 9";
  d) het artikel wordt aangevuld met de paragrafen 8, 9 en 10, luidende :
  " § 8. Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij van oordeel is dat voorafgaandelijk aan het nemen van een beslissing een tegensprekelijke zitting moet georganiseerd worden om verdere informatie in te winnen, wordt de zaak ambtshalve vastgesteld op de eerste nuttige zitting van de kamer ter bescherming van de maatschappij en uiterlijk binnen de veertien dagen na het verstrijken van de termijn bepaald in paragraaf 4. De procedure verloopt verder overeenkomstig paragraaf 9.
  § 9. Indien de zaak ambtshalve is vastgesteld ter zitting, worden de geïnterneerde persoon en zijn advocaat evenals het openbaar ministerie en de directeur, indien de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), en de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c) en d), gehoord.
  De geïnterneerde persoon verschijnt persoonlijk. Hij wordt door zijn advocaat vertegenwoordigd indien medisch-psychiatrische vragen in verband met zijn toestand gesteld worden en het bijzonder schadelijk is om deze in zijn aanwezigheid te behandelen.
  De advocaat van de geïnterneerde persoon kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
  Indien het hoogdringend verzoek voorwaarden betreft die in zijn belang zijn opgelegd, kan het slachtoffer worden gehoord. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen. Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
  De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen eveneens andere personen te horen.
  De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
  Binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de kamer voor de bescherming van de maatschappij.
  § 10. Het vonnis over het hoogdringend verzoek wordt bij aangetekende brief meegedeeld aan de geïnterneerde persoon en zijn advocaat en zo snel mogelijk en in elk geval binnen een werkdag via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel aan het slachtoffer, indien het voorwaarden betreft die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, alsook schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg of de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, in voorkomend geval, de dienst bevoegd voor het elektronisch toezicht.
  De beslissingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties, overeenkomstig artikel 44, § 2.".

  Art. 180. In artikel 57, § 1, van dezelfde wet, worden de woorden "van de in de artikelen 20, 21, 23, 24, 25 en 28 bedoelde modaliteiten" vervangen door de woorden "van de in artikel 19 bedoelde plaatsing en van de in de artikelen 20, 21, 23, 24, 25 en 28 bedoelde modaliteiten.

  Art. 181. In artikel 58 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1 worden het derde en het vierde lid opgeheven;
  b) paragraaf 2 wordt opgeheven;
  c) paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
  " § 3. In voorkomend geval kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij via de snelst mogelijke weg bijkomende inlichtingen inwinnen die noodzakelijk zijn om haar beslissing te kunnen nemen.
  De kamer voor de bescherming van de maatschappij neemt onverwijld en ten laatste één maand na de ontvangst van het in paragraaf 1 bedoelde verzoek een gemotiveerde beschikking, tenzij zij van oordeel is dat een tegensprekelijke zitting overeenkomstig paragraaf 4 moet worden georganiseerd.
  De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan bij gemotiveerde beslissing de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren niettegenstaande verzet.";
  d) een paragraaf 3/1 wordt ingevoegd, luidende :
  " § 3/1. Tegen deze beschikking kan het openbaar ministerie of de advocaat van de geïnterneerde persoon, voor zover het verzoek niet van deze partij is uitgegaan, binnen vijf werkdagen na de kennisgeving verzet aantekenen bij een verklaring op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. Het verzet heeft opschortende werking, tenzij werd beslist tot onmiddellijke uitvoering.
  Ingeval van verzet, wordt de zaak ambtshalve vastgesteld op de eerste nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, die uiterlijk veertien dagen na de aantekening van het verzet moet plaatsvinden.".

  Art. 182. Artikel 61, § 3, van dezelfde wet, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De termijn van een maand wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op verzoek van de geïnterneerde persoon en van zijn advocaat.".

  Art. 183. Artikel 65 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 4 mei 2016 en 6 juli 2017, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 wordt, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
  " § 2. De voorlopige aanhouding is ook mogelijk in de periode nadat de internering bevolen werd doch vooraleer de bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij een beslissing heeft genomen overeenkomstig artikel 34.
  De voorlopige aanhouding wordt uitgevoerd in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) en c).
  De bevoegde kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist binnen zeven werkdagen na de opsluiting van de geïnterneerde persoon over de handhaving van de voorlopige aanhouding. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de geïnterneerde persoon en zijn advocaat, aan het openbaar ministerie, aan de directeur indien de geïnterneerde persoon verblijft in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a) en b), aan de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geïnterneerde persoon geplaatst is in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, c), en aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen.
  De beslissing tot handhaving is geldig voor de duur van één maand. Binnen deze termijn wordt de zaak behandeld op de zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, overeenkomstig artikel 29 § 2.".

  Art. 184. In de Franse tekst van artikel 66, vervangen bij de wet van 4 mei 2016, wordt onder b) het woord "commettra" vervangen door het woord "commette".

  Art. 185. In artikel 75, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 4 mei 2016 en 6 juli 2017, worden de woorden "en de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, indien de geïnterneerde persoon in een inrichting verblijft of van de directeur van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen indien de geïnterneerde persoon in vrijheid is" vervangen door de woorden ", van de directeur van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen indien de geïnterneerde persoon in vrijheid is of van de verantwoordelijke van de residentiële instelling ingeval de betrokkene een invrijheidsstelling op proef ondergaat overeenkomstig artikel 42, § 3".

  Art. 186. In artikel 77/1, § 3, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2016, worden de woorden " § 2" gewijzigd door de woorden " § 1".

  Art. 187. Artikel 77/8 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2016, gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 80/2018 van het Grondwettelijk Hof, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 77/8. De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de geïnterneerde veroordeelde.
  In geval van invrijheidsstelling op proef mag de door de kamer voor de bescherming van de maatschappij te bepalen termijn niet korter zijn dan de periode dat de veroordeelde, indien hij uitsluitend een vrijheidsstraf zou ondergaan, onder toezicht van de strafuitvoeringsrechtbank zou hebben gestaan.
  Voor de toepassing van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de straf-uitvoeringsmodaliteiten wordt de duur van de plaatsing in een inrichting vermeld in artikel 3, 4°, a), b), c) of d) gelijk gesteld met detentie.".

  Art. 188. In artikel 81 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 4 mei 2016 en 6 juli 2017, worden de volgende wijzingen aangebracht :
  1° in de Franse tekst van paragraaf 2 worden de woorden "celles-ci sont assistées ou représentées" vervangen door de woorden "celle-ci est assistée ou représentée";
  2° een paragraaf 4 wordt ingevoegd, luidende :
  " § 4. De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan, op gemotiveerd verzoek van de advocaat, toestaan dat de geïnterneerde persoon zich laat vertegenwoordigen door een advocaat.".

  Art. 189. Artikel 84, § 2, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 4 mei 2016, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. De Koning stelt de aard en de voorwaarden van tenlasteneming door de Federale Overheidsdienst Justitie vast van de kosten verbonden aan een plaatsing in een in artikel 3, 4°, d), vermelde inrichting.".

  HOOFDSTUK 26. - Wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten

  Art. 190. Artikel 83, § 2, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Paragraaf 1 is niet van toepassing op het doorsturen van informatie aan de gemeenschappelijke gegevensbanken beoogd in artikel 44/11/3bis van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, waartoe de CFI een rechtstreekse toegang heeft. Wanneer informatie overeenkomstig artikel 44/11/3ter, § 4 van voornoemde wet door de CFI aan de gemeenschappelijke gegevensbanken wordt toegezonden, kan alle nuttige informatie medegedeeld worden aan alle diensten die krachtens voornoemde wet, of besluiten genomen ter uitvoering ervan, rechtstreeks toegang hebben tot alle of een gedeelte van de persoonsgegevens en informatie van deze gemeenschappelijke gegevensbanken. Deze informatie kan door deze diensten slechts worden aangewend in het kader van de doelstellingen waarvoor deze toegang hebben tot de gemeenschappelijke gegevensbanken."

  HOOFDSTUK 27. - Opheffingsbepalingen

  Art. 191. De wet van 28 april 1999 tot aanvulling, wat de bestrijding van de fiscale fraude betreft, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten en van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen wordt opgeheven.

  Art. 192. De wet van 15 juni 2012 tot bestraffing van de overtreding van het tijdelijk huisverbod en tot wijziging van artikelen 594 en 627 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 28. - Overgangsbepalingen

  Art. 193. Artikel 4bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 81 van deze wet, is van toepassing op de burgerlijke vorderingen die aanhangig gemaakt worden na de inwerkingtreding van artikel 83 van deze wet.

  Art. 194. De artikelen 88, 1°, 89 en 91 van deze wet zijn van toepassing op de zaken die bij de inwerkingtreding van deze bepaling worden ingeleid voor de gespecialiseerde correctionele kamer bedoeld in artikel 76, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 195. Tijdens het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van artikel 88, 2°, van deze wet mogen de magistraten die de in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voortgezette vorming nog niet hebben gevolgd, ook worden aangewezen in de jeugdkamers die bevoegd zijn voor de in artikel 92, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde aangelegenheden om hun ambt uit te oefenen. Op het einde van deze periode mogen zij die functies blijven uitoefenen voor zover zij aantonen dat zij hebben voldaan aan de vereisten inzake opleiding waarin in het Gerechtelijk Wetboek is voorzien.

  Art. 196. De parketjuristen van wie de aanwijzing om hun functie uit te oefenen bij het federaal parket voorafgaat aan de inwerkingtreding van artikel 162, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 94 worden benoemd bij het federaal parket, zonder dat artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is en zonder nieuwe eedaflegging.

  Art. 197. De Belgische magistraten die overeenkomstig de verordening 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie werden benoemd tot Europese aanklager of tot gedelegeerd Europese aanklager vóór de inwerkingtreding van de artikelen 99 en 100 van deze wet worden van rechtswege geacht te zijn voorgedragen overeenkomstig artikel 309/2 van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 198. De federale magistraten die op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 101 van deze wet zijn aangewezen als Belgisch lid of als adjunct van het Belgisch lid bij Eurojust en die vóór de inwerkingtreding van artikel 101 van deze wet de taalpremie genoten doch verloren bij de aanwijzing worden geacht deze premie, in voorkomend geval in overtal, van rechtswege behouden te hebben. De uitbetaling van deze premie wordt geschorst zolang zij hun functie uitoefenen op de zetel van Eurojust.

  Art. 199. Binnen de drie maanden na de inwerkingtreding van artikel 153, kunnen personen, die een vuurwapen bedoeld in artikel 3, § 1, 20°, van de wapenwet rechtmatig verwierven vanaf 13 juni 2017 tot de inwerkingtreding van artikel 153, de opvouwbare of telescopische kolf of de kolf die kan worden verwijderd zonder gebruik van instrumenten, aanpassen zodat het vuurwapen niet langer valt onder de categorie van verboden wapens van artikel 3, § 1, 20°, van de wapenwet.

  HOOFDSTUK 29. - Inwerkingtreding

  Art. 200. Artikel 164 heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2019.
  Hoofdstuk 12 en de artikelen 96, 97, 99, 100, 103, 104, 106 en 197 treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  De artikelen 3, 4, 83, 86, 87, 107, 108, 109, 110, 111, 112, 118, 119, 191 en 193 treden in werking op de datum bepaald door de Koning en ten laatste op 1 januari 2020.
  Artikel 121 treedt in werking op de datum dat het koninklijk besluit bedoeld in dat artikel in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Deze bekendmaking dient plaats te vinden vóór 1 januari 2020.
  Artikel 156, 1°, treedt in werking op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Artikel 165, 5°, treedt in werking op een datum door de Koning te bepalen en uiterlijk op 1 januari 2020.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 5 mei 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
Met `s Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54 3515 Integraal Verslag : 24 en 25 april 2019

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie