J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2018/04/27/2018012126/justel

Titel
27 APRIL 2018. - Wet op de politie van de spoorwegen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-05-2018 en tekstbijwerking tot 06-05-2019)

Bron : MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 29-05-2018 nummer :   2018012126 bladzijde : 44448       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2018-04-27/18
Inwerkingtreding : 01-11-2018

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Algemene bepaling en definities
Art. 1-2
TITEL 2. - Verplichtingen van het publiek en van de reizigers
HOOFDSTUK 1. - Verplichtingen van het publiek in het algemeen
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 3-6
Afdeling 2. - Plaatsen die niet toegankelijk zijn voor het publiek
Art. 7
Afdeling 3. - Plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek of voor de reizigers
Art. 8-11
HOOFDSTUK 2. - Verplichtingen van de reizigers
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 12-13
Afdeling 2. - Vervoerbewijzen
Art. 14-17
Afdeling 3. - Passagiersvergoedingen
Art. 18
HOOFDSTUK 3. - Maatregelen betreffende de instandhouding van de spoorwegen en de veilige exploitatie ervan
Art. 19-24
TITEL 3. - Naleving van de reglementering betreffende de politie der spoorwegen
Art. 25-27
TITEL 4. - Sancties en andere maatregelen
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
Art. 28-32
HOOFDSTUK 2. - Bijzondere bepalingen
Afdeling 1. - Bijkomende gerechtelijke straffen
Art. 33-34
Afdeling 2. - Alternatieve of bijkomende administratieve maatregelen
Art. 35-38
HOOFDSTUK 3. - Procedure
Afdeling 1. - Strafvorderingsprocedure
Art. 39
Afdeling 2. - Administratieve procedure
Art. 40-49
HOOFDSTUK 4. - Inning van de administratieve boete
Art. 50
TITEL 5. - Slotbepalingen en overgangsbepalingen
Art. 51-56

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Algemene bepaling en definities

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  Art. 2. Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder:
  1° Vervoersvoorwaarden: alle bepalingen die de relaties tussen de reiziger en de spoorwegonderneming regelen of, de bepalingen bedoeld in de artikelen 13, 16 en 17 van de wet van 25 augustus 1891 tot herziening van het Wetboek van Koophandel betreffende de vervoersovereenkomst, voor zover die er betrekking op hebben. Deze bepalingen hebben een reglementair karakter vanaf het ogenblik van hun publicatie met een bericht in het Belgisch Staatsblad;
  2° Spoorweginfrastructuur: alle elementen die bedoeld zijn in bijlage 23 van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex;
  3° Infrastructuurbeheerder: elke instantie of onderneming die in het bijzonder belast is met de totstandbrenging, het beheer en het onderhoud van de spoorweginfrastructuur, met inbegrip van de verkeersleiding, het seingevings- en besturingssysteem. De taken van de infrastructuurbeheerder op een net of een deel van een net kunnen aan verschillende instanties of ondernemingen worden toegewezen;
  4° Spoorwegonderneming: elke publiek- of privaatrechtelijke onderneming met een vergunning overeenkomstig de toepasselijke Europese wetgeving waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het leveren van spoorwegvervoerdiensten voor goederen en/of reizigers, waarbij die onderneming voor de tractie moet zorgen; hiertoe behoren ook ondernemingen die uitsluitend de tractie leveren;
  5° Station: de ruimte die, naargelang het geval, bestaat uit:
  - het stationsgebouw, zijnde het gebouw waar de reizigers een vervoerbewijs kunnen kopen of op de trein wachten, met inbegrip van de ruimtes die deel uitmaken van ditzelfde gebouw en waartoe het publiek geen toegang heeft;
  - de stopplaats, zijnde de plaats, zonder dat het een stationsgebouw betreft, waar reizigers kunnen op- of afstappen volgens de vastgestelde dienstregeling;
  - de stationsaanhorigheden, zoals bijvoorbeeld de perrons, de boven- en ondergrondse toegangswegen naar de perrons, de wachtruimtes, de sanitaire voorzieningen, de parkings behorende bij het station, de fietsenstallingen en in het algemeen de andere plaatsen van het spoorwegdomein die toegankelijk zijn voor het publiek en alle plaatsen die beheerd worden door de stationsbeheerder;
  6° Stationsbeheerder: de rechtspersoon die instaat voor het beheer van één of meerdere stations of gedeelten van stations;
  7° Spoorverkeer: alle verkeer van spoorvoertuigen op spoorwegen die onder het beheer vallen van de infrastructuurbeheerder;
  8° Spoorvoertuig: voertuig dat geschikt is om zich met of zonder tractie op eigen wielen voort te bewegen over spoorlijnen. Worden met name bedoeld, de locomotieven, de (elektrische) motorstellen, de (diesel-)motorwagens en het gesleept treinmaterieel;
  9° Trein: geheel van spoorvoertuigen;
  10° Reiziger: iedere persoon die zich per trein tussen stations en/of stopplaatsen verplaatst;
  11° Stationsverbod: het verbod om zich in de stations te bevinden;
  12° Treinverbod: het verbod om zich in de spoorvoertuigen te bevinden;
  13° Vervoerbewijs: ieder materieel of gedematerialiseerd bewijs, ongeacht de vorm, dat aantoont dat er een vervoerovereenkomst gesloten is tussen een reiziger en een spoorwegonderneming;
  14° Geldig vervoerbewijs: vervoerbewijs dat conform de vervoersvoorwaarden gebruikt wordt;
  15° Passagiersvergoeding: de vergoeding waarin artikel 12 van de wet van 30 april 2007 houdende dringende spoorwegbepalingen voorziet;
  16° Veiligheidsdienst: de dienst die door de bevoegde federale overheden wordt aangewezen om de opdrachten van openbare dienst betreffende de veiligheids- en bewakingsactiviteiten op het gebied van de spoorwegen uit te voeren;
  17° Vaststellende beambten: de personeelsleden van de stationsbeheerder, van de infrastructuurbeheerder, van de spoorwegondernemingen en van de veiligheidsdienst, aangewezen door de Koning en daartoe beëdigd;
  18° Bestraffende beambten: beambten aangewezen onder het personeel van de stationsbeheerder, van de infrastructuurbeheerder en van de spoorwegondernemingen belast met taken van openbare dienst en met de hoedanigheid van een administratieve overheid, belast met het opleggen van de boetes en andere administratieve maatregelen waarin Titel 4 voorziet. De bestraffende beambte kan niet dezelfde persoon zijn als de vaststellende beambte maar mag tot hetzelfde bedrijf of dezelfde eenheid behoren op voorwaarde dat hij of zij behoort tot een verschillende en onderscheiden dienst die een totaal onafhankelijk optreden waarborgt;
  19° Werkdag: weekdag van maandag tot en met vrijdag, met uitzondering van de wettelijke feestdagen.

  TITEL 2. - Verplichtingen van het publiek en van de reizigers

  HOOFDSTUK 1. - Verplichtingen van het publiek in het algemeen

  Afdeling 1. - Algemeen

  Art. 3. Iedereen in de stations, de treinen en de spoorweginfrastructuur dient zich te voegen naar de instructies van de politiediensten en van het personeel, al naargelang het geval, van de veiligheidsdienst, van de infrastructuurbeheerder, van de stationsbeheerder of van de spoorwegondernemingen dat in uniform is of drager is van ieder ander onderscheidend teken.
  Deze instructies moeten in de gegeven omstandigheden erop gericht zijn om de veiligheid en de orde te handhaven.

  Art. 4. Onverminderd de in andere wetten bepaalde beperkingen en met name de bepalingen van de Spoorcodex met betrekking tot de opdrachten van de veiligheidsinstantie, van het bestuur belast met het spoorwegvervoer en van het toezichthoudende orgaan, zijn de verbodsmaatregelen bepaald in deze titel niet van toepassing op de leden:
  - van de politiediensten;
  - van de militaire diensten;
  - van de hulpdiensten;
  - van de veiligheidsdiensten;
  bij de uitoefening van hun functies.
  Ze worden niettemin geacht het geheel van normen en veiligheidsregels na te leven.

  Art. 5. Het is verboden om:
  1° het spoorverkeer te beletten, te hinderen, te vertragen of in gevaar te brengen en, in het algemeen, de spoorwegexploitatie op om het even welke wijze te verstoren;
  2° de personen belast met de exploitatie van de spoorweginfrastructuur, van een station of met de levering van spoorwegvervoerdiensten te misleiden, hetzij door dienstseinen na te bootsen, te bedienen of te gebruiken, hetzij door valse seinen te geven;
  3° voertuigen te laten stilstaan of te parkeren of voorwerpen van om het even welke aard neer te leggen op een plaats waar ze de gemakkelijke doorgang van de spoorvoertuigen of de normale werking van de spoorweginfrastructuur of de onderdelen ervan hinderen of het zicht op de seinen van de spoorweg belemmeren, behoudens toestemming vooraf van de infrastructuurbeheerder;
  4° op enigerlei wijze de spoorweginfrastructuur, de stations of de spoorvoertuigen te bevuilen, te vernielen of te beschadigen;
  5° tekens of afbeeldingen aan te brengen op of in de stations, de spoorweginfrastructuur of de spoorvoertuigen, of in deze zelfde installaties en spoorvoertuigen, zonder schriftelijke en voorafgaande toestemming, afhankelijk van het geval, van de betrokken stationsbeheerder, de infrastructuurbeheerder of van de spoorwegonderneming;
  6° de goede werking van de alarm- of beschermingsvoorzieningen van de roltrappen, liften, rolpaden, draaideuren, automaten, telefoons of andere voorzieningen of uitrustingen die ter beschikking van het publiek worden gesteld of die dienen om hen te informeren, te hinderen of om ze opzettelijk op een andere dan de toegestane wijze te gebruiken.

  Art. 6. Het is verboden voor al wie niet behoort tot het daartoe aangewezen personeel van de betrokken spoorwegonderneming, infrastructuurbeheerder, veiligheidsdienst of stationsbeheerder:
  1° om de installaties van de spoorweginfrastructuur of bepaalde delen ervan die niet bestemd zijn voor het publiek of voor de reizigers, aan te raken of te bedienen, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de infrastructuurbeheerder;
  2° om op de spoorweginfrastructuur te klimmen, met uitzondering van de toegang tot de perrons, of op de spoorvoertuigen, of om er aan te hangen, op om het even welke wijze;
  3° om de spoorvoertuigen, de werktuigen, het materieel en onderdelen van roerende goederen bestemd voor de realisatie van de spoorwegvervoerdiensten, waarvan het gebruik door het publiek niet is toegestaan, aan te raken of te bedienen, op om het even welke wijze, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de spoorwegonderneming.

  Afdeling 2. - Plaatsen die niet toegankelijk zijn voor het publiek

  Art. 7. Het is verboden voor al wie niet behoort tot het daartoe aangewezen personeel van de betrokken spoorwegonderneming, infrastructuurbeheerder, veiligheidsdienst of stationsbeheerder:
  1° de stationsgebouwen te betreden of er zich te bevinden buiten de openingsuren voor het publiek;
  2° de gedeelten van de stations die bij middel van signaletica zijn aangegeven als verboden voor het publiek, binnen te gaan of er zich te bevinden, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de stationsbeheerder;
  3° de gedeelten van de infrastructuur, die niet toegankelijk zijn voor het publiek, te betreden of er zich te bevinden, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de infrastructuurbeheerder;
  4° de ruimtes van de spoorvoertuigen die bestemd zijn voor de besturing, de treinbegeleiding of het bagagerijtuig van deze spoorvoertuigen te betreden zonder toestemming;
  5° zich zonder schriftelijke toestemming vooraf van de infrastructuurbeheerder te begeven of te verplaatsen op de spoorweginfrastructuur naast de rijbaan.

  Afdeling 3. - Plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek of voor de reizigers

  Art. 8. Het is verboden in de stations en in de spoorvoertuigen:
  1° verontreiniging of beschadiging te veroorzaken, of de orde te verstoren, dan wel de rust van de aanwezigen door:
  a) een klaarblijkelijke staat van onzindelijkheid;
  b) ongepaste en ongewenste fysieke contacten;
  c) storende, beledigende, onzedelijke, intimiderende of bedreigende uitlatingen of handelingen;
  2° gewelddadig gedrag erop na te houden;
  3° de uitrustingen, toestellen en werktuigen die aan de stationsbeheerder of aan een spoorwegonderneming toebehoren of door een van hen gebruikt worden en die niet bestemd zijn voor het publiek of voor de reizigers te gebruiken of zich ervan te bedienen;
  4° dieren binnen te brengen, met uitzondering van tamme huisdieren, op voorwaarde dat alle voorzorgen genomen zijn om te voorkomen dat personen worden gekwetst, in gevaar komen of worden gehinderd en dat schade aan goederen wordt aangebracht, en dit met naleving van de voorwaarden betreffende de aanwezigheid van dieren in de spoorvoertuigen bepaald in de vervoersvoorwaarden van de betrokken spoorwegonderneming;
  5° te roken, behalve op de perrons in open lucht en in plaatsen toegestaan door de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook.

  Art. 9. Het is verboden in de stations en in de spoorvoertuigen, behoudens toestemming vooraf, afhankelijk van het geval, van de stationsbeheerder, van zijn gemachtigd filiaal of van de spoorwegonderneming:
  1° enig voorwerp of document te verkopen of uit te reiken;
  2° enige dienst tegen betaling aan te bieden;
  3° beroepen uit te oefenen, activiteiten of gedragingen te ontwikkelen, van om het even welke aard, die de reizigers zouden kunnen hinderen bij het onbelemmerd gebruikmaken van de diensten van de stationsbeheerder of van de diensten van spoorwegvervoer;
  4° om het even welke show op te zetten, al dan niet gepaard gaand met een geldinzameling;
  5° zich voort te bewegen door middel van elk "voertuig" in de zin van artikel 2.14 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, met uitzondering van elk toestel die het mogelijk maakt dat een persoon met beperkte mobiliteit zich kan verplaatsen.

  Art. 10. Het is verboden te bedelen in de spoorvoertuigen en overlast te bezorgen in de stations door er op een opdringerige of agressieve wijze te bedelen.

  Art. 11. § 1. Het verkeer, het stilstaan en het parkeren van voertuigen in de stations, met inbegrip van de parkings die worden beheerd door de stationsbeheerder of door een filiaal, is slechts toegelaten onder de voorwaarden vastgesteld door, al naar het geval, de stationsbeheerder of een filiaal.
  Deze voorwaarden worden zichtbaar uitgehangen aan de ingang van de plaatsen waarop ze betrekking hebben, of bepaald in de algemene voorwaarden van de betrokken stationsbeheerder of parkingbeheerder en ze zijn tegenstelbaar aan eenieder.
  Deze voorwaarden houden onder meer in:
  1° dat gemarkeerde parkeerplaatsen kosteloos of tegen een specifiek tarief worden voorbehouden voor reizigers met een geldig vervoerbewijs waarvan de categorie, naargelang het geval, gepreciseerd is, of voor het personeel, naargelang het geval, van de infrastructuurbeheerder, van een spoorwegonderneming of van andere bedrijven;
  2° dat niet voorbehouden gemarkeerde parkeerplaatsen uitsluitend kunnen worden gebruikt mits het parkeergeld tegen volle prijs wordt betaald.
  § 2. Het is verboden om:
  1° zijn voertuig te besturen, tot stilstand te brengen of te parkeren in strijd met de voorwaarden bedoeld in § 1, eerste lid;
  2° het verkeer op de parkings op enigerlei wijze te hinderen of in gevaar te brengen, met name door de wijze waarop men zijn voertuig parkeert.

  HOOFDSTUK 2. - Verplichtingen van de reizigers

  Afdeling 1. - Algemeen

  Art. 12. Het is verboden voor de reizigers om in of uit een spoorvoertuig te stappen:
  1° als de trein reeds rijdt of voordat hij volledig tot stilstand is gekomen;
  2° bij de opening en sluiting van de deuren van het spoorvoertuig;
  3° wanneer het personeel van de betrokken spoorwegonderneming dit verbiedt;
  4° buiten de perrons en de stopplaatsen, behalve op uitdrukkelijk verzoek van het personeel van de betrokken spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder;
  5° langs andere in- of uitgangen dan deze bestemd voor het in- of uitstappen van reizigers, behalve op uitdrukkelijk verzoek van het personeel van de betrokken spoorwegonderneming of van de infrastructuurbeheerder.

  Art. 13. Het is verboden in de spoorvoertuigen:
  1° uit de spoorrijtuigen te hangen of de buitendeuren ervan te openen vóór de trein volledig stilstaat;
  2° op welke wijze ook de werking van alarm-, veiligheids-, beschermings-, informatie- en verluchtingsvoorzieningen of voorzieningen voor het openen en sluiten van de deuren te hinderen, evenals om deze te gebruiken buiten de gevallen waarin de consignes van de spoorwegonderneming voorzien;
  3° te reizen met voorwerpen die door hun aanwezigheid of gebruik de andere reizigers of het personeel van de betrokken spoorwegonderneming kunnen hinderen of in gevaar kunnen brengen;
  4° vensters, deuren of andere voorzieningen te bedienen of te gebruiken, hetzij omdat die niet bestemd zijn voor gebruik door reizigers, hetzij omdat het niet is voorgeschreven in de consignes van de spoorwegonderneming;
  5° enig voorwerp of enige stof uit het spoorvoertuig te gooien.

  Afdeling 2. - Vervoerbewijzen

  Art. 14. § 1. In de gevallen en volgens de nadere regels waarin de vervoersvoorwaarden van de betrokken spoorwegonderneming voorzien, zijn de spoorvoertuigen die bestemd zijn voor de reizigers enkel toegankelijk voor de reizigers die in het bezit zijn van een geldig vervoerbewijs. Indien de controle van de geldigheid van een vervoerbewijs de controle noodzakelijk maakt van de identiteit van de reiziger, dan is deze laatste ertoe gehouden om een identiteitsstuk voorzien van een foto voor te leggen, dat de identiteit kan aantonen. Bij gebrek hieraan zal de reiziger worden beschouwd als zijnde niet in het bezit van een geldig vervoerbewijs.
  De spoorwegonderneming kan in haar algemene vervoersvoorwaarden een aantal gevallen omschrijven waarin de spoorvoertuigen toch toegankelijk zijn voor personen die op het ogenblik dat ze instappen niet over een geldig vervoerbewijs beschikken.
  Reizigers zonder geldig vervoerbewijs dienen zich in regel te stellen conform de vervoersvoorwaarden van de betrokken spoorwegonderneming, door betaling van de sommen die in deze vervoersvoorwaarden bepaald zijn.
  § 2. De perrons zijn enkel toegankelijk voor de reizigers die, conform de vervoersvoorwaarden van de betrokken spoorwegonderneming, in het bezit zijn van een geldig vervoerbewijs en voor de personen die een reiziger begeleiden bij diens vertrek of op de aankomst van een reiziger wachten.
  Onverminderd het eerste lid kan de spoorwegonderneming in haar vervoersvoorwaarden, in overleg met de infrastructuurbeheerder of de stationsbeheerder, een aantal gevallen definiëren waarin de perrons toch toegankelijk zijn voor personen zonder geldig vervoerbewijs.

  Art. 15. Het is verboden zich te bevinden:
  1° in de spoorvoertuigen, anders dan onder de voorwaarden bedoeld in artikel 14, § 1;
  2° op de perrons, anders dan onder de voorwaarden bedoeld in artikel 14, § 2.

  Art. 16. Het is verboden een vervoerbewijs te vervalsen of na te maken, of de identiteit van een derde te misbruiken.

  Art. 17. De personen die zich op de plaatsen bevinden waarvan de toegang uitsluitend is voorbehouden aan de reizigers die in het bezit zijn van een geldig vervoerbewijs dienen hun vervoerbewijs of, in voorkomend geval, ieder ander document waarin de vervoersvoorwaarden voorzien, te tonen en te overhandigen aan de vaststellende beambten, telkens zij dit vragen.

  Afdeling 3. - Passagiersvergoedingen

  Art. 18. Het is verboden om van of naar de luchthaven van Brussel-Nationaal te reizen zonder de toeslag op de vervoersprijs te hebben betaald, zijnde de passagiersvergoeding die bedoeld is in artikel 12 van de wet van 30 april 2007 houdende dringende spoorwegbepalingen, en volgens de voorwaarden bepaald in deze wet.

  HOOFDSTUK 3. - Maatregelen betreffende de instandhouding van de spoorwegen en de veilige exploitatie ervan

  Art. 19. De spoorwegen zijn ingedeeld in de grote wegenis.
  De toegangswegen tot de stations, eigendom van de stationsbeheerder, worden beheerd door de lokale overheid, na inlijving in het administratiefrechtelijk statuut waarvoor de lokale overheid bevoegd is, behalve de door de Koning bepaalde uitzonderingen.

  Art. 20. § 1. Behoudens door de infrastructuurbeheerder toegestane afwijking moet de plantengroei langs de spoorwegen minimaal anderhalve meter korter gehouden worden dan de afstand tussen de voet van de plant en de dichtstbijzijnde spoorstaaf. De kap- en snoeiwerken moeten worden gepland voordat de plantengroei deze maximumhoogte bereikt.
  Wanneer de spoorweg op een grondverhoging of in ingraving is aangelegd, wordt die afstand berekend tussen de voet van de plantengroei en de bovenrand van de grondverhoging of de ingraving.
  Plantengroei die zich bevindt achter muren die langsheen de sporen zijn opgetrokken, moet op dezelfde hoogte van deze muren worden gehouden, behoudens toegestane afwijkingen door de infrastructuurbeheerder.
  § 2. De infrastructuurbeheerder kan alle niet-kruidachtige plantengroei op een afstand van minder dan acht meter van de spoorstaven verbieden, indien deze plantengroei de veiligheid van het treinverkeer in gevaar kan brengen.
  Voor de baanvakken waar de toegestane snelheid boven de tweehonderdtwintig kilometer per uur ligt, zijn er binnen een zone van vijfentwintig meter vanaf de dichtstbijzijnde spoorstaaf enkel kruidachtige gewassen toegestaan.

  Art. 21. § 1. Zonder schriftelijke toestemming van de infrastructuurbeheerder en mits gegronde motivering van de exploitatieveiligheid, is het verboden op minder dan vijf meter gebouwen of werken op te trekken, te rekenen vanaf:
  - de buitenste spoorstaaf indien de spoorbedding op gelijk niveau ligt met het aanpalende perceel;
  - de teen van de talud bij het spoor in ophoging;
  - de kop van de talud bij spoor in ingraving.
  § 3. Het is verboden, zonder schriftelijke toelating van de spoorwegbeheerder en dit voldoende gemotiveerd om veiligheidsredenen, om windturbines op te richten op een afstand die kleiner is dan de ashoogte van de windturbine, verhoogd met enerzijds de helft van de rotordiameter en anderzijds met 5 meter. Deze afstand is te rekenen vanaf:
  - de buitenste rail indien het spoorwegplatform op hetzelfde niveau is gelegen als het aanpalende perceel;
  - de voet van de talud bij een spoor in ophoging;
  - de kop van de talud bij een spoor in ingraving.
  In het geval van het gelijkgrondse niveau en indien het spoor zich in een bocht bevindt met een straal kleiner of gelijk aan 500 meter, wordt er vanaf de buitenste rail in plaats 10 meter in plaats van 5 meter gerekend.
  Het is in ieder geval verboden om op de aangrenzende terreinen windmolenmasten op te trekken of te plaatsen op een afstand van minder dan tweehonderd meter van de dichtstbijzijnde spoorstaaf zonder schriftelijke toestemming van de infrastructuurbeheerder.
  § 2. Wanneer de spoorweg zich in een tunnel bevindt, is het verboden om zonder toelating van de infrastructuurbeheerder te bouwen op minder dan vijfentwintig meter van de tunnelingang of in een zone van vijfentwintig meter aan weerszijden van de tunnel, of in de zone die zich net boven de tunnel bevindt.

  Art. 22. Zonder schriftelijke toestemming van de infrastructuurbeheerder is het verboden langs de spoorweg binnen een afstand van vijfentwintig meter van de dichtstbijzijnde spoorstaaf, zelfs voorlopig, opgravingen, uitgravingen of uithollingen te verrichten, mijnen, venen, steengroeven, zandputten of fosfaatmijnen, in open lucht of ondergronds, te openen, exploiteren of werken tot het opsporen van mijnen uit te voeren.

  Art. 23. Binnen de vijfentwintigmeterzone gemeten van de dichtstbijzijnde spoorstaaf, is het verboden, hetzij gebouwen op te trekken waarvan de dakbedekking voorzien is van brandbaar materiaal, hetzij een opslag te vestigen van brandbare materialen van welke oorsprong dan ook, met name van agrarische oorsprong of van brandbare vloeistoffen, brandstoffen of ontplofbare stoffen.
  Tijdelijke oppers veldvruchten, die slechts gemaakt zijn voor de tijd van de oogst, vallen buiten dat verbod.
  Zonder schriftelijke toestemming van de infrastructuurbeheerder is het verboden brandbare stoffen te stapelen binnen de vijfentwintigmeterzone gemeten vanaf de dichtstbijzijnde spoorstaaf. Geen schadeloosstelling kan worden gevorderd voor stapels brandbare stoffen welke binnen die zone, zelfs met machtiging, werden gemaakt en door de exploitatie zelf van de spoorweg in brand mochten raken.

  Art. 24. Voor nieuwe lijnen of de aanpassing van bestaande lijnen nemen de erfdienstbaarheden, opgelegd door deze wet, aanvang op de dag van de neerlegging in de gemeente van het plan van de te naasten gronden voor de aanleg van een nieuwe spoorweg of de aanpassing van een bestaande spoorweg.

  TITEL 3. - Naleving van de reglementering betreffende de politie der spoorwegen

  Art. 25.§ 1. De vaststellende beambten en de leden van het operationeel kader van de politiediensten zien toe op de naleving van deze wet en van zijn uitvoeringsbesluiten.
  Zij stellen de overtredingen omschreven in de voornoemde wetten en uitvoeringsbesluiten vast door middel van vaststellingen - uitsluitend met betrekking tot de overtredingen bedoeld in artikel 29 vastgesteld door de vaststellende beambten - of bij proces-verbaal die beide gelden tot het bewijs van het tegendeel.
  Een kopie van de vaststelling van de overtreding of van het proces-verbaal wordt aan de overtreder overhandigd.
  Zonder afbreuk te doen aan het tweede lid, zijn de vaststellende beambten die tot het treinbegeleidingspersoneel behoren van het spoorbedrijf enkel gemachtigd om vaststellingen te doen van de overtredingen bedoeld in de artikelen 8 tot 10 en 12 tot 18, en wat de overtredingen betreft bedoeld in de artikelen 8 tot 10 in zoverre deze worden begaan aan boord van het spoorvoertuig.
  De vaststellende beambten identificeren zich door middel van een legitimatiekaart waarvan het model, voor wat de vaststellende beambten betreft, door de Koning wordt vastgesteld. [1 De vaststellende beambte moet ten allen tijde en op zichtbare wijze kunnen worden geïdentificeerd door een uniek nummer van maximum van vijf cijfers.]1
  § 2. Indien de vaststellende beambten bij de uitoefening van hun functies kennis krijgen van andere misdrijven, lichten zij de bevoegde politiediensten hiervan onmiddellijk in.
  § 3. De vaststellende beambten leggen voor de door de Koning aangewezen ambtenaren de volgende eed af:
  "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen. ".
  § 4. Een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt de selectie- en aanwervingsvoorwaarden van de vaststellende en bestraffende beambten evenals de minimum voorwaarden die inzake opleiding en kennis vereist zijn voor het uitoefenen van de bevoegdheden die hen in het kader van deze wet worden toegekend.
  Bij de vaststelling van deze voorwaarden voor wat de vaststellende beambten betreft, houdt dit koninklijk besluit rekening met de bestaande opleidingsprogramma's. Hierbij wordt met name een onderscheid gemaakt tussen het betrokken personeel dat in dienst is op het ogenblik waarop deze wet in werking treedt en het personeel dat later wordt aangeworven.
  § 5. De vaststellende beambten kunnen overgaan tot identiteitscontroles om de naleving van de vervoersvoorwaarden van de spoorwegonderneming en van de bepalingen van deze wet te controleren.
  Indien de personen aan wie wordt gevraagd om zich te identificeren aan de hand van een enig officieel document met foto dat hun identiteit kan aantonen, weigeren of een identiteit opgeven waaraan kan worden getwijfeld, kunnen de vaststellende beambten de hulp van de politiediensten vragen.
  De politiediensten delen de vaststellende beambten binnen een redelijke termijn de identificatiegegevens mee die ze nodig hebben voor het opstellen van hun proces-verbaal.
  § 6. De leden van de veiligheidsdienst kunnen identiteitscontroles uitvoeren overeenkomstig de bepalingen in artikel 34, § 1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt voor de gevallen die bepaald zijn in een samenwerkingsprotocol gesloten tussen de geïntegreerde politie en de veiligheidsdienst.
  ----------
  (1)<W 2019-04-13/17, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 06-05-2019>

  Art. 26. § 1. In het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in deze wet en mits vooraf een machtiging wordt verkregen, respectievelijk van het Sectoraal Comité van het Rijksregister en het Sectoraal Comité voor de Federale Overheid:
  - hebben de vaststellende beambten wier functie het vereist en de bestraffende beambten toegang tot het Rijksregister;
  - hebben het personeel van de veiligheidsdienst en de bestraffende beambten toegang tot de Kruispuntbank van de Voertuigen.
  § 2. De stationsbeheerder, de infrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming zorgen als verantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens, voor de bewaring van de persoonsgegevens die gebruikt worden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in deze wet, in een apart en beveiligd bestand.
  De vaststellende beambte, de bestraffende beambte evenals het eventueel toegewezen administratief personeel zijn gemachtigd om toegang te hebben tot het bestand bedoeld in het vorig lid.
  De verwerking van de persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in deze wet, strekt ertoe dat de vaststellingen van de overtredingen en de boetes die er mogelijk uit voortvloeien alsook de uitvoering ervan, beheerd worden.
  De persoonsgegevens die vermeld worden in de processen-verbaal en de vastellingen van overtreding moeten toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn uitgaande van de doeleinden waarvoor ze worden verkregen.
  De overtreders beschikken over een toegangsrecht en een recht van verbetering van de gegevens die hen aangaan.
  § 3. De persoonsgegevens die in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in deze wet worden verwerkt, worden gedurende vijf jaar bewaard, te rekenen vanaf de datum waarop de administratieve geldboete werd opgelegd of de alternatieve maatregel werd genomen. Zodra deze termijn verstreken is, worden zij vernietigd of geanonimiseerd.

  Art. 27. De leden van het operationeel kader van de politiediensten evenals de vaststellende beambten mogen het vervoerbewijs afnemen van eenieder die deze wet overtreedt, in de gevallen waarin de vervoersvoorwaarden van de betrokken spoorwegonderneming voorzien.

  TITEL 4. - Sancties en andere maatregelen

  HOOFDSTUK 1. - Algemeen

  Art. 28. § 1. Overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten worden bestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met geldboete van minstens 26 euro of met slechts een van deze straffen.
  Onverminderd het eerste lid, in afwijking van artikel 29 en zonder afbreuk te doen aan artikel 32, § 1, kan eenieder die artikel 15, 1°, méér dan negen keer overtreden heeft tijdens een periode van twaalf maanden of minder, gestraft worden met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en geldboete van 1 000 euro, of met slechts één van deze straffen, vanaf de tiende overtreding binnen dezelfde termijn.
  § 2. Alle bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van de bepalingen van het hoofdstuk VII en het artikel 85, waarvan bij deze wet niet wordt afgeweken, zijn van toepassing op de overtredingen waarin deze wet en haar uitvoeringsbesluiten voorzien.

  Art. 29. In afwijking van artikel 28 en overeenkomstig de procedure bedoeld in Titel IV, Hoofdstuk III, worden de overtredingen van de artikelen 3, 8, 4° en 5°, 9, 11, § 2, 1°, 13, 4°, 15, 17 en 18, bestraft met een administratieve geldboete.

  Art. 30. In afwijking van artikel 28 en overeenkomstig de procedure bedoeld in Titel IV, Hoofdstuk III, kunnen de overtredingen van de artikelen 5 tot 7, 8, 1° tot 3°, 10, 11, § 2, 2 °, 12, 13, 1° tot 3° en 5°, 16, 20 tot 23, 35, 36, § 2, bestraft worden ofwel met straffen bepaald in artikel 28 ofwel met een administratieve geldboete.

  Art. 31. § 1. De overtredingen van de artikelen 3, 8, 4° en 5°, 9, 11, § 2, 1°, 13, 3°, 15, 2° en 17 worden beschouwd als overtredingen van categorie 1.
  Ze kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete van 50 euro.
  Wanneer binnen de driehonderd vijfenzestig dagen na de vaststelling van de eerste overtreding een identieke tweede overtreding wordt begaan, dan kan deze bestraft worden met een administratieve geldboete van 75 euro. Dezelfde overtredingen die vervolgens binnen de vermelde periode worden begaan, kunnen bestraft worden met een administratieve geldboete van 150 euro.
  § 2. De overtredingen van de artikelen 5, 5° en 6°, 7, 1°, 8, 1°, 10, 12, 2° en 3°, 13, 4° en 5°, 35 en 36, § 2, worden beschouwd als overtredingen van categorie 2.
  Ze kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete van 100 euro.
  Wanneer binnen driehonderd vijfenzestig dagen na de vaststelling van de eerste overtreding een identieke tweede overtreding wordt begaan, dan kan deze bestraft worden met een administratieve geldboete van 250 euro. Dezelfde overtredingen die vervolgens binnen de vermelde periode worden begaan, kunnen bestraft worden met een administratieve geldboete van 350 euro.
  § 3. De overtredingen van de artikelen 15, 1° en 18 worden beschouwd als overtredingen van categorie 3.
  Ze kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete van 250 euro.
  Dezelfde overtreding die binnen driehonderd vijfenzestig dagen na de vaststelling van de eerste overtreding wordt begaan, kan worden bestraft met een administratieve geldboete van 500 euro.
  § 4. De overtredingen van de artikelen 5, 1° tot 4°, 6, 7, 2° tot 5°, 8, 2° en 3°, 11, § 2, 2°, 12, 1°, 4° en 5°, 13, 1° en 2°, 16, 20 tot 23 worden beschouwd als overtredingen van categorie 4.
  Ze kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete van 300 euro.
  Wanneer binnen driehonderd vijfenzestig dagen na de vaststelling van de eerste overtreding een identieke tweede overtreding wordt begaan, dan kan deze bestraft worden met een administratieve geldboete van 500 euro. Dezelfde overtredingen die vervolgens binnen de vermelde periode worden begaan, kunnen bestraft worden met een administratieve geldboete van 500 euro.
  § 5. Minderjarigen die de in artikelen 29 of 30 bedoelde overtreding begaan en die op het tijdstip van de feiten de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt, kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete waarvan het maximumbedrag is vastgesteld op 175 euro.

  Art. 32. § 1. De strafvordering of de administratieve vordering met betrekking tot de overtreding van de artikelen 15, 1°, 16 en 18 vervalt door de betaling aan de spoorwegonderneming van de prijs van het vervoerbewijs en van de forfaitaire vergoedingen die bepaald zijn in haar vervoersvoorwaarden.
  Deze betaling moet worden verricht binnen de door de spoorwegonderneming aan de overtreder toegekende termijn. Indien de overtreder het van de betrokken spoorwegonderneming ontvangen voorstel tot regularisatie niet nakomt, zal er tegen hem een vaststelling of een proces-verbaal worden opgesteld dat, afhankelijk van het geval, gezonden wordt aan de bevoegde bestraffende beambte of aan de procureur des Konings.
  § 2. De strafvervolging of de administratieve vervolging met betrekking tot de overtreding van de artikelen 20 tot 23 kan slechts aanvangen wanneer de overtreder geen gevolg heeft gegeven aan twee opeenvolgende waarschuwingen die hem met aangetekende brief van de infrastructuurbeheerder werden toegestuurd en die hem per waarschuwing minstens een termijn van vijftien dagen moet geven om zijn situatie in orde te brengen.

  HOOFDSTUK 2. - Bijzondere bepalingen

  Afdeling 1. - Bijkomende gerechtelijke straffen

  Art. 33. Onverminderd de hoofdstraffen en -sancties waarin de wet voorziet, kan de rechter de toegang tot het geheel of een deel van de exploitaties van de stationsbeheerder, de infrastructuurbeheerder of een of meer spoorwegondernemingen ontzeggen voor een periode van vijftien dagen tot een jaar, aan de persoon die schuldig wordt bevonden aan een overtreding van de artikelen 327 tot 330, van een van de artikelen van Boek II, Titel VIII, of van de artikelen 461, 463 en 466 tot 476 van het Strafwetboek, gepleegd in een trein, een station of aanhorigheid van deze.
  Vanaf de tiende overtreding binnen een periode van driehonderdvijfenzestig dagen kan ook de rechter, op grond van de artikelen 29 en 30, de overtreder het in het eerste lid bedoelde verbod opleggen. In geval van herhaling bedraagt de in het eerste lid bepaalde verbodsperiode maximaal twee jaar.

  Art. 34. Onverminderd de door de wet bepaalde hoofdstraffen en -sancties, zullen de personen die een inbreuk plegen op de maatregelen betreffende de instandhouding van de spoorwegen en de veilige exploitatie ervan negeren, op vordering van het openbaar ministerie, bovendien veroordeeld worden tot het wegruimen, binnen een bij het vonnis te bepalen termijn, van alle onwettig aangelegde beplantingen, stapels of werken van om het even welke aard.
  Bij het vervallen van de termijn die in het vonnis is bepaald, kan de infrastructuurbeheerder de onwettig bestaande beplantingen, stapels of werken van ambtswege doen wegruimen op kosten van de overtreder.

  Afdeling 2. - Alternatieve of bijkomende administratieve maatregelen

  Art. 35. Onverminderd de door de wet bepaalde hoofdstraffen en -sancties, is ieder persoon die de bepalingen van deze wet overtreedt, verplicht zodra hij daartoe aangemaand wordt door de leden van het operationeel kader van de politiediensten evenals door de vaststellende beambten, het spoorvoertuig, het station of de spoorweginfrastructuur te verlaten.

  Art. 36. § 1. Onverminderd de door de wet bepaalde hoofdstraffen en -sancties, kan de infrastructuurbeheerder de voertuigen of de voorwerpen bedoeld in artikel 5, 3°, laten verwijderen, in voorkomend geval op kosten van de overtreder en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen.
  § 2. Onverminderd de door de wet bepaalde hoofdstraffen en -sancties, dient iedere bestuurder van een stilstaand of geparkeerd voertuig, dat hinderlijk of gevaarlijk is voor het verkeer van reizigers of voertuigen, voor de uitvoering van werken, of voor het spoorverkeer, zijn voertuig te verplaatsen zodra hij daartoe aangemaand wordt door het personeel van de veiligheidsdienst of, naar gelang het geval, het personeel van de stationsbeheerder of van de beheerder van de parking.
  Weigert de bestuurder zijn voertuig te verplaatsen of is hij afwezig, dan kan het personeel bedoeld in het eerste lid het voertuig laten verwijderen. In dat geval wordt het voertuig verplaatst op risico en kosten van de overtreder en de burgerlijk aansprakelijke personen.

  Art. 37. § 1. In afwijking van artikel 34 kan de infrastructuurbeheerder zelf de algehele of gedeeltelijke wegruiming bevelen van de bouwwerken en stapels die dreigen in te vallen, alsmede het vellen van de bomen, die dreigen om te vallen binnen een zone van vijfentwintig meter vanaf de dichtstbijzijnde spoorstaaf en die de veiligheid van personen, treinen of van spoorweginfrastructuur in het gedrang zou brengen.
  De eigenaars moeten dat bevel nakomen. Voeren zij de voorgeschreven werken niet uit binnen de bepaalde tijd, dan worden deze van ambtswege en op hun kosten uitgevoerd.
  In spoedeisende gevallen kan de infrastructuurbeheerder, op kosten van de betrokken eigenaars, zelf van ambtswege overgaan tot de in het eerste lid bedoelde verrichtingen.
  De betaling van de uitgaven die veroorzaakt worden door de in deze paragraaf bedoelde verrichtingen wordt vervolgd als in zaken van Staatsgronden, enkel op basis van een staat opgemaakt door de ambtenaar die de uitvoeringsmaatregelen heeft genomen.
  § 2. Wanneer de infrastructuurbeheerder het voor de veiligheid van de treinen of de instandhoudingvan de spoorwegen noodzakelijk acht, kan hij de wettig bestaande beplantingen, gebouwen, bouwwerken, uithollingen of stapels doen wegruimen mits vooraf tot een in der minne of door de rechter te bepalen schadevergoeding is overgegaan.
  § 3. De toelatingen die de infrastructuurbeheerder in het kader van deze wet geeft, ontslaan de houders van die toelatingen niet van hun aansprakelijkheid in geval van schade of incident.
  § 4. Wanneer een administratieve geldboete kan worden opgelegd in het kader van een overtreding van de bepalingen betreffende de instandhouding van de spoorwegen en de veilige exploitatie ervan, kan de bestraffende beambte de overtreders bovendien bevelen binnen een door hem bepaalde termijn alle onwettig aangelegde beplantingen, stapels of werken weg te ruimen.
  Bij het vervallen van de door de bestraffende beambte vastgestelde termijn, kan de infrastructuurbeheerder de onwettig aangelegde beplantingen, stapels of werken doen wegruimen op kosten van de overtreder.
  § 5. Onverminderd de gerechtelijke en administratieve maatregelen bepaald in de wet, kan de infrastructuurbeheerder zich richten tot de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.
  De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding overeenkomstig de artikelen 1035 tot 1038, 1040 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek.
  Over de vordering wordt uitspraak gedaan niettegenstaande enige strafvervolging uitgeoefend wegens dezelfde feiten.
  Tot de uitspraak van de beslissing met betrekking tot de in het derde lid bedoelde vordering wordt de verjaring van de strafvordering geschorst.

  Art. 38. Van elke persoon die artikel 16 van deze wet overtreedt, kan bovendien het vervoerbewijs worden ingetrokken, tijdelijk of definitief.

  HOOFDSTUK 3. - Procedure

  Afdeling 1. - Strafvorderingsprocedure

  Art. 39. Behalve voor de overtredingen bedoeld in de artikelen 29 en 30 wordt het proces-verbaal ter vaststelling van een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, uiterlijk twee maanden na de vaststelling van de overtreding bezorgd aan de bevoegde procureur des Konings.

  Afdeling 2. - Administratieve procedure

  Art. 40. § 1. De vaststelling of het proces-verbaal van een overtreding bepaald in artikel 29 wordt ten laatste binnen de twee maanden na de vaststelling van de overtreding naar de bestraffende beambte van het bedrijf ten nadele waarvan de vastgestelde overtreding is begaan, verstuurd.
  § 2. Wanneer feiten die enkel bestraft kunnen worden met een administratieve geldboete vastgesteld worden ten laste van minderjarigen, bezorgen de vaststellende beambten steeds een kopie van de vaststellingen aan de bevoegde procureur des Konings.

  Art. 41. § 1. Het proces-verbaal tot vaststelling van een overtreding bepaald in artikel 30 wordt uiterlijk binnen twee maanden na de vaststelling van de overtreding naar de bevoegde procureur des Konings verstuurd.
  Binnen dezelfde termijn wordt ook een kopie van dit proces-verbaal naar de bestraffende beambte van het bedrijf ten nadele waarvan de vastgestelde overtreding is begaan, verstuurd.
  § 2. De procureur des Konings beschikt vanaf de dag van de verzending van het proces-verbaal over een termijn van twee maanden om de bestraffende beambte mee te delen dat er een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek is geopend of dat vervolgingen zijn ingesteld, of dat hij oordeelt het dossier zonder gevolg te moeten klasseren.
  Deze mededeling ontneemt de bestraffende beambte de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen.
  De bestraffende beambte kan slechts een administratieve geldboete opleggen na het verstrijken van deze termijn, of vóór het verstrijken van deze termijn wanneer de procureur des Konings aan de bestraffende beambte heeft laten weten dat hij niet van plan is om de overtreding te vervolgen omdat het opleggen van een administratieve geldboete een meer geschikte maatregel is.
  De bedrijven waarvan de bestraffende beambten afhangen sluiten protocolakkoorden met de procureurs des Konings om deze relaties te regelen en, in het bijzonder, om op voorhand die gedragingen te bepalen die de procureurs des Konings niet van plan zouden zijn te vervolgen omdat een administratieve geldboete een meer geschikte maatregel is.
  De nadere regels en het model van deze protocolakkoorden worden door de Koning vastgesteld.

  Art. 42. § 1. De administratieve geldboete wordt opgelegd door een bestraffende beambte.
  De administratieve sancties die het gevolg zijn van een overtreding die wordt vastgesteld door een politiedienst in het kader van deze wet, worden opgelegd door de bestraffende beambte die bevoegd is voor de overtredingen die worden vastgesteld door de vaststellende beambte van de veiligheidsdienst.
  § 2. De bestraffende beambten bedoeld in deze wet kunnen de voorbereiding van het administratief dossier delegeren aan het personeel van het bedrijf of entiteit waartoe ze behoren, voor zover dit personeel tot een verschillende dienst behoort en onafhankelijk is van de dienst waarvan de vaststellende beambten afhangen.
  Enkel de personeelsleden die beantwoorden aan de voorwaarden inzake selectie, aanwerving, opleiding en kennis bedoeld in artikel 25, § 4 sprake is, kunnen een bevoegdheidsdelegatie krijgen zoals bedoeld in het eerste lid.

  Art. 43. § 1. Wanneer de bestraffende beambte beslist dat de administratieve procedure opgestart dient te worden, deelt hij of zij aan de overtreder, per aangetekende brief, het volgende mee:
  - de feiten die aan de basis liggen van de aanvang van de procedure en hun kwalificatie;
  - de sanctie die hij of zij riskeert;
  - dat de overtreder de mogelijkheid heeft om bij aangetekende brief binnen een termijn van dertig dagen na de datum van kennisgeving zijn verweermiddelen uiteen te zetten, of zijn verweer mondeling uiteen te zetten indien de overtreder minderjarig is; indien hij of zij meerderjarig is, enkel wanneer het gaat over een overtreding bedoeld in artikel 31, § 4;
  - dat de overtreder het recht heeft om zich te laten bijstaan door een raadsman;
  - dat de overtreder het recht heeft om zijn dossier te raadplegen;
  - een kopie van het proces-verbaal of de vaststelling bedoeld, al naargelang het geval, in artikel 40 of 41.
  § 2. Behalve in het geval van een overtreding bedoeld in de artikelen 15 tot 18 die hem voor de vijfde maal of minder ten laste wordt gelegd binnen een periode van twaalf maanden of minder, moet de bestraffende beambte overigens verplicht een aanbod van bemiddeling voorstellen indien de administratieve procedure wordt gestart voor een overtreding begaan door een minderjarige. Indien de uitvoering van een gemeenschapsdienst de aangewezen weg is in het kader van deze bemiddeling, wordt het dossier overgemaakt naar een externe en erkende bemiddelingsinstantie en onafhankelijk van het bedrijf waarvan de bestraffende beambte afhangt. De gemeenschapsdienst die aan de minderjarige wordt voorgesteld, houdt rekening met zijn leeftijd en capaciteiten. Hij mag in elk geval niet meer dan vijftien uur bedragen en moet worden uitgevoerd binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van instemming van de minderjarige met de gemeenschapsdienst.
  Enkel in geval van weigering van het aanbod of falen van de bemiddeling, kan de bestraffende beambte een administratieve sanctie opleggen.
  De aangetekende brief bedoeld in § 1 die het aanbod van bemiddeling bevat alsook iedere andere communicatie of beslissing, wordt verstuurd naar de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en naar de hoofdverblijfplaats van zijn vader en moeder, van zijn voogden of van de personen die de minderjarige overtreder onder hun hoede hebben. Deze partijen beschikken over dezelfde rechten als de overtreder zelf en zij mogen, op hun vraag, de minderjarige vergezellen bij de uitvoering van de gemeenschapsdienst.
  De bestraffende beambte brengt tegelijk de stafhouder van de orde van advocaten op de hoogte, zodat ervoor gezorgd wordt dat de minderjarige door een advocaat bijgestaan kan worden.
  De stafhouder of het bureau voor juridische bijstand stelt een advocaat aan, uiterlijk binnen twee werkdagen na voormelde kennisgeving.
  Deze advocaat is ermee belast de minderjarige tijdens de volledige procedure bij te staan. Een afschrift van het bericht van de kennisgeving aan de stafhouder wordt bij het dossier van de rechtspleging gevoegd.
  Wanneer er een risico op een belangenconflict bestaat, zorgt de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand ervoor dat de betrokkene bijgestaan wordt door een andere advocaat dan die waarop zijn vader en moeder, voogd, of personen die hem onder hun hoede hebben of die een vorderingsrecht hebben, een beroep hebben gedaan.
  § 3. De bemiddeling bedoeld in § 2 gebeurt door een bemiddelaar die aan de minimum voorwaarden voldoet bepaald door de Koning.

  Art. 44. Bij het verstrijken van de termijn van dertig dagen voor het uiteenzetten van de verweermiddelen of, in voorkomend geval, na ontvangst van de verweermiddelen bedoeld in artikel 43, kan de bestraffende beambte een administratieve sanctie opleggen zoals bepaald door deze wet.

  Art. 45. De beslissing om een administratieve sanctie op te leggen wordt met redenen omkleed. De beslissing vermeldt ook het bedrag van de administratieve geldboete en in voorkomend geval de bijkomende maatregelen zoals bedoeld in de artikelen 37, § 4, en 38.
  Indien een persoon gelijktijdig meerdere overtredingen begaat die vatbaar zijn voor een administratieve geldboete, dan worden de bedragen van de administratieve geldboetes die kunnen worden opgelegd samengevoegd, zonder dat het totaalbedrag hoger mag zijn dan het dubbele van het bedrag van de hoogste administratieve geldboete.

  Art. 46. De beslissing om een administratieve sanctie op te leggen wordt per aangetekende brief verstuurd naar het adres van de hoofdverblijfplaats van de overtreder en in het geval van een minderjarige overtreder, zowel naar de hoofdverblijfplaats van de minderjarige als naar de hoofdverblijfplaats van zijn vader en moeder, zijn voogden of de personen die de hoede over hem hebben.
  De vader en de moeder, de voogden of de personen die de hoede over de minderjarige hebben, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboete.

  Art. 47. § 1. Op straffe van onontvankelijkheid wordt binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de dag van betekening van de beslissing van de bestraffende beambte beroep hiertegen ingesteld met een schriftelijk verzoekschrift bij de bevoegde politierechtbank.
  Dit beroep werkt opschortend en de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek zijn erop van toepassing.
  Tegen de beslissing van de rechtbank staat geen hoger beroep open.
  § 2. Wanneer de beslissing genomen wordt tegen een minderjarige, wordt het beroep kosteloos ingesteld bij de bevoegde jeugdrechtbank bij verzoekschrift. Artikel 60 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade is van toepassing.
  Het beroep kan ook worden ingesteld door de vader en moeder, de voogden of de personen die de hoede hebben over de minderjarige. De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de overtreder meerderjarig is geworden op het ogenblik waarop zij zich uitspreekt.
  Wanneer de jeugdrechtbank beslist om de administratieve sanctie te vervangen door een bewakings-, beschermings- of opvoedingsmaatregel zoals bedoeld bij artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade staat tegen haar beslissing hoger beroep open. In dat geval zijn de procedures bepaald door de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade van toepassing voor de feiten die als misdrijf gekwalificeerd worden.

  Art. 48. De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete heeft uitvoerbare kracht na het verstrijken van de termijn voor beroep bepaald in artikel 47.

  Art. 49. De bestraffende beambte kan geen administratieve boete meer opleggen na afloop van een termijn van één jaar volgend op de vaststelling of op het proces-verbaal waarin de overtreding wordt vastgesteld.

  HOOFDSTUK 4. - Inning van de administratieve boete

  Art. 50. Elke administratieve geldboete die werd opgelegd wegens één of meer overtredingen bedoeld in deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt geïnd ten gunste van het bedrijf waarvan de bestraffende beambte afhangt, onverminderd de samenwerkingsovereenkomst bedoeld in artikel 156ter van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.

  TITEL 5. - Slotbepalingen en overgangsbepalingen

  Art. 51. § 1. Artikel 587 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met een 16°, luidende:
  "16°. over de aanvragen bedoeld in artikel 37, § 5, van de wet op de politie van de spoorwegen.".
  § 2. Artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met een 6°, luidende:
  "het beroep tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete bedoeld in de artikelen 29 en 30 van de wet op de politie van de spoorwegen, door de bestraffende beambte die daartoe aangewezen is.".

  Art. 52. § 1. Artikel 36 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade wordt aangevuld met een 7°, luidende:
  "7° van het beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie bedoeld in de artikelen 29 en 30 van de wet op de politie der spoorwegen, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten.".
  § 2. Artikel 38bis van dezelfde wet wordt aangevuld met een 3°, luidende:
  "3° de artikelen 29 en 30 van de wet op de politie van de spoorwegen, indien de minderjarige de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten.".

  Art. 53. Artikel 15 van de wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen wordt aangevuld met een derde lid, luidende:
  "De bemiddeling schorst de procedure inzake het opleggen van een administratieve geldboete aan de reiziger of de gebruiker niet.".

  Art. 54. De wet van 25 juli 1891 houdende herziening der wet van 15 april 1843, op de politie der spoorwegen wordt opgeheven.

  Art. 55. De procedures die lopende zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet blijven onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die van kracht waren op het tijdstip van de inleiding van de procedure.
  Deze wet is enkel van toepassing op de overtredingen die gepleegd werden na de inwerkingtreding ervan.

  Art. 56. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand na die waarin hij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, uitgezonderd de artikelen 2, 17°, 25, 41, § 2 en 43, § 3 die in werking treden de tiende dag na de publicatie van deze wet in het Belgisch Staatsblad.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekend gemaakt.
Gegeven te Brussel, 27 april 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. JAMBON
De Minister van Justitie,
K. GEENS
De Minister van Mobiliteit,
Fr. BELLOT
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 13-04-2019 GEPUBL. OP 06-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 25)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Session 2017-2018 Kamer van volksvertegenwoordigers. - Wetsontwerp, 54-2869, Nr. 1. - Amendement, 54-2869, Nr. 2. - Verslag, 54-2869, Nr. 3. - Artikelen aangenomen in eerste lezing, 54-2869, Nr. 4. - Amendement, 54-2869, Nr. 5. - Verslag, 54-2869, Nr. 6. - Tekst aangenomen door de commissie, 54-2869, Nr. 7. - Amendement, 54-2869, Nr. 8. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, 54-2869, Nr. 9.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie