J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2017/02/17/2017011585/justel

Titel
17 FEBRUARI 2017. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-04-2017 en tekstbijwerking tot 25-01-2019) Zie wijziging(en)

Bron : VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 18-04-2017 nummer :   2017011585 bladzijde : 51524       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2017-02-17/18
Inwerkingtreding : 01-01-2019

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Definities
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Subsidievoorwaarden
Afdeling 1. - Maatwerkbedrijven
Art. 2-7
Afdeling 2. - Maatwerkafdelingen
Art. 8-11
HOOFDSTUK 3. - Indicering van de doelgroepwerknemers
Art. 12-13
HOOFDSTUK 4. - Evaluatie van de behoefte aan werkondersteunende maatregelen
Art. 14-16
HOOFDSTUK 5. - Aanvraag van ondersteuning
Afdeling 1. - Aanmelding
Art. 17-25
Afdeling 2. - Aanvraag tot toekenning van een contingent van werkondersteunende maatregelen
Art. 26-31
HOOFDSTUK 6. - Werkondersteunende maatregelen
Art. 32
Afdeling 1. - Loonpremie
Art. 33-39
Afdeling 2. - Begeleiding op de werkvloer
Art. 40-49
Afdeling 3. - Werkondersteunende maatregelen bij aanwerving
Art. 50-51
Afdeling 4. - Uitsluitingsgronden
Art. 52
HOOFDSTUK 7. - Organisatieondersteunende maatregelen
Art. 53-56
HOOFDSTUK 8. - Gemeenschappelijke subsidiebepalingen
Art. 57-64
HOOFDSTUK 9. - Doorstroom
Afdeling 1. - Beoordeling van de kansen op doorstroom
Art. 65
Afdeling 2. - Interne doorstroom
Art. 66
Afdeling 3. - Externe doorstroom
Art. 67
Onderafdeling 1. - Doorstroombegeleiding
Art. 68-71
Onderafdeling 2. - Mandaat tot doorstroombegeleiding
Art. 72-76
Onderafdeling 3. - Vergoeding van de doorstroombegeleiding
Art. 77-78
HOOFDSTUK 10. - Enclavewerking
Art. 79-80
HOOFDSTUK 11. - Adviescommissie Sociale Economie
Art. 81-88
HOOFDSTUK 12. - Toezicht, handhaving en sancties
Art. 89-90
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingsbepalingen
Art. 91-105
HOOFDSTUK 14. - Slotbepalingen
Art. 106-111

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Definities

  Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° Adviescommissie Sociale Economie: de Adviescommissie Sociale Economie, vermeld in artikel 35 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
  2° beschutte werkplaats: de beschutte werkplaats, erkend conform artikel 79 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van het decreet van 12 juli 2013;
  3° DAEB-besluit van 20 december 2011: het besluit (EG) nr. 2012/2l/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen;
  4° decreet van 12 juli 2013: het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
  5° departement: het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie;
  6° kwaliteitsmanagementsysteem: een hulpmiddel dat het management van het maatwerkbedrijf ondersteunt bij de kwaliteitsvolle bedrijfsvoering;
  7° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie;
  8° sociale werkplaats: de sociale werkplaats, erkend overeenkomstig het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van het decreet van 12 juli 2013;
  9° verordening (EG) nr. 651/2014: de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieėn steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.

  HOOFDSTUK 2. - Subsidievoorwaarden

  Afdeling 1. - Maatwerkbedrijven

  Art. 2. § 1. Het maatwerkbedrijf stelt voor het aantal doelgroepwerknemers op jaarbasis gemiddeld minimaal twintig voltijdsequivalenten tewerk. Op jaarbasis behoort minimaal 65 % van het totale werknemersbestand van het maatwerkbedrijf tot de categorie van doelgroepwerknemers, vermeld in artikel 3, 2°, a) en b), van het decreet van 12 juli 2013.
  De minister bepaalt de methodiek die het departement hanteert zowel voor de becijfering van de op jaarbasis gemiddeld twintig voltijds equivalenten van tewerkgestelde doelgroepwerknemers als voor de becijfering van het totale werknemersbestand van het maatwerkbedrijf.
  § 2. Het startende maatwerkbedrijf voldoet binnen twee jaar vanaf de datum van de toekenning van het contingent van de werkondersteunende maatregelen, vermeld in artikel 30, aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.

  Art. 3. § 1. Het maatwerkbedrijf hanteert een actief en eigen kwaliteitsbeleid dat tot doel heeft om op een systematische wijze te voorzien in kwaliteitsvolle bedrijfsvoering op het vlak van onder meer:
  1° het beleid en de strategie van de onderneming;
  2° het bestuur, het algemene en financiėle beheer van de onderneming;
  3° de inschakeling, de opleiding en de begeleiding van doelgroepwerknemers ter bevordering van duurzame loopbanen en de doorstroom binnen de sociale economie en naar het normale economische circuit;
  4° het maatschappelijk verantwoord ondernemen;
  5° de maatschappelijke inbedding;
  6° het beheer van middelen;
  7° maximale transparantie over het algemene en financiėle beleid, en de betrokkenheid van interne en externe stakeholders.
  Met toepassing van het eerste lid:
  1° ontwikkelt het maatwerkbedrijf een missie, waarden en een visie;
  2° formuleert het maatwerkbedrijf zijn activiteiten en strategische doelstellingen;
  3° hanteert het maatwerkbedrijf een kwaliteitsmanagementsysteem.
  § 2. Het maatwerkbedrijf garandeert bij de uitvoering van het kwaliteitsbeleid de betrokkenheid van de medewerkers en de stakeholders.
  Het maatwerkbedrijf maakt zijn kwaliteitsbeleid bekend en integreert dat in zijn werking.

  Art. 4. Het maatwerkbedrijf rapporteert jaarlijks aan de hand van een duurzaamheidsverslag over zijn bedrijfsvoering. Het duurzaamheidsverslag omvat minimaal een toelichting over:
  1° het beleid, de strategie en het organisatieprofiel van de onderneming;
  2° het management, het bestuur en de democratische besluitvorming binnen de onderneming;
  3° de inschakeling, de begeleiding, de begeleide tewerkstelling in de enclavewerking, de opleiding, de duurzame loopbanen en de doorstroom van medewerkers;
  4° de milieu-impact van de bedrijfsvoering;
  5° de maatschappelijke inbedding van de onderneming;
  6° de economische en financiėle prestaties.
  De minister bepaalt:
  1° de indicatoren en descriptoren waarover het maatwerkbedrijf minimaal rapporteert;
  2° het duurzaamheidsverslagmodel dat gebaseerd is op een of meer internationaal erkende duurzaamheidsverslagmodellen.
  Het maatwerkbedrijf bezorgt het duurzaamheidsverslag jaarlijks uiterlijk op 31 juli aan zijn stakeholders en aan het departement, waarbij het eerste duurzaamheidsverslag wordt ingediend op 31 juli 2020.

  Art. 5. Het maatwerkbedrijf onderwerpt zijn bedrijfsvoering aan een zelfevaluatie. Die zelfevaluatie heeft minimaal betrekking op:
  1° het beleid en de strategie van de organisatie, met aandacht voor de sociale, economische en milieu-impact;
  2° het bestuur en het management van de organisatie, met aandacht voor stakeholdersbetrokkenheid;
  3° het humanresourcesbeleid, met specifieke aandacht voor de inschakeling, de begeleiding, de opleiding, de duurzame loopbanen en de doorstroom van doelgroepwerknemers;
  4° de sleutel- en ondersteunende processen;
  5° de klantentevredenheid, de medewerkerstevredenheid, de maatschappelijke inbedding, de partnerschappen en de sleutelresultaten;
  6° het beheer van de middelen van de onderneming.
  Het departement stelt een zelfevaluatietool met criteria en subcriteria voor de indicatoren en de descriptoren ter beschikking van het maatwerkbedrijf. Het maatwerkbedrijf kan voor de toepassing van een of meer criteria verwijzen naar extern gevalideerde modellen. De minister legt minimaal een keer per jaar een lijst met extern gevalideerde modellen vast die voor de zelfevaluatie in aanmerking komen.
  De zelfevaluatie vindt plaats binnen een cyclus van drie jaar. Het maatwerkbedrijf bezorgt zijn zelfevaluatie aan het departement. Binnen drie maanden na de ontvangst voert het departement met het oog op de risicoanalyse een screening van de zelfevaluatie uit. Die risicoanalyse kan bijkomend aanleiding geven tot, in voorkomend geval:
  1° een verbeterassessment dat ter plaatse alle aandachtspunten uit de risicoanalyse toetst;
  2° een vervolgassessment dat ter plaatse de criteria en subcriteria valideert, waarover het maatwerkbedrijf vooruitgang heeft gerapporteerd.
  Het maatwerkbedrijf past zijn bedrijfsvoering maximaal aan de bevindingen van de zelfevaluatie aan, waarbij voorrang wordt verleend aan de aandachtspunten uit het assessment.

  Art. 6. Het departement organiseert ter ondersteuning van het maatwerkbedrijf uiterlijk om de negen jaar een kwaliteitsopvolging. De kwaliteitsopvolging neemt de vorm aan van een kwaliteitsassessment ter plaatse, waarbij alle criteria en subcriteria worden gevalideerd.
  De minister kan nadere voorwaarden voor het kwaliteitsassessment en de procedure bepalen.

  Art. 7. § 1. Als uit de opvolging van het kwaliteitsbeleid, vermeld in artikel 3 van dit besluit, door het departement blijkt dat de globale tewerkstelling van de doelgroepwerknemers in het gedrang komt wegens welbepaalde economische of financiėle resultaten van het maatwerkbedrijf, kan de minister na het advies van het departement bevelen tot managementondersteuning, vermeld in hoofdstuk 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017 tot bepaling van de voorwaarden voor de toekenning van de subsidie voor managementadvies, vermeld in artikel 12 van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen, of tot de ondersteuning, vermeld in hoofdstuk 4 van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen ten behoeve van het maatwerkbedrijf.
  § 2. De managementondersteuning omvat een deskundig bedrijfsadvies dat specifieke, waardevolle en toekomstgerichte schriftelijke raadgevingen omvat ter verbetering van de financieel-economische situatie van de onderneming. Het voormelde bedrijfsadvies omvat:
  1° een analyse van de probleemstelling;
  2° het eigenlijk advies;
  3° de ondersteuning bij de opmaak van een schriftelijk actieplan dat voor een periode van achttien maanden een systematisch overzicht geeft van de maatregelen die door het maatwerkbedrijf zullen worden uitgevoerd.
  Het actieplan, vermeld in het eerste lid, 3°, geeft meetindicatoren ter verbetering en de streefdata voor de realisatie van elke maatregel op.
  De raad van bestuur van het maatwerkbedrijf neemt kennis van het actieplan, vermeld in het eerste lid, 3°, uiterlijk negen maanden na het bevel tot managementondersteuning en bezorgt een afschrift van de kennisgeving en het actieplan aan het departement.

  Afdeling 2. - Maatwerkafdelingen

  Art. 8. De maatwerkafdeling stelt voor het aantal doelgroepwerknemers op jaarbasis gemiddeld minimaal vijf voltijdsequivalenten tewerk.
  De minister bepaalt de methodiek die het departement hanteert voor de becijfering van het gemiddelde op jaarbasis van vijf voltijdsequivalenten van tewerkgestelde doelgroepwerknemers van de maatwerkafdeling.
  De startende maatwerkafdeling voldoet binnen twee jaar vanaf de datum van de toekenning van het contingent van de werkondersteunende maatregelen, vermeld in artikel 30, aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid.

  Art. 9. De maatwerkafdeling hanteert een actief en eigen kwaliteitsbeleid dat tot doel heeft om op een systematische wijze te voorzien in kwaliteitsvolle bedrijfsvoering op het vlak van onder meer:
  1° de inschakeling, opleiding en begeleiding van doelgroepwerknemers ter bevordering van duurzame loopbanen en de doorstroom binnen de sociale economie en naar het normale economische circuit;
  2° het maatschappelijk verantwoord ondernemen;
  3° maximale transparantie over de inschakeling, opleiding en begeleiding van doelgroepwerknemers.

  Art. 10. De maatwerkafdeling rapporteert jaarlijks aan de hand van een duurzaamheidsverslag over haar werking. Het duurzaamheidsverslag omvat minimaal een toelichting over:
  1° de inschakeling, begeleiding, de opleiding, de duurzame loopbanen en de doorstroom van medewerkers;
  2° de milieu-impact van de bedrijfsvoering;
  3° de maatschappelijke inbedding van de maatwerkafdeling.
  De minister bepaalt:
  1° de indicatoren en descriptoren waarover de maatwerkafdeling minimaal rapporteert;
  2° het duurzaamheidsverslagmodel dat is gebaseerd op een of meer internationaal erkende duurzaamheidsverslagmodellen.
  De maatwerkafdeling bezorgt het duurzaamheidsverslag jaarlijks uiterlijk op 31 juli aan zijn stakeholders en aan het departement, waarbij het eerste duurzaamheidsverslag wordt ingediend op 31 juli 2020.

  Art. 11. De maatwerkafdeling onderwerpt haar bedrijfsvoering aan een zelfevaluatie. Die zelfevaluatie heeft minimaal betrekking op:
  1° het humanresourcesbeleid, met specifieke aandacht voor de inschakeling, de begeleiding, de opleiding, de duurzame loopbanen en de doorstroom van doelgroepwerknemers;
  2° de medewerkerstevredenheid van de maatwerkafdeling, de maatschappelijke inbedding en de milieu-impact.
  Het departement stelt een zelfevaluatietool met criteria voor de indicatoren en de descriptoren ter beschikking van de maatwerkafdeling. De maatwerkafdeling kan voor een of meer criteria verwijzen naar extern gevalideerde modellen. De minister legt minimaal een keer per jaar de lijst met extern gevalideerde modellen vast die in aanmerking komen voor de zelfevaluatie.
  De zelfevaluatie vindt plaats binnen een cyclus van drie jaar. De maatwerkafdeling bezorgt haar zelfevaluatie aan het departement. Binnen drie maanden na de ontvangst voert het departement met het oog op de risicoanalyse een screening van de zelfevaluatie uit. Die risicoanalyse kan bijkomend aanleiding geven tot, in voorkomend geval:
  1° een verbeterassessment dat ter plaatse alle aandachtspunten uit de risicoanalyse toetst;
  2° een vervolgassessment dat ter plaatse de criteria valideert, waarover de onderneming vooruitgang heeft gerapporteerd.
  De maatwerkafdeling neemt het engagement op om haar bedrijfsvoering maximaal aan te passen aan de bevindingen van de zelfevaluatie, waarbij voorrang wordt verleend aan de aandachtspunten uit het assessment.

  HOOFDSTUK 3. - Indicering van de doelgroepwerknemers

  Art. 12. Personen die beschikken over een advies collectief maatwerk komen in aanmerking voor ondersteuning als doelgroepwerknemer.
  De VDAB kent het advies collectief maatwerk toe aan de persoon die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de persoon behoort tot een van de categorieėn, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap, en heeft behoefte aan werkondersteunende maatregelen;
  2° de persoon heeft een arbeidsbeperking, op grond van een indicering op basis van de indicaties, vermeld in artikel 13 van dit besluit, uitgevoerd door de VDAB of door een door de VDAB aangewezen dienstverlener, die een behoefte aan werkondersteunende maatregelen aangeeft.
  De VDAB kent het advies collectief maatwerk toe aan een uiterst kwetsbare persoon die aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de persoon is minimaal 24 maanden niet-werkend werkzoekend, als vermeld in artikel 1, eerste lid, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
  2° de persoon heeft een arbeidsbeperking, op grond van een indicering op basis van de indicaties bedoeld in artikel 13, uitgevoerd door de VDAB of een door de VDAB aangewezen dienstverlener, die gedurende maximaal twee jaar een behoefte aan werkondersteunende maatregelen aangeeft.
  Het advies collectief maatwerk vervalt na vijf jaar als de persoon nog werkzoekend is. De VDAB stelt in voorkomend geval opnieuw zijn behoefte aan werkondersteunende maatregelen vast.

  Art. 13. De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, stellen na het advies van de VDAB en na overleg in de commissie sociale economie, als vermeld in artikel 6 van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen, de lijst met indicaties vast vermeld in artikel 7 van het decreet van 12 juli 2013, op basis van de International Classification of Functioning, Disability and Health, referentieclassificatie van de Wereldgezondheidsorganisatie, op grond waarvan personen met een arbeidsbeperking als vermeld in artikel 12, tweede lid, 2°, en derde lid, van dit besluit, worden erkend.

  HOOFDSTUK 4. - Evaluatie van de behoefte aan werkondersteunende maatregelen

  Art. 14. De vastgestelde behoefte aan werkondersteunende maatregelen is gedurende maximaal vijf jaar geldig vanaf de datum van aanwerving van de doelgroepwerknemer door het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling.
  De VDAB evalueert de behoefte aan werkondersteunende maatregelen van de doelgroepwerknemer voor het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid.
  Met behoud van de toepassing van het tweede lid blijft de meest recente vaststelling van de behoefte aan werkondersteunende maatregelen van kracht, tot zolang de VDAB geen evaluatie heeft doorgevoerd.
  Met behoud van de toepassing van het eerste lid kan de VDAB de geldigheidsduur van de behoefte aan werkondersteunende maatregelen aanpassen met het oog op de stabiliteit van de geļndiceerde problematiek van de doelgroepwerknemer.

  Art. 15. § 1. De doelgroepwerknemer, het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling kunnen voor het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 14, eerste lid, om een evaluatie van de VDAB verzoeken, maar niet eerder dan:
  1° het derde jaar van tewerkstelling van de doelgroepwerknemer;
  2° het derde jaar dat volgt op een eerdere evaluatie.
  In afwijking van het eerste lid, kan de VDAB op verzoek van de doelgroepwerknemer, het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling, altijd de behoefte aan werkondersteunende maatregelen evalueren op grond van:
  1° gewijzigde en geattesteerde medische redenen;
  2° een door een partner die erkend is door de VDAB, geattesteerde bijkomende problematiek op het vlak van een psychosociale beperking als vermeld in artikel 3, 2°, b), van het decreet van 12 juli 2013, als de VDAB van oordeel is dat die een invloed heeft op de al geattesteerde ondersteuningsbehoefte van de doelgroepwerknemer als vermeld in artikel 3, 2°, a) van het decreet van 12 juli 2013.
  § 2. De VDAB bezorgt aan het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling en de doelgroepwerknemer een evaluatieformulier.
  Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling registreren hun evaluatieformulier minimaal tien dagen voor de aanvang van het evaluatiegesprek in de databank die de VDAB daarvoor beheert.
  De evaluatie, vermeld in paragraaf 1, vindt minimaal plaats aan de hand van:
  1° het persoonlijk ontwikkelingsplan;
  2° de bespreking van het evaluatieformulier van het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling, vermeld in het eerste lid;
  3° een gesprek met de doelgroepwerknemer, in voorkomend geval aan de hand van zijn evaluatieformulier, vermeld in het eerste lid.
  4° in voorkomend geval, de geattesteerde medische reden of bijkomend problematiek, zoals vermeld in § 1, tweede lid, 1° en 2°.

  Art. 16. De evaluatie, vermeld in artikel 15, § 1, kan aanleiding geven tot de vaststelling van een wijzigende behoefte aan werkondersteunende maatregelen voor de doelgroepwerknemer. De vaststelling van de wijzigende behoefte heeft betrekking op de hoogte van de loonpremie of de intensiteit van de begeleiding op de werkvloer. De VDAB beslist daarover binnen een termijn van twintig werkdagen na afloop van het evaluatiegesprek. De VDAB brengt de werkgever, de doelgroepwerknemer en het departement op de hoogte van zijn beslissing.
  Als een wijzigende behoefte aan werkondersteunende maatregelen door de VDAB wordt vastgesteld, wordt de toekenning van de werkondersteunende maatregelen overeenstemmend aangepast vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin is beslist om de wijziging door te voeren.

  HOOFDSTUK 5. - Aanvraag van ondersteuning

  Afdeling 1. - Aanmelding

  Art. 17. Met het oog op de steunaanvraag meldt de onderneming zich aan bij het departement. Het departement stelt daarvoor een elektronisch aanvraagformulier ter beschikking.
  De aanmeldingsvoorwaarden zijn:
  1° voor de ondernemingen, die om steun als maatwerkbedrijf verzoeken, de opgave van:
  a) de missie, de waarden en de visie van de onderneming;
  b) de activiteiten en strategische doelstellingen van de onderneming;
  c) het bestaande of nog te implementeren kwaliteitsmanagementsysteem;
  d) de geplande aanwerving van de doelgroepwerknemers;
  e) het geplande opleidingsbeleid en de vastgelegde begeleiding voor de doelgroepwerknemers;
  f) het engagement van de onderneming om voor iedere doelgroepwerknemer nuttig, lonend en individueel passend werk te verschaffen;
  2° voor de ondernemingen, die om steun als maatwerkafdeling verzoeken, de opgave van:
  a) de activiteiten van de onderneming en de plaats van de doelgroepwerknemers in het organigram van de onderneming;
  b) de geplande aanwerving van de doelgroepwerknemers;
  c) het geplande opleidingsbeleid en de vastgelegde begeleiding voor de doelgroepwerknemers;
  d) het engagement van de onderneming of werking binnen de onderneming om iedere doelgroepwerknemer nuttig, lonend en individueel passend werk te verschaffen.
  De minister kan de aanmeldingsvoorwaarden nader bepalen.

  Art. 18. Het departement beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvraag aan de hand van de volgende criteria:
  1° de aanvraag is ingediend met het elektronische aanvraagformulier;
  2° de aanvraag is volledig en correct ingevuld, conform de voorwaarden van het model van het elektronische aanvraagformulier, vermeld in artikel 17.
  De aanvrager van wie de aanvraag ontvankelijk is, wordt daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst.
  De aanvrager van wie de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen.

  Art. 19. Het departement doet binnen vijfenveertig kalenderdagen na de ontvankelijkheidsverklaring een inhoudelijk onderzoek naar de aanmeldingsvoorwaarden.
  De termijn, vermeld in het eerste lid, wordt geschorst zolang het departement de onderneming om aanvullende informatie heeft verzocht en het die informatie niet heeft ontvangen.

  Art. 20. Het departement legt zijn advies voor aan de Adviescommissie Sociale Economie.
  De aanvraag wordt op de eerstvolgende adviescommissie na voorlegging van het advies geagendeerd.
  De onderneming die haar aanvraag wil toelichten voor de Adviescommissie Sociale Economie ontvangt minimaal veertien kalenderdagen voor de zitting een uitnodiging van het departement.

  Art. 21. De Adviescommissie Sociale Economie adviseert de minister over de aanvraag uiterlijk tien kalenderdagen na afloop van de zitting.

  Art. 22. Na het advies van de Adviescommissie Sociale Economie kan de minister aan de onderneming, naargelang van het geval, het label maatwerkbedrijf of maatwerkafdeling toekennen.

  Art. 23. De onderneming die niet akkoord gaat met de beslissing van de minister, vermeld in artikel 22, kan binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de datum van de ontvangst van voormelde beslissing, een gemotiveerd verzoek tot heroverweging indienen bij de minister.
  De minister legt dat verzoek voor aan een heroverwegingscommissie die wordt opgericht in het departement. De heroverwegingscommissie formuleert haar advies aan de minister binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen.
  De minister beslist tot toekenning van het label maatwerkbedrijf of het label maatwerkafdeling.

  Art. 24. Het label maatwerkbedrijf en het label maatwerkafdeling hebben een geldigheidsduur van vijf jaar vanaf de datum van beslissing van de minister.
  Vanaf de datum van de toekenning van het contingent, vermeld in artikel 30, zijn het label maatwerkbedrijf en het label maatwerkafdeling geldig voor onbepaalde duur.

  Art. 25. De minister kan op verzoek van het departement het label intrekken of schorsen als het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling de subsidievoorwaarden niet naleeft.

  Afdeling 2. - Aanvraag tot toekenning van een contingent van werkondersteunende maatregelen

  Art. 26. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling kunnen een elektronische aanvraag indienen tot toekenning van een contingent van werkondersteunende maatregelen als de minister daartoe beslist.
  Het contingent van werkondersteunende maatregelen wordt aangevraagd en toegewezen aan de hand van een oproepsysteem.
  De minister bepaalt bij iedere oproep na het advies van de Adviescommissie Sociale Economie de verdelingscriteria en de prioriteitscriteria.
  De minister deelt de oproep mee aan de Vlaamse Regering.

  Art. 27. Het departement beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvraag binnen zeven kalenderdagen na het afsluiten van de oproep aan de hand van de volgende criteria:
  1° de aanvraag is ingediend met het elektronische aanvraagformulier, vermeld in artikel 17;
  2° de aanvraag is volledig en correct ingevuld conform de voorwaarden van het model van aanvraagformulier, vermeld in artikel 17.

  Art. 28. Het departement onderzoekt de aanvragen binnen veertien kalenderdagen na de ontvankelijkheidsverklaring.

  Art. 29. De minister beslist tot toekenning van het contingent van werkondersteunende maatregelen binnen veertien kalenderdagen na de ontvangst van het resultaat van het onderzoek van het departement.
  De minister brengt de onderneming daarvan op de hoogte.

  Art. 30. De beslissing ressorteert gevolgen op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op de datum van de beslissing.

  Art. 31. De toekenning van het contingent aan werkondersteunende maatregelen wordt jaarlijks in het derde kwartaal verminderd of verhoogd door het departement.
  De vermindering wordt automatisch beslist voor ieder maatwerkbedrijf waarbij de invulling van het toegekende contingent op kalenderjaarbasis minder dan 90% bedraagt van het toegekende contingent op jaarbasis. Het contingent wordt verminderd met het verschil in percentage tussen de effectieve invullingsgraad op kalenderjaarbasis en de invullingsgraad van 90% van het toegekende contingent, rekening houdend met een minimale schaalgrootte van twintig voltijdsequivalenten van doelgroepwerknemers.
  Het vrijgekomen contingent binnen de maatwerkbedrijven wordt per één voltijdsequivalent automatisch herverdeeld aan de maatwerkbedrijven met meer dan 95% invulling op jaarbasis, waarbij het maatwerkbedrijf met de hoogste invullingsgraad als eerste in aanmerking komt.
  De invulling in het jaar in kwestie wordt gemeten aan de hand van de contractuele prestatiebreuk van alle doelgroepwerknemers met loonkosten in het jaar in kwestie.
  De vermindering wordt automatisch beslist voor iedere maatwerkafdeling waarbij de invulling van het toegekende contingent op kalenderjaarbasis minder dan 90 % bedraagt van het toegekende contingent op jaarbasis. Het contingent wordt, rekening houdend met een minimale schaalgrootte van vijf voltijdsequivalenten van doelgroepwerknemers, verminderd met het verschil in percentage tussen de effectieve invullingsgraad op kalenderjaarbasis en de invullingsgraad van 90% van het toegekende contingent.
  De invulling in het jaar in kwestie wordt gemeten aan de hand van de contractuele prestatiebreuk van alle doelgroepwerknemers met loonkosten in het jaar in kwestie.
  De beslissing, vermeld in het tweede en het vijfde lid, heeft ingang de eerste dag van het vierde kwartaal.

  HOOFDSTUK 6. - Werkondersteunende maatregelen

  Art. 32. Met het oog op de uitbetaling van de werkondersteunende maatregelen registreren het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling de tewerkstelling van de doelgroepwerknemers in de toepassing die de VDAB ter beschikking stelt.

  Afdeling 1. - Loonpremie

  Art. 33. De loonpremie wordt toegekend met inachtneming van de voorwaarden van de Verordening (EG) nr. 651/2014.

  Art. 34. De loonpremie wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van het geplafonneerde referteloon. Het percentage van het geplafonneerde referteloon is afhankelijk van de behoefte aan werkondersteunende maatregelen, naargelang het geval:
  1° 40%;
  2° 45%;
  3° 50%;
  4° 55%;
  5° 60%;
  6° 65%;
  7° 75%.
  Het percentage van het geplafonneerde referteloon is 45% voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 3, 2°, c, van het decreet van 12 juli 2013.

  Art. 35. Het referteloon is samengesteld uit de volgende bestanddelen die daadwerkelijk door de werkgever worden uitbetaald voor de bezoldiging van de doelgroepwerknemer:
  1° het loon, vermeld in artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en zoals als dusdanig gekwalificeerd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  2° alle verplichte werkgeversbijdragen die verschuldigd zijn conform artikel 38, § 3 en § 3bis, § 3undecies en § 3quinquies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
  De verminderingen van sociale zekerheidsbijdragen ten voordele van de werkgever, en de verminderingen, vermeld in titel IV, hoofdstuk 7, van de Programmawet (I) van 24 december 2002, worden daarbij in mindering gebracht.

  Art. 36. Voor de berekening van de loonpremie van de doelgroepwerknemers die in dienst zijn van de maatwerkbedrijven wordt het referteloon geplafonneerd tot 1,4 van het gewaarborgde gemiddelde minimum maandinkomen, vermeld in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen.
  Voor de berekening van de loonpremie van de doelgroepwerknemers in dienst van de maatwerkafdelingen, wordt het referteloon geplafonneerd tot het dubbel van het gewaarborgde gemiddelde minimum maandinkomen, vermeld in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen.

  Art. 37. Voor de maatwerkbedrijven wordt het geplafonneerde referteloon verhoogd met:
  1° forfaitaire loonkosten bepaald op vier procent van het geplafonneerde referteloon;
  2° alle supplementaire werkgeversbijdragen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, met uitzondering van de solidariteitsbijdrage wegens het ontbreken van Dimona en de solidariteitsbijdrage in de door de werkgever terugbetaalde verkeersboetes;
  3° de loonkosten ten laste van de werkgever, veroorzaakt door arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval of beroepsziekte conform artikel 52, 54, 70, 71, 72 van de wet van 3 juli 1978 betreffende arbeidsovereenkomsten en artikel 3 en 10 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis tot aanpassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12 van 28 juni 1973 betreffende het toekennen van een gewaarborgd maandloon aan de werklieden in geval van arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval of beroepsziekte, aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en artikel 3 en 10 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 13bis tot aanpassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 13 van 28 juni 1973 betreffende het toekennen van een gewaarborgd maandloon aan sommige bedienden in geval van arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval of beroepsziekte, aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

  Art. 38. § 1. De loonpremie voor de doelgroepwerknemer is cumuleerbaar met andere steunmaatregelen als een dergelijke cumulatie er niet toe leidt dat de met toepassing van dit besluit geļndiceerde steunintensiteit wordt overschreden.
  Als de geļndiceerde steunintensiteit wordt overschreden, worden de buiten dit besluit verworven vergoedingen volledig in mindering gebracht van de loonpremie.
  § 2. De loonpremie voor de doelgroepwerknemer is niet cumuleerbaar met:
  1° de vergoeding voor het inschakelingstraject van de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 24 van het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;
  2° de Vlaamse ondersteuningspremie voor personen met een arbeidshandicap, vermeld in hoofdstuk VI van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap;
  3° de loonpremie voor de invoegwerknemer, vermeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2005 betreffende de erkenning en financiering van de invoegbedrijven;
  4° de premie, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot toekenning van aanwervingsincentives voor langdurig werkzoekenden.

  Art. 39. De loonpremie wordt berekend op basis van de gegevens, vermeld in de aangifte bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, vermeld in artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en de uitvoeringsbesluiten ervan.
  Een wijziging in de aangifte bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ressorteert automatisch in een herberekening van de loonpremie bij de jaarafrekening van het jaar waarop de wijziging die doorgegeven is aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid betrekking heeft. Wijzigingen die niet via de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid meegedeeld worden, komen niet of niet meer in aanmerking voor herberekening van de loonpremie.

  Afdeling 2. - Begeleiding op de werkvloer

  Art. 40. De vergoeding voor de begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemers vermeld in artikel 3, 2°, a) en b), van het decreet van 12 juli 2013 wordt toegekend met inachtneming van de voorwaarden, vermeld in Verordening (EG) nr. 651/2014.
  De vergoeding voor de begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemers vermeld in artikel 3, 2°, c), van het decreet van 12 juli 2013 wordt toegekend met in achtneming van het DAEB-besluit van 20 december 2011.

  Art. 41. § 1. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling maken conform artikel 15, tweede lid, 1° en 3°, van het decreet van 12 juli 2013 in overleg met de doelgroepwerknemer een persoonlijk ontwikkelingsplan op dat tot doel heeft de competenties van de doelgroepwerknemer op te volgen en te ontwikkelen met het oog op zijn functioneren op de werkvloer en zijn kansen om door te stromen.
  Het persoonlijk ontwikkelingsplan omvat een actieplan op maat van de doelgroepwerknemer met daarin minimaal:
  1° zijn persoonsgegevens;
  2° zijn huidige generieke en technische competenties;
  3° zijn toekomstige generieke en technische competenties;
  4° de opgave van een verbeteractie voor zijn generieke competenties;
  5° de opgave van een verbeteractie voor zijn technische competenties.
  In het tweede lid, 2°, wordt verstaan onder generieke competenties: de competenties die betrekking hebben op de wijze waarop de doelgroepwerknemer omgaat met informatie, taken, relaties, en het eigen functioneren op de werkvloer in een concrete dagelijkse werksituatie.
  In het tweede lid, 3°, wordt verstaan onder technische competenties: de noodzakelijke competenties om verwachte resultaten op de werkvloer die eigen zijn aan een welbepaalde functie te realiseren.
  § 2. Het departement bezorgt aan het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling een model van persoonlijk ontwikkelingsplan.
  § 3. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling registeren het persoonlijk ontwikkelingsplan, alsook elke wijziging ervan, in de databank die de VDAB daarvoor beheert. De VDAB kan het persoonlijk ontwikkelingsplan raadplegen met het oog op de evaluatie, vermeld in artikel 15, § 1.

  Art. 42. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling richten de verbeteracties, vermeld in artikel 41, § 1, tweede lid, 4° en 5°, op doorstroom bij doelgroepwerknemers met een lage begeleidingsbehoefte.

  Art. 43. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling evalueren jaarlijks de competentieontwikkeling van de doelgroepwerknemer met een persoonlijk gesprek. Ze sturen op basis van die resultaten het persoonlijk ontwikkelingsplan voor het volgende jaar bij.

  Art. 44. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling passen de arbeidsomstandigheden aan de door het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling gedetecteerde behoeften van de doelgroepwerknemer aan.
  In het eerste lid wordt verstaan onder arbeidsomstandigheden: de fysieke, sociale en psychologische eigenschappen van de werkomgeving.

  Art. 45. § 1. De personen die instaan voor de begeleiding van de doelgroepwerknemers beschikken over de kerncompetenties samenwerken, communiceren en persoonsgericht werken.
  Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling voorzien daarvoor in een opleidingsplan met bijbehorende opleiding. De opleiding vangt aan binnen zes maanden na de indiensttreding van de begeleider. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling coachen de begeleider gedurende twaalf maanden.
  De minister bepaalt welke opleiding aan de opleidingsvoorwaarden voldoet.
  Opleidingsvertrekkers kunnen een voorstel van opleiding voordragen aan het departement dat daarover binnen dertig dagen na ontvangst aan de minister een advies formuleert.
  § 2. Het opleidingsplan met bijbehorende opleiding, vermeld in paragraaf 1, is niet vereist voor de begeleider die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de begeleider heeft al een opleiding als vermeld in paragraaf 1, derde lid, gevolgd;
  2° de begeleider beschikt over minimaal twee jaar aantoonbare relevante beroepservaring;
  3° de begeleider beschikt over een relevante titel van beroepsbekwaamheid als vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid.
  De minister stelt de in aanmerking komende ervaringsbewijzen vast na het advies van het departement.

  Art. 46. De werkvloerbegeleider ondersteunt de doelgroepwerknemer met het oog op de uitoefening van zijn taak, vermeld in artikel 15, tweede lid, 2°, van het decreet van 12 juli 2013.
  De lage intensiteit van coaching door de werkvloerbegeleider omvat:
  1° de werkvloerbegeleider is bereikbaar voor de doelgroepwerknemer;
  2° de werkvloerbegeleider volgt dagelijks de taakuitvoering op en stuurt de uitvoering bij als dat nodig is;
  3° de werkvloerbegeleider geeft wekelijks feedback aan de doelgroepwerknemer over zijn functioneren en taken;
  4° verhoudingsgewijs wordt het streefcijfer van dertien te begeleiden doelgroepwerknemers met lage begeleidingsintensiteit per werkvloerbegeleider gehaald.
  De gemiddelde intensiteit van coaching door de werkvloerbegeleider omvat:
  1° de werkvloerbegeleider is permanent bereikbaar voor de doelgroepwerknemer;
  2° de werkvloerbegeleider volgt meermaals per dag de taakuitvoering op en stuurt de uitvoering bij als dat nodig is;
  3° de werkvloerbegeleider stuurt dagelijks het functioneren van de doelgroepwerknemer bij als dat nodig is;
  4° verhoudingsgewijs wordt het streefcijfer van tien te begeleiden doelgroepwerknemers met gemiddelde begeleidingsintensiteit per werkvloerbegeleider gehaald.
  De hoge intensiteit van coaching door de werkvloerbegeleider omvat:
  1° de werkvloerbegeleider is permanent bereikbaar en beschikbaar voor de doelgroepwerknemer;
  2° de werkvloerbegeleider volgt permanent de taakuitvoering op;
  3° de werkvloerbegeleider stuurt permanent het functioneren van de doelgroepwerknemer bij indien nodig;
  4° verhoudingsgewijs wordt het streefcijfer van zeven te begeleiden doelgroepwerknemers met hoge begeleidingsintensiteit per werkvloerbegeleider gehaald.

  Art. 47. Binnen het toegekende contingent opent de aanwerving van een doelgroepwerknemer het recht op een begeleidingspremie voor het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling als de onderneming de tewerkstelling registreert in een toepassing die de VDAB ter beschikking stelt.

  Art. 48. § 1. De vergoeding voor de begeleiding bestaat uit:
  1° een forfaitair aandeel van de begeleidingsvergoeding, ter compensatie van de taken, vermeld in artikel 15, tweede lid, 1°, 3°, 4°, en 6°, van het decreet van 12 juli 2013;
  2° een variabel aandeel van de begeleidingspremie, naar gelang van de begeleidingsgraad die van toepassing is, ter compensatie van de taken, vermeld in artikel 15, tweede lid, 2° en 5°, van het voormelde decreet.
  § 2. Het forfaitaire aandeel van de begeleidingsvergoeding, vermeld in paragraaf 1, 1°, bedraagt 506,94 euro op kwartaalbasis, uitbetaald per tewerkgestelde doelgroepwerknemer met loonkosten in het kwartaal in kwestie, ongeacht zijn contractuele prestatiebreuk, als het aantal doelgroepwerknemers het aantal toegekende voltijds equivalenten per werkplaats, verhoogd met de factor 1,15, niet overschrijdt.
  Het variabele aandeel van de begeleidingspremie, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt uitbetaald per tewerkgestelde doelgroepwerknemer met loonkosten in het kwartaal in kwestie, rekening houdend met zijn contractuele prestatiebreuk en voor zover het toegekende aantal voltijdsequivalente eenheden het aantal toegekende voltijdsequivalenten per werkplaats niet overschrijdt.
  Het variabele aandeel van de begeleidingspremie bedraagt:
  1° 300,13 euro per kwartaal per doelgroepwerknemer die aan de hand van een lage intensiteit wordt begeleid;
  2° 622,97 euro per kwartaal per doelgroepwerknemer die aan de hand van een gemiddelde intensiteit wordt begeleid;
  3° 1107,21 euro per kwartaal per doelgroepwerknemer die aan de hand van een hoge intensiteit wordt begeleid.

  Art. 49. De premie die conform het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 1993 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen wordt toegekend aan de werkvloerbegeleider, vermeld in artikel 3, § 1, 12°, van het voormelde besluit, in dienst van het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling, wordt in mindering gebracht van de vergoeding voor begeleiding, vermeld in artikel 48 van dit besluit.

  Afdeling 3. - Werkondersteunende maatregelen bij aanwerving

  Art. 50. Bij aanwerving door het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling bedraagt de ondersteuningsgraad:
  1° een loonpremie van 60% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 5°, en een hoge intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, met een geattesteerde of geļndiceerde hoge ondersteuningsbehoefte;
  2° een loonpremie van 60% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 5°, en een gemiddelde intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, met een geattesteerde of geļndiceerde hoge ondersteuningsbehoefte;
  3° een loonpremie van 45% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 2°, en een hoge intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, met een geattesteerde of geļndiceerde hoge begeleidingsbehoefte;
  4° een loonpremie van 45% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 2°, en een gemiddelde intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, met een geattesteerde of geļndiceerde gemiddelde begeleidingsbehoefte;
  5° een loonpremie van 45% als vermeld in artikel 34, tweede lid, en een lage intensiteit van begeleiding op de werkvloer, voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, derde lid.
  Het departement evalueert uiterlijk om de twee jaar de ondersteuningsgraad in functie van de tewerkstellingskansen van de doelgroepwerknemers met de hoogste ondersteuningsbehoefte.

  Art. 51. De minister bepaalt, na het advies van de VDAB en na het overleg in de Commissie Sociale Economie vermeld in artikel 6 van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen, na het advies van de Inspectie van Financiėn en na het advies van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiėn en de begroting, de attesten en indicaties die recht geven op de ondersteuningsgraden, vermeld in artikel 50 van dit besluit.
  De VDAB evalueert om de twee jaar de doelmatigheid van de attesten en indicaties, vermeld in het eerste lid.
  De minister brengt de Vlaamse Regering op de hoogte van de attesten en indicaties, vermeld in het eerste lid.

  Afdeling 4. - Uitsluitingsgronden

  Art. 52. De steun voor de werkondersteunende maatregelen is niet cumuleerbaar met:
  1° de tewerkstelling in het kader van dienstencheques voor de erkende onderneming, vermeld in artikel 2, § 1, 6°, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
  2° de tewerkstelling als jobstudent;
  3° de tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, en artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

  HOOFDSTUK 7. - Organisatieondersteunende maatregelen

  Art. 53. De steun voor organisatieondersteunende maatregelen wordt toegekend met inachtneming van de voorwaarden, vermeld in Verordening (EG) nr. 651/2014.

  Art. 54. De steun voor sociale dienstverlening voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 19, tweede lid, 3°, van het decreet van 12 juli 2013, moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° de sociale dienstverlening is duidelijk zichtbaar binnen het organigram van de onderneming;
  2° minimaal één werknemer met een bachelordiploma sociaal werk of gelijkwaardig bekleedt de functie van de sociale dienstverlening binnen het maatwerkbedrijf.

  Art. 55. De subsidie voor organisatieondersteunende maatregelen wordt uitbetaald volgens de volgende voorwaarden:
  1° het maatwerkbedrijf ontvangt per kwartaal een organisatiesubsidie naar rato van het aantal tewerkgestelde voltijdsequivalenten van doelgroepwerknemers als vermeld in artikel 12, tweede lid, met loonkosten in het kwartaal in kwestie, waarbij het aantal in rekening te nemen voltijdsequivalenten van doelgroepwerknemers nooit hoger kan zijn dan de toegekende capaciteit voor het kwartaal in kwestie;
  2° de subsidie bestaat uit een basisbedrag van 637,50 euro per kwartaal per voltijdsequivalent van een tewerkgestelde doelgroepwerknemer als vermeld in artikel 12, tweede lid.
  Het basisbedrag, vermeld in het eerste lid, wordt verhoogd voor de eerste tot en met de honderdste voltijdsequivalent van een tewerkgestelde doelgroepwerknemer als vermeld in artikel 12, tweede lid, met 76,50 euro per voltijdsequivalent per kwartaal.

  Art. 56. Het maatwerkbedrijf toont de impact aan van de steun voor de organisatieondersteunende maatregelen op zijn bedrijfsvoering conform artikel 4, 5, en 6.

  HOOFDSTUK 8. - Gemeenschappelijke subsidiebepalingen

  Art. 57. Het recht op de steun voor de werkondersteunende maatregelen is begrensd tot het toegekende contingent aan werkondersteunende maatregelen, uitgedrukt in voltijdsequivalenten voor de werkondersteunende maatregelen.
  De invulling van het contingent wordt gemeten aan de hand van de contractuele prestatiebreuk voor alle doelgroepwerknemers die loonkosten genereren, waarbij de doelgroepwerknemers met de hoogste ondersteuningsbehoefte als eerste in aanmerking worden genomen, gevolgd door de doelgroepwerknemers met de hoogste contractuele prestatiebreuk.

  Art. 58. De werkondersteunende en de organisatieondersteunende maatregelen worden toegekend binnen de begrotingskredieten die jaarlijks beschikbaar zijn.
  Als uit betalings- en simulatiegegevens blijkt dat het jaarlijks beschikbare krediet dreigt overschreden te worden, zal de minister afdoende maatregelen voorstellen aan de Vlaamse Regering om die overschrijding tegen te gaan.

  Art. 59. De steun, vermeld in artikel 48 en 55, volgt de evolutie van de gezondheidsindex met als basismaand januari 2017.
  Het nieuwe bedrag is van toepassing na verloop van een wachtmaand.

  Art. 60. Het recht op de steun voor de werkondersteunende maatregelen neemt een aanvang vanaf het kwartaal waarin de doelgroepwerknemer wordt tewerkgesteld, en eindigt op het einde van het kwartaal waarin de doelgroepwerknemer doorstroomt.

  Art. 61. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling krijgen een maandelijks voorschot dat is gebaseerd op het voortschrijdend gemiddelde van de vier voorgaande kwartaalafrekeningen en dat rekening houdt met de evolutie van de gezondheidsindex.
  In voorkomend geval wordt het maandelijkse voorschot verhoogd met het nieuw toegekende contingent aan ondersteuningspakketten, vermenigvuldigd met een refertebedrag.
  De minister bepaalt het refertebedrag, vermeld in het tweede lid.

  Art. 62. Om te onderzoeken of en in welke mate de betrokkene recht heeft op een subsidie, raadpleegt het departement de noodzakelijke gegevens bij de authentieke gegevensbronnen, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 houdende de uitvoering van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer.

  Art. 63. Het teveel aan toegekende subsidies wordt automatisch, zonder ingebrekestelling, ingehouden op de eerstvolgende uitbetaling.

  Art. 64. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling brengen het departement onmiddellijk op de hoogte van:
  1° iedere wijziging die ertoe kan leiden dat niet langer voldaan wordt aan de subsidievoorwaarden;
  2° iedere wijziging die een invloed kan hebben op het bedrag en de aard van de toe te kennen steun;
  3° iedere wijziging van de rechtsvorm en de hoofdactiviteiten van de onderneming.

  HOOFDSTUK 9. - Doorstroom

  Afdeling 1. - Beoordeling van de kansen op doorstroom

  Art. 65. Bij de beoordeling van de kansen op doorstroom, vermeld in artikel 23, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2013, houdt de VDAB rekening met:
  1° de persoonlijke situatie van de doelgroepwerknemer op het vlak van:
  a) gezondheid;
  b) mobiliteit;
  c) leeftijd;
  d) familiale situatie;
  e) financiėle situatie;
  f) het vermogen en de motivatie tot zelfstandig loopbaanbeheer;
  2° de continuļteit op het vlak van de bedrijfsvoering van het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling. De VDAB kan in voorkomend geval de aanvang van een doorstroomtraject met maximaal zes maanden uitstellen als de onmiddellijke uitvoering van het doorstroomtraject de kwaliteitsvolle bedrijfsvoering van het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling in de weg staat;
  3° de mogelijkheid van een duurzame reguliere tewerkstelling zonder ondersteuning overeenkomstig dit besluit in de regio van de woonplaats van de doelgroepwerknemer.
  Bij de beoordeling van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, onderzoekt de VDAB of de persoonlijke situatie van de doelgroepwerknemer hem toelaat te voldoen aan de reguliere arbeidsvoorwaarden.
  De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, kunnen de lijst met factoren, vermeld in het eerste lid, 1°, nader bepalen.

  Afdeling 2. - Interne doorstroom

  Art. 66. Als de VDAB bij de evaluatie van oordeel is dat de kansen op doorstroom gunstig zijn, kan het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling beslissen om de doelgroepwerknemer in dienst te houden.
  Het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling neemt een beslissing en brengt de VDAB op de hoogte uiterlijk zeven kalenderdagen na de datum van de gunstige beoordeling door de VDAB. In voorkomend geval worden de werkondersteunende maatregelen beėindigd vanaf de laatste dag van het kwartaal waarin de beslissing van het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling wordt betekend aan de VDAB.
  De VDAB licht het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling in over de beschikbare steunmaatregelen op maat van de doelgroepwerknemer, los van dit besluit.

  Afdeling 3. - Externe doorstroom

  Art. 67. De VDAB kan binnen de perken van het begrotingskrediet een extern doorstroomtraject opstarten voor de doelgroepwerknemer.
  In het eerste lid wordt verstaan onder extern doorstroomtraject: de doorstroombegeleiding, vermeld in artikel 68, naar een werkvloer, vreemd aan het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling.
  De VDAB bepaalt de datum van de aanvang van het doorstroomtraject in overleg met de doelgroepwerknemer, het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling en de dienstverlener.
  Het doorstroomtraject vangt aan binnen drie maanden nadat de kansen op doorstroom door de VDAB gunstig werden beoordeeld, behalve in het geval, vermeld in artikel 65, eerste lid, 2°.

  Onderafdeling 1. - Doorstroombegeleiding

  Art. 68. § 1. De gemandateerde dienstverlener staat in voor de doorstroombegeleiding van de doelgroepwerknemer, gedurende gemiddeld honderdveertig uur, verspreid over de volgende vier opeenvolgende fasen:
  1° het voortraject, gedurende maximaal een maand, waarbij de begeleiding van de doelgroepwerknemer gericht is op:
  a) sollicitatietraining geven; de doelgroepwerknemer voorbereiden op sollicitaties, waarbij minstens aandacht besteed wordt aan:
  1) de opmaak van een curriculum vitae;
  2) de opmaak van een sollicitatiebrief;
  3) de kennismaking met sollicitatietechnieken;
  4) de presentatie van de doelgroepwerknemer;
  b) een passende job op maat van de interesses, competenties en mogelijkheden van de doelgroepwerknemer zoeken;
  c) de doelgroepwerknemer ondersteunen bij het vervullen van de randvoorwaarden voor reguliere tewerkstelling;
  2° de jobmatching, gedurende maximaal drie maanden, die bestaat uit het zoeken van een of meer stages in samenspraak met de doelgroepwerknemer op basis van een reėel jobaanbod bij een stageverlenende organisatie;
  3° de stage, gedurende maximaal drie maanden, waarbij de dienstverlener de stageverlenende organisatie en de doelgroepwerknemer minstens ondersteuning biedt bij:
  a) het onthaal van de doelgroepwerknemer;
  b) de aanpassing van de doelgroepwerknemer aan de arbeidsomgeving;
  c) de werkprocessen en de functie van de doelgroepwerknemer;
  d) de communicatie met de doelgroepwerknemer;
  e) de coaching van de doelgroepwerknemer en de stageverlenende organisatie;
  f) specifieke vragen die inherent zijn aan de stageverlening aan de doelgroepwerknemer;
  g) de actualisering van het persoonlijk ontwikkelingsplan van de doelgroepwerknemer, op basis van zijn doorstroomresultaten op het einde van de stage;
  4° de nazorgbegeleiding, gedurende maximaal drie maanden, vanaf de indiensttreding bij de reguliere werkgever, omvat bijkomende raadgevingen aan de werkgever en de doelgroepwerknemer die gericht zijn op de duurzame tewerkstelling bij de reguliere werkgever.
  § 2. Tijdens het doorstroomtraject, vermeld in paragraaf 1, stelt het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling de doelgroepwerknemer vrij van arbeidsprestaties voor de uitvoering van het doorstroomtraject.
  De stage, vermeld in paragraaf 1, 3°, wordt beėindigd met een evaluatiegesprek tussen de betrokken partijen. De gemandateerde dienstverlener brengt de VDAB op de hoogte van de stageresultaten.
  § 3. Op verzoek van de doorstroombegeleider kan de VDAB na motivering een verlenging van de fases, vermeld in paragraaf 1, 1° tot en met 3°, toestaan, op voorwaarde dat de totale duur van die drie fases niet meer bedraagt dan zes maanden.

  Art. 69. Binnen de perken van het jaarlijks goedgekeurde begrotingskrediet kent de Vlaamse Regering aan het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling tijdens de duur van de stage, vermeld in artikel 68, § 1, 3°, aan de stagiair-doelgroepwerknemer een loonpremie van maximaal 75% toe, als vermeld in artikel 34, eerste lid, 7°.
  De stageverlenende organisatie betaalt voor de stagiair-werknemer gedurende de stageperiode een stagepremie voor het bedrag van de resterende maandelijkse brutoloonkosten aan het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling.

  Art. 70. De VDAB evalueert het doorstroomtraject van de doelgroepwerknemer die niet doorstroomt.
  De VDAB kan met het oog op die evaluatie, vermeld in het eerste lid:
  1° de gewijzigde behoefte aan werkondersteunende maatregelen opnieuw vaststellen conform artikel 8 en 11, eerste lid, van het decreet van 12 juli 2013;
  2° een nieuw doorstroomtraject opstarten op basis van een reėle vacature, conform artikel 23, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet.
  In afwachting van de opstart van een nieuw doorstroomtraject, vermeld in het eerste lid, 2°, stelt de VDAB de minimale behoefte aan werkondersteunende maatregelen vast voor de doelgroepwerknemer die alleen om redenen die onafhankelijk zijn van zijn wil, niet is doorgestroomd.
  Als een nieuw doorstroomtraject wordt opgestart, kan de VDAB beslissen dat de gemandateerde dienstverlener de fase van het voortraject, vermeld in artikel 68, § 1, 1°, niet opnieuw hoeft uit te voeren.
  De werkondersteunende maatregelen, verleend conform dit besluit, worden beėindigd als de VDAB vaststelt dat de doelgroepwerknemer aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de doelgroepwerknemer heeft geen ondersteuning of een lagere vorm van ondersteuning nodig dan die vermeld in dit besluit;
  2° de doelgroepwerknemer wil uit vrije wil niet doorstromen.
  De VDAB brengt het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling op de hoogte van zijn beslissing uiterlijk vijf werkdagen na de vaststelling van de voorwaarden, vermeld in het vijfde lid.
  Het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling brengt binnen dertig kalenderdagen het departement op de hoogte van opzegtermijn met een afschrift van de opzeggingsbrief.
  De werkondersteunende maatregel wordt stopgezet uiterlijk op het einde van het kwartaal waarin de opzegtermijn afloopt.
  Als het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling nalaat om binnen dertig kalenderdagen het afschrift van de opzeggingsbrief aan het departement te bezorgen, wordt de steunverlening automatisch beėindigd op het einde van het kwartaal waarin de VDAB de kennisgeving, vermeld in het zesde lid, heeft gedaan.

  Art. 71. De VDAB wijst de dienstverlener aan die het doorstroomtraject uitvoert in overleg met de doelgroepwerknemer op basis van:
  1° zijn nabijheid met, naargelang het geval, het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling;
  2° zijn kennis van het lokale netwerk van betrokken actoren;
  3° zijn ervaring met de inschakeling van werkzoekenden met een vergelijkbaar profiel in een normaal economisch circuit.
  De externe organisatie die betrokken is bij de beoordeling van de kansen op doorstroom van de doelgroepwerknemer, kan zelf niet optreden als dienstverlener voor de doorstroombegeleiding.

  Onderafdeling 2. - Mandaat tot doorstroombegeleiding

  Art. 72. § 1. De onderneming die doorstroomtrajecten als vermeld in artikel 68, wil uitvoeren, dient een mandaataanvraag in bij de VDAB.
  De onderneming toont daarbij minstens aan dat ze aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de onderneming voert een kwaliteitsvolle bedrijfsvoering;
  2° de onderneming beschikt over de nodige faciliteiten om de dienstverlening uit te voeren;
  3° de onderneming toont haar professionele deskundigheid op het vlak van begeleiding van personen met een arbeidsbeperking, als vermeld in artikel 12, tweede lid;
  4° de onderneming heeft aantoonbare resultaten wat betreft de inschakeling van doelgroepwerknemers in het normaal economisch circuit;
  5° de onderneming heeft een methodische aanpak van de dienstverlening, die voldoet aan de bepalingen, vermeld in artikel 68.
  De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, kunnen die voorwaarden nader bepalen.
  § 2. De VDAB gaat na of de onderneming voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.
  § 3. De minister bepaalt de nadere voorwaarden voor de indiening en behandeling van de aanvraag.

  Art. 73. Na het positieve advies van de VDAB verleent de minister aan de onderneming een mandaat tot uitvoering van doorstroomtrajecten met een looptijd van zes jaar.
  De minister brengt de onderneming schriftelijk op de hoogte van de toekenningsvoorwaarden van het mandaat, in het bijzonder van:
  1° de looptijd van het mandaat;
  2° de omschrijving van de openbare diensttaken in het kader van de doorstroombegeleiding;
  3° een beschrijving van het compensatiemechanisme en de parameters voor de berekening, monitoring en herziening van de compensatie;
  4° de regelingen om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen;
  5° de opgave van de wettelijke rechtsgrondslag voor het mandaat;
  6° de niet-overdraagbaarheid van het mandaat.

  Art. 74. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in artikel 72, § 1, tweede lid, voldoet de gemandateerde onderneming tijdens de looptijd van het mandaat aan de volgende voorwaarden:
  1° de gemandateerde onderneming handelt op een objectieve, respectvolle en niet-discriminerende wijze conform de bepalingen van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt;
  2° de gemandateerde onderneming eerbiedigt de persoonlijke levenssfeer en verwerkt persoonsgegevens conform de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
  3° de gemandateerde onderneming kan voor de uitvoering van de dienstverlening alleen een beroep doen op onderaannemers, als die gemandateerd zijn;
  4° de gemandateerde onderneming hanteert een boekhouding die inkomsten en uitgaven die verband houden met de doorstroomtrajecten, alsook de parameters, vermeld in artikel 78 van dit besluit, voor de toerekening van de kosten en de inkomsten, transparant afzondert;
  5° de gemandateerde onderneming registreert de volgende doorstoomtrajectgegevens:
  a) de identificatiegegevens van de begeleide persoon;
  b) de aanvangsdatum, status en datum van beėindiging van het doorstroomtraject;
  c) het resultaat van het doorstroomtraject;
  d) de actualisering van het persoonlijk ontwikkelingsplan op het einde van het doorstoomtraject;
  6° de gemandateerde onderneming bezorgt op verzoek van de VDAB de informatiegegevens die de VDAB nodig acht om controle op de dienstverlening uit te oefenen.
  De VDAB kan naast de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, aanvullende richtlijnen uitvaardigen op het vlak van de te hanteren boekhouding met het oog op de rechtmatigheidscontrole van kosten en inkomsten, en kan naast de verplichting, vermeld in het eerste lid, 6°, bijkomende registratieverplichtingen bepalen.

  Art. 75. De VDAB staat in voor de evaluatie en de monitoring van de mandaten doorstroombegeleiding.
  De VDAB kan de minister adviseren om het mandaat in te trekken als de gemandateerde onderneming:
  1° niet of onvoldoende de doorstroombegeleiding, vermeld in artikel 68, uitvoert;
  2° onvoldoende succesvolle doorstroomresultaten bereikt.
  Voor de beoordeling van de voorwaarde, vermeld in het tweede lid, 2°, wordt een minimum vooropgesteld van 75% van de trajecten die een fase 3 afsluiten vooropgesteld.
  De minister betekent zijn beslissing aan de onderneming en bezorgt een afschrift van de beslissing aan de VDAB.

  Art. 76. Het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling als gemandateerde onderneming staat in voor de doorstroombegeleiding van de eigen doelgroepwerknemer als de VDAB en de doelgroepwerknemer daarmee akkoord gaan.

  Onderafdeling 3. - Vergoeding van de doorstroombegeleiding

  Art. 77. De vergoeding voor de doorstroombegeleiding aan de gemandateerde dienstverlener wordt toegekend met inachtneming van het DAEB-besluit van 20 december 2011.

  Art. 78. De vergoeding van de doorstroombegeleiding bedraagt maximaal 4200 euro per individueel doorstroomtraject voor het doorlopen van de vier fasen, vermeld in artikel 68.
  De vergoeding van de doorstroombegeleiding wordt verrekend naar rato van de effectieve prestaties van de dienstverlener volgens de volgende verdeelsleutel:
  1° 30% van de vergoeding voor de diensten in het kader van het voortraject;
  2° 30% van de vergoeding voor de diensten in het kader van de jobmatching;
  3° 30% van de vergoeding voor de stagediensten;
  4° 10% van de vergoeding voor de diensten in het kader van de nazorg.
  De dienstverlener kan de vergoeding in het kader van de doorstroomtrajecten niet cumuleren met enige andere vorm van steun voor de begeleiding van dezelfde doelgroepwerknemer in het kader van zijn doorstroomtraject.

  HOOFDSTUK 10. - Enclavewerking

  Art. 79. De begeleide inschakeling van een of meer doelgroepwerknemers in de kernactiviteit van een andere onderneming of een andere organisatie waarmee het maatwerkbedrijf samenwerkt, heeft een onlosmakelijk verband of vormt een onderdeel van de productie of de handelsactiviteit van die onderneming of die organisatie.
  De begeleide inschakeling omvat een permanente en kwaliteitsvolle begeleiding op de werkvloer van de andere onderneming of andere organisatie door een gekwalificeerde werkvloerbegeleider die in dienst is van het maatwerkbedrijf.

  Art. 80. Het maatwerkbedrijf bezorgt minimaal een werkdag voor de start van de enclavewerking een afschrift van de schriftelijke overeenkomst aan het departement.
  Met behoud van de toepassing van artikel 33, eerste lid van het decreet van 12 juli 2013, vermeldt de schriftelijke overeenkomst:
  1° de duur van de opdracht, door vermelding van de aanvangs- en einddatum;
  2° de nauwkeurige plaats van de tewerkstelling, door vermelding van adresgegevens en in voorkomend geval de coördinaten van de werkplaats;
  3° de werktijdregeling van de doelgroepwerknemers en de begeleiders.

  HOOFDSTUK 11. - Adviescommissie Sociale Economie

  Art. 81. Er wordt een Adviescommissie Sociale Economie opgericht als vermeld in artikel 35 van het decreet van 12 juli 2013.
  De Adviescommissie Sociale Economie adviseert de minister bij de uitoefening van de opdrachten, vermeld in artikel 35, eerste lid, van het decreet van 12 juli 2013.

  Art. 82. De Adviescommissie Sociale Economie is samengesteld uit:
  1° een voorzitter, die een personeelslid van het departement is;
  2° drie vertegenwoordigers van de representatieve interprofessionele werkgeversorganisaties;
  3° drie vertegenwoordigers van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties;
  4° drie vertegenwoordigers, aangewezen door de leden van de Commissie Sociale Economie, vermeld in artikel 7, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen;
  5° drie vertegenwoordigers van de representatieve sectorale werknemersorganisaties;
  6° een vertegenwoordiger van de lokale besturen;
  7° een vertegenwoordiger van het departement;
  8° een vertegenwoordiger van de VDAB;
  9° een vertegenwoordiger van de SERV.
  In het eerste lid, 4°, wordt verstaan onder Commissie Sociale Economie: de Commissie Sociale Economie, vermeld in hoofdstuk 3 van het voormelde decreet.

  Art. 83. De leden van de Adviescommissie Sociale Economie worden door de minister na voordracht door de instanties, vermeld in artikel 82, benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar.

  Art. 84. De Adviescommissie Sociale Economie organiseert maandelijks een overleg met het oog op de adviesopdracht, vermeld in artikel 35, eerste lid, 1°, van het decreet van 12 juli 2013.

  Art. 85. Het jaarlijkse monitoringsrapport, vermeld in artikel 35, eerste lid, 3° van het decreet van 12 juli 2013, wordt opgemaakt door het departement en bevat minimaal:
  1° het doelbereik van de maatregel per categorie van doelgroepwerknemers, vermeld in artikel 3, 2°, van het voormelde decreet van 12 juli 2013;
  2° een toelichting over de regionale indicatoren en de spreiding van de maatregel.

  Art. 86. De Adviescommissie Sociale Economie waakt bij iedere toewijzing van de werkondersteunende maatregelen als vermeld in artikel 35, eerste lid, 2°, van het decreet van 12 juli 2013, over de tewerkstelling van de personen met de hoogste ondersteuningsbehoefte en geeft daarover advies aan de minister.

  Art. 87. Het huishoudelijk reglement van de Adviescommissie Sociale Economie bepaalt minimaal:
  1° de bevoegdheden van de voorzitter;
  2° de wijze van bijeenroeping en beraadslaging;
  3° de vaststelling van de agendapunten;
  4° de datum en de plaats van het overleg;
  5° de bekendmaking van de handelingen;
  6° de werking en de taken van het secretariaat;
  Het departement neemt het secretariaat van de Adviescommissie Sociale Economie waar.
  Het departement bepaalt, in samenspraak met de voorzitter, het tijdstip en de agenda van de vergaderingen.

  Art. 88. Voor de adviesopdracht, vermeld in artikel 35, eerste lid, 1°, van het decreet van 12 juli 2013, zijn alleen de leden, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2°, 3°, 7°, en 8°, van dit besluit, stemgerechtigd.
  Voor de adviesopdrachten, vermeld in artikel 35, eerste lid, 2° en 3°, van het decreet van 12 juli 2013, zijn alle leden, vermeld in artikel 82 van dit besluit, stemgerechtigd.

  HOOFDSTUK 12. - Toezicht, handhaving en sancties

  Art. 89. Onrechtmatig ontvangen subsidies worden in mindering gebracht van al vaststaande maar nog niet uitbetaalde subsidies.

  Art. 90. De minister kan in de volgende gevallen beslissen geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien:
  1° bij een administratieve vergissing, als de begunstigde van de onrechtmatig ontvangen subsidies te goeder trouw is;
  2° in de gevallen waarin onrechtmatig ontvangen subsidies niet in mindering kunnen worden gebracht van reeds vaststaande maar nog niet uitbetaalde subsidies, als de omvang van het terug te vorderen bedrag gering is en niet in verhouding staat tot de kosten van de terugvordering.
  De afstand van terugvordering is evenwel uitgesloten bij :
  1° de inbreuken, vermeld in artikel 38 en 39 van het decreet van 12 juli 2013;
  2° de overschrijding van de hoogste steunintensiteit of het hoogste steunbedrag, vermeld in artikel 48 van het decreet van 12 juli 2013.

  HOOFDSTUK 13. - Wijzigingsbepalingen

  Art. 91. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 1993 tot
  veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 16° wordt opgeheven;
  2° punt 17° wordt vervangen door wat volgt:
  " 17° maatwerkbedrijf: de onderneming, vermeld in artikel 3, 5°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, voordien erkend als een sociale werkplaats, conform het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van het voormelde decreet van 12 juli 2013;".

  Art. 92. In artikel 3, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008, wordt de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 7° wordt vervangen door wat volgt:
  "7° de doelgroepwerknemers van het maatwerkbedrijf, vermeld in artikel 3, 2°, b), van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;";
  2° punt 12° wordt vervangen door wat volgt:
  "12° de niet-werkende werkzoekenden die worden aangeworven als werkvloerbegeleider als vermeld in artikel 46 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;".

  Art. 93. In artikel 6bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Met toepassing van artikel 94 van de wet en binnen de perken van het begrotingskrediet kan een maatwerkbedrijf aanspraak maken op de loonpremie, vermeld in artikel 12 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, voor de werknemers, vermeld in artikel 3, § 1, 7°, van dit besluit.";
  2° paragraaf 1 bis wordt opgeheven;
  3° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. In toepassing van artikel 94 van de wet en binnen de perken van het begrotingskrediet kan een maatwerkbedrijf aanspraak maken op de omkaderingspremie voor het omkaderingspersoneelslid volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 15, 16 en 17 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en de uitvoeringsbesluiten van de bepalingen van het voormelde decreet.";
  4° paragraaf 2ter en paragraaf 2 quater worden vervangen door wat volgt:
  " § 2ter. Als aanvulling op de omkaderingspremie, vermeld in paragraaf 2bis, eerste lid, en binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de sociale werkplaatsen aanspraak maken op een toelage voor de eindejaarspremie op basis van het aantal door de minister erkende omkaderingspersoneelsleden, belast met de begeleiding van de arbeidszorgmedewerkers.
  De toelage bedraagt 803,92 euro per voltijdsequivalent van een erkend omkaderingspersoneelslid.";
  " § 2quater. In het kader van de managementondersteuning en binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de sociale werkplaatsen aanspraak maken op een managementsubsidie op basis van het aantal door de minister erkende omkaderingspersoneelsleden, belast met de begeleiding van de arbeidszorg medewerkers.
  Die managementsubsidie bedraagt 200 euro per voltijds equivalent van een erkend omkaderingspersoneelslid";
  5° paragraaf 5 wordt opgeheven.

  Art. 94. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2014, wordt een artikel 31bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 31bis. De aanwerving van de werknemers, vermeld in artikel 3, § 1, 7°, is niet onderworpen aan de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk IV, met uitzondering van artikel 19 en 30.".

  Art. 95.In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 tot uitvoering van het decreet inzake sociale werkplaatsen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 juli 2001, 14 december 2001 en 1 juli 2016, worden [1 punt 3°, punt 6°, punt 7°]1 tot en met 9°, en punt 11° tot en met 14° opgeheven.
  ----------
  (1)<BVR 2018-12-14/14, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 96. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016, worden hoofdstuk II, dat bestaat uit artikel 2, hoofdstuk III, dat bestaat uit artikel 3, hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 4 tot en met 8, hoofdstuk V, dat bestaat uit artikel 9 tot en met 12, hoofdstuk VI, dat bestaat uit artikel 13, en hoofdstuk VII, dat bestaat uit artikel 14 tot en met 17, opgeheven.

  Art. 97. Artikel 18 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999, wordt opgeheven.

  Art. 98. Artikel 18bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2006, en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016, wordt opgeheven.

  Art. 99.[1 Artikel 19 en 20 van hetzelfde besluit worden opgeheven.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-12-14/14, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 100. Artikel 22 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 september 2006 en 1 juli 2016, wordt opgeheven.

  Art. 101. Artikel 23 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016, wordt opgeheven.

  Art. 102. Artikel 24 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

  Art. 103. Artikel 28 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 en 1 juli 2016, wordt opgeheven.

  Art. 104. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2011 tot vaststelling van de investeringssubsidies voor de beschutte werkplaatsen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2014, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
  "3° capaciteit: het gedeelte binnen het globale contingent dat toegekend is aan de werkplaats met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, dat bestaat uit de personen met een arbeidshandicap, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;".

  Art. 105. In artikel 4, eerste lid, artikel 7, 2°, en artikel 11, tweede lid, 1°, a), van hetzelfde besluit worden de woorden "werknemers met een arbeidshandicap" telkens vervangen door de woorden "personen met een arbeidshandicap".

  HOOFDSTUK 14. - Slotbepalingen

  Art. 106.De volgende regelingen worden opgeheven:
  1° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1996 houdende subsidieregeling van het loon en de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1999 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de beschutte werkplaatsen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016;
  3° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, behoudens het artikel 109;
  Met toepassing van artikel 59, tweede lid van het decreet van 12 juli 2013 blijven de volgende regelingen nog van toepassing zolang de minister dat noodzakelijk acht :
  1° artikel 1, 3 [1 , 6 en 12]1 van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2004 en 16 juli 2010;
  2° artikel 79, § 1, van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006, gewijzigd bij het decreet van 21 november 2008.
  ----------
  (1)<BVR 2018-12-14/14, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 107. De beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen blijven elk hun erkenning behouden zolang de minister dat noodzakelijk acht met het oog op de succesvolle transitie ervan naar een maatwerkbedrijf als vermeld in dit besluit.

  Art. 108. § 1. De beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen worden vrijgesteld van de aanmeldingsplicht, vermeld in artikel 17, en verkrijgen op 1 januari 2019 op automatische wijze het label van maatwerkbedrijf.
  De minister beslist tot de toekenning van het contingent aan werkondersteunende maatregelen aan het maatwerkbedrijf overeenkomstig het contingent dat uiterlijk op 31 december 2018 is toegekend.
  § 2. Werkondersteunende maatregelen worden volgens de volgende voorwaarden toegekend:
  1° de doelgroepwerknemers die uiterlijk op 31 maart 2017 zijn tewerkgesteld in een beschutte werkplaats, hebben vanaf 1 april 2017 recht op de ondersteuningsgraad, vermeld in artikel 50, eerste lid, 4° ;
  2° de zwakke werknemers, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1996 houdende subsidieregeling van het loon en de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Departement Werk en Sociale Economie, en die uiterlijk op 31 maart 2017 in dienst zijn getreden, hebben vanaf 1 april 2017 recht op de ondersteuningsgraad, vermeld in artikel 50, eerste lid, 1° ;
  3° de doelgroepwerknemers, die uiterlijk op 31 maart 2017 zijn tewerkgesteld in een sociale werkplaats, hebben vanaf 1 april 2017 recht op de ondersteuningsgraad, vermeld in artikel 50, eerste lid, 1° ;
  4° de doelgroepwerknemers, die vanaf 1 april 2017 in dienst treden in een beschutte of sociale werkplaats, zijn vanaf 1 januari 2019 gerechtigd op het werkondersteuningspakket conform artikel 50;
  5° de personen, die als doelgroepwerknemers tussen 1 april 2017 en 31 december 2018 in dienst treden in een sociale werkplaats, en die niet over een advies collectief maatwerk beschikken, zijn vanaf 1 januari 2019 gerechtigd op het werkondersteuningspakket, vermeld in artikel 50, eerste lid, 3°.
  § 3. Werkondersteunende maatregelen worden volgens de volgende voorwaarden toegekend aan maatwerkbedrijven waaraan het label is toegekend conform paragraaf 1, eerste lid:
  1° voor de doelgroepwerknemers die uiterlijk op 31 december 2018 zijn tewerkgesteld, worden de werkondersteunende maatregelen toegekend voor onbepaalde duur;
  2° 10% van de doelgroepwerknemers, vermeld in punt 1°, komt in aanmerking voor evaluatie.
  De minister bepaalt de voorwaarden voor de bepaling van het percentage, vermeld in 2°.
  Het departement bezorgt aan de VDAB een nominatieve lijst met doelgroepwerknemers die in aanmerking komen voor evaluatie. De VDAB bepaalt het tijdstip van de evaluatie.

  Art. 109. § 1. Artikel 109 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, wordt ingetrokken.
  § 2.Voor de periode van 1 april 2015 tot op het ogenblik waarop de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve Inschakeling en het ministerieel besluit van 26 maart 2015 tot uitvoering van artikel 13 en 51 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en het artikel 13 van het besluit van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet lokale diensteneconomie van 22 november 2013 werden geschorst ten gevolge van het arrest nr. 233.620 van de Raad van State wordt evenwel, onverminderd de intrekking als bedoeld in paragraaf 1, aan het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling uitvoering gegeven door het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en de uitvoeringsbesluiten daarvan, met uitzondering van artikel 109 van het voormelde besluit van 19 december 2014.
  De toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, behoudens artikel 109 van het voormelde besluit van 19 december 2014, sluit voor de periode bedoeld in het vorige lid, de toepassing uit van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1996 `houdende subsidieregeling van het loon en de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Departement voor Werk en Sociale Economie' en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1999 `tot vaststellingen van de erkenningsvoorwaarden van de beschutte werkplaatsen'.

  Art. 110. Het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling treedt inwerking op 1 januari 2019, met uitzondering van volgende bepalingen die inwerking treden op 1 april 2017:
  1° artikel 35;
  2° artikel 59, eerste lid.
  Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019, met uitzondering van volgende bepalingen die in werking treden op 1 april 2017:
  1° artikel 106, eerste lid, 3° en hoofdstuk 11, dat bestaat uit artikel 81 tot en met 88;
  2° artikel 108, § 2, punt 1° tot en met 5° ;
  3° het artikel 109.

  Art. 111. De Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 17 februari 2017.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
G. BOURGEOIS
De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding,
L. HOMANS
De Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport,
Ph. MUYTERS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   DE VLAAMSE REGERING,
   Gelet op het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, artikelen 3 (2° ), 4, 5, 6, 7, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 20, 21, 23, 24, 28, 33, 35, 42, 59 en 60;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 1993 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1996 houdende subsidieregeling van het loon en de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 tot uitvoering van het decreet inzake sociale werkplaatsen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1999 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de beschutte werkplaatsen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2011 tot vaststelling van de investeringssubsidies voor de beschutte werkplaatsen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017 tot bepaling van de voorwaarden voor de toekenning van de subsidie voor managementadvies, vermeld in artikel 12 van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen;
   Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, gegeven op 23 december 2016;
   Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 13 december 2016;
   Gelet op het advies 60.756/1 van de Raad van State, gegeven op 7 februari 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, en de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 24-05-2019 GEPUBL. OP 26-08-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 3; 5; 6; 7; 9; 11; 72)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 01-03-2019 GEPUBL. OP 12-04-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 1/1; 1/2; 1/3; 1/4; 1/5; 1/6; 33; 34; 38; 40; 53; 108)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 25-01-2019 GEPUBL. OP 18-03-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 74)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 14-12-2018 GEPUBL. OP 25-01-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 95; 99; 106)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie