J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2018/07/11/2018040294/justel

Titel
11 JULI 2018. - Wet houdende diverse bepalingen in strafzaken

Bron :
JUSTITIE
Publicatie : 18-07-2018 nummer :   2018040294 bladzijde : 57582       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2018-07-11/02
Inwerkingtreding : 28-07-2018

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
Art. 2-6
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Strafwetboek
Art. 7-8
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering
Art. 9
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 10-11
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
Art. 12
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel
Art. 13
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen
Art. 14-38
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden
Art. 39-67
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten
Art. 68-79
HOOFDSTUK 11. - Bekrachtiging van besluiten genomen met toepassing van art. 6, tweede lid, van de programmawet (II) van 27 december 2006 inzake gerechtskosten
Art. 80
HOOFDSTUK 12. - Inwerkingtredingsbepaling
Art. 81

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering

  Art. 2. In artikel 443 van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij de wet van 18 juni 1894 en gewijzigd bij de wet van 10 juni 1967, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, worden in de bepaling onder 2° de woorden "weerspannigheid aan de wet" vervangen door het woord "verstek";
  2° in het eerste lid wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
  "3° Wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.";
  3° in het derde lid worden de woorden "die tien jaar ingeschreven zijn" vervangen door de woorden "die tenminste tien jaar ingeschreven zijn" en worden de woorden "bij het hof van beroep" opgeheven;
  4° in het laatste lid worden de woorden "weerspannigheid aan de wet" vervangen door het woord "verstek".

  Art. 3. In artikel 444 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juni 1894, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
  "3° Aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie en aan de procureurs-generaal bij de hoven van beroep.";
  2° het derde lid wordt vervangen als volgt:
  "Deze worden bij het Hof aanhangig gemaakt, hetzij door een vordering van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie of een procureur-generaal bij het hof van beroep, hetzij door een verzoekschrift dat getekend is door een advocaat bij het Hof van Cassatie, een omstandige opgave van de feiten bevat en de grond tot herziening bepaalt, evenals de stukken toevoegt waaruit die grond tot herziening blijkt.".

  Art. 4. In artikel 445 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juni 1894, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de zin "In geval van overlijden, onbekwaamverklaring, afwezigheid, weerspannigheid aan de wet of verstek van de veroordeelde te wiens behoeve geen verzoekschrift als vermeld in artikel 444 is ingediend, benoemt het Hof van Cassatie een curator voor zijn verdediging, die hem bij de rechtspleging in herziening zal vertegenwoordigen" opgeheven;
  2° het derde lid wordt vervangen door de volgende leden:
  "Wanneer de aanvraag tot herziening steunt op een van de in artikel 443, 3°, vermelde gronden en het Hof van Cassatie de aanvraag niet dadelijk als niet-ontvankelijk verwerpt, onderzoekt het Hof of er voldoende aanwijzingen zijn dat er mogelijk sprake is van een grond tot herziening.
  Indien het Hof van Cassatie oordeelt dat dit niet het geval is, verwerpt het Hof de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond.
  Indien dit wel het geval is, beveelt het Hof dat de aanvraag wordt onderzocht door de Commissie voor herziening in strafzaken.
  Naargelang de taal van de rechtspleging bestaat deze Commissie uit de volgende leden, aangesteld door de minister bevoegd voor Justitie:
  - op voordracht van het College van de hoven en de rechtbanken, een magistraat van de zetel;
  - op voordracht van het College van procureurs - generaal, een parketmagistraat;
  - twee advocaten voorgedragen door de Orde van Vlaamse Balies, respectievelijk twee advocaten voorgedragen door de ``Ordre des barreaux francophones et germanophone";
  - een lid aangewezen op grond van zijn deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die aan de Commissie zijn toevertrouwd.
  De Koning bepaalt de nadere regels voor de indiening van de kandidaturen en voor de voordracht van de leden van de Commissie.
  Hij bepaalt de nadere regels voor de werking van de Commissie.
  De Commissie kan overgaan tot het horen van personen die bij het onderzoek in de zaak betrokken waren, evenals van deskundigen. De Commissie kan een deskundige een opdracht geven. De Commissie verleent aan het Hof van Cassatie een advies, dat niet bindend is. De Commissie kan, voorafgaandelijk aan het verlenen van het advies, aan het Hof van Cassatie vragen dat bijkomende onderzoekshandelingen worden gesteld. Indien het Hof van Cassatie oordeelt dat bijkomend onderzoek noodzakelijk is, wordt het dossier overgemaakt aan de procureur-generaal die het uitvoeren van bijkomende onderzoekshandelingen opdraagt aan het openbaar ministerie bij de rechtbank die of het hof van beroep dat van de zaak nog geen kennis heeft genomen. Het Hof van Cassatie motiveert zijn beslissing wanneer niet wordt ingegaan op de vraag van de Commissie om bijkomende onderzoekshandelingen te stellen. Het Hof van Cassatie kan ook zelf oordelen dat bijkomende onderzoekshandelingen moeten worden gesteld. Nadat de onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd of indien het Hof van Cassatie oordeelt dat bijkomend onderzoek niet noodzakelijk is, wordt de zaak opnieuw voorgelegd aan de Commissie, die een advies verleent, dat niet bindend is.";
  3° het vierde lid, dat het tiende lid wordt, wordt vervangen als volgt:
  "Nadat de Commissie zijn advies heeft verleend, vernietigt het Hof van Cassatie ofwel de veroordeling en verwijst de zaak naar een hof van beroep of een hof van assisen, overeenkomstig het eerste lid, ofwel verwerpt het de aanvraag tot herziening. Zodra het Hof van Cassatie het arrest heeft uitgesproken, wordt het advies van de Commissie publiek gemaakt";
  4° in het vijfde lid, dat het elfde lid wordt, wordt de zin "verklaart het hof van beroep zulks in zijn arrest" vervangen als volgt: "verklaart de Commissie zulks in haar advies".

  Art. 5. In artikel 446 van hetzelfde Wetboek vervangen bij de wet van 18 juni 1894, worden de woorden "weerspannigheid aan de wet" vervangen door het woord "verstek".

  Art. 6. Artikel 447bis van hetzelfde Wetboek ingevoegd bij de wet van 9 april 1930, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 447bis. De beslissingen, waarbij internering wordt gelast van verdachten en beschuldigen, kunnen worden herzien overeenkomstig de artikelen 443 tot 447.".

  HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Strafwetboek

  Art. 7. In de Franse tekst van artikel 37ter, § 2, tweede lid, eerste zin, van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 7 februari 2014, worden de woorden "doit être exécutée" vervangen door de woorden "doit débuter".

  Art. 8. In artikel 85, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 17 april 2002 en 5 februari 2016, worden de volgende wijzingen aangebracht:
  1° de woorden "de straffen onder elektronisch toezicht," worden opgeheven;
  2° de woorden "een maand," worden opgeheven.

  HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering

  Art. 9. In artikel 21, eerste lid, 2°, tweede streepje, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij de wet van 5 februari 2016 en gewijzigd bij de wetten van 1 februari en 31 mei 2016, worden de woorden "artikelen 371/1 tot 377" vervangen door de woorden "artikelen 371/1 tot 375, 376, tweede en derde lid, en 377".

  HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

  Art. 10. In artikel 92bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en gewijzigd bij de wetten van 19 oktober 2015 en 4 mei 2016, worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar" vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, een opsluiting van dertig jaar of meer".

  Art. 11. In artikel 196ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 mei 2006 en gewijzigd bij de wetten van 5 mei 2014 en 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De benoeming tot werkend assessor in de strafuitvoeringsrechtbank wordt, voor de opening van het recht en de berekening van het pensioen, gelijkgesteld met een vaste benoeming. Voor de berekening van het rustpensioen worden de in die hoedanigheid gepresteerde diensten in aanmerking genomen naar rata van 1/60 per jaar dienst.";
  2° in paragraaf 3, eerste lid, wordt het woord "werkend" ingevoegd tussen het woord "De" en het woord "assessor";
  3° in paragraaf 3, tweede lid, wordt het woord "werkend" ingevoegd tussen het woord "de" en het woord "assessor";
  4° in paragraaf 3, vierde lid, wordt het woord "werkend" ingevoegd tussen het woord "De" en het woord "assessor";
  5° in paragraaf 3, zevende lid, worden de woorden " § 3, eerste en vierde lid," vervangen door de woorden "het eerste en vierde lid".

  HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis

  Art. 12. In de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis wordt een artikel 28/1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 28/1. De rechtbank of het hof, naargelang van het geval, kan een bevel tot aanhouding uitvaardigen in het geval dat de verdachte niet persoonlijk kan verschijnen omwille van een hechtenis in het buitenland en hijzelf gevraagd heeft om persoonlijk aanwezig te kunnen zijn.".

  HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel

  Art. 13. In artikel 32 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden ", of de procureur des Konings ter uitvoering van een bevel tot aanhouding uitgevaardigd, naar gelang van het geval, door de rechtbank of het hof," ingevoegd tussen de woorden "de onderzoeksrechter" en de woorden "een Europees aanhoudingsbevel".
  2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
  " § 1/1. Indien grond bestaat te denken dat een minderjarige, die de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten en ten aanzien van wie een voorlopige vrijheidsbenemende maatregel werd uitgesproken door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank op grond van de bepalingen uitgevaardigd krachtens de artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet en krachtens artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zich op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie bevindt, vaardigt de procureur des Konings een Europees aanhoudingsbevel uit in de vormen en onder de voorwaarden omschreven in de artikelen 2 en 3.".
  3° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende:
  " § 2/1. Indien grond bestaat te denken dat een minderjarige, die de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten en ten aanzien van wie een vrijheidsbenemende maatregel werd uitgesproken door de jeugdrechtbank op grond van de bepalingen uitgevaardigd krachtens de artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet en krachtens artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zich op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie bevindt, vaardigt de procureur des Konings een Europees aanhoudingsbevel uit in de vormen en onder de voorwaarden omschreven in de artikelen 2 en 3.
  In voorkomend geval is paragraaf 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.".

  HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen

  Art. 14. In het opschrift van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen wordt het woord "Strafgerechtshof" vervangen door het woord "Strafhof".

  Art. 15. In het opschrift van titel II van dezelfde wet, wordt het woord "Strafgerechtshof" vervangen door het woord "Strafhof".

  Art. 16. In artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, wordt het woord "Strafgerechtshof" telkens vervangen door het woord "Strafhof".

  Art. 17. In het opschrift van titel II, hoofdstuk VII van dezelfde wet, wordt het woord "Strafgerechtshof" vervangen door het woord "Strafhof".

  Art. 18. In artikel 41 van dezelfde wet, wordt het woord "Strafgerechtshof" vervangen door het woord "Strafhof".

  Art. 19. In het opschrift van titel II, hoofdstuk VIII van dezelfde wet, wordt het woord "Strafgerechtshof" vervangen door het woord "Strafhof".

  Art. 20. In artikel 42, § 1, van dezelfde wet, wordt het woord "Strafgerechtshof" vervangen door het woord "Strafhof".

  Art. 21. In dezelfde wet wordt een titel VIter ingevoegd, luidende "Samenwerking met de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo".

  Art. 22. In titel VIter, ingevoegd bij artikel 21, wordt een hoofdstuk I ingevoegd, luidende "Algemeen".

  Art. 23. In hoofdstuk I, ingevoegd bij artikel 22, wordt een artikel 80 ingevoegd, luidende:
  "Art. 80. Voor de toepassing van titel VIter van deze wet wordt verstaan onder:
  - "Gespecialiseerde Kamers": de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo en het Bureau van de gespecialiseerde aanklager, opgericht bij de Kosovaarse wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en het Bureau van de Gespecialiseerde Aanklager;
  - "Statuut": artikel 162 van de Grondwet van de Republiek Kosovo, de Kosovaarse wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en het Bureau van de Gespecialiseerde Aanklager, en de residuele regelingen die zouden worden aangenomen op grond van artikel 60 van de wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en de Gespecialiseerde Aanklager;
  - "Reglement voor de proces- en bewijsvoering": het Reglement voor de proces- en bewijsvoering van de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo, aangenomen op 17 maart 2017, herzien op 29 mei 2017 en in werking getreden op 5 juli 2017, zoals vervolledigd door de procedureregels voor de Gespecialiseerde Kamer van het Grondwettelijk Hof, aangenomen en in werking getreden op 21 juli 2017;
  - "Aanklager": de aanklager van de Gespecialiseerde Kamers alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functies die hij op grond van het Statuut uitoefent;
  - "Centrale autoriteit": de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
  - "Openbaar ministerie": de federale procureur.".

  Art. 24. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 81 ingevoegd, luidende:
  "Art. 81. België kan overeenkomstig de bepalingen van deze wet gevolg geven aan de verzoeken om samenwerking van de Gespecialiseerde Kamers.".

  Art. 25. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 82 ingevoegd, luidende:
  "Art. 82. § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van de Gespecialiseerde Kamers in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan de Gespecialiseerde Kamers, en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van de Gespecialiseerde Kamers kan vallen, over te zenden aan de Gespecialiseerde Kamers. Zij staat in voor de opvolging ervan.
  § 2. De verzoeken van de Gespecialiseerde Kamers worden aan de centrale autoriteit gericht via elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
  § 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van de Gespecialiseerde Kamers verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan de Gespecialiseerde Kamers de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stellen. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van de Gespecialiseerde Kamers, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".

  Art. 26. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 83 ingevoegd, luidende:
  "Art. 83. De bevoegde autoriteiten verlenen aan de Gespecialiseerde Kamers hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek om samenwerking van de Gespecialiseerde Kamers waaraan de centrale autoriteit beslist heeft gevolg te geven.".

  Art. 27. In titel VIter, ingevoegd bij artikel 21, wordt een hoofdstuk II ingevoegd, luidende "Wederzijdse rechtshulp".

  Art. 28. In hoofdstuk II, ingevoegd bij artikel 27, wordt een artikel 84 ingevoegd, luidende:
  "Art. 84. § 1. De verzoeken van de aanklager of de beschikkingen van de Gespecialiseerde Kamers die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die inzonderheid betrekking hebben op de vaststelling van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken, en die noodzakelijk zijn voor het onderzoek of voor het goede verloop van het proces, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
  § 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van de Gespecialiseerde Kamers, die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
  Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
  § 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar de Gespecialiseerde Kamers om verzoeken, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan de Gespecialiseerde Kamers toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan de Gespecialiseerde Kamers en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
  § 4. Wanneer de Gespecialiseerde Kamers iemand het statuut van beschermde getuige hebben verleend en België vragen om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde wijze als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
  In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
  De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de Getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger, en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
  De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
  De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
  De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
  In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf gewijzigd is. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven op verzoek van de centrale autoriteit.
  Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf, ter verzekering van de bescherming van de getuige.
  Wanneer de Gespecialiseerde Kamers de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontnemen, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen moeten worden behouden.
  § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers tijdelijk naar de Gespecialiseerde Kamers worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
  Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
  2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar de Gespecialiseerde Kamers, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
  De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van de Gespecialiseerde Kamers.
  De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
  § 6. Op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan de Gespecialiseerde Kamers overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
  Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van de Gespecialiseerde Kamers een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
  § 7. Op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van de Gespecialiseerde Kamers. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".

  Art. 29. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 85 ingevoegd, luidende:
  "Art. 85. De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt de Gespecialiseerde Kamers in kennis van de datum en de plaats van tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. De aanklager of de vorderende rechter is gemachtigd de tenuitvoerlegging bij te wonen.".

  Art. 30. In titel VIter, ingevoegd bij artikel 21, wordt een hoofdstuk III ingevoegd, luidende "Aanhouding en overbrenging".

  Art. 31. In hoofdstuk III, ingevoegd bij artikel 30, wordt een artikel 86 ingevoegd, luidende:
  "Art. 86. § 1. Het bevel tot aanhouding uitgevaardigd door de Gespecialiseerde Kamers ten aanzien van een persoon die zich op het Belgisch grondgebied bevindt, wordt uitvoerbaar verklaard door de raadkamer van diens verblijfplaats of van de plaats waar hij is aangetroffen.
  De raadkamer gaat na of de stukken vereist voor de aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
  Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen. Het arrest is uitvoerbaar.
  Binnen vierentwintig uur na de vrijheidsbeneming wordt de beslissing die het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers uitvoerbaar verklaart, aan de aangehouden persoon betekend. Deze laatste beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om in beroep te gaan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring neergelegd ter correctionele griffie of door middel van een verklaring van de aangehouden persoon aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn afgevaardigde.
  De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het beroep. Het arrest is uitvoerbaar. De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.
  Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
  De overdracht van de aangehouden persoon kan enkel plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.
  Wanneer het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers definitief uitvoerbaar is verklaard, vindt de overbrenging van de aangehouden persoon plaats binnen drie maanden.
  § 2. Het verzoek tot voorlopige aanhouding, bedoeld in het Statuut en in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, dat in spoedeisende gevallen door de aanklager wordt gedaan, wordt ten uitvoer gelegd op grond van een bevel tot aanhouding afgegeven door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de persoon op wie het bevel betrekking heeft, zijn verblijfplaats heeft of van de plaats waar hij is aangetroffen. De onderzoeksrechter gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
  Het bevel tot aanhouding moet worden betekend binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsberoving.
  Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld.
  § 3. De aangehouden persoon heeft het recht de kamer van inbeschuldigingstelling te verzoeken om zijn voorlopige invrijheidstelling, door middel van een verzoekschrift, in afwachting van zijn overdracht.
  De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.
  De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of de Gespecialiseerde Kamers het bevel tot aanhouding op geldige wijze hebben uitgevaardigd.
  In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling de voorwaarden vast die moeten waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan de Gespecialiseerde Kamers over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.
  Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kunnen de Gespecialiseerde Kamers de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
  Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald in artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
  De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover zij binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
  Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon slechts een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
  De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding zoals bedoeld in het vierde lid in fine.".

  Art. 32. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 87 ingevoegd, luidende:
  "Art. 87. Met inachtneming van hetgeen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is bepaald, brengt de regering de aangehouden persoon over overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering van de Gespecialiseerde Kamers ".

  Art. 33. In titel VIter, ingevoegd bij artikel 21, wordt een hoofdstuk IV ingevoegd, luidende "Voorlopige invrijheidstelling".

  Art. 34. In hoofdstuk IV, ingevoegd bij artikel 33, wordt een artikel 88 ingevoegd, luidende:
  "Art. 88. § 1. Met de instemming van de centrale autoriteit en overeenkomstig bepaling 57 van het Reglement voor de proces- en de bewijsvoering, kan een persoon in België een voorlopige invrijheidstelling zoals beoogd door het Statuut, genieten, in voorkomend geval onder de voorwaarden opgelegd door de Gespecialiseerde Kamers.
  § 2. Wanneer de voorwaarden waaraan de voorlopige invrijheidstelling onderworpen is, niet worden nageleefd, kan de onderzoeksrechter op vordering van het openbaar ministerie, ambtshalve of op verzoek van de centrale autoriteit, een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de voorlopig in vrijheid gestelde persoon. Zijn met redenen omklede beschikking, waartegen geen rechtsmiddel open staat, wordt onmiddellijk meegedeeld aan het openbaar ministerie. Dat stelt onverwijld de centrale autoriteit ervan in kennis, die onmiddellijk de Gespecialiseerde Kamers ervan op de hoogte brengt.
  § 3. Het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde bevel tot aanhouding is vijftien dagen geldig, te rekenen vanaf de tenuitvoerlegging ervan.
  De betrokkene wordt onder dezelfde voorwaarden opnieuw in vrijheid gesteld indien de centrale autoriteit binnen die termijn geen verzoek tot voorlopige aanhouding of verzoek tot aanhouding en overdracht heeft ontvangen.".

  Art. 35. In titel VIter, ingevoegd bij artikel 21, wordt een hoofdstuk V ingevoegd, luidende "Strafuitvoering".

  Art. 36. In hoofdstuk V, ingevoegd bij artikel 35, wordt een artikel 89 ingevoegd, luidende:
  "Art. 89. § 1. Voor zover België met de Gespecialiseerde Kamers een bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering heeft gesloten, is de gevangenisstraf rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België.
  § 2. Binnen vierentwintig uur na aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van de Gespecialiseerde Kamers de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
  § 3. De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld in het Statuut van de Gespecialiseerde Kamers. De beslissingen gewezen door de Gespecialiseerde Kamers zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
  In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door de Gespecialiseerde Kamers uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
  § 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer de Gespecialiseerde Kamers, bij de uitoefening van hun bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoeken.
  § 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit de Gespecialiseerde Kamers, die als enige bevoegd zijn om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.
  § 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van de Gespecialiseerde Kamers inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van de Gespecialiseerde Kamers, alsmede door de bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering gesloten tussen België en de Gespecialiseerde Kamers.".

  Art. 37. In hetzelfde hoofdstuk V wordt een artikel 90 ingevoegd, luidende:
  "Art. 90. Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die de Gespecialiseerde Kamers hebben bevolen. Wanneer de Gespecialiseerde Kamers België verzoeken een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest uitgesproken door de Gespecialiseerde Kamers, worden door de centrale autoriteit overgedragen aan de Gespecialiseerde Kamers.".

  Art. 38. Artikel 80 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, wordt vernummerd tot artikel 91.

  HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden

  Art. 39. In artikel 24 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " § 1. De Centrale Raad bestaat uit twaalf effectieve leden en uit een gelijk aantal plaatsvervangers, die door de Kamer van volksvertegenwoordigers worden benoemd met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen.
  Bij de samenstelling van Centrale Raad wordt de taalpariteit in acht genomen, op basis van de taal waarin de kandidaat-leden hun kandidatuur hebben ingediend en voor de leden bedoeld in paragraaf 3, op basis van hun diploma.";
  2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De leden genieten de burgerlijke en politieke rechten.";
  3° in paragraaf 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de woorden "De Centrale Raad is samengesteld uit ten minste" worden vervangen door de woorden "De Centrale Raad telt onder haar effectieve leden en onder haar plaatsvervangende leden ten minste";
  b) in de bepaling onder 1° worden de woorden "licentiaat of" opgeheven;
  4° in paragraaf 4, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) het woord "effectieve" wordt ingevoegd tussen de woorden "wijst onder de" en de woorden "leden van de Centrale Raad;
  b) het woord "vast" wordt opgeheven;
  c) de woorden "licentiaat of" worden opgeheven;
  5° in paragraaf 5 wordt het woord "vast" opgeheven en worden de woorden "dienen van een verschillende taalrol te zijn" vervangen door de woorden "zijn van een verschillende taalrol";
  6° in paragraaf 6 worden de volgende wijzigingen aangebracht";
  a) in de bepaling onder 3° wordt het woord "minister" vervangen door het woord "regeringslid";
  b) paragraaf 6 wordt aangevuld met een bepaling onder 5°, luidende:
  "5° de uitoefening van een ambt bij de strafuitvoeringsrechtbank".
  7° paragraaf 7 wordt vervangen als volgt:
  " § 7. De effectieve leden van de Centrale Raad worden benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwd kan worden en die begint te lopen vanaf de eedaflegging. Na afloop van die termijn blijven de leden hun functie uitoefenen tot de eedaflegging van hun opvolger.
  De plaatsvervangers worden benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwd kan worden, en die begint te lopen vanaf de eedaflegging van het lid van wie ze de plaatsvervanging verzekeren.
  Het lid wiens mandaat een einde neemt voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar, wordt voor de resterende duur van het mandaat vervangen door zijn plaatsvervanger. In dit geval valt de opvolger onder de toepassing van het eerste lid. Indien de resterende duur van het mandaat minder dan een jaar bedraagt, geldt dit niet als een mandaat voor de toepassing van de beperking van het aantal mandaten vastgesteld in deze bepaling.
  Bij het openvallen van een plaats van plaatsvervangend lid gaat de Kamer van volksvertegenwoordigers onverwijld over tot de benoeming van een nieuw plaatsvervangend lid.";
  8° er wordt een paragraaf 7/1 ingevoegd, luidende:
  " § 7/1. Alvorens hun ambt te aanvaarden, leggen de effectieve leden en de plaatsvervangende leden in handen van de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers de volgende eed af: "Ik zweer de plichten van mijn opdracht gewetensvol en onpartijdig te vervullen.".

  Art. 40. In artikel 25, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de tweede zin "De leden van het secretariaat zijn geen lid van de Centrale Raad." wordt vervangen als volgt:
  "De taalpariteit van de leden van het secretariaat wordt in acht genomen op basis van hun diploma.";
  2° de paragraaf wordt aangevuld met het volgende lid:
  "Het statuut en de wijze van aanwerving van de leden van het secretariaat worden bepaald door de Centrale Raad.".

  Art. 41. In artikel 25/1, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
  "De leden van de Centrale Raad nemen geen kennis van zaken waarbij zij een persoonlijk belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk belang hebben en laten zich in voorkomend geval vervangen.";
  2° het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt aangevuld met de woorden "en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.".

  Art. 42. In artikel 25/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 december 20016, wordt paragraaf 1 vervangen als volgt:
  " § 1. De leden van de Centrale Raad die lid zijn van het bureau genieten een jaarlijkse wedde van 54 990 euro. De magistraten en ambtenaren die lid zijn van het bureau behouden tenminste hun wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.
  De leden van de Centrale Raad en van de Beroepscommissie die geen lid zijn van het bureau hebben recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerde dag 150 euro bedraagt. Werkzaamheden die per dag minder dan vier uur bestrijken, geven recht op de helft van het vastgesteld presentiegeld.
  De wedde bedoeld in het eerste lid en het presentiegeld bedoeld in het tweede lid vallen onder de indexeringsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van de federale overheidsdiensten. Zij worden gekoppeld aan de spilindex 138,01.".

  Art. 43. In artikel 28 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " § 1. Elke Commissie van toezicht bestaat uit ten minste zes en maximum achttien leden.
  De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die aan de Commissie van toezicht worden toevertrouwd.";
  b) in paragraaf 2 worden in de bepaling onder 1° de woorden "licentiaat of" opgeheven;
  c) in paragraaf 3 wordt het tweede lid aangevuld met de woorden ", wat bepaald wordt op basis van de taal waarin de kandidaat-leden hun kandidatuur hebben ingediend en voor de leden bedoeld in § 2, op basis van hun diploma.";
  d) in paragraaf 4 wordt in de bepaling onder 4° het woord "minister" vervangen door het woord "regeringslid";
  e) er wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, luidende:
  " § 4/1. De leden van de Commissie van toezicht worden, na schriftelijk advies van de voorzitter van de Commissie van toezicht, door de Centrale Raad benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwd kan worden en die begint te lopen vanaf de aanwijzing. Na afloop van die termijn blijven de leden hun functie uitoefenen tot de aanwijzing van hun opvolger.".

  Art. 44. In artikel 29 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " § 1. Elke Commissie van toezicht wordt bijgestaan door een secretariaat, waarvan de leden niet behoren tot de penitentiaire administratie. De leden van het secretariaat worden op voordracht van de Commissie van toezicht aangewezen door de Centrale Raad.
  Het statuut en de wijze van aanwerving van de leden van het secretariaat worden bepaald door de Centrale Raad.";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "secretaris of plaatsvervangend secretaris" vervangen door de woorden "een lid van het secretariaat";
  3° in paragraaf 3 worden de woorden "de secretaris" vervangen door de woorden "de leden van het secretariaat".

  Art. 45. In artikel 30 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De leden van de Commissie van toezicht onthouden zich bij een beraadslaging over zaken waarbij zij een persoonlijk belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk belang hebben.";
  2° in paragraaf 2 wordt de tweede zin opgeheven;
  3° in paragraaf 3 wordt het eerste lid aangevuld met de woorden "en 3° ".

  Art. 46. In artikel 31 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden in paragraaf 1, eerste lid, de woorden "licentiaat of" opgeheven.

  Art. 47. Artikel 31/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 31/1. De leden van de Commissies van toezicht en de leden van de klachtencommissie hebben recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerde dag 90 euro bedraagt. Werkzaamheden die per dag minder dan vier uur bestrijken, geven recht op de helft van het vastgesteld presentiegeld. Dit presentiegeld valt onder de indexeringsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van de federale overheidsdiensten. Het wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01.".

  Art. 48. In het opschrift van hoofdstuk VII van titel V van dezelfde wet, worden de woorden "en gezondheidsbescherming" opgeheven.

  Art. 49. In hoofdstuk VII van titel V van dezelfde wet, wordt het opschrift van afdeling I geschrapt.

  Art. 50. Artikel 87 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
  "Art. 87. De gezondheidszorg in de gevangenissen beoogt het lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn van de gedetineerden te bevorderen, te behouden of te herstellen.".

  Art. 51. In artikel 88 van dezelfde wet worden de woorden "en die aangepast is aan zijn specifieke noden" opgeheven.

  Art. 52. In artikel 89 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de eerste zin wordt opgeheven;
  2° de tweede zin wordt vervangen als volgt:
  "De gedetineerde wordt zo spoedig mogelijk na zijn opname door een aan de gevangenis verbonden arts gezien en daarna op de raadpleging ingeschreven telkens hij erom verzoekt.".

  Art. 53. Artikel 90 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 54. In artikel 91, § 2, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "het diensthoofd van de dienst voor gezondheidszorg bij de penitentiaire administratie" vervangen door de woorden "de referentiearts van de centrale dienst ter coördinatie van de medische zorg bij de penitentiaire administratie";
  2° in het tweede lid worden de woorden "het diensthoofd" telkens vervangen door de woorden "de referentiearts".

  Art. 55. Artikel 92 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 56. In artikel 93 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " § 1. Wanneer een gedetineerde een diagnostisch onderzoek of een medisch aanbevolen gespecialiseerde behandeling nodig heeft waarvoor de gevangenis niet of onvoldoende is uitgerust, wordt hij op verzoek van de aan de gevangenis verbonden arts overgebracht naar een gespecialiseerde gevangenis of doorverwezen naar een ziekenhuis of naar een instelling voor gezondheidszorg die over de vereiste uitrusting beschikt.";
  2° paragraaf 2 wordt opgeheven;
  3° paragraaf 3 wordt opgeheven;
  4° in paragraaf 4 worden de woorden ", zonder dat dit afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de zorgverstrekking. De Koning stelt de nadere regels vast inzake de overbrenging en de bewaking" opgeheven.

  Art. 57. In artikel 95 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 17 maart 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "zijn samenwonende echtgenoot, wettelijk samenwonende partner, zijn naastbestaanden, diegene die met hem een feitelijk gezin vormt en desgevallend zijn voogd of bewindvoerder en de door de gedetineerde patiënt aangewezen vertegenwoordiger" vervangen door de woorden "de door de gedetineerde aangewezen personen, of bij gebreke daarvan, zijn naastbestaanden en in voorkomend geval, zijn voogd of zijn bewindvoerder";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.

  Art. 58. Artikel 96, § 3, van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 59. Artikel 97 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 60. In artikel 98 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "uit aan de gevangenis verbonden artsen, tandartsen en verplegers samengestelde" worden opgeheven;
  2° de woorden "bevoegd voor Justitie en de minister bevoegd voor Volksgezondheid" worden ingevoegd tussen de woorden "aan de minister" en het woord "adviezen".

  Art. 61. In hoofdstuk VII van titel V van dezelfde wet, wordt afdeling II, dat artikel 99 bevat, opgeheven.

  Art. 62. In titel V van dezelfde wet, wordt hoofdstuk VIII, dat de artikelen 100, gewijzigd bij wet van 23 december 2005, en 101 bevat, opgeheven.

  Art. 63. In artikel 118 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 maart 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 5 worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts";
  2° in paragraaf 6, tweede lid, worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts".

  Art. 64. In artikel 137 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts".

  Art. 65. In artikel 141 worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts".

  Art. 66. In artikel 144, § 6, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 maart 2010, wordt het derde lid, opgeheven.

  Art. 67. In artikel 164, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, wordt het woord "indiening" vervangen door het woord "ontvangst".

  HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten

  Art. 68. In titel IV van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, wordt een hoofdstuk IIbis ingevoegd, luidende:
  "Hoofdstuk IIbis. De plaatsing in een transitiehuis".

  Art. 69. In hoofdstuk IIbis van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 68, wordt een artikel 9/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 9/1. De plaatsing in een transitiehuis is een vorm van detentie waarbij de veroordeelde gedetineerde zijn vrijheidsstraf ondergaat op basis van een plaatsingsplan.
  De uitvoering van de vrijheidsstraf loopt voort tijdens de duur van de plaatsing in een transitiehuis.".

  Art. 70. In hetzelfde hoofdstuk IIbis wordt een artikel 9/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 9/2. § 1. Een transitiehuis is een bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad erkende inrichting waar veroordeelden kunnen geplaatst worden om hun vrijheidsstraf te ondergaan.
  § 2. De verantwoordelijke van het transitiehuis heeft toegang tot de gegevens uit het dossier van de veroordeelde die van aard zijn om de opdrachten die verbonden zijn aan de plaatsing te kunnen uitvoeren.
  § 3. De Koning bepaalt bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad:
  1° de normen waaraan een inrichting dient te voldoen om als transitiehuis erkend te kunnen worden.
  2° de financiële tussenkomst van de Federale Staat voor de kosten die verbonden zijn aan de plaatsing.
  De normen bedoeld in het eerste lid, 1°, hebben betrekking op de architectonische, de organisatorische, de personele en de functionele eisen waaraan de inrichting moet voldoen evenals op het huishoudelijk reglement.
  § 4. Met oog op de uitvoering van de plaatsingen in een transitiehuis, wordt een overeenkomst gesloten tussen de minister en de verantwoordelijke van het transitiehuis op basis van een door de Koning bepaald model.".

  Art. 71. In hetzelfde hoofdstuk IIbis, wordt een artikel 9/3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 9/3. § 1. De veroordeelden die voldoen aan de volgende voorwaarden, kunnen worden geplaatst in een transitiehuis:
  1° de veroordeelde bevindt zich op achttien maanden na, in de tijdsvoorwaarden voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
  2° de veroordeelde beschikt over de vaardigheid om in een open gemeenschapsregime te verblijven;
  3° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen waaraan men niet kan tegemoet komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich tijdens de periode van plaatsing in een transitiehuis aan de strafuitvoering zou onttrekken, ernstige strafbare feiten zou plegen of de slachtoffers zou lastig vallen;
  4° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het plaatsingsplan zoals bepaald bij paragraaf 2 en met de voorwaarden die aan de plaatsing in het transitiehuis verbonden worden overeenkomstig artikel 11, § 3;
  5° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het huishoudelijk reglement zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3.
  § 2. Het plaatsingsplan beschrijft het programma dat de veroordeelde dient te volgen en geeft minstens de verplichte activiteiten weer waaraan de veroordeelde moet deelnemen met het oog op zijn re-integratie.".

  Art. 72. In het opschrift van hoofdstuk III van dezelfde wet, worden de cijfers "I en II" vervangen door de cijfers "I, II en IIbis".

  Art. 73. Het opschrift van afdeling I van hoofdstuk III van dezelfde wet, wordt vervangen door:
  "De procedure tot toekenning van de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof en de plaatsing in het transitiehuis".

  Art. 74. In artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 15 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, luidende:
  " § 1bis. De plaatsing in een transitiehuis wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op schriftelijk verzoek van de directeur, vergezeld van zijn met redenen omkleed advies.";
  2° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen als volgt:
  "De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in het transitiehuis wordt binnen vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis zal plaatsvinden.";
  3° paragraaf 2, vierde lid, wordt aangevuld met de woorden ", of van de plaatsing in een transitiehuis".

  Art. 75. Artikel 11, § 3, van dezelfde wet, wordt als volgt vervangen:
  " § 3. De minister of zijn gemachtigde verbindt aan de beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis, de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. Aan de beslissing tot toekenning van een plaatsing in een transitiehuis wordt tevens de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde het huishoudelijk reglement, zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3, en het plaatsingsplan, zoals bepaald bij artikel 9/3, § 2, moet naleven. In voorkomend geval bepaalt de minister of zijn gemachtigde de bijzondere voorwaarden rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 5, 2°, 7, 2° en 9/3, § 1, 3°.
  In geval van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis duidt de minister of zijn gemachtigde eveneens de gevangenis aan die tijdens de duur van de plaatsing het detentiedossier van de veroordeelde zal beheren.".

  Art. 76. In artikel 12 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidende:
  " § 2bis. Indien de voorwaarden van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis niet worden nageleefd, of indien er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van de beslissing tot plaatsing, kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om:
  1° de voorwaarden aan te passen;
  2° de beslissing te herroepen.
  De verantwoordelijke van het transitiehuis bezorgt aan de directeur die instaat voor het beheer en de opvolging van het detentiedossier van de veroordeelde, na deze gehoord te hebben, een verslag omtrent de niet-naleving van de voorwaarden of omtrent het ontstaan van een tegenaanwijzing.
  De directeur bezorgt het verslag van de verantwoordelijke en desgevallend de opmerkingen van de veroordeelde aan de minister of zijn gemachtigde.
  In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid. Ingeval van hoogdringendheid, kan de directeur deze beslissing nemen die onverwijld ter bekrachtiging moet worden voorgelegd aan de minister of zijn gemachtigde.".
  b) paragraaf 3 wordt aangevuld met drie leden, luidende:
  "In geval de veroordeelde niet meer aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de beslissing tot plaatsing in principe herroepen.
  De minister of zijn gemachtigde kan niettemin na het advies te hebben ingewonnen bij de directeur en mits specifieke motivatie beslissen om:
  1° de voorwaarden aan te passen;
  2° de beslissing te handhaven.
  In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid.".

  Art. 77. In artikel 13, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 december 2013, worden de woorden " § 2," vervangen door de woorden " §§ 2 en 2bis".

  Art. 78. In artikel 14 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 15 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid worden de woorden "uitgangsvergunning of het penitentiair verlof" vervangen door de woorden "uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis";
  2° in het derde lid worden de woorden"of een plaatsing in een transitiehuis" ingevoegd tussen de woorden "een penitentiair verlof" en ", wordt het slachtoffer".

  Art. 79. In het opschrift van hoofdstuk IVbis, ingevoegd bij de wet van 5 februari 2016, worden de woorden "II, III en IV" vervangen door de woorden "II, IIbis, III en IV".

  HOOFDSTUK 11. - Bekrachtiging van besluiten genomen met toepassing van art. 6, tweede lid, van de programmawet (II) van 27 december 2006 inzake gerechtskosten

  Art. 80. Worden bekrachtigd met uitwerking op de datum van hun inwerkingtreding:
  1° het koninklijk besluit van 23 augustus 2015 tot vaststelling van het tarief voor prestaties van gerechtsdeurwaarders in strafzaken op vordering van de gerechtelijke overheden;
  2° het koninklijk besluit van 27 november 2015 houdende uitvoering van artikel 6 van de programmawet (II) van 27 december 2006 tot bepaling van de tarieven in strafzaken voor het deskundigenonderzoek in genetische analyse in opdracht van een gerechtelijke overheid;
  3° het koninklijk besluit van 8 november 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie, betreffende de tarieven voor de vergoeding van de medewerking;
  4° het koninklijk besluit van 22 december 2016 tot vaststelling van het tarief voor prestaties van vertalers en tolken in strafzaken op vordering van de gerechtelijke overheden.

  HOOFDSTUK 12. - Inwerkingtredingsbepaling

  Art. 81. De bepalingen van hoofdstuk 2 treden in werking op de door de Koning te bepalen data en uiterlijk op 1 maart 2019.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 11 juli 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De minister van Justitie,
K. GEENS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   (1)Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54 2969 Integraal Verslag : 28 juni 2018

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie