J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2015/11/09/2015000710/justel

Titel
9 NOVEMBER 2015. - Wet houdende diverse bepalingen Binnenlandse Zaken

Bron :
BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 30-11-2015 nummer :   2015000710 bladzijde : 71202       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2015-11-09/19
Inwerkingtreding : 10-12-2015

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Instellingen en Bevolking
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen
Art. 2-8
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen
Art. 9-12
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 14 januari 2013 betreffende het burgerinitiatief in de zin van de europese Verordening (EU) nr. 211/2011 van het europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011
Art. 13
HOOFDSTUK 3. - Civiele Veiligheid
Afdeling 1. - Interpretatie van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming
Art. 14
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid
Art. 15-40
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 19 april 2014 tot vaststelling van bepaalde aspecten van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid
Art. 41
Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten
Art. 42
Hoofdstuk 4. - Veiligheid en Preventie
Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen
Art. 43-45
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties
Art. 46
Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid
Art. 47-53
Afdeling 4. - Wijzigingen van de wet van 16 januari 2013 houdende diverse maatregelen betreffende de strijd tegen maritieme piraterij
Art. 54
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen
Art. 55-56

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Instellingen en Bevolking

  Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen

  Art. 2. In artikel 1 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, gewijzigd bij de wet van 25 maart 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
  " § 2. Het Rijksregister stelt een nationaal bestand ter beschikking van de overheden, de instellingen en de personen bedoeld in artikel 5.";
  2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende:
  " § 3. Dit nationale bestand streeft volgende doelstellingen na:
  a) de uitwisseling van informatiegegevens tussen administraties vergemakkelijken;
  b) de automatische bijwerking van de bestanden van de openbare sector mogelijk maken wat de algemene gegevens over de burgers betreft, voor zover de wet, het decreet of de ordonnantie het toelaten;
  c) het beheer van de gemeentelijke registers rationaliseren en vereenvoudigen, onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het houden van de registers van burgerlijke stand;
  d) de administratieve formaliteiten die van burgers door de publieke overheden geëist worden, vereenvoudigen;
  e) bijdragen tot de preventie en de bestrijding van identiteitsfraude;
  f) deelnemen aan het aanmaken van de identiteitsdocumenten of van andere documenten die de identiteit kunnen aantonen.".

  Art. 3. In dezelfde wet wordt een artikel 2bis ingevoegd, luidende:
  "Art. 2bis. De volgende natuurlijke personen met buitenlandse nationaliteit worden vermeld in het Rijksregister:
  - de diplomatieke ambtenaren van de in het Rijk gevestigde diplomatieke zendingen;
  - de personeelsleden die de diplomatieke status genieten van de permanente vertegenwoordigingen en de zendingen bij de in het Rijk gevestigde gouvernementele internationale organisaties;
  - de personeelsleden die de diplomatieke status genieten van de in het Rijk gevestigde gouvernementele internationale organisaties;
  - de consulaire beroepsambtenaren, die gemachtigd zijn hun consulaire taak in het Rijk uit te oefenen;
  - de leden van het administratief en technisch personeel van de in het Rijk gevestigde diplomatieke zendingen en van de permanente vertegenwoordigingen en de zendingen bij de in het Rijk gevestigde gouvernementele internationale organisaties;
  - de beroepsconsulaire bedienden van de in het Rijk gevestigde consulaire posten;
  - de ambtenaren en personeelsleden van de in het Rijk gevestigde gouvernementele internationale organisaties;
  - de leden van het europees Parlement die uitsluitend om reden van hun mandaat in het Rijk verblijven;
  - de ambtenaren belast met een officiële opdracht in het Rijk;
  - de militaire officieren aan wie toestemming is verleend om in het Rijk stage te lopen;
  - de leden van het bedienend personeel van de in het Rijk gevestigde diplomatieke zendingen en consulaire posten en van de permanente vertegenwoordigingen en zendingen bij de in het Rijk gevestigde gouvernementele internationale organisaties;
  - de inwonende gezinsleden ten laste van de personen hierboven;
  - de particuliere bedienden die uitsluitend tewerkgesteld worden in de persoonlijke dienst van de diplomatieke ambtenaren, de personen die de diplomatieke status genieten en de consulaire beroepsambtenaren.
  Deze vermelding opent geen socio-economische rechten.
  Met toepassing van artikel 2, tweede lid, wordt een Rijksregisternummer toegekend aan elke persoon bedoeld in het eerste lid.".

  Art. 4. In artikel 3, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 7° opgeheven;
  2° in het eerste lid wordt de bepaling onder 9° /1 vervangen als volgt:
  "9° /1 de akten en beslissingen betreffende de rechtsbekwaamheid en de beslissingen tot bewind over de goederen of over de persoon bedoeld in artikel 1249, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; de naam, de voornaam en het adres van de persoon die een minderjarige, een onbekwaam verklaarde, een geïnterneerde of een persoon die onder het statuut van verlengde minderjarigheid geplaatst is, vertegenwoordigt of bijstaat of van de bewindvoerder over de goederen of de persoon van wie melding wordt gemaakt in de in artikel 1249, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde beslissing.";
  3° in het eerste lid wordt de bepaling onder 17° vervangen als volgt:
  "17° in voorkomend geval de contactgegevens van de burgers, die enkel op vrijwillige basis worden meegedeeld, zoals bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad; de Koning bepaalt eveneens de nadere regels van de mededeling van deze gegevens aan de diensten van het Rijksregister van de natuurlijke personen en de nadere regels van de wijziging van deze gegevens door de burger;";
  4° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
  "Worden eveneens vermeld in het Rijksregister, vanaf de door de Koning bepaalde datum, de vermeldingen van de akten van de burgerlijke stand betreffende het uur van de geboorte en het uur van het overlijden.".

  Art. 5. In artikel 4bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 december 2013, wordt het eerste lid aangevuld met de woorden: ", alsook de in artikel 3, derde lid, bedoelde vermeldingen.".

  Art. 6. In dezelfde wet wordt een artikel 4ter ingevoegd, luidende:
  "Art.4ter. De minister bevoegd voor Buitenlandse Zaken, is verantwoordelijk voor de verzameling en bijwerking van informatie met betrekking tot de in artikel 2bis bedoelde personen. Hij voert eveneens de schrapping in het Rijksregister uit bij stopzetting van de taken die de vermelding in het Rijksregister rechtvaardigt van personen bedoeld in artikel 2bis.
  In afwijking van artikel 3, worden enkel de informatiegegevens met betrekking tot de personen bedoeld in artikel 2bis en in artikel 3, eerste lid, 1° tot 9° en 13° geregistreerd en bewaard door het Rijksregister."
  De Koning verstrekt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een bijzondere identiteitskaart aan de personen bedoeld in artikel 2bis en bepaalt de voorwaarden en nadere regels van de afgifte van deze kaart.".

  Art. 7. In artikel 5, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 mei 2007, worden de woorden "De machtiging om toegang te hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid" vervangen door de woorden "De machtiging om toegang te hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid".

  Art. 8. In dezelfde wet wordt een artikel 5bis ingevoegd, luidende:
  "Art. 5bis. Het in artikel 15 bedoelde sectoraal comité van het Rijksregister machtigt de toegang tot de gegevens met betrekking tot de personen bedoeld in artikel 2bis, overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels bedoeld in artikel 5, op voorwaarde, enerzijds, dat de aanvragen bedoeld in artikel 31bis, § 3, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, in verband met de verwerking of de mededeling van de gegevens betreffende de personen bedoeld in artikel 2bis, meegedeeld zullen worden aan de minister bevoegd voor Buitenlandse Zaken opdat die laatste binnen de vijftien dagen een technisch en juridisch advies zou bezorgen aan het sectoraal comité van het Rijksregister en, anderzijds, dat de in artikel 5, vierde lid, bedoelde beslissing eveneens naar de minister bevoegd voor Buitenlandse Zaken gestuurd zal worden.".

  Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen

  Art. 9. In artikel 1 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de bepaling onder 1° aangevuld met de woorden "evenals de personen bedoeld in artikel 2bis van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen";
  2° in paragraaf 1 wordt de bepaling onder 1° aangevuld met een lid, luidende:
  "De personen die zich vestigen in een woning waarin permanente bewoning niet is toegelaten om redenen van veiligheid, gezondheid, urbanisme of ruimtelijke ordening, zoals vastgesteld door de daartoe bevoegde gerechtelijke of administratieve instantie, kunnen enkel door de gemeente voorlopig worden ingeschreven in de bevolkingsregisters. Hun inschrijving blijft voorlopig zolang de hiertoe bevoegde gerechtelijke of administratieve instantie geen beslissing of maatregel heeft genomen om een einde te maken aan de aldus geschapen onregelmatige toestand. De voorlopige inschrijving neemt een einde zodra de personen de woning hebben verlaten of een einde wordt gesteld aan de onrechtmatige toestand.";
  3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Op dezelfde wijze worden gedetineerden, met name de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven, die zijn opgesloten in een penitentiaire inrichting en geen verblijfplaats hebben of meer hebben, ingeschreven op het adres van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar zij het laatst stonden ingeschreven in het bevolkingsregisters. De gedetineerden, met name de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven, die nooit zijn ingeschreven geweest in de bevolkingsregisters van een gemeente, worden ingeschreven op het adres van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar de penitentiaire inrichting ligt.".

  Art. 10. In artikel 6 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, derde lid, wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt:
  "5° de andere vermeldingen die voorzien of toegelaten worden door de wet, alsook de vermeldingen die opgelegd worden door de europese wetgeving;";
  2° in paragraaf 7 wordt het derde lid vervangen als volgt:
  "Indien de vrederechter jegens een natuurlijke persoon de handtekeningsonbekwaamheid of de onbekwaamheid om zich met behulp van de elektronische identiteitskaart te authenticeren, beveelt als in artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechterlijke beschermingsmaatregel betreffende de persoon of de goederen van de persoon, worden de gekwalificeerde handtekenings- of authenticeringscertificaten op de elektronische identiteitskaart van de betrokken persoon ingetrokken.".

  Art. 11. In artikel 6bis, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 maart 2003 en gewijzigd bij de wetten van 15 mei 2007 en 28 april 2010, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt:
  "1° voor iedere houder: het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen, de foto van de houder die overeenstemt met de foto van de laatste kaart, alsook de foto's van de houder die voorkomen op de identiteitskaarten die hem gedurende de laatste vijftien jaar werden afgeleverd, het elektronische beeld van de handtekening van de houder, alsook de historiek van de elektronische beelden van de handtekeningen, de gevraagde taal voor de uitgifte van de kaart en het volgnummer van de kaart. De Koning bepaalt de datum vanaf wanneer de historiek van de foto's en de historiek van de elektronische beelden van de handtekeningen opgeslagen en bewaard worden in het centrale bestand van de identiteitskaarten en in het centrale bestand van de vreemdelingenkaarten;".

  Art. 12. In artikel 8 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " § 1. In geval van betwisting betreffende de plaats van de huidige hoofdverblijfplaats bepaalt de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken, deze plaats na, indien nodig, een onderzoek ter plaatse te hebben laten uitvoeren.
  De minister wordt binnen de dertig kalenderdagen volgend op de kennisgeving van de betwiste beslissing betreffende de huidige hoofdverblijfplaats gevat door middel van een schrijven of van een elektronisch verzonden schrijven.
  In het verzoekschrift worden de volgende gegevens vermeld:
  - de naam, de voornaam, het adres van inschrijving in de bevolkingsregisters, de geboortedatum en eventueel het Rijksregisternummer van de persoon of personen van wie de huidige hoofdverblijfplaats wordt betwist;
  - een duidelijke beschrijving van de redenen waarom de tussenkomst van de minister wordt gevraagd;
  - een duidelijke beschrijving van het persoonlijke belang van de persoon in het geval dat de tussenkomst van de minister wordt gevraagd door een andere persoon dan diegene van wie de huidige hoofdverblijfplaats wordt betwist.
  Het verzoekschrift moet worden gedagtekend en ondertekend op straffe van onontvankelijkheid.
  De beschikbare relevante stukken worden bij het verzoekschrift gevoegd.
  De minister kan de bevoegdheden die hem door het eerste lid worden toegekend, delegeren aan de leidinggevende ambtenaar van de Dienst Bevolking of aan zijn gemachtigde.
  Indien de plaats waar hij woont bekend is, worden de persoon van wie de inschrijving in de bevolkingsregisters moet worden geregulariseerd en desgevallend zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsook de betrokken gemeente of gemeenten hiervan op de hoogte gebracht bij een aangetekende zending, om hen de mogelijkheid te bieden om binnen de vijftien dagen na deze kennisgeving hun eventuele opmerkingen of verweermiddelen te laten gelden. Deze personen en de vertegenwoordiger van de betrokken gemeente of gemeenten worden, op hun vraag, gehoord door de minister of, indien deze van zijn delegatierecht gebruik gemaakt heeft, door de gemachtigde ambtenaar om de beslissing te nemen.
  Wanneer deze termijn verstreken is, neemt de minister of zijn gemachtigde zijn beslissing.
  Indien uit dit onderzoek blijkt dat de betrokken persoon zijn laatst bekende adres verlaten heeft zonder dit te hebben aangegeven en dat de plaats waar hij zich gevestigd heeft, niet ontdekt kan worden, wordt overgegaan tot zijn ambtshalve schrapping uit de bevolkingsregisters.";
  2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
  " § 4. De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken, komt echter niet tussen in geval van betwisting naar aanleiding van de weigering van een gemeente om een referentieadres aan een persoon toe te kennen.".

  Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 14 januari 2013 betreffende het burgerinitiatief in de zin van de europese Verordening (EU) nr. 211/2011 van het europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011

  Art. 13. In artikel 3 van de wet van 14 januari 2013 betreffende het burgerinitiatief in de zin van de europese Verordening (EU) nr. 211/2011 van het europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt:
  "1° dat er voldoende geldige steunbetuigingen zijn";
  2° het vierde lid wordt vervangen als volgt:
  "De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken reikt aan de organisatoren van het voorstel, het in artikel 8, § 2, van de voormelde verordening bedoelde certificaat uit, met vermelding van het aantal geldige steunbetuigingen.";
  3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "In het kader van de controles bedoeld in het tweede lid, 2° en 3°, hebben de overeenkomstig het eerste lid aangewezen ambtenaren toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 4°, 5° en 9° /1, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. De toegang tot de historiek van de aan de gegevens aangebrachte wijzigingen is beperkt tot de begindatum van de inzameling van de steunbetuigingen voor een burgerinitiatief.".

  HOOFDSTUK 3. - Civiele Veiligheid

  Afdeling 1. - Interpretatie van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming

  Art. 14. Artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, wordt aldus uitgelegd dat: de wijzigingen die werden ingevoerd in de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming door de wet van 14 januari 2013 tot wijziging van de wet van 31 december 1963 worden toegepast vanaf hun datum van inwerkingtreding, zijnde 17 februari 2013, op de beslissingen die de provinciegouverneurs genomen hebben met betrekking tot de definitieve verdeling van de in aanmerking komende kosten gemaakt door de gemeenten-groepscentra sinds 1 januari 2006.

  Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid

  Art. 15. In artikel 6 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, wordt paragraaf 3 aangevuld met de woorden: "onder de voorwaarden bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.".

  Art. 16. In artikel 17, § 6, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bepalingen onder 1/1, 1/2 en 1/3 worden ingevoegd, luidende:
  "1/1. artikel 23;
  1/2. artikel 107;
  1/3. artikel 108;";
  2° de paragraaf wordt aangevuld met de bepaling onder 3., luidende:
  "3. artikel 187.".

  Art. 17. In artikel 28 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, wordt het vierde lid opgeheven.

  Art. 18. In artikel 29 van dezelfde wet worden de woorden "van lid van het college van burgemeester en schepenen" vervangen door de woorden "van burgemeester".

  Art. 19. In artikel 30 van dezelfde wet worden de woorden "bedoeld in artikel 24, tweede lid," ingevoegd tussen de woorden "de zoneraad" en de woorden "schriftelijk ingediend".

  Art. 20. In de Franse tekst van artikel 36, derde lid, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "sans déplacement" worden opgeheven;
  2° de woorden "sur place" worden ingevoegd tussen het woord "zonaux" en de woorden "dès l'envoi".

  Art. 21. In artikel 39, eerste lid, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "een van de volgende middelen:" worden ingevoegd tussen de woorden "minstens door" en het woord "aanplakking";
  2° het lid wordt aangevuld met de woorden "of de bekendmaking op de website van de zone en op de website van de gemeenten van de zone.".

  Art. 22. In artikel 42, 1°, van dezelfde wet, worden de woorden "zijn verkiezing" vervangen door de woorden "dat hij lid van de zoneraad is geworden".

  Art. 23. In artikel 47, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden "en uiterlijk samen met de agenda" opgeheven.

  Art. 24. Artikel 50 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De voorzitter kan bovendien proces-verbaal opmaken tegen de overtreder en hem verwijzen naar de politierechtbank, die hem kan veroordelen tot een geldboete van een euro tot vijftien euro of tot een gevangenisstraf van een dag tot drie dagen, onverminderd andere vervolgingen, indien het feit daartoe grond oplevert.".

  Art. 25. In de Franse tekst van artikel 68, § 4, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden "la notification du conseil" vervangen door de woorden "la notification au conseil" in de Franstalige versie van de tekst.

  Art. 26. In artikel 90, tweede lid, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "middel van aanplakbiljetten die door de zorg van het college worden aangebracht" worden vervangen door de woorden "een van de volgende middelen: aanplakking of de bekendmaking op de website, uitgevoerd door het college";
  2° de laatste zin wordt vervangen als volgt: "De aanplakking of de bekendmaking op de website duurt ten minste tien dagen.".

  Art. 27. In artikel 117 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 3 augustus 2012 en 21 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de bestaande tekst van het eerste lid zal paragraaf 1 vormen;
  2° in het tweede lid waarvan de bestaande tekst paragraaf 2 zal vormen, wordt het woord "aankoopcentrale" vervangen door het woord "opdrachtcentrale";
  3° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende:
  " § 3. Subsidies kunnen aan de prezones en de hulpverleningszones toegekend worden, binnen de grenzen van de begrotingswetten, voor de aankoop van materieel of het gebruik van een licentie noodzakelijk voor het uitoefenen van hun opdrachten zoals bedoeld in artikel 11.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels volgens dewelke deze subsidies toegekend worden. Deze voorwaarden moeten toelaten om te verifiëren dat het gebruik van de subsidies overeenstemt met de doelstelling bedoeld in het eerste lid.
  Het bedrag van de subsidie wordt door de Koning vastgesteld, voor elke prezone en zone, rekening houdend met de criteria bevolking en oppervlakte.".

  Art. 28. In artikel 124 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt het woord "simultaan" ingevoegd tussen het woord "omschrijving" en de woorden "aan de gouverneur";
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
  "Tegelijk met de verzending aan de gouverneur wordt de lijst van de besluiten door één van de volgende middelen bekendgemaakt: aanplakking op de centrale zetel van de zone, alsook in elk gemeentehuis van de gemeenten van de zone of de bekendmaking op de website van de zone en op de website van de gemeenten van de zone."

  Art. 29. In artikel 125 van dezelfde wet worden de woorden "voor eensluidend verklaard" opgeheven.

  Art. 30. In artikel 126, § 4, eerste lid, van dezelfde wet worden volgende wijzigingen gebracht:
  1° de woorden "na ontvangst ervan" worden vervangen door de woorden "te rekenen vanaf de dag die volgt op het verlopen van de toezichtstermijn van de gouverneur bedoeld in paragraaf 1";
  2° de zin "Hij brengt voorafgaandelijk de gouverneur en de zoneoverheden hiervan op de hoogte." wordt opgeheven.

  Art. 31. In artikel 127 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, worden de woorden "van het operationeel personeel" ingevoegd tussen de woorden "het personeelsplan" en de woorden ", de begroting".

  Art. 32. In artikel 129 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, worden de woorden "van het operationeel personeel" ingevoegd tussen de woorden "het personeelsplan" en de woorden "van de zone".

  Art. 33. In artikel 132 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, worden de woorden "van het operationeel personeel" ingevoegd tussen de woorden "het personeelsplan" en de woorden "kan de zoneoverheid".

  Art. 34. In artikel 172 van dezelfde wet wordt het vierde lid vervangen als volgt:
  "Het proces-verbaal wordt gedurende minstens tien werkdagen bekendgemaakt ofwel via aanplakking op de centrale zetel van de betrokken zone alsook in elk gemeentehuis van de gemeenten van de zone, ofwel via de bekendmaking op de website van de zone en op de website van de gemeenten van de zone.".

  Art. 35. Artikel 174 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "In afwachting van de instelling van de algemene inspectie van de operationele diensten van de civiele veiligheid, oefent de inspectie bedoeld in artikel 9, § 2, van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming de in deze titel voorziene opdrachten uit.".

  Art. 36. Artikel 177, enig lid, van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende zin:
  "De hulpverleningszones kunnen sensibiliseren, adviseren en controles uitvoeren."

  Art. 37. In artikel 201, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, worden de woorden "waarin de Koning vaststelt dat voor alle hulpverleningszones voldaan is aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 220" vervangen door de woorden "dat deze opheffing voorziet".

  Art. 38. In artikel 215, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "onder de voorwaarden bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad" opgeheven.

  Art. 39. In dezelfde wet wordt een artikel 219/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 219/2. § 1. De Koning kan, binnen de grenzen van de begrotingswetten en onder de door Hem bepaalde voorwaarden, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een specifieke dotatie toekennen aan de hulpverleningszone Hainaut-Centre om de loonkosten volledig of gedeeltelijk te dekken van de brandweerlieden van de brandweerdienst van de Supreme Headquarters Allied Powers europe, tijdens vijf jaren maximum.
  De in het eerste lid bedoelde voorwaarden moeten toelaten om te verifiëren dat het gebruik van de dotatie overeenstemt met de in het eerste lid bedoelde doelstelling.
  Deze voorwaarden zijn met name:
  - het opstellen van een plan waarin vastgesteld wordt hoe de specifieke dotatie gebruikt zal worden;
  - het indienen van een verslag dat aangeeft hoe de dotatie gebruikt werd aan het einde van de door de dotatie gedekte periode.
  § 2. De brandweerlieden van de brandweerdienst van de Supreme Headquarters Allied Powers europe kunnen lid worden van het operationeel personeel van de hulpverleningszone Hainaut-Centre, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden. Na de overdracht zijn zij onderworpen aan het statuut dat van toepassing is op de leden van het operationeel personeel van de zone.".

  Art. 40. In artikel 223, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, wordt het woord "zesde" vervangen door het woord "twaalfde".

  Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 19 april 2014 tot vaststelling van bepaalde aspecten van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid

  Art. 41. Artikel 9 van de wet van 19 april 2014 tot vaststelling van bepaalde aspecten van de arbeidstijd van de operationele beroepsleden van de hulpverleningszones en van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp en tot wijziging van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "Van het eerste lid kan worden afgeweken op voorwaarde dat gelijkwaardige periodes van inhaalrust toegekend worden in de loop van de veertien volgende dagen.
  Indien objectieve, technische of arbeidsorganisatorische omstandigheden dit rechtvaardigen, kan voor een minimumrusttijd van vierentwintig uren worden gekozen, mits het volgen van de procedures bepaald in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, met inbegrip van de procedure van sociale bemiddeling bedoeld in hoofdstuk IIIquater van voormelde wet.".

  Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten

  Art. 42. Artikel 1, § 1, van de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten, gewijzigd bij de wet van 4 februari 2003, wordt aangevuld met de bepaling onder 9°, luidende:
  "9° de hulpverleningszones, met uitzondering van de vrijwillige brandweerlieden en de vrijwillige ambulanciers die geen brandweerman zijn, bedoeld in artikel 103, 2° en 4° van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid.".

  Hoofdstuk 4. - Veiligheid en Preventie

  Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen

  Art. 43. In artikel 4 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen, worden de tweede zin en derde zin, die aanvangt met de woorden "Hij kan eveneens" en eindigt met de woorden "vastgestelde termijn", opgeheven.

  Art. 44. In artikel 5, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 mei 2007, worden de woorden "hebben te allen tijde toegang tot de in artikel 2 bedoelde inrichtingen" vervangen door de volgende tekst:
  "kunnen controles aangaande de brandveiligheid van constructies uitvoeren en hebben hiertoe de toegang tot de constructies of onderdelen van constructies die voor het publiek toegankelijk zijn alsook de verlaten, niet onderhouden constructies. Zij hebben slechts toegang tot constructies die niet voor het publiek toegankelijk zijn of tot de onderdelen ervan wanneer zij ofwel concrete aanwijzingen hebben dat de openbare veiligheid ernstig in het gedrang komt ofwel toestemming hebben verkregen van de persoon die gemachtigd is om toegang te verlenen ofwel van de persoon die het werkelijk genot heeft van de plaats en wiens bescherming van het privéleven of eerbied voor de woning in het gedrang dreigen te komen.".

  Art. 45. In artikel 11 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden "of wegens het niet afsluiten van de verzekering bedoeld in hoofdstuk II";
  2° het tweede lid wordt aangevuld met de woorden "en de verplichting inzake de verzekering bepaald in hoofdstuk II in orde gebracht werden".

  Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties

  Art. 46. Artikel 21, § 4, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, vervangen bij de wet van 21 december 2013, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De in het eerste lid, 4°, bedoelde personeelsleden moeten voldoen aan de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vastgelegde minimumvoorwaarden inzake selectie, aanwerving en opleiding.".

  Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid

  Art. 47. In artikel 13.18 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, ingevoegd bij de wet van 16 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede gedachtestreepje van het vierde lid worden de woorden "- artikel 4bis, § 1, tweede en derde lid" vervangen door de woorden "- artikel 4bis, § 1, eerste tot en met vierde lid";
  2° tussen het twaalfde en het dertiende gedachtestreepje van het vierde lid wordt een gedachtestreepje ingevoegd, luidende:
  "- artikel 19, § 5, vijfde lid";
  3° het artikel wordt aangevuld met een lid luidende:
  "Bij het uitvoeren van de bewakingsopdracht laat de geregistreerde eigenaar of exploitant uitsluitend de personeelsleden van de maritieme veiligheidsonderneming aan boord van het schip komen waarvan voorafgaandelijk werd vastgesteld dat zij in het bezit zijn van een identificatiekaart zoals bedoeld in artikel 8, § 3, eerste lid.".

  Art. 48. In artikel 13.19 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 16 januari 2013, worden de woorden "of de vernieuwing" ingevoegd tussen de woorden "de bij artikel 13.18 bedoelde vergunning" en de woorden "wordt door de maritieme veiligheidsonderneming ingediend".

  Art. 49. In artikel 13.20 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 16 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, 5°, wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt:
  "a) gedurende een totale duur van ten minste twee jaar, zelfs indien niet aaneensluitend, op wettige wijze gewapend activiteiten hebben uitgeoefend inzake bewaking en bescherming aan boord van schepen en nog steeds toegelaten zijn om dat te doen volgens de wetgeving die op hen van toepassing is;";
  2° in paragraaf 1, 5°, wordt de bepaling onder b) vervangen als volgt:
  "b) in het bezit zijn van een geldig bewijs van bekwaamheid inzake sectie A-VI/1, tweede lid, punten 1.1. "persoonlijke overlevingstechnieken" en 1.3. "elementaire eerste hulp" van de Code inzake opleiding, diplomering en wachtdienst voor zeevarenden (STCW-Code), afgegeven krachtens de desbetreffende wetgeving van een lidstaat van de europese Unie;";
  3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "twee maanden" vervangen door de woorden "zes maanden".
  4° in paragraaf 2, tweede lid, wordt het woord "twee" vervangen door het woord "drie".

  Art. 50. In artikel 13.22 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 16 januari 2013, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Het toezicht en de bescherming aan boord van schepen gebeuren altijd op een gewapende wijze. Hiertoe worden de agenten, volgens de door de Koning te bepalen nadere regels, uitgerust met niet-automatische of half-automatische vuurwapens van maximum kaliber.50.".

  Art. 51. In artikel 13.32 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 16 januari 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "op het adres van de onderneming, zoals vermeld in het koninklijk besluit tot vergunning" worden vervangen door de woorden "op het adres van haar maatschappelijke zetel";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "In geval van incident zoals bedoeld in artikel 13.31 bewaart de geregistreerde eigenaar of exploitant eveneens de documenten bedoeld in en in uitvoering van dit hoofdstuk alsmede de opgenomen beelden op het adres van zijn maatschappelijke zetel en dit op de wijze zoals voorzien in het eerste lid.".

  Art. 52. In artikel 17, eerste lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 januari 2014, worden de woorden "zesde lid" vervangen door de woorden "zevende lid".

  Art. 53. Artikel 22 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 maart 2012, wordt aangevuld met een paragraaf 13, luidende:
  " § 13. De geldigheidsduur van de vergunningen als maritieme veiligheidsonderneming die voor de inwerkingtreding van deze paragraaf zijn verleend, wordt verlengd tot drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop ze ingaan.".

  Afdeling 4. - Wijzigingen van de wet van 16 januari 2013 houdende diverse maatregelen betreffende de strijd tegen maritieme piraterij

  Art. 54. In artikel 6 van de wet van 16 januari 2013 houdende diverse maatregelen betreffende de strijd tegen maritieme piraterij worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de bepaling onder 9° wordt de tweede zin die aanvangt met de woorden "In geval van" en eindigt met de woorden "Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken" opgeheven;
  2° het artikel wordt aangevuld met een tweede lid, luidend:
  "De gegevens bedoeld in het eerste lid, 9°, worden aan de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken overgezonden ten laatste twee werkdagen voor de aanvang van de reis. In geval van met redenen omklede onmogelijkheid om voornoemde gegevens binnen de gestelde termijn over te zenden, worden de gegevens voor de aanvang van de reis overgezonden.".

  HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen

  Art. 55. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen wordt rubriek 13-1 - Fonds voor de gewetensbezwaren opgeheven.

  Art. 56. In rubriek 13-15 - Federaal europees Fonds voor Asiel en Migratie en Interne Veiligheid - Programmatie 2014-2020 van dezelfde tabel, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014 tot wijziging, met het oog op de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 2011/85/EU, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat en houdende diverse bepalingen betreffende de begrotingsfondsen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° onder de titel "Aard van de toegewezen ontvangsten", in het eerste streepje, worden de woorden "of via rechtstreekse betoelaging door de europese Commissie" ingevoegd tussen het woord "programmatie" en het woord "uitgevoerde";
  2° onder de titel "Aard van de toegestane uitgaven", in het eerste streepje, worden de woorden "prefinanciering van" opgeheven en worden de woorden "of via rechtstreekse betoelaging door de europese Commissie" ingevoegd tussen het woord "programmatie" en het woord "voor".

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 9 november 2015.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
J. JAMBON
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54 1298 Integraal verslag 22/10/2015.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie