J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgilex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2017/10/02/2017013687/justel

Titel
2 OKTOBER 2017. - Wet betreffende de harmonisering van het in aanmerking nemen van studieperioden voor de berekening van het pensioen

Bron :
SOCIALE ZEKERHEID
Publicatie : 24-10-2017 nummer :   2017013687 bladzijde : 95753       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2017-10-02/05
Inwerkingtreding : 01-12-2017

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Algemene bepaling
Art. 1
TITEL 2. - Bepalingen betreffende de pensioenen van de overheidssector
HOOFDSTUK 1. - Regularisatie van de studieperioden
Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities
Art. 2
Afdeling 2. - Te regulariseren perioden
Art. 3
Afdeling 3. - Aanvraag tot regularisatie
Art. 4
Afdeling 4. - Regularisatiebijdrage
Art. 5-10
Afdeling 5. - Onderzoek van de aanvraag tot regularisatie
Art. 11
Afdeling 6. - Berekening van het pensioen
Art. 12-13
Afdeling 7. - Machtigingsbepaling
Art. 14
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek
Art. 15-16
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector
Art. 17-18
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs
Art. 19-20
Afdeling 4. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht
Art. 21
Afdeling 5. - Wijziging van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen
Art. 22
HOOFDSTUK 3. - Autonome bepaling
Art. 23
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
Art. 24
TITEL 3. - Bepalingen betreffende de pensioenen van de werknemers
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers
Art. 25-27
HOOFDSTUK 2. - Inwerkingtreding
Art. 28-29
TITEL 4. - Bepalingen betreffende de pensioenen van de zelfstandigen
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen
Art. 30
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, 1, 4, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van Belgi aan de Europese en Monetaire Unie
Art. 31-34
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling
Art. 35
HOOFDSTUK 4. - Toepassing in de tijd en inwerkingtreding
Art. 36-37

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  TITEL 2. - Bepalingen betreffende de pensioenen van de overheidssector

  HOOFDSTUK 1. - Regularisatie van de studieperioden

  Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities

  Art. 2. 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de pensioenen die ten laste zijn van n van de overheden of instellingen bedoeld in artikel 1 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector.
   2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1 "Dienst" : de Federale Pensioendienst bedoeld in artikel 2, 4, van de wet van 18 maart 2016 verkort genoemd "Wet betreffende de Federale Pensioendienst".
  2 "pensioenstelsel van de overheidssector" : een pensioenstelsel waarvan de pensioenen ten laste komen van een van de overheden of instellingen bedoeld in artikel 1 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector;
  3 "rustpensioen" : een rustpensioen ten laste van een pensioenstelsel van de overheidssector;
  4 "overlevingspensioen" : een overlevingspensioen ten laste van een pensioenstelsel van de overheidssector;
  5 "overgangsuitkering" : een overgangsuitkering ten laste van een pensioenstelsel van de overheidssector;
  6 "personeelslid" : een personeelslid bekleed met een vaste of daarmee inzake pensioenen gelijkgestelde benoeming;
  7 "diploma" :
  a) diploma's van universitair en niet-universitair hoger onderwijs en van hoger technisch, beroeps-, zeevaart of kunstonderwijs met volledig leerplan;
  b) diploma's, certificaten of de ermee gelijkgestelde titels behaald na afloop van een leerovereenkomst;
  c) diploma's, certificaten of de ermee gelijkgestelde titels behaald na afloop van de jaren van secundair onderwijs volgend op het zesde jaar secundair;
  d) indien het een in het buitenland behaald diploma, certificaat of ermee gelijkgestelde titel betreft, dient de gelijkwaardigheid ervan met het onder a), b), of c), bedoelde diploma erkend te worden door de bevoegde Belgische overheden;
  8 "studieperioden" :
  a) de volledige perioden van n jaar van universitair en niet-universitair hoger onderwijs en hoger technisch, beroeps-, zeevaart- of kunstonderwijs met volledig leerplan tijdens welke lessen gevolgd zijn die een volledige cyclus omvatten; die studiejaren worden geacht, behoudens tegenbewijs, een aanvang te nemen op 1 september van een jaar en te eindigen op 31 augustus van het volgend jaar;
  b) de perioden tijdens welke een doctoraatsthesis wordt voorbereid;
  c) de perioden van beroepsstages waarvoor het behalen van een diploma bedoeld in 7, a), van dit artikel een voorwaarde is voor de uitvoering ervan en waarbij na de voltooiing een wettelijke erkende beroepskwalificatie wordt toegekend en die niet in aanmerking komen voor het berekenen van een pensioen in een van de Belgische of buitenlandse stelsels van sociale zekerheid;
  d) de perioden tijdens welke een leerovereenkomst loopt en die niet in aanmerking komen voor het berekenen van een pensioen in een van de Belgische of buitenlandse stelsels van sociale zekerheid; elk jaar wordt geacht, behoudens tegenbewijs, een aanvang te nemen op 1 september van een jaar en te eindigen op 31 augustus van het volgend jaar;
  e) de volledige perioden van n jaar tijdens welke jaren van secundair onderwijs volgend op het zesde jaar secundair worden gevolgd; die studiejaren worden geacht, behoudens tegenbewijs, een aanvang te nemen op 1 september van een jaar en te eindigen op 31 augustus van het volgend jaar.
   3. Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op de personen die, op het moment van het indienen van de aanvraag, niet onder n van de verplichte wettelijke pensioenstelsels vallen, op voorwaarde dat ze als laatste de hoedanigheid van personeelslid hebben verworven.

  Afdeling 2. - Te regulariseren perioden

  Art. 3. 1. Op voorwaarde dat er na de voltooiing van de studieperiode respectievelijk een diploma, een doctoraat of een beroepskwalificatie wordt behaald, kan een personeelslid de studieperioden regulariseren als volgt :
  1) de duur van de voor regularisatie vatbare studieperioden bedoeld in artikel 2, 2, 8, a), is beperkt tot het minimumaantal studiejaren dat vereist was voor het behalen van het diploma; de regularisatie is slechts mogelijk voor n enkel diploma; onder "n enkel diploma" wordt het diploma begrepen evenals alle andere daaraan voorafgaande diploma's die vereist waren voor het behalen van dat diploma;
  2) de regularisatie van de in artikel 2, 2, 8, b), bedoelde studieperioden is slechts mogelijk voor ten hoogste twee jaar;
  3) de duur van de studieperioden bedoeld in artikel 2, 2, 8, c), die geregulariseerd mogen worden, is beperkt tot het minimum aantal studieperioden vereist voor het behalen van de beroepskwalificatie;
  4) de regularisatie van de in artikel 2, 2, 8, d), bedoelde studieperioden is slechts mogelijk voor de studieperioden die ten vroegste een aanvang nemen vanaf het jaar van de achttiende verjaardag en is beperkt tot maximum n jaar;
  5) de regularisatie van de in artikel 2, 2, 8, e), bedoelde studieperioden is beperkt tot het minimumaantal studiejaren, volgend op het zesde jaar secundair onderwijs, dat vereist was voor het behalen van het diploma.
   2. De duur van de studieperioden die overeenkomstig paragraaf 1 kunnen worden geregulariseerd, wordt in voorkomend geval verminderd met de kosteloze bonificatie wegens diploma of voorafgaande studies zoals zij voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 393/1 van het Gerechtelijk Wetboek, 36quater van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector of 5quater van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs.

  Afdeling 3. - Aanvraag tot regularisatie

  Art. 4. 1. Om aanspraak te kunnen maken op de regularisatie van de studieperioden moet het personeelslid een schriftelijke of elektronische aanvraag indienen bij de Dienst.
  De aanvraag moet ingediend worden vr de ingangsdatum van het rustpensioen.
  De aanvraag wordt geacht ingediend te zijn op de datum van ontvangst door de Dienst van de aanvraag tot regularisatie.
   2. Een aanvraag tot regularisatie is mogelijk voor alle of voor een deel van de regulariseerbare studieperioden.
  Voor de in artikel 2, 2, 8, a) en e), bedoelde studieperioden kan een aanvraag tot regularisatie uitsluitend ingediend worden voor volledige studiejaren van twaalf maanden.
  In afwijking van het tweede lid kan een aanvraag tot regularisatie ingediend worden voor het gedeelte van het studiejaar dat, wegens de toepassing van artikel 393/1 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 36quater van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector of artikel 5quater van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs, geen aanleiding meer kan geven tot de toekenning van een gratis diplomabonificatie, op voorwaarde dat het betreffende studiejaar in zijn geheel regulari-seerbaar is overeenkomstig de bepalingen van deze titel.
   3. Een personeelslid kan ten hoogste slechts twee aanvragen tot regularisatie indienen, in alle pensioenstelsels.
   4. Een regularisatieaanvraag wordt niet aanvaard in de mate dat zij betrekking heeft op periodes die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een regularisatie in het pensioenstelsel van de werknemers of de zelfstandigen.
   5. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, worden de ambtenaren die diensten presteren als tijdelijke personeelsleden van het onderwijs of als statutaire ambtenaren in stage die nog niet zijn onderworpen aan een pensioenstelsel van de overheidssector beschouwd als personeelsleden in de zin van artikel 2, 2, 6.
  De uitgevoerde regularisaties zullen hun uitwerking hebben in een pensioenstelsel van de overheidssector, voor zover deze ambtenaren, na deze diensten, worden vastbenoemd en dat hun aanvraag tot regularisatie werd ingediend hetzij binnen de 10 jaar die volgden op het behalen van het diploma, het doctoraat of de beroepskwalificatie, hetzij vr 1 december 2020.
  Indien de voorwaarden zoals bedoeld in het tweede lid niet worden voldaan, zal de regularisatie haar uitwerking hebben in het pensioenstelsel van de werknemers.
   6. In geval van toepassing van het artikel 46, 4, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, heeft de regularisatie van het personeelslid die door dit artikel wordt beoogd uitwerking in het pensioenstelsel van de werknemers.

  Afdeling 4. - Regularisatiebijdrage

  Art. 5. De regularisatie van de studieperioden krijgt pas uitwerking, vanaf de ingangsdatum van het pensioen, na betaling van de verschuldigde regularisatiebijdrage, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.

  Art. 6. 1. De regularisatiebijdrage wordt per te regulariseren periode van 12 maanden vastgesteld op 1 500 EUR.
  Dit bedrag schommelt op de wijze vastgesteld door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Voor de toepassing van deze titel is dit gekoppeld aan de verhogingscofficint van kracht op 1 december 2017 en bevat het de verhoging verbonden aan deze cofficint.
  Het bedrag dat in aanmerking moet worden genomen is datgene dat op de datum van het indienen van de aanvraag tot regularisatie, resulteert uit de toepassing van de leden 1 en 2.
   2. Voor de berekening van de verschuldigde regularisatiebijdrage voor de studieperioden bedoeld in artikel 2, 2, 8, a) en e) omvat elk studiejaar twaalf maanden, behalve in geval van toepassing van artikel 4, 2, derde lid. Voor de studieperioden bedoeld in artikel 2, 2, 8, b), c) en d), evenals in geval van toepassing van artikel 4, 2, derde lid, wordt de verschuldigde bijdrage vastgesteld naargelang de duur van de te regulariseren periode.
   3. Indien de aanvraag tot regularisatie wordt ingediend na het verstrijken van een termijn van tien jaar vanaf het behalen van het diploma, het doctoraat of de beroepskwalificatie, komt de regularisatiebijdrage overeen met een percentage van de huidige waarde, op de datum waarop de aanvraag tot regularisatie werd ingediend van de verhoging van het rustpensioenbedrag dat overeenkomt met de studieperioden waarop de aanvraag tot regularisatie betrekking heeft, berekend met een intrestvoet en sterftetafels, en rekening houdend met de referentiewedde die als basis dient voor de pensioenberekening zoals gekend op het moment van het indienen van de aanvraag tot regularisatie.
  De Koning preciseert het percentage van de huidige waarde dat in aanmerking wordt genomen zonder dat dit lager mag liggen dan 50 %, de intrestvoet van de actualisatie en de sterftetafels die worden gebruikt voor de berekening van de huidige waarde alsook de leeftijd vanaf wanneer het rustpensioenbedrag betaald geacht wordt.
  Elke aanvraag die regelmatig werd ingediend vr 1 december 2020 wordt beschouwd als zijnde ingediend binnen de termijn van tien jaar bedoeld in het eerste lid.

  Art. 7. De storting van de regularisatiebijdrage gebeurt in n keer, binnen zes maanden vanaf de datum van de in artikel 11 bedoelde regularisatiebeslissing.

  Art. 8. De storting van de regularisatiebijdrage wordt verricht bij de Dienst die deze vervolgens zal toewijzen aan het pensioenstelsel van de overheidssector dat van toepassing is op het personeelslid op het ogenblik van het indienen van zijn aanvraag tot regularisatie.
  Nadien zal geen enkele overdracht van bijdragen uitgevoerd worden tussen de onderscheiden pensioenstelsels van de overheidssector. Met uitzondering van de overdrachten bedoeld in de wet van 10 februari 2003 tot regeling van overdracht van pensioenrechten tussen de Belgische pensioenregelingen en die van instellingen van internationaal publiek recht, zal nadien geen enkele overdracht van bijdragen uitgevoerd worden naar andere Belgische of buitenlandse pensioenstelsels van sociale zekerheid.

  Art. 9. De overeenkomstig deze afdeling gestorte regularisatiebijdrage kan in geen geval worden terugbetaald.

  Art. 10. 1. In afwijking van artikel 6, 1, wordt de verschuldigde regularisatiebijdrage verminderd met vijftien pct. indien de aanvraag tot regularisatie wordt ingediend tussen 1 december 2017 en 30 november 2019.
   2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de personen die vast benoemd werden of daarmee gelijkgesteld na 1 december 2017.

  Afdeling 5. - Onderzoek van de aanvraag tot regularisatie

  Art. 11. 1. De Dienst onderzoekt de aanvraag tot regularisatie en betekent zijn beslissing.
  Vanaf de betekening van de regularisatiebeslissing is het personeelslid, ten opzichte van de Dienst, ertoe gehouden om de regularisatiebijdrage te storten voor de in die beslissing vermelde studieperioden.
   2. Alvorens zijn regularisatiebeslissing te betekenen, deelt de Dienst het personeelslid het totaalbedrag mee van de bijdrage die hij zal moeten storten, rekening houdend met de studieperioden waarvoor het personeelslid een aanvraag tot regulariseren heeft ingediend en, desgevallend, voor de volledige regulariseerbare studieperiode.
  Zo het personeelslid ervoor kiest om meer of minder studieperioden te regulariseren dan vermeld in zijn aanvraag, deelt de Dienst hem het bedrag mee van de bijdrage die hij zal moeten storten, berekend in functie van de door het personeelslid gemaakte keuze.
   3. De regularisatiebeslissing van de Dienst houdt rekening met de keuze die het personeelslid heeft gemaakt nadat hij de in paragraaf 2 bedoelde inlichtingen heeft ontvangen.
  Indien het personeelslid niet betaalt binnen de termijn bepaald in artikel 7 wordt zijn regularisatieaanvraag definitief afgesloten.

  Afdeling 6. - Berekening van het pensioen

  Art. 12. Elke geregulariseerde studieperiode wordt voor de berekening van het rustpensioen dat ten vroegste vanaf 1 december 2018 ingaat in aanmerking genomen naar rato, per jaar, van 1/60e van de referentiewedde die als grondslag dient voor de berekening van het pensioen.
  In afwijking van het eerste lid, wordt het tantime 1/60e vervangen door het tantime 1/55e voor de personen die de leeftijd hebben van 55 jaar of meer in 2017 en die aanspraak kunnen maken op het genot van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs.
  Elke geregulariseerde studieperiode wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van de rechthebbenden van het personeelslid die ten vroegste vanaf 1 december 2018 ingaan.

  Art. 13. De verhoging van het bedrag van het rustpensioen, van de overgangsuitkering of van het overlevingspensioen, die voortvloeit uit de in aanmerkingneming van de geregulariseerde studieperiodes maakt integraal deel uit van het pensioen of de overgangsuitkering.

  Afdeling 7. - Machtigingsbepaling

  Art. 14. De Koning kan de in dit hoofdstuk bepaalde termijnen wijzigen met uitzondering van de termijnen bedoeld in de artikelen 4, 5, tweede lid, 6, 3, en 10, 1.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingsbepalingen

  Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek

  Art. 15. In de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015, wordt een artikel 393/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 393/1. 1. De vier jaar werkelijke dienst in de magistratuur bedoeld in artikel 393, 1, wordt, voor de berekening van het bedrag van de pensioenen die ingaan vanaf 1 december 2018, verminderd overeenkomstig deze paragraaf.
  De in het eerste lid bedoelde duur van vier jaar wordt slechts in aanmerking genomen ten belope van de verhouding tussen, enerzijds, de in maanden uitgedrukte duur van de pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden die de magistraat op 1 december 2017 heeft bereikt en, anderzijds, het getal 540. Het resultaat wordt naar beneden toe afgerond tot gehele maanden.
  Onder "pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden" moet worden verstaan de dienstjaren vastgesteld overeenkomstig artikel 46, 1, eerste lid, 1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, met uitsluiting van elke tijdsbonificatie wegens diploma of voorafgaande studies en van de in het eerste lid bedoelde duur van vier jaar en zonder de toepassing van de verhogingscofficinten bedoeld in artikel 46, 3/1, van de voormelde wet van 15 mei 1984.
   2. In geval van toepassing van paragraaf 1 wordt geen rekening gehouden met de volgende bepalingen :
  - artikel 2, 1, eerste lid, c), van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht;
  - artikel 49, 2, 1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
   3. Ongeacht de werkelijke ingangsdatum van het pensioen, is de in paragraaf 1 vermelde vermindering niet van toepassing op het rustpensioen van de magistraat die op een bepaald ogenblik de voorwaarden vervulde om uiterlijk op 1 december 2018 een vervroegd rustpensioen te verkrijgen, noch op de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van zijn rechthebbenden.".

  Art. 16. In de voormelde wet van 10 oktober 1967 wordt een artikel 393/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 393/2. Artikel 393, 1, is niet meer van toepassing voor de berekening van het bedrag van de rustpensioenen die vanaf 1 december 2018 ingaan van de magistraten die na 1 december 2017 een vaste of daarmee gelijkgestelde benoeming in de magistratuur hebben verkregen of die na die datum als gerechtelijk stagiair werden aangesteld, noch voor de berekening van het bedrag van de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van hun rechthebbenden.".

  Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector

  Art. 17. In de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 2016, wordt een artikel 36quater ingevoegd, luidende :
  "Art. 36quater. 1. De duur voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 33, 34 en 34bis wordt, voor de berekening van het bedrag van de pensioenen die ingaan vanaf 1 december 2018, verminderd overeenkomstig deze paragraaf.
  De in het eerste lid bedoelde duur wordt slechts in aanmerking genomen ten belope van de verhouding tussen, enerzijds, de in maanden uitgedrukte duur van de pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden die het personeelslid op 1 december 2017 heeft bereikt en, anderzijds, het getal 540. Het resultaat wordt naar beneden toe afgerond tot gehele maanden.
  Onder "pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden" moet worden verstaan de dienstjaren vastgesteld overeenkomstig artikel 46, 1, eerste lid, 1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, met uitsluiting van elke tijdsbonificatie wegens diploma of voorafgaande studies en zonder de toepassing van de verhogingscofficinten bedoeld in artikel 46, 3/1, van de voormelde wet van 15 mei 1984.
   2. In geval van toepassing van paragraaf 1 wordt geen rekening gehouden met de volgende bepalingen :
  - de artikelen 34quater en 35;
  - artikel 2, 1, eerste lid, c), van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht;
  - artikel 49, 2, 1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
   3. Ongeacht de werkelijke ingangsdatum van het pensioen, is de in paragraaf 1 vermelde vermindering niet van toepassing op het rustpensioen van het personeelslid dat op een bepaald ogenblik de voorwaarden vervulde om uiterlijk op 1 december 2018 een vervroegd pensioen te verkrijgen, noch op de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van zijn rechthebbenden.
   4. De vermindering bedoeld in paragraaf 1 is niet van toepassing :
  - op de personen die zich op eigen aanvraag op 1 december 2017 in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan de oppensioenstelling of in een vergelijkbare situatie bevinden;
  - op de personen die, indien zij de aanvraag ertoe hadden ingediend, in een volledige of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan het pensioen of een gelijkaardige situatie hadden kunnen worden geplaatst ten laatste op 1 december 2017.
  De situaties die aanleiding geven tot de toepassing van het eerste lid zijn deze bedoeld in de lijst opgesteld door de Koning ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de wet van 28 april 2015 houdende bepalingen betreffende de pensioenen van de publieke sector. Niettemin mag de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beslissen sommige situaties te schrappen of er nieuwe voorzien die nog niet zijn opgenomen in de lijst.".

  Art. 18. In de voormelde wet van 9 juli 1969 wordt een artikel 36quinquies ingevoegd, luidende :
  "Art. 36quinquies. De artikelen 33 en 34bis zijn niet meer van toepassing voor de berekening van het bedrag van de rustpensioenen die vanaf 1 december 2018 ingaan van de personeelsleden die na 1 december 2017 een vaste of daarmee gelijkgestelde benoeming hebben verkregen, noch voor de berekening van het bedrag van de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van hun rechthebbenden.".

  Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs

  Art. 19. In de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2015, wordt een artikel 5quater ingevoegd, luidende :
  "Art. 5quater. 1. De duur voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 2 en 2bis wordt, voor de berekening van het bedrag van de pensioenen die ingaan vanaf 1 december 2018, verminderd overeenkomstig deze paragraaf.
  De in het eerste lid bedoelde duur wordt slechts in aanmerking genomen ten belope van de verhouding tussen, enerzijds, de in maanden uitgedrukte duur van de pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden die het personeelslid op 1 december 2017 heeft bereikt en, anderzijds, het getal 540. Het resultaat wordt naar beneden toe afgerond tot gehele maanden.
  Onder "pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden" moet worden verstaan de dienstjaren vastgesteld overeenkomstig artikel 46, 1, eerste lid, 1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, met uitsluiting van elke tijdsbonificatie wegens diploma of voorafgaande studies en zonder de toepassing van de verhogingscofficinten bedoeld in artikel 46, 3/1, van de voormelde wet van 15 mei 1984.
   2. In geval van toepassing van paragraaf 1 wordt geen rekening gehouden met de volgende bepalingen :
  - de artikelen 3 en 4;
  - artikel 2, 1, eerste lid, c), van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht;
  - artikel 49, 2, 1, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
   3. Ongeacht de werkelijke ingangsdatum van het pensioen, is de in paragraaf 1 vermelde vermindering niet van toepassing op het rustpensioen van het personeelslid dat op een bepaald ogenblik de voorwaarden vervulde om uiterlijk op 1 december 2018 een vervroegd rustpensioen te verkrijgen, noch op de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van zijn rechthebbenden.
   4. De vermindering bedoeld in paragraaf 1 is niet van toepassing :
  - op de personen die zich op eigen aanvraag op 1 december 2017 in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan de oppensioenstelling of in een vergelijkbare situatie bevinden;
  - op de personen die, indien zij de aanvraag ertoe hadden ingediend, in een volledige of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan het pensioen of een gelijkaardige situatie hadden kunnen worden geplaatst ten laatste op 1 december 2017.
  De situaties die aanleiding geven tot de toepassing van het eerste lid zijn deze bedoeld in de lijst opgesteld door de Koning ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de wet van 28 april 2015 houdende bepalingen betreffende de pensioenen van de publieke sector. Niettemin mag de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beslissen sommige situaties te schrappen of er nieuwe voorzien die nog niet zijn opgenomen in de lijst.".

  Art. 20. In de voormelde wet van 16 juni 1970 wordt een artikel 5quinquies ingevoegd, luidende :
  "Art. 5quinquies. De artikelen 2 en 2bis zijn niet meer van toepassing voor de berekening van het bedrag van de rustpensioenen die vanaf 1 december 2018 ingaan van de personeelsleden die na 1 december 2017 een vaste of daarmee gelijkgestelde benoeming hebben verkregen of die na die datum als tijdelijk statutair personeelslid werden aangesteld in een onderwijsinstelling bedoeld in artikel 1, noch voor de berekening van het bedrag van de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van hun rechthebbenden.".

  Afdeling 4. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht

  Art. 21. In artikel 2, 1, eerste lid, c), van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 mei 2014, worden de woorden ", met uitsluiting van de tijdsbonificatie wegens studieperioden die het voorwerp heeft uitgemaakt van een validering ten bezwarende titel," ingevoegd tussen de woorden "vergoede periode" en de woorden "wordt in aanmerking genomen".

  Afdeling 5. - Wijziging van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen

  Art. 22. In artikel 5 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, gewijzigd bij de wetten van 21 mei 1991 en 3 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1 paragraaf 2 wordt opgeheven;
  2 paragraaf 3 word aangevuld met het volgende lid :
  "De huidige paragraaf is niet meer van toepassing op de overlevingspensioenen die ingaan vanaf 1 december 2018 behalve indien de overleden echtgenoot voor die datum genoten heeft van een rustpensioen of indien de overleden echtgenoot zou hebben genoten van een rustpensioen berekend in toepassing van artikels 393/1, 3, van het Gerechtelijk Wetboek, 36quater, 3, van de voormelde wet van 9 juli 1969 of 5quater, 3, van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van de leden van het onderwijs en het diploma bedoeld in de huidige paragraaf niet geheel of gedeeltelijk onder bezwarende titel werd gevalideerd overeenkomstig de wet van 2 oktober 2017 betreffende de harmonisering van het in aanmerking ne-men van studieperioden voor de berekening van het pensioen.".

  HOOFDSTUK 3. - Autonome bepaling

  Art. 23. De artikelen 36quater en 36quinquies van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, zijn van toepassing op elke studieperiode of ermee gelijkgestelde periode die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het bedrag van een pensioen bedoeld in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen of in artikel 80 van de wet van 3 februari 2003 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector.

  HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding

  Art. 24. Deze titel treedt in werking op 1 december 2017, met uitzondering van artikel 22, dat in werking treedt op 1 december 2018.

  TITEL 3. - Bepalingen betreffende de pensioenen van de werknemers

  HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers

  Art. 25. In artikel 3, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 maart 2016, wordt de bepaling onder 4 vervangen als volgt :
  "4 bepaalt onder welke voorwaarden de werknemer de gelijkstelling met arbeidsperioden kan bekomen voor de perioden tijdens welke hij studin heeft gedaan en voor de perioden tijdens welke hij onder een leerovereenkomst viel; Hij kan bepalen welke activiteiten van educatieve of vormende aard als studin beschouwd worden; Hij kan eveneens de voorwaarden en regelen bepalen volgens welke bijdragen moeten worden betaald en volgens welke deze betaalde bijdragen eventueel kunnen worden terugbetaald.".

  Art. 26. In artikel 7 van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 november 2015, wordt het derde lid aangevuld met de volgende zin :
  "Hetzelfde geldt voor de lonen met betrekking tot de geregulariseerde perioden krachtens artikel 3, eerste lid, 4. ".

  Art. 27. Voor de personen voor wie de termijn van tien jaar vanaf het einde van hun studies is verlopen op de datum van inwerkingtreding van deze wet, voorziet de Koning in een overgangsmaatregel die enkel betrekking kan hebben op de studieperioden vanaf 1 januari van het jaar van hun twintigste verjaardag.

  HOOFDSTUK 2. - Inwerkingtreding

  Art. 28. Deze titel is van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 december 2018 ingaan, met uitzondering van de overlevingspensioenen berekend op basis van rustpensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten laatste op 1 november 2018 ingegaan zijn.

  Art. 29. Deze titel treedt in werking op 1 december 2017.

  TITEL 4. - Bepalingen betreffende de pensioenen van de zelfstandigen

  HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen

  Art. 30. In artikel 14, 1, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1 in het tweede lid worden de woorden "evenals deze tijdens welke hij verbonden was door een door de Regering erkend en gecontroleerd leercontract" opgeheven;
  2 het derde lid wordt vervangen als volgt :
  "De gelijkstellingen bedoeld in deze paragraaf kunnen afhankelijk gemaakt worden van de betaling van een bijdrage. De Koning kan de voorwaarden bepalen waaronder die bijdrage kan terugbetaald worden.".

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, 1, 4, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van Belgi aan de Europese en Monetaire Unie

  Art. 31. In art. 5, 3, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, 1, 4, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van Belgi aan de Europese en Monetaire Unie, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 januari 2006, wordt de bepaling onder 2 vervangen als volgt :
  "2 de fictieve inkomsten waarmee rekening dient te worden gehouden voor de tijdvakken die door de Koning worden gelijkgesteld ter uitvoering van artikel 14, 1, van het koninklijk besluit nr. 72."

  Art. 32. In artikel 6 van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1 paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
  " 1. Met het oog op de berekening van het rustpensioen wordt de teller van de breuk die de loopbaan uitdrukt, bedoeld in artikel 4, 1, in vijf delen opgesplitst :
  1 een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
  2 een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vr 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
  3 een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vr 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
  4 een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vr 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
  5 een vijfde deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25. ";
  2 in paragraaf 4 worden de woorden "bedoeld in 1, 4 " vervangen door de woorden "bedoeld in 1, 4 en 5 ".

  Art. 33. In artikel 9 van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1 paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
  " 1. Met het oog op de berekening van het overlevingspensioen wordt de teller van de breuk die de loopbaan uitdrukt, bedoeld in artikel 7, 1, in vijf delen opgesplitst :
  1 een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
  2 een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vr 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
  3 een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vr 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
  4 een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vr 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
  5 een vijfde deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.";
  2 in paragraaf 4 worden de woorden "bedoeld in 1, 4 " vervangen door de woorden "bedoeld in 1, 4 en 5 ".

  Art. 34. In artikel 9bis van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1 paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
  " 1. Met het oog op de berekening van de overgangsuitkering wordt de teller van de breuk die de loopbaan van de overleden echtgenoot uitdrukt, bedoeld in artikel 7bis, 1, in vijf delen opgesplitst :
  1 een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
  2 een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vr 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
  3 een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vr 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
  4 een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vr 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
  5 een vijfde deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25. ";
  2 in paragraaf 5 worden de woorden "bedoeld in 1, 4 " vervangen door de woorden "bedoeld in 1, 4 en 5 ".

  HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling

  Art. 35. Artikel 14, 1, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen en artikelen 6, 1 en 4, 9, 1 en 4, en 9bis, 1 en 5, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, 1, 4, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van Belgi aan de Europese en Monetaire Unie, blijven van toepassing in de versie die van toepassing was voor de datum van inwerkingtreding van deze titel, indien de aanvrager vr 1 december 2020 ervoor kiest om de aanvraag tot gelijkstelling in te dienen onder de voorwaarden die vr die datum van inwerkingtreding golden.

  HOOFDSTUK 4. - Toepassing in de tijd en inwerkingtreding

  Art. 36. Deze titel is van toepassing op de aanvragen tot gelijkstelling die vanaf 1 december 2017 ingediend worden, voor de pensioenen die daadwerkelijk ten vroegste op 1 december 2018 ingaan, met uitzondering van de overlevingspensioenen berekend op basis van rustpensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten laatste op 1 november 2018 ingegaan zijn.
  In afwijking van het vorige lid is artikel 31 van deze wet van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 ingaan.

  Art. 37. Deze titel treedt in werking op 1 december 2017, met uitzondering van artikel 31, dat uitwerking heeft op 1 juli 1997.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 2 oktober 2017.
FILIP
Van Koningswege :
De minister van Pensioenen,
D. BACQUELAINE
De minister van Zelfstandigen,
D. DUCARME
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 0184 - 54-2378 Integraal verslag : 21 september 2017

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie