J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 116 uitvoeringbesluiten 16 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2015/05/10/2015A24141/justel

Titel
10 MEI 2015. - Gecoördineerde wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen
(NOTA 1 : art. 43 gewijzigd voor het Vlaamse Gewest met ingang op een onbepaalde datum bij DVR 2016-07-15/17, art. 35; Inwerkingtreding : onbepaald)
(NOTA 2 : art. 4 ; 23 ; 122 ; 149 ; N4 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij W 2016-12-18/02, art. 95, 008; Inwerkingtreding : onbepaald, heeft uitwerking met ingang van de dag dat de eerste graden master werden toegekend)
(NOTA : artikelen gewijzigd in de toekomst door W 2018-10-30/06, art. 51-62; Inwerkingtreding : 26-11-2020)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-06-2015 en tekstbijwerking tot 28-05-2019) Zie wijziging(en)

Bron : KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER
Publicatie : 18-06-2015 nummer :   2015A24141 bladzijde : 35172   BEELD
Dossiernummer : 2015-05-10/06
Inwerkingtreding : 28-06-2015

Inhoudstafel Tekst Begin
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Art. 1-2, 2/1
Hoofdstuk 2. De uitoefening van de geneeskunde en van de artsenijbereidkunde
Art. 3-5, 5/1, 6-7, 7/1, 8-31, 31/1, 32-42
Hoofdstuk 3. De uitoefening van de kinesitherapie
Art. 43-44
Hoofdstuk 4. De uitoefening van de verpleegkunde
Art. 45-46, 46/1, 47-61
Hoofdstuk 5. De uitoefening van het beroep van vroedvrouw
Art. 62-64
Hoofdstuk 6. De uitoefening van het beroep van hulpverlener - ambulancier
Art. 65-68
Hoofdstuk 6/1. - [1 De uitoefening van de klinische psychologie en van de klinische orthopedagogiek]1
Art. 68/1, 68/2, 68/2/1, 68/2/2, 68/3, 68/4
Hoofdstuk 7. De uitoefening van de paramedische beroepen
Art. 69-84
Hoofdstuk 8. Bijzondere beroepsbekwaamheden, bijzondere beroepstitels, aanbodsbeheersing, eindeloopbaan, evaluatie, structuur en organisatie van de praktijk, organen en permanente federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen
Afdeling 1. Bijzondere beroepsbekwaamheden en bijzondere beroepstitels
Art. 85-90
Afdeling 2. Aanbodsbeheersing
Art. 91-92, 92/1
Afdeling 3. Eindeloopbaan
Art. 93
Afdeling 4. Evaluatie
Art. 94
Afdeling 5. Structuur en organisatie van de praktijk
Art. 95
Afdeling 6. Organen
Art. 96
Afdeling 7. De permanente federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen
Art. 97-101
Hoofdstuk 9. Erkenning van beroepskwalificaties Toepassing van de Europese regelgeving
Art. 102
Afdeling 1. Definities
Art. 103
Afdeling 2. Vrijheid van vestiging
Art. 104
Onderafdeling 1. Algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels
Art. 105
Onderafdeling 2. Automatische erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen
Art. 106
Afdeling 3. Tijdelijke en incidentele dienstverrichting
Art. 107-110, 110/1, 111-112
Afdeling 4. Overige bepalingen
Art. 113-114, 114bis, 115-117
Hoofdstuk 10. De geneeskundige commissies
Art. 118-119
Hoofdstuk 11. Cel medische bewaking
Art. 120-121
Hoofdstuk 12. Strafbepalingen en tuchtmaatregelen
Art. 122-128, 128/1, 129-132
Hoofdstuk 13. Algemene bepalingen
Art. 132/1, 133-143, 143/1, 143/2, 144-145, 145/1, 146-154
Hoofdstuk 14. Toekomstige wijzigingsbepalingen
Art. 155-187
BIJLAGEN.
Art. N1-N5

Tekst Inhoudstafel Begin
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

  Artikel 1. De geneeskunst omvat de geneeskunde, de tandheelkunde inbegrepen, uitgeoefend ten aanzien van menselijke wezens, en de artsenijbereidkunde, onder hun preventief of experimenteel, curatief, continu en palliatief voorkomen.

  Art. 2. Voor de toepassing van deze gecoördineerde wet wordt verstaan onder:
  1° "Europees onderdaan":
  a) onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie;
  b) onderdaan van Noorwegen, IJsland of het Vorstendom Liechtenstein;
  c) onderdaan van een Staat waarmee de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten een Associatieovereenkomst gesloten hebben die in werking is getreden en waarin bepaald wordt dat deze onderdaan, voor wat betreft de toegang tot en de uitoefening van een beroepsactiviteit, niet mag gediscrimineerd worden op grond van zijn nationaliteit;
  2° "patiënt": de natuurlijke persoon aan wie gezondheidszorg wordt verstrekt, al dan niet op eigen verzoek;
  3° "gezondheidszorg": diensten verstrekt door een beroepsbeoefenaar in de zin van deze gecoördineerde wet, met het oog op het bevorderen, vaststellen, behouden, herstellen of verbeteren van de gezondheidstoestand van een patiënt, om het uiterlijk van een patiënt om voornamelijk esthetische redenen te veranderen of om de patiënt bij het sterven te begeleiden.
  4° "Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994": de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  5° "Wet Persoonlijke Levenssfeer van 8 december 1992": de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
  6° "Kruispuntbankwet van 15 januari 1990": de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
  7° "Vestigingswet van 17 december 1973": de wet van 17 december 1973 tot wijziging van de wet van 12 april 1958 betreffende de medisch-farmaceutische cumulatie en van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de geneeskunst, de uitoefening van de daaraan verbonden beroepen en de geneeskundige commissies.

  Art. 2/1. [1 Artikelen 5/1, 45, 63, 132/1 en hoofdstuk 9 "Erkenning van beroepskwalificaties - Toepassing van de Europese regelgeving" van de huidige wet voorzien in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van de beroepskwalificaties, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-06-27/18, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>
  

  Hoofdstuk 2. De uitoefening van de geneeskunde en van de artsenijbereidkunde

  Art. 3. § 1. Niemand mag de geneeskunde uitoefenen die niet het wettelijk diploma bezit van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, dat werd behaald in overeenstemming met de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, of die niet wettelijk ervan vrijgesteld is, en die bovendien de voorwaarden gesteld bij artikel 25, niet vervult.
  Wordt beschouwd als onwettige uitoefening van de geneeskunde, het gewoonlijk verrichten door een persoon die het geheel van de voorwaarden, gesteld bij het eerste lid, niet vervult, van elke handeling die tot doel heeft, of wordt voorgesteld tot doel te hebben, bij een menselijk wezen, hetzij het onderzoeken van de gezondheidstoestand, hetzij het opsporen van ziekten en gebrekkigheden, hetzij het stellen van de diagnose, het instellen of uitvoeren van een behandeling van een fysieke of psychische, werkelijke of vermeende pathologische toestand, hetzij de inenting.
  De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 140, de handelingen bedoeld in het tweede lid nader bepalen.
  Eveneens een onwettige uitoefening van de geneeskunde is het gewoonlijk verrichten door een persoon die niet aan alle in het eerste lid bedoelde voorwaarden beantwoordt, ten aanzien van een mens, van elke medische technische ingreep doorheen de huid of de slijmvliezen en waarbij, zonder enig therapeutisch of reconstructief doel, vooral beoogd wordt het uiterlijk van de patiënt om esthetische redenen te veranderen.
  De Koning kan, overeenkomstig artikel 142, de in het vierde lid bedoelde ingrepen nader omschrijven.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, zijn de houders van de beroepstitel van vroedvrouw erkend overeenkomstig artikel 63, ertoe gemachtigd de praktijk van de normale bevallingen te doen, voor zover zij voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 25.
  Zonder afbreuk te doen aan de uitoefening van de geneeskunde, wordt als onwettige uitoefening van de geneeskunde beschouwd, het gewoonlijk verrichten door een persoon die het geheel van de voorwaarden gesteld in het eerste lid niet vervult van elke handeling die tot doel heeft, of wordt voorgesteld als tot doel hebbend, het toezicht uit te oefenen op de zwangerschap, op de bevalling of op het postpartum, alsmede elk ingrijpen dat erop betrekking heeft.

  Art. 4. In afwijking van artikel 3, § 1, mag niemand de tandheelkunde uitoefenen die niet het diploma van licentiaat in de tandheelkunde bezit, dat werd behaald overeenkomstig de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, of die niet wettelijk ervan vrijgesteld is, en die bovendien de voorwaarden, gesteld in artikel 25, niet vervult.
  Wordt beschouwd als onwettige uitoefening van de tandheelkunde, het gewoonlijk verrichten door een persoon die het geheel van de voorwaarden, gesteld bij het eerste lid niet vervult van alle bewerkingen of handelingen, uitgevoerd in de mond der patiënten, die het behoud, de genezing, het herstellen of vervangen van het gebit daarin begrepen het weefsel van de tandkas, op het oog hebben, meer bepaald die welke behoren tot de operatieve tandheelkunde, de orthodontie, en de mond- en tandprothese.
  De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 140, de handelingen bedoeld in het tweede lid nader bepalen.

  Art. 5. De terugbetaling door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging van de prestaties bedoeld in artikel 34, eerste lid, 1°, e), van de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994, wordt voorbehouden aan de houders van de bijzondere beroepstitels of aan de beoefenaars van de tandheelkunde die eveneens houder zijn van het wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde of van de academische graad van arts.
  Het eerste lid is, voor de duur van hun stage, ook van toepassing op kandidaat-houders van een bijzondere beroepstitel voor beoefenaars van de tandheelkunde, met een ontvankelijk stageplan, en dit tot uiterlijk twee maanden na de einddatum van hun stage.

  Art. 5/1. [1 Onder uitoefening van de artsenijbereidkunde wordt verstaan het vervullen van de volgende activiteiten :
   1° ) de bereiding, het te koop aanbieden, de detailverkoop en de terhandstelling, zelfs indien ze kosteloos is, van geneesmiddelen,
   2° ) de bereiding van geneesmiddelen in hun farmaceutische vorm,
   3° ) de vervaardiging van en de controle op geneesmiddelen,
   4° ) de controle op geneesmiddelen in een laboratorium bestemd voor die controle,
   5° ) de opslag, de bewaring en de distributie van geneesmiddelen in het groothandelsstadium,
   6° ) de aanvoer, de bereiding, de controle, de opslag, de distributie en de verstrekking van veilige en doeltreffende geneesmiddelen van de vereiste kwaliteit naar en in voor het publiek toegankelijke apotheken,
   7° ) de bereiding, de controle, de opslag en de verstrekking van veilige en doeltreffende geneesmiddelen van de vereiste kwaliteit in ziekenhuizen,
   8° ) het verstrekken van informatie en advies over geneesmiddelen als zodanig, inclusief het juiste gebruik ervan,
   9° ) de rapportering van de ongewenste bijwerkingen van farmaceutische producten aan de bevoegde autoriteiten,
   10° ) de gepersonaliseerde begeleiding van patiënten die hun medicijnen zelf toedienen,
   11° ) meewerken aan lokale of nationale gezondheidscampagnes.
   De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 140, de handelingen bedoeld bij vorig lid nader bepalen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-06-27/18, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>
  

  Art. 6.§ 1. Niemand mag de artsenijbereidkunde uitoefenen die niet het wettelijk diploma van apotheker bezit, dat werd behaald overeenkomstig de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, of die niet wettelijk ervan vrijgesteld is, en die bovendien de voorwaarden, gesteld bij artikel 25, niet vervult.
  Wordt beschouwd als onwettige uitoefening van de artsenijbereidkunde het gewoonlijk verrichten, door een persoon die het geheel van de voorwaarden, gesteld bij het eerste lid, niet vervult [2 van één van de in artikel 5/1 bedoelde activiteiten]2.
  [2 ...]2
  § 2. Vallen niet onder de bepalingen van paragraaf 1:
  1° de terhandstelling door een arts of door een beoefenaar van de tandheelkunde, onder bij de wet of de reglementen eventueel voorziene voorwaarden, van geneesmiddelen in dringende gevallen of, ten kosteloze titel, van geneesmiddelenmonsters alsook van geneesmiddelen in schrijnende gevallen, overeenkomstig de door de Koning vastgelegde voorwaarden en regels; deze terhandstellingen mogen geen aanleiding geven tot honoraria of winsten ten voordele van de arts;
  2° de terhandstelling door een arts van geneesmiddelen bestemd om de venerische ziekten te bestrijden, op voorwaarde dat hij deze heeft laten bereiden door een apotheker van het arrondissement, met wiens etiket hij deze geneesmiddelen aan de cliënt moet afleveren;
  3° de industriële fabricatie en de bereiding, de handel en de distributie in het groot alsmede de invoer van geneesmiddelen in de voorwaarden bepaald bij de wet of de reglementen;
  4° het verschaffen door een dierenarts in de voorwaarden voorzien door de geldende reglementering van geneesmiddelen aangekocht bij een apotheker; deze voorwaarden kunnen worden gewijzigd door de Koning;
  5° het te koop aanbieden, de detailverkoop en de terhandstelling, zelfs kosteloos, door personen door de Koning gemachtigd, met een profylactisch doel tegen besmettelijke ziekten of met het oog op de behandeling van chronische ziekten bepaald door de Koning, van voorwerpen, apparaten, enkelvoudige of samengestelde substanties, met uitzondering van geneesmiddelen zoals bepaald in artikel 1 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, alsook van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen en psychotrope stoffen, zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 24 februari 1921 'betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen'.
  De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst van die voorwerpen, apparaten, enkelvoudige of samengestelde substanties vast en bepaalt de voorwaarden voor het te koop aanbieden, de detailverkoop en de terhandstelling ervan.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde personen, die verbonden dienen te zijn aan een gespecialiseerd centrum, zoals door Hem omschreven, overgaan tot het te koop aanbieden, de detailverkoop en de terhandstelling;
  6° de terhandstelling door een arts of een ander persoon die een beroep uitoefent dat voor het verrichten van klinisch onderzoek is erkend op grond van de wetenschappelijke kennis en de ervaring in de zorgsector die het vergt, van geneesmiddelen voor onderzoek onder de door de Koning eventueel te bepalen voorwaarden; deze terhandstellingen mogen geen aanleiding geven tot honoraria of winsten;
  7° de terhandstelling van geneesmiddelen voor somatische celtherapie, zoals gedefinieerd door de Koning, die enkel kan gebeuren door de beheerder van het menselijk lichaamsmateriaal in een instelling bedoeld in de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek, of zijn afgevaardigde;
  8° de terhandstelling van geneesmiddelen die door de Staat bereid of aangekocht werden met het oog op een profylaxecampagne tegen besmettelijke ziekten of van geneesmiddelen die, wegens hun kenmerken, niet geschikt zijn om uitsluitend het normale farmaceutische distributiecircuit te volgen. De Koning kan, op basis van criteria van een veilig gebruik, de lijst van deze geneesmiddelen bepalen. Hij bepaalt eveneens welke de personen zijn die deze geneesmiddelen kunnen ter hand stellen en kan de voorwaarden en regels vastleggen waaronder zij ter hand kunnen gesteld worden.
  [1 9° de terhandstelling van geneesmiddelen met het oog op de vervulling van een bijzondere wettelijke verplichting.]1
  ----------
  (1)<W 2015-07-17/38, art. 78, 002; Inwerkingtreding : 27-08-2015>
  (2)<KB 2016-06-27/18, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>

  Art. 7. De farmaceutische handelingen in de uitoefening van de functie van de apotheker inzake de verstrekking van farmaceutische zorg omvatten de verantwoorde aflevering van voorgeschreven geneesmiddelen of van geneesmiddelen die zonder voorschrift kunnen afgeleverd worden, met het oog op, in overleg met andere zorgverstrekkers en de patiënt, het bereiken van algemene gezondheidsdoelstellingen zoals het voorkomen, het identificeren, en het oplossen van problemen verbonden aan het geneesmiddelengebruik. De farmaceutische zorg is erop gericht om op een continue wijze het gebruik van geneesmiddelen te verbeteren en de levenskwaliteit van de patiënt te bewaren of te verbeteren. Het interprofessioneel overleg omvat onder meer het eventuele doorverwijzen naar een arts en het informeren van de behandelende arts.
  Te dien einde legt de Koning de principes en de richtsnoeren voor de goede farmaceutische praktijken vast, die de farmaceutische handelingen omvatten die de apotheker stelt binnen de uitoefening van zijn beroep.
  De uitoefening van de functie van apotheker binnen voor het publiek opengestelde apotheken, is onderworpen aan een permanente vorming teneinde de kwaliteit van de farmaceutische zorg te verzekeren.
  De Koning kan de minimumvoorwaarden vaststellen voor de in het derde lid bedoelde permanente vorming, en nadere regelen vaststellen voor de controle op de naleving van deze bepaling.
   Met het oog op het opsporen van geneesmiddelengebonden problemen, kan de Koning bovendien, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, regels stellen aangaande de verzameling en de verwerking van persoonsgegevens betreffende de gezondheid van patiënten. Deze regels voorzien garanties met betrekking tot de toestemming van de patiënt, de informatie aan de patiënt, de beperkte doorgifte en de maximale bewaringstermijn van deze gegevens overeenkomstig de Wet Persoonlijke Levenssfeer van 8 december 1992.

  Art. 7/1. [1 § 1. Er wordt een Federale Raad voor de apothekers opgericht, hierna "Federale Raad" genoemd, die tot opdracht heeft de voor Volksgezondheid bevoegde minister, op diens verzoek of op eigen initiatief, advies te verstrekken over alle aangelegenheden in verband met de uitoefening van het beroep van apotheker met inbegrip van de artsenijbereidkunde.
   § 2. De Federale Raad bestaat uit 20 leden, behorende tot één van de volgende disciplines:
   a) 8 officina-apothekers;
   b) 4 ziekenhuisapothekers;
   c) 2 apothekers klinisch biologen;
   d) 2 industriële apothekers;
   e) 2 artsen;
   f) 2 vertegenwoordigers van de koepels van patiëntenorganisaties.
   De leden zijn bijzonder vertrouwd met de uitoefening van de artsenijbereidkunde.
   § 3. Aan de Federale Raad kunnen ook nog personen worden toegevoegd die zetelen met raadgevende stem, met name:
   - één vertegenwoordiger van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten;
   - één vertegenwoordiger van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
   - één vertegenwoordiger van de Orde der apothekers.
   Deze personen zijn geen lid van de Federale Raad. Zij tellen in geen geval mee bij de beoordeling van taalpariteit of andere evenwichten, noch voor het bereiken van het aanwezigheids- en stemquorum.
   § 4. De Raad telt een gelijk aantal Nederlandstalige en Franstalige leden.
   § 5. Binnen iedere discipline, als vermeld in paragraaf 2, eerste lid, a) tot en met e), is er een gelijk aantal leden die een academische functie bekleden enerzijds en leden die sedert tenminste vijf jaar een ruime expertise in de discipline hebben opgebouwd anderzijds.
   § 6. De in paragraaf 5 bedoelde leden die een academische functie bekleden, worden voorgedragen op een lijst van dubbeltallen door de faculteiten die volledig onderwijs verstrekken dat leidt tot een opleiding die hetzij de uitoefening van de artsenijbereidkunde, hetzij de uitoefening van de geneeskunde toestaat.
   § 7. De in paragraaf 5 bedoelde leden die een ruime expertise hebben opgebouwd binnen een discipline worden voorgedragen op een lijst van dubbeltallen door de representatieve beroepsverenigingen.
   De Koning legt de criteria vast opdat een vereniging als representatief in de zin van het eerste lid kan worden aangewezen.
   § 8. Zowel de voor de Volksgezondheid bevoegde minister als de Federale Raad, kunnen werkgroepen oprichten, die hetzij met een permanente hetzij met een tijdelijke opdracht worden belast.
   Aan de werkgroepen van de Federale Raad kunnen naast leden van de Federale Raad ook experts worden toegevoegd.
   § 9. Aan elk werkend lid van de Federale Raad wordt een plaatsvervanger toegevoegd die aan dezelfde voorwaarden voldoet.
   § 10. De leden van de Federale Raad worden door de Koning benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar.
   § 11. De voor de Volksgezondheid bevoegde minister duidt buiten de leden de voorzitter en ondervoorzitter van de Federale Raad aan. De voorzitter is een apotheker.
   § 12. De Federale Raad kan alleen geldig beraadslagen en adviezen uitbrengen wanneer ten minste de helft van de werkende leden aanwezig is of door hun plaatsvervanger vertegenwoordigd is.
   Indien het aanwezigheidsquorum na een eerste oproep niet werd bereikt, kan de Federale Raad in afwijking van het eerste lid bij de volgende vergadering hoe dan ook geldig beraadslagen en beslissen.
   § 13. De adviezen van de Federale Raad worden genomen bij gewone meerderheid van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
   § 14. De Koning regelt de organisatie en de werking van de Federale Raad.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-04-22/19, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>
  

  Art. 8. Iedere apotheek wordt onder de verantwoordelijkheid van één of meerdere apothekers-titularissen geplaatst. Wanneer er meerdere apothekers-titularissen zijn, wordt één van hen aangeduid als verantwoordelijke voor het vervullen van de administratieve formaliteiten vereist in het kader van de registratieprocedure bedoeld in artikel 18, §§ 1 en 3.
  Iedere apotheker-titularis is strafrechtelijk, burgerrechtelijk en tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor de farmaceutische handelingen, voor het beheer van de apotheek voor zover dit rechtstreeks invloed heeft op de farmaceutische handelingen en voor het toepassen van de wetgeving, waaronder de bepalingen inzake goede farmaceutische praktijken in de apotheek. Wanneer er meerdere apothekers-titularissen zijn, zijn allen solidair verantwoordelijk voor de hierboven bedoelde verantwoordelijkheden alsof zij die handelingen in eigen naam en voor eigen rekening zouden stellen.
  Een apotheker of apothekers kunnen slechts apotheker-titularis zijn van één enkele apotheek.
  De Koning kan voorwaarden en regels voor de toepassing van de bepalingen van het eerste en tweede lid vastleggen.
  Indien de houder van de vergunning bedoeld in de artikelen 9 of 17 niet zelf de verantwoordelijkheid voor de apotheek verzekert of indien de vergunninghouder een rechtspersoon is, worden door de vergunninghouder één of meerdere apothekers-titularissen aangeduid met het oog op het verzekeren van de verantwoordelijkheid voor de apotheek overeenkomstig het eerste lid. Wanneer er meerdere apothekers-titularissen zijn, duidt de vergunninghouder de apotheker-titularis aan die het vervullen van de administratieve formaliteiten vereist in het kader van de registratieprocedure bedoeld in artikel 18, §§ 1 en 3 waarvoor een apotheker-titularis verantwoordelijk is op zich zal nemen, zoals bedoeld in het eerste lid.
  In de in het vijfde lid bedoelde gevallen, stelt de vergunninghouder aan één of meerdere apothekers-titularissen de nodige middelen en uitrusting ter beschikking ten behoeve van de uitoefening van het beroep. Hij laat de apotheker(s)-titularis(sen) voldoende autonomie en legt hen geen handeling noch beperking op die de naleving van de hem of hen opgelegde wettelijke en deontologische vereisten verhindert.
  Iedere apotheker-titularis van een niet voor het publiek opengestelde apotheek is onderworpen aan een registratieprocedure, in voorkomend geval bij toepassing van het eerste lid. De Koning kan de regels van deze registratie bepalen en deze onderwerpen aan de betaling van een bijdrage. Deze bijdragen zijn bestemd voor de financiering van de opdrachten die voor de betrokken administratieve diensten voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 6 tot 21.
  Het voorgaande lid treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum.

  Art. 9.Voor de opening, de overbrenging of de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken is een voorafgaande vergunning vereist, toegestaan aan één natuurlijk of één rechtspersoon die de aanvraag doet.
  De vergunning is persoonlijk.
  Onverminderd de regelen bepaald in toepassing van artikel 15 wordt de vergunning slechts overdraagbaar ten vroegste vijf jaren na de opening van de apotheek.
  De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de meest representatieve beroepsorganisaties van apothekers en voor zover dit advies Hem binnen zestig dagen na de aanvraag wordt verstrekt, de criteria die erop zijn gericht een spreiding van de apotheken te organiseren ten einde ter bescherming van de volksgezondheid in alle streken van het land een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening te verzekeren, met inachtneming van de verschillende vormen van terhandstelling.
  Over de aanvragen die betrekking hebben op de opening of de overbrenging van twee of meer apotheken in dezelfde omgeving, wordt beslist volgens criteria van voorrang door de Koning bepaald.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, volgens de procedure bepaald in het vierde lid, het maximum aantal voor het publiek opengestelde apotheken voor de periode die Hij bepaalt. Hij bepaalt tevens de periode waarin er aanvragen of hernieuwde aanvragen tot vergunning voor de opening van een voor het publiek opengestelde apotheek kunnen worden ingediend.
  De Koning bepaalt bovendien, volgens de procedure bepaald in het vierde lid, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure in het geval van de definitieve of de tijdelijke sluiting van apotheken, wegens overmacht of op initiatief van de vergunninghouder.
  De Koning bepaalt bovendien, volgens de procedure bepaald in het vierde lid, bij een een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in het geval van de definitieve of de tijdelijke sluiting van apotheken, wegens overmacht of op initiatief van de vergunninghouder, de voorwaarden voor het behoud, de schorsing of de intrekking van de vergunning door de minister bevoegd voor Volksgezondheid [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2018-03-11/08, art. 62, 011; Inwerkingtreding : 05-04-2018>

  Art. 10. De minister bevoegd voor Volksgezondheid kan de vergunning, bij gemotiveerde beslissing om redenen van Volksgezondheid, schorsen of intrekken, alsook het gebruik van de lokalen, ruimten, installaties en voorwerpen van de apotheek beperken, opschorten of verbieden.
  Onder redenen van Volksgezondheid, moet onder meer worden verstaan :
  1° het verkopen van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen die niet conform de wettelijke bepalingen werden verkregen;
  2° het afleveren van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen zonder inachtneming van de wettelijke bepalingen met betrekking tot traceerbaarheid.
  De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van het tweede lid.
  Onverminderd de straffen voorzien in de artikelen 123 en 131, kan de minister bevoegd voor Volksgezondheid:
  1° als een vergunning van een voor het publiek opengestelde apotheek is geschorst of vernietigd door de Raad van State: de toezichthoudende ambtenaren van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten en een gerechtsdeurwaarder vorderen om over te gaan tot de tijdelijke of de definitieve sluiting van de apotheek;
  2° als de minister zelf een vergunning heeft geschorst of ingetrokken: de ambtenaren van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten aanwijzen om, in voorkomend geval, met dwangmiddelen over te gaan tot de tijdelijke of de definitieve sluiting van de apotheek;
  3° als de vergunning, na de inwerkingtreding van de Vestigingswet van 17 december 1973, nooit is toegekend of vervallen: in voorkomend geval, de sluiting van de apotheek bevelen, welke eventueel met de dwangmiddelen, vermeld in het vierde lid, 1°, kunnen ten uitvoer gelegd worden.

  Art. 11.[1 De voor de Volksgezondheid bevoegde minister beslist over het toekennen van de vergunning, na een met redenen omkleed advies van een vestigingscommissie.]1
  De Minister neemt zijn gemotiveerde beslissing binnen drie maanden die volgen op het definitief advies.
  De Koning bepaalt de gevallen waarbij de tijdelijke overbrenging of tijdelijke sluiting van een voor het publiek opengestelde apotheek niet aan het advies van een Vestigingscommissie moet onderworpen worden, maar enkel aan het advies van de administrateur-generaal van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten of diens afgevaardigde.
  ----------
  (1)<W 2015-07-17/38, art. 79, 002; Inwerkingtreding : 27-08-2015>

  Art. 12. De Koning bepaalt de procedure betreffende het onderzoek van de aanvragen; dit onderzoek kan afhankelijk gesteld worden van het betalen van een bedrag bestemd om bij te dragen tot de kosten voor het onderzoek van de aanvragen en waarvan de Koning het bedrag en de inningsmodaliteiten vaststelt.
  De Koning legt tevens de samenstelling van de aanvragen vast alsook de wijze waarop zij moeten worden ingediend. Een aanvraag wordt slechts ontvankelijk verklaard door het secretariaat van de Vestigingscommissies indien deze volledig is en conform de door de Koning vastgelegde bepalingen werd ingediend. Het onderzoek van de ontvankelijkheid heeft voorafgaandelijk plaats aan het onderzoek van de gegrondheid van de aanvraag door het secretariaat van de Vestigingscommissies. De Koning legt deze procedure vast.

  Art. 13. Er worden twee vestigingscommissies opgericht, de ene Nederlandstalig, de andere Franstalig, die belast zijn met het onderzoek van de aanvragen die respectievelijk betrekking hebben op het Nederlandstalig en het Franstalig gebied; de aanvragen betreffende het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad worden onderzocht door de commissie die bevoegd is op grond van de taal waarin zij worden ingediend.
  De vestigingscommissies zijn ieder samengesteld uit drie magistraten, hetzij behorende tot een rechtbank van eerste aanleg of tot een arbeidsrechtbank, hetzij eremagistraten, plaatsvervangende magistraten of gewezen magistraten van deze rechtbanken. Zij kunnen geen kennis nemen van een zaak indien ze betrokken geweest zijn bij de aanvraag tot het verkrijgen van de vergunning bedoeld in artikel 9.
  Voor elk effectief lid worden een of meerdere plaatsvervangers aangewezen die dezelfde vereisten vervullen. Al de leden worden voor een termijn van zes jaar door de Koning benoemd.
  De Koning regelt de organisatie en de werking van deze commissie alsook de procedure voor het onderzoek van de aanvragen betreffende het Duitstalig gebied. Hij bepaalt eveneens de termijnen, de procedureregels en de wijze waarop de beslissingen worden betekend.

  Art. 14. De Koning is gemachtigd, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in het belang van de volksgezondheid en op advies van de meest representatieve beroepsorganisaties van apothekers, regelen te bepalen op grond waarvan, vooraleer tot de overname of de fusie van apotheken kan worden overgegaan, de minister bevoegd voor Volksgezondheid, na advies van de vestigingscommissie, tot de definitieve stopzetting van de werking van een over te laten apotheek kan beslissen.

  Art. 15. De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de meest representatieve beroepsorganisaties van apothekers en bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regelen voor het vaststellen en beoordelen van de waarde van overdracht van de lichamelijke en onlichamelijke elementen van de apotheken, alsook de regelen betreffende het toezicht op deze overdracht.
  De Koning bepaalt volgens dezelfde modaliteiten de regelen betreffende de fusie van apotheken.

  Art. 16. De Koning kan een Fonds oprichten waarvan Hij de organisatie en de werking regelt. Dit Fonds, met rechtspersoonlijkheid bekleed, wordt gestijfd door vastgestelde bijdragen ten laste van de vergunninghouders van een voor het publiek opengestelde apotheek. Het is beheerd door personen benoemd door de minister bevoegd voor Volksgezondheid, op voorstel van de meest representatieve beroepsorganisaties van apothekers.
  Dit Fonds heeft als opdracht de sluiting van apotheken te vergoeden of steun te verlenen aan sommige ervan, volgens de criteria en modaliteiten door de Koning bepaald.

  Art. 17. In afwijking van de artikelen 9 en 10 kan de minister bevoegd voor Volksgezondheid, de overbrenging van een voor het publiek opengestelde apotheek naar de gebouwen van de luchthavens vergunnen, rekening houdend met de behoeften van een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening.
  De overtreding van voorgaande bepaling brengt de nietigheid van deze vergunning mee.
  De Belgische farmaceutische wetgeving is van toepassing op deze apotheek.
  De Koning bepaalt de procedure betreffende deze vergunning, alsmede de voorwaarden en modaliteiten waaraan de openingstoelating moet voldoen.

  Art. 18.§ 1. De Koning bepaalt volgens de procedure bepaald in artikel 9, vierde lid de verplichte registratieprocedure betreffende de rechtmatig voor het publiek opengestelde apotheken [1 ...]1. [1 ...]1
  Elke eigenaar van een rechtmatig voor het publiek opengestelde apotheek vóór de inwerkingtreding van de Vestigingswet van 17 december 1973, en elke houder van een vergunning bedoeld in de artikelen 9 en 10, moet deze registratieprocedure volgen.
  De minister bevoegd voor Volksgezondheid, verleent aan voornoemde aanvrager, één natuurlijk of één rechtspersoon, een vergunning, behalve als de oorspronkelijke vergunninghouder nog houder is van de vergunning die werd verleend na de inwerkingtreding van de Vestigingswet van 17 december 1973.
  § 2. Wordt niet beschouwd als een rechtmatig voor het publiek opengestelde apotheek, elke apotheek:
  1° die gesloten werd gedurende meer dan tien jaar of waarvoor niet, ten laatste binnen de tien jaar die volgen op de sluiting, een vergunning tot overbrenging werd aangevraagd;
  2° waarvan de definitieve sluiting, door de eigenaar of de vergunninghouder, werd medegedeeld aan de Minister vóór de inwerkingtreding van deze paragraaf;
  3° waarvan de vergunninghouder niet één natuurlijk persoon of niet één rechtspersoon is, zoals bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid;
  4° die niet werd overgedragen volgens de geldende reglementering inzake de overdracht van een apotheek;
  5° die werd overgebracht naar een ander adres zonder dat de vergunninghouder hiervoor een voorafgaande vergunning heeft verkregen;
  6° waarvoor, na de inwerkingtreding van de Vestigingswet van 17 december 1973, de vergunning nooit werd verleend of waarvan de vergunning werd geschorst, vernietigd, ingetrokken of is vervallen.
  § 3. Bij de overdracht van een rechtmatig voor het publiek opengestelde apotheek, inbegrepen de vergunning tot het openhouden, dient eveneens een registratieprocedure te worden gevolgd om de aanpassing te bekomen van de persoonlijke vergunning, door de minister bevoegd voor Volksgezondheid, toegestaan aan één natuurlijk persoon of aan één rechtspersoon.
  De Koning bepaalt de procedure en de modaliteiten betreffende deze registratie [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2018-03-11/08, art. 63, 011; Inwerkingtreding : 05-04-2018>

  Art. 19.
  <Opgeheven bij W 2018-03-11/08, art. 64, 011; Inwerkingtreding : 05-04-2018>

  Art. 20. De arts of tandheelkundige die gemachtigd is een depot te houden, schaft de geneesmiddelen en de implanteerbare medische hulpmiddelen, aan in hetzij een voor het publiek opengestelde apotheek, hetzij een ziekenhuisapotheek. Hij mag deze geneesmiddelen en implanteerbare medische hulpmiddelen slechts afleveren in het kader van een medische akte.
  Met het oog op de toepassing van artikel 8 sluit de in het eerste lid bedoelde arts een overeenkomst met een titularis van een voor het publiek opengestelde apotheek of van een ziekenhuisapotheek.
  Het depot wordt voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een niet voor het publiek opengestelde apotheek. Indien de in het tweede lid bedoelde overeenkomst wordt gesloten met een titularis van een ziekenhuisapotheek, wordt het depot voor de toepassing van deze wet verder gelijkgesteld met een ziekenhuisapotheek.
  Indien de in het derde lid bedoelde titularis niet zelf de verantwoordelijkheid voor de apotheek verzekert, wordt door deze titularis een apotheker-titularis aangewezen met het oog op het verzekeren van de verantwoordelijkheid voor de apotheek.
  De titularis die de verantwoordelijkheid voor de apotheek verzekert, staat in voor de in het kader van de in artikel 8, zesde lid, bedoelde registratieprocedure vereiste administratieve formaliteiten.
  De Koning kan de nadere regels en voorwaarden bepalen voor de bevoorrading en het beheer van en het toezicht op deze depots die van het geneeskundig kabinet of andere plaatsen de arts patiënten ontvangt, onderzoekt, adviezen geeft of zorgen toedient, gescheiden zijn.
  De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit artikel. Op die datum wordt artikel 4, § 4, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, opgeheven.

  Art. 21. De Koning kan, na het advies te hebben ingewonnen van de meest representatieve beroepsverenigingen van apothekers, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en in het belang van de volksgezondheid, ervoor zorgen dat de producten, andere dan geneesmiddelen, die in de apotheek worden verkocht en die het vertrouwen genieten van het cliënteel, aan bepaalde kwaliteitseisen zouden beantwoorden.

  Art. 22. De gelijktijdige uitoefening van de geneeskunde en van de artsenijbereidkunde is verboden zelfs aan de houders van de diploma's die het recht verlenen elk dezer beroepen uit te oefenen.

  Art. 23.§ 1. De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, de voorwaarden vaststellen waaronder de artsen [2 en de tandartsen]2, op eigen verantwoordelijkheid en onder eigen toezicht, personen die een paramedisch beroep uitoefenen kunnen belasten met het verrichten van bepaalde handelingen die de diagnose voorafgaan of de toepassing van de behandeling aangaan of de uitvoering van maatregelen van preventieve geneeskunde betreffen.
  De Koning kan eveneens, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 141, de voorwaarden vaststellen waaronder de in het voorgaande lid bepaalde handelingen kunnen worden opgedragen aan personen die bevoegd zijn om de verpleegkunde uit te oefenen.
  De lijst van de in de voorgaande leden bedoelde handelingen, de uitvoeringsmodaliteiten alsook de vereiste bekwamingsvoorwaarden worden door de Koning vastgesteld, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad na advies van de Koninklijke Academiën voor Geneeskunde en na advies, elk wat hen betreft, van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, de Federale Raad voor Verpleegkunde, de Federale Raad voor de Kinesitherapie en de [1 Federale raad voor paramedische beroepen]1, de lijst van activiteiten vaststellen die tot het dagelijkse leven behoren en die niet tot de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de kinesitherapie of een paramedisch beroep behoren. Hij kan daarenboven de voorwaarden vaststellen waaraan deze activiteiten moeten beantwoorden om als dusdanig te worden beschouwd.
  § 2. De houders van het wettelijk diploma van apotheker of van licentiaat in de scheikundige wetenschappen zijn ertoe gemachtigd de analyses van klinische biologie te verrichten, welke de Koning bepaalt overeenkomstig de bepalingen van artikel 140 en waarvan Hij, in dezelfde voorwaarden, de uitvoeringsmodaliteiten vaststelt.
  Tenzij uitzonderingen vastgesteld door de Koning, overeenkomstig de bepalingen van artikel 140, is het de apothekers niet toegelaten titularis te zijn van een voor het publiek opengestelde officina en tevens klinische analyses te verrichten.
  De Koning kan, overeenkomstig artikel 141, tweede lid, de voorwaarden bepalen waaronder de apothekers en de licentiaten in de scheikunde wetenschappen, die gemachtigd zijn om de analyses van klinische biologie te verrichten, op eigen verantwoordelijkheid en onder eigen toezicht, personen die een paramedisch beroep uitoefenen kunnen belasten met het verrichten van bepaalde handelingen die betrekking hebben op de klinische biologie.
  De lijst van die handelingen, de wijze waarop ze worden uitgevoerd, alsook de kwalificatievoorwaarden vereist van die beoefenaars van een paramedisch beroep, worden vastgesteld door de Koning, eveneens overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede lid.
  ----------
  (1)<W 2016-06-22/03, art. 55, 004; Inwerkingtreding : 11-07-2016>
  (2)<W 2017-08-11/05, art. 25, 010; Inwerkingtreding : 07-09-2017>

  Art. 24. De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede lid, de voorwaarden bepalen waaronder de apothekers op eigen verantwoordelijkheid en onder eigen toezicht, helpers kunnen belasten met het verrichten van bepaalde handelingen die betrekking hebben op de artsenijbereidkunde.
  De lijst van die handelingen, de uitvoeringsmodaliteiten ervan, alsook de vereiste kwalificatievoorwaarden van de helpers worden door de Koning vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede lid.

  Art. 25. § 1. De beoefenaars van een gezondheidszorgberoep mogen hun beroep enkel uitoefenen:
  1° indien zij hun diploma hebben laten viseren door het Directoraat-generaal Gezondheidsberoepen, Medische Bewaking en Welzijn op het Werk van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu,
  2° en, in voorkomend geval, indien zij hun inschrijving op de lijst van de voor hun beroep bevoegde Orde hebben verkregen.
  § 2. De Koning bepaalt de datum waarop paragraaf 1 in werking treedt voor ieder gezondheidszorgberoep.
  § 3. Voor de in artikel 63 bedoelde beroepsbeoefenaars is paragraaf 1 van toepassing vanaf 1 juli 2015. Tot 30 juni 2015 mogen deze beroepsbeoefenaars alleen hun kunst uitoefenen indien zij vooraf hun titel hebben laten viseren door de bij artikel 118 bepaalde geneeskundige commissie, bevoegd overeenkomstig de plaats waar zij zich wensen te vestigen, en zo daartoe aanleiding bestaat, hun inschrijving op de lijst van de voor hun beroep bevoegde Orde bekomen hebben.
  Het visum wordt verleend tegen betaling van een bijdrage. De Koning bepaalt de bedragen en de betalingsmodaliteiten van deze bijdrage.
  Op verzoek van de betrokkene, kan de Commissie het document viseren waarmee de onderwijsinstelling of de centrale examencommissie getuigt dat de verkrijger voor het eindexamen geslaagd is dat recht geeft op het vereiste diploma.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 25, § 1 vastgesteld op 06-10-2016 door MB 2016-09-21/02, art. 1, voor het beroep van podoloog zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 7 maart 2016 betreffende de beroepstitel en de kwalificatievereisten voor de uitoefening van het beroep van podoloog en houdende vaststelling van de technische prestaties en van de handelingen waarmee de podoloog door een arts kan worden belast (KB 2016-03-07/13)
  (NOTA: Artikel 25, § 1, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen treedt in werking, voor het beroep van mondhygiënist zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 28 maart 2018 betreffende het beroep van mondhygiënist, op 30 juni 2019 (KB 2018-11-21/15, art. 1)

  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 25, § 1, voor het beroep van klinisch psycholoog zoals bedoeld in artikel 68/1, vastgesteld op 01-05-2019 door KB 2019-01-25/27, art. 1)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 25, § 1, voor het beroep van klinisch orthopedagoog zoals bedoeld in artikel 68/2 vastgesteld op 01-05-2019 door KB 2019-01-25/28, art. 1)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 25, §1, voor het beroep van ambulancier niet dringend patiëntenvervoer zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 14 mei 2019 betreffende het beroep van ambulancier niet dringend patiëntenvervoer, vastgesteld op 01-09-2020 door KB 2019-05-17/27, art. 1)

  Art. 26. Voor de toepassing van de artikelen 27, 28 en 29 wordt verstaan onder :
  1° het holst van de nacht : de periode van drieëntwintig uur tot acht uur;
  2° gewone praktijkuren : de periode, van maandag tot vrijdag, van acht uur tot achttien uur, behalve op wettelijke feestdagen;
  3° periode van permanentie : de periode buiten de gewone praktijkuren;
  4° zorgcontinuďteit : de opvolging van de behandelingen van de patiënten door de behandelende gezondheidszorgbeoefenaar of door een andere gezondheidszorgbeoefenaar wanneer de behandelende gezondheidszorgbeoefenaar zijn praktijk onderbreekt;
  5° medische permanentie : de regelmatige en normale zorgverstrekking aan de bevolking tijdens de periode van permanentie;
  6° dagelijkse sluiting : sluiting van de praktijk van een gezondheidswerker buiten het normale praktijkuurrooster.

  Art. 27.§ 1. De in de artikelen 3, § 1, 4, 43, 45 [1 , 63, 68/1, 68/2 en 68/2/1, § 2 en § 4]1 bedoelde beoefenaars mogen een aan de gang zijnde behandeling van een patiënt niet bewust en zonder wettige reden van hun kant onderbreken zonder vooraf alle voorzieningen te hebben getroffen om de zorgcontinuďteit te garanderen.
  De bevoegde geneeskundige commissie waakt erover dat de in de artikelen 3, § 1, 4, 43, 45 [1 , 63, 68/1, 68/2 en 68/2/1, § 2 en § 4]1 bedoelde beoefenaars het eerste lid naleven.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst met de in dit artikel bedoelde beroepen uitbreiden of vervolledigen.
  § 2. De zorgcontinuďteit wordt verzekerd door een andere beoefenaar die over dezelfde bijzondere beroepstitel beschikt.
  Voor wat betreft de in artikel 3, § 1, bedoelde beoefenaars, kan, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, de zorgcontinuďteit tijdens het holst van de nacht behalve wat de palliatieve verzorging en de behandeling van de pijn betreft, aan de houder van een andere bijzondere beroepstitel voorbehouden aan de houders van een diploma van dokter in de geneeskunde worden toevertrouwd.
  § 3. De apotheker mag zijn apotheek niet bewust en zonder wettige reden van zijn kant tijdelijk of definitief sluiten zonder vooraf alle voorzieningen te hebben getroffen om de continuďteit van de uitreiking van de in een aan de gang zijnde voorschrift voorgeschreven geneesmiddelen te verzekeren.
  De bevoegde geneeskundige commissie waakt erover dat het eerste lid wordt nageleefd.
  § 4. In geval van onderbreking van de aan de gang zijnde behandeling van een patiënt wegens de dagelijkse sluiting mag de zorgcontinuďteit in het kader van de medische permanentie worden verzekerd, in zoverre de gezondheidszorgbeoefenaar deelneemt aan de medische permanentie volgens de overeenkomstig artikel 28 vastgelegde nadere regels.
  ----------
  (1)<W 2016-07-10/05, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 28.§ 1. De Koning bepaalt de nadere regels voor het verzekeren van de medische permanentie.
  De Koning kan de door Hem vastgelegde opdrachten met betrekking tot de lokale organisatie van de medische permanentie, de vertegenwoordiging van de betrokken beroepsbeoefenaars en de samenwerking met andere gezondheidszorgbeoefenaars, toevertrouwen aan de representatieve beroepsverenigingen van de in de artikelen 3, § 1, 4, 6 tot 21, 43, 45 [1 , 63, 68/1, 68/2 en 68/2/1, § 2 en § 4]1 bedoelde beoefenaars, aan hiertoe samengestelde groeperingen of aan werkgevers van de in de artikelen 3, § 1, 4, 6 tot 21, 43, 45 [1 , 63, 68/1, 68/2 en 68/2/1, § 2 en § 4]1 bedoelde beoefenaars, mits zij daartoe erkend zijn.
  De voorwaarden en de procedure om de erkenning te krijgen worden vastgelegd door de minister bevoegd voor Volksgezondheid.
  Geen enkele van de in de artikelen 3, § 1, 4, 6 tot 21, 43, 45 [1 , 63, 68/1, 68/2 en 68/2/1, § 2 en § 4]1 bedoelde en aan de vereiste voorwaarden beantwoordende beoefenaars mag van deze medische permanentie worden uitgesloten, mits de betrokkene het huishoudelijk reglement aanvaardt en de deontologische regels naleeft.
  Wanneer er voor de voor het publiek opengestelde apotheken een permanentie werd ingericht, nemen alle voor het publiek opengestelde apotheken die op de wachtrol voorkomen er volgens de door de Koning vastgelegde regels aan deel.
  De in het tweede lid bedoelde verenigingen, groeperingen of werkgevers delen de bevoegde geneeskundige commissie de door eerstgenoemden opgestelde wachtrol en alle eventueel voorkomende wijzigingen daarvan en een huishoudelijk reglement mee.
  De Koning legt de nadere regels voor de registratie van de oproepen tijdens de periode van permanentie vast.
  § 2. De geneeskundige commissie bepaalt de behoeften inzake de lokale organisatie van de medische permanentie. Zij controleert de werking van de lokale medische permanentie georganiseerd door de in paragraaf 1 bedoelde beroepsverenigingen, groeperingen of werkgevers, en is bevoegd om de in paragraaf 1 bedoelde huishoudelijke reglementen goed te keuren en geschillen inzake de lokale organisatie van de medische permanentie te beslechten.
  Wanneer met betrekking tot de medische permanentie regels zijn vastgesteld in de code van plichtenleer die bindende kracht heeft voor de bedoelde gezondheidszorgbeoefenaars, verwijst de commissie daarnaar bij de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde opdrachten.
  Bij tekortkoming of ontoereikendheid, doet de geneeskundige commissie, op eigen initiatief of op verzoek van de gouverneur van de provincie, een beroep op de medewerking van de in paragraaf 1 bedoelde beroepsverenigingen, groeperingen of werkgevers, of beoefenaars met het oog op het inrichten of het aanvullen van de lokale organisatie van de medische permanentie.
  § 3. Indien, na het verstrijken van de termijn, vastgesteld bij de in paragraaf 2, derde lid, bedoelde aanvraag, de lokale organisatie van de medische permanentie niet op voldoende wijze werkt, neemt de gezondheidsinspecteur of, in voorkomend geval, de inspecteur van de apotheken zelf, alle maatregelen met het oog op het inrichten of het aanvullen van de lokale organisatie van de medische permanentie in functie van de behoeften die eventueel zullen zijn bepaald door de geneeskundige commissie, welke bij deze gelegenheid wordt voorgezeten door de gouverneur van de provincie. In dat kader kan de gezondheidsinspecteur of, in voorkomend geval, de toezichthoudende ambtenaar van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, de deelname vorderen van de in paragraaf 1 bedoelde verenigingen, groeperingen of werkgevers of van de betrokken beoefenaars, die hij aanwijst, met het oog op het organiseren of aanvullen van de lokale organisatie van de medische permanentie.
  ----------
  (1)<W 2016-07-10/05, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 29. § 1. Binnen de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu wordt een eenvormig oproepsysteem opgericht waardoor de bevolking de in artikel 28 bedoelde medische permanentie kan bereiken. De Koning legt de werking van dat eenvormig oproepsysteem vast, alsook de minimumkwaliteitsnormen, de oproepregels en het nummer voor de telefonische oproepen.
  Een in artikel 28, § 1, tweede lid bedoelde beroepsvereniging, groepering of werkgever kan zich bij het eenvormig oproepsysteem voor de medische permanentie aansluiten.
  § 2. De in artikel 28, § 1, tweede lid bedoelde beroepsverenigingen, groeperingen of werkgevers die zich bij het eenvormig oproepsysteem voor de medische permanentie aansluiten delegeren aan dat eenvormige oproepsysteem de keuze van het antwoord dat de aangestelden van dat eenvormige oproepsysteem aan de vragen van de patiënten geven die op dat eenvormige oproepsysteem een beroep doen.
  De aangestelden van het eenvormige oproepsysteem beoordelen de vragen van de patiënten die op dat eenvormige oproepsysteem een beroep doen en geven er de medische antwoorden op die het meest geschikt zijn en die met de door de minister bevoegd voor Volksgezondheid gevalideerde protocollen voor de medische wachtdienst overeenstemmen.
  De Koning kan een orgaan creëren of kan een bestaand orgaan aanstellen om de in het tweede lid bedoelde protocollen voor te stellen.
  § 3. De Koning legt mits naleving van de Wet Persoonlijke Levenssfeer van 8 december 1992 en na advies van de Commissie voor bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels voor de registratie van de oproepen vast.
  Deze nadere regels hebben in het bijzonder betrekking op de aard van de te registreren oproepgegevens en op hun structurering, en laten de werking van het oproepsysteem toe te beoordelen, zowel wat betreft het naleven van minimale kwaliteitsnomen als voor het organiseren van een interne kwaliteitsopvolging.
  § 4. De Koning legt, per beroep, de datum van de inwerkingtreding van dit artikel vast.

  Art. 30. Het is verboden de regelmatige en normale uitoefening van de geneeskunde of de artsenijbereidkunde door een persoon die aan de vereiste voorwaarden voldoet, door feitelijkheden of geweld te verhinderen of te belemmeren.

  Art. 31.Aan de beoefenaars bedoeld [1 in de artikelen 3, § 1, 4, 6, 63, 68/1 en 68/2]1 mogen geen reglementaire beperkingen worden opgelegd bij de keuze van de middelen die aangewend moeten worden, hetzij voor het stellen van de diagnose, hetzij voor het instellen en uitvoeren van de behandeling, hetzij voor het uitvoeren van magistrale bereidingen.
  Voor acute behandelingen met antibiotica en antimycotica, of wanneer de prijs van de voorgeschreven farmaceutische specialiteit hoger is dan de som van het persoonlijk aandeel en de verzekeringstegemoetkoming wanneer die overeenkomstig artikel 37, § 3/2, tweede lid, van de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994 uit vaste bedragen bestaan, mag de apotheker de voorgeschreven farmaceutische specialiteit die wordt afgeleverd in een voor het publiek opengestelde apotheek substitueren door een ander geneesmiddel met eenzelfde werkzaam bestanddeel of combinatie van actieve bestanddelen, eenzelfde sterkte, eenzelfde toedieningsweg en eenzelfde toedieningsfrequentie, op voorwaarde dat de prijs lager is en de voorschrijver hier geen therapeutisch bezwaar heeft tegen aangetekend. De redenen voor het therapeutisch bezwaar moeten worden vermeld in het patiëntendossier.
  Indien het voorschrift specificaties bevat met betrekking tot de toedieningsvorm dan is de substitutie bedoeld in het voorgaande lid, beperkt tot geneesmiddelen die aan deze specificaties voldoen.
  Indien het voorschrift een allergie aan een hulpstof, zijnde elk ander bestanddeel van een geneesmiddel dan het werkzame bestanddeel en het verpakkingsmateriaal, met erkende werking overeenkomstig de gedetailleerde richtsnoeren zoals bekendgemaakt door de Europese Commissie, vermeldt, mag de apotheker niet overgaan tot substitutie.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Commissie voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik, en de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen, de substitutie geheel of gedeeltelijk van toepassing verklaren op andere therapeutische klassen van geneesmiddelen en hier eventueel nadere regels aan verbinden. De Koning stelt de procedureregels vast.
  De misbruiken van de vrijheid waarvan zij overeenkomstig het eerste lid opzicht genieten, worden beteugeld door de raden van de Orde waarvan zij afhangen.
  In afwijking van het eerste lid kan het voorschrijven van bepaalde geneesmiddelen worden voorbehouden aan bepaalde groepen beoefenaars, houders van een bijzondere beroepstitel als bedoeld in artikel 85, die al dan niet werkzaam zijn in bepaalde medische diensten, erkend krachtens de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. De Koning bepaalt de gevallen en de voorwaarden waaronder dit lid wordt toegepast.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 157, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 31/1. [1 Elke beoefenaar van een gezondheidszorgberoep heeft de verantwoordelijkheid om de patiënt te verwijzen naar een andere ter zake bevoegde beoefenaar van een gezondheidszorgberoep wanneer de gezondheidsproblematiek waarvoor een ingreep is vereist de grenzen van het eigen competentiegebied overschrijdt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-05-10/06, art. 158, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  

  Art. 32.Worden beschouwd als niet geschreven zijnde in de overeenkomsten gesloten door de beoefenaars bedoeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6 [1 , 63, 68/1 en 68/2]1, de bepalingen die hun keuzevrijheid bedoeld in artikel 31 schenden.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 159, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 33.§ 1. Elke beoefenaar bedoeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6 [1 , 63,68/1 en 68/2]1 is gehouden, op verzoek of met akkoord van de patiënt, aan een ander behandelend beoefenaar door de patiënt aangeduid om hetzij de diagnose, hetzij de behandeling voort te zetten of te vervolledigen, alle nuttige of noodzakelijke hem betreffende inlichtingen van geneeskundige of farmaceutische aard mede te delen.
  De raden van de Orde waaronder de in de artikelen 3, § 1, en 6 bedoelde beoefenaars vallen, zien toe op de naleving van de bepaling van het eerste lid en de bevoegde geneeskundige commissie ziet erop toe dat de in artikelen [1 4, 63, 68/1 en 68/2]1 bedoelde beoefenaars de bepaling van het eerste lid naleven.
  § 2. Elke in artikel 43 bedoelde beoefenaar is ertoe gehouden, op verzoek of met instemming van de patiënt, aan een andere behandelende beoefenaar, aangewezen door deze laatste om een in artikel 43, § 4, bedoelde handeling te volgen of aan te vullen, alle nuttige en nodige inlichtingen van geneeskundige aard mede te delen die hem betreffen.
  De bevoegde geneeskundige commissie ziet erop toe dat de in artikel 43 bedoelde beoefenaars de bepaling van de eerste paragraaf naleven.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 160, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 34. § 1. In het kader van de organisatie of de erkenning door de overheid van een activiteit die betrekking heeft op de geneeskunst onder haar preventief voorkomen, kan de Koning de verplichting voorzien voor de beoefenaar van de geneeskunst, verantwoordelijk voor deze activiteit, aan de behandelende beoefenaar die de consultant daartoe uitdrukkelijk aanwijst, de uitslagen over te maken van de onderzoekingen waaraan deze laatste werd onderworpen.
  De Koning kan bovendien de verplichting voorzien voor de beoefenaar van de geneeskunst, verantwoordelijk voor een in het eerste lid bedoelde activiteit, mits het akkoord van de belanghebbende persoon, het geneeskundig dossier van deze laatste mede te delen aan de beoefenaar die verantwoordelijk is voor een andere activiteit die betrekking heeft op de geneeskunst onder haar preventief voorkomen, behalve wanneer deze laatste activiteit het geneeskundig toezicht op de arbeiders betreft.
  In geval van niet naleving van de verplichtingen opgelegd in uitvoering van de twee vorige leden, kunnen de erkenning van de daar bedoelde activiteit en de financiële voordelen, die daaraan desgevallend verbonden zijn, geweigerd of ingetrokken worden.
  De Koning bepaalt, op advies van de nationale raad van de betrokken Orde, de modaliteiten volgens dewelke de overdracht van de uitslagen, van de onderzoekingen bedoeld in het eerste lid of de mededeling van het geneeskundig dossier, bedoeld in het tweede lid, dient te geschieden.
  § 2. Onverminderd paragraaf 1, derde lid, zien de raden van de Orde, waaronder de beoefenaars ressorteren, toe dat de krachtens paragraaf 1, vastgestelde bepalingen worden nageleefd en de bevoegde geneeskundige commissie ziet erop toe dat de in artikelen 4 en 63 bedoelde beoefenaars de krachtens paragraaf 1 getroffen bepalingen naleven.

  Art. 35.Onverminderd de bepalingen van artikel 38, § 2, hebben de beoefenaars bedoeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6 [1 , 63, 68/1 en 68/2]1, mits eerbiediging van de regelen van de plichtenleer, recht op honoraria of forfaitaire bezoldigingen voor de door hen geleverde prestaties.
  Onverminderd de toepassing van bedragen welke eventueel zijn vastgesteld door of krachtens de wet of voorzien bij statuten of overeenkomsten waartoe de beoefenaars zijn toegetreden, bepalen deze vrij het bedrag van hun honoraria, onder voorbehoud van de bevoegdheid, in geval van betwisting, van de Orde waaronder zij ressorteren of van de rechtbanken.
  Indien algemene criteria terzake zijn vastgesteld door de bevoegde nationale paritaire commissie, voorzien bij het koninklijk besluit nr. 47 van 24 oktober 1967, tot instelling van een nationale paritaire commissie geneesheren-ziekenhuizen en tot vaststelling van het statuut van de Nationale Paritaire Commissies voor andere beoefenaars van de geneeskunst of voor andere categorieën van inrichtingen, alsmede van de gewestelijke paritaire commissies, en algemeen bindend verklaard door de Koning, op grond van artikel 8 van dat besluit, moeten hogergenoemde statuten en overeenkomsten daarmee conform zijn.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 161, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 36. Is verboden iedere vooraf gesloten overeenkomst die het honorarium koppelt aan de doelmatigheid van een behandeling.

  Art. 37.Onverminderd de bepalingen van artikel 38, § 2, wanneer een beoefenaar bedoeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6 [1 , 63, 68/1 en 68/2]1 voor de uitoefening van zijn beroep personeel, lokalen en materieel gebruikt, dat niet voor het geheel voorwerp waren of zijn van een betaling ten welke andere titel ook en die ter beschikking zijn gesteld van de beoefenaar door een derde persoon, worden de voorwaarden voor dit gebruik bepaald in een statuut of een uitdrukkelijke overeenkomst tussen deze beoefenaar en de derde.
  Indien algemene criteria terzake zijn vastgesteld door de bevoegde nationale paritaire commissie, voorzien bij het koninklijk besluit nr. 47 van 24 oktober 1967 tot instelling van een nationale paritaire commissie geneesheren-ziekenhuizen en tot vaststelling van het statuut van de Nationale Paritaire Commissies voor andere beoefenaars van de geneeskunst of voor andere categorieën van inrichtingen, alsmede van de gewestelijke paritaire commissies, en algemeen bindend verklaard door de Koning, op grond van artikel 8 van dat besluit, moet het statuut of de overeenkomst bedoeld in het vorig lid daarmee conform zijn.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 162, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 38.§ 1. Is verboden onder beoefenaars van een zelfde tak van de geneeskunst, elke verdeling van honoraria onder gelijk welke vorm, behalve zo deze verdeling geschiedt in het kader van de organisatie van de groepsgeneeskunde of in geval er meerdere apothekers-titularissen verantwoordelijk zijn voor een apotheek of in het kader van een apotheek uitgebaat door een rechtspersoon.
  § 2. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 35 en 37, is verboden elke overeenkomst van welke aard ook, gesloten hetzij tussen de beoefenaars, bedoeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6, 43 [1 , 63, 68/1 en 68/2]1 hetzij tussen deze beoefenaars en derden, inzonderheid producenten van farmaceutische producten of leveranciers van geneeskundige of protheseapparaten, wanneer deze overeenkomst betrekking heeft op hun beroep en ertoe strekt aan de een of de ander rechtstreeks of onrechtstreeks winst of voordeel te verschaffen.
  In het kader van hun beroep is het de in het eerste lid bedoelde beoefenaars verboden om rechtstreeks of onrechtstreeks de door andere beroepsbeoefenaars of door derde personen aangeboden of toegekende premies, voordelen, uitnodigingen of gastvrijheid, te vragen of ze te aanvaarden.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 163, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 39.Het is aan elke beoefenaar bedoeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6, 43 [1 , 63, 68/1 en 68/2]1 verboden om op het even welke wijze zijn medewerking te verlenen aan een derde of als naamlener voor hem op te treden, met het doel hem te onttrekken aan de straffen waarmede de onwettige uitoefening van de geneeskunde of de artsenijbereidkunde gestraft wordt.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 164, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 40. De artsen en de beoefenaars van de tandheelkunde die vaststellen dat geneesmiddelen, welke door de apotheker aan hun zieken geleverd worden slecht bereid zijn, strijdig met het recept, of bedorven, zetten er hun zegel op en verzoeken de zieken ze enkel af te geven aan degenen die ze zullen komen halen namens de geneeskundige commissie van hun gebied.
  Zij geven zo haast mogelijk van dit feit kennis aan de secretaris der commissie, zodat deze laatste die geneesmiddelen kan doen afhalen en overmaken aan de commissie, die de zaak zal onderzoeken en handelen volgens de belangrijkheid van het geval.

  Art. 41. De toepassing op de mens van menselijk lichaamsmateriaal zoals bedoeld in de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek, alsook van industrieel vervaardigde producten in het kader van de somatische celtherapie, gentherapie of weefselmanipulatie, geschiedt uitsluitend door een beoefenaar bedoeld in artikel 3, en dit in een erkend ziekenhuis dat behoort tot het toepassingsgebied van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, of in een ziekenhuis dat wordt uitgebaat door het Ministerie van Landsverdediging van de Belgische Staat.
  De in het eerste lid bedoelde beoefenaar dient volkomen onafhankelijk te zijn van de in de voornoemde wet bedoelde intermediaire structuren voor menselijk lichaamsmateriaal, productie-instellingen en derden die één of meer handelingen hebben verricht met het bedoeld menselijk lichaamsmateriaal of het menselijk lichaamsmateriaal waarmee bedoeld product is bereid, alsook van een onderneming of de persoon door wie het bedoeld product is vervaardigd.

  Art. 42.Elk voorschrift :
  1° vermeldt zo uitvoerig mogelijk de gebruiksaanwijzing van het geneesmiddel;
  2° wordt door de arts, de beoefenaar van de tandheelkunde of iedere andere persoon die door of krachtens deze gecoördineerde wet geneesmiddelen mag voorschrijven, gedagtekend op papier of op elektronische wijze aan de hand van een procedure die vastgesteld werd door het Beheerscomité van het eHealth-platform en goedgekeurd werd door [1 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité bedoeld in de wet van 5 september 2018 tot oprichting van het informatieveiligheidscomité en tot wijziging van diverse wetten betreffende de uitvoering van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG]1;
  3° wordt ondertekend door de arts, de beoefenaar van de tandheelkunde of iedere andere persoon die door of krachtens deze gecoördineerde wet geneesmiddelen mag voorschrijven, ofwel wordt de identiteit van de arts, de beoefenaar van de tandheelkunde of iedere andere persoon die door of krachtens deze gecoördineerde wet geneesmiddelen mag voorschrijven, geauthentiseerd aan de hand van een procedure die vastgesteld werd door het Beheerscomité van het eHealth-platform en goedgekeurd werd door [1 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]1.
  De Koning kan de toepassing van de in het eerste lid, 2° en 3°, vermelde procedures uitbreiden tot andere categorieën van voorschriften dan voorschriften voor geneesmiddelen.
  [2 Indien gebruik gemaakt wordt van de elektronische handtekening dient het te gaan om een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.]2
  De Koning kan de inhoud en de modaliteiten van het voorschrijven bepalen. Hij legt bovendien de bijkomende voorwaarden vast waaraan de voorschriften in ambulante en extramurale omgeving moeten voldoen. Het ondertekenen van een voorschrift mag niet gedelegeerd worden. De Koning kan eveneens de inhoud en de nadere regels van het voorschrijven bepalen met het oog op de erkenning in België van voorschriften uitgevaardigd door in een andere Lidstaat gevestigde voorschrijvers alsook met het oog op de erkenning in een andere Lidstaat van door voorschrijvers gevestigd in België uitgevaardigde voorschriften.
  Wanneer een arts of een beoefenaar van de tandheelkunde een toxisch geneesmiddel voorschrijft met een grotere dosis dan deze voorzien in de betreffende reglementering, moet hij deze dosis voluit in letters herhalen en door een nieuwe handtekening bevestigen.
  De Koning kan voor het voorschrijven van geneesmiddelen die slaap- of verdovende middelen bevatten alsook van psychotrope stoffen die afhankelijkheid kunnen teweegbrengen het gebruik opleggen van speciale voorschriftenbriefjes waarin Hij het model bepaalt; Hij stelt de lijst van deze stoffen vast. De Koning kan de afgifte van deze speciale voorschriftenbriefjes onderwerpen aan de inning van een bijdrage.
  ----------
  (1)<W 2018-09-05/01, art. 93, 014; Inwerkingtreding : 10-09-2018>
  (2)<W 2018-09-20/14, art. 34, 015; Inwerkingtreding : 20-10-2018>

  Hoofdstuk 3. De uitoefening van de kinesitherapie

  Art. 43. § 1. In afwijking van artikel 3, § 1, en zonder de betekenis van het begrip "de geneeskunde", bepaald in dit artikel, te beperken, mag niemand de kinesitherapie uitoefenen die niet houder is van een erkenning afgegeven door de minister bevoegd voor Volksgezondheid.
  De houders van de erkenning, bedoeld in het eerste lid, die voldoen aan de criteria bedoeld in artikel 92, § 1, 4°, kunnen de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging verkrijgen, voor de in artikel 34, eerste lid, 1°, c), van de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994, bedoelde verstrekkingen.
  § 2. De Koning kan de voorwaarden en regels bepalen voor het verkrijgen, het behouden en het intrekken van de in paragraaf 1 bedoelde erkenning en van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging.
  Deze erkenning mag enkel toegekend worden aan de houder van een universitair diploma in kinesitherapie of een diploma van hoger onderwijs buiten de universiteit in kinesitherapie dat een opleiding in het kader van een voltijds onderwijs bekroont dat ten minste vier studiejaren omvat.
  § 3. Niemand mag de beroepstitel van kinesitherapeut dragen die niet houder is van de in paragraaf 1 bedoelde erkenning.
  § 4. Als onwettige uitoefening van de kinesitherapie wordt beschouwd, het gewoonlijk verrichten door een persoon die er niet toe gemachtigd is krachtens paragraaf 1 van:
  1° systematische handelingen met als doel functieproblemen van spierskeletale, zenuwfysiologische, respiratoire, cardiovasculaire en psychomotorische aard te verhelpen door het toepassen van een of meerdere van de volgende vormen van therapie:
  a) de lichaamsoefeningstherapie, zijnde het tot een geneeskundig doel door de patiënt doen uitvoeren van bewegingen, met of zonder fysieke bijstand;
  b) de massagetherapie, zijnde het tot een geneeskundig doel toepassen van massagetechnieken op de patiënt;
  c) de fysieke therapieën, zijnde het tot geneeskundig doel aan de patiënt toedienen van niet-invasieve fysieke prikkels, zoals elektrische stromen, elektromagnetische stralingen, ultrageluiden, warmte- en koudeapplicaties en balneotherapie;
  2° het verrichten van onderzoeken en het opstellen van balansen van de motoriek van de patiënt met als doel bij te dragen tot het stellen van een diagnose door een arts of een behandeling bestaande uit de in het 1° bedoelde handelingen in te stellen;
  3° het concipiëren en het uitwerken van behandelingen bestaande uit de onder het 1° bedoelde handelingen;
  4° de perinatale kinesitherapie en de bekkenbodemreëducatie.
  § 5. De Koning kan de onder paragraaf 4 bedoelde handelingen nader bepalen.
  § 6. De krachtens paragraaf 1 erkende personen mogen enkel kinesitherapie uitoefenen ten aanzien van de patiënten die op grond van een voorschrift door een persoon worden verwezen die krachtens artikel 3, § 1, eerste lid, gemachtigd is om de geneeskunde uit te oefenen of, voor wat de kinesitherapie betreft voor temporomandibulaire dysfuncties, die verwezen worden door een persoon die krachtens artikel 4 gemachtigd is om de tandheelkunde uit te oefenen.
  Dit voorschrift is schriftelijk, eventueel onder elektronische vorm of telefax. Het vermeldt in elk geval de diagnose of de diagnostische gegevens van de arts, of in voorkomend geval van de tandheelkundige, het maximum aantal behandelingsbeurten bij de kinesitherapeut en de eventuele contra-indicaties voor bepaalde behandelingswijzen. Het kan ook de prestatie of de prestaties vermelden die de arts, of in voorkomend geval de tandheelkundige, vraagt.
  Wanneer de voorschrijvende arts, of in voorkomend geval de tandheelkundige, ermee instemt, mag de kinesitherapeut ook andere dan de voorgeschreven prestaties verrichten of de voorgeschreven prestaties niet verrichten.
  Op verzoek van de voorschrijvende arts, of in voorkomend geval de tandheelkundige, bezorgt de kinesitherapeut hem een verslag over de uitvoering van de behandeling en de verkregen resultaten.
  De Koning kan de lijst vaststellen van de redenen waarom en de situaties waarin personen erkend krachtens paragraaf 1 kunnen afwijken van de in het eerste lid bedoelde voorwaarde.

  Art. 44. § 1. Bij de minister bevoegd voor Volksgezondheid, wordt een Federale Raad voor de Kinesitherapie ingesteld.
  § 2. De Federale Raad voor de Kinesitherapie heeft tot taak aan de minister bevoegd voor Volksgezondheid, op diens verzoek of op eigen initiatief, advies te verstrekken over alle aangelegenheden in verband met de kinesitherapie.
  § 3. De Federale Raad voor de Kinesitherapie kan ook de regeringen van de gemeenschappen, op hun verzoek, advies verstrekken over alle aangelegenheden in verband met de studies en opleiding van de kinesitherapeuten.
  § 4. De Federale Raad voor de Kinesitherapie bestaat uit:
  1° veertien leden, kinesitherapeuten, die de kinesitherapie uitoefenen en die een minimale ervaring van tien jaar bezitten van wie ten minste vier personen hun beroep sedert ten minste tien jaar uitoefenen in het universitair onderwijs in de kinesitherapie of in het hoger onderwijs buiten de universiteit in de kinesitherapie;
  2° zes leden die gemachtigd zijn om de geneeskunde uit te oefenen krachtens artikel 3, § 1, waarvan drie beoefenaars van de huisartsgeneeskunde en drie beoefenaars van verschillende medische specialismen, waaronder één de fysieke geneeskunde uitoefent;
  3° twee ambtenaren die de minister bevoegd voor Volksgezondheid vertegenwoordigen.
  De in het 3° bedoelde ambtenaren hebben zitting met raadgevende stem en verzorgen het secretariaat van de Raad.
  Aan elk lid van de Raad wordt een plaatsvervanger toegevoegd, die onder dezelfde voorwaarden wordt benoemd.
  § 5. De gewone en plaatsvervangende leden worden door de Koning benoemd voor een termijn van zes jaar, die eenmaal kan worden verlengd.
  De leden bedoeld in paragraaf 4, 1° en 2° worden benoemd op basis van dubbele lijsten, voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen en -organisaties van de betrokken personen.
  § 6. Bij de eerste samenstelling van de Federale Raad voor de Kinesitherapie kunnen beschouwd worden als kinesitherapeuten de personen erkend door de dienst geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, op voorstel van de Erkenningsraad voor de kinesitherapeuten van dit instituut.
  § 7. De Koning regelt de organisatie en de werking van de Federale Raad voor de Kinesitherapie.
  De Raad kan alleen geldig beraadslagen wanneer ten minste de helft van de gewone leden aanwezig zijn of door hun plaatsvervanger vertegenwoordigd zijn. Indien de leden van de Federale raad voor de Kinesitherapie niet in voldoende aantal aanwezig zijn, roept de voorzitter een tweede vergadering met dezelfde agenda bijeen. De Raad kan dan geldig beraadslagen ongeacht het aantal aanwezige leden.
  De Raad spreekt zich uit bij meerderheid der aanwezige leden. Bij staking van stemmen is het punt waarover werd gestemd niet aangenomen.
  De beslissingen van de Raad, voor wat betreft de in artikel 143, eerste lid, bedoelde adviezen worden genomen bij tweederdemeerderheid van de in paragraaf 4, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde leden voor zover deze meerderheid bestaat uit ten minste een in paragraaf 4, eerste lid, 2°, bedoeld lid.

  Hoofdstuk 4. De uitoefening van de verpleegkunde

  Art. 45.§ 1. [1 Niemand mag de verpleegkunde zoals bepaald in artikel 46 uitoefenen als hij/zij niet in het bezit is van een diploma of een titel van verpleegkundige die na een opleiding van ten minste drie studiejaren, die uitgedrukt kunnen worden in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten, behaald werd én bovendien niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 25.
   De opleiding van verpleegkundige bestaat uit ten minste 4600 uur theoretisch en klinisch onderwijs, waarbij de duur van het theoretisch onderwijs ten minste een derde en de duur van het klinisch onderwijs ten minste de helft van de minimumduur van de opleiding bedraagt.
   In het kader van het theoretisch onderwijs, verwerven de verpleegkundigen in opleiding de kennis, vaardigheden en de competenties die krachtens de eerste paragraaf zijn vereist. Deze opleiding wordt gegeven door docenten in de verpleegkunde en andere bevoegde personen in universiteiten, instellingen voor hoger onderwijs van een als gelijkwaardig erkend niveau of scholen voor beroepsonderwijs dan wel beroepsopleidingen voor verpleegkunde.
   In het kader van het klinisch onderwijs, leren de verpleegkundigen in opleiding in teamverband en in rechtstreeks contact met een gezonde of zieke persoon en/of een gemeenschap, de vereiste algemene verpleegkundige zorgen plannen, verstrekken en beoordelen op grond van verworven kennis, vaardigheden en competenties. De verpleegkundige in opleiding leert niet alleen in teamverband werken, maar ook als teamleider op te treden en zich bezig te houden met de organisatie van de algemene verpleegkundige zorgen, waaronder de gezondheidseducatie voor individuen en kleine groepen binnen het kader van instellingen voor gezondheidszorg of in de gemeenschap.
   De opleiding tot verpleegkundige waarborgt dat de betrokken beroepsbeoefenaar :
   a) de volgende kennis en vaardigheden heeft verworven:
   i) de uitgebreide kennis van de wetenschappen waarop de algemene verpleegkundige zorgen gebaseerd zijn, met inbegrip van voldoende kennis van het organisme, de fysiologie en het gedrag van de gezonde en de zieke mens, alsmede van het verband tussen de gezondheidstoestand en de fysieke en sociale omgeving van de mens;
   ii) de kennis van de aard en de ethiek van het beroep en van de algemene beginselen betreffende de gezondheid en de verpleegkundige zorg;
   iii) de adequate klinische ervaring; deze ervaring, bij de keuze waarvan de educatieve waarde voorop dient te worden gesteld, moet worden opgedaan onder toezicht van bekwaam verpleegkundig personeel en op plaatsen waar de hoegrootheid van gekwalificeerde personeelsleden en de uitrusting aangepast zijn aan de aan de zieke te verstrekken verpleegkundige zorg;
   iv) de bekwaamheid om deel te nemen aan de praktische opleiding van gezondheidszorgberoepsbeoefenaars en de samenwerking met deze personen;
   v) de ervaring op het gebied van samenwerking met andere gezondheidszorgberoepsbeoefenaars.
   b) in staat is minstens de volgende competenties toe te passen, ongeacht of de opleiding is verkregen aan een universiteit, een als gelijkwaardig erkende instelling voor hoger onderwijs of via een beroepsopleiding voor verpleegkunde:
   i) de competentie om op basis van de huidige theoretische en klinische kennis zelfstandig te diagnosticeren welke de te verstrekken verpleegkundige zorg zijn en om bij het behandelen van patiënten de verpleegkundige zorg te plannen, te organiseren en uit te voeren op basis van de verworven kennis en vaardigheden bedoeld en omschreven in a) i), ii) en iii), met als doel de verbetering van de beroepsuitoefening;
   ii) de competentie om efficiënt samen te werken met andere gezondheidszorgberoepsbeoefenaars, met inbegrip van deelname aan de praktische opleiding van het in de gezondheidszorg werkzame personeel, op basis van de kennis en vaardigheden die overeenkomstig a) iv) en v) zijn verworven;
   iii) de competentie om personen, gezinnen en groepen te helpen een gezonde levensstijl aan te nemen en voor zichzelf te zorgen op basis van de kennis en vaardigheden die overeenkomstig a) i) en ii) zijn verworven;
   iv) de competentie om zelfstandig urgente levensreddende maatregelen te kunnen treffen en in crisis- en rampensituaties te kunnen handelen;
   v) de competentie om zorgbehoevenden en hun naasten onafhankelijk te adviseren, instrueren en ondersteunen;
   vi) de competentie om zelfstandig de kwaliteit van de verpleegkundige zorgen te kunnen garanderen en evalueren;
   vii) de competentie om beroepsmatig duidelijk en volledig te communiceren en samen te werken met andere categorieën gezondheidszorgberoepsbeoefenaars;
   viii) de competentie om de kwaliteit van de zorg te analyseren met als doelstelling de eigen beroepsuitoefening als verpleegkundige te verbeteren.
   Deze beschikking is van toepassing op iedereen die een verpleegkundige-opleiding aanvat vanaf het schooljaar of academiejaar volgend op 18 januari 2016.]1
  [1 § 1/1. Iedereen die een opleiding tot verpleegkundige heeft beëindigd of aangevat voor 18 januari 2016, mag de verpleegkunde zoals bepaald in artikel 46 uitoefenen als hij in het bezit is van het diploma of de titel van bachelor in de verpleegkunde, van gegradueerde verpleger of verpleegster, van het brevet of de titel van verpleger of verpleegster, van het "Diploma van gegradueerde verpleegkundige" dat in het kader van het hoger beroepsonderwijs door de Vlaamse Gemeenschap afgeleverd wordt, van het brevet of de titel van verpleegassistent of -assistente, [2 en bovendien beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 25]2.
   Iedereen die een opleiding tot verpleegkundige aanvat in het tweede semester van het schooljaar of academiejaar 2015-2016 wordt hiermee gelijkgesteld.]1
  § 2. De drager van de beroepstitel van vroedvrouw die haar of zijn diploma heeft behaald voor 1 oktober 2018, mag van rechtswege de verpleegkunde uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de dragers van de beroepstitel van gegradueerde verpleegkundige.
  De drager van de beroepstitel van vroedvrouw die haar of zijn diploma heeft behaald na 1 oktober 2018, mag van rechtswege de technische verpleegkundige verstrekkingen en de toevertrouwde medische handelingen die tot de verpleegkunde behoren, uitvoeren binnen het terrein van de verloskunde, de fertiliteitsbehandeling, de gynaecologie en de neonatologie.
  § 3. De diploma's, brevetten of gelijkwaardige titels worden afgeleverd overeenkomstig de door de Koning vastgestelde bepalingen.
  ----------
  (1)<KB 2016-06-27/18, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>
  (2)<KB 2017-06-12/08, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 30-06-2017>

  Art. 46.§ 1. Onder uitoefening van de verpleegkunde wordt verstaan het vervullen van de volgende activiteiten:
  1°a) het observeren, het herkennen en het vastleggen van de gezondheidsstatus zowel op psychisch, fysiek als sociaal vlak;
  b) het omschrijven van verpleegproblemen;
  c) het bijdragen aan de medische diagnose door de arts en aan het uitvoeren van de voorgeschreven behandeling;
  d) het informeren en adviseren van de patiënt en zijn familie;
  e) het voortdurend bijstaan, uitvoeren en helpen uitvoeren van handelingen, waardoor de verpleegkundige het behoud, de verbetering en het herstel van de gezondheid van gezonde en zieke personen en groepen beoogt;
  f) het verlenen van stervensbegeleiding en begeleiding bij de verwerking van het rouwproces;
  [1 g) het zelfstandig kunnen treffen van urgente levensreddende maatregelen en het kunnen handelen in crisis- en rampensituaties;
   h) het analyseren van de kwaliteit van de zorg met als doelstelling de eigen beroepsuitoefening als verpleegkundige te verbeteren.]1
  2° de technisch-verpleegkundige verstrekkingen waarvoor geen medisch voorschrift nodig is, alsook deze waarvoor wel een medisch voorschrift nodig is.
  Die verstrekkingen kunnen verband houden met de diagnosestelling door de arts [2 of door de tandarts]2, de uitvoering van een door de arts [2 of door de tandarts]2 voorgeschreven behandeling of met het nemen van maatregelen inzake preventieve geneeskunde;
  3° de handelingen die door een arts [3 of door de tandarts]3 kunnen worden toevertrouwd overeenkomstig artikel 23, § 1, tweede en derde lid.
  § 2. De verpleegkundige verstrekkingen bedoeld in paragraaf 1, 1°, 2°, en 3°, worden opgetekend in een verpleegkundig dossier.
  § 3. De Koning kan overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, de lijst vaststellen van de in paragraaf 1 bedoelde verstrekkingen, alsook de regelen voor de uitvoering ervan en de desbetreffende bekwaamheidsvereisten.
  ----------
  (1)<KB 2016-06-27/18, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>
  (2)<W 2017-08-11/05, art. 26, 010; Inwerkingtreding : 07-09-2017>
  (3)<W 2017-08-11/05, art. 27, 010; Inwerkingtreding : 07-09-2017>

  Art. 46/1. [1 § 1. Niemand mag de titel van verpleegkundig specialist dragen als hij niet in het bezit is van een in artikel 45 bedoeld diploma of titel van verpleegkundige en als hij niet aan de bepalingen van dit artikel beantwoordt.
   De Koning bepaalt, na advies van de Federale raad voor verpleegkunde, de criteria om de titel van verpleegkundig specialist te verkrijgen. Deze criteria voorzien minstens een masterdiploma in verpleegkundige wetenschappen.
   § 2. Bovenop de uitoefening van verpleegkunde zoals vermeld in art. 46 verricht de verpleegkundig specialist, in het kader van complexe verpleegkundige zorg, medische handelingen met het oog op het behoud, de verbetering en het herstel van de gezondheid van de patiënt.
   De in het eerste lid bedoelde zorg wordt verricht met betrekking tot een welbepaalde patiënten doelgroep en gebeurt in nauwe afstemming met de arts en de eventuele andere gezondheidszorgbeoefenaars.
   De Koning bepaalt bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, na advies van de Technische commissie voor verpleegkunde en de Hoge Raad voor Artsen-specialisten en Huisartsen, de activiteiten die de verpleegkundig specialist kan uitvoeren. Hij kan eveneens, na advies van de Technische commissie voor verpleegkunde en de Hoge Raad voor Artsen-specialisten en Huisartsen, de voorwaarden bepalen waaronder de verpleegkundig specialist deze activiteiten kan uitvoeren.
   § 3. De specialistische verpleegkundige verstrekkingen bedoeld in paragraaf 2, worden opgetekend in een verpleegkundig dossier.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-04-22/19, art. 15, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>
  

  Art. 47.
  <Opgeheven bij W 2015-05-10/06, art. 156, 006; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

  Art. 48. Niemand mag één der beroepstitels dragen als bedoeld in artikel 45, § 1, indien hij niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 45, § 1.
  De persoon die voldoet aan de kwalificatievoorwaarden die zijn gesteld bij de wetgeving van een vreemd land, mag maximum één van de in artikel 45, bedoelde beroepstitels dragen mits hij de machtiging bekomt van de minister bevoegd voor Volksgezondheid, belast met de uitvoering van de besluiten tot vaststelling van de vereiste kwalificatievoorwaarden of van een door hem gemachtigde ambtenaar.

  Art. 49. Het is ieder beoefenaar van de verpleegkunde verboden, hoe dan ook, zijn medewerking of zijn bijstand te verlenen aan een niet bevoegde derde, met het doel het hem mogelijk te maken de verpleegkunde te beoefenen.

  Art. 50. Niemand mag één der in artikel 45, § 1, bedoelde beroepstitels toekennen aan personen die hij, zelfs kosteloos, tewerkstelt indien die personen niet voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 45, § 1.

  Art. 51. Bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu wordt een Federale Raad voor Verpleegkunde opgericht.

  Art. 52. De Federale Raad voor Verpleegkunde heeft tot taak aan de minister bevoegd voor Volksgezondheid, op diens verzoek of op eigen initiatief, advies te verstrekken over alle aangelegenheden in verband met de verpleegkunde, meer bepaald betreffende de uitoefening van de verpleegkunde en de kwalificatie hiertoe.
  De Federale Raad voor Verpleegkunde kan ook de minister bevoegd voor Volksgezondheid en de overheden van de gemeenschappen, bevoegd inzake onderwijs, op hun verzoek of op eigen initiatief, advies verstrekken over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de studies en de opleiding van de in artikel 45 bedoelde personen.

  Art. 53. § 1. De Federale Raad voor Verpleegkunde bestaat uit:
  1° a) 12 leden en evenveel vervangers die de beoefenaars van de verpleegkunde die geen houder zijn van een bijzondere beroepstitel of een bijzondere beroepsbekwaamheid, vertegenwoordigen;
  b) telkens 2 leden en evenveel vervangers die elke categorie van de beoefenaars van de verpleegkunde die houder zijn van een bijzondere beroepstitel of een bijzondere beroepsbekwaamheid, vertegenwoordigen;
  c) 4 leden en evenveel vervangers die de zorgkundigen vertegenwoordigen;
  2° 6 leden en evenveel vervangers die de artsen vertegenwoordigen;
  3° 3 ambtenaren aangewezen door de overheden die op grond van de artikelen 127 en 130, § 1, eerste lid van de gecoördineerde Grondwet bevoegd zijn voor het onderwijs in het geval dat zij wensen te worden vertegenwoordigd;
  4° 1 ambtenaar die de minister bevoegd voor Volksgezondheid vertegenwoordigt en die het secretariaat zal verzorgen.
  De in 3° en 4° bedoelde ambtenaren hebben zitting met raadgevende stem.
  § 2. De leden worden door de Koning benoemd voor een termijn van zes jaar, die eenmaal kan worden verlengd; de benoemingen van de in paragraaf 1, 1° en 2° bedoelde leden geschieden uit een dubbeltal voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen en -organisaties van de betrokken personen; de benoemingen van de in paragraaf 1, 3° bedoelde leden geschieden op aanwijzing van de betrokken overheden; de benoeming van het in paragraaf 1, 4° bedoelde lid geschiedt op de voordracht van de minister van wie hij afhangt.
  § 3. Opdat de Federale Raad voor Verpleegkunde geldig zou kunnen beraadslagen, moeten minstens de helft van de 12 leden die de beoefenaars van de verpleegkunde die geen houder zijn van een bijzondere beroepstitel of een bijzondere beroepsbekwaamheid, vertegenwoordigen, de helft van de leden die de beoefenaars van de verpleegkunde die houder zijn van een bijzondere beroepstitel of een bijzondere beroepsbekwaamheid, vertegenwoordigen, minstens de helft van de leden die de zorgkundigen en de artsen vertegenwoordigen, waarvan minstens één lid dat de zorgkundigen vertegenwoordigt en één lid dat de artsen vertegenwoordigt, wanneer de Raad advies moet verstrekken over een aangelegenheid die specifiek op hen betrekking heeft, aanwezig zijn.
  Indien de leden van de Federale Raad voor Verpleegkunde niet in voldoende aantal aanwezig zijn, belegt de voorzitter een tweede vergadering met dezelfde agenda; de Raad kan dan geldig beraadslagen ongeacht het aantal aanwezige leden. De Raad spreekt zich uit bij meerderheid der aanwezige leden. Bij staking van stemmen is het punt waarover werd gestemd niet aangenomen.

  Art. 54. De Koning regelt de organisatie en de werking van de Federale Raad voor Verpleegkunde. De Raad kan alleen geldig beslissen wanneer de helft van de in artikel 53, §1, 1° en 2°, bedoelde leden aanwezig is.

  Art. 55. § 1. Bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu wordt een Technische Commissie voor Verpleegkunde opgericht.
  Die commissie is ermee belast de Koning de in artikel 141, eerste lid bedoelde adviezen te verstrekken.
  § 2. De commissie bestaat uit:
  1° 12 leden die door de Koning worden benoemd uit een dubbeltal voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen en -organisaties van de verpleegkundigen;
  2° 12 leden die door de Koning worden benoemd uit een dubbeltal voorgedragen door de representatieve organisaties van de artsen.
  § 3. Het mandaat van lid van de Technische Commissie voor Verpleegkunde is onverenigbaar met dat van lid van de Federale Raad voor Verpleegkunde bedoeld in artikel 51 en met dat van lid van de Erkenningscommissie voor de beoefenaars van de verpleegkunde bedoeld in artikel 61, § 1.
  § 4. Volgens dezelfde procedure benoemt de Koning een aantal plaatsvervangers dat gelijk is aan het aantal in paragraaf 2 bedoelde leden.
  § 5. De gewone en plaatsvervangende leden worden benoemd voor een termijn van zes jaar die eenmaal kan worden verlengd.
  § 6. De Koning benoemt een voorzitter en een ondervoorzitter op de voordracht van de technische commissie. De voorzitter en ondervoorzitter hebben geen stemrecht.
  Het secretariaat wordt waargenomen door een door de minister bevoegd voor Volksgezondheid aangewezen ambtenaar.
  § 7. De Koning stelt het reglement vast voor de organisatie en de werking van de technische commissie.
  De commissie kan slechts geldig beraadslagen als de helft van de in paragraaf 2, 1°, bedoelde leden en de helft van de in paragraaf 2, 2°, bedoelde leden aanwezig zijn. De beslissingen worden genomen bij een drievierdemeerderheid van de aanwezige leden van elke groep. Wanneer in een zitting van de commissie de helft van elke groep niet aanwezig is, kan in een volgende zitting geldig beraadslaagd worden ongeacht het aantal aanwezige leden.

  Art. 56. Niemand mag het beroep van zorgkundige uitoefenen die niet geregistreerd is binnen de diensten van de regering, overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld door de Koning.

  Art. 57. Het is ieder zorgkundige verboden, hoe dan ook, zijn medewerking of zijn bijstand te verlenen aan een niet bevoegde derde, met het doel het hem mogelijk te maken een of meer van de aan de zorgkundigen toegelaten verpleegkundige activiteiten te beoefenen.

  Art. 58. Niemand mag de in artikel 56 bedoelde beroepstitel toekennen aan personen die hij, zelfs kosteloos, tewerkstelt indien die personen niet voldoen aan de in artikelen 56 en 60 gestelde voorwaarden.

  Art. 59. Onder zorgkundige wordt verstaan de persoon die specifiek is opgeleid om de verpleegkundige onder zijn/haar toezicht bij te staan inzake zorgverstrekking, gezondheidsopvoeding en logistiek in het kader van de door de verpleegkundige gecoördineerde activiteiten binnen een gestructureerde equipe.
  De Koning bepaalt, na advies van de Federale Raad voor Verpleegkunde en de Technische commissie voor Verpleegkunde, de activiteiten, vermeld in artikel 46, § 1, 1° en 2° die de zorgkundige kan uitvoeren, en stelt de voorwaarden vast waaronder de zorgkundige deze handelingen kan stellen die verband houden met zijn functie, zoals vastgesteld in het eerste lid.

  Art. 60. § 1. De certificaten, brevetten of diploma's van de in artikel 56 bedoelde personen moeten vooraf worden geviseerd door de bij artikel 118 bepaalde geneeskundige commissie, die bevoegd is overeenkomstig de plaats waar zij zich wensen te vestigen.
  Voordat het visum wordt verleend, gaat de Erkenningscommissie van de Federale Raad voor Verpleegkunde na of de betrokkene beantwoordt aan de modaliteiten voor de registratie als zorgkundige, bedoeld in artikel 56, overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld door de Koning, na advies van de Federale Raad voor Verpleegkunde.
  Het visum wordt verleend tegen betaling van een bijdrage. De Koning bepaalt de bedragen en de betalingsmodaliteiten.
  § 2. Op verzoek van de betrokkene kan de geneeskundige commissie het document viseren waarmee de directie van de onderwijsinstelling of de bevoegde examencommissie getuigt dat de aanvrager geslaagd is voor het eindexamen dat recht geeft op het diploma of brevet.
  De uitwerking van dit visum houdt op na het verstrijken van de maand die volgt op die van de homologatie van het diploma of brevet en uiterlijk bij het verstrijken van de twaalfde maand die volgt op die waarin het visum werd verleend.
  § 3. Onderhavig artikel wordt opgeheven op een door de Koning te bepalen datum.

  Art. 61. § 1. Bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu wordt een Erkenningscommissie voor de beoefenaars van de verpleegkunde opgericht.
  § 2. De Erkenningscommissie voor de beoefenaars van de verpleegkunde heeft tot taak advies uit te brengen over de aanvragen om erkenning waarbij de beoefenaars van de verpleegkunde gemachtigd worden een beroepstitel of een bijzondere beroepstitel te dragen of zich te beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid, alsook na te gaan of de nadere regels voor de registratie als zorgkundige worden nageleefd. Zij heeft tevens tot taak om de naleving van de door de minister bevoegd voor Volksgezondheid vastgestelde voorwaarden voor het behoud van de desbetreffende titel of bekwaamheid te controleren en om de minister sancties voor te stellen wanneer bij controle blijkt dat er aan die voorwaarden niet is voldaan.
  § 3. De Koning regelt de samenstelling, de organisatie en de werking van de Erkenningscommissie voor de beoefenaars van de verpleegkunde.
  Het mandaat van lid van de Erkenningscommissie is onverenigbaar met dat van lid van de Federale Raad voor Verpleegkunde bedoeld in artikel 51 en met dat van lid van de Technische Commissie voor Verpleegkunde bedoeld in artikel 55, § 1.

  Hoofdstuk 5. De uitoefening van het beroep van vroedvrouw

  Art. 62.§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de uitoefening van de geneeskunde zoals bepaald in artikel 3 wordt onder de uitoefening van het beroep van vroedvrouw verstaan:
  1° het autonoom uitvoeren van de volgende activiteiten:
  a) diagnose van de zwangerschap;
  b) toezicht op, zorg en advies aan de vrouw tijdens de zwangerschap, de bevalling en de periode na de bevalling;
  c) het opvolgen van normale zwangerschappen, het verrichten van normale bevallingen en het verlenen van de eerste zorg aan pasgeborenen en gezonde zuigelingen;
  d) preventieve maatregelen, het opsporen van risico's bij moeder en kind;
  e) in dringende gevallen het verrichten van de noodzakelijke handelingen in afwachting van deskundige medische hulp;
  f) gezondheidsvoorlichting en -opvoeding van de vrouw, de familie en de maatschappij;
  g) prenatale opvoeding en voorbereiding op het ouderschap;
  2° het meewerken, samen met de arts, en onder diens verantwoordelijkheid, aan de opvang en de behandeling van vruchtbaarheidsproblemen, van zwangerschappen en bevallingen met verhoogd risico en van pasgeborenen die in levensbedreigende of bijzondere ziektecondities verkeren, alsook aan de zorg die in die gevallen moet worden verleend.
  § 2. De Koning bepaalt, na advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, de handelingen die, overeenkomstig paragraaf 1, mogen worden verricht door de personen die erkend zijn als houder van de beroepstitel van vroedvrouw [1 ...]1.
  § 3. De Koning bepaalt, na advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, de nadere regels en de bijzondere kwalificatiecriteria die de houder van de beroepstitel van vroedvrouw de mogelijkheid geven geneesmiddelen voor te schrijven.
  De Koning bepaalt, na advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, de Koninklijke Academie voor Geneeskunde welke geneesmiddelen autonoom mogen worden voorgeschreven in het kader van de opvolging van normale zwangerschappen, de praktijk van normale bevallingen en de zorg aan gezonde pasgeborenen in en buiten het ziekenhuis. Het voorschrijven van contraceptiva is beperkt tot de drie maanden volgend op de bevalling.
  § 4. De Koning stelt na advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, de bijzondere kwalificatieregels en -criteria vast waaraan houders van de beroepstitel van vroedvrouw moeten voldoen om bekkenbodemreëducatie te mogen uitvoeren.
  § 5. De Koning stelt na advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, de bijzondere kwalificatiemodaliteiten en -criteria vast waaraan houders van de beroepstitel van vroedvrouw moeten voldoen om functionele, en geen morfologische, echografieën uit te voeren.
  De Koning bepaalt, na advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, de Koninklijke Academie voor Geneeskunde de lijst met motieven en situaties waarin de houder van de beroepstitel van vroedvrouw een echografie kan uitvoeren.
  ----------
  (1)<KB 2016-06-27/18, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>

  Art. 63.De erkenning als houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw wordt van rechtswege toegekend [1 aan de houder van een diploma van hoger onderwijs van vroedvrouw dat behaald werd na een voltijdse opleiding tot vroedvrouw en uitgereikt werd door een onderwijsinstelling, die door de bevoegde overheid is erkend of van een buitenlands of eerder behaalde diploma dat door de bevoegde overheid gelijkwaardig is verklaard]1.
  [1 De opleiding tot vroedvrouw bestaat ten minste uit:
   - hetzij drie studiejaren, die kunnen uitgedrukt worden in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten, bestaande uit ten minste 4600 uur theoretisch en praktisch onderwijs, waarvan ten minste een derde betrekking heeft op klinisch onderwijs;
   - hetzij twee studiejaren, die kunnen uitgedrukt worden in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten, bestaande uit ten minste 3600 uur, waarvoor het bezit van een diploma van verpleegkundige vereist is;
   - hetzij achttien maanden, die kunnen uitgedrukt worden in een daaraan gelijkwaardig aantal ECTS-studiepunten, bestaande uit ten minste 3000 uur, waarvoor het bezit van een diploma van verpleegkundige vereist is en gevolgd door een praktijkervaring van één jaar.
   De opleiding die het mogelijk maakt om de titel van vroedvrouw te behalen waarborgt dat de betrokken beroepsbeoefenaar de volgende kennis en vaardigheden heeft verworven:
   a) grondige kennis van de wetenschappen waarop de werkzaamheden van de vroedvrouw berusten, met name de maieutiek, de verloskunde en de gynaecologie;
   b) adequate kennis van de beroepsethiek en de wetgeving die relevant is voor de uitoefening van het beroep;
   c) adequate kennis van de geneeskunde (biologische functies, anatomie en fysiologie) en van de farmacologie op het gebied van de verloskunde en de perinatologie, alsmede kennis van het verband tussen de gezondheidstoestand en de fysieke en sociale omgeving van de mens en van zijn gedrag;
   d) adequate klinische ervaring, opgedaan in erkende inrichtingen waar vroedvrouwen, zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid, voor zover nodig en met uitsluiting van pathologische situaties, prenatale zorg kunnen verstrekken, een bevalling kunnen uitvoeren en kunnen zorgen voor de opvolging daarvan in erkende instellingen, en supervisie krijgen bij het bevallingsproces, de postnatale zorg en neonatale reanimatie, in afwachting van de komst van een arts;
   e) op de hoogte zijn van de opleiding van het gezondheidspersoneel en ervaring hebben op het gebied van samenwerking met deze beoefenaars.
   Iedereen die een opleiding tot vroedvrouw is gestart of beëindigd heeft voor 18 januari 2016, mag het beroep van vroedvrouw zoals bepaald in artikel 62 alleen uitoefenen indien zij in het bezit is van een diploma van hoger onderwijs van vroedvrouw, uitgereikt door een onderwijsinstelling die door de bevoegde overheid is erkend of van een diploma dat door de bevoegde overheid gelijkwaardig is verklaard.
   Iedereen die een opleiding tot vroedvrouw aanvat in het tweede semester van het schooljaar of academiejaar 2015-2016 wordt hiermee gelijkgesteld.]1
  De erkenning als houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw wordt toegekend door de minister bevoegd voor Volksgezondheid. Om de erkenning als houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw te behouden, is de vroedvrouw verplicht zich door middel van permanente opleiding op de hoogte te houden van de evoluties in de verloskunde. De minimumduur en de regels van de permanente opleiding worden, op advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, door de Koning vastgesteld.
  De erkenning als houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw kan worden ingetrokken indien de betrokkene, na een waarschuwing te hebben ontvangen, geen permanente opleiding volgt. De regels inzake intrekking van de erkenning worden, op advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, door de Koning vastgesteld.
  Bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu wordt een Federale Raad voor de Vroedvrouwen opgericht die tot taak heeft advies uit te brengen omtrent alle problemen van de vroedvrouwen die tot de federale bevoegdheid behoren.
  ----------
  (1)<KB 2016-06-27/18, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>

  Art. 64. Bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu wordt een erkenningscommissie voor de vroedvrouwen opgericht.
  De erkenningscommissie voor de vroedvrouwen heeft als opdracht om advies uit te brengen over de aanvragen tot erkenning waarbij de vroedvrouwen gemachtigd worden een beroepstitel te dragen, alsook advies te verlenen over de registratie van permanente opleidingen. Zij heeft tevens als opdracht om de naleving van de door de minister bevoegd voor Volksgezondheid vastgestelde voorwaarden voor het behoud van de desbetreffende titel te controleren en om de minister sancties voor te stellen wanneer bij controle blijkt dat er aan die voorwaarden niet is voldaan.
  De Koning regelt de samenstelling, de organisatie en de werking van de erkenningscommissie voor de vroedvrouwen.

  Hoofdstuk 6. De uitoefening van het beroep van hulpverlener - ambulancier

  Art. 65. Onverminderd de toepassing van artikel 6ter, § 2, van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening mag niemand het beroep van hulpverlener-ambulancier uitoefenen die niet geregistreerd is bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning.

  Art. 66. Onder hulpverlener-ambulancier wordt verstaan de persoon die specifiek is opgeleid om de arts of de verpleegkundige bij te staan of om onder hun toezicht, overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning, inzake zorgverstrekking, gezondheidsopvoeding en logistiek, in te staan voor het vervoer van de personen bedoeld in artikel 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening.
  De Koning bepaalt, na advies van de Federale Raad voor Verpleegkunde en de Technische Commissie voor Verpleegkunde, alsook van de Nationale Raad voor dringende geneeskundige hulpverlening bedoeld in het koninklijk besluit van 5 juli 1994 tot oprichting van een Nationale Raad voor dringende geneeskundige hulpverlening, de activiteiten vermeld in artikel 46, § 1, 1°, 2°, en 3°, die de hulpverlener-ambulancier kan uitvoeren, en stelt de nadere regels vast waaronder de hulpverlener-ambulancier deze handelingen kan stellen die verband houden met zijn functie, zoals vastgesteld in het eerste lid.

  Art. 67. Het is ieder hulpverlener-ambulancier verboden, hoe dan ook, zijn medewerking of zijn bijstand te verlenen aan een niet bevoegde derde, met het doel het hem mogelijk te maken een of meer activiteiten die onder het beroep van hulpverlener-ambulancier vallen te beoefenen.

  Art. 68. Niemand mag de in artikel 65 bedoelde beroepstitel toekennen aan personen die hij, zelfs kosteloos, tewerkstelt indien die personen niet voldoen aan de in artikel 65 gestelde voorwaarden.

  Hoofdstuk 6/1. - [1 De uitoefening van de klinische psychologie en van de klinische orthopedagogiek]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-05-10/06, art. 165, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  

  Art. 68/1.[1 § 1. [2 Buiten de in artikel 3, § 1, bedoelde beoefenaars mag]2 alleen de houder van een erkenning uitgereikt door de minister bevoegd voor Volksgezondheid [2 ...]2 de klinische psychologie uitoefenen.
  [2 In afwijking van het eerste lid, mag de klinische psychologie eveneens uitgeoefend worden door de houder van een erkenning in de klinische orthopedagogiek die over voldoende kennis van de klinische psychologie beschikt. De Koning bepaalt de voorwaarden met betrekking tot de opleiding en de praktijkstage die vervuld moeten zijn om die voldoende kennis aan te tonen.]2
  [3 In afwijking van het eerste lid, mag ook de houder van het diploma in het domein van de klinische psychologie die de in paragraaf 4 bedoelde professionele stage heeft aangevat, de klinische psychologie uitoefenen zonder voorafgaand te zijn erkend, met dien verstande dat de afwijking wordt beperkt in de tijd tot de duur van de professionele stage.]3
   § 2. De Koning bepaalt [2 ...]2, de voorwaarden voor het verkrijgen, het behoud en de intrekking van de in paragraaf 1 bedoelde erkenning, de leerstof die moet zijn verwerkt en de stages die moeten zijn gevolgd om de erkenning in de klinische psychologie te verkrijgen.
   De erkenning in de klinische psychologie kan enkel worden verleend aan de houder van een diploma van het universitaire onderwijs in het domein van de klinische psychologie behaald ter afsluiting van een opleiding, die in het kader van het voltijds onderwijs, minstens vijf jaar studie of 300 punten in het Europees systeem voor de overdracht en de accumulatie van studiebelastingpunten (ECTS) telt, een stage in het domein van de klinische psychologie inbegrepen. Met de houder van een diploma in het domein van de klinische psychologie worden gelijkgesteld, de personen die houder zijn van een universitair diploma in het vakgebied van de psychologie dat uitgereikt werd voor de inwerkingtreding van dit artikel en die een beroepservaring van minimum drie jaar in het domein van de klinische psychologie kunnen bewijzen.
   § 3. [2 Zonder afbreuk te doen aan de uitoefening van de geneeskunde zoals bepaald in artikel 3 wordt]2 onder de uitoefening van de klinische psychologie [2 ...]2 verstaan het gebruikelijk verrichten van [3 ...]3 handelingen die tot doel hebben of worden voorgesteld tot doel te hebben, bij een mens en in een wetenschappelijk onderbouwd klinisch psychologisch referentiekader, de preventie, het onderzoek, het opsporen of het stellen van een psychodiagnose van echt dan wel ingebeeld psychisch of psychosomatisch lijden en die persoon te behandelen of te begeleiden.
  [2 De Koning kan de in het eerste lid bedoelde verrichtingen verduidelijken en omschrijven en de voorwaarden voor de uitoefening ervan vastleggen.]2
   § 4. [2 Met het oog op de [3 erkenning in]3 de klinische psychologie, volgt [3 de houder van een diploma in het domein van de klinische psychologie als bedoeld in paragraaf 2, tweede lid]3 na zijn opleiding een professionele stage.
   De verplichting om een professionele stage te volgen geldt echter niet ten aanzien van klinisch psychologen die op 1 september 2016 de klinische psychologie reeds uitoefenen.
   De verplichting geldt evenmin ten aanzien van de studenten klinische psychologie die op 1 september 2016 hun studie hebben aangevat of deze uiterlijk tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten.
   De Koning bepaalt nadere regels met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde professionele stage.
   De professionele stage heeft plaats in een erkende stagedienst, onder supervisie van een erkend stagemeester.
   De stagemeesters en stagediensten in de klinische psychologie worden erkend door de minister bevoegd voor Volksgezondheid of de door hem gemachtigde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.
   De Koning stelt nadere criteria vast voor de erkenning van de in het zesde lid bedoelde stagemeesters en stagediensten.]2]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-05-10/06, art. 166, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (2)<W 2016-07-10/05, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (3)<W 2019-04-22/19, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>

  Art. 68/2.[1 § 1. [2 Buiten de in artikel 3, § 1, bedoelde beoefenaars mag]2 alleen de houder van een erkenning uitgereikt door de minister bevoegd voor Volksgezondheid [2 ...]2 de klinische orthopedagogiek uitoefenen.
   [2 In afwijking van het eerste lid, mag de klinische orthopedagogiek eveneens uitgeoefend worden door de houder van een erkenning in de klinische psychologie die over voldoende kennis van de klinische orthopedagogiek beschikt.]2
  [2 De Koning bepaalt de voorwaarden met betrekking tot de opleiding en de praktijkstage die vervuld moeten zijn om die voldoende kennis aan te tonen.]2
  [3 In afwijking van het eerste lid, mag ook de houder van het diploma in het domein van de klinische orthopedagogiek die de in paragraaf 4 bedoelde professionele stage heeft aangevat, de klinische orthopedagogiek uitoefenen zonder voorafgaand te zijn erkend, met dien verstande dat de afwijking wordt beperkt in de tijd tot de duur van de professionele stage.]3
   § 2. De Koning bepaalt [2 ...]2 de voorwaarden voor het verkrijgen, het behoud en de intrekking van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde erkenning inzonderheid de leerstof die moet zijn verwerkt en de stages die moeten zijn gevolgd om de erkenning in de klinische orthopedagogiek te verkrijgen.
   De erkenning in de klinische orthopedagogiek kan enkel worden verleend aan de houder van een diploma van het universitair onderwijs in het domein van de klinische orthopedagogiek, behaald ter afsluiting van een opleiding, die in het kader van het voltijds onderwijs minstens vijf jaar studie of 300 ECTS-studiepunten telt, een stage in het domein van de klinische orthopedagogiek inbegrepen.
   § 3. [2 Zonder afbreuk te doen aan de uitoefening van de geneeskunde zoals bepaald in artikel 3 wordt onder uitoefening van de klinische orthopedagogiek verstaan het, in een wetenschappelijk referentiekader van de klinische orthopedagogiek, gebruikelijk verrichten van [3 ...]3 handelingen die de preventie, het opsporen en het stellen van een pedagogische diagnostiek met een bijzondere aandacht voor contextuele factoren en het opsporen van problemen in verband met de opvoeding, het gedrag, de ontwikkeling of het leren van personen tot doel hebben alsook de behandeling en begeleiding van die personen.
   De Koning kan de in het eerste lid bedoelde verrichtingen verduidelijken en omschrijven en de voorwaarden voor de uitoefening ervan vastleggen]2
   § 4. [2 Met het oog op de [3 erkenning in]3 de klinische orthopedagogiek, volgt [3 de houder van een diploma in het domein van de klinische orthopedagogiek als bedoeld in paragraaf 2, tweede lid]3 na zijn opleiding een professionele stage.
   De verplichting om een professionele stage te volgen geldt echter niet ten aanzien van klinisch orthopedagogen die op 1 september 2016 de klinische orthopedagogiek reeds uitoefenen.
   De verplichting geldt evenmin ten aanzien van de studenten klinische orthopedagogiek die op 1 september 2016 hun studie hebben aangevat of deze uiterlijk tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten.
   De Koning bepaalt nadere regels met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde professionele stage.
   De professionele stage heeft plaats in een erkende stagedienst, onder supervisie van een erkend stagemeester.
   De stagemeesters en stagediensten in de klinische orthopedagogiek worden erkend door de minister bevoegd voor Volksgezondheid of de door hem gemachtigde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.
   De Koning stelt nadere criteria vast voor de erkenning van de in het zesde lid bedoelde stagemeesters en stagediensten.]2]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-05-10/06, art. 167, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (2)<W 2016-07-10/05, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (3)<W 2019-04-22/19, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>

  Art. 68/2/1. [1 § 1. Psychotherapie is een behandelingsvorm in de gezondheidszorg waarin men op een consistente en systematische wijze een samenhangend geheel van psychologische middelen (interventies) hanteert, die geworteld zijn binnen een psychologisch wetenschappelijk referentiekader en waarbij interdisciplinaire samenwerking is vereist.
   § 2. De psychotherapie wordt uitgeoefend door een beoefenaar, zoals bedoeld in de artikelen 3, § 1, 68/1 en 68/2, binnen een relatie psychotherapeut-patiënt, teneinde psychologische moeilijkheden, conflicten en stoornissen bij de patiënt op te heffen of te verminderen.
   § 3. Om de psychotherapie te mogen uitoefenen, heeft de beoefenaar, zoals bedoeld in § 2, een specifieke opleiding psychotherapie gevolgd bij een universitaire instelling of een hogeschool. De opleiding telt minstens 70 ECTS punten.
   De beoefenaar heeft tevens een professionele stage in het domein van de psychotherapie gevolgd van minstens twee jaar voltijdse uitoefening of het equivalent hiervan ingeval van deeltijdse uitoefening.
   De specifieke opleiding en de professionele stage kunnen simultaan plaatsvinden.
   De Koning kan nadere regels bepalen met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde professionele stage.
   § 4. In afwijking op §§ 2 en 3, kunnen ook andere beroepsbeoefenaars dan beroepsbeoefenaars zoals bedoeld in de artikelen 3, § 1, 68/1 en 68/2 op autonome wijze de psychotherapie uitoefenen voor zover zij ressorteren onder een van de volgende categorieën :
   a) beroepsbeoefenaars die uiterlijk in de loop van het academiejaar 2015-2016 hun studies hebben beëindigd onder volgende cumulatieve voorwaarden :
   1° zij beschikken over een beroepstitel overeenkomstig deze wet;
   2° zij hebben een specifieke opleiding in de psychotherapie met vrucht volbracht aan een instelling;
   3° zij kunnen uiterlijk op 1 september 2018 een bewijs voorleggen van uitoefening van de psychotherapie;
   b) beroepsbeoefenaars die een specifieke opleiding psychotherapie op 1 september 2016 hebben aangevat of tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten onder volgende cumulatieve voorwaarden :
   1° zij beschikken over een beroepstitel overeenkomstig deze wet;
   2° zij hebben een specifieke opleiding in de psychotherapie met vrucht volbracht aan een instelling;
   c) beroepsbeoefenaars die een opleiding van minimaal bachelorniveau die recht geeft op een beroepstitel overeenkomstig deze wet hebben aangevat op 1 september 2016 of tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten, onder volgende cumulatieve voorwaarden :
   1° zij beschikken over een beroepstitel overeenkomstig deze wet;
   2° zij hebben de specifieke opleiding psychotherapie zoals bedoeld in § 3, eerste lid, met vrucht beëindigd;
   3° zij hebben tevens een professionele stage gevolgd, zoals bedoeld in § 3, tweede lid.
   § 5. In afwijking op de §§ 2 tot 4 kunnen ook niet-beroepsbeoefenaars de psychotherapie uitoefenen mits naleving van volgende cumulatieve voorwaarden :
   a) het gaat om niet-autonome uitoefening van de psychotherapie onder toezicht van een beoefenaar, zoals bedoeld in de §§ 2 tot 4;
   b) de uitoefening heeft plaats in interdisciplinair verband met intervisie.
   De in het eerste lid bedoelde personen ressorteren bovendien onder één van de volgende categorieën :
   a) zij die uiterlijk in de loop van het academiejaar 2015-2016 hun studies hebben beëindigd onder volgende cumulatieve voorwaarden :
   1° zij hebben een opleiding van minimaal bachelorniveau met vrucht beëindigd;
   2° zij hebben een specifieke opleiding in de psychotherapie met vrucht volbracht aan een instelling;
   3° zij kunnen uiterlijk op 1 september 2018 een bewijs voorleggen van uitoefening van de psychotherapie;
   b) zij die een specifieke opleiding in de psychotherapie op 1 september 2016 hebben aangevat of tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten onder volgende cumulatieve voorwaarden :
   1° zij hebben een opleiding van minimaal bachelorniveau met vrucht beëindigd;
   2° zij hebben een specifieke opleiding in de psychotherapie met vrucht volbracht aan een instelling;
   c) zij die een opleiding van minimaal bachelorniveau hebben aangevat op 1 september 2016 of tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten onder volgende cumulatieve voorwaarden :
   1° zij hebben een opleiding van minimaal bachelorniveau met vrucht beëindigd;
   2° zij hebben de specifieke opleiding psychotherapie zoals bedoeld in § 3, eerste lid, met vrucht beëindigd;
   3° zij hebben tevens een professionele stage gevolgd, zoals bedoeld in § 3, tweede lid.
   De wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt is van toepassing op de in deze paragraaf bedoelde beoefenaars van de psychotherapie.
   § 6. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na het advies van de Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen te hebben ingewonnen, ook andere beroepsbeoefenaars toelaten om de psychotherapie uit te oefenen. Desgevallend stelt Hij de voorwaarden vast waaronder zij de psychotherapie mogen uitoefenen. Deze voorwaarden hebben minstens betrekking op hun vooropleiding.
   § 7. De Koning kan, na advies van de Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen, de psychotherapie nader omschrijven en voorwaarden vaststellen in verband met de uitoefening ervan, waaronder de leerstof die moet zijn verwerkt en de professionele stage, zoals bedoeld in § 3, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/05, art. 11, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  
  (NOTA : bij arrest nr 170/2016 van 22-12-2016 (B.St. 27-12-2016, p. 89697) heeft het Grondwettelijk Hof artikel 11 schorst , voor zover art. 68/2/1 in deze wet invoegt en in zoverre het geen overgangsregeling voorziet voor personen die vóór de inwerkingtreding van deze wet de psychotherapeutische praktijk uitoefenden)
  
  (NOTA : bij arrest nr 39/2017 van 16-03-2017 (B.St. 03-04-2017, p. 47990), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd, doch enkel in zoverre het in geen overgangsregeling voorziet voor personen die vóór de inwerkingtreding van die wet de psychotherapeutische praktijk uitoefenden)

  Art. 68/2/2. [1 § 1. De beroepsbeoefenaars, zoals bedoeld in de artikelen 3, § 1, 68/1 en 68/2, die op autonome wijze de psychotherapie uitoefenen, alsook de autonome beoefenaars van de psychotherapie, zoals bedoeld in artikel 68/2/1, § 4, kunnen worden bijgestaan door assistenten, de zogenoemde ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen.
   De ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen stellen geen autonome diagnostische en therapeutische handelingen maar voeren voorschriften uit op verzoek en onder supervisie van de in het eerste lid vermelde beroepsbeoefenaars of van de in het eerste lid vermelde beoefenaars van de psychotherapie.
   § 2.De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na het advies te hebben ingewonnen van de Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen, de lijst vaststellen van de ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen alsook de algemene criteria voor de erkenning van de ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen.
   De Koning kan, na het advies te hebben ingewonnen van de Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen, de specifieke criteria bepalen die gelden voor ieder van de ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-10/05, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  

  Art. 68/3.[1 § 1. Er wordt een Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen opgericht, hierna "Federale Raad" genoemd, die tot opdracht heeft de voor Volksgezondheid bevoegde minister, op diens verzoek of op eigen initiatief, advies te verstrekken over alle aangelegenheden in verband met de erkenning en de uitoefening van de geestelijke gezondheidszorgberoepen, waaronder de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek alsook over alle aangelegenheden inzake de uitoefening van de psychotherapie.
   § 2. De Federale Raad wordt derwijze samengesteld dat te benoemen leden bijzonder vertrouwd zijn met de uitoefening van een geestelijk gezondheidszorgberoep of de uitoefening van de psychotherapie.
   § 3. De Federale Raad bestaat uit volgende drie beroepsgroepen :
   a) de beroepsgroep klinisch psychologen, bestaande uit 16 klinisch psychologen;
   b) de beroepsgroep klinisch orthopedagogen bestaande uit 4 klinisch orthopedagogen;
   c) de beroepsgroep artsen, bestaande uit 8 artsen.
   Iedere beroepsgroep telt een gelijk aantal Nederlandstalige en Franstalige leden.
   Iedere beroepsgroep bevat een gelijk aantal leden die een academische functie bekleden enerzijds en leden die sedert tenminste vijf jaar hetzij een geestelijk gezondheidsberoep hetzij de psychotherapie beoefenen anderzijds.
   De in het derde lid bedoelde leden die een academische functie bekleden, worden voorgedragen op een lijst van dubbeltallen door de faculteiten die volledig onderwijs verstrekken dat leidt tot een opleiding die de uitoefening toestaat van de klinische psychologie, de klinische orthopedagogiek of van de geneeskunde.
   De in het derde lid bedoelde leden die een geestelijk gezondheidszorgberoep of de psychotherapie beoefenen worden voorgedragen op een lijst van dubbeltallen door de representatieve beroepsverenigingen.
   De Koning legt de criteria vast opdat een vereniging als representatief in de zin van het vijfde lid kan worden aangewezen.
   Voor zover er binnen eenzelfde taalgroep van de beroepsgroep als bedoeld in het eerste lid, b), geen leden te vinden zijn, komen ook orthopsychologen in aanmerking om een mandaat op te nemen binnen deze beroepsgroep op voorwaarde dat de beroepsverenigingen voor psychologen die deze orthopsychologen voordragen, zich in hun statuten ook uitdrukkelijk tot de uitoefening van de orthopedagogiek richten.
   Voor zover met toepassing van het zevende lid geen orthopsychologen kunnen worden voorgedragen, kunnen ook klinisch psychologen in aanmerking komen om een mandaat op te nemen binnen de beroepsgroep als bedoeld in het eerste lid, b).
   § 4. Zowel de voor de Volksgezondheid bevoegde minister als de Federale Raad, kunnen werkgroepen oprichten, die hetzij met een permanente hetzij met een tijdelijke opdracht worden belast.
   Aan de werkgroepen van de Federale Raad kunnen naast leden van de Federale Raad ook experts worden toegevoegd.
   § 5. Aan elk werkend lid van de Federale Raad wordt een plaatsvervanger toegevoegd die aan dezelfde voorwaarden voldoet.
   § 6. De leden van de Federale Raad worden door de Koning benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar. De voor de Volksgezondheid bevoegde minister duidt buiten de leden de voorzitter en ondervoorzitter van de Federale Raad aan.
   § 7. De Koning regelt de organisatie en de werking van de Federale Raad. De Federale Raad kan alleen geldig beraadslagen en adviezen uitbrengen wanneer ten minste de helft van de werkende leden aanwezig is of door hun plaatsvervanger vertegenwoordigd is.
   Indien het aanwezigheidsquorum na een tweede oproep niet werd bereikt, kan de Federale Raad in afwijking van het eerste lid bij de volgende vergadering hoe dan ook geldig beraadslagen en beslissen.
   De adviezen van de Federale Raad worden genomen bij gewone meerderheid van de aanwezige leden.
   Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
   § 8. Indien minstens de helft van de leden van één van de beroepsgroepen van de Federale Raad, zoals bedoeld in § 3, eerste lid, niet akkoord gaat met het advies van de Federale Raad, kan deze beroepsgroep een afzonderlijk advies uitbrengen waarin zij haar afwijkend standpunt uiteenzet. Dit advies wordt tegelijk met het advies van de Federale Raad overgemaakt aan de voor de Volksgezondheid bevoegde minister.]1
  ----------
  (1)<W 2016-07-10/05, art. 13, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 68/4. [1 § 1. Er wordt een Erkenningscommissie voor de beoefenaars van de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek opgericht.
   § 2. De Erkenningscommissie voor de beoefenaars van de klinische psychologie en van de klinische orthopedagogiek heeft als opdracht om, voor individuele gevallen, een advies te verstrekken met betrekking tot de verlening, het toezicht op en het behoud van de in artikel 68/1, § 1, bedoelde erkenning, en van de in artikel 68/2, § 1, bedoelde erkenning.
   § 3. De Koning legt de procedure vast voor het verkrijgen, behouden en intrekken van de in artikel 68/1, § 1, bedoelde erkenning en van de in artikel 68/2, § 1, bedoelde erkenning.
   § 4. De Koning regelt de samenstelling, de organisatie en de werking van de Erkenningscommissie voor de beoefenaars van de klinische psychologie en van de klinische orthopedagogiek.
   Het mandaat van lid van de Erkenningscommissie is onverenigbaar met dat van lid van de Federale Raad voor de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-05-10/06, art. 169, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  

  Hoofdstuk 7. De uitoefening van de paramedische beroepen

  Art. 69.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder uitoefening van een paramedisch beroep:
  1° het gewoonlijk verrichten door andere personen dan deze bedoeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6, 43 [1 , 45, 68/1 en 68/2]1 van technische hulpprestaties die verband houden met het stellen van de diagnose of met het uitvoeren van de behandeling, zoals zij nader bepaald zullen kunnen worden in uitvoering van artikel 71;
  2° het gewoon uitvoeren van de in artikel 23, § 1, eerste lid en § 2, derde lid bedoelde handelingen;
  3° het gewoon uitvoeren van de in artikel 24 bedoelde handelingen.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 170, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 70. De Koning stelt de lijst vast van de paramedische beroepen.

  Art. 71.§ 1. De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede lid, de in artikel 69, 1° bedoelde prestaties nader bepalen en de voorwaarden vaststellen waaronder zij moeten worden uitgevoerd.
  Hij kan eveneens, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede lid, de vereiste kwalificatievoorwaarden bepalen waaraan de personen moeten voldoen die deze prestaties verrichten.
  § 2. De Koning kan, op advies van de [1 Federale raad voor paramedische beroepen]1, de beroepstitels bepalen waaronder de betrokkenen die in artikel 69 bedoelde prestaties en handelingen verrichten.
  ----------
  (1)<W 2016-06-22/03, art. 55, 004; Inwerkingtreding : 11-07-2016>

  Art. 72.§ 1. Buiten de beoefenaars, bedoeld in artikel 3, § 1, en de artikelen 4, 6 [2 , 43, 68/1 en 68/2]2 voor wat betreft de prestaties verbonden aan hun respectieve kunst, mag niemand prestaties verrichten die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of handelingen uitvoeren die bedoeld zijn in artikel 69, 2° en 3°, die niet houder is van een erkenning afgegeven door de minister bevoegd voor Volksgezondheid.
  § 2. De Koning bepaalt, op advies van de [1 Federale raad voor paramedische beroepen]1, de voorwaarden en de regels tot het verkrijgen, het behouden en het intrekken van de in de eerste paragraaf bedoelde erkenning.
  Deze erkenning mag enkel toegekend worden aan personen die voldoen aan de vereiste kwalificatievoorwaarden die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of ter uitvoering van artikel 69, 2° en 3°.
  § 3. De paragrafen 1 en 2 hebben enkel betrekking tot de beroepsbeoefenaars ten aanzien van wie de Koning reeds de inwerkingtreding heeft bepaald overeenkomstig artikel 183 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen. Voor de andere beroepsbeoefenaars gelden, tot op het ogenblik dat de Koning ten aanzien van hen de inwerkingtreding heeft bepaald overeenkomstig artikel 183 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, de hierna volgende bepalingen:
  Niemand mag, met uitzondering van de beoefenaars, bedoeld in artikel 3, § 1, en de artikelen 4, 6 [2 , 43, 68/1 en 68/2]2 voor wat betreft de prestaties verbonden aan hun respectievelijke kunst, prestaties verrichten die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of handelingen uitvoeren die bedoeld zijn in artikel 69, 2° en 3°, indien hij geen bewijs van de vereiste kwalificaties kan overleggen en indien hij zijn titels door de in artikel 118 bepaalde geneeskundige commissie, die bevoegd is overeenkomstig de plaats waar hij voornemens is zich te vestigen, niet heeft doen viseren.
  Bij het verlenen van het visum gaat de commissie over tot de registratie van de belanghebbende overeenkomstig de door de Koning bepaalde modaliteiten.
  Het visum wordt verleend tegen betaling van een bijdrage. De Koning bepaalt de bedragen en de betalingsmodaliteiten van deze bijdrage.
  ----------
  (1)<W 2016-06-22/03, art. 55, 004; Inwerkingtreding : 11-07-2016>
  (2)<W 2015-05-10/06, art. 171, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 73. § 1. Niemand mag een beroepstitel dragen die betrekking heeft op één van de prestaties die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of op handelingen die bedoeld zijn in artikel 69, 2° en 3°, zo hij niet houder is van de erkenning bedoeld in artikel 72, § 1.
  § 2. De voorgaande paragraaf heeft enkel betrekking op de beroepsbeoefenaars ten aanzien van wie de Koning reeds de inwerkingtreding heeft bepaald overeenkomstig artikel 183 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen. Voor de andere beroepsbeoefenaars geldt, tot op het ogenblik dat de Koning de inwerkingtreding heeft bepaald overeenkomstig artikel 183 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, de bepaling in het volgende lid:
  Niemand mag een beroepstitel dragen die betrekking heeft op één van de prestaties die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of op handelingen die bedoeld zijn in artikel 69, 2° en 3°, zo hij aan de vereiste kwalificatievoorwaarden niet voldoet.
  § 3. Hij die aan de kwalificatievoorwaarden, gesteld bij de wetgeving van een vreemd land, voldoet, mag slechts een beroepstitel dragen die betrekking heeft op één van de prestaties die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of op handelingen die bedoeld zijn in artikel 69, 2° en 3°, zo hij de machtiging bekomt van de minister belast met de uitvoering van de besluiten tot vaststelling van de vereiste kwalificatievoorwaarden.

  Art. 74. Niemand mag een beroepstitel die betrekking heeft op één van de prestaties, die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of op handelingen die bedoeld zijn in artikel 69, 2° en 3°, toekennen aan personen die hij, zelfs kosteloos, tewerkstelt, zo deze personen aan de vereiste kwalificatievoorwaarden niet voldoen.

  Art. 75. Het is eenieder, die voor de toepassing van dit hoofdstuk als bevoegd beschouwd wordt, verboden op welke wijze ook zijn medewerking of zijn bijstand te verlenen aan een niet bevoegde derde, met het doel het hem mogelijk te maken een paramedisch beroep uit te oefenen.

  Art. 76.Bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu wordt een [1 Federale raad voor paramedische beroepen]1 opgericht, hierna "de raad" te noemen.
  ----------
  (1)<W 2016-06-22/03, art. 55, 004; Inwerkingtreding : 11-07-2016>

  Art. 77. De raad verstrekt aan de minister bevoegd voor Volksgezondheid, op diens aanvraag, of op eigen initiatief, adviezen betreffende alle aangelegenheden in verband met de paramedische beroepen.

  Art. 78. § 1. De raad is samengesteld uit:
  1° een voorzitter die een paramedisch beroep uitoefent of heeft uitgeoefend;
  2° een lid per paramedisch beroep dat betrekking heeft op handelingen of prestaties bedoeld in artikel 69.
  Tenminste één derde van de leden die tot deze categorie behoren, moeten hun beroep uitoefenen in een verplegingsinrichting;
  3° doctors in de genees-, heel- en verloskunde onder dewelke minstens twee artsen voorgedragen door het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle ingesteld bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsuitkeringen.
  Afgezien van de artsen voorgedragen door het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle waarvan hierboven sprake, moet ten minste de helft van de leden artsen hun kunst uitoefenen in een verzorgingsinstelling;
  4° een beoefenaar van de tandheelkunde;
  5° een apotheker;
  6° twee ambtenaren die de functie van secretaris en adjunct-secretaris zullen uitoefenen;
  7° drie ambtenaren aangewezen door de overheden die op grond van de artikelen 127, § 1, eerste lid, 2°, en 130, § 1, eerste lid, 3°, van de Grondwet bevoegd zijn voor het onderwijs.
  De ambtenaren bedoeld in 6° en 7° hebben een adviserende stem.
  Het totaal aantal van de artsen, beoefenaars van de tandheelkunde en apothekers, bedoeld in 3°, 4° en 5°, zal gelijk zijn aan het aantal van de in 2° bedoelde leden.
  § 2. Aan de leden die geen ambtenaar zijn, wordt een plaatsvervanger toegevoegd.
  § 3. De voorzitter en de andere gewone en plaatsvervangende leden worden door de Koning benoemd op voordracht van de minister bevoegd voor Volksgezondheid, uitgezonderd de leden ambtenaren bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu of bij een daarvan afhangende openbare instelling, die door de Koning worden benoemd op voordracht van de Minister van wie zij afhangen. De ambtenaren aangewezen in paragraaf 1, 7° worden aangewezen door de betrokken Regeringen.
  De Koning benoemt een ondervoorzitter tussen de leden niet ambtenaren.
  § 4. Het mandaat van de leden niet ambtenaren heeft een duur van vier jaar en is hernieuwbaar.

  Art. 79. Het dagelijks bestuur van de raad bestaat uit de voorzitter, de ondervoorzitter, de secretaris of de adjunct-secretaris, alsook uit vier leden bedoeld in artikel 78, § 1, 2°, twee leden die geen ambtenaren zijn als bedoeld in artikel 78, § 1, 3°, een van de in artikel 78, § 1, 4° bedoelde leden, en een van de in artikel 78, § 1, 5° bedoelde leden, verkozen bij gewone meerderheid.

  Art. 80. Het dagelijks bestuur is belast met de regeling van de werkzaamheden van de raad, de verdeling van de taken en met het beheer van de gewone zaken. Het is bovendien belast met de bij artikel 82 bepaalde bekrachtiging.

  Art. 81. § 1. De raad kan in zijn midden afdelingen oprichten die belast zijn met het onderzoek van vraagstukken die betrekking hebben:
  1° op de in artikel 69, 1° bedoelde prestaties;
  2° op de medewerking welke door de leden van de paramedische beroepen wordt verleend bij de uitvoering van de in artikel 69, 2° en 3° bedoelde handelingen.
  § 2. Met de toelating van het dagelijks bestuur, kan elke afdeling een beroep doen op personen buiten de raad, die zij kiest wegens hun bevoegdheid op het gebied waarmede elke afdeling inzonderheid belast is.

  Art. 82. Behalve wat betreft de aangelegenheden waarvan de raad het onderzoek voor zichzelf behoudt, worden de adviezen van elk der afdelingen beschouwd als door de raad zelf gegeven, indien zij door het dagelijks bestuur bekrachtigd zijn. Bij gebreke van bekrachtiging door het dagelijks bestuur, wordt de zaak aan de raad voorgelegd.

  Art. 83. De raad stelt zijn huishoudelijk reglement vast en legt het ter goedkeuring voor aan de minister bevoegd voor Volksgezondheid.

  Art. 84. § 1. Bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu wordt een Technische Commissie voor de paramedische beroepen opgericht.
  Die Commissie heeft als opdracht om het in artikel 141, tweede lid, bedoeld advies te verstrekken.
  § 2. De Commissie is paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van de paramedische beroepen en vertegenwoordigers van de geneeskunst, die door de Koning zijn benoemd. De Koning benoemt eveneens een plaatsvervanger voor elk van deze vertegenwoordigers.
  § 3. De Koning benoemt een voorzitter en een ondervoorzitter op de voordracht van de Technische Commissie. De voorzitter van de vergadering is niet stemgerechtigd. Indien de voorzitter een beoefenaar van een paramedisch beroep is, mag hij zich laten vertegenwoordigen door zijn plaatsvervanger die dan stemgerechtigd is. Indien de ondervoorzitter een beoefenaar van een paramedisch beroep is en de taak van voorzitter van de vergadering op zich moet nemen, mag hij zich laten vertegenwoordigen door zijn plaatsvervanger, die dan stemgerechtigd is.
  Het secretariaat wordt waargenomen door een ambtenaar aangewezen door de minister bevoegd voor Volksgezondheid.
  § 4. Onder voorbehoud van de paragrafen 2 en 3, en het tweede lid, regelt de Koning de samenstelling, de organisatie en de werking van de Technische Commissie voor de paramedische beroepen.
  De Commissie beraadslaagt op geldige wijze wanneer de helft van de vertegenwoordigers van de paramedische beroepen en de helft van de vertegenwoordigers van de beroepen die de geneeskunst uitoefenen, aanwezig zijn. Zij neemt haar beslissingen met een meerderheid van twee derden van de stemmen van de aanwezige leden en minstens een meerderheid van de stemmen van elke groep.
  Wanneer in een zitting van de Commissie niet de helft van de leden van elke groep aanwezig is, kan de Commissie in de volgende zitting geldig beraadslagen over dezelfde agendapunten, ongeacht het aantal aanwezige leden. In dit geval neemt zij haar beslissingen met een meerderheid van drie vierden van de stemmen.

  Hoofdstuk 8. Bijzondere beroepsbekwaamheden, bijzondere beroepstitels, aanbodsbeheersing, eindeloopbaan, evaluatie, structuur en organisatie van de praktijk, organen en permanente federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen

  Afdeling 1. Bijzondere beroepsbekwaamheden en bijzondere beroepstitels

  Art. 85.De Koning stelt de lijst van bijzondere beroepstitels en van bijzondere beroepsbekwaamheden vast voor de in de artikelen 3, § 1, 4, 6, 23, § 2, eerste lid, 43, 45, 63 [1 , 68/1, 68/2 en 69]1 bepaalde beoefenaars.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 172, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 86. Niemand kan een bijzondere beroepstitel dragen of zich beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid, dan na door de minister bevoegd voor Volksgezondheid of de door hem gemachtigde ambtenaar hiertoe te zijn erkend.

  Art. 87. Niemand kan aan personen die hij tewerkstelt, zelfs als vrijwilliger, een van de in artikel 85 bepaalde titels of bekwaamheden toekennen, indien die personen niet werden erkend overeenkomstig artikel 88.

  Art. 88. De erkenning bepaald in artikel 86 wordt toegekend overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de erkenningscriteria die zijn vastgesteld door de minister bevoegd voor Volksgezondheid, op advies, wanneer zij bestaan, van de Raden waaraan deze bevoegdheid is toegewezen.
  De exclusieve uitoefening van de specialiteit, waarop de erkenning bedoeld in artikel 86 betrekking heeft, door een in deze gecoördineerde wet bedoelde gezondheidszorgbeoefenaar, kan gelden als één van de criteria voor de verkrijging en het behoud van de erkenning.

  Art. 89. De minister bevoegd voor Volksgezondheid, kan een vereniging zonder winstoogmerk van de Franse taalrol en een vereniging zonder winstoogmerk van de Nederlandse taalrol erkennen, met het oog op de coördinatie van de opleiding leidend tot de bijzondere beroepstitel van huisarts. De Koning bepaalt de criteria voor het toekennen en het behoud van de erkenning en de erkenningsprocedure voor die verenigingen.

  Art. 90. De criteria voor de erkenning of bevoegdheidsverklaring alsook de erkenningsvoorwaarden voor een bijzondere beroepsbekwaamheid die van toepassing zijn op de datum van inwerkingtreding van deze wet blijven behouden in afwachting dat de nieuwe bepalingen worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 85 en 88.

  Afdeling 2. Aanbodsbeheersing

  Art. 91.§ 1. Bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu wordt een Planningscommissie-Medisch aanbod opgericht.
  § 2. De opdracht van deze Commissie bestaat erin:
  1° de behoeften inzake medisch aanbod na te gaan met betrekking tot de beroepen vermeld in de artikelen 3, § 1, en 4. Bij het bepalen van deze behoeften dient rekening gehouden te worden met de evolutie van de behoeften inzake medische zorgen, de kwaliteit van de zorgenverstrekking en de demografische en de sociologische evolutie van de betrokken beroepen [1 en van de bevolking. Bedoelde adviezen betreffen de behoeften van het Rijk]1;
  2° op een continue wijze de weerslag evalueren die de bepaling van deze behoeften heeft op de toegang tot de studies voor de beroepen bedoeld in de artikelen 3, § 1, en 4;
  3° jaarlijks een verslag opstellen ten behoeve van de ministers bevoegd voor Volksgezondheid en voor Sociale Zaken betreffende de relatie tussen de behoeften, studies en de doorstroming tot de stages, met het oog op het verkrijgen van de bijzonder beroepstitels bedoeld in artikel 85 en de beroepstitel bedoeld in artikel 43, § 3.
  § 3. Met het oog op het vervullen van haar wettelijke opdrachten, kan de Planningscommissie persoonsgegevens in verband met beoefenaars van gezondheidszorgberoepen verwerken.
  De resultaten van deze verwerking mogen enkel medegedeeld, verspreid of openbaar gemaakt worden, indien de personen niet identificeerbaar zijn.
  Mogen ingezameld worden op permanente wijze:
  1° bij de databank bedoeld in artikel 97, de gegevens die daarin geregistreerd zijn;
  2° bij het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, de gegevens over de individuele beroepsactiviteiten.
  § 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de samenstelling en de werking van de Planningscommissie. De Planningscommissie kan zich laten bijstaan door experten.
  De Planningscommissie wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de minister bevoegd voor Volksgezondheid. Het secretariaat wordt waargenomen door een ambtenaar van Volksgezondheid, aangewezen door de minister.
  § 5. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op voorstel van de minister bevoegd voor Volksgezondheid, de opdrachten van de Planningscommissie uitbreiden tot andere beroepen vermeld in artikel 85.
  ----------
  (1)<W 2018-03-22/01, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 08-04-2018>

  Art. 92.§ 1. [1 § 1. Op gezamenlijk voorstel van de ministers die respectievelijk bevoegd zijn voor Volksgezondheid en voor Sociale Zaken, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :
   1° kan de Koning, overeenkomstig de bij paragraaf 1/1 bepaalde procedure, het globaal aantal kandidaten bepalen per gemeenschap, dat jaarlijks, na het behalen van het in de artikelen 3, § 1, eerste lid, en 4, eerste lid, bedoelde diploma, toegang heeft tot het verkrijgen van de bijzondere beroepstitels, die het voorwerp uitmaken van de in artikel 86 bedoelde erkenning;
  [3 1° bis bepaalt de Koning binnen een termijn van twee jaar, te rekenen na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 2019 tot wijziging van de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, teneinde een contingentering in te voeren voor de artsen en tandartsen die hun opleiding aan een buitenlandse universiteit hebben gevolgd, na advies van de Planningscommissie, het totaal aantal artsen en tandartsen die jaarlijks, na het behalen van het door een buitenlandse universiteit uitgereikte diploma van doctor in de geneeskunde of licentiaat in de tandheelkunde, toegang hebben tot het verkrijgen van de bijzondere beroepstitels, die het voorwerp uitmaken van de erkenning bedoeld in artikel 86;
   1° ter bepaalt de Koning binnen de in 1° bis bepaalde termijn, na advies van de Planningscommissie, het totaal aantal artsen die jaarlijks, na te zijn geslaagd voor de aan een buitenlandse universiteit gevolgde basisopleiding in de geneeskunde en specialisatie, hun diploma mogen laten viseren conform artikel 25 en de geneeskunst in België mogen uitoefenen;
   1° quater bepaalt de Koning binnen de in 1° bis bepaalde termijn, na advies van de Planningscommissie, het totaal aantal beoefenaars van de tandheelkunde die jaarlijks, na te zijn geslaagd voor de aan een buitenlandse universiteit gevolgde basisopleiding in de tandheelkunde en specialisatie, hun diploma mogen laten viseren conform artikel 25 en de tandheelkunst in België mogen uitoefenen;]3
   2° kan de Koning, overeenkomstig de bij paragraaf 1/1 bepaalde procedure, het globaal aantal kandidaten bepalen, die houders zijn van een diploma afgeleverd door een instelling die onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap of van de Vlaamse Gemeenschap valt, per gemeenschap, dat jaarlijks, na het behalen van de in artikel 43, § 1, eerste lid, bedoelde erkenning toegang krijgt tot de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, voor de in artikel 34, eerste lid, 1°, c), van de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994, bedoelde verstrekkingen;
   3° kan de Koning, overeenkomstig de bij paragraaf 1/1 bepaalde procedure, het globaal aantal kandidaten bepalen per gemeenschap, dat jaarlijks toegang heeft tot het verkrijgen van een erkenning voor de uitoefening van een beroep waarvoor een erkenning bestaat;
   4° kan de Koning de criteria en nadere regels vastleggen voor de selectie van de in 1°, in 2° en in 3° bedoelde kandidaten binnen het globale aantal kandidaten;
   5° kan de Koning, voor de in 1°, 2° en 3° bedoelde kandidaten, indien het totaal aantal toegelaten kandidaten voor een gegeven jaar, per gemeenschap, hoger of lager ligt ten opzichte van het totaal aantal vastgestelde kandidaten voor datzelfde jaar, bepalen onder welke voorwaarden het verschil naar een volgend jaar kan worden overgedragen.]1
  [2 § 1/1. De in paragraaf 1, 1° tot en met 3°, bedoelde besluiten worden genomen na advies van de Planningscommissie met inachtneming van de verdeelsleutel zoals vastgesteld door het Rekenhof.
   Het Rekenhof stelt deze verdeelsleutel jaarlijks vast voor 31 maart van ieder jaar.
   Deze verdeelsleutel wordt vastgesteld op basis van het inwonersaantal per gemeenschap.
   Het inwonersaantal van de Vlaamse Gemeenschap is gelijk aan de som van het inwonersaantal van het Vlaamse Gewest en het Nederlandstalige inwonersaantal van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   Het Nederlandstalige inwonersaantal in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt bepaald a rato van het aandeel van de studenten in het Nederlandstalige basis- en secundair onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in verhouding tot het totaal aantal studenten in het Nederlands- en Franstalig basis- en secundair onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   Het inwonersaantal van de Franse Gemeenschap is gelijk aan de som van het inwonersaantal van het Waalse Gewest en het Franstalige inwonersaantal van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   Het Franstalige inwonersaantal in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt bepaald a rato van het aandeel van de studenten in het Franstalige basis- en secundair onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in verhouding tot het totaal aantal studenten in het Nederlands- en Franstalig basis- en secundair onderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.]2
  § 2. De in paragraaf 1, 1°, bedoelde maatregel:
  1° kan ten vroegste uitwerking hebben na een termijn die gelijk is aan de duur van de studies die nodig zijn voor het behalen van de in de artikelen 3, § 1, en 4 bedoelde diploma's;
  2° wordt door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad opgeschort, indien blijkt onder andere uit het rapport van de Planningscommissie bedoeld in artikel 91, § 2, dat de vastgestelde behoeften per gemeenschap niet worden overschreden onder meer ten gevolge van de maatregelen genomen per gemeenschap inzake aanbodsbeheersing.
  § 3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Planningscommissie, op voorstel van de minister bevoegd voor Volksgezondheid en van de minister bevoegd voor Sociale Zaken, per gemeenschap het aantal kandidaten bepalen dat toegang heeft tot de diverse beroepstitels of groep van bijzondere beroepstitels.
  § 4. De Koning kan op voorstel van de minister bevoegd voor Volksgezondheid en bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, mits de nodige aanpassingen, de bepalingen van de paragrafen 1, 2 en 3 uitbreiden tot andere beroepen vermeld in artikel 85.
  § 5. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad en op voorstel van de ministers die respectievelijk bevoegd zijn voor Volksgezondheid en voor Sociale Zaken, de lijst vastleggen van de bijzondere beroepstitels die verkregen kunnen worden door de houders van de basisdiploma's bedoeld in de artikelen 3, § 1, 4, en 23, § 2 waarvoor de beperking van het aantal kandidaten niet van toepassing is.
  § 6. Wanneer een kandidaat deel moet uitmaken van twee groepen van beoefenaars van een gezondheidszorgberoep waarvan het aantal reglementair beperkt is overeenkomstig paragraaf 1, moet hij slechts in één enkele groep opgenomen worden.
  ----------
  (1)<W 2018-03-22/01, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 08-04-2018>
  (2)<W 2018-03-22/01, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 08-04-2018>
  (3)<W 2019-03-29/44, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 07-06-2019>

  Art. 92/1. [1 § 1. Het overschot aan de in artikel 92, § 1, 1°, bedoelde kandidaten ten opzichte van de maximale aantallen voor de periode 2004-2021 wordt vastgesteld op 1531. Het overschot situeert zich in de Franse Gemeenschap en betreft de periode 2004-2021. Dit overschot wordt vanaf 2024 jaarlijks in mindering gebracht van de toekomstige quota en dit tot het overschot is weggewerkt. Het aantal dat jaarlijks in mindering wordt gebracht is gelijk aan het verschil tussen het toekomstige quotum voor een bepaald jaar en een vast aantal van 505.
   § 2. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels bepalen voor het corrigeren van de toekomstige quota rekening houdend met het tekort dat op basis van het advies 2017/03 van de Planningscommissie is vastgesteld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-03-22/01, art. 5, 012; Inwerkingtreding : 08-04-2018>
  

  Afdeling 3. Eindeloopbaan

  Art. 93. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op gezamenlijk voorstel van de ministers bevoegd voor Volksgezondheid en voor Sociale Zaken en na overleg in het bij deze wet opgerichte Overlegcomité, bij toepassing van artikel 77bis van de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994, de regels betreffende de eindeloopbaan voor de in artikel 3, § 1, bedoelde beoefenaars.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op gezamenlijk voorstel van de ministers bevoegd voor Volksgezondheid en voor Sociale Zaken en na overleg met de desbetreffende overeenkomstencommissies bedoeld in artikel 26 van de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994, de regels betreffende de eindeloopbaan voor de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen, met uitzondering van de in het eerste lid bedoelde beoefenaars.

  Afdeling 4. Evaluatie

  Art. 94. § 1. De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op de gezamenlijke voordracht van de ministers bevoegd voor Volksgezondheid en voor Sociale Zaken en na overleg in het Overlegcomité:
  1° bepaalt de regels en de modaliteiten inzake de evaluatie, onder andere via een systeem van "peer review", van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming van de individuele beroepsbeoefenaars bedoeld in artikel 3, § 1;
  2° duidt de structuren aan die de evaluatie van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming organiseren of begeleiden en bepaalt de algemene regels van de werking ervan.
  § 2. De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op de gezamenlijke voordracht van de ministers bevoegd voor Volksgezondheid en voor Sociale Zaken en na overleg in de desbetreffende overeenkomstencommissies bedoeld in artikel 26 van de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994:
  1° bepaalt de regels en de modaliteiten inzake de evaluatie, onder andere via een systeem van "peer review", van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming van de individuele beoefenaars van de gezondheidsberoepen, met uitzondering van de beoefenaars bedoeld in paragraaf 1;
  2° duidt de structuren aan die de evaluatie van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming organiseren of begeleiden en bepaalt de algemene regels van de werking ervan voor de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen, met uitzondering van de in paragraaf 1 bedoelde beoefenaars.

  Afdeling 5. Structuur en organisatie van de praktijk

  Art. 95.De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na overleg met het overlegcomité, de regels met betrekking tot de structuur en de organisatie van de praktijk van de in artikel 3, § 1, bedoelde beoefenaars.
  De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na overleg met de in artikel 26 van de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994 bedoelde desbetreffende overeenkomstencommissies, de regels met betrekking tot de structuur en de organisatie van de praktijk van de in de artikelen 3, § 2, 4, 6, 23, § 2, 43, 45 [1 , 63, 68/1, 68/2 en 69]1 bedoelde beroepsbeoefenaars.
  Deze regels hebben geen betrekking op het stellen van de diagnose, de keuze, het instellen van de behandeling en de uitvoering ervan.
  Onder structuur en organisatie van de praktijk wordt inzonderheid verstaan: de organisatie en het beheer van het algemeen medisch dossier; de organisatie en, in voorkomend geval, de erkenningscriteria van de groepspraktijk en van diverse samenwerkingsverbanden; de rolomschrijving van en taakafspraken tussen huisartsen en specialisten.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 173, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Afdeling 6. Organen

  Art. 96.De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op de gezamenlijke voordracht van de ministers bevoegd voor Volksgezondheid en voor Sociale Zaken:
  1° richt een "Hoge Raad voor de Gezondheidsberoepen" op, dewelke kan bestaan uit afdelingen met betrekking tot elk van de in artikelen 3, § 1, 4, 6, 23, § 2, 43, 45, 63 [1 , 68/1, 68/2 en 69]1 vermelde beroepen;
  2° bepaalt de samenstelling ervan. De medische afdeling ervan wordt als volgt samengesteld: de minister bevoegd voor Volksgezondheid en de minister bevoegd voor Sociale Zaken, de representatieve beroepsverenigingen, de verzekeringsinstellingen, de universiteiten en de wetenschappelijke verenigingen;
  3°a) bepaalt de opdrachten ervan, welke er inzonderheid in bestaan advies te verstrekken met betrekking tot de kwaliteit, de evaluatie en de organisatie van de medische praktijk van de in de artikel 3, § 1, bedoelde beroepsbeoefenaars; en stelt meer bepaald aanbevelingen voor goede praktijkvoering op. Op eigen initiatief of op vraag van de bevoegde minister, of het desbetreffend Overlegcomité, zoals bepaald in artikel 8 van de wet van 10 december 1997 tot reorganisatie van de gezondheidszorg, formuleert de betreffende afdeling voorstellen of adviezen onder meer inzake kwaliteit van de zorgverlening, de organisatie van de zorgverlening, en de taakafspraken tussen de beoefenaars onderling;
  b) bepaalt de opdrachten ervan, welke er inzonderheid in bestaan advies te verstrekken met betrekking tot de kwaliteit, de evaluatie en de organisatie van de medische praktijk van de in artikelen 4, 6, 23, § 2, 43, 45, 63 [1 , 68/1, 68/2 en 69]1 bedoelde beroepsbeoefenaars; en stelt meer bepaald aanbevelingen voor goede praktijkvoering op. Op eigen initiatief of op vraag van de bevoegde minister, of van de in artikel 26 van de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994, bedoelde desbetreffende overeenkomstencommissie, formuleert de betreffende afdeling voorstellen of adviezen onder meer inzake kwaliteit van de zorgverlening, de organisatie van de zorgverlening, en de taakafspraken tussen de beoefenaars onderling.
  4° bepaalt de werking ervan. Vooraleer er door de geëigende organen definitieve beslissingen genomen worden desaangaande, alsmede met betrekking tot de in 3° beoogde materies dient voorafgaandelijk overleg georganiseerd in het geëigend overlegcomité, opgericht bij deze wet.
  Op voorstel van de bevoegde minister kunnen verschillende afdelingen samen vergaderen.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 174, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Afdeling 7. De permanente federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen

  Art. 97. § 1. Voor elke beroepsbeoefenaar van een gezondheidszorgberoep bedoeld in deze gecoördineerde wet worden identificatiegegevens en gegevens in verband met hun erkenning en bepaalde aspecten van hun beroepsactiviteit in een permanente federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen geregistreerd en bijgehouden.
  Het Directoraat-Generaal gezondheidsberoepen, Medische bewaking en Welzijn op het werk van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu is de verantwoordelijke voor de verwerking, in de zin van artikel 1, § 4, van de Wet Persoonlijke Levenssfeer van 8 december 1992.
  § 2. De registratie bedoeld in paragraaf 1 heeft als doel:
  1° de gegevens te verzamelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de opdrachten van de Planningscommissie, bedoeld in artikel 91, § 2 die betrekking hebben op de werkkracht, op de evolutie en geografische spreiding ervan en op de demografische en sociologische kenmerken van de beroepsbeoefenaars;
  2° de uitvoering van de reglementaire opdrachten van de administraties alsook de uitwisseling van de gegevens, die hun naargelang hun respectieve reglementaire opdrachten zijn toevertrouwd, tussen de overheidsinstellingen voor sociale zekerheid, de openbare administraties en de instellingen van openbaar nut, mogelijk te maken, mede met het oog op administratieve vereenvoudiging;
  3° de mogelijkheid te creëren om de communicatie met en tussen de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen te verbeteren.

  Art. 98. De volgende gegevens worden verzameld:
  1° de identificatiegegevens: onder identificatiegegevens wordt verstaan alle gegevens waardoor de beoefenaar geďdentificeerd kan worden, met inbegrip van het rijksregisternummer, alsmede de gegevens m.b.t. de beroepstitels en de bijzondere beroepskwaamheden bedoeld in artikel 85 of academische titels waarvan hij titularis is, de woonplaats en het beroepsadres;
  2° de gegevens in verband met de erkenning: onder gegevens in verband met de erkenning wordt verstaan de nodige administratieve gegevens voor de uitvoering van de in artikel 88 bedoelde erkenningsmodaliteiten;
  
  3° de gegevens van de sociale zekerheid: onder gegevens doorgegeven door de overheidsinstellingen voor sociale zekerheid wordt verstaan het feit dat een beoefenaar van een van de beroepen bedoeld in artikel 97, § 1, het beroep uitoefent als loontrekkende of als zelfstandige in hoofd- of bijberoep of dat hij pensioengerechtigd is;
  4° de gegevens die vrijwillig door een beoefenaar ter beschikking worden gesteld en die op hem betrekking hebben: onder gegevens die vrijwillig ter beschikking worden gesteld, wordt verstaan de gegevens die door een beoefenaar ter beschikking worden gesteld van andere beoefenaars, zoals o.m. elektronische adressen, een publieke vercijferingssleutel, academische titels, bijzondere activiteiten- of onderzoeksgebieden. De lijst van bijzondere activiteiten- of onderzoeksgebieden kan, op advies van de bevoegde Raad bedoeld in artikel 88, door de minister bevoegd voor Volksgezondheid worden vastgelegd.
  Bij een in besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, kan de Koning, op voorstel van de Planningscommissie bedoeld in artikel 91, § 1, de lijst van de gegevens uitbreiden of aanvullen.

  Art. 99.De volgende diensten, instellingen en personen verschaffen aan de permanente federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen de hierna bepaalde gegevens:
  1° het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering: de beschikbare identificatiegegevens bedoeld in artikel 98, 1°, van elke beoefenaar van een van de beroepen bedoeld in artikel 97, § 1, die zich bij het Rijksinstituut inschrijft, met inbegrip van het RIZIV-nummer dat hem is toegekend, het beroepsadres alsmede de lijst van de adviserend geneesheren;
  2° het Rijksregister van de natuurlijke personen, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid: de volgende bijgewerkte gegevens: het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer van de natuurlijke personen die niet zijn inschreven in het Rijksregister, de naam, de voornamen, het adres, de geboortedatum, de nationaliteit, het geslacht en desgevallend de datum van overlijden;
  3° de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid: het feit dat een beoefenaar van een van de beroepen bedoeld in artikel 97, § 1, een loontrekkende is, het inschrijvingsnummer van de werkgever, het desbetreffende uittreksel uit het repertorium van werkgevers en het arbeidsregime;
  4° het Rijksinstituut voor Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid: het feit dat een van de in artikel 97, § 1, bedoelde beoefenaars een zelfstandige in hoofd- of bijberoep is;
  5° [1 de Federale Pensioendienst]1 via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid: het feit dat een beoefenaar van een van de beroepen bedoeld in artikel 97, § 1, pensioengerechtigd is;
  6° de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu: de identificatiegegevens verzameld tijdens de procedure van het toekennen van het visum en tijdens de procedure van erkenning bedoeld in artikel 88 en de gegevens betreffende de erkenning van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen bedoeld in artikel 97, § 1;
  7° de Orde: de beroepsadressen evenals de gegevens betreffende de inschrijving op de lijst en betreffende de tijdelijke of definitieve intrekking van het recht tot uitoefening maar zonder de redenen te vermelden die deze intrekking hebben gemotiveerd;
  8° de beoefenaars van een van de beroepen bedoeld in artikel 97, § 1, voor wiens beroep geen Orde bestaat en die geen RIZIV-nummer hebben, zelf: de adressen waar ze hun beroep hoofdzakelijk uitoefenen;
  9° de beoefenaar van een van de beroepen bedoeld in artikel 1 zelf: de gegevens die volgens hem verbeterd of vervolledigd dienen te worden en de gegevens die hij vrijwillig ter beschikking stelt, bedoeld in artikel 98, 4°;
  10° de erkende verzorgingsinstellingen, de rusthuizen en de openbare of privé-instellingen die zorgen verstrekken of preventieve activiteiten uitoefenen: elk jaar de naam en de voornamen alsook het beroep van de gezondheidszorgbeoefenaars die er werken als zelfstandige;
  11° de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid: het feit dat een werknemer bedoeld in artikel 97, § 1, zijn activiteit uitoefent als loontrekkende;
  12° de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid: het feit dat een werknemer bedoeld in artikel 97, § 1, zijn activiteit uitoefent in het buitenland, buiten de Europese Unie;
  13° De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg : de gegevens in verband met de in artikel 98, 2°, vermelde erkenning, verzameld in het kader van de toezichtopdrachten bedoeld in de wet van 12 december 2010 tot vaststelling van de arbeidsduur van de geneesheren, de tandartsen, de dierenartsen, kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in opleiding en studenten-stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van deze beroepen.
  ----------
  (1)<W 2016-03-18/03, art. 182, 003; Inwerkingtreding : 01-04-2016>

  Art. 100. Het recht op toegang tot de gegevens die geregistreerd zijn in de permanente federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen is beperkt overeenkomstig de volgende bepalingen:
  1° elke beoefenaar van een gezondheidszorgberoep, die in de gegevensbank geregistreerd is, heeft toegang tot de gegevens die op hem betrekking hebben; overeenkomstig artikel 12 van de Wet Persoonlijke Levenssfeer van 8 december 1992 is hij bovendien gerechtigd om die gegevens kosteloos te doen verbeteren;
  2° voor zover zij geen andere rechtstreekse toegang hebben tot deze gegevens en voor zover zij door of krachtens een wet bevoegd zijn om de desbetreffende informatie te kennen hebben de overheidsinstellingen voor sociale zekerheid en de openbare overheden toegang tot alle identificatiegegevens.
  3° de bevoegde Ordes, de ziekenfondsen bedoeld in de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en de verzekeringsmaatschappijen hebben toegang tot de identificatiegegevens zonder echter toegang te hebben tot het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen.
  Bovendien hebben de ziekenfondsen en de verzekeringsmaatschappijen toegang tot gegevens betreffende de erkenning van de praktijken.
  4° het publiek heeft toegang tot de naam en de voornamen, tot de beroepstitel(s) en de bijzondere beroepsbekwaamheden en tot informatie over het recht van een specifieke zorgaanbieder om diensten te verlenen of over mogelijke beperkingen ten aanzien van zijn praktijk en, behoudens verzet van de beoefenaar, tot zijn belangrijkste beroepsadres; een beoefenaar die het beroep waarvoor hij geregistreerd is niet meer substantieel uitoefent, kan vragen om het publiek geen toegang meer te verlenen tot zijn registratie;
  5° de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen bedoeld in artikel 97, § 1, hebben toegang tot de naam en de voornamen, tot de beroepstitel(s) en de bijzondere beroepskwaamheden en tot het beroepsadres alsook tot de vrijwillig ter beschikking gestelde gegevens bedoeld in artikel 98, 4°;
  6° het Directoraat-Generaal gezondheidsberoepen, Medische Bewaking en Welzijn op het Werk van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering hebben toegang tot de gegevens met betrekking tot de erkenning;
  7° het eHealth-platform, opgericht door de wet van 21 augustus 2008 houdende oprichting en organisatie van het eHealth-platform, heeft toegang tot alle identificatiegegevens, tot de gegevens betreffende de erkenning, alsook tot die betreffende de machtiging tot uitoefening maar niet, ingeval van intrekking van de machtiging tot uitoefening, tot de gegevens betreffende de redenen die tot de intrekking hebben geleid.
  8° De autoriteiten van andere lidstaten hebben toegang tot gegevens geregistreerd in de federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen, in de context van grensoverschrijdende gezondheidszorg, overeenkomstig de hoofdstukken II en III en de nationale maatregelen ter uitvoering van de uniale bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens, in het bijzonder de Richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG, en het beginsel van het vermoeden van onschuld. De uitwisseling van informatie vindt plaats via het informatiesysteem interne markt dat is ingesteld bij Beschikking 2008/49/EG van de Commissie van 12 december 2007 inzake de bescherming van persoonsgegevens bij de invoering van het informatiesysteem interne markt (IMI).

  Art. 101. De in de permanente federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen geregistreerde gegevens zijn eigendom van de Belgische Staat. De commercialisering van de inhoud van de gegevens, door verkoop, verhuur, verspreiding of elke andere vorm van terbeschikkingstelling aan derden is verboden. Meer algemeen is alle gebruik, ander dan het louter intern gebruik ter ondersteuning van de activiteit van de wettige gebruiker uitdrukkelijk verboden.

  Hoofdstuk 9. Erkenning van beroepskwalificaties Toepassing van de Europese regelgeving

  Art. 102.[1 De administratieve samenwerking bedoeld in artikel 10 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties, alsook de procedures en de rechten bedoeld in artikel 27 van dezelfde wet, zijn van toepassing.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-06-27/18, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>

  Afdeling 1. Definities

  Art. 103.Voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaat men onder :
  1° "minister ": de minister bevoegd voor Volksgezondheid;
  2° [1 "Directoraat-generaal": het Directoraat-generaal "Basisgezondheidszorg" van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;]1
  3° [1 "Richtlijn " : Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van de beroepskwalificaties, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013;]1
  4° "Lidstaat": lidstaat van de Europese Unie en de landen waar de richtlijn van toepassing is;
  5° "migrant": a) een onderdaan van een lidstaat of b) een onderdaan van een derde land die zich in België mag vestigen conform de bepalingen van de artikelen 14 en volgende of de artikelen 61/6 en volgende van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  6° "beroepskwalificaties": kwalificaties die worden gestaafd door een opleidingstitel op het vlak van volksgezondheid, een bekwaamheidsattest op het vlak van volksgezondheid, een beroepservaring of een combinatie van de twee of drie voorgaande elementen;
  7° "gezondheidszorgberoep": een beroepswerkzaamheid of een geheel van beroepswerkzaamheden waartoe de toegang of waarvan de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening krachtens deze gecoördineerde wet direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties; met name het voeren van een beroepstitel die door deze gecoördineerde wet beperkt is tot personen die een specifieke beroepskwalificatie bezitten, geldt als een wijze van uitoefening;
  8° "beroepservaring": [1 de daadwerkelijke en geoorloofde voltijdse of gelijkwaardige deeltijdse]1 uitoefening van het betrokken gezondheidszorgberoep in een lidstaat;
  9° "de Europese Gemeenschap": alle lidstaten;
  10° "bevoegde overheid": elke overheid of instantie die specifiek gemachtigd werd door een lidstaat om opleidingstitels en andere documenten of informaties uit te reiken of in ontvangst te nemen, alsook om aanvragen in ontvangst te nemen en beslissingen te nemen, bedoeld in de richtlijn;
  11° "opleidingstitel": a) diploma's, getuigschriften en andere bekwaamheidsbewijzen uitgereikt door een overheid van een Lidstaat gemachtigd krachtens de wets-, verordenings- of administratieve bepalingen van deze lidstaat en die een beroepsopleiding bekrachtigen die voornamelijk verworven werd in de Europese Gemeenschap, of b) een opleidingstitel op het vlak van volksgezondheid uitgereikt in een derde land voor zover de titularis over een beroepservaring van drie jaar beschikt, voor het betrokken beroep, op het grondgebied van de lidstaat die het opleidingsbewijs erkend en gehomologeerd heeft;
  12° "bekwaamheidsproef": [1 een controle van de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties]1 van de migrant of de dienstverrichter, [1 die wordt verricht of erkend door de bevoegde autoriteit]1 en die tot doel heeft te beoordelen of de migrant of de dienstverrichter de bekwaamheid bezit om een gezondheidszorgberoep in België uit te oefenen; teneinde deze controle mogelijk te maken, stelt het Directoraat-generaal op basis van een vergelijking tussen de in België vereiste opleiding en de opleiding die de migrant of de dienstverrichter heeft ontvangen, een lijst op van de vakgebieden die niet bestreken worden door het diploma of andere opleidingstitels die de migrant of de dienstverrichter overlegt; bij de bekwaamheidsproef moet in aanmerking worden genomen dat de migrant of de dienstverrichter in de lidstaat van oorsprong of herkomst een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar is; de proef heeft betrekking op de vakgebieden die moeten worden gekozen uit die welke op de lijst staan en waarvan de kennis een wezenlijke voorwaarde is om het beroep in België te kunnen uitoefenen; deze proef kan ook betrekking hebben op de kennis van de beroepsregels die in België op de betrokken activiteiten van toepassing zijn;
  13° "aanpassingsstage": de uitoefening in België van een gezondheidszorgberoep onder verantwoordelijkheid van een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar, eventueel gekoppeld aan een aanvullende opleiding; de stage wordt beoordeeld en er wordt geoordeeld of de migrant voldoende bekwaamheid bezit om het desbetreffende gezondheidszorgberoep in België uit te oefenen;
  14° "gereglementeerde opleiding": elke opleiding die de specifieke uitoefening van een bepaald gezondheidszorgberoep beoogt en die uit een studiecyclus bestaat, eventueel aangevuld met een beroepsopleiding, een beroepsstage of een beroepspraktijk; de structuur en het niveau van de beroepsopleiding, de beroepsstage of de praktijkervaring worden in wets-, verordenings- of administratieve bepalingen van de betrokken lidstaat vastgesteld of door een daartoe aangewezen autoriteit gecontroleerd of erkend;
  [2 15° "beroepsstage": een periode van beroepsuitoefening onder toezicht, mits dit een voorwaarde voor de toegang tot een gereglementeerd gezondheidszorgberoep vormt en die, ofwel tijdens of na afloop van een opleiding die leidt tot een diploma, kan plaatsvinden;
   16° "Europese beroepskaart": een elektronisch certificaat dat wordt afgegeven hetzij ten bewijze dat de dienstverrichter of migrant aan alle noodzakelijke voorwaarden voldoet om tijdelijk en incidenteel diensten te verrichten in een ontvangende lidstaat of dat de beroepskwalificaties met het oog op vestiging in een ontvangende lidstaat erkend zijn;
   17° "een leven lang leren": alle vormen van algemeen onderwijs, beroepsonderwijs en beroepsopleiding, niet-formeel onderwijs en informeel leren die gedurende het gehele leven plaatsvinden en die tot meer kennis, vaardigheden en competenties leiden, eventueel ook op het gebied van de beroepsethiek ;
   18° "dwingende redenen van algemeen belang": als zodanig in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende redenen ;
   19° "Europees systeem voor de overdracht van studiepunten" of "ECTS-studiepunten": het in het Europees hoger onderwijsstelsel gangbare systeem van overdracht van studiepunten;
   20° "informatiesysteem interne markt (IMI)": het informatiesysteem interne markt ingesteld bij Beschikking 2008/49/EG van de Commissie van 12 december 2007 inzake de bescherming van persoonsgegevens bij de invoering van het informatiesysteem interne markt (IMI).]2
  ----------
  (1)<KB 2016-06-27/18, art. 10, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>
  (2)<KB 2016-06-27/18, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>

  Afdeling 2. Vrijheid van vestiging

  Art. 104. De migrant die houder is van een beroepskwalificatie, met uitzondering van de Belgische beroepskwalificaties die vermeld worden in andere bepalingen van deze gecoördineerde wet, en die in België één van de gezondheidszorgberoepen wenst uit te oefenen die worden gereglementeerd in deze gecoördineerde wet, laat deze beroepskwalificatie conform de bepalingen van deze gecoördineerde wet erkennen.
  De migrant die een erkenning van zijn beroepskwalificatie krijgt, is ook onderworpen aan de andere bepalingen van deze gecoördineerde wet waarin het gezondheidsberoep is gereglementeerd die hij wenst uit te oefenen. Bovendien laat de migrant de akte viseren waarbij hij een erkenning van zijn beroepskwalificatie krijgt conform de bepalingen van artikel 25.

  Onderafdeling 1. Algemeen stelsel van erkenning van opleidingstitels

  Art. 105. § 1. Het algemeen stelsel van de erkenning van opleidingstitels bedoeld in titel III van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties geldt voor alle gezondheidszorgberoepen die niet gedekt zijn door het erkenningsstelsel op basis van de in artikel 106 en volgende vastgelegde coördinatie van de minimale opleidingsvereisten of door het in artikel 107 en volgende vastgelegde stelsel voor tijdelijke en incidentele dienstverrichtingen.
  § 2. De volgende gevallen worden ook aan het in titel III van dezelfde wet bedoelde algemeen stelsel van de erkenning van opleidingstitels onderworpen:
  1° de erkenningsaanvragen van de door een lidstaat uitgereikte opleidingstitels voor artsen met een basisopleiding, medische specialisten, verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, gespecialiseerde beoefenaren der tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen en apothekers wanneer de migrant niet voldoet aan de eisen inzake daadwerkelijke en wettige beroepsuitoefening zoals vastgelegd door de minister met betrekking tot het voordeel van de verworven rechten;
  2° onverminderd de bepalingen betreffende de verworven rechten, de erkenningsaanvragen van opleidingstitels voor artsen, ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen en apothekers die houder zijn van een opleidingstitel van specialist die moeten volgen op de opleiding tot het verwerven van een titel van basisopleiding van hun beroep, zoals door de minister vastgelegd en dit alleen teneinde deze gespecialiseerde opleidingstitel te erkennen;
  3° de erkenningsaanvragen van opleidingstitels voor verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers of gespecialiseerde ziekenverplegers die houder zijn van een opleidingstitel als specialist die volgt op de opleiding voor een opleidingstitel als verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger zoals vastgelegd door de minister wanneer de betrokken beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend door gespecialiseerde ziekenverplegers zonder opleiding als verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers;
  4° de erkenningsaanvragen van de opleidingstitels voor gespecialiseerde ziekenverplegers zonder opleiding van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, wanneer de betrokken werkzaamheden worden uitgeoefend door verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, gespecialiseerde ziekenverplegers zonder opleiding als verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger of gespecialiseerde ziekenverplegers die houder zijn van een gespecialiseerde beroepstitel die volgt op de opleiding tot het verwerven van een titel van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger zoals door de minister vastgelegd;
  5° de erkenningsaanvragen van de in een derde land uitgereikte opleidingstitel op het vlak van volksgezondheid voor migranten wanneer de houder voor het betrokken beroep een beroepservaring van drie jaar heeft op het grondgebied van een lidstaat die voornoemde titel heeft erkend en die beroepservaring homologeert.
  § 3. In het kader van de toepassing van het door titel III van dezelfde wet bedoelde algemeen stelsel van erkenning van beroepstitels kan de minister bepalen of de erkenning van de beroepskwalificaties ondergeschikt is aan een bekwaamheidsproef of een aanpassingsstage voor :
  1° de erkenningsaanvragen van de door een lidstaat uitgereikte opleidingstitels voor artsen met een basisopleiding, medische specialisten, verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, gespecialiseerde beoefenaren der tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen en apothekers wanneer de migrant niet voldoet aan de eisen inzake daadwerkelijke en wettige beroepsuitoefening zoals vastgelegd door de minister met betrekking tot het voordeel van de verworven rechten;
  2° de erkenningsaanvragen van opleidingstitels voor artsen, ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, dierenartsen, verloskundigen en apothekers die houder zijn van een opleidingstitel van specialist die moeten volgen op de opleiding tot het verwerven van een titel van basisopleiding van hun beroep, zoals door de minister vastgelegd en dit alleen teneinde deze gespecialiseerde opleidingstitel te erkennen;
  3° de erkenningsaanvragen van de opleidingstitels voor de beroepen van gespecialiseerde ziekenverplegers zonder opleiding van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, wanneer de betrokken werkzaamheden worden uitgeoefend door verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, gespecialiseerde ziekenverplegers zonder opleiding als verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger of gespecialiseerde ziekenverplegers die houder zijn van een gespecialiseerde beroepstitel die volgt op de opleiding tot het verwerven van een titel van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger zoals door de minister vastgelegd;
  4° de erkenningsaanvragen van de in een derde land uitgereikte opleidingstitel op het vlak van volksgezondheid voor migranten wanneer de houder voor het betrokken beroep een beroepservaring van drie jaar heeft op het grondgebied van een lidstaat die voornoemde titel heeft erkend en die beroepservaring homologeert.

  Onderafdeling 2. Automatische erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen

  Art. 106. § 1. De minister legt het volgende vast :
  1° de lijst met opleidingstitels betreffende de beroepen van arts met een basisopleiding, huisarts, geneesheer-specialist, verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, tandarts, tandarts-specialist, vroedvrouw en apotheker die worden uitgereikt door een Lidstaat;
  2° de minimale opleidingsvereisten waarvan de uitreiking van die opleidingstitels afhangt;
  3° de bevoegde organen in de Lidstaten om die opleidingstitels uit te reiken;
  4° in voorkomend geval de attesten die die opleidingstitels moeten vergezellen;
  5° de verkregen rechten die eventueel verband houden met die opleidingstitels en de overeenstemming tussen die opleidingstitels en de beroepstitels bedoeld in deze gecoördineerde wet.
  § 2. De minister erkent, volgens de procedure die is vastgesteld door de Koning, de opleidingstitels bedoeld in paragraaf 1 en geeft hieraan, wat betreft de toegang tot de beroepsactiviteiten en de uitoefening ervan, dezelfde rechtsgevolgen als de beroepstitels bedoeld in deze gecoördineerde wet waarmee deze opleidingstitels overeenstemmen, voor zover deze opleidingstitels, conform hetgeen wordt vastgesteld door de minister conform paragraaf 1, overeenstemmen met de minimale opleidingsvereisten, door de bevoegde organen van de Lidstaten worden uitgereikt en, in voorkomend geval, door de vereiste attesten worden vergezeld of voor zover de aanvrager verworven rechten geniet.

  Afdeling 3. Tijdelijke en incidentele dienstverrichting

  Art. 107. De bepalingen van deze afdeling zijn uitsluitend van toepassing op de dienstverrichter die, op wettige wijze gevestigd in een andere lidstaat waar hij zijn beroep uitoefent, op Belgisch grondgebied tijdelijk en incidenteel een gezondheidszorgberoep komt uitoefenen. Het tijdelijke en incidentele karakter van de dienstverrichting wordt per geval beoordeeld, met name in het licht van de duur, frequentie, regelmaat en continuďteit van de dienstverrichting.

  Art. 108.§ 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 109 tot 113 wordt de tijdelijke en incidentele dienstverrichting van een gezondheidszorgberoep niet om redenen van beroepskwalificaties beperkt:
  1° indien het beroep of de opleiding die leidt tot de toegang tot of de uitoefening van het beroep in de lidstaat van vestiging is gereglementeerd, of
  2° indien het beroep of de opleiding die leidt tot de toegang tot of de uitoefening van het beroep in de lidstaat van vestiging niet is gereglementeerd en de dienstverrichter tijdens de tien jaar die voorafgaan aan de dienstverrichting in België gedurende ten minste [1 één jaar]1 dat beroep heeft uitgeoefend in de lidstaat van vestiging.
  § 2. De dienstverrichter die in België op tijdelijke en incidentele wijze een gezondheidszorgberoep komt verrichten, valt onder de professionele, wettelijke en administratieve beroepsregels die rechtstreeks verband houden met beroepskwalificaties, alsook de tuchtrechtelijke bepalingen [1 en de verplichting om het bewijs van beroepskwalificaties te laten viseren,]1 die van toepassing zijn op de personen die in België datzelfde gezondheidszorgberoep uitoefenen.
  ----------
  (1)<KB 2016-06-27/18, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>

  Art. 109. Overeenkomstig artikel 108, § 1, stelt België een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter met name vrij van de eisen die worden gesteld aan op Belgisch grondgebied gevestigde gezondheidszorgbeoefenaren met betrekking tot:
  1° een vergunning, de inschrijving of de aansluiting bij een beroepsorganisatie. Het Directoraat-generaal voorziet in een automatische tijdelijke inschrijving en verstuurt hiertoe een kopie van de in artikel 110, § 1, bedoelde verklaring en eventueel verlenging ervan, en daarnaast, voor beroepen die verband houden met de volksgezondheid genoemd in artikel 112 of waarvoor krachtens de bepalingen van afdeling 2, onderafdeling 2, een automatische erkenning geldt, een kopie van de in artikel 110, § 3, bedoelde documenten naar de bevoegde Geneeskundige Commissie, en, in voorkomend geval, naar de bevoegde Orde. Het Directoraat-generaal zorgt ervoor dat de automatische tijdelijke inschrijving de dienstverrichting op geen enkele wijze vertraagt of bemoeilijkt en voor de dienstverrichter geen extra kosten meebrengt; en
  2° de inschrijving bij het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. De dienstverrichter alsook het Directoraat-generaal stellen evenwel het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering vooraf, of in dringende gevallen achteraf, van de verrichte dienst in kennis.

  Art. 110.§ 1. Voorafgaand aan de eerste tijdelijke en incidentele dienstverrichting, brengt de dienstverrichter het Directoraat-generaal op de hoogte van de dienstverrichting door middel van een schriftelijke verklaring met daarin de gegevens betreffende verzekeringsdekking of soortgelijke individuele of collectieve vormen van bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid.
  § 2. [1 De in § 1 bedoelde schriftelijke verklaring]1 kan met alle middelen worden aangeleverd en wordt steeds na een jaar opnieuw afgegeven door de dienstverrichter indien hij voornemens is om gedurende het opvolgende jaar in België tijdelijk en incidenteel een gezondheidszorgberoep uit te oefenen.
  [1 § 2/1. Voor de dienstverrichters van een gezondheidszorgberoep dat tot het systeem van de automatische erkenning behoren, zoals bedoeld in artikel 106 van deze gecoördineerde wet en waarvoor een Europese beroepskaart bestaat, mag, in afwijking van § 2, slechts een nieuwe schriftelijke verklaring zoals bedoeld in § 2 en § 3 vereist worden, ten vroegste 18 maand na de in § 1 bedoelde verklaring.]1
  § 3. Voor de eerste dienstverrichting gaat de schriftelijke verklaring vergezeld van de volgende documenten, afgegeven door de ter zake bevoegde autoriteit van de desbetreffende lidstaat:
  1° een bewijs van nationaliteit van de dienstverrichter die tijdelijk en incidenteel diensten wenst te verrichten op Belgisch grondgebied;
  2° een attest waarin staat dat de dienstverrichter rechtmatig in een andere lidstaat dan België is gevestigd om er de betrokken werkzaamheden uit te oefenen en waarin staat dat de dienstverrichter op het moment van afgifte van het attest geen permanent of tijdelijk beroepsverbod is opgelegd;
  3° een bewijs van beroepskwalificaties;
  4° voor de gevallen zoals bedoeld in artikel 108, § 1, 2°, een bewijs van de daar omschreven beroepservaring.
  § 4. Indien zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de door de documenten, bedoeld in paragraaf 3, gestaafde situatie, meldt de dienstverrichter dit binnen een maand aan het Directoraat-generaal en geeft hij aan het Directoraat-generaal de in paragraaf 3 omschreven documenten waaruit die nieuwe situatie blijkt.
  ----------
  (1)<KB 2016-06-27/18, art. 13, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>

  Art. 110/1. [1 De indiening van een vereiste verklaring door de dienstverrichter overeenkomstig artikel 110 geeft die dienstverrichter het recht op toegang tot de beoogde dienstenactiviteit of om die activiteit uit te oefenen op het gehele grondgebied.
   De inzake de beroepskwalificaties van de dienstverrichter bevoegde autoriteiten kunnen de in artikel 110, § 3, vermelde aanvullende gegevens eisen indien:
   1) het beroep in bepaalde delen van het Belgisch grondgebied anders is gereglementeerd;
   2) deze reglementering op gelijke wijze van toepassing is op de eigen onderdanen van België;
   3) deze verschillen in regelgeving te rechtvaardigen zijn door dwingende redenen van algemeen belang, die verband houden met de volksgezondheid of de openbare veiligheid van de afnemers van de diensten; en
   4) België over geen andere middelen beschikt om deze informatie te verkrijgen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-06-27/18, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>
  

  Art. 111. § 1. De dienstverrichter die in België op tijdelijke en incidentele wijze een gezondheidszorgberoep komt uitoefenen, oefent dit beroep uit onder de beroepstitel van de lidstaat van vestiging. Deze beroepstitel wordt vermeld in de officiële taal of één van de officiële talen van de lidstaat van vestiging.
  § 2. Indien de beroepstitel, bedoeld in de eerste paragraaf, niet bestaat, gebruikt de dienstverrichter zijn opleidingstitel in de officiële taal of één van de officiële talen van de lidstaat van vestiging.
  § 3. De dienstverrichter die in België op tijdelijke en incidentele wijze een gezondheidszorgberoep komt uitoefenen, oefent dit beroep uit onder de Belgische beroepstitel:
  1° indien het gaat om een gezondheidszorgberoep in de zin van artikel 106, of
  2° indien de beroepskwalificaties van de dienstverrichter door het Directoraat-generaal overeenkomstig artikel 112 werden geverifieerd.

  Art. 112.§ 1. Het Directoraat-generaal kan vóór de eerste dienstverrichting de beroepskwalificaties van de dienstverrichter controleren indien deze in België op tijdelijke en incidentele wijze een beroep wenst uit te oefenen dat gereglementeerd is in het kader van deze gecoördineerde wet maar dat niet valt onder het stelsel van de automatische erkenning.
  § 2. De voorafgaandelijke controle is slechts mogelijk voor zover deze tot doel heeft ernstige schade voor de gezondheid van de afnemer van de dienstverrichting als gevolg van een ontoereikende beroepskwalificatie van de dienstverrichter te voorkomen.
  § 3. Binnen een termijn van een maand na ontvangst van de verklaring en de begeleidende documenten, bedoeld in artikel 110, stelt het Directoraat-generaal de dienstverrichter op de hoogte van [1 haar besluit om:
   1) het verrichten van diensten toe te staan zonder de beroepskwalificaties te controleren;
   2) na controle van de beroepskwalificaties,
   a. een proeve van bekwaamheid op te leggen aan de dienstverrichter; of
   b. het verrichten van diensten toe te staan]1.
  Deze termijn kan éénmaal worden verlengd met twee maanden en dit mits mededeling aan de dienstverrichter van de reden van verlenging.
  § 4. Indien de beroepskwalificatie van de dienstverrichter wezenlijk verschilt van de in België voor de toelating tot of de uitoefening van het desbetreffende gezondheidszorgberoep vereiste opleiding, en wel in die mate dat dit verschil de volksgezondheid kan schaden [1 en wanneer de dienstverrichter dit niet kan compenseren door beroepservaring of in het kader van een leven lang leren verworven kennis, vaardigheden of competenties die formeel zijn gevalideerd door een daartoe bevoegde instantie]1, biedt het Directoraat-generaal de dienstverrichter de mogelijkheid om aan te tonen dat hij de ontbrekende [1 kennis, competenties en vaardigheden]1 heeft verworven, [1 door middel van een proeve van bekwaamheid zoals bedoeld in § 3, 2)]1. Het Directoraat-generaal zorgt er wel voor dat de uitoefening van het gezondheidszorgberoep kan plaatsvinden in de maand volgend op die waarin het overeenkomstig paragraaf 3 genomen besluit is getroffen.
  § 5. Indien het Directoraat-generaal binnen de in de vorige paragrafen bepaalde termijnen niet reageert, kan de dienstverrichter het gezondheidszorgberoep op tijdelijke en incidentele wijze in België uitoefenen.
  ----------
  (1)<KB 2016-06-27/18, art. 15, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>

  Afdeling 4. Overige bepalingen

  Art. 113.[1 § 1. Een gedeeltelijke toegang tot een beroepsactiviteit van een gezondheidszorgberoep wordt geval per geval verleend, doch alleen indien aan alle van de volgende voorwaarden is voldaan:
   a) de beroepsbeoefenaar is in zijn lidstaat van oorsprong volledig gekwalificeerd om de beroepsactiviteit uit te oefenen, waarvoor in België gedeeltelijke toegang wordt aangevraagd;
   b) de verschillen tussen de in de lidstaat van oorsprong legaal verrichte beroepsactiviteiten en het uitoefenen van het in België gereglementeerde beroep zijn zo groot dat de toepassing van compenserende maatregelen erop zou neerkomen dat de aanvrager het volledige onderwijs- en opleidingsprogramma in België zou moeten doorlopen om tot het volledige gereglementeerde beroep in België toegelaten te worden;
   c) de beroepsactiviteit kan objectief worden onderscheiden van andere activiteiten die het gereglementeerde beroep in België omvat.
   Voor de toepassing van punt c) dient de bevoegde autoriteit rekening te houden met de vraag of de beroepsactiviteit in de lidstaat van oorsprong autonoom kan worden uitgeoefend.
   § 2. Gedeeltelijke toegang kan worden afgewezen indien dit door een dwingende reden van algemeen belang gerechtvaardigd is, indien zulks passend is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel en het niet verder gaat dan wat noodzakelijk is om dat doel te bereiken.
   § 3. Aanvragen bedoeld voor vestiging worden overeenkomstig onderafdeling 1 van afdeling 2 van deze hoofdstuk onderzocht.
   § 4. Aanvragen bedoeld voor het tijdelijk en incidenteel verrichten van diensten die betrekking hebben op beroepsactiviteiten met implicaties op de volksgezondheid, worden overeenkomstig afdeling 3 van deze hoofdstuk onderzocht.
   § 5. In afwijking van artikelen 111 en 115, tweede lid, van deze gecoördineerde wet, zodra gedeeltelijke toegang verleend is, wordt de beroepsactiviteit uitgeoefend onder de beroepstitel van de lidstaat van oorsprong. Er kan opgelegd worden dat het gebruik van die beroepstitel in één van de nationale talen gebeurt. Beroepsbeoefenaren aan wie gedeeltelijke toegang is verleend, maken de gebruikers van die diensten duidelijk kenbaar tot welke gebieden hun beroepsactiviteiten zich uitstrekken.
   § 6. Dit artikel is niet van toepassing op beroepsbeoefenaren wier beroepskwalificaties automatisch worden erkend op basis van de in artikel 106 van deze gecoördineerde wet vastgelegde minimale opleidingsvereisten.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-06-27/18, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>

  Art. 114. De migrant wiens beroepskwalificaties in België werden erkend overeenkomstig de bepalingen van afdeling 2 of de dienstverrichter die in België werd toegelaten overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3 kent voldoende Nederlands, Frans of Duits om het desbetreffende gereglementeerd beroep in België te kunnen uitoefenen.

  Art. 114bis. [1 § 1. In het kader van de aanvragen tot erkenning van beroepskwalificaties, die krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk ingediend zijn, brengen de bevoegde de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten op de hoogte van de identiteit van de beroepsbeoefenaar die, voor wat betreft het Belgisch grondgebied, door een nationale overheid en/of rechtbank een beroepsverbod dan wel een beperking tot uitoefening van één van de door onderhavige wet gereglementeerde zijn of haar gezondheidszorgberoepen - tijdelijk of blijvend, gedeeltelijk dan wel algeheel- heeft opgelegd gekregen.
   De bevoegde autoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten in kennis van voormelde informatie, door middel van een waarschuwing via het informatiesysteem interne markt (IMI). Dit dient te gebeuren binnen een termijn van ten laatste drie dagen na het nemen van de beslissing, waarbij de betrokken beroepsbeoefenaar een verbod of beperking op het uitoefenen van de beroepsactiviteit of een gedeelte daarvan, werd opgelegd.
   Deze informatie blijft beperkt tot de volgende elementen:
   1) de identiteit van de beroepsbeoefenaar;
   2) het betreffende gezondheidszorgberoep;
   3) informatie over de nationale autoriteit of rechtbank die de beslissing tot het opleggen van een beperking of verbod heeft genomen;
   4) de reikwijdte van de beperking of het verbod; en
   5) de periode gedurende dewelke de beperking of het verbod van kracht is.
   § 2. De bevoegde autoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten binnen drie dagen nadat de rechtbank de beslissing heeft gewezen, door middel van een waarschuwing via het informatiesysteem interne markt (IMI), in kennis van de identiteit van beroepsbeoefenaars die krachtens dit hoofdstuk een aanvraag tot erkenning van een beroepskwalificatie hebben ingediend en die daarna door een rechtbank schuldig zijn bevonden aan het gebruik van valse opleidingstitels.
   § 3. De verwerking van persoonsgegevens met het oog op het uitwisselen van informatie als bedoeld in de § 1 en § 2 vindt plaats overeenkomstig de Richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG, en de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
   § 4. De bevoegde autoriteiten van alle lidstaten worden onverwijld in kennis gesteld wanneer een verbod of beperking als bedoeld in § 1 afloopt. Daartoe moeten de bevoegde autoriteiten die de informatie overeenkomstig § 1 verstrekken, zowel de einddatum als iedere latere wijziging daarvan meedelen.
   § 5. De beroepsbeoefenaars over wie een waarschuwing naar de andere lidstaten wordt verzonden, worden op hetzelfde ogenblik schriftelijk in kennis gesteld van de beslissingen betreffende de waarschuwing.
   Wanneer er een beroep of een verzoek tot rectificatie tegen de beslissing betreffende de waarschuwing is, wordt deze aangevuld met de verwijzing dat de beroepsbeoefenaar er een procedure tegen heeft ingesteld.
   In geval een onjuiste waarschuwing aan andere lidstaten is toegestuurd, wordt de beslissing over de waarschuwing aangevuld met de verwijzing dat de beroepsbeoefenaar er een procedure tegen heeft ingesteld.
   § 6. Gegevens met betrekking tot waarschuwingen mogen slechts in het informatiesysteem interne markt (IMI) worden verwerkt zolang zij van kracht zijn. Waarschuwingen worden binnen drie dagen nadat de beslissing tot intrekking is genomen of binnen drie dagen zodra het verbod of de beperking als bedoeld in § 1 afloopt, gewist.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-06-27/18, art. 17, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>
  

  Art. 115. Onverminderd de bepalingen van artikel 111 heeft de migrant wiens beroepskwalificaties in België werden erkend overeenkomstig de bepalingen van afdeling 2 of de dienstverrichter die in België werd toegelaten overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3, het recht gebruik te maken van de opleidingstitel die hem werd verleend in de lidstaat van oorsprong of herkomst en, eventueel, van de afkorting daarvan, in de originele taal. Deze opleidingstitel mag worden gevolgd door de naam en de plaats van de instelling of de examencommissie die hem heeft verleend.
  Indien een opleidingstitel zoals wordt bedoeld in het eerste lid kan worden verward met een titel waarvoor in België een aanvullende opleiding is vereist die de migrant of de dienstverrichter niet heeft gevolgd, gebruikt de migrant of de dienstverrichter de Belgische beroepstitel gevolgd door de naam en de plaats van de instelling of de examencommissie die de beroepskwalificatie aan de migrant of de dienstverrichter heeft verleend.

  Art. 116. De overtredingen van de bepalingen van dit hoofdstuk, waarop de strafbepalingen van hoofdstuk 12 niet toepasselijk zijn, worden gestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot 6 maanden en met een geldboete van 150 euro tot 1000 euro of met één van die straffen alleen.

  Art. 117. De Koning kan de voorwaarden en de procedure bepalen volgens de welke de documenten, bedoeld in dit hoofdstuk of in de uitvoeringsbesluiten ervan, in elektronische vorm kunnen worden verwerkt.

  Hoofdstuk 10. De geneeskundige commissies

  Art. 118.§ 1. In elke provincie wordt een geneeskundige commissie opgericht.
  In de provincie Brabant worden nochtans twee geneeskundige commissies opgericht.
  § 2. Elke geneeskundige commissie is samengesteld uit :
  1° een voorzitter, arts;
  2° een ondervoorzitter, arts;
  3° twee leden per in de artikelen 3, § 1, 4, 6, § 1, 43, 45 en 62 bedoeld beroep;
  [1 3°/1 twee klinische psychologen;]1
  [1 3°/2 twee personen bevoegd om de klinische orthopedagogiek uit te oefenen.]1
  4° twee dierenartsen;
  5° een lid per in deze gecoördineerde wet bedoeld beroep andere dan de in de artikelen 3, § 1, 4, 6, § 1, 43, 45 en 62 bedoelde beroepen;
  6° een lid per geregistreerde niet-conventionele praktijk als bedoeld in de wet van 29 april 1999 betreffende de niet-conventionele praktijken inzake de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de kinesitherapie, de verpleegkunde en de paramedische beroepen;
  7° een gezondheidsinspecteur van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Deze gezondheidsinspecteur is de secretaris van de commissie;
  8° een ambtenaar van de inspectie van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten.
  § 3. Aan de in paragraaf 2, 3° tot 6°, bedoelde leden wordt een plaatsvervanger toegevoegd.
  § 4. De voorzitter en de ondervoorzitter worden door de Koning benoemd, op een dubbele lijst van kandidaten die door de nationale raad van de Orde der geneesheren worden voorgedragen. De andere in paragraaf 2, 3° tot 6°, bedoelde gewone en plaatsvervangende leden worden door de Koning benoemd, op een dubbele lijst van kandidaten die voorgedragen worden door de representatieve organisaties van elk der betrokken beroepen. De in paragraaf 2, 7° en 8°, vermelde leden worden aangeduid door de minister bevoegd voor Volksgezondheid.
  § 5. De commissie kan een beroep doen op de medewerking van personen gekozen wegens hun bekwaamheid.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 175, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 119.§ 1. De geneeskundige commissie heeft tot taak, in haar ambtsgebied:
  1° in het algemeen :
  a) aan de overheid alle maatregelen voor te stellen die tot doel hebben bij te dragen tot de volksgezondheid;
  b) te zorgen voor de doeltreffende medewerking van de beoefenaars van de geneeskunde, van de artsenijbereidkunde, van de verpleegkunde, alsook van de beoefenaars van de paramedische beroepen aan de uitvoering van de maatregelen die door de overheid worden getroffen om de quarantaine ziekten of besmettelijke aandoeningen te bestrijden.
  2° in het bijzonder :
  a) de echtheid na te gaan van en het visum te hechten aan de titels van de beoefenaars van de geneeskunde en van de artsenijbereidkunde, van de dierenartsen, van de beoefenaars van de verpleegkunde [2 , van de klinisch psychologen en de klinisch orthopedagogen]2 en van de beoefenaars van de paramedische beroepen;
  b) het visum in te trekken of zijn behoud afhankelijk te maken van de aanvaarding, door de betrokkene, van de opgelegde beperkingen, wanneer, op advies van artsen deskundigen aangeduid door de Nationale Raad van de Orde der Geneesheren of door de Nationale Raad van de Orde waaronder hij ressorteert, vastgesteld wordt dat een gezondheidszorgbeoefenaar bedoeld in deze gecoördineerde wet, een dierenarts of een lid van een geregistreerde niet-conventionele praktijk als bedoeld in de voornoemde wet van 29 april 1999 niet meer voldoet aan de vereiste fysieke of psychische geschiktheden om, zonder risico's, de uitoefening van zijn beroep voort te zetten;
  De beroepsbeoefenaar heeft niet de vrijheid om zich aan het onderzoek door de deskundigen te onttrekken.
  In dat laatste geval kan de geneeskundige commissie, bij eenparige beslissing, het visum intrekken of het behoud ervan afhankelijk maken van het feit dat de betrokkene de beperkingen aanvaardt die hem/haar worden opgelegd gedurende de periode die nodig is om het advies van de deskundige in te winnen. Die periode mag nooit meer dan drie maanden, herhaalbaar zo vaak als nodig, bedragen.
  Wanneer zijn fysieke of psychische ongeschiktheid dusdanig is dat ernstige gevolgen voor de patiënten kunnen worden gevreesd, kan de geneeskundige commissie, bij eenparige beslissing, het visum intrekken of het behoud ervan afhankelijk maken van het feit dat de betrokkene de beperkingen aanvaardt die hem/haar worden opgelegd gedurende de periode die nodig is om het advies van de deskundige in te winnen. Die periode mag nooit meer dan twee maanden, herhaalbaar zo vaak als nodig, bedragen.
  De voorlopige intrekking of het voorwaardelijke behoud van het visum neemt een einde zodra de geneeskundige commissie een definitieve uitspraak heeft gedaan.
  c) onverminderd de bevoegdheid van de personen, belast door of krachtens de wet, met controle- of toezichtsopdrachten :
  1. erover te waken dat de gezondheidszorgberoepen bedoeld in deze gecoördineerde wet, de diergeneeskunde, en de geregistreerde niet-conventionele praktijken bedoeld in de voornoemde wet van 29 april 1999 in overeenstemming met de wetten en reglementen worden uitgeoefend;
  2. het opsporen en mededelen aan het parket van de gevallen van onwettige uitoefening van de gezondheidszorgberoepen bedoeld in deze gecoördineerde wet, van de diergeneeskunde, en van de geregistreerde niet-conventionele praktijken als bedoeld in de voornoemde wet van 29 april 1999;
  d) de opdrachten voorzien bij artikel 28 te vervullen;
  e) de belanghebbende personen van publiek- of privaatrecht in te lichten omtrent de genomen beslissingen, hetzij door haar zelf, [4 ...]4 hetzij door de betrokken Orden, hetzij door de rechtbanken, inzake de uitoefening van zijn activiteit door een gezondheidszorgbeoefenaar bedoeld in deze gecoördineerde wet, een dierenarts of een lid van een geregistreerde niet-conventionele praktijk bedoeld in de voornoemde wet van 29 april 1999.
  De aanduiding van de personen bedoeld in het vorig lid, alsmede de modaliteiten volgens dewelke zij worden ingelicht, worden bepaald door de Koning, op voorstel naargelang het geval, van de nationale raad van de betrokken Orde, van de Federale Raad voor Verpleegkunde [2 , de [3 Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen]3]2 of van de [1 Federale raad voor paramedische beroepen]1, gedaan binnen de door de minister bevoegd voor Volksgezondheid, vastgestelde termijn;
  f) de organen van de bevoegde Orden in kennis te stellen van de beroepsfouten welke aan de beoefenaars die daaronder ressorteren worden ten laste gelegd;
  g) toezicht te houden over de openbare verkopingen waarin geneesmiddelen zijn begrepen.
  h) voor de gezondheidszorgbeoefenaars bedoeld in deze gecoördineerde wet, een dierenarts, of een lid van een geregistreerde niet-conventionele praktijk bedoeld in de voornoemde wet van 29 april 1999, het visum in te trekken of het behoud ervan afhankelijk te maken van aanvaarding door de betrokkene van de beperkingen die zij oplegt wanneer uit een uittreksel van het Strafregister blijkt dat het gerechtelijk verleden van de beoefenaar niet strookt met de uitoefening van zijn beroep of met een deel ervan en dat uit het uittreksel van het Strafregister blijkt dat men veroordeeld is voor feiten die voldoende relevant zijn voor de beroepsuitoefening.
  i) voor de in deze gecoördineerde wet bedoelde gezondheidszorgbeoefenaar of een dierenarts, het visum te schorsen of het behoud ervan afhankelijk te maken van de beperkingen die zij hem oplegt wanneer uit ernstige en eensluidende aanwijzingen blijkt dat de verdere beroepsuitoefening door de betrokkene voor zware gevolgen voor de patiënten of de volksgezondheid doet vrezen.
  De geneeskundige commissie spreekt de schorsing van het visum of het behoud ervan binnen de perken die zij oplegt uit bij eenparige beslissing van de aanwezige leden. Deze maatregel blijft geldig zolang de redenen die hem hebben verantwoord voortduren.
  De geneeskundige commissie maakt een einde aan de maatregel wanneer zij vaststelt dat de redenen die hem hebben verantwoord verdwenen zijn, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van de zorgverstrekker.
  De zorgverstrekker kan daartoe elke maand vanaf de uitspraak van de maatregel een verzoek indienen.
  De beslissing om de schorsing of de beperking van het visum in te trekken wordt genomen bij gewone meerderheid van de stemmen van de aanwezige leden.
  Voorafgaand aan elke beslissing inzake schorsing of beperking van het visum of inzake het behoud of de intrekking van de schorsingsmaatregel krijgt de betrokkene de mogelijkheid om door de geneeskundige commissie te worden gehoord.
  Indien er zware en imminente gevolgen voor de patiënten of de volksgezondheid te vrezen vallen, kan de geneeskundige commissie elke beslissing nemen tot schorsing of beperking van het visum zonder de betrokkene voorafgaand te hebben gehoord. In dat geval wordt de schorsing van het visum of het onderwerpen ervan aan de beperkingen die zij de betrokkene oplegt uitgesproken voor een duur van ten hoogste acht dagen en kan ze niet worden verlengd vooraleer de betrokkene de mogelijkheid heeft gekregen om door de geneeskundige commissie te worden gehoord met betrekking tot de motieven die dergelijke maatregelen verantwoorden.
  § 2. Voor het vervullen van haar algemene taak is de medische commissie samengesteld uit de in artikel 118, § 1, 1° tot 8° bedoelde leden.
  Voor het vervullen van haar speciale opdracht is de commissie uitsluitend samengesteld uit de voorzitter, de ondervoorzitter, de secretaris, het lid of de leden die het beroep van de betrokken persoon of personen vertegenwoordigen of het lid dat de geregistreerde niet-conventionele praktijk als bedoeld in de voornoemde wet van 29 april 1999 van de betrokken persoon of personen vertegenwoordigt.
  § 3. De territoriale bevoegdheid, de organisatie en de werking van de geneeskundige commissie worden door de Koning geregeld.
  § 4. De procedure vóór de commissie in de bij paragraaf 1, 2°, b), c), 2, h) en i), bepaalde gevallen, wordt door de Koning geregeld.
  [5 ...]5
  [5 De belanghebbende kan zich laten bijstaan door personen van zijn keuze]5
  [5 De beslissingen genomen door de commissie worden onmiddellijk medegedeeld aan de raad van de betreffende Orde.]5
  § 5. Paragraaf 1, 2°, a), wordt opgeheven op een door de Koning te bepalen datum.
  ----------
  (1)<W 2016-06-22/03, art. 55, 004; Inwerkingtreding : 11-07-2016>
  (2)<W 2015-05-10/06, art. 176, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (3)<W 2016-07-10/05, art. 14, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (4)<W 2019-04-22/19, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>
  (5)<W 2019-04-22/19, art. 10, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>

  Hoofdstuk 11. Cel medische bewaking

  Art. 120. § 1. De Koning richt, binnen de diensten van de regering, een cel medische bewaking op.
  § 2. De cel heeft als taak:
  1° alle maatregelen ter vrijwaring van de volksgezondheid voor te stellen aan de overheid;
  2° ervoor te zorgen dat de beoefenaars van de geneeskunde, de artsenijbereidkunde en de verpleegkunde alsook de beoefenaars van de paramedische beroepen doeltreffend samenwerken ter uitvoering van de maatregelen die door de overheid worden uitgevaardigd om crisissen inzake volksgezondheid te kunnen beheren en ervoor te zorgen dat de maatregelen genomen op het vlak van de provinciale geneeskundige commissie gecoördineerd worden.

  Art. 121. De Koning kan, op advies van de Hoge Gezondheidsraad, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beroepsactiviteiten reglementeren die gevaarlijk kunnen zijn voor de gezondheid en die uitgevoerd worden door beoefenaars waarvan het beroep niet of nog niet erkend wordt in het kader van deze gecoördineerde wet.
  De bevoegde gezondheidsinspecteurs zijn gemachtigd beslag te leggen op het materieel waarmee en de lokalen te sluiten waarin de activiteiten plaatshebben die een overtreding vormen op de koninklijke besluiten die ingevolge dit artikel worden genomen.

  Hoofdstuk 12. Strafbepalingen en tuchtmaatregelen

  Art. 122.§ 1. Onverminderd de toepassing van de straffen gesteld bij het Strafwetboek, alsook, desgevallend, de toepassing van tuchtmaatregelen:
  1° wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijfduizend euro of met een van die straffen alleen, hij die met overtreding van de artikelen 3, § 1, 4, 6 tot 21, 43, 63 [1 , 68/1, 68/2 of 149]1, gewoonlijk een handeling of handelingen stelt die behoren tot de geneeskunde of de artsenijbereidkunde hetzij zonder houder te zijn van het vereiste diploma of zonder er wettelijk van vrijgesteld te zijn, hetzij zonder te beschikken over het visum van de geneeskundige commissie, hetzij zonder op de lijst van de Orde ingeschreven te zijn wanneer zulks vereist is.
  De beoefenaars van de verpleegkunde en de beoefenaars van de paramedische beroepen vallen niet onder de toepassing van deze bepaling voor de handelingen die zij verrichten ingevolge de artikelen 23 of 24.
  Met dezelfde straffen wordt gestraft de beoefenaar van de geneeskunde of de artsenijbereidkunde die, met overtreding van artikel 39, op om het even welke wijze, zijn medewerking verleent aan een derde of hem zijn naam leent, met het doel hem te onttrekken aan de straffen waarmede de onwettige uitoefening van de geneeskunst of de artsenijbereidkunde gestraft wordt.
  Met dezelfde straffen worden gestraft de beoefenaars bedoeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6 tot 21, 43, 63 [1 , 68/1, 68/2 of 149]1, die de bepaling van artikel 22 overtreden;
  Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die menselijk lichaamsmateriaal of producten toepast op de mens en hierbij een inbreuk pleegt op artikel 41.
  2° worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig euro tot tweeduizend euro of met een van die straffen alleen:
  a) de houdsters van het diploma van vroedvrouw of de in artikel 151 bedoelde personen, die in de uitoefening van hun beroep de in uitvoering van artikel 3, § 2, tweede lid, vastgestelde regels niet naleven;
  b) de beoefenaars bedoeld in de artikelen 3, § 1, en 6 tot 21, die gewoonlijk beoefenaars van de verpleegkunde of beoefenaars van de paramedische beroepen belasten met het verrichten van een of meer handelingen die vallen onder de geneeskunde of de artsenijbereidkunde zonder dat hierbij de ter uitvoering van artikel 23, § 1 en § 2, derde lid, of van artikel 24 bepaalde regels opgevolgd worden;
  c) de houders van het wettelijk diploma van apotheker en de licentiaten in de scheikundige wetenschappen die gewoonlijk analyses van klinische biologie verrichten zonder dat hierbij de door artikel 23, § 2, eerste lid, voorziene regels opgevolgd worden;
  d) de beoefenaar van de verpleegkunde of de beoefenaar van een paramedisch beroep die gewoonlijk een of meer handelingen verricht die vallen onder de geneeskunde of de artsenijbereidkunde zonder dat hierbij de ter uitvoering van artikel 23, § 1 en § 2, derde lid, of van artikel 24 bepaalde regels opgevolgd worden;
  3° Wordt gestraft met de in de bepaling onder 2° bedoelde straffen :
  a) hij, die krachtens de ingevolge artikel 28, § 3, opgelegde maatregelen aan de medische permanentie moet deelnemen, die zijn verplichtingen niet nakomt zonder dat te kunnen verantwoorden door een belemmering als gevolg van het uitvoeren van een dringendere beroepsplicht of van een ander ernstige reden;
  b) elke in artikel 27 bedoelde beoefenaar die, bewust en zonder wettige reden van zijn kant, een lopende behandeling van een patiënt onderbreekt zonder vooraf alle voorzieningen te hebben getroffen om de zorgcontinuďteit te verzekeren;
  c) elke apotheker die, bewust en zonder wettige reden van zijn kant, zijn apotheek tijdelijk of definitief sluit zonder vooraf alle voorzieningen te hebben getroffen om de continuďteit van de uitreiking van de in een aan de gang zijnde voorschrift voorgeschreven geneesmiddelen te verzekeren.
  4° wordt eveneens gestraft met de in 2° bepaalde straffen, hij die, met overtreding van artikel 8, zesde lid, of van artikel 30, de regelmatige en normale uitoefening van de geneeskunde of de artsenijbereidkunde door een persoon die aan de vereiste voorwaarden voldoet, verhindert of belemmert door feitelijkheden of geweld;
  5° wordt gestraft met een boete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro, de beoefenaar van de geneeskunde of de artsenijbereidkunde die de bepalingen van de artikelen 38, § 2, 40, en 42 overtreedt;
  6° wordt gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar en met een geldboete van duizend euro tot honderdduizend euro of met één van die straffen alleen, hij die de bepalingen overtreedt van de koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van artikel 42, derde lid, en van artikel 121.
  
  § 2. In afwijking van de bepalingen van paragraaf 1 is het begrip "gewoonlijk" niet vereist voor degene die:
  1° vroeger wegens onwettige uitoefening van de geneeskunde of van de artsenijbereidkunde werd veroordeeld;
  2° om het even welk reclamemiddel heeft aangewend om de in artikelen 3, § 1, 4, 6 tot 21, 23, 24, 43, [1 , 63, 68/1 en 68/2]1, bedoelde handelingen te kunnen stellen;
  3° in verband met die handelingen, opvallende middelen heeft aangewend of gebruik heeft gemaakt van een titel of van enige benaming, met het doel te doen geloven dat hij wettelijk bevoegd is.
  § 3. In afwachting van de inwerkingtreding van de betrokken code van plichtenleer, worden tuchtmaatregelen toegepast door de Orden waaronder zij ressorteren:
  1° op elke beoefenaar bedoeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6 tot 21, of 63 die de bepalingen van de artikelen 33 en 34 niet naleeft;
  2° op elke beoefenaar bedoeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6 tot 21, of 63 die de bepalingen van artikel 38, § 1, niet naleeft.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 177, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 123. Wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van zesentwintig tot tweeduizend euro of met een van die straffen alleen hij die inbreuk pleegt op de bepalingen van de artikelen 9 tot 19 of de ter uitvoering daarvan getroffen maatregelen.
  De rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de uitgesproken geldboeten en kosten ten laste van hun organen of hun aangestelden.

  Art. 124.Onverminderd de in het Strafwetboek gestelde straffen alsook, desgevallend, de toepassing van tuchtmaatregelen wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van zesentwintig tot tweeduizend euro of met een van deze straffen alleen:
  1° hij die zonder in het bezit te zijn van de vereiste erkenning of zonder te voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 45, § 1, één of meer activiteiten van de verpleegkunde zoals bedoeld in artikel 46, § 1, 1°, uitoefent met de bedoeling er financieel voordeel uit te halen of gewoonlijk één of meer activiteiten zoals bedoeld in artikel 46, § 1, 2° en 3°, uitoefent.
  Die bepaling is niet van toepassing op de personen die gemachtigd zijn de geneeskunde uit te oefenen en op de vroedvrouwen, de zorgkundigen, de hulpverleners-ambulanciers en de beoefenaars van de kinesitherapie en de paramedische beroepen, voor wat de reglementaire uitoefening van hun beroep betreft.
  Ze is evenmin van toepassing op de student in de geneeskunde, de student in de kinesitherapie, de student vroedvrouw en de personen in opleiding voor een paramedisch beroep of voor hulpverlener-ambulancier die de vermelde activiteiten verrichten in het kader van hun opleiding of op de student die de vermelde activiteit verricht in het kader van een erkende opleiding voor het behalen van een in artikel 45, § 1, of in artikel 56, bedoelde erkenning;
  Deze is ook niet van toepassing op personen die deel uitmaken van de omgeving van de patiënt en die, buiten de uitoefening van een beroep, na een door een arts of een verpleegkundige gegeven opleiding, en in het kader van een door deze opgestelde procedure of een verpleegplan, van deze laatsten de toelating krijgen om bij deze welbepaalde patiënt één of meer in artikel 46, § 1, 2°, bedoelde technische verstrekkingen. Een door de arts of de verpleegkundige opgesteld document vermeldt de identiteit van de patiënt en van de persoon die de toelating heeft gekregen. Dit document wijst eveneens de toegelaten technische verstrekkingen, de duur van de toelating evenals de eventuele bijkomende voorwaarden aan die door de arts of de verpleegkundige gesteld worden voor het uitoefenen van de technische verstrekkingen;
  [1 Deze bepaling is evenmin van toepassing op personen die bij derden diagnostische oriëntatietests afnemen, na een opleiding gegeven door een arts of een verpleegkundige en nadat ze van die laatsten de toelating heb-ben gekregen om bij derden een of meerdere technische prestaties te verrichten zoals bedoeld in artikel 46, § 1, 2°, en die noodzakelijk zijn om bovengenoemde oriëntatietests te kunnen afnemen. Het document dat de arts of de verpleegkundige aflevert, vermeldt de identiteit van de persoon die de nodige toestemming krijgt om de toegelaten technische prestaties te verrichten alsook de duur van die toestemming en de eventuele bijkomende voorwaarden die de arts of de verpleegkundige oplegt om de technische prestaties te verrichten. De Koning legt de lijst van de betrokken diagnostische oriëntatietests en de finaliteiten van die tests, de voorwaarden voor het verrichten van die tests vast alsook de voorwaarden waaraan de opleiding en de toestemming die aan het eind daarvan verleend wordt, moeten voldoen.]1
  2° de beoefenaar van de verpleegkunde die, met overtreding van artikel 49, op welke wijze ook, zijn medewerking verleent aan een derde of hem zijn naam leent, met het doel hem te onttrekken aan de straffen waarmee de onwettige uitoefening van de verpleegkunde wordt beteugeld;
  3° hij die, door feitelijkheden of geweld, de regelmatige en normale uitoefening van de verpleegkunde door een persoon die aan de vereiste voorwaarden voldoet, verhindert of belemmert;
  4° hij die aan een persoon die niet in het bezit is van de in artikel 45 bedoelde erkenning, de in artikel 65 bedoelde registratie of de in artikel 56 bedoelde registratie en een geviseerde bekwaamheidstitel of die niet de hoedanigheid heeft van student, zoals bedoeld in 1° van dit artikel, gewoonlijk opdracht of toelating geeft tot het uitoefenen van de verpleegkunde;
  5° hij die gewoonlijk aan een der in artikel 45 of in artikel 65 bedoelde personen een opdracht geeft tot het stellen van een handeling die beschouwd wordt als een uitoefening van de geneeskunde, tenzij het een handeling betreft als bedoeld in artikel 46, § 1, 3°;
  6° de beoefenaar van de verpleegkunde die de verpleegkunde uitoefent in strijd met de reglementen getroffen in uitvoering van artikel 46, § 2;
  7° hij die gewoonlijk aan een van de in artikel 56 bedoelde personen een opdracht geeft tot het stellen van een handeling die beschouwd wordt als behorend tot de geneeskunde.
  8° hij die zonder aan de in artikelen 56 en 60 bedoelde vereiste voorwaarden te voldoen, een of meer verpleegkundige activiteiten uitoefent die aan de zorgkundigen overeenkomstig artikel 59, tweede lid, toegelaten zijn, en meer bepaald diegene die een of meer activiteiten van de verpleegkunde zoals bedoeld in artikel 46, § 1, 1°, uitoefent met de bedoeling er financieel voordeel uit te halen of gewoonlijk een of meer activiteiten zoals bedoeld in artikel 46, § 1, 2°, uitoefent.
  Die bepaling is niet van toepassing op de personen die gemachtigd zijn de geneeskunde uit te oefenen en op de vroedvrouwen, de beoefenaars van verpleegkunde, de hulpverleners-ambulanciers, de beoefenaars van de kinesitherapie en de paramedische beroepen, voor wat de reglementaire uitoefening van hun beroep betreft.
  Ze is evenmin van toepassing op de student in de geneeskunde, de student vroedvrouw, de student in de kinesitherapie en de personen in opleiding voor een paramedisch beroep of voor hulpverlener-ambulancier die de vermelde activiteiten verrichten in het kader van hun opleiding of op de student die de vermelde activiteit verricht in het kader van een erkende opleiding voor het behalen van een in artikel 45, § 1, bedoelde erkenning of een in artikel 56 bedoelde registratie;
  9° de zorgkundige die, met overtreding van artikel 57, op welke wijze ook, zijn medewerking verleent aan een derde of hem zijn naam leent, met het doel hem te onttrekken aan de straffen waarmee de onwettige uitoefening van het beroep van zorgkundige wordt beteugeld;
  10° de zorgkundige die uitoefent in strijd met de reglementen getroffen in uitvoering van artikel 59, tweede lid;
  11° hij die niet over de in artikel 65 bedoelde registratie beschikt, oefent één of meer verpleegkundige activiteiten uit die aan de hulpverlener-ambulancier overeenkomstig artikel 66, tweede lid, toegelaten zijn, en meer bepaald diegene die een of meer activiteiten zoals bedoeld in artikel 46, § 1, 1°, uitoefent met de bedoeling er financieel voordeel uit te halen, of gewoonlijk één of meer activiteiten zoals bedoeld in artikel 46, § 1, 2° en 3°, uitoefent.
  Die bepaling is niet van toepassing op de personen die gemachtigd zijn de geneeskunde uit te oefenen en op de vroedvrouwen, de beoefenaars van verpleegkunde, de zorgkundigen, de beoefenaars van de kinesitherapie en de paramedische beroepen, voor wat de reglementaire uitoefening van hun beroep betreft.
  Ze is evenmin van toepassing op de student in de geneeskunde, de student vroedvrouw, de student in de kinesitherapie en de personen in opleiding voor een paramedisch beroep of voor hulpverlener-ambulancier die de vermelde activiteiten verrichten in het kader van hun opleiding of op de student die de vermelde activiteit verricht in het kader van een erkende opleiding voor het behalen van een in artikel 45, § 1, bedoelde erkenning of een in artikel 56 bedoelde registratie;
  12° de hulpverlener-ambulancier die, met overtreding van artikel 67, op welke wijze ook, zijn medewerking verleent aan een derde of hem zijn naam leent, met het doel hem te onttrekken aan de straffen waarmee de onwettige uitoefening van het beroep van hulpverlener-ambulancier wordt beteugeld;
  13° de hulpverlener-ambulancier die uitoefent in strijd met de besluiten getroffen in uitvoering van artikel 66, tweede lid.
  ----------
  (1)<W 2016-12-18/02, art. 96, 008; Inwerkingtreding : 06-01-2017>

  Art. 125. Onverminderd de toepassing van de in het Strafwetboek gestelde straffen alsook, desgevallend, de toepassing van tuchtmaatregelen, wordt gestraft met een geldboete van tweehonderd euro tot duizend euro:
  1° hij die, met overtreding van artikel 48, artikel 56 of artikel 65, zich in het openbaar een beroepstitel toe-eigent waarop hij geen aanspraak mag maken;
  2° hij die, met overtreding van artikel 50, artikel 58 of artikel 68, een beroepstitel toekent aan bij hem tewerkgestelde personen, waarop deze laatsten geen aanspraak mogen maken.
  In dit geval zijn de werkgevers en de lastgevers burgerlijk aansprakelijk voor de geldboeten uitgesproken ten laste van hun aangestelden of lastnemers, wegens overtreding gepleegd bij de uitvoering van hun contract.

  Art. 126. Onverminderd de toepassing van de straffen gesteld bij het Strafwetboek, alsook, desgevallend, de toepassing van tuchtmaatregelen wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van zesentwintig euro tot tweeduizend euro of met een van die straffen alleen:
  1° hij die zonder aan de vereiste voorwaarden te voldoen om de geneeskunde of de artsenijbereidkunde uit te oefenen, of geen houder is van een vereiste bekwamingstitel, of zonder te beschikken over het in artikel 25 bepaalde visum, gewoonlijk prestaties verricht, zoals die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of handelingen uitvoert die zijn bepaald in artikel 69, 2° en 3°.
  Die bepaling is niet van toepassing op de student die de voormelde werkzaamheden verricht in het kader van de wettelijke en reglementsbepalingen betreffende het opleidingsprogramma dat het mogelijk maakt één van de in artikel 45, artikel 56, artikel 65 of artikel 71, § 1, bepaalde titels te verwerven, noch op de student in de geneeskunde of de artsenijbereidkunde in het kader van zijn opleiding.
  Die bepaling is ook niet van toepassing op de beoefenaar van de verpleegkunde, de zorgkundige of de hulpverlener-ambulancier die in het kader van zijn beroep handelingen verricht die zijn bepaald in artikel 46;
  2° de voor de toepassing van hoofdstuk 7 als bevoegd beschouwd persoon die, in overtreding van artikel 75, op welke wijze ook zijn medewerking of zijn bijstand verleent aan een niet bevoegde derde, met het doel het deze laatste mogelijk te maken een paramedisch beroep uit te oefenen;
  3° hij die, door feitelijkheden of door geweld, de geregelde en normale uitoefening van een paramedisch beroep door een persoon die aan de vereiste voorwaarden voldoet, verhindert of belemmert;
  4° hij die een persoon die niet beschikt over een vereiste bekwamingstitel, of die niet de hoedanigheid heeft van student zoals bepaald in 1°, gewoonlijk belast met de uitoefening van een paramedisch beroep of hem daartoe gewoonlijk de machtiging verleent;
  5° hij die één van de in artikel 72 bepaalde personen, gewoonlijk belast met de uitoefening van een handeling die wordt beschouwd als een uitoefening van de geneeskunst, behalve wanneer het gaat om een handeling bepaald in artikel 23, § 1, eerste lid, en § 2, derde lid, of in artikel 24;
  6° de beoefenaar van een paramedisch beroep, die de ter uitvoering van artikel 141, tweede lid, genomen reglementen, overtreedt.

  Art. 127. Onverminderd de toepassing van de straffen gesteld bij het Strafwetboek, wordt gestraft met een geldboete van tweehonderd euro tot duizend euro:
  1° hij die, in overtreding van artikel 73 zich in het openbaar een beroepstitel toe-eigent zonder er recht op te hebben;
  2° hij die, in overtreding van artikel 74, een beroepstitel toekent aan personen die hij, zelfs kosteloos, te werk stelt, en die er geen recht op heeft.
  In dit geval zijn de werkgevers en lastgevers burgerlijk aansprakelijk voor de geldboeten uitgesproken ten laste van hun aangestelden of lastnemers wegens overtredingen gepleegd bij de uitvoering van hun contract.

  Art. 128. Onverminderd de toepassing van de straffen gesteld bij het Strafwetboek en onverminderd, desgevallend, de toepassing van tuchtmaatregelen, wordt gestraft met een boete van tweehonderd euro tot duizend euro:
  1° Hij die, met overtreding van artikel 86, zich in het openbaar een bijzondere beroepstitel of een bijzondere beroepsbekwaming toe-eigent zonder het recht hiertoe te hebben;
  2° Hij die, met overtreding van artikel 87, een bijzondere beroepstitel of een bijzondere beroepsbekwaamheid toekent aan personen, die hij tewerkstelt, zelfs als vrijwilligers, en hierop het recht niet hebben.
  In dit geval zijn de werkgevers en lastgevers burgerlijk aansprakelijk voor de geldboeten uitgesproken ten laste van hun aangestelden of lastnemers, wegens overtredingen gepleegd bij de uitvoering van hun contract.

  Art. 128/1. [1 Onverminderd de toepassing van de bij het Strafwetboek gestelde straffen, wordt gestraft met een geldboete van 200 euro tot 1.000 euro :
   1° hij die, in overtreding van artikel 68/1, § 3, of 68/2, zich in het openbaar een beroepstitel toe-eigent zonder er recht op te hebben;
   2° hij die, in overtreding van artikel 68/1, § 3, of 68/2, ten onrechte een beroepstitel toekent aan personen die hij, zelfs kosteloos, tewerkstelt.
   In het in het eerste lid, 2°, bedoelde geval zijn de werkgevers en lastgevers burgerlijk aansprakelijk voor de geldboeten uitgesproken ten laste van hun aangestelden of lastnemers wegens bij de uitvoering van hun contract gepleegde misdrijven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-05-10/06, art. 178, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  

  Art. 129.Onverminderd de toepassing van de straffen gesteld bij het Strafwetboek, alsook, desgevallend, de toepassing van tuchtmaatregelen, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van zesentwintig euro tot tweeduizend euro of met één van die straffen alleen, hij die met overtreding van een beslissing van een geneeskundige commissie [2 ...]2, de uitoefening van de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, [1 van de verpleegkunde, van de klinische psychologie, van de klinische orthopedagogiek of van een paramedisch beroep]1 voortzet, zonder de hem opgelegde beperkingen na te komen.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 179, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (2)<W 2019-04-22/19, art. 11, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>

  Art. 130. In geval van herhaling, binnen drie jaar na een vonnis van veroordeling dat kracht van gewijsde heeft verkregen, wegens inbreuk op deze gecoördineerde wet of op de uitvoeringsbesluiten, kunnen de bepaalde straffen verdubbeld worden, zonder een gevangenisstraf van zes maanden of een geldboete van vijftigduizend euro te mogen overschrijden.

  Art. 131. § 1. In geval van veroordeling wegens onwettige uitoefening van de geneeskunde, de artsenijbereidkunde, de verpleegkunde of van prestaties die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1 of van handelingen die bedoeld zijn bij artikel 69, 2° en 3°, kan de rechter, in het belang van de volksgezondheid, de bijzondere verbeurdverklaring uitspreken, zelfs wanneer de veroordeelde niet eigenaar is van de verbeurdverklaarde voorwerpen.
  In geval van veroordeling wegens inbreuk op de bepalingen van de artikelen 9 tot 19, of van de ter uitvoering daarvan getroffen maatregelen, kan de rechter de verbeurdverklaring uitspreken van alle geneesmiddelen, toestellen en instrumenten dienende voor de exploitatie van de apotheek of ertoe bestemd, zelfs wanneer de veroordeelde er niet eigenaar van is.
  § 2. De rechter kan, in het belang van de volksgezondheid, de uitoefening van het beroep voor een maximum duur van twee jaar verbieden aan:
  1° de in de zin van hoofdstuk 4 of hoofdstuk 6 bevoegde personen die schuldig worden bevonden aan een van de in artikelen 124, 125, en 129 bedoelde inbreuken;
  2° de in de zin van hoofdstuk 7 bevoegde personen die schuldig worden bevonden aan een van de in de artikelen 126, 127, en 129 bedoelde inbreuken.

  Art. 132. De bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn op de door deze gecoördineerde wet bepaalde misdrijven toepasselijk.

  Hoofdstuk 13. Algemene bepalingen

  Art. 132/1. [1 § 1. Indien voor de toegang tot een beroepstitel van een gezondheidszorgberoep, een bijzondere beroepstitel of een bijzondere beroepsbekwaamheid, een beroepsstage moet worden volbracht, worden de beroepsstages erkend die in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die geen lid is van de Europese Unie, of in een Staat waarmee de Europese Unie en haar lidstaten een associatieovereenkomst afgesloten hebben die in werking is getreden en die bepaalt dat, in het kader van de toegang tot en de uitoefening van een beroepsactiviteit, hun onderdanen niet gediscrimineerd mogen worden op grond van hun nationaliteit, gevolgd zijn, mits de stage in overeenstemming is met de in § 2 bedoelde gepubliceerde richtsnoeren.
   In dit kader, wordt er ook rekening gehouden met een in een derde land gevolgde beroepsstage mits de stage in overeenstemming is met de in § 2 bedoelde richtsnoeren.
   Een redelijke beperking betreffende de duur van het deel van de beroepsstage die in het buitenland mag worden gevolgd, kan door de Koning bepaald worden.
   § 2. De erkenning van de beroepsstage komt niet in de plaats van het afleggen van een eventuele voor de toegang tot het beroep in kwestie vereiste proef. De richtsnoeren voor de organisatie en de erkenning van beroepsstages, die in een andere lidstaat of in een derde land worden gevolgd, met name betreffende de rol van de supervisor van de beroepsstage, worden door de Koning bepaald.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-06-27/18, art. 18, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>
  

  Art. 133.De Koning bepaalt de toelagen, vergoedingen en vacatiegelden die mogen worden verleend aan de voorzitter, de ondervoorzitter en de andere leden van de geneeskundige commissies, [4 ...]4 de Federale Raad voor de Kinesitherapie, de Federale Raad voor Verpleegkunde [2 , de [3 Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen]3]2 en de [1 Federale raad voor paramedische beroepen]1, alsmede aan al de personen die, wegens hun bevoegdheid worden opgeroepen.
  De bijdragen, bedoeld in de artikelen 25, 47, en 72 mogen ten hoogste op 1.500 frank worden vastgesteld. Dit laatste bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer 114,20 en verandert overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingen waarmee rekening dient gehouden te worden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen wordt gekoppeld.
  ----------
  (1)<W 2016-06-22/03, art. 55, 004; Inwerkingtreding : 11-07-2016>
  (2)<W 2015-05-10/06, art. 180, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (3)<W 2016-07-10/05, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (4)<W 2019-04-22/19, art. 12, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>

  Art. 134. Onverminderd het artikel 42, tweede lid, van deze gecoördineerde wet, mogen de documenten bedoeld in deze gecoördineerde wet of in de uitvoeringsbesluiten ervan, zodra beschikbaar, in elektronische versie worden ingediend voor zover deze bewijskracht bezit overeenkomstig artikel 36/1, § 1, van de wet van 21 augustus 2008 houdende oprichting en organisatie van het eHealth-platform en diverse bepalingen.

  Art. 135. De Koning kan minimumcriteria vaststellen waaraan de programmatuur voor het beheer van het elektronisch medisch en verpleegkundig dossier moet beantwoorden om gehomologeerd te worden door de minister bevoegd voor Volksgezondheid.
  De criteria waaraan de programmatuur voor het beheer van het elektronisch medisch en verpleegkundig dossier moet beantwoorden om gehomologeerd te worden, kunnen onder andere betrekking hebben op de volgende aspecten: de te vervullen functies, de interne medische en verpleegkundige gegevensbanken in de programmatuur en hun onderlinge uitwisselbaarheid, de opbouw van het patiëntendossier, de codificatie van de aandoeningen, de toepassingen van de statistieken, de hulp bij de diagnose, de hulp bij de therapie en het voorschrift, de lijst van anonieme en niet-anonieme medische en verpleegkundige gegevens met betrekking tot patiënten die uitwisselbaar moeten zijn, alsook het gebruik van de sociale zekerheidskaart en de facturatie aan de verzekeringsinstellingen.
  De criteria zijn vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op advies van een multidisciplinaire werkgroep die de Koning aanwijst.
  De in het derde lid bedoelde werkgroep moet, wanneer hij een advies over deze criteria verstrekt, minstens een vertegenwoordiger van de minister bevoegd voor Volksgezondheid, van de minister bevoegd voor Sociale Zaken, van de minister bevoegd voor Justitie en van de minister bevoegd voor Economische Zaken en vertegenwoordigers van de desbetreffende beroepsgroepen bevatten.
  Op basis van het advies van de in het derde lid bedoelde multidisciplinaire werkgroep die gevormd werd overeenkomstig het vierde lid, kan de minister de programmatuur voor het beheer van het elektronisch medisch en verpleegkundig dossier homologeren.

  Art. 136.Aan de beoefenaars bedoeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6 tot 21, 23, § 2, 43, 45, 63 [1 , 68/1, 68/2 en 69]1, die patiëntengegevens registreren en anoniem overzenden aan de minister bevoegd voor Volksgezondheid en [2 aan Sciensano]2, kan een toelage toegekend worden binnen de grenzen van de op de begroting van het departement dat belast is met de toepassing van deze gecoördineerde wet, uitgetrokken kredieten.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de aard en bestemming van deze gegevens, de overige voorwaarden waaraan de registratie van de gegevens en de voorwaarden waaraan bedoelde beoefenaars moeten beantwoorden, alsmede de voorwaarden voor de toekenning van de toelage.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 181, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (2)<KB 2018-03-28/02, art. 9, 013; Inwerkingtreding : 01-04-2018>

  Art. 137. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gegevens preciseren die moeten worden geregistreerd, alsook de regelen inzake registratie en inzake veiligheid die moeten worden nageleefd met betrekking tot bepaalde ziekten of anomalieën.

  Art. 138.§ 1. De Staat kan met de verzekeringsinstellingen bedoeld in de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994, en voor de pathologieën met betrekking tot kanker, een stichting van openbaar nut, zoals bedoeld in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, oprichten met het oog op de volgende doelstellingen:
  1° het opmaken van verslagen betreffende de incidentie van de verschillende vormen van kanker, alsook de prevalentie ervan en de overleving van de patiënten;
  2° het verrichten van studies (case-controle en cohort-studie) over de oorzaken van kanker;
  3° een analyse van de geografische spreiding van de verschillende vormen van kanker, de incidentie, de trends en de gevolgen ervan, zodat de mogelijke oorzaken kunnen worden onderzocht en de risicofactoren kunnen worden vergeleken;
  4° het rapporteren aan de bevoegde internationale instanties, met inbegrip van de Wereldgezondheidsorganisatie.
  De Koning kan nadere regelen bepalen met betrekking tot de bevoegdheden van deze Stichting, alsook de wijze waarop deze worden uitgevoerd.
  § 2. De Stichting verzamelt en registreert de volgende gegevens:
  1° het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) van de patiënt;
  2° de klinische gegevens, verzameld in het kader van de verplichte deelname aan de kankerregistratie zoals voorzien in artikel 11, § 1, van het koninklijk besluit van 21 maart 2003 houdende vaststelling van de normen waaraan het zorgprogramma voor oncologische basiszorg en het zorgprogramma voor oncologie moeten voldoen om erkend te worden:
  a) wanneer het gevallen van kanker betreft die in aanmerking komen voor de terugbetaling van een multidisciplinair oncologisch consult, moeten de gegevens door de oncologisch coördinator van het multidisciplinair consult op het standaard kankerregistratieformulier worden ingevuld en worden overgezonden aan de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling van de patiënt.
  De adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling bezorgt de gegevens daarna aan de Stichting;
  b) wanneer het klinische gegevens betreft omtrent kankers die niet in aanmerking komen voor de vergoeding van een multidisciplinair oncologisch consult moeten deze gegevens samen met het identificatienummer van de patiënt op het standaard kankerregistratieformulier door de verantwoordelijke artsen aan de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling van de patiënt worden overgezonden, die de gegevens daarna bezorgt aan de Stichting;
  3° a) de gegevens van de diensten voor pathologische anatomie en klinische biologie/hematologie.
  De artsen van elk laboratorium voor pathologische anatomie, klinische biologie of hematologie moeten de resultaten van de onderzoeken die een diagnose van kanker bevestigen en de resultaten in het kader van een vroegtijdige diagnose van kanker registreren.
  Voor de registratie gebruiken zij de classificaties voor pathologische anatomie, respectievelijk hematologie, goedgekeurd door het College voor Oncologie in overleg met het "Consilium Pathologicum Belgicum", de Belgische Vereniging voor Hematologie en de Belgische Vereniging voor Klinische Biologie.
  Zij bezorgen deze geregistreerde gegevens met het identificatienummer, het verslag en de erin vervatte conclusies rechtstreeks aan de Stichting;
  b) de gegevens verwerkt door de gemeenschappen, in de uitoefening van hun bevoegdheid inzake de preventie van kanker en eventueel bezorgd door deze;
  4° de gegevens van de overleving, van de geografische lokalisatie.
  De verzekeringsinstellingen vullen de klinische, de patholooganatomische en de hematologische gegevens aan met :
  a) de overlijdensdatum;
  b) een geocode of geografische code;
  c) andere gegevens, waaronder socio-economische, gegevens van en behandeling en verstrekkingen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, na machtiging van [2 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]2;
  5° wanneer de adviserend geneesheren van de verzekeringsinstellingen op basis van terugbetaalde prestaties in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging geďnformeerd zijn over een diagnose van kanker bij een patiënt of indien de patiënt een onderzoek heeft ondergaan in het kader van een screeningsprogramma voor kanker, mogen zij contact opnemen met de verantwoordelijke arts met als doel om de vereiste gegevens aan de Stichting over te zenden;
  6° de oncologisch coördinator van een erkend zorgprogramma voor oncologische basiszorg en/of zorgprogramma voor oncologie kan een aanvraag doen bij de Stichting en de Verzekeringsinstellingen voor het rechtstreeks sturen van een reeks van gegevens aan de Stichting. De Stichting bepaalt de frequentie en de formaten waarin deze gegevens moeten worden overgezonden;
  7° een erkend zorgprogramma voor oncologie kan, op aanvraag, bij de Stichting een verbeterd of vervolledigd elektronische kopie verkrijgen van de gegevens die door deze aan de Stichting overgemaakt worden.
  § 3. De Stichting wordt onder meer belast met :
  1° de conversie van de klinische informatie op de gestandaardiseerde kankerregistratieformulieren naar internationaal erkende classificaties in samenwerking met de medische adviseurs of hun medewerkers van de verzekeringsinstellingen die hiervoor zijn opgeleid;
  2° de koppeling van de gegevens op basis van het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) van de patiënt;
  3° alle analyses van niet gecodeerde persoonsgegevens;
  4° de codering van het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) van de patiënt;
  5° de kwaliteitscontrole van de verzamelde gegevens. Onder kwaliteitscontrole wordt verstaan het nagaan van de exhaustiviteit en de volledigheid van de registratie, de precisie en de onderlinge samenhang van de aangeleverde gegevens.
  In het kader van deze kwaliteitscontrole staat de Stichting in voor de rechtstreekse of onrechtstreekse contacten, via de adviserende geneesheren van de verzekeringsinstellingen, met de leveranciers van de gegevens en zij kan aan al deze instanties informatie, aanpassingen en bijkomende gegevens vragen om een kwaliteitsvolle kankerregistratie te garanderen;
  6° het afsluiten van conventies die de modaliteiten bepalen van de overdracht van de gegevens, de kwaliteitscriteria, de veiligheidsvereisten, de frequentie van de overdracht van de gegevens;
  7° na machtiging van [2 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]2 het verzamelen van persoonsgegevens, meer bepaald door middel van enquętes, bij patiënten met kanker voor zover deze gegevens bestemd zijn om gekoppeld te worden met gegevens van de Stichting;
  8° na machtiging van [2 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]2, het overmaken van gecodeerde kopie van gegevens inzake kankerregistratie aan het federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg, het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, het Intermutualistisch Agentschap en [1 Sciensano]1;
  9° na de machtiging van [2 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]2, het overmaken van in 8° bedoelde gegevens aan andere instanties voor onderzoeksdoeleinden en op basis van een onderzoeksprotocol dat aan de door de Koning bepaalde regelen voldoet;
  10° het actualiseren en het opslaan van deze gegevens volgens de fysieke en logische veiligheidsvoorschriften;
  11° het ter beschikking stellen van rapporten en resultaten onder vorm van geaggregeerde gegevens aan de minister bevoegd voor Volksgezondheid, de minister bevoegd voor Sociale Zaken, de gemeenschappen en het college van oncologie;
  12° het opstellen van rapporten voor het gezondheidsbeleid, het algemeen publiek en de internationale organisaties.
  § 4. Wat de toepassing van dit artikel betreft, is de Stichting de beheersinstelling zoals bedoeld in artikel 31bis van de Wet Persoonlijke Levenssfeer van 8 december 1992.
  De Stichting dient strikte organisatorische en technische veiligheidsmaatregelen te nemen om de bescherming van de gegevens te garanderen en meer bepaald :
  1° het opstellen van een veiligheidsplan dat overgezonden wordt aan [2 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]2;
  2° een veiligheidsconsulent aan te wijzen die in het bijzonder belast is met :
  a) het opstellen van minimale normen betreffende de fysieke en logische veiligheid van de gegevens;
  b) het opstellen van een controlelijst die toelaat om het toepassen van deze minimale normen betreffende de fysieke en logische veiligheid van de gegevens na te gaan;
  c) het formuleren van een advies aan [2 de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité]2;
  3° een arts-directeur aan te wijzen die als opdracht heeft te waken over de vertrouwelijkheid van de gegevens en er voor te zorgen dat zijn medewerkers slechts toegang hebben tot die gegevens die ze werkelijk nodig hebben bij het uitoefenen van hun taak;
  4° het voorzien van een clausule met betrekking tot de vertrouwelijkheid in de arbeidsovereenkomst met elk personeelslid van de Stichting dat toegang heeft tot de gegevens.
  § 5. De Koning kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van dit artikel.
  ----------
  (1)<KB 2018-03-28/02, art. 10, 013; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  (2)<W 2018-09-05/01, art. 94, 014; Inwerkingtreding : 10-09-2018>

  Art. 139. § 1. Binnen de stichting van openbaar nut Kankerregister wordt een raadgevend comité van gebruikers van de gegevens van de stichting Kankerregister (hierna "het raadgevend comité van gebruikers") opgericht.
  § 2. Dit raadgevend comité van gebruikers heeft als opdracht:
  1° de supervisie en de evaluatie van de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de kankerregistratie;
  2° het formuleren van voorstellen aan de Stichting Kankerregister met het oog op het optimaliseren van de registratie en van de analyse van de gegevens;
  3° het evalueren van de wetenschappelijke rapporten die zijn opgesteld door de Stichting Kankerregister in het kader van de opdrachten rond kankerregistratie die haar door de bevoegde overheden of erkende internationale organisaties zijn toevertrouwd;
  4° het evalueren van de ontvankelijkheid van de aanvragen die gericht worden aan de Stichting Kankerregister binnen de context van haar opdrachten en doelstellingen, en het formuleren van adviezen aan de Stichting Kankerregister wat betreft het voorrang geven aan de aanvragen wanneer ze in het operationeel plan van de Stichting moeten worden opgenomen;
  5° het organiseren van overleg over het kankeronderzoek dat uitgevoerd wordt op basis van de kankerregistratiegegevens.
  § 3. De opdracht van het raadgevend comité van gebruikers kan door de Koning worden uitgebreid.
  De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van het raadgevend comité van gebruikers.

  Art. 140. § 1. De koninklijke besluiten bepaald in de artikelen 3, § 1, 4, derde lid, 6, § 1, 23, § 2, eerste lid, en 62, § 2 worden genomen op eensluidend advies van de Academiën voor geneeskunde, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de Minister.
  Over de koninklijke besluiten bedoeld in dit artikel wordt beraadslaagd in de Ministerraad.
  § 2. De adviezen van de academiën worden uitgebracht bij de meerderheid der stemmende leden in de betreffende tak van de geneeskunst. Wanneer paragraaf 1 toegepast wordt, moet deze meerderheid de drie vierden bedragen.
  Indien een aangelegenheid die ter beraadslaging voorligt verschillende takken van de geneeskunst betreft, wordt het advies gegeven bij een meerderheid van de drie vierden van de stemmende leden in elk van de betreffende takken van de geneeskunst.
  § 3. Wanneer de Minister een advies inwint stelt hij de termijn vast waarin dit advies dient te worden uitgebracht; deze termijn mag niet korter zijn dan vier maanden. Indien het advies niet wordt uitgebracht binnen de aldus vastgestelde termijn wordt het geacht positief te zijn.
  § 4. De adviezen en voorstellen bedoeld in dit artikel worden openbaar gemaakt zodra de raadpleging beëindigd is.

  Art. 141.De in artikelen 23, § 1, tweede en derde lid, 46, § 3, en 148, § 1, vierde lid, bedoelde koninklijke besluiten worden getroffen op eensluidend advies van de in artikel 55 bedoelde Technische Commissie voor Verpleegkunde.
  De in de artikelen 23, § 1, eerste en derde lid, § 2, derde en vierde lid, 24, en 71, § 1, bedoelde koninklijke besluiten worden getroffen op [1 ...]1 advies van de in artikel 84 bedoelde Technische Commissie voor de paramedische beroepen.
  ----------
  (1)<W 2016-06-22/03, art. 54, 004; Inwerkingtreding : 11-07-2016>

  Art. 142. De Koning kan, na advies van de Raad voor Medische Esthetiek, de in artikel 2, 1° en 2°, van de wet van 23 mei 2013 'tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen' bedoelde niet-heelkundige esthetisch-geneeskundige of esthetisch-heelkundige ingrepen nader omschrijven.

  Art. 143. De koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van artikel 43 worden vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Ze worden genomen na raadpleging door de minister bevoegd voor Volksgezondheid, van de Federale Raad voor de Kinesitherapie en van de Koninklijke Academiën voor Geneeskunde. De Minister kan deze adviezen inwinnen binnen een termijn die niet langer dan drie maanden mag zijn. Na het verstrijken van deze termijn wordt het advies geacht te zijn gegeven.
  Indien een in het eerste lid bedoeld koninklijk besluit afwijkt van het advies verstrekt door de Federale Raad voor de Kinesitherapie, moet dit advies samen met het verslag aan de Koning dat de afwijkingen tussen het koninklijk besluit en het advies rechtvaardigt, en met de tekst ervan, worden bekendgemaakt.

  Art. 143/1.[1 De koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van artikel 68/1 en artikel 68/2 worden uitgevaardigd na advies van de [2 Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen]2, uitgebracht hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de minister bevoegd voor Volksgezondheid.
   Wanneer de minister om het advies verzoekt, brengt de [2 Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen]2 zijn advies uit binnen vier maanden. Na het verstrijken van die termijn wordt het advies geacht uitgebracht te zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-05-10/06, art. 182, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (2)<W 2016-07-10/05, art. 16, 007; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 143/2. [1 De koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van de artikelen 6 tot en met 8 worden uitgevaardigd na advies van de Federale Raad voor de apothekers, uitgebracht hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de minister bevoegd voor Volksgezondheid.
   Wanneer de minister om het advies verzoekt, brengt de Federale Raad voor de apothekers zijn advies uit binnen vier maanden.
   Na het verstrijken van die termijn wordt het advies geacht uitgebracht te zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-04-22/19, art. 14, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>
  

  Art. 144.Worden beschouwd als niet geschreven zijnde de bepalingen van de overeenkomsten die tegenstrijdig zijn met de bepalingen van de in de artikelen 3, § 1, derde lid, 4, derde lid, 6, § 1, derde lid, 23, 24, [1 46, § 1, 2°, 68/1, § 4, 68/2, § 4, en 71, § 1]1, genoemde koninklijke besluiten.
  Bij overgangsmaatregel mogen de bepalingen van de overeenkomsten die, op de datum van de inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde besluiten bestonden, en die er tegenstrijdig mede zijn, verder uitwerking hebben tot de eerste dag van de zevende maand die volgt op de genoemde datum van inwerkingtreding.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 183, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 145.[1 § 1. Andere buitenlanders dan Europese onderdanen, wier buitenlands diploma gelijkwaardig werd verklaard door de bevoegde autoriteiten van een gemeenschap en die in België beroepsactiviteiten wensen uit te oefenen vermeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6, 23, § 2, 43, 45, 56, 63, 68/1 of 68/2 of die in aanmerking wensen te komen voor het uitoefenen van een paramedisch beroep in overeenstemming met hoofdstuk 7, kunnen pas hun beroep uitoefenen, nadat zij hiertoe door de Koning toegelaten werden en nadat zij bovendien de andere voorwaarden voor het uitoefenen van hun beroep, vermeld in deze gecoördineerde wet, vervuld hebben.
   § 2. De personen vermeld in paragraaf 1 moeten, conform onderstaande voorwaarden, een gedateerde, ondertekende en gemotiveerde aanvraag tot uitoefening van hun beroep indienen bij de minister bevoegd voor Volksgezondheid.
   De aanvraag moet vergezeld gaan van de bewijsstukken waaruit blijkt dat de aanvrager de gelijkwaardigheid van diploma en, in voorkomend geval, de erkenning of de registratie heeft bekomen voor het beroep in kwestie.
   De aanvrager voegt bij zijn aanvraag ook een getuigschrift of, bij ontstentenis elk ander bewijsmiddel waarin wordt bevestigd dat op het moment van de aanvraag, tijdelijk of permanent geen beroepsbeperking of beroepsverbod werd opgelegd door de nationale autoriteiten of rechtbanken van de landen waar de aanvrager het beroep heeft uitgeoefend.
   De aanvraag wordt voorafgaandelijk voor advies voorgelegd aan de Raad voor het desbetreffende beroep.
   Voor de beroepen van arts en tandarts, kan de Koning, na advies van de Planningscommissie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure en de modaliteiten bepalen volgens dewelke het maximum aantal visa wordt vastgesteld die op basis van dit artikel afgeleverd kunnen worden.
   § 3. Niet-Europese vreemdelingen die houder zijn van een diploma afgegeven door een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig een van de in hoofdstuk 9 bedoelde Richtlijnen, vallen niet onder de toepassing van dit artikel. Voor de toepassing van deze gecoördineerde wet worden deze personen gelijkgesteld aan Europese onderdanen.]1
  ----------
  (1)<W 2019-04-22/19, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>

  Art. 145/1. [1 § 1. In geval van een uitzonderlijke medische verstrekking waarbij de artsen die de verantwoordelijkheid dragen voor dit geval in België niet beschikken over de nodige medisch-technische expertise om de voor de behandeling vereiste handelingen correct uit te voeren bij de patiënt die onmogelijk medisch verantwoord kan verplaatst worden, mag een buitenlandse arts, andere dan Europees onderdaan, die gekend is voor zijn kennis van de desbetreffende medisch-technische expertise, en die in België uitzonderlijk bepaalde geneeskundige handelingen bedoeld in artikel 3, § 1, wenst te komen uitvoeren met het oog op het behandelen van dit uitzonderlijke geval, deze handelingen pas uitvoeren na daartoe te zijn gemachtigd door de Koning.
   De machtiging tot uitoefening is geldig voor een termijn van maximum 60 dagen en wordt niet aan de betrokken arts afgeleverd dan nadat de volgende voorwaarden gerespecteerd zijn:
   a) de betrokken arts komt tussen op verzoek van de arts die verantwoordelijk is voor het geval dat de uitzonderlijke medische verstrekking vereist;
   b) de uitvoering van de toegelaten medische handelingen vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de arts die verantwoordelijk is voor de behandeling;
   c) de tussenkomst van de betrokken arts is gedekt door een beroepsverzekering.
   § 2. De desbetreffende arts dient een gedateerde, ondertekende en gemotiveerde aanvraag tot uitoefening van zijn beroep in bij de minister bevoegd voor Volksgezondheid. Daarin preciseert hij de uitzonderlijke medische verstrekking in kwestie en de medisch-technische expertise die zijn tussenkomst rechtvaardigt.
   De aanvraag dient vergezeld te zijn van:
   a) de machtiging tot uitoefening van het land waar hij gewoonlijk zijn beroep uitoefent, en
   b) een getuigschrift of, bij ontstentenis, elk ander bewijsmiddel waarin wordt bevestigd dat tijdelijk of permanent geen beroepsbeperking of beroepsverbod werd opgelegd door de nationale autoriteiten of rechtbanken van het land waar de aanvrager gewoonlijk zijn beroep uitoefent.
   Bij de ontvangst van het volledig dossier van de aanvraag, antwoordt het Directoraat-generaal "Gezondheidszorg" van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu die de aanvraag behandelt, op de aanvraag binnen een termijn van maximum 20 werkdagen. In geval van toelating brengt het Directoraat-generaal de provinciale geneeskundige commissie hiervan op de hoogte.
   § 3. De arts aan wie aldus een uitzonderlijke toelating wordt verleend is vrijgesteld van de vereisten die worden opgelegd aan de artsen gevestigd binnen het Belgisch grondgebied betreffende:
   a) de verplichting om een gelijkwaardigheid van zijn beroepsbekwaamheden te bekomen vanwege de bevoegde autoriteiten van een gemeenschap en de verplichting om deze te laten viseren,
   b) de inschrijving op de lijst van de Orde der Artsen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-04-22/19, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>
  

  Art. 146.[1 § 1. De Koning is gemachtigd om, op gemotiveerd advies van de Hoge Raad van artsen-specialisten en van huisartsen bijzondere vrijstellingen te verlenen voor de uitoefening van zekere delen van de geneeskunst zodat artsen van een derde land, niet-lid van de Europese Unie in België een beperkte klinische opleiding kunnen volgen.
   Deze vrijstellingen kunnen slechts toepasselijk zijn op wat er uitdrukkelijk op vermeld staat en de begunstigden van deze vrijstellingen mogen in geen enkel geval het beroep waarbinnen zij tot een beperkte activiteit toegelaten werden, op eigen verantwoordelijkheid uitoefenen. De begunstigden van deze vrijstellingen nemen in geen geval deel aan de medische permanentie bedoeld in de artikelen 28 en 29.
   Deze werkzaamheden kunnen evenmin een grond vormen voor een erkenning als bedoeld in artikel 88 of voor het uitvoeren van verstrekkingen die aanleiding kunnen geven tot een tussenkomst als bedoeld in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994.
   § 2. Deze bijzondere vrijstellingen kunnen slechts toegekend worden als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de begunstigde is houder van een diploma van arts dat door een derde land wordt uitgegeven, niet-lid van de Europese Unie;
   2° tenzij de opleiding niet bestaat in zijn land van oorsprong, is hij in opleiding tot huisarts of arts-specialist in een derde land, niet-lid van de Europese Unie, of is hij erkend als huisarts of specialist in een derde land, niet-lid van de Europese Unie, en wenst hij een bijzondere techniek of expertise in zijn domein te verwerven;
   3° de door deze vrijstelling toegelaten opleiding vindt plaats in of onder coördinatie van en toezicht door een universitair ziekenhuis of universitaire ziekenhuisdienst, aangewezen door de Koning, onder leiding en toezicht van een door de minister bevoegd voor Volksgezondheid erkende stagemeester. Bedoelde stagemeester is als zelfstandig academisch personeel verbonden met een medische faculteit met volledig leerplan.
   4° tussen de universiteit van een derde land, niet-lid van de Europese Unie en de Belgische universiteit waar de opleiding plaatsvindt, wordt een overeenkomst afgesloten waaruit blijkt:
   a) dat de universiteit van het derde land de begunstigde aanbeveelt;
   b) dat de directe en indirecte kosten van deze opleiding ten laste genomen worden door de universiteit van het derde land of door een beurs toegekend door een Belgische instelling, een intergouvernementele instelling of een niet-gouvernementele organisatie (ngo);
   c) dat de begunstigde de enige kandidaat is die op basis van dit artikel opgeleid wordt bij de stagemeester bij deze stagedienst;
   d) wat de doelstellingen en de eindtermen van de stage zijn;
   e) wat de noodzaak van deze opleiding is;
   f) dat de universiteit van het derde land, niet-lid van de Europese Unie een garantie geeft dat de betrokken persoon na afloop van de stage naar het thuisland kan terugkeren, en hetzij de vervolgopleiding voortzet, hetzij professioneel als arts een werkplaats kan innemen.
   De bijzondere vrijstellingen worden toegekend onder ontbindende voorwaarde dat de begunstigde een verblijfstitel overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, voor het begin van de opleiding bezorgt aan de directeur-generaal van het Directoraat-Generaal Gezondheidszorg van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.
   § 3. De aanvraag om de bijzondere vrijstellingen bedoeld in de eerste paragraaf te kunnen genieten moet ten minste drie maanden vóór het begin van de opleiding worden ingediend, door middel van het aanvraagformulier opgesteld door de minister bevoegd voor Volksgezondheid, en moet samen met de in dit formulier vermelde bewijsstukken worden opgestuurd.
   De aanvraag is vergezeld van de machtiging tot uitoefening van het land waar hij gewoonlijk zijn beroep uitoefent, van de gegevens met betrekking tot de dekking door de verzekering of andere middelen van persoonlijke of collectieve bescherming betreffende de professionele verantwoordelijkheid, alsook een certificaat van goed professioneel gedrag.
   De aanvraag om de bijzondere vrijstellingen wordt per aangetekend schrijven gericht aan het Directoraat Generaal Gezondheidszorg van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu ter attentie van de directeur-generaal.
   § 4. De vrijstelling laat de begunstigde toe om ten hoogste 12 maanden van opleiding in België te genieten. Bedoelde 12 maanden kunnen opgesplitst worden in afgescheiden periodes.
   Bij wijze van uitzondering is, na een gunstige evaluatie van de stagebegeleider die tijdens het eerste opleidingsjaar de supervisie heeft gehad, een verlenging van maximum twaalf maanden mogelijk voor zover dit nodig is om de opleiding te beëindigen.
   De gemotiveerde vraag tot verlenging wordt ingediend per aangetekend schrijven en gericht aan het Directoraat Generaal Gezondheidszorg van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Leefmilieu en Veiligheid van de Voedselketen, ter attentie van de directeur-generaal en dit ten minste drie maanden voorafgaand aan de gevraagde verlenging.
   § 5. Vooraleer het dossier over te maken aan de Hoge Raad van artsen-specialisten en van huisartsen gaat het Directoraat Generaal Gezondheidszorg van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu met het oog op de ontvankelijkheid, na of de voorschriften in dit artikel zijn nageleefd.
   Indien dit niet het geval is, wordt de belanghebbende daarvan in kennis gesteld. De belanghebbende heeft vanaf deze kennisname vijftien werkdagen om het dossier te vervolledigen.
   Indien de termijn van vijftien werkdagen wordt overschreden, is het dossier onontvankelijk en wordt het dossier administratief afgesloten
   § 6. De verantwoordelijke van de stagedienst waar de opleiding plaatsvindt, meldt aan de bevoegde geneeskundige commissie en de bevoegde provinciale raad van de Orde der artsen de aanwezigheid van de begunstigde, de duur van de opleiding en de omvang van de uitoefening van de geneeskunst als bedoeld in het eerste lid.
   Na afloop van de opleiding bezorgt de verantwoordelijke van de stagedienst een verslag aan de Hoge Raad van artsen-specialisten en huisartsen.]1
  ----------
  (1)<W 2019-04-22/19, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>

  Art. 147.De Koning is gemachtigd om de benamingen van de diploma's die toegang verlenen tot het uitoefenen van de beroepen of activiteiten vermeld in de artikelen 3, § 1, 4, 6 tot 21, 23, § 2, 43, 45, 63 [1 , 68/1, 68/2 en 69]1 aan te passen aan de benamingen van de diploma's afgeleverd door de gemeenschappen.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 185, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 148.§ 1. Ten titel van overgangsbepaling en zolang de koninklijke besluiten voorzien [1 bij de artikelen 23, 24, 46, § 1, 2°, 68/1, § 4, 68/2, § 4, en 71, § 1]1 niet zullen genomen zijn, blijven de huidige modaliteiten van uitvoering van de daardoor bedoelde handelingen of prestaties, zoals zij worden beperkt door de rechtspraak volgend uit de wet van 12 maart 1818 tot regeling van hetgeen de beoefening van de verschillende takken van de geneeskunst betreft, verder van toepassing.
  De wet van 19 januari 1961 waarbij aan personen die wettig niet bevoegd zijn de geneeskunde te beoefenen, in uitzonderlijke omstandigheden toelating wordt verleend om bepaalde geneeskundige handelingen te verrichten, blijft van kracht.
  In afwijking van deze gecoördineerde wet bepaalt de Koning volgens de in artikel 141 bedoelde procedure de activiteiten welke onder de verpleegkunde vallen en mogen worden uitgeoefend door personen die daartoe niet bevoegd zijn, doch daartoe een speciale opleiding hebben gekregen:
  1° tijdens de opleiding die hun vooraf wordt gegeven;
  2° wanneer, bij ontstentenis van een voldoende aantal wettelijk bevoegde personen, oorlogshandelingen of rampen het verrichten van die handelingen dringend maken.
  De Koning stelt het bestaan vast van een ramptoestand die gepaard gaat met een tekort aan wettig bevoegd personeel.
  § 2. De koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van de artikelen 153, §§ 1, 2 en 3 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, gewijzigd bij de wet van 8 april 1965, worden opgeheven op de datum vastgesteld door de in de artikelen 3, § 1, derde lid, 23, § 1 en § 2, derde lid, en 71, § 1, voorziene koninklijke besluiten.
  § 3. De bepalingen van het koninklijk besluit van 24 december 1963 tot vaststelling van de nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, die strijdig zouden zijn met de koninklijke besluiten, bepaald in de artikelen 3, § 1, derde lid, en § 2, tweede lid, 4, derde lid, 6, § 1, derde lid, 23, 24, 46, § 1, 2° en 71, § 1, worden opgeheven op de bij de genoemde koninklijke besluiten vastgestelde datum.
  ----------
  (1)<W 2015-05-10/06, art. 186, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 149. De doctors in de genees-, heel- en verloskunde, houders van een getuigschrift van specialisatie in de stomatologie, afgeleverd door een universiteit, voor zover dit getuigschrift wettelijk karakter heeft verkregen in het kader van de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens en voor zover de voor de verwerving van dit getuigschrift noodzakelijke vakken al deze omvatten welke worden vereist met het oog op het bekomen van de wettelijke graad van licentiaat in de tandheelkunde zijn of blijven gemachtigd de tandheelkunde uit te oefenen indien zij voldoen aan de voorwaarden opgelegd bij artikel 25.

  Art. 150. Het koninklijk besluit van 1 juni 1934 houdende reglement op de beoefening der tandheelkunde, zoals het werd gewijzigd door latere besluiten, blijft van kracht. Het kan alleen bij de wet worden gewijzigd.
  De overtredingen van de bepalingen van dit besluit worden gestraft, naargelang het geval, met de straffen voorgeschreven bij artikel 122, § 1, 1° of 2°.

  Art. 151. Mogen de praktijk van de normale bevallingen blijven uitoefenen, indien zij voldoen aan de voorwaarden bij artikel 25, de personen die in het bezit zijn van het getuigschrift van bekwaamheid van vroedvrouw, erkend door de provinciale geneeskundige commissie krachtens artikel 4 van de wet van 12 maart 1818, tot regeling van hetgeen de beoefening van de verschillende takken van de geneeskunst betreft.

  Art. 152. De personen die niet voldoen aan de in artikel 45 gestelde bekwaamheidseisen, maar die op datum van 1 september 1990 sinds minstens drie jaar tewerkgesteld geweest zijn in een verzorgingsinstelling of in een kabinet van een arts of tandarts mogen dezelfde werkzaamheden blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de beoefenaars van de verpleegkunde die zulke prestaties uitvoeren.
  Op straffe van verlies van het in het eerste lid vermelde voordeel, moeten zij zich bij de bevoegde geneeskundige commissie bekend maken binnen de termijn en op de wijze bepaald door de Koning; bij deze gelegenheid vermelden zij de werkzaamheden waarvoor zij het voordeel van verkregen rechten inroepen.

  Art. 153.§ 1. In afwijking van artikel 72, § 2, tweede lid, wordt de in artikel 72, § 1, bedoelde erkenning ambtshalve toegekend aan de personen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 72, § 2, eerste lid, door de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering voor dit beroep erkend zijn, overeenkomstig artikel 215 van de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994.
  § 2. In afwijking van artikel 72, § 2, tweede lid, wordt de in artikel 72, § 1, bedoelde erkenning op hun verzoek toegekend aan personen die niet reeds in paragraaf 1 bedoeld zijn en:
  1° hetzij wat een beroep betreft waarvoor een opleiding bestaat in een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde overheid houder zijn van een diploma, uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde overheid dat een opleiding bekroont waarvan het niveau, maar niet de volledige theoretische of theoretische en praktische opleiding en stages, overeenstemt met de in artikel 72, § 2, tweede lid, bedoelde voorwaarden voor zover zij dit diploma behalen voor het einde van de periode van zes jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 72, § 2, eerste lid;
  2° hetzij wat een beroep betreft waarvoor geen opleiding bestaat in een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde overheid houder zijn van een diploma, uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde overheid, dat een opleiding bekroont waarvan het niveau overeenstemt met de in artikel 72, § 2, tweede lid, bedoelde voorwaarden voor zover zij dit diploma behalen voor het einde van jaar waarin de eerste diploma's worden uitgereikt die een opleiding bekronen die overeenstemt met de in artikel 72, § 2, tweede lid, bedoelde voorwaarden.
  Voor het indienen van de aanvraag tot erkenning bij de minister bevoegd voor Volksgezondheid, beschikken de in 1° en 2° bedoelde personen over één jaar vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 72, § 2, eerste lid, of vanaf het behalen van boven bedoelde diploma's. Tijdens deze overgangsperiode en zolang niet over hun aanvraag tot erkenning is beslist, mogen ze hun beroep blijven uitoefenen.
  § 3. In afwijking van artikel 72, §1, mogen personen die niet voldoen aan de in artikel 72, § 2, tweede lid, gestelde kwalificatievoorwaarden maar die, op het moment waarop de lijst van de prestaties of de lijst van de handelingen in verband met het paramedisch beroep waartoe zij behoren gepubliceerd wordt, sinds minstens drie jaar deze prestaties of handelingen hebben uitgevoerd, dezelfde werkzaamheden blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de beoefenaars van de paramedische beroepen die zulke prestaties of handelingen uitvoeren.
  In afwijking van artikel 72, § 1, mogen personen die niet voldoen aan de in artikel 72, § 2, tweede lid, gestelde kwalificatievoorwaarden voor hun paramedisch beroep, waarvoor geen opleiding bestaat in de zin van bovengenoemde kwalificatievoorwaarden, dezelfde werkzaamheden blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de beoefenaars van de paramedische beroepen die zulke prestaties of handelingen uitvoeren, voor zover zij op het moment waarop de eerste diploma's worden uitgereikt die een opleiding bekronen die overeenstemt met de in artikel 72, § 2, tweede lid, bedoelde voorwaarden, deze prestaties of handelingen uitvoeren.
  [1 In afwijking van het eerste lid en in afwijking van artikel 72, § 1, mogen personen die niet voldoen aan de in artikel 72, § 2, tweede lid, gestelde kwalificatievoorwaarden voor de beroepen van technoloog medische beeldvorming of medisch laboratorium technoloog, maar die op 2 december 2013 gedurende minstens drie jaar handelingen van het beroep van technoloog medische beeldvorming of medisch laboratorium technoloog hebben uitgevoerd, dezelfde handelingen blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de technologen medische beeldvorming of de medisch laboratorium technologen die deze handelingen uitvoeren]1
  [2 In afwijking van het eerste lid en in afwijking van artikel 72, § 1, mogen personen die niet voldoen aan de in artikel 72, § 2, tweede lid, gestelde kwalificatievoorwaarden voor het beroep van farmaceutisch-technisch assistent, maar die op 1 september 2010 gedurende minstens drie jaar handelingen van het beroep van farmaceutisch-technisch assistent hebben uitgevoerd, dezelfde handelingen blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de farmaceutisch-technisch assistenten die deze handelingen uitvoeren.]2
  Op straffe van verlies van het voordeel verleend bij de bepaling van het eerste of tweede lid van deze paragraaf, moeten zij zich bij de minister bevoegd voor Volksgezondheid, bekend maken volgens een door de Koning vastgestelde procedure; bij deze gelegenheid vermelden zij de werkzaamheden waarvoor zij het voordeel van de verkregen rechten inroepen. De door de Koning bepaalde procedure zal onder meer de wijze vaststellen waarop het bewijs van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde prestaties of handelingen moet worden geleverd.
  § 4. De paragrafen 1 tot 3 hebben enkel betrekking tot de beroepsbeoefenaars ten aanzien van wie de Koning reeds de inwerkingtreding heeft bepaald overeenkomstig artikel 183 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen. Voor de andere beroepsbeoefenaars gelden, tot op het ogenblik dat Koning ten aanzien van hen de inwerkingtreding heeft bepaald overeenkomstig artikel 183 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen, de hierna volgende bepalingen:
  De personen die niet voldoen aan de in artikel 71 gestelde bekwaamheidseisen maar die, wanneer de lijst van de technische prestaties voor hun beroep gepubliceerd wordt, sinds minstens drie jaar tewerkgesteld geweest zijn, mogen dezelfde werkzaamheden blijven verrichten onder dezelfde voorwaarden als de beoefenaars van de paramedische beroepen die zulke prestaties uitvoeren.
  Op straffe van verlies van het voordeel verleend bij de bepaling van het vorige lid, moeten zij zich bij de bevoegde geneeskundige commissie bekend maken na een door de Koning vastgestelde procedure; bij deze gelegenheid vermelden zij de werkzaamheden waarvoor zij het voordeel van verkregen rechten inroepen. De door de Koning bepaalde procedure zal onder meer de wijze vaststellen waarop het bewijs van de uitvoering van de in het vorige lid bedoelde handelingen moet worden geleverd.
  [3 § 5. De aanvragen gebaseerd op dit artikel dienen ten laatste op 31 augustus 2019 ingediend te worden.]3
  
  (NOTA : bij arrest nr 148/2016 van 24-11-2016 (B.St. 13-01-2017, p. 1764), heeft het Grondwettelijk Hof deze woorden geannuleerd 'op 2 december 2013' in artikel 153, §3, L3, ingevoegd bij artikel 77 van de wet van 17 juli 2015 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid.
  ----------
  (1)<W 2015-07-17/38, art. 77, 002; Inwerkingtreding : 27-08-2015>
  (2)<W 2016-06-22/03, art. 56, 004; Inwerkingtreding : 11-07-2016>
  (3)<W 2019-04-22/19, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>

  Art. 154.In afwijking van artikel 43, § 2, tweede lid, wordt de in artikel 43, § 1, bedoelde erkenning op hun verzoek toegekend aan de door de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering erkende personen, overeenkomstig artikel 215 van de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994, de personen in het bezit van een inschrijvingsbewijs uitgereikt door de minister bevoegd voor Volksgezondheid krachtens artikel 10 van het koninklijk besluit van 16 april 1965 houdende instelling van het diploma van gegradueerden in de kinesitherapie en van het diploma van gegradueerde in de arbeidstherapie, en vaststelling van de voorwaarden waaronder deze diploma's worden uitgereikt, en de personen die houder zijn van een diploma in de kinesitherapie dat een opleiding bekroont, die overeenstemt met een opleiding van minstens drie jaar in het kader van een voltijds hoger onderwijs, voor zover zij dit diploma behaalden vóór 1 november 2002.
  [1 De aanvragen gebaseerd op dit artikel dienen ten laatste op 31 augustus 2019 ingediend te worden.]1
  ----------
  (1)<W 2019-04-22/19, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 24-05-2019>

  Hoofdstuk 14. Toekomstige wijzigingsbepalingen

  Art. 155.
  <Opgeheven bij KB 2016-06-27/18, art. 19, 005; Inwerkingtreding : 18-07-2016>

  Art. 156. Artikel 47 wordt opgeheven op 1 juli 2015.

  Art. 157. In artikel 31, eerste lid, worden de woorden "in de artikelen 3, 4 en 6" vervangen door de woorden "in de artikelen 3, § 1, 4, 6, 63, 68/1 en 68/2".

  Art. 158. Er wordt een artikel 31/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 31/1. Elke beoefenaar van een gezondheidszorgberoep heeft de verantwoordelijkheid om de patiënt te verwijzen naar een andere ter zake bevoegde beoefenaar van een gezondheidszorgberoep wanneer de gezondheidsproblematiek waarvoor een ingreep is vereist de grenzen van het eigen competentiegebied overschrijdt."

  Art. 159. In artikel 32 worden de woorden "en 63" vervangen door de woorden ", 63, 68/1 en 68/2".

  Art. 160. In artikel 33, § 1, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het eerste lid worden de woorden "en 63" vervangen door de woorden ", 63,68/1 en 68/2";
  b) in het tweede lid worden de woorden "4 en 63" vervangen door de woorden "4, 63, 68/1 en 68/2".

  Art. 161. In artikel 35, eerste lid, worden de woorden "en 63" vervangen door de woorden ", 63, 68/1 en 68/2".

  Art. 162. In artikel 37, eerste lid, worden de woorden "of 63" vervangen door de woorden ", 63, 68/1 en 68/2".

  Art. 163. In artikel 38, § 2, eerste lid, worden de woorden "en 63" vervangen door de woorden ", 63, 68/1 en 68/2".

  Art. 164. In artikel 39 worden, de woorden "of 63" vervangen door de woorden ", 63, 68/1 of 68/2".

  Art. 165. Er wordt een hoofdstuk 6/1 ingevoegd, luidende "De uitoefening van de klinische psychologie en van de klinische orthopedagogiek".

  Art. 166. In hoofdstuk 6/1, ingevoegd bij artikel 165, wordt een artikel 68/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 68/1. § 1. Alleen de houder van een erkenning uitgereikt door de minister bevoegd voor Volksgezondheid mag de klinische psychologie uitoefenen.
  § 2. De Koning bepaalt, na advies van de Federale Raad voor de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek, de voorwaarden voor het verkrijgen, het behoud en de intrekking van de in paragraaf 1 bedoelde erkenning, de leerstof die moet zijn verwerkt en de stages die moeten zijn gevolgd om de erkenning in de klinische psychologie te verkrijgen.
  De erkenning in de klinische psychologie kan enkel worden verleend aan de houder van een diploma van het universitaire onderwijs in het domein van de klinische psychologie behaald ter afsluiting van een opleiding, die in het kader van het voltijds onderwijs, minstens vijf jaar studie of 300 punten in het Europees systeem voor de overdracht en de accumulatie van studiebelastingpunten (ECTS) telt, een stage in het domein van de klinische psychologie inbegrepen. Met de houder van een diploma in het domein van de klinische psychologie worden gelijkgesteld, de personen die houder zijn van een universitair diploma in het vakgebied van de psychologie dat uitgereikt werd voor de inwerkingtreding van dit artikel en die een beroepservaring van minimum drie jaar in het domein van de klinische psychologie kunnen bewijzen.
  § 3. Onder de uitoefening van de klinische psychologie wordt verstaan het gebruikelijk verrichten van autonome handelingen die tot doel hebben of worden voorgesteld tot doel te hebben, bij een mens en in een wetenschappelijk onderbouwd klinisch psychologisch referentiekader, de preventie, het onderzoek, het opsporen of het stellen van een psychodiagnose van echt dan wel ingebeeld psychisch of psychosomatisch lijden en die persoon te behandelen of te begeleiden.
  § 4. De Koning kan, na advies van de Federale Raad voor de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek, de in paragraaf 3 bedoelde verrichtingen verduidelijken en omschrijven en de voorwaarden voor de uitoefening ervan vastleggen."

  Art. 167. In hetzelfde hoofdstuk 6/1, ingevoegd bij artikel 165, wordt een artikel 68/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 68/2. § 1. Alleen de houder van een erkenning uitgereikt door de minister bevoegd voor Volksgezondheid mag de klinische orthopedagogiek uitoefenen.
  In afwijking van het eerste lid, mag de houder van een erkenning in de klinische psychologie die tijdens zijn opleiding in de klinische psychologie een opleiding in de klinische orthopedagogiek heeft gevolgd, de klinische orthopedagogiek uitoefenen.
  § 2. De Koning bepaalt, na advies van de Federale Raad voor de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek, de voorwaarden voor het verkrijgen, het behoud en de intrekking van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde erkenning inzonderheid de leerstof die moet zijn verwerkt en de stages die moeten zijn gevolgd om de erkenning in de klinische orthopedagogiek te verkrijgen.
  De erkenning in de klinische orthopedagogiek kan enkel worden verleend aan de houder van een diploma van het universitair onderwijs in het domein van de klinische orthopedagogiek, behaald ter afsluiting van een opleiding, die in het kader van het voltijds onderwijs minstens vijf jaar studie of 300 ECTS-studiepunten telt, een stage in het domein van de klinische orthopedagogiek inbegrepen.
  § 3. Onder uitoefening van de klinische orthopedagogiek wordt verstaan het, in een wetenschappelijk referentiekader van de klinische orthopedagogiek, gebruikelijk verrichten van autonome handelingen die de preventie, het onderzoek en het opsporen van problemen in verband met de opvoeding, het gedrag, de ontwikkeling of de scholing bij personen tot doel hebben en de behandeling of de begeleiding van die personen.
  § 4. De Koning kan, na advies van de Federale Raad voor de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek, de in paragraaf 3 bedoelde verrichtingen verduidelijken en omschrijven en de voorwaarden voor de uitoefening ervan vastleggen."

  Art. 168. In hetzelfde hoofdstuk 6/1, ingevoegd bij artikel 165, wordt een artikel 68/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 68/3. § 1. Er wordt een Federale Raad voor de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek opgericht.
  § 2. De Federale Raad voor de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek heeft als opdracht om de minister bevoegd voor Volksgezondheid, op diens verzoek of op eigen initiatief, advies te verstrekken over alle aangelegenheden in verband met de uitoefening van de klinische psychologie of van de klinische orthopedagogiek. Die Raad kan de gemeenschapsregeringen, op hun verzoek, advies verlenen over elke aangelegenheid die betrekking heeft op hun opleiding.
  § 3. De Federale Raad voor de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek bestaat uit :
  1° acht leden, waaronder vier Nederlandstaligen en vier Franstaligen, die houder zijn van het in artikel 68/1, § 2, tweede lid, bedoelde universitair diploma en sinds ten minste vijf jaar een academische functie ter zake bekleden, op een lijst van dubbeltallen voorgedragen door de faculteiten die volledig onderwijs verstrekken als bedoeld in artikel 68/1, § 2, tweede lid;
  2° twee leden, waaronder een Nederlandstalige en een Franstalige, die gemachtigd zijn de klinische orthopedagogiek uit te oefenen overeenkomstig artikel 68/2, § 1, en sinds ten minste vijf jaar een academische functie ter zake bekleden, op een lijst van dubbeltallen voorgedragen door de faculteiten die volledig onderwijs verstrekken dat leidt tot een opleiding die de uitoefening toestaat van de klinische orthopedagogiek, overeenkomstig artikel 68/2, § 2, tweede lid.
  3° acht leden, waaronder vier Nederlandstaligen en vier Franstaligen, die houder zijn van het in artikel 68/1, § 2, tweede lid, bedoelde universitair diploma en de klinische psychologie werkelijk beoefenen, voorgedragen op een lijst van dubbeltallen door de representatieve beroepsverenigingen;
  4° twee leden, waaronder een Nederlandstalige en een Franstalige die conform artikel 68/2, § 1, gemachtigd zijn de klinische orthopedagogiek uit te oefenen en die de klinische orthopedagogiek werkelijk beoefenen, voorgedragen op een lijst van dubbeltallen door de representatieve beroepsverenigingen;
  5° twee artsen, waaronder een Nederlandstalige en een Franstalige, houders van de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de psychiatrie zoals door de Koning bepaald en die door hun beroepsvereniging zijn aangewezen.
  De Koning kan de criteria vastleggen opdat een vereniging als representatief in de zin van het eerste lid, 3° en 4°, kan worden aangewezen.
  § 4. De leden van de Federale Raad worden door de Koning benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar. De Federale Raad verkiest onder zijn leden een voorzitter en een ondervoorzitter.
  Aan elk werkend lid van de Federale Raad wordt een plaatsvervanger toegevoegd die aan dezelfde voorwaarden voldoet.
  § 5. De Koning regelt de organisatie en de werking van de Federale Raad.
  De Federale Raad kan alleen geldig beraadslagen en beslissen wanneer ten minste de helft van de werkende leden aanwezig zijn of door hun plaatsvervanger vertegenwoordigd zijn.
  De beslissingen van de Federale Raad worden genomen bij gewone meerderheid van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
  § 6. Met uitzondering van de in § 3, eerste lid, 5°, bedoelde leden, zijn de leden van de Federale Raad, naar gelang van het geval, als klinisch psycholoog of klinisch orthopedagoog, overeenkomstig artikel 68/1, § 1, of artikel 68/2, § 1, erkend, uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit dat de voorwaarden en nadere erkenningsregels bepaalt."

  Art. 169. In hetzelfde hoofdstuk 6/1, ingevoegd bij artikel 165, wordt een artikel 68/4 ingevoegd, luidende :
  "Art. 68/4. § 1. Er wordt een Erkenningscommissie voor de beoefenaars van de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek opgericht.
  § 2. De Erkenningscommissie voor de beoefenaars van de klinische psychologie en van de klinische orthopedagogiek heeft als opdracht om, voor individuele gevallen, een advies te verstrekken met betrekking tot de verlening, het toezicht op en het behoud van de in artikel 68/1, § 1, bedoelde erkenning, en van de in artikel 68/2, § 1, bedoelde erkenning.
  § 3. De Koning legt de procedure vast voor het verkrijgen, behouden en intrekken van de in artikel 68/1, § 1, bedoelde erkenning en van de in artikel 68/2, § 1, bedoelde erkenning.
  § 4. De Koning regelt de samenstelling, de organisatie en de werking van de Erkenningscommissie voor de beoefenaars van de klinische psychologie en van de klinische orthopedagogiek.
  Het mandaat van lid van de Erkenningscommissie is onverenigbaar met dat van lid van de Federale Raad voor de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek."

  Art. 170. In artikel 69, 1°, worden de woorden "en 45" vervangen door de woorden ", 45, 68/1 en 68/2".

  Art. 171. In artikel 72 worden de woorden "en 43" telkens vervangen door de woorden ", 43, 68/1 en 68/2".

  Art. 172. In artikel 85 worden de woorden "en 69" vervangen door de woorden ", 68/1, 68/2 en 69".

  Art. 173. In artikel 95, tweede lid, worden de woorden "en 69" vervangen door de woorden ", 63, 68/1, 68/2 en 69".

  Art. 174. In artikel 96, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de bepaling onder 1°, worden de woorden "en 69" vervangen door de woorden ", 68/1, 68/2 en 69";
  b) in de bepaling onder 3°, b), worden de woorden "en 69" vervangen door de woorden ", 68/1, 68/2 en 69".

  Art. 175. Artikel 118, § 2, wordt aangevuld als volgt :
  "3°/1 twee klinische psychologen;
  3°/2 twee personen bevoegd om de klinische orthopedagogiek uit te oefenen."

  Art. 176.In artikel 119 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, 2°, a), worden de woorden ", van de klinisch psychologen en de klinisch orthopedagogen" ingevoegd tussen de woorden "van de beoefenaars van de verpleegkunde" en de woorden "en van de beoefenaars van de paramedische beroepen";
  2° in § 1, 2°, e), tweede lid, worden de woorden ", de Federale Raad voor de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek" ingevoegd tussen de woorden "van de Federale Raad voor Verpleegkunde" en de woorden "of van de [1 Federale raad voor paramedische beroepen]1".
  ----------
  (1)<W 2016-06-22/03, art. 55, 004; Inwerkingtreding : 11-07-2016>

  Art. 177. In artikel 122 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, 1°, eerste lid, worden de woorden "of 149" vervangen door de woorden ", 68/1, 68/2 of 149";
  2° in § 1, 1°, vierde lid, worden de woorden "of 149" vervangen door de woorden ", 68/1, 68/2 of 149";
  3° in § 2, 2°, worden de woorden "en 63" vervangen door de woorden ", 63, 68/1 en 68/2".

  Art. 178. Er wordt een artikel 128/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 128/1. Onverminderd de toepassing van de bij het Strafwetboek gestelde straffen, wordt gestraft met een geldboete van 200 euro tot 1.000 euro :
  1° hij die, in overtreding van artikel 68/1, § 3, of 68/2, zich in het openbaar een beroepstitel toe-eigent zonder er recht op te hebben;
  2° hij die, in overtreding van artikel 68/1, § 3, of 68/2, ten onrechte een beroepstitel toekent aan personen die hij, zelfs kosteloos, tewerkstelt.
  In het in het eerste lid, 2°, bedoelde geval zijn de werkgevers en lastgevers burgerlijk aansprakelijk voor de geldboeten uitgesproken ten laste van hun aangestelden of lastnemers wegens bij de uitvoering van hun contract gepleegde misdrijven."

  Art. 179. In artikel 129 worden de woorden "van de verpleegkunde of van een paramedisch beroep" vervangen door de woorden "van de verpleegkunde, van de klinische psychologie, van de klinische orthopedagogiek of van een paramedisch beroep".

  Art. 180.In artikel 133, eerste lid, worden de woorden ", de Federale Raad voor de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek" ingevoegd tussen de woorden "de Federale Raad voor Verpleegkunde" en de woorden "en van de [1 Federale raad voor paramedische beroepen]1".
  ----------
  (1)<W 2016-06-22/03, art. 55, 004; Inwerkingtreding : 11-07-2016>

  Art. 181. In artikel 136, eerste lid, worden de woorden "en 69" vervangen door de woorden ", 68/1, 68/2 en 69".

  Art. 182. Er wordt een artikel 143/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 143/1. De koninklijke besluiten genomen ter uitvoering van artikel 68/1 en artikel 68/2 worden uitgevaardigd na advies van de Federale Raad voor de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek, uitgebracht hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de minister bevoegd voor Volksgezondheid.
  Wanneer de minister om het advies verzoekt, brengt de Federale Raad voor de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek zijn advies uit binnen vier maanden. Na het verstrijken van die termijn wordt het advies geacht uitgebracht te zijn."

  Art. 183. In artikel 144, eerste lid, worden de woorden "46, § 1, 2°, en 71, § 1" vervangen door de woorden "46, § 1, 2°, 68/1, § 4, 68/2, § 4, en 71, § 1".

  Art. 184. In artikel 145, worden de woorden "of 63" vervangen door de woorden ", 63, 68/1 of 68/2".

  Art. 185. In artikel 147, worden de woorden "en 69" vervangen door de woorden ", 68/1, 68/2 en 69 ".

  Art. 186. In artikel 148, § 1, eerste lid, worden de woorden "bij de artikelen 23, 24, 46, § 1, 2° en 71, § 1" vervangen door de woorden "bij de artikelen 23, 24, 46, § 1, 2°, 68/1, § 4, 68/2, § 4, en 71, § 1".

  Art. 187.De artikelen 156 tot 186 treden in werking op 1 september 2016 tenzij de Koning in uitvoering van artikel 51 van de wet van 4 april 2014 tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, een datum van inwerkingtreding bepaalt die aan deze datum voorafgaat.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 1. - CONCORDANTIETABEL K.B. nr. 78 - Gecoördineerde wet
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 18-06-2015, p. 35423)

  Art. N2. Bijlage 2. - CONCORDANTIETABEL Gecoördineerde wet - KB nr. 78
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 18-06-2015, p. 35433)

  Art. N3.Bijlage 3. - Advies van de Raad van State, afdeling Wetgeving.

  Art. N4. Bijlage 4. - Aantekeningen ter verantwoording
  1. Rechtsgrond voor de coördinatie
  Met een brief die op 18 maart 2010 werd ontvangen op de griffie Wetgeving van de Raad van State, verzocht de minister bevoegd voor Volksgezondheid om de coördinatie uit te voeren van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 'betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen' (hierna: het koninklijk besluit nr. 78). Omdat deze aanvraag door de minister bevoegd voor Volksgezondheid werd ingediend en niet door de Eerste Minister, in strijd met de bepalingen van artikel 6bis van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, werd deze aanvraag niet in behandeling genomen en werd dit meegedeeld aan de contactpersoon.
  Op 13 januari 2011 werd vervolgens een brief ontvangen op de griffie Wetgeving van de Raad van State, waarbij de Eerste Minister verzocht om de coördinatie uit te voeren van het koninklijk besluit nr. 78.
  In een eerdere brief, gedateerd op 16 november 2010, stelt de Directeur-generaal Basisgezondheidszorg en Crisisbeheer het volgende:
  "
   il avait été suggéré d'envisager plus qu'une simple coordination et de proposer également une révision de toute la structure de base de l'arręté Royal, ainsi qu'une analyse et une révision de l'ensemble des termes utilisés dans tout l'arręté Royal et d'élargir tout ce travail ŕ l'ensemble des arrętés d'exécution découlant de l'arręté Royal n° 78. Cette suggestion a été présentée ŕ Madame la Ministre L. Onkelinkx qui a précisé que la présente demande de coordination doit ętre entendu de maničre limitée, ŕ savoir un travail de coordination uniquement".
  In het advies over deze coördinatieaanvraag wordt uiteengezet om welke redenen deze "bevoegdheidsconforme" coördinatie geen enkele zelfs minieme inhoudelijke ingreep en geen beduidende vormelijke ingrepen mag inhouden, gelet op de omstandigheid dat de zesde staatshervorming geleid heeft tot een aantal bevoegdheidsoverdrachten aan de gemeenschappen inzake het gezondheidsbeleid, die tot gevolg hebben dat het koninklijk besluit nr. 78 thans gedeeltelijk tot de bevoegdheid van de gemeenschappen moet worden gerekend.
  De rechtsgrond voor de coördinatie dient dan ook gezocht te worden in artikel 6bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met artikel 77, eerste lid, 4°, van die gecoördineerde wetten, en met de nog geldende artikelen van de wet van 13 juni 1961 'betreffende de coördinatie en codificatie van wetten'. Artikel 6bis bepaalt dat door het Coördinatiebureau een ontwerp van coördinatie wordt opgesteld, dat aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voor advies wordt voorgelegd, waarna het ontwerp, samen met het advies, wordt bezorgd aan de Eerste Minister. Artikel 77, eerste lid, 4°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de leden van het Coördinatiebureau onder meer tot taak hebben de coördinatie van de wetgeving voor te bereiden.
  Benevens het ontwerp van coördinatie en het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, dient de coördinatie door de Koning, van de gecoördineerde tekst, te verlopen volgens de procedure bepaald door de wet van 13 juni 1961 betreffende de coördinatie en codificatie van wetten. Deze wet vereist onder meer dat het koninklijk besluit tot coördinatie verwijzingen moet bevatten aan de hand waarvan de oorspronkelijke tekst van elke gecoördineerde bepaling kan worden teruggevonden. De wet verplicht tevens tot de bekendmaking van het advies van de Raad van State en van de eventuele aantekeningen ter verantwoording van het Coördinatiebureau, samen met het koninklijk besluit tot coördinatie.
  Als rechtsgrond voor het ontwerp van coördinatie wordt, mede om de redenen die in het advies over deze coördinatieaanvraag worden uiteengezet, geen beroep gedaan op artikel 55bis van het koninklijk besluit nr. 78, dat aan de Koning een gedetailleerde en meer verregaande machtiging verleent om over te gaan tot de coördinatie van de tekst.
  2. Het ontwerp van coördinatie van het Coördinatiebureau
  Het ontwerp van coördinatie van het koninklijk besluit nr. 78 bevat het voorontwerp van coördinatiebesluit, vervolledigd met de volgende genummerde bijlagen:
  Bijlage 1: de gecoördineerde tekst;
  Bijlage 2: een concordantietabel waarin, bij elk artikel, of onderdeel van de oorspronkelijke tekst, het daarmee overeenstemmende artikel of onderdeel van de gecoördineerde tekst wordt vermeld;
  Bijlage 3: een concordantietabel waarin, bij elk artikel of onderdeel van de gecoördineerde tekst, het daarmee overeenstemmende artikel of onderdeel van de oorspronkelijke tekst wordt vermeld;
  Bijlage 4: de verantwoordingsnotities waarin uitleg wordt gegeven over de gevolgde werkwijze en de redenen waarom de oorspronkelijke tekst is gewijzigd;
  Bijlage 5: de lijst van de bepalingen die niet in de gecoördineerde tekst zijn opgenomen, zoals de wijzigingsbepalingen en de overgangsbepalingen die geen nut meer hebben.
  3. Welke bepalingen zijn in de coördinatie opgenomen?
  
  3.1. Stand van de wetgeving
  
  3.1.1. Er werd rekening gehouden met de stand van de wetgeving tot de wijzigingen bij de wetten van 10 april 2014 (de wet van 10 april 2014 'houdende diverse bepalingen inzake gezondheid' en de wet van 10 april 2014 'tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen').
  
  De wijzigingen die aangebracht worden bij de wet van 4 april 2014 'tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen' werden niet in de tekst van de coördinatie geďntegreerd. Deze wijzigingen treden immers pas in werking op 1 september 2016, tenzij de Koning een eerdere datum bepaalt. Daarom werden deze wijzigingsbepalingen opgenomen in hoofdstuk 14 (Toekomstige wijzigingsbepalingen). De keuze om deze wijzigingen niet in de lopende tekst te integreren werd gemaakt omdat (1) de datum van de inwerkingtreding te ver in de toekomst ligt, en (2) de wijzigingen te divers zijn, waardoor het in sommige gevallen quasi onmogelijk zou worden om weer te geven welke versie vanaf welk ogenblik van toepassing zou zijn, wat de transparantie en de leesbaarheid van de tekst sterk in het gedrang zou brengen. Anderzijds kon de laatstgenoemde wet van 4 april 2014 niet uit de coördinatie worden weggelaten. Deze wet is immers opgevat als een wijziging van het koninklijk besluit nr. 78, en de rechtszekerheid en de transparantie van de rechtsorde zouden in het gedrang komen wanneer op 1 september 2016 (of eventueel vroeger) de bedoelde wijzigingen moeten worden aangebracht in de gecoördineerde tekst en niet langer in het koninklijk besluit nr. 78. Daarom werden de wijzigingen achteraan in de coördinatie opgenomen, waarbij alle verwijzingen reeds werden aangepast aan de tekst die zij uiteindelijk zullen wijzigen. De nieuw in te voegen artikelen dragen evenwel (noodzakelijkerwijze) een "schuine-streepnummering".
  
  Er werd ook rekening gehouden met de koninklijke besluiten van 10 en 19 april 2014 die respectievelijk op 1 juli 2015 de gedeeltelijke inwerkingtreding regelen van artikel 3 van de wet van 24 november 2004 'houdende maatregelen inzake gezondheidszorg', en ook de inwerkingtreding van artikel 71, 1°, van de wet van 19 december 2008 'houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg'.
  
  De inwerkingtreding van artikel 3 van de wet van 24 november 2004 wat betreft de vroedvrouwen, bij het koninklijk besluit van 10 april 2014, heeft tot gevolg dat de oude versie van het gecoördineerde artikel 25 (vroeger artikel 7) vanaf 1 juli 2015 voor deze laatste overblijvende beroepsgroep (de vroedvrouwen) geen toepassing meer vindt. Het toepassingsgebied van de oude versie van het gecoördineerde artikel 25 strekte zich overigens niet uit tot alle gezondheidszorgberoepen maar was beperkt tot de artsen, apothekers, tandartsen, kinesisten en vroedvrouwen. De nieuwe versie van het gecoördineerde artikel 25 is daarentegen van toepassing op alle gezondheidszorgberoepen maar slechts vanaf een datum die door de Koning vastgesteld wordt voor elke beroepsgroep. De oude versie blijft bijgevolg enkel voor de vroedvrouwen tot 1 juli 2015 van toepassing en werd dus eveneens in de tekst van het gecoördineerde artikel 25 als een tijdelijke overgangsbepaling opgenomen.
  
  Door de inwerkingtreding van artikel 71, 1°, van de wet van 19 december 2008 wordt op 1 juli 2015 artikel 21sexies van het koninklijk besluit nr. 78 opgeheven. Artikel 21sexies (het gecoördineerde artikel 47) wordt vanzelfsprekend in de coördinatie opgenomen, aangezien die bepaling nog geldt, maar in de voetnoot onder dit artikel wordt melding gemaakt van de wetsgeschiedenis tot en met de opheffing ervan. De coördinatie bevat ook nog een verwijzing naar dit gecoördineerde artikel 47, nl. in het gecoördineerde artikel 45. In de voetnoot bij dit artikel wordt verduidelijkt dat de verwijzing naar het gecoördineerde artikel 47 door de wetgever zal dienen opgeheven te worden met ingang van 1 juli 2015. Die ingreep kan immers niet in het raam van de huidige coördinatieopdracht.
  
  3.1.2. Sedert de aanvraag tot coördinatie van het koninklijk besluit nr. 78 werd de tekst niet minder dan elf maal uitdrukkelijk gewijzigd, namelijk bij
  
  a) de wet van 17 februari 2012 'houdende diverse dringende bepalingen inzake gezondheid';
  b) de wet van 29 maart 2012 'houdende diverse bepalingen;'
  c) het koninklijk besluit van 5 juli 2012 'tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen teneinde de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van de beroepskwalificaties om te zetten';
  d) de wet van 19 maart 2013 'houdende diverse bepalingen inzake gezondheid';
  e) de wet van 23 mei 2013 'tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren';
  f) het koninklijk besluit van 19 juli 2013 'houdende diverse bepalingen inzake bewijskracht';
  g) de wet van 15 december 2013 'met betrekking tot medische hulpmiddelen';
  h) het koninklijk besluit van 11 februari 2014 'tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen';
  i) de wet van 4 april 2014 'tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen';
  j) de wet van 10 april 2014 'houdende diverse bepalingen inzake gezondheid';
  k) de wet van 10 april 2014 'tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen';
  
  Bovendien, zoals hiervoor reeds werd uiteengezet, werden ook vroegere wijzigings- en opheffingsbepalingen in werking gesteld bij koninklijke besluiten die werden uitgevaardigd sinds de aanvraag tot coördinatie.
  
  Dit alles had tot gevolg dat de coördinatiewerkzaamheden telkens grotendeels dienden overgedaan te worden, hetgeen uiteraard de tijdige afwikkeling ervan ernstig heeft bemoeilijkt. Door deze talrijke wijzigingen diende immers niet enkel de volgorde en de nummering van de gecoördineerde artikelen steeds weer aangepast te worden (door opheffingen en invoegingen), maar bovendien moesten de voetnoten en de talloze interne verwijzingen eveneens worden aangepast. Ook de concordantietabellen dienden telkens opnieuw gewijzigd te worden, alsook deze "Aantekeningen ter verantwoording".
  
  3.2. Oude en nieuwe bepalingen in de tekst, afhankelijk de beroepsgroep
  
  Zoals hiervoor reeds kort werd uiteengezet, werden in een aantal gevallen in het verleden artikelen opgeheven, vervangen of gewijzigd, waarbij de Koning werd gemachtigd om "per beroepsgroep" de inwerkingtreding vast te stellen van deze opheffing, vervanging of wijziging.
  
  3.2.1. Omdat deze machtigingen aan de Koning in sommige gevallen nog niet volledig uitgevoerd werden, bevat de coördinatie zowel de oude als de nieuwe tekst van deze artikelen (of onderdelen ervan) in één artikel.
  
  Deze keuze werd ingegeven door de rechtszekerheid.
  
  Het zou inderdaad mogelijk zijn geweest om de oude bepalingen op te nemen in de bijlage met niet in de coördinatie opgenomen bepalingen. Deze, voor sommige beroepsgroepen nog van kracht zijnde bepalingen, zouden dan weliswaar niet uit de rechtsorde verdwijnen, maar men zou ze evenwel uit het oog kunnen verliezen, wat de rechtszekerheid en de transparantie niet ten goede zou komen.
  
  Daarom werden in drie gevallen, met name in de artikelen 72 (het oude artikel 24), 73 (het oude artikel 25) en 153 (het oude artikel 54ter) van de gecoördineerde tekst overgangsregelingen uitgewerkt voor de beroepscategorieën waarvoor de nieuwe regeling nog niet van kracht is. Wat deze drie artikelen betreft, werd verwezen (weliswaar in een aangepaste vorm) naar de machtiging aan de Koning om de betreffende bepalingen per beroepsgroep in werking te laten treden.
  
  3.2.2. In een ander geval, nl. artikel 25 (het oude artikel 7) werd er voor geopteerd om de machtiging aan de Koning die zich bevindt in de wet van 24 november 2004 in paragraaf 2 van artikel 25 op te nemen. De nieuwe tekst bevindt zich in artikel 25, § 1, en deze is reeds van toepassing voor een aantal beroepsgroepen. De "oude" overgangstekst bevindt zich in paragraaf 3 en is enkel nog van toepassing voor de vroedvrouwen tot 30 juni 2015. Vanaf 1 juli 2015 is artikel 25, § 1, van toepassing op de vroedvrouwen. Wat de artikelen 72, 73, en 153 betreft (die in punt 3.2.1 besproken werden), is de toestand enigszins anders. De nieuwe regeling geldt op het ogenblik van het afsluiten van de coördinatie enkel voor een aantal beroepscategorieën, waarbij de oude regeling van toepassing blijft voor de andere beroepscategorieën.
  
  3.3. Toekomstige wijzigingen: inwerkingtreding op een door de Koning te bepalen datum
  
  In een aantal andere gevallen zijn bepalingen die de bestaande tekst wijzigen, vervangen of opheffen, nog niet in werking getreden omdat de Koning de inwerkingtreding ervan nog dient vast te stellen. In deze gevallen werden de bepalingen die de inwerkingtredingsregeling bevatten in de tekst opgenomen. Deze machtigingen aan de Koning om de inwerkingtreding vast te stellen, en die in een tekst voorkomen die vreemd is aan het koninklijk besluit nr. 78, werden dan opgenomen in het artikel van de gecoördineerde tekst waarop ze betrekking hebben, zij het in een aangepaste vorm.
  
  Hierna wordt een overzicht gegeven van alle bepalingen waarbij de Koning :
  
  (1) nog dient over te gaan tot de inwerkingstelling van ingevoegde bepalingen (punt 3.3.1);
  (2) dient over te gaan tot de inwerkingstelling, maar dit niet meer hoeft te doen vermits de bepalingen impliciet in werking zijn getreden (punt 3.3.2);
  (3) nog gedeeltelijk dient over te gaan tot de inwerkingtreding - zie punt 3.2 supra (punt 3.3.3);
  (4) enkel nog dient over te gaan tot de inwerkingtreding voor sommige beroepsgroepen (punt 3.3.4);
  (5) nog dient over te gaan tot de inwerkingtreding van de opheffing van bepalingen (punt 3.3.5);
  (6) nog dient over te gaan tot de vervanging van bepalingen (punt 3.3.6);
  
  3.3.1. In te voegen bepalingen op een door de Koning te bepalen datum
  
  - Het gecoördineerde artikel 8, zevende lid (het oude artikel 4, § 2ter, laatste lid) wordt ingevoegd bij de wet van 1 mei 2006 en treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum (artikel 6, eerste lid, van de wet van 1 mei 2006).
  
  - Artikel 20, eerste tot zesde lid (het oude nog niet in werking getreden artikel 4, § 4) werd reeds opgenomen in de eigenlijke tekst van de coördinatie. Artikel 55 van de wet 15 december 2013 met betrekking tot medische hulpmiddelen vervangt de bestaande paragraaf 4 van artikel 4. Deze nieuwe paragraaf treedt pas in werking op een door de Koning te bepalen datum.
  
  In de thans van kracht zijnde paragraaf 4 worden aspecten geregeld met betrekking tot het aanschaffen en het houden van een geneesmiddelendepot door een arts, alsook de machtigingen hiervoor, de bevoorrading en het beheer ervan. De in deze bepaling voorkomende medisch-farmaceutische cumulatie werd destijds evenwel afgeschaft. Om die reden werd het vroegere artikel 4, § 4 - op aanraden van de contactpersoon - niet meer opgenomen in de coördinatie (zie verder in deze aantekeningen). Omdat artikel 55 van de wet van 15 december 2013 juist deze (niet meer toepasselijke) paragraaf 4 vervangt, werd ervoor geopteerd om de (nog niet in werking getreden) vervanging op te nemen als het gecoördineerde artikel 20 met de toevoeging in het zevende lid van de inwerkingtredingsbepaling die voorkomt in artikel 57, eerste lid, van de wet van 15 december 2013.
  
  3.3.2. In te voegen bepalingen op een door de Koning te bepalen datum impliciete inwerkingtreding
  
  De gecoördineerde artikelen 11, derde lid (het oude artikel 4, § 3, 2°, derde lid), en 12, tweede lid (het oude artikel 4, § 3, 3°, tweede lid) treden in werking op een door de Koning te bepalen datum (zie de artikelsgewijze aantekeningen).
  
  In geen van deze twee gevallen heeft de Koning een besluit genomen dat de datum van inwerkingtreding vaststelt. Niettemin werden deze bepalingen reeds aangewend als rechtsgrond voor het koninklijk besluit van 12 juni 2008 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken'. Uit het gegeven dat de Koning is overgegaan tot de uitvoering van een nog niet in werking getreden bepaling, moet worden afgeleid dat die bepaling ook impliciet in werking is gesteld.
  
  Om die reden werden deze bepalingen opgenomen in de tekst van de coördinatie als geldende bepalingen en werden de machtigingen van de Koning tot de inwerkingstelling ervan niet opgenomen.
  
  3.3.3. Bepalingen waar oude en nieuwe teksten op hetzelfde ogenblik van kracht zijn
  
   Vermits van sommige bepalingen zowel oude als nieuwe versies (elk voor verschillende beroepscategorieën) geldig zijn, werden beide versies in de tekst van de coördinatie opgenomen.
  
  - Gecoördineerd artikel 72 (oud artikel 24): hier staan de oude tekst en nieuwe tekst onder elkaar met een overgangsregeling voor de oude tekst. De paragrafen 1 en 2 bevatten de tekst van toepassing op de beroepscategorieën waarvoor de Koning reeds uitvoering gaf aan de machtiging. In paragraaf 3 wordt de tekst opgenomen die van toepassing is op de beroepscategorieën waarvoor de Koning de datum van inwerkingtreding nog niet vaststelde. Naar de machtiging aan de Koning, om de inwerkingtreding te bepalen per beroepscategorie (artikel 183 van de wet van 25 januari 1999), wordt verwezen in artikel 72, § 3, eerste lid.
  
  - Gecoördineerd artikel 73 (oud artikel 25): hier staan de oude tekst en nieuwe tekst ook onder elkaar met overgangsregeling voor de oude tekst. Paragraaf 1 bevat de tekst van toepassing op de beroepscategorieën waarvoor de Koning reeds uitvoering gaf aan de machtiging tot vaststelling van de inwerkingtreding. Artikel 73, § 2, tweede lid bevat de tekst die van toepassing is op de beroepscategorieën waarvoor de Koning de inwerkingtreding nog niet vaststelde. Naar de machtiging aan de Koning, om de inwerkingtreding te bepalen per beroepscategorie (artikel 183 van de wet van 25 januari 1999), wordt verwezen in artikel 73, § 2, eerste lid. Artikel 73, § 3, is van toepassing op alle beroepscategorieën.
  
  - Gecoördineerd artikel 153 (oud artikel 54ter): hier staan de oude tekst en nieuwe tekst onder elkaar met overgangsregeling voor de oude tekst. De paragrafen 1 tot 3 bevatten de nieuwe regeling. Paragraaf 4 bevat de tekst die van toepassing is op de beroepscategorieën waarvoor de Koning de datum van inwerkingtreding nog niet vaststelde. Naar de machtiging aan de Koning in artikel 183 van de wet van 25 januari 1999 om de inwerkingtreding te bepalen per beroepscategorie, werd verwezen in artikel 153, § 4, eerste lid.
  
  3.3.4. Bepaling waarvan er slechts één versie van kracht is maar waarvan de inwerkingtreding door de Koning bepaald wordt per beroepscategorie
  
  - Gecoördineerd artikel 25 (oud artikel 7): paragraaf 1 bevat de tekst van toepassing op de beroepscategorieën waarvoor de Koning reeds uitvoering gaf aan de machtiging. Paragraaf 2 bevat de machtiging om de eerste paragraaf door de Koning in werking te laten treden per beroepsgroep (artikel 6 van de wet van 24 november 2004). Paragraaf 3 bevat een tijdelijke overgangsregeling (tot 30 juni 2015) die van toepassing is op de vroedvrouwen. Voor deze beroepsgroep geldt vanaf 1 juli 2015 de regeling bedoeld in paragraaf 1.
  
  3.3.5. Bepalingen die opgeheven worden op een door de Koning te bepalen datum
  
   De volgende bepalingen werden in de lopende tekst opgenomen omdat zij nog van kracht zijn, vermits hun opheffing afhangt van een optreden van de Koning.
  
  - Gecoördineerd artikel 47 (oud artikel 21sexies): dit artikel werd niet uit de tekst verwijderd, vermits het pas wordt opgeheven met ingang van 1 juli 2015 (artikel 71, 1°, van de wet van 19 december 2008, gelezen in samenhang met artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 april 2014). Vermits de Koning reeds gebruik maakte van de bepaling om de inwerkingtreding vast te stellen, werd de machtiging tot inwerkingstelling niet in de coördinatie opgenomen. Met het oog op de transparantie omtrent de opheffing van artikel 47 bepaalt artikel 156 dat artikel 47 wordt opgeheven op 1 juli 2015.
  
  - Gecoördineerd artikel 60 (het oude artikel 21septiesdecies) wordt opgeheven bij artikel 71, 2° van de wet van 19 december 2008, met ingang van een door de Koning te bepalen datum (artikel 72 van de wet van 19 december 2008). De machtiging aan de Koning om dit artikel op te heffen werd opgenomen in artikel 60, § 3.
  
  - Gecoördineerd artikel 119, § 1, 2°, a) (het oude artikel 37, § 1, 2°, a)) wordt opgeheven bij artikel 69, 1°, van de wet van 19 december 2008 met ingang van een door de Koning te bepalen datum (artikel 72 van de wet van 19 december 2008). Deze machtiging is in de coördinatie opgenomen in artikel 119, § 5.
  
  3.3.6. Bepaling die een bestaande bepaling vervangt op een door de Koning te bepalen datum
  
   De volgende bepaling werd achteraan in een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 14) toegevoegd. De reden hiervoor is de leesbaarheid van de tekst, vermits het toevoegen aan de oude (van kracht zijnde) tekst van de nieuwe (nog niet van kracht zijnde) tekst afbreuk zou doen aan de leesbaarheid en de rechtszekerheid.
  
  Het gecoördineerde artikel 45 (het oude artikel 21quater) wordt vervangen bij artikel 34 van de wet van 10 augustus 2001, met ingang van een door de Koning te bepalen datum (artikel 59, § 1, van de wet van 10 augustus 2001). Artikel 34 van de wet van 10 augustus 2001 werd op zijn beurt vervangen bij artikel 76 van de wet van 2 augustus 2002. Artikel 59, § 1, van de wet van 10 augustus 2001 wordt aangevuld, waardoor de vervanging bij artikel 76 in werking treedt op een door de Koning te bepalen datum (artikel 77 van de wet van 2 augustus 2002). Artikel 21quater wordt gewijzigd bij artikel 73 van de wet van 19 december 2008. Omdat de vervanging nog niet van kracht is, werd de toekomstige versie van artikel 45 achteraan de tekst toegevoegd, en werd genummerd als artikel 155. Tevens werd de machtiging van artikel 59, § 1, van de wet van 10 augustus 2001 in het gecoördineerde artikel 155 verwerkt.
  
  3.4. Bevoegdheidsaspecten na de zesde Staatshervorming
  
  De zesde Staatshervorming heeft een invloed gehad op diverse bepalingen die voorkomen in de gecoördineerde tekst. Een aantal bevoegdheden inzake de gezondheidszorgberoepen werden immers overgeheveld van de federale overheid naar de gemeenschappen. In het advies over deze coördinatieaanvraag wordt uiteengezet waarom de coördinatie desondanks het geheel van de tekst van het koninklijk besluit nr. 78 omvat en niet enkel de onderdelen ervan die nog tot de bevoegdheid van de federale overheid kunnen worden gerekend.
  
  4. De concordantietabellen
  
  In de concordantietabellen zijn alle bepalingen van het koninklijk besluit nr. 78 opgenomen. De bepalingen die niet in de gecoördineerde tekst terug te vinden zijn, worden aangeduid als "opgeheven bepalingen" of als "niet-gecoördineerde bepalingen", naargelang het geval.
  
  Voor alle duidelijkheid dient eraan herinnerd te worden dat bepalingen, die niet in de coördinatie werden opgenomen, hun rechtskracht niet verliezen. Een coördinatie heeft op zich beschouwd geen kracht van wet en de niet in de coördinatie opgenomen bepalingen verliezen hun rechtskracht niet.
  
  Een aantal wijzigende bepalingen van hoofdstuk 14 "Toekomstige wijzigingsbepalingen", voeren nieuwe artikelen in in de gecoördineerde tekst. Omdat zij pas in werking zullen treden op 1 september 2016 (tenzij de Koning een eerdere datum vaststelt) werden deze bepalingen niet nu reeds geďntegreerd in de tekst van de coördinatie. In de voetnoten in de concordantietabellen wordt evenwel verduidelijkt op welke plaats deze nieuwe artikelen vanaf 1 september 2016 (of eerder) zullen moeten worden ingevoegd.
  
  5. De werkwijze
  
  5.1. Als bijlage 1 is het ontwerp van gecoördineerde tekst opgenomen. De voetnoten, één per artikel, onderdeel of titel, verwijzen naar de oorspronkelijke nummeringen van het koninklijk besluit nr. 78, of in een aantal gevallen van een andere akte. In dit laatste geval gaat het steeds over bepalingen die de inwerkingtreding of de opheffing van de ervoor vermelde tekst regelen. De voetnoten vermelden daarbij in eerste instantie de relevante wetsgeschiedenis van de bepaling, namelijk alle nog van kracht zijnde wijzigingen. Zij vermelden ook welke louter vormelijke wijzigingen aangebracht werden naar aanleiding van de coördinatie, zoals vernummeringen, correcties en dergelijke. Hoewel er een grote analogie is tussen de vermeldingen in de voetnoten van de Nederlandse en de Franse gecoördineerde teksten, zijn deze toch niet steeds identiek, vermits sommige wijzigingen enkel dienden aangebracht te worden in een enkele taalversie.
  
  5.2. Algemene structuur: Het ontwerp bestaat uit veertien hoofdstukken:
  
  Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen
  
  Hoofdstuk 2 De uitoefening van de geneeskunde en van de artsenijbereidkunde
  
  Hoofdstuk 3 De uitoefening van de kinesitherapie
  
  Hoofdstuk 4 De uitoefening van de verpleegkunde
  
  Hoofdstuk 5 De uitoefening van het beroep van vroedvrouw
  
  Hoofdstuk 6 De uitoefening van het beroep van hulpverlener - ambulancier
  
  Hoofdstuk 7 De uitoefening van de paramedische beroepen
  
  Hoofdstuk 8 Bijzondere beroepsbekwaamheden, bijzondere beroepstitels, aanbodsbeheersing, eindeloopbaan, evaluatie, structuur en organisatie van de praktijk, organen en federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen
  
  Hoofdstuk 9 Erkenning van beroepskwalificaties Toepassing van de Europese reglementering
  
  Hoofdstuk 10 De geneeskundige commissies
  
  Hoofdstuk 11 Cel medische bewaking
  
  Hoofdstuk 12 Strafbepalingen en tuchtmaatregelen
  
  Hoofdstuk 13 Algemene bepalingen
  
  Hoofdstuk 14 Toekomstige wijzigingsbepalingen
  
  5.3. Methodologie
  
  5.3.1. Zoveel als mogelijk werd de structuur gevolgd die reeds voorkwam in het koninklijk besluit nr. 78. Het bestaande hoofdstuk IVbis, "Erkenning van beroepskwalificaties Toepassing van de Europese regelgeving", werd evenwel geplaatst na het bestaande hoofdstuk IIbis "Bijzondere beroepsbekwaamheden, bijzondere beroepstitels, aanbodsbeheersing, eindeloopbaan, evaluatie, structuur en organisatie van de praktijk, organen en federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen", vermits deze twee hoofdstukken inhoudelijk, zij het uit een andere invalshoek, heel nauw verwant zijn.
  
  Vooreerst werden de bestaande artikelen volledig vernummerd. De interne verwijzingen werden nadien aangepast aan de nieuwe nummering. Het verplaatsen van artikelen (met uitzondering van de artikelen in hoofdstuk IVbis) werd niet raadzaam geacht.
  
  De verwijzingen naar andere normen werden desgevallend verbeterd of aangepast aan de correcte of inmiddels gewijzigde opschriftbenamingen (zie bijvoorbeeld in het gecoördineerde artikel 6, waar het opschrift "wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica" werd vervangen door "wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen").
  
  Tevens werden louter vormelijke vergissingen in de bestaande tekst rechtgezet, zoals fouten in de schrijfwijze (bijvoorbeeld: een vergeten hoofdletter aan het begin van een zin), en fouten bij de leestekens, indien zij geen uitleg behoeven en de verbetering geen invloed heeft op de draagwijdte van de betrokken bepaling (bijvoorbeeld: een punt dat ontbrak aan het einde van een artikel; een komma die ontbrak tussen het nummer van het artikel en de vermelding van de onderdelen ervan).
  
  5.3.2. Wanneer een gecoördineerd artikel bepalingen bevat die afkomstig zijn van verschillende artikelen of onderdelen ervan, al dan niet afkomstig uit het koninklijk besluit nr. 78, vangt in de voetnoten de herkomst steeds aan met een onderlijnde weergave van de gedeelten van het gecoördineerd artikel, gevolgd door de wetsgeschiedenis.
  
  6. Terminologie
  
  6.1. De bestaande tekst werd aangepast aan de nummering en de terminologie van de Grondwet, zoals die op 17 februari 1994 werd gecoördineerd.
  
  Concreet betekent dit dat de verwijzing naar de artikelen 59bis, § 2, eerste lid, 2°, en 59ter, 2, eerste lid, 3°, van de Grondwet vervangen werd door een verwijzing naar de artikelen 127, § 1, eerste lid, 2°, en 130, § 1, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde Grondwet, dat het woord "Gemeenschap" (met hoofdletter) vervangen werd door het woord "gemeenschap" (met kleine letter), en dat het woord "Executieven" vervangen werd door het woord "Regeringen".
  
  6.2. Tevens werd een verkeerde vermelding van een opschrift vervangen door het correcte opschrift: het opschrift van het koninklijk besluit van 21 maart 2003 houdende vaststelling van de normen waaraan het zorgprogramma voor oncologische basiszorg en het zorgprogramma voor oncologie moeten voldoen om erkend te worden, werd in fine gecorrigeerd door "
   om te worden erkend". In de Franse tekst van hetzelfde opschrift werd het woord "agréé" vervangen door het woord "agréés".
  
  6.3. Correcties van het taalgebruik werden sporadisch uitgevoerd, daar waar ze voor de hand lagen. De correctie is evenwel niet exhaustief, vermits hiervoor een grondig taalkundig nazicht vereist is.
  
  Voorbeelden :
  
  - In de Nederlandse tekst werden de woorden "bedoeld bij de artikelen (of onderdelen ervan)
  " vervangen door "bedoeld in de artikelen (of onderdelen ervan)
  "; de woorden "in het raam" werden vervangen door de woorden "in het kader"; het woord "veearts" werd vervangen door het woord "dierenarts" (interne overeenstemming); het woord "fysisch" of "fysische" werd vervangen door het woord "fysiek" of "fysieke" (interne overeenstemming).
  
  - In de Franse tekst werd het woord "agréation" vervangen door "agrément" (interne overeenstemming);
  
  - De ISO-afkortingen van de vermelding in euro (EUR) werden vervangen door volle tekst, nl. "euro";
  
  6.4. Op talrijke plaatsen werd in de Nederlandse tekst verwezen naar de minister (al dan niet met kleine letter) "bevoegd voor de Volksgezondheid", "die de Volksgezondheid in zijn bevoegdheid heeft", "tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort", "die voor de Volksgezondheid bevoegd is", "van Volksgezondheid", "van Volksgezondheid en van het Gezin". In alle gevallen gaat het om dezelfde minister.
  
  In het kader van de eenvormigheid werd deze verwijzing doorheen de tekst als volgt geformuleerd: minister bevoegd voor Volksgezondheid. Deze benaming is conform de aanbeveling 167 uit de Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten.
  In de Franse tekst werd meermaals verwezen naar "le Ministre ayant la Santé publique dans ses attributions" en ook naar "le Ministre de la Santé publique", en naar "le Ministre de la Santé publique et de la Famille". Omdat het in deze gevallen ook om dezelfde minister ging werd de benaming - eveneens in overeenstemming met de eerder gemelde handleiding - steeds vervangen door "le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions".
  
  6.5. Nog in het kader van de eenvormigheid werden de woorden "farmaceutische beroepsorganisaties" vervangen door de woorden "beroepsorganisaties van apothekers" in de Nederlandse tekst en werden de woorden "organisations professionnelles pharmaceutiques" vervangen door de woorden "organisations professionnelles de pharmaciens" in de Franse tekst.
  
  6.6. De vermeldingen van diploma's
  
  De vermeldingen van diploma's en hieraan gekoppeld de vereisten tot het uitoefenen van het gezondheidszorgberoep werden niet aangepast aan de nieuwe benamingen die van toepassing zijn binnen de Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeenschap.
  
  De diverse drijfveren die hier aan ten grondslag liggen worden hierna weergegeven.
  
  6.6.1. Een aanpassing van de vroegere (federale) diplomabenamingen aan de nieuwe benamingen die de gemeenschappen hanteren, houdt veel meer in dan een loutere actualisering (bijvoorbeeld "licentiaat in de scheikundige wetenschappen" (gecoördineerd artikel 23, § 2, eerste lid) leidt niet automatisch tot een geactualiseerd diploma in de zin van "master in de scheikundige wetenschappen"). Bovendien is het niet meteen duidelijk of die geactualiseerde benamingen de lading zouden dekken die het koninklijk besluit nr. 78 eraan geeft of beoogt te geven. Om dezelfde reden werden ook diplomabenamingen zoals "gegradueerde in de arbeidstherapie" (artikel 154) niet geactualiseerd tot bijvoorbeeld "bachelor in de arbeidstherapie".
  
  6.6.2. Een aantal artikelen hebben betrekking tot de diploma's die toegang geven tot de uitoefening van de geneeskunde, artsenijbereidkunde, tandheelkunde, enz
  , bij gebreke waaraan men deze gezondheidszorgberoepen onwettig uitoefent. Deze diplomavereisten zijn als het ware de grondvesten voor het koninklijk besluit nr. 78. Om de hierna uiteengezette redenen werd ook hier ervoor gekozen deze diplomavereisten niet te actualiseren.
  
  Het gecoördineerde artikel 3, § 1, eerste lid, luidt thans als volgt:
  
  "Niemand mag de geneeskunde uitoefenen die niet het wettelijk diploma bezit van doctor in de genees-, heel en verloskunde, dat werd behaald in overeenstemming met de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, of die niet wettelijk ervan vrijgesteld is, en die bovendien de voorwaarden gesteld bij artikel 25, niet vervult."
  
  Een geactualiseerde tekst had bijvoorbeeld als volgt kunnen luiden:
  
  "Niemand mag de geneeskunde uitoefenen die niet het diploma bezit dat het recht verleent om de door de bevoegde overheid beschermde titel van arts of doctor in de genees-, heel- en verloskunde of master in de geneeskunde te voeren, en dat werd behaald in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, of die niet wettelijk ervan vrijgesteld is, en die bovendien de voorwaarden gesteld bij artikel 25, niet vervult"
  
  Hierbij worden zowel de oude titel van "doctor in de genees-, heel- en verloskunde", de nieuwe titel van "arts" (zie artikel II.76, § 2, 10°, van de (Vlaamse) Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013) als de titel van "master in de geneeskunde" (besluit van de Vlaamse regering van 13 februari 2004 'tot vaststelling van de lijst van de bachelor- en de masteropleidingen in het hoger onderwijs in Vlaanderen') gehanteerd.
  
  De titel van "médecin" zou dan in de Franse tekst moeten voorkomen (artikel 85 van het décret du 7 novembre 2013 'définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études').
  
  De Duitstalige Gemeenschap heeft geen eigen opleiding in de geneeskunde, zodat , althans wat dit diploma betreft, geen dergelijk terminologisch probleem rijst. Hetzelfde geldt overigens voor alle universitaire diploma's in de Duitstalige Gemeenschap. Artikel 2.6. van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 27 juni 2005 'zur Schaffung einer Autonomen Hochschule' voorziet enkel in drie bachelordiploma's, waarvan in voorkomend geval enkel de "bachelor in de verpleegkunde" ("Bachelor in Krankenpflege") voor de coördinatie in aanmerking zou kunnen komen. Wat de andere diploma's betreft, hetzij master- of bachelordiploma's, wordt er in de Duitstalige Gemeenschap geen enkele hogere opleiding georganiseerd die leidt tot een bachelor- of masterdiploma. Er zou dus kunnen gesteld worden dat de wetgeving op het toekennen van de academische graden nog van toepassing is binnen de Duitstalige Gemeenschap, maar gelet op hetgeen hiervoor werd uiteengezet, is er wat de Duitstalige Gemeenschap betreft evenmin noodzaak om te verwijzen naar de (oude federale) wetgeving op het toekennen van de academische graden.
  
  Een verwijzing naar het behalen van het diploma "in overeenstemming met de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens", is dus in algemene zin achterhaald, waardoor de zinsnede "en dat werd behaald in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving" een aanvaardbaar alternatief zou kunnen zijn.
  
  De overwogen tekst lijkt maximaal aan te sluiten bij de bestaande tekst, en houdt ook rekening met de oude diploma's. Het begrip wetgeving wordt hier in de formele zin gehanteerd.
  
  Niettemin werd dit tekstvoorstel niet in de coördinatie verwerkt omdat een dergelijke ingreep meer dan louter vormelijk is en bijgevolg niet ingepast kan worden in de restrictieve opvatting van deze coördinatie. Bovendien zijn er teveel twijfels of de deze tekst inhoudelijk volledig zou sporen met de oude tekst.
  
  6.7. Het alleenstaand woord "geneesheer", dat niet verwijst naar een diplomabenaming en dat niet gebruikt wordt in de combinatie "adviserend geneesheer" of "geneesheer-specialist" of in een woordengroep, werd in de Nederlandse tekst vervangen door het woord "arts".
  
  De term "adviserend geneesheer" werd niet aangepast vermits deze term ingevoerd is door artikel 143 van de wet 'betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994' (hierna: Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994).
  
  Eenzelfde redenering werd gevolgd wat betreft de benaming geneesheer-specialist die zijn oorsprong vindt in het koninklijk besluit van 25 november 1991 'houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde'.
  
   Het gebruik van het woord "geneesheren" in de woordengroep "Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen" werd eveneens behouden vermits deze commissie die benaming krijgt binnen de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994.
  
  Dit geldt ook voor het woord "geneesheren" in de woordengroep "Orde der Geneesheren" die is opgericht bij het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 'betreffende de Orde der geneesheren', en het woord "geneesheren" in de woordengroep "Nationale Paritaire Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen" die is opgericht bij het koninklijk besluit nr. 47 van 24 oktober 1967 'tot instelling van een Nationale Paritaire Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen en tot vaststelling van het statuut van de Nationale Paritaire Commissies voor andere beoefenaars van de geneeskunst of voor andere categorieën van inrichtingen, alsmede van de Gewestelijke Paritaire Commissies'.
  
  6.8. De officiële Nederlandse benaming van de opvolger van het vroegere Ministerie van Sociale zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu is "Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid Voedselketen en Leefmilieu". In de bestaande tekst van het koninklijk besluit nr. 78 werd deze overheidsdienst slechts eenmaal met deze correcte benaming vermeld (namelijk "Veiligheid Voedselketen" en niet "Veiligheid van de Voedselketen"). De website van deze overheidsdienst voegt in haar eigen benaming de woorden "van de" in tussen de woorden "Veiligheid" en "Voedselketen". Ook wordt deze niet-officiële benaming recent blijkbaar steeds gebruikt in wetgevende teksten. De gecoördineerde tekst heeft overal de benaming gehanteerd met de toevoeging van de woorden "van de".
  
  7. Conversie Belgische frank naar euro
  
   Er werden diverse wijzigingen aangebracht die betrekking hebben op de conversie van Belgische frank naar euro. Dit is met name het geval voor de gecoördineerde artikelen 122 tot 130.
  
  De wettelijke basis voor de omrekening bevindt zich in artikel 2 van de wet van 26 juni 2000 'betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet', dat bepaalt dat de bedragen van de geldsommen waarop de opdeciemen bedoeld in de wet van 5 maart 1952 'betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten' worden toegepast, geacht worden rechtstreeks te zijn uitgedrukt in euro, zonder omrekening. Hoewel deze wijzigingen eerder een impliciet karakter hebben, werden zij in de wetshistorische weergave in de voetnoten vermeld als uitdrukkelijke wijzigingen.
  
  8. Indeling in paragrafen
  
   Een aantal artikelen van het koninklijk besluit nr. 78 was ingedeeld in paragrafen, terwijl aanbeveling 57.3 van de Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, in deze gevallen aanraadt om geen dergelijke indeling te gebruiken wanneer elke paragraaf slechts uit een lid bestaat. In de gecoördineerde tekst werd voor deze artikelen de indeling in paragrafen verwijderd, zodat er een indeling ontstaat in leden. De interne verwijzingen naar de paragrafen werden uiteraard vervangen door verwijzingen naar de betreffende (nieuwe) leden.
  
   De artikelen waar de indeling in paragrafen werd weggelaten zijn de volgende:
  
  - artikel 48 (oud artikel 21septies) - geen interne verwijzingen
  - artikel 52 (oud artikel 21undecies) - geen interne verwijzingen
  - artikel 59 (oud artikel 21sexiesdecies) - interne verwijzingen in artikel zelf, en in artikel 124
  - artikel 63 (oud artikel 21noviesdecies) - geen interne verwijzingen
  - artikel 64 (oud artikel 21noviesdecies/1) - geen interne verwijzingen
  - artikel 66 (oud artikel 21unvicies) - interne verwijzing in artikel zelf en in artikel 124
  - artikel 104 (oud artikel 44ter/1) - geen interne verwijzingen
  - artikel 113 (oud artikel 44septiesdecies) - geen interne verwijzingen
  - artikel 115 (oud artikel 44noviesdecies) - interne verwijzing in artikel zelf
  - artikel 135 (oud artikel 45bis) - interne verwijzingen in artikel zelf
  - artikel 136 (oud artikel 45ter) - interne verwijzing in artikel 181
  - artikel 141 (oud artikel 46bis) - interne verwijzingen in de artikelen 23, 24, 55, 71, 84, en 126
  - artikel 143 (oud artikel 47) - interne verwijzing in artikel zelf, en in artikel 44
  - artikel 152 (oud artikel 54bis) - interne verwijzing in artikel zelf
  - artikel 153, § 4 (oud artikel 54ter, zoals ingevoegd bij artikel 16 van de wet van 19 december 1990) - geen interne verwijzingen
  
  9. Toelichting bij de artikelen (naast de in de voetnoten bij de gecoördineerde tekst verschafte toelichting)
  
  Opschrift
  
  Het ontwerp van coördinatie draagt het opschrift "Wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015". Dit opschrift werd niet geďnspireerd door het opschrift dat voorzien is in artikel 55bis van het koninklijk besluit nr. 78 (ingevoegd bij artikel 77 van de wet van 2 augustus 2002) vermits voor deze coördinatie geen beroep gedaan werd op dit artikel 55bis, en er bovendien geen sprake is van de coördinatie van "wetten". De zeer beperkte opname van bepalingen van andere wetten betreft immers enkel inwerkingtredingsbepalingen die in deze andere wetten voorkomen, of nog aan te brengen wijzigingsbepalingen.
  
  Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
  
  Rekening houdende met de Beginselen van de wetgevingstechniek werden alle bestaande hoofdstukken vernummerd en voorzien van Arabische cijfers (Beginselen van de wetgevingstechniek, nr. 64). Bovendien werden de oude artikelen 1 en 1bis van het koninklijk besluit nr. 78 ondergebracht in een afzonderlijk hoofdstuk. Dit waren de enige artikelen die niet ondergebracht werden in de indeling in hoofdstukken van het besluit (Beginselen van de wetgevingstechniek, nr. 63).
  
  Artikel 2 (oud artikel 1bis)
  
  Er werden vier definities (4° tot 7°) toegevoegd die tot doel hebben de leesbaarheid van de tekst te bevorderen. Het gaat om vier wetten die verkort geciteerd worden, vermits op diverse plaatsen naar deze wetten wordt verwezen: "Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994", "Wet Persoonlijke Levenssfeer van 8 december 1992", "Kruispuntbankwet van 15 januari 1990", en de "Vestigingswet van 17 december 1973".
  
  Artikel 5 (oud artikel 3bis)
  
   Teneinde overeenstemming te bewerkstelligen met de terminologie van de Ziekteverzekeringswet van 14 juli 1994, werden in de Nederlandse tekst de woorden "verplichte verzekering voor gezondheidszorgen" vervangen door de woorden "verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging".
  
  Artikel 6 (oud artikel 4, §§ 1 en 2)
  
   De bestaande zinsnede in paragraaf 2, eerste lid, 7°: "
   door de directeur van een weefselbank erkend overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd door de Koning of zijn afgevaardigde" werd in overeenstemming met de wet van 9 december 2008 als volgt geactualiseerd: "
   door de beheerder van het menselijk lichaamsmateriaal in een instelling bedoeld in de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek, of zijn afgevaardigde".
  
  Artikel 8 (oud artikel 4, § 2ter)
  
  1. Het voorlaatste lid dat de registratieverplichting invoert voor iedere apotheker-titularis van een niet voor het publiek opengestelde apotheek en dat de Koning machtigt om de regels van deze registratie te bepalen en deze te onderwerpen aan de betaling van een bijdrage is nog niet in werking getreden. De Koning dient de datum van inwerkingtreding van dit lid vast te stellen (artikel 6 van de wet van 1 mei 2006 'tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen'). Omdat de leesbaarheid van artikel 8 er niet onder komt te lijden, werd de delegatie uit artikel 6 van de wet van 1 mei 2006 opgenomen in de tekst van de coördinatie en als volgt herschreven: "Het voorgaande lid treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum.".
  
   Er werd voor deze techniek gekozen, rekening houdende met adviespraktijk van de Raad van State, die onder meer in advies 47.188/1 (niet gepubliceerd) en 49.121/1 (Parl.St. Vl.Parl. 2010-2011, nr. 1059/1, 18) hieromtrent het volgende aanbeveelt:
  
  "Anderzijds verdient het aanbeveling om bepalingen die reeds zijn aangenomen doch nog niet in werking zijn of zijn gesteld, in de codificatie op te nemen, inbegrepen de bepaling tot inwerkingtreding of de machtiging om die bepaling in werking te stellen."
  
  2. In het voorlaatste lid werd in de oorspronkelijke tekst verwezen naar "
   uit de toepassing van dit artikel", wat een verwijzing inhield naar artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 78. In de gecoördineerde tekst wordt dit lange artikel opgesplitst in meerdere artikelen. De verwijzing naar het oorspronkelijke artikel 4 werd dan ook vervangen door een verwijzing naar de artikelen 6 tot 21.
  
  Doorheen de tekst werd elke verwijzing naar artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 78 op dezelfde wijze vervangen door de verwijzing naar de artikelen 6 tot 21 (zie de gecoördineerde artikelen 9, 18, 122, 136, 145 en 147).
  
  Artikel 10 (oud artikel 4, § 3, 1°, negende en tiende lid)
  
   Het eerste, tweede en vierde lid van het gecoördineerde artikel 10 komen overeen met het negende en tiende lid van het oude artikel 4, § 3, 1°, van het koninklijk besluit nr. 78. Het tweede lid van artikel 10 bestaat uit de zin die oorspronkelijk aan het eerste lid werd toegevoegd werd bij artikel 55, 1°, van de wet van 15 december 2013 'met betrekking tot medische hulpmiddelen'.
  
  Deze zin die dus oorspronkelijk geen lid was, werd in de coördinatie duidelijkheidshalve als een lid voorgesteld omdat de Koning deze bepaling nog in werking dient te stellen.
  
  De machtiging aan de Koning om de datum van inwerking ervan vast te stellen werd ingevoegd als derde lid van het gecoördineerde artikel 10. Er werd voor deze techniek gekozen, rekening houdende met adviespraktijk van de Raad van State die hierboven vermeld wordt bij de aantekeningen bij het gecoördineerde artikel 8.
  
  Artikel 11 (oud artikel 4, § 3, 2°)
  
  Artikel 2, 6° van de wet van 1 mei 2006 'tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen', voegde in het gecoördineerde artikel 11 een lid in dat als volgt luidt:
  
  "De Koning bepaalt de gevallen waarbij de tijdelijke overbrenging of tijdelijke sluiting van een voor het publiek opengestelde apotheek niet aan het advies van een Vestigingscommissie moet onderworpen worden, maar enkel aan het advies van de administrateur-generaal van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten of diens afgevaardigde."
  
  Artikel 6, eerste lid, van de wet van 1 mei 2006 bevat de machtiging aan de Koning om deze bepaling in werking te doen treden. De Koning heeft deze machtiging niet uitdrukkelijk aangewend, maar op 12 juni 2008 werd het koninklijk besluit 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken' genomen waarbij in artikel 13 uitvoering gegeven wordt aan de machtiging van artikel 11, derde lid van de gecoördineerde tekst.
  
  Door het feit dat de Koning dit besluit heeft genomen dat rechtsgrond vindt in deze nog niet in werking getreden bepaling, geeft de Koning impliciet maar zeker aan dat Hij deze wetgevende bepaling in werking stelt. Omdat de inwerkingtreding van het eerder vermelde koninklijk besluit van 12 juni 2008 vastgesteld is op 1 augustus 2008, is het gecoördineerde artikel 11, derde lid eveneens op die datum in werking getreden. Het is derhalve overbodig om de machtiging uit artikel 6, eerste lid, van de wet van 1 mei 2006 op te nemen in de gecoördineerde tekst. Hoewel de Raad van State de methode van de impliciete inwerkingtreding afraadt, oordeelt de Raad van State dat dergelijke rechtsgrondbiedende bepalingen nadien niet meer in werking kunnen worden gesteld door een uitdrukkelijk optreden van de Koning. Uitdrukkelijk optreden van de Koning zou in dat geval enkel een declaratief karakter kunnen hebben (zie bijv. advies 47.875/3 over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de datum van inwerkingtreding van de artikelen 3 tot 11 van de programmawet van 27 april 2007" - niet bekendgemaakt).
  
  Artikel 12 (oud artikel 4, § 3, 3°)
  
  Artikel 2, 7° van de wet van 1 mei 2006, voegde in het gecoördineerde artikel 12 een lid in dat als volgt luidt:
  
  "De Koning legt tevens de samenstelling van de aanvragen vast alsook de wijze waarop zij moeten worden ingediend. Een aanvraag wordt slechts ontvankelijk verklaard door het secretariaat van de Vestigingscommissies indien deze volledig is en conform de door de Koning vastgelegde bepalingen werd ingediend. Het onderzoek van de ontvankelijkheid heeft voorafgaandelijk plaats aan het onderzoek van de gegrondheid van de aanvraag door de Vestigingscommissies. De Koning legt deze procedure vast."
  
  Artikel 6, derde lid, van de wet van 1 mei 2006 bevat de machtiging aan de Koning om deze bepaling in werking te doen treden. Ook hier heeft de Koning deze machtiging niet uitdrukkelijk aangewend. Het in de aantekeningen bij het gecoördineerde artikel 11 aangehaalde koninklijk besluit van 12 juni 2008 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken' vindt rechtsgrond in artikel 12, tweede lid van de gecoördineerde tekst.
  
  Naar analogie met hetgeen hiervoor werd gesteld in de aantekeningen bij het gecoördineerde artikel 11, is ook deze bepaling impliciet in werking getreden. Het is derhalve evenzeer overbodig om de machtiging uit artikel 6, derde lid, van de wet van 1 mei 2006, op te nemen in de gecoördineerde tekst.
  
  Artikel 18 (oud artikel 4, § 3ter, § 3quater en § 3quinquies)
  
  1. De overgangsbepalingen van de twee laatste leden van artikel 4, § 3quater van het koninklijk besluit nr. 78, werden niet in de coördinatie opgenomen vermits ze volgens de contactpersoon niet langer relevant zijn. Deze luiden als volgt:
  
  "Bij wijze van overgang wordt elke aanvrager bedoeld in § 3ter, inbegrepen voor de gevallen bedoeld in het eerste lid, 3° of 4° of 5°, behalve als de oorspronkelijke vergunninghouder nog de houder is van de vergunning die werd verleend na de inwerkingtreding van de voornoemde wet van 17 december 1973, geacht te beschikken over een tijdelijke vergunning, die persoonlijk is, gedurende een door de Koning te bepalen termijn, bepaald volgens de procedure voorzien in § 3, 1°, vierde lid.
  
  Bij wijze van overgang kan elke aanvrager bedoeld in het tweede lid, volgens de procedure, de modaliteiten en de termijnen bij koninklijk besluit bepaald een aanvraag tot regularisatie indienen."
  
  Deze leden werden opgenomen in de bijlage 5: "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen". Deze bepalingen blijven vanzelfsprekend geldig; ze kunnen in het raam van een coördinatie immers niet worden opgeheven, ook al gaat het om bepalingen die in de praktijk door het bestuur niet meer worden toegepast omdat ze niet meer relevant zijn. Het is dan ook raadzaam om ze bij een volgende gelegenheid door de wetgever te laten opheffen.
  
  2. De woorden "De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze paragraaf" werden in het oud artikel 4, § 3quinquies weggelaten. Aan deze machtiging werd immers uitvoering gegeven bij artikel 18 van het koninklijk besluit van 8 december 1999 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken', waarbij de inwerkingtreding werd vastgesteld op 14 december 1999. De woorden werden opgenomen in de bijlage 5: "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen".
  
  Artikel 20 (oud artikel 4, § 4)
  
  Het oude artikel 4, § 4 werd uit de tekst weggelaten (dat zoals hierna wordt uiteengezet zonder voorwerp was geworden). Het nieuwe artikel 4, § 4, wordt in de tekst opgenomen terwijl deze nieuwe bepaling evenwel nog niet in werking is getreden vermits de Koning de datum van inwerkingtreding ervan nog dient vast te stellen.
  
  1. Het oude artikel 4, § 4, werd niet in de coördinatie opgenomen en wordt bijgevolg vermeld in de bijlage "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen". In deze bepaling (die betrekking had tot de gecombineerde activiteit van een arts die een medische activiteit cumuleerde met het houden van een officina) wordt er immers nog verwezen naar artikel 4, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 78, terwijl deze bepaling op 5 maart 2005 werd opgeheven bij artikel 12 van de wet van 13 februari 2005 'houdende administratieve vereenvoudiging'.
  
  Uit de parlementaire stukken blijkt dat artikel 4, § 2, 1°, werd opgeheven omdat de machtigingen niet mogen worden toegekend of ten einde lopen wanneer binnen een straal van 5 km van het depot een apotheek bestaat of geopend wordt die toegankelijk is voor het publiek.
  
   De contactpersoon bevestigde dat het oude artikel 4, § 4 het best kan worden weggelaten:
  
  "Dit artikel kan volledig worden weggelaten op grond van de opheffing van de medisch farmaceutische cumulatie. (cfr. hierboven: "De medisch-farmaceutische cumulatie werd opgeheven bij wet van 13 februari 2005 houdende administratieve vereenvoudiging (artikel 11). Artikel 2 van de wet van 12 april 1958 betreffende de medisch-pharmaceutische cumulatie van bepaalt nog : "Ieder door een geneesheer gehouden depot van geneesmiddelen wordt binnen twee jaren na de afkondiging van deze wet afgeschaft.".
  
   De betrokken bepaling blijft vanzelfsprekend geldig tot op het ogenblik dat het gecoördineerde artikel 20 in werking zal treden; ze kan in het raam van een coördinatie immers niet worden opgeheven, ook al gaat het om een bepaling die achterhaald is en zelfs niet meer kan worden toegepast. Hoewel kan worden aangenomen dat ze uit de rechtsorde verdwijnt door haar vervanging op het ogenblik van de inwerkingstelling van artikel 20 van de gecoördineerde tekst, werd het - teneinde de transparantie niet in het gedrang te brengen - nuttig geacht om in het zevende lid van artikel 20 (waarin de machtiging tot de vaststelling van de inwerkingtreding ervan voorkomt), eveneens te vermelden dat op de datum van de inwerkingtreding van artikel 20, het oude artikel 4, § 4 wordt opgeheven.
  
  2. Het nieuwe artikel 4, § 4, werd, zoals hiervoor reeds werd uiteengezet, reeds opgenomen in de tekst van de coördinatie, nl. in artikel 20. Het treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum (artikel 57 van de wet van 15 december 2013 'met betrekking tot medische hulpmiddelen').
  
  3. Er wordt in het vijfde lid verwezen naar de in artikel 8, zesde lid, bedoelde registratieprocedure. De registratieprocedure komt evenwel voor in artikel 8, zevende lid. Het is dan ook raadzaam om deze verwijzing bij een volgende gelegenheid door de wetgever te laten wijzigen.
  
  Artikel 23 (oud artikel 5)
  
   Het woord "Nationale" dat voorafgaat aan de woorden "Raad voor de Kinesitherapie" werd met het oog op de interne overeenstemming vervangen door "Federale". Artikel 146 van de wet van 10 april 2014 strekte er weliswaar toe om de tekst van het koninklijk besluit nr. 78 met deze vernieuwde benaming te actualiseren, maar het oude artikel 5 werd daarbij over het hoofd gezien.
  
  Artikel 25 (oud artikel 7)
  
  De tekst van het gecoördineerde artikel 25 is onderverdeeld in drie paragrafen waarvan paragraaf 1 de nieuwe versie bevat, en waarvan paragraaf 2 de inwerkingtredingsbepaling bevat die voorkomt in artikel 6 van de wet van 24 november 2004. De Koning kan immers nog overgaan tot de inwerkingtreding van artikel 25 voor andere gezondheidszorgberoepen. De derde paragraaf bevat de (oude) overgangstekst die nog tot 30 juni 2015 van toepassing is op de vroedvrouwen. Vanaf 1 juli 2015 vallen de vroedvrouwen eveneens onder de regeling voorzien in het gecoördineerde artikel 25, § 1.
  
  Artikel 31 (oud artikel 11)
  
  De verwijzing naar de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 werd geactualiseerd. Het nieuwe opschrift luidt "gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen". Door deze aanpassing wordt eenvormigheid met 'externe' teksten bewerkstelligd.
  
  Artikel 34 (oud artikel 14)
  
   Er is een discordantie tussen de Nederlandse en de Franse tekst. Terwijl de Nederlandse tekst van artikel 34, § 1, derde lid, het heeft over "(de) niet naleving van de verplichtingen [meervoud] opgelegd in uitvoering van de twee vorige leden", heeft de Franse tekst het over "(le) non-respect de l'obligation (enkelvoud) imposée en exécution des deux alinéas précédents".
  
  Deze discordantie kan in het kader van de coördinatie niet worden rechtgezet. Het is raadzaam dat de wetgever deze discordantie wegwerkt.
  
  Artikel 41 (oud artikel 20bis)
  
  In het eerste lid werd de tekst geactualiseerd: de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, werd inmiddels vervangen door een nieuwe gecoördineerde tekst, nl. de "gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen". Door deze aanpassing wordt eenvormigheid met 'externe' teksten bewerkstelligd.
  
  Artikel 45 (oud artikel 21quater)
  
  1. Artikel 45 (het oude artikel 21quater) werd na de wijzigingen die in de voetnoot worden vermeld ook nog vervangen en vervolgens opnieuw gewijzigd.
  
  De vervanging (bij artikel 34 van de wet van 10 augustus 2001 'houdende maatregelen inzake gezondheidszorg') trad oorspronkelijk, luidens artikel 59, § 1, van de wet van 10 augustus 2001, in werking op de dag van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Dit houdt in dat het vermelde artikel 34 oorspronkelijk in werking is getreden op 1 september 2001.
  
  Nadien echter werd artikel 34 van de wet van 10 augustus 2001 vervangen bij artikel 76 van de programmawet van 2 augustus 2002 (het gaat dus om de vervanging van een vervangingsbepaling). Het vermelde artikel 76 heeft eveneens uitwerking met ingang van 1 september 2001, maar bij artikel 77 van de programmawet van 2 augustus 2002 werd ook het oorspronkelijke artikel dat de inwerkingtreding regelt van artikel 34 gewijzigd. Waar de inwerkingtreding van artikel 34 oorspronkelijk vastgesteld was op de dag van bekendmaking, treedt artikel 34, (en dus ook de latere vervanging bij artikel 76 van de wet van 2 augustus 2002) thans in werking op een door de Koning te bepalen datum.
  
  De wijziging bij artikel 77 van de wet van 2 augustus 2002 wordt met terugwerkende kracht ingevoerd, nl. op 1 september 2001 (wat de oorspronkelijke datum was van de inwerkingtreding van artikel 34 dat artikel 21quater van het koninklijk besluit nr. 78 vervangt - zie artikel 207 van de wet van 2 augustus 2002).
  
  De wetgever heeft blijkbaar de bedoeling gehad om de inwerkingtreding van artikel 34 met terugwerkende kracht sine die uit te stellen door de inwerkingtreding ervan over te laten aan de Koning.
  
  Hoewel dit procedé vanuit wetgevingtechnisch oogpunt allesbehalve raadzaam is, kan, door het retroactief wijzigen van de inwerkingtreding van artikel 34 van de wet van 10 augustus 2001, aangenomen worden dat het nieuwe artikel 21quater van het koninklijk besluit nr. 78 nog niet in werking is getreden.
  
  Deze toekomstige versie van artikel 21quater werd opgenomen als artikel 155 van de coördinatie (in de vorm van een nog in werking te stellen vervanging van artikel 45 van de coördinatie).
  
  2. In het gecoördineerde artikel 45 komt een verwijzing voor naar het gecoördineerde artikel 47. Vermits laatstgenoemde artikel door de wetgever werd opgeheven vanaf 1 juli 2015 zal er moeten over gewaakt worden dat de betreffende passus in het onderhavige artikel 45 vanaf dan zonder voorwerp wordt en het best door de wetgever opgeheven of herzien wordt.
  
  Artikel 46 (oud artikel 21quinquies)
  
  Bij artikel 10 van de wet van 14 juni 2002 'betreffende de palliatieve zorg', worden in artikel 21quinquies, § 1, a), tussen de woorden "het herstel van de gezondheid" en de woorden "of hen bij het sterven te begeleiden", de woorden "de handelingen van palliatieve zorgen te verrichten" ingevoegd. Deze wijziging kan niet uitgevoerd worden, omdat ze betrekking heeft op een tekst die van toepassing was voor de vervanging van artikel 21quinquies bij de wet van 10 augustus 2001. Met deze wijziging kon dan ook geen rekening gehouden worden in deze coördinatie. Deze woorden werden opgenomen in de bijlage "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen".
  
  Artikel 47 (oud artikel 21sexies)
  
  Het gecoördineerde artikel 47 (artikel 21sexies van het koninklijk besluit nr. 78) wordt opgeheven op een door de Koning te bepalen datum (combinatie van artikel 71, 1°, met artikel 72 van de wet van 19 december 2008 'houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg'). Het koninklijk besluit van 19 april 2014 'tot vaststelling van de datum van het inwerkingtreden van artikel 71, 1°, van de wet van 19 december 2008 houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg', legt deze datum vast op 1 juli 2015.
  Vermits het gecoördineerde artikel 47 nog van kracht is tot 30 juni 2015 wordt het nog opgenomen in de coördinatie. De datum van buitenwerkingtreding wordt in de voetnoot bij dit artikel vermeld.
  
  Ook de uiteindelijk nooit in werking getreden vervanging van artikel 21sexies bij artikel 36 van de wet van 10 augustus 2001, wordt eveneens zonder voorwerp door de inwerkingtreding van artikel 71, 1°, van de wet van 19 december 2008. Dit opheffende artikel 71, 1° vermeldt overigens de wet van 10 augustus 2001 in de wetsgeschiedenis van artikel 21sexies.
  
  Teneinde de transparantie omtrent de opheffing van artikel 47 te verzekeren, bepaalt artikel 156 dat artikel 47 wordt opgeheven op 1 juli 2015.
  
  Artikel 55 (oud artikel 21quaterdecies)
  
   Er is een discordantie tussen de Nederlandse en de Franse tekst van artikel 55, § 7, tweede lid. In de Nederlandse tekst staat: "bij een drievierdemeerderheid van de aanwezige leden" terwijl de Franse tekst het als volgt stelt: "aux trois quarts des membres présents".
  
   Vermits deze discordantie niet kan worden rechtgezet in het kader van de coördinatieopdracht, wordt de wetgever aangeraden om deze bij een volgende gelegenheid weg te werken.
  
  Artikel 60 (oud artikel 21septiesdecies)
  
  Artikel 60, §§ 1 en 2 vormen artikel 21septiesdecies van het koninklijk besluit nr. 78. Dit artikel wordt opgeheven op een door de Koning te bepalen datum (combinatie van artikel 71, 2°, met artikel 72 van de wet van 19 december 2008 'houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg'). Deze machtiging, die geen deel uitmaakt van de eigenlijke tekst van het koninklijk besluit nr. 78 wordt in de coördinatie, in artikel 60, § 3 opgenomen, in een aangepaste vorm.
  
  Artikel 61 (oud artikel 21septiesdecies/1)
  
   In de eerste zin van artikel 61, § 2, is er een discordantie tussen de Nederlandse en de Franse tekst. In de Franse tekst staat "ŕ porter un titre professionnel, un titre professionnel particulier ou ŕ se prévaloir d'une qualification professionnelle particuličre", terwijl de Nederlandse tekst als volgt luidt: "een beroepstitel of een bijzondere beroepstitel te dragen of zich te beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid". Waar de Nederlandse tekst het woord "of" hanteert, beperkt de Franse tekst zich tot een komma.
  
  Het is raadzaam dat de wetgever deze discordantie wegwerkt.
  
  Artikel 69 (oud artikel 22)
  
   De wijziging die de Nederlandse versie van artikel 3 van de wet van 17 maart 1997 'tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, met het oog op de uitoefening van de klinische biologie' beoogde aan te brengen in artikel 22, 3° blijkt een manifeste materiële vergissing te zijn. Deze wijziging was immers niet uitvoerbaar en diende aangebracht te worden in artikel 22, 2°. In de coördinatie wordt deze wijziging aangebracht in de Nederlandse versie van het gecoördineerde artikel 69, 2°. Uit de parlementaire stukken kan immers worden afgeleid dat de aldus uitgevoerde correctie ook overeenstemt met de tekst die door de Wetgevende Kamers is aangenomen.
  
  Artikel 70 (oud artikel 22bis)
  
   Bij de Nederlandse versie van artikel 151 van de wet van 10 april 2014 'houdende diverse bepalingen inzake gezondheid' wordt een niet uitvoerbare wijziging aangebracht in het gecoördineerde artikel 70 door de woorden "stelt stelt" te vervangen door het woord "stelt". De oorspronkelijke, en nooit gewijzigde tekst van artikel 22bis bevat immers maar eenmaal het woord "stelt".
  
  Artikel 72 (oud artikel 24)
  
  Het gecoördineerde artikel 72 bestaat uit twee versies, namelijk een 'oude' versie van het vroegere artikel 24, die gewijzigd werd bij artikel 36 van de wet van 6 augustus 1993 en bij artikel 23 van de wet van 6 april 1995, en een 'nieuwe' versie die enkel vervangen werd bij artikel 177 van de wet van 25 januari 1999.
  
  De nieuwe versie is voorlopig slechts van toepassing op een aantal paramedische beroepsgroepen (zie hierboven punt 3.3.3), vermits de Koning de datum van inwerkingtreding van het gecoördineerde artikel 72 per beroepsgroep dient vast te stellen.
  
  De tekst is onderverdeeld in drie paragrafen waarvan de paragrafen 1 en 2 de nieuwe versie bevatten, en paragraaf 3, de zogenaamde oude versie. De laatstgenoemde paragraaf is opgevat als een soort overgangsbepaling die van toepassing zal zijn tot op het ogenblik, dat de Koning, ter uitvoering van artikel 183 van de wet van 25 januari 1999, §§ 1 en 2 in werking doet treden voor de laatst resterende groep beroepsbeoefenaars.
  
  Om de tekst leesbaar te houden en omwille van het feit dat de 'oude' tekst een uitdovend karakter heeft, werd in dit geval niet geopteerd voor een letterlijke overname van de machtiging aan Koning in de tekst van de coördinatie. In de tekst wordt gewoon verwezen naar de machtiging van artikel 183 van de wet van 25 januari 1999 'houdende sociale bepalingen'.
  
  Artikel 73 (oud artikel 25)
  
  Het gecoördineerde artikel 73 bestaat eveneens uit twee versies. Een nieuwe versie die stelt dat paramedici slechts hun beroepstitel voor de omschreven prestaties mogen dragen als ze houder zijn van de erkenning bedoeld in het gecoördineerde artikel 72, § 1, en een oude versie van een gelijkaardige strekking doch die niet gelinkt wordt aan de erkenning waarvan sprake in artikel 72, maar enkel stelt dat aan de gestelde kwalificatievoorwaarden moet worden voldaan. Deze vervanging gaat in per paramedisch beroep op een door de Koning vastgestelde datum.
  
  De nieuwe versie is, zoals in het gecoördineerde artikel 72 eveneens voorlopig slechts van toepassing op een aantal paramedische beroepsgroepen
  
  De tekst is onderverdeeld in drie paragrafen waarvan paragraaf 1 de nieuwe versie bevat terwijl paragraaf 2 de oude versie bevat. De laatstgenoemde paragraaf is opgevat als een overgangsbepaling die van toepassing zal zijn tot op het ogenblik, dat de Koning, ter uitvoering van artikel 183 van de wet van 25 januari 1999, § 1 in werking zal doen treden voor de overige paramedische beroepen.
  
  Om de tekst leesbaar te houden en omwille van het feit dat de 'oude' tekst een uitdovend karakter heeft, werd in dit geval niet geopteerd voor een letterlijke overname van de machtiging aan Koning in de tekst van de coördinatie. In de tekst wordt gewoon verwezen naar de machtiging van artikel 183 van de wet van 25 januari 1999 'houdende sociale bepalingen'.
  
  De derde paragraaf is van toepassing op alle beroepsgroepen.
  
  Artikel 78 (oud artikel 30)
  
   In § 3 werd in de Nederlandse tekst het woord "Executieven" vervangen door "Regeringen" en in de Franse tekst werd het woord "Exécutif" vervangen door het woord "Gouvernement" (artikel 59bis van de Grondwet van 7 februari 1831 vermeldde "executieven"; artikel 121 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 heeft het over "Regeringen"). Door deze aanpassing wordt eenvormigheid met 'externe' teksten bewerkstelligd.
  
   Er is evenwel een discordantie tussen de Nederlandse tekst en de Franse tekst die in het kader van de coördinatie niet kan worden rechtgezet. Waar de Nederlandse tekst het meervoud "Executieven" (lees: "Regeringen") hanteert, hanteert de Franse tekst het enkelvoud "Exécutif" (lees: "Gouvernement"). Het is raadzaam dat de wetgever deze discordantie wegwerkt.
  
  Artikel 91 (oud artikel 35octies)
  
  Gelet op het uitgedoofde tijdelijk karakter werd de zin "Een eerste rapport zal neergelegd worden bij de Ministers van Volksgezondheid en Sociale Zaken ten laatste op 15 mei 1996, inzake behoeften, bevattend voorstellen van een globaal aantal en van een verdeling onder andere per gemeenschap" weggelaten, en opgenomen in de bijlage "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen". Deze zin blijft vanzelfsprekend geldig; hij kan in het raam van een coördinatie immers niet worden opgeheven, ook al gaat het om een bepaling die achterhaald is. Het is dan ook raadzaam om deze zin bij een volgende gelegenheid door de wetgever te laten opheffen.
  
  Artikel 94 (oud artikel 35undecies)
  
  In de Franse tekst van artikel 94, § 2, ontbreken op het einde van de hierna volgende tekst, de woorden ", le Roi".
  
  "§ 2. Par arręté délibéré en Conseil des ministres et sur la proposition conjointe des ministres qui ont la Santé publique et les Affaires sociales dans leurs attributions et aprčs concertation avec les commissions de conventions concernées visées ŕ l'article 26 de la loi du 14 juillet 1994 sur l'assurance maladie:"
  
  Omdat deze ingreep niet kan uitgevoerd worden binnen de coördinatieopdracht is het raadzaam dat de wetgever deze woorden toevoegt.
  
  Artikel 96 (oud artikel 35terdecies)
  
   Er is een discordantie tussen de Nederlandse tekst en de Franse tekst die in het kader van de coördinatie niet kan worden rechtgezet. Waar de Nederlandse tekst stelt dat de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op de "gezamenlijke" voordracht van de ministers bevoegd voor Volksgezondheid en voor Sociale Zaken, onder meer de Hoge Raad voor de Gezondheidsberoepen opricht, hanteert de Franse tekst niet het woord "conjointe".
  
  Het is raadzaam dat de wetgever deze discordantie wegwerkt.
  
  Artikel 98 (oud artikel 35quaterdecies, § 3)
  
   In dit artikel wordt een opsomming weergegeven van gegevens die verzameld worden in de federale databank van de beoefenaars van gezondheidszorgberoepen. Om de opsomming van die gegevens niet te onderbreken met leden (zoals in de oorspronkelijke tekst het geval was), werd er voor geopteerd om de definities van de gegevens telkens weer te geven onmiddellijk na de te definiëren gegevens.
  
  Artikel 100 (oud artikel 35quaterdecies, § 5)
  
   In dit artikel werden de bestaande randnummers 8° en 9° vernummerd in 7° en 8° ten gevolge van de opheffing van het bestaande 7°. Deze bepaling werd ingevoegd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 november 2009 'tot uitvoering van artikel 3, 5°, van de wet van 16 oktober 2009 die machtigingen verleent aan de Koning in geval van een griepepidemie of -pandemie'. Dit koninklijk besluit, dat uitwerking had tot een op de Koning te bepalen dag, werd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 mei 2011 'houdende beëindiging van de uitwerking van sommige koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de wet van 16 oktober 2009 die machtigingen verleent aan de Koning in geval van een griepepidemie of -pandemie' opgeheven op 17 juli 2011.
  
  Artikel 101 (oud artikel 35quaterdecies, § 6)
  
   In de Nederlandse versie werden de woorden ", alle gebruik, ander dan het louter intern gebruik" en "uitdrukkelijk verboden" toegevoegd in de taalkundig gebrekkige zin "Meer algemeen is, ter ondersteuning van de activiteit van de wettige gebruiker.". Hierdoor wordt interne overeenstemming bewerkstelligd met de Franse tekst die als volgt luidt: "Plus généralement, toute utilisation autre que purement interne comme support de l'activité de l'utilisateur légitime est expressément interdite.". Uit de parlementaire stukken kan immers worden opgemaakt dat de aldus aangevulde Nederlandse versie ook overeenstemt met de tekst die door de Wetgevende Kamers is aangenomen.
  
  Hoofdstuk 9 (oud hoofdstuk IVbis)
  
  Dit hoofdstuk bevond zich oorspronkelijk verder in de tekst en bestaat uit de artikelen 102 tot 117. Gelet op de inhoud van dit hoofdstuk (Erkenning van beroepskwalificaties binnen de Europese context) leek er meer samenhang bereikt te worden wanneer het onmiddellijk volgt na het hoofdstuk dat betrekking heeft op de bijzondere beroepsbekwaamheden en bijzondere beroepstitels.
  
  Artikel 103 (oud artikel 44ter)
  
   In artikel 103, 6°, in fine, is er een discordantie tussen de Nederlandse tekst en de Franse tekst die in het kader van de coördinatie niet kan worden rechtgezet. Waar de Nederlandse tekst het volgende stelt: "
   of een combinatie van de twee of drie voorgaande elementen;", stelt de Franse tekst het als volgt : "
   ou une combinaison de deux ou trois précédents;".
  
  Het is raadzaam dat de wetgever deze discordantie wegwerkt.
  
  Artikel 104 (oud artikel 44ter/1)
  
   In artikel 104, eerste lid, is er een discordantie tussen de Nederlandse tekst en de Franse tekst die in het kader van de coördinatie niet kan worden rechtgezet. Waar de Nederlandse tekst in fine het volgende stelt: "De migrant [..] laat deze beroepskwalificatie conform de bepalingen van deze gecoördineerde wet erkennen", stelt de Franse tekst het als volgt: "Le migrant [..] fait reconnaître cette qualification professionnelle conformément aux dispositions du présent chapitre".
  
  Het is raadzaam dat de wetgever deze discordantie wegwerkt.
  
  Artikel 106 (oud artikel 44quinquies)
  
  Na het gecoördineerde artikel 106 wordt het volgend opschrift: "C. Gemeenschappelijke bepalingen inzake vestiging" niet opgenomen in de tekst van de coördinatie. Dit opschrift werd met ingang van 5 mei 2008 ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 maart 2008 samen met de toenmalige artikelen 44sexies tot 44decies. Vermits deze artikelen werden opgeheven bij het koninklijk besluit van 2 juli 2012 (met ingang van 27 augustus 2012) werd dit opschrift dat geen normatieve betekenis heeft weggelaten uit de tekst van de coördinatie en opgenomen in de bijlage "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen".
  
  Artikel 109 (oud artikel 44terdecies)
  
   Dit artikel werd, benevens de wijzigende bepalingen die opgesomd worden in de voetnoot bij dit artikel, ook nog gewijzigd bij artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 juli 2012. Dit artikel luidt als volgt:
  
  "Art. 7. In de artikelen 44undecies tot 44sexiesdecies van hetzelfde besluit worden de woorden "gereglementeerd beroep" vervangen door de woorden "gezondheidszorgberoep"."
  
  Vermits in het gecoördineerde artikel 109 de woorden "gereglementeerd beroep" niet voorkomen, heeft artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 juli 2012 hier geen relevantie. In de wetsgeschiedenis bij dit artikel werd deze wijziging dan ook niet opgenomen.
  
  Artikel 119 (oud artikel 37)
  
  1. Artikel 69, 1°, van de wet van 19 december 2008 'houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg', heft artikel 37, paragraaf 1, 2°, a), van het koninklijk besluit nr. 78 op. Deze opheffing gaat in op een door de Koning te bepalen datum (artikel 72 van de wet van 19 december 2008). De Koning heeft de datum van de opheffing nog niet vastgesteld. Om die reden wordt de bepaling die de Koning hiertoe machtigt (herschreven op maat van de coördinatie) als paragraaf 5 opgenomen in het gecoördineerde artikel 119.
  
  2. In de tweede paragraaf van dit artikel wordt gewag gemaakt van de medische commissie die samengesteld is uit de in artikel 118, § 1, 1° tot 8° bedoelde leden, terwijl deze verwijzing duidelijk artikel 118, § 2, 1° tot 8° beoogt. Omdat deze ingreep niet kan uitgevoerd worden binnen de coördinatieopdracht is het raadzaam dat de wetgever deze verwijzing wijzigt.
  
  Artikel 124 (oud artikel 38ter)
  
   In de Nederlandse tekst van artikel 124, 1°, vierde lid, ontbreken de woorden "uit te oefenen" aan het einde van de zin "Deze is ook niet van toepassing op personen die deel uitmaken van de omgeving van de patiënt en die, buiten de uitoefening van een beroep, na een door een arts of een verpleegkundige gegeven opleiding, en in het kader van een door deze opgestelde procedure of een verpleegplan, van deze laatsten de toelating krijgen om bij deze welbepaalde patiënt één of meer in artikel 46, § 1, 2°, bedoelde technische verstrekkingen.".
  
  Omdat deze ingreep niet kan uitgevoerd worden binnen de coördinatieopdracht is het raadzaam dat de wetgever bij een volgende gelegenheid deze woorden toevoegt.
  
  Artikel 126 (oud artikel 39)
  
  In het gecoördineerde artikel 126, 1°, tweede lid, is er een discordantie tussen de Nederlandse en de Franse tekst. Volgens de Franse tekst is het eerste lid van artikel 126, 1°, niet van toepassing op "l'étudiant en médecine, en dentisterie ou en pharmacie dans le cadre de sa formation", terwijl de Nederlandse tekst enkel "de student in de geneeskunde of de artsenijbereidkunde in het kader van zijn opleiding" vermeldt. Omdat deze ingreep (ofwel de weglating van de woorden "en dentisterie" in de Franse tekst, ofwel de toevoeging van de woorden "in de tandheelkunde" in de Nederlandse tekst) niet kan uitgevoerd worden binnen de coördinatieopdracht is het raadzaam dat de wetgever hieromtrent uitsluitsel verschaft door zelf de gepaste wijziging aan te brengen.
  
  Artikel 138 (oud artikel 45quinquies)
  
  1. Er is een discordantie tussen de Nederlandse en de Franse tekst van artikel 138, § 2, 3°, a), tweede lid. Waar de Nederlandse tekst het heeft over : "
   de resultaten in het kader van een vroegtijdige diagnose van kanker registreren", heeft de Franse tekst het over: "
   les résultats dans le cadre de diagnostic précoce de cancer".
  
  Omdat het onmogelijk is deze discordantie recht te zetten binnen de coördinatieopdracht, is het raadzaam dat de wetgever deze discordantie wegwerkt.
  
  2. In de Franse tekst van artikel 138, § 2, 7°, is het woord "privée" in de zinsnede "un programme de soins agréé en oncologie peut, ŕ sa demande, recevoir de la Fondation privée une copie électronique corrigée ou complétée des données qu'il lui a transmises" overbodig. Niettemin kan deze weglating niet uitgevoerd worden in het kader van de coördinatie. Het is raadzaam dat de wetgever dit woord schrapt.
  
  3. Er is een discordantie tussen de Nederlandse en de Franse tekst van artikel 138, § 3, 7°. De volgende zinsnede in de Nederlandse tekst: "meer bepaald door middel van enquętes", luidt in de Franse tekst als volgt: "notamment au moyen d'enquęte".
  
  Omdat het onmogelijk is deze discordantie recht te zetten binnen de coördinatieopdracht, is het raadzaam dat de wetgever deze discordantie wegwerkt.
  
  Artikel 141 (oud artikel 46bis)
  
  In dit artikel wordt bepaald dat een aantal koninklijke besluiten dienen te worden genomen op eensluidend advies van de Technische Commissie voor verpleegkunde. Oorspronkelijk werd onder meer verwezen naar de in artikel 50, § 1, vijfde lid, bedoelde koninklijke besluiten. Dit artikel 50, § 1, dat in de coördinatie artikel 148, § 1 vormt, bestaat echter niet langer uit vijf leden (zie hiervoor de verantwoording bij dit artikel). De contactpersoon bevestigt dat het de bedoeling is om te verwijzen naar de koninklijke besluiten waarbij de Koning het bestaan van een ramptoestand vaststelt die gepaard gaat met een tekort aan wettig bevoegd personeel, die bedoeld worden in artikel 148, § 1, vierde lid.
  
  Artikel 142 (oud artikel 46ter)
  
  Het opschrift van de wet van
   'tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren' werd vervolledigd met de datum en werd ook nog geactualiseerd. Het opschrift werd immers vervangen bij artikel 177 de wet van 10 april 2014 'houdende diverse bepalingen inzake gezondheid'. Het nieuwe opschrift luidt als volgt: "wet van 23 mei 2013 tot regeling van de vereiste kwalificaties om ingrepen van niet-heelkundige esthetische geneeskunde en esthetische heelkunde uit te voeren en tot regeling van de reclame en informatie betreffende die ingrepen".
  
  Oud artikel 48
  
  Dit artikel bevatte enkel wijzigingsbepalingen en werd dus niet opgenomen in de gecoördineerde tekst. Deze bepalingen werden opgenomen in de bijlage "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen".
  
  Artikel 144 (oud artikel 49)
  
  De overgangsmaatregel in artikel 144, tweede lid, is volgens de contactpersoon nog steeds relevant, vermits de besluiten die vermeld worden in deze overgangsmaatregel, nog steeds kunnen genomen worden. Deze regeling werd dan ook opgenomen in de coördinatie.
  
  Artikel 145 (oud artikel 49bis)
  
  In de woordengroep "Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België" werd het woord "Vlaamse" geschrapt. Hierdoor wordt de tekst in overeenstemming gebracht met de correcte benaming van deze academie (zie artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 juli 1973 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 november 1938 houdende oprichting van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België').
  
  Artikel 146 (oud artikel 49ter)
  
  1. In dit artikel wordt in de Nederlandse tekst gewag gemaakt van het woord "arts-specialist". Omdat het koninklijk besluit van 25 november 1991 'houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde', het heeft over geneesheer-specialist, werd ervoor gekozen om het woord "arts-specialist" te vervangen door het woord "geneesheer-specialist".
  
  2. In de woordengroep "Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België" werd het woord "Vlaamse" geschrapt. Hierdoor wordt de tekst in overeenstemming gebracht met de correcte benaming van deze academie (zie artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 juli 1973 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 november 1938 houdende oprichting van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België').
  
  Artikel 148 (oud artikel 50)
  
  1. Het lid "Ten titel van overgangsbepaling en zolang de koninklijke besluiten voorzien bij de artikelen 23, 24, 46, § 1, 2° en 71, § 1 niet zullen genomen zijn, blijven de huidige modaliteiten van uitvoering van de daardoor bedoelde handelingen of prestaties, zoals zij worden beperkt door de rechtspraak volgend uit de hogervermelde wet van 12 maart 1818, verder van toepassing" is volgens de contactpersoon nog steeds relevant omdat er nog steeds dergelijke koninklijke besluiten kunnen worden genomen. Het lid werd dan ook opgenomen in de coördinatie.
  
  De woorden "hogervermelde wet van 12 maart 1818" werden evenwel vervangen door "wet van 12 maart 1818 tot regeling van hetgeen de beoefening van de verschillende takken van de geneeskunst betreft" vermits het woord "hogervermelde" verwijst naar het lid dat voorafgaat maar dat niet in de coördinatie werd opgenomen vermits het gaat over een opheffingsbepaling.
  
  2. Het lid dat als volgt luidt: "De wet van 19 januari 1961 waarbij aan personen die wettig niet bevoegd zijn de geneeskunde te beoefenen, in uitzonderlijke omstandigheden toelating wordt verleend om bepaalde geneeskundige handelingen te verrichten, blijft van kracht" werd eveneens in de tekst van de coördinatie opgenomen.
  
  Op het eerste gezicht is het weliswaar overbodig om te stellen dat een akte van kracht blijft. Nochtans heeft de wetgever het vroeger wenselijk geacht dit uitdrukkelijk te vermelden. Het weglaten van dit lid uit de coördinatie zou dan ook ten onrechte de indruk kunnen wekken dat de wet van 19 januari 1961 niet langer van kracht zou zijn. De contactpersoon stelde bovendien dat deze wet nog relevant kan zijn bij mogelijke toekomstige griepcrisissen.
  
  3. Voorts werden in het gecoördineerde artikel 148 de volgende bepalingen weggelaten vermits het gaat om opheffingsbepalingen die zijn uitgewerkt. Zij werden opgenomen in de bijlage "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen".
  
  "§ 1. (eerste lid) De wet van 12 maart 1818 tot regeling van hetgeen de beoefening van de verschillende takken van de geneeskunst betreft, uitgelegd bij de wet van 27 maart 1853 en gewijzigd bij de wetten van 24 februari 1921, 18 juli 1946 en 25 juli 1952, wordt opgeheven."
  
  "§ 3. De wet van 15 november 1946 tot bescherming van de titel van verpleger en verpleegster wordt opgeheven."
  
  4. In artikel 148, § 3, komt een verwijzing voor naar de koninklijke besluiten bepaald in artikel 3, § 2, tweede lid. Artikel 2, 2°, van de wet van 13 december 2006 'houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid' verving artikel 3, § 2, waarbij in de vervangende tekst niet langer sprake is van koninklijke besluiten. De verwijzing naar artikel 3, § 2, tweede lid, is hierdoor zonder voorwerp geworden. Omdat deze ingreep niet kan uitgevoerd worden binnen de coördinatieopdracht, is het raadzaam dat de wetgever deze verwijzing opheft.
  
  Artikel 149 (oud artikel 51, 4°)
  
  1. De volgende onderdelen werden weggelaten:
  
  "1° de doctors in de genees-, heel- en verloskunde die, hetzij gediplomeerd zijn krachtens de wetten op het toekennen van de academische graden welke de wet van 21 mei 1929 voorafgaan, hetzij een vrijstelling genieten welke op grond van die wetten verleend werd;
  
  2° de personen die in het bezit zijn van het getuigschrift van bekwaamheid van tandarts, uitgereikt krachtens artikel 4 van de wet van 12 maart 1818 tot regeling van hetgeen de beoefening van de verschillende takken van de geneeskunst betreft of dat werd verleend krachtens de wet van 15 april 1958; tot oprichting van een speciale examenzitting voor het verkrijgen van het diploma van tandarts;
  
  3° de personen welke de voorwaarden, gesteld bij artikel 1, 1°, 2° en 3°, van de hogergenoemde wet van 15 april 1958 vervullen en die, bij beslissing van de commissie, bedoeld in artikel 2, lid 3, van die wet, werden toegelaten tot het afleggen van het examen ingericht in uitvoering van dezelfde wet;".
  
  De reden hiervoor is tweeërlei: vooreerst wordt er verwezen naar wetgeving die niet meer van kracht is, en ten tweede zijn er wellicht geen beroepsbeoefenaars meer actief die vallen onder het toepassingsgebied van deze bepalingen. Absolute zekerheid hieromtrent werd evenwel niet verschaft. Omdat deze bepalingen opgenomen zijn in de bijlage die de niet in de coördinatie opgenomen bepalingen bevat, verdwijnen zij dan ook niet uit de rechtsorde. Het is raadzaam dat de wetgever hieromtrent uitsluitsel verschaft door deze bepalingen hetzij op te heffen, hetzij in een eventueel aangepaste versie alsnog in te voegen in de coördinatie.
  
  2. Met betrekking tot het "4°": deze tekst, die niet verwijst naar specifieke opgeheven bepalingen, werd behouden maar het is niet duidelijk of er nog beroepsbeoefenaars actief zijn die vallen onder het toepassingsgebied van deze bepalingen. Desgevallend kan de wetgever ook hier uitsluitsel verschaffen door deze bepaling op te heffen indien effectief zou vast staan dat ook deze overgangsbepaling niet meer relevant zou zijn.
  
  Oud artikel 53
  
  Artikel 53 van het koninklijk besluit nr. 78 werd weggelaten. Heel vermoedelijk zijn er geen apothekers meer die onder het toepassingsgebied vallen. Omdat deze bepaling opgenomen is in de bijlage die de niet in de coördinatie opgenomen bepalingen bevat, verdwijnt ze dan ook niet uit de rechtsorde. Het is raadzaam dat de wetgever hieromtrent uitsluitsel verschaft door deze bepaling hetzij op te heffen, hetzij in een eventueel aangepaste versie alsnog in te voegen in de coördinatie.
  
  Het luidt als volgt:
  
  "De apothekers die erkend of gemachtigd worden vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit ingevolge het koninklijk besluit van 5 november 1964 tot vaststelling van de voorwaarden voor de machtiging van de apothekers die bevoegd zijn om verstrekkingen te verrichten die tot de klinische biologie behoren of in het kader van de reglementering op de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, worden toegelaten titularis te zijn van een voor het publiek opengestelde officina en tevens klinische analyses te verrichten."
  
  Oud artikel 53bis
  
  Het bestaande artikel 53bis luidt als volgt:
  
  "In afwijking van artikel 5, § 2, worden de licentiaten in de wetenschappen, andere dan die van de groep der scheikundige wetenschappen, die erkend werden op grond van het koninklijk besluit van 23 oktober 1972 betreffende de erkenning van licentiaten in de wetenschappen met het oog op het uitvoeren van bioklinische laboratoriumonderzoeken, bevoegd verklaard om de verstrekkingen van klinische biologie uit te voeren, waarvoor ze erkend werden."
  
  Dit artikel werd niet in de coördinatie opgenomen omdat een erkenning op grond van het koninklijk besluit van 23 oktober 1972 niet meer mogelijk is, gelet op de vernietiging ervan door de Raad van State (arrest nr. 16.991 van 25 april 1975). Het is raadzaam dat de wetgever hieromtrent uitsluitsel verschaft door deze bepaling hetzij op te heffen, hetzij in een eventueel aangepaste versie alsnog in te voegen in de coördinatie.
  
  Artikel 151 (oud artikel 54)
  
  Het gecoördineerde artikel 151 artikel luidt als volgt:
  
  "Mogen de praktijk van de normale bevallingen blijven uitoefenen, indien zij voldoen aan de voorwaarden opgelegd bij artikel 7, de personen die in het bezit zijn van het getuigschrift van bekwaamheid van vroedvrouw, erkend door de provinciale geneeskundige commissie krachtens artikel 4 van de wet van 12 maart 1818, tot regeling van hetgeen de beoefening van de verschillende takken van de geneeskunst betreft."
  
  Dit artikel, dat volgens de contactpersoon mag worden weggelaten, werd toch in de gecoördineerde tekst opgenomen. De reden hiervoor is dat de gecoördineerde tekst zelf nog een verwijzing bevat naar dit artikel, namelijk in het gecoördineerde artikel 122. Het is raadzaam dat de wetgever hieromtrent uitsluitsel verschaft door deze bepaling hetzij op te heffen (maar dan ook de verwijzing ernaar), hetzij in een eventueel aangepaste versie alsnog in te voegen in de coördinatie.
  
  Artikel 153 (oud artikel 54ter)
  
  Het gecoördineerde artikel 153 bestaat uit twee versies, namelijk een 'oude' versie van het vroegere artikel 54ter dat ingevoegd werd bij artikel 16 van de wet van 19 december 1990, en een nieuwe versie die de oude versie vervangen heeft bij artikel 180 van de wet van 25 januari 1999 (en die later nog werd gewijzigd).
  
  De nieuwe versie is voorlopig slechts van toepassing op een beperkt aantal beroepsgroepen, vermits de Koning, die de datum van inwerkingtreding van het gecoördineerde artikel 153 per beroepsgroep dient vast te stellen, dit nog niet voor alle beroepsgroepen heeft uitgevoerd. Deze machtiging bevindt zich in artikel 183 van de wet van 25 januari 1999.
  
  De tekst is onderverdeeld in vier paragrafen waarvan de paragrafen 1 tot 3 de nieuwe versie bevatten, en paragraaf 4, de zogenaamde oude versie. Laatstgenoemde paragraaf is opgevat als een overgangsbepaling die van toepassing zal zijn tot op het ogenblik, dat de Koning, in uitvoering van artikel 183 van de wet van 25 januari 1999, §§ 1 en 2 in werking doet treden. Om de tekst leesbaar te houden en omwille van het feit dat de 'oude' tekst een uitdovend karakter heeft, werd in dit geval niet geopteerd voor een letterlijke overname van de machtiging aan Koning in de tekst van de coördinatie. In de tekst wordt gewoon verwezen naar de machtiging van artikel 183 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen.
  
  Oud artikel 55
  
  Dit artikel bepaalde de inwerkingtreding van het koninklijk besluit nr. 78. De opname van die oorspronkelijke inwerkingtredingsbepaling, die reeds is uitgewerkt, in een gecoördineerde tekst is zinloos. Deze bepaling werd opgenomen in de bijlage "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen".
  
  Oud artikel 55bis
  
  Dit artikel bevatte de machtiging aan de Koning om de bepalingen van het koninklijk besluit coördineren. Vermits dit artikel overbodig is geworden na de voorliggende coördinatie, werd het niet opportuun bevonden om het artikel te behouden. Niets staat er evenwel aan in de weg om de huidige gecoördineerde tekst later nogmaals te coördineren wanneer de noodzaak hiertoe zou blijken. Zoals in het advies over deze coördinatieaanvraag en in het begin van deze aantekeningen werd aangestipt, is de huidige coördinatie niet gesteund op artikel 55bis, maar op artikel 6bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en op de nog geldende artikelen van de wet van 13 juni 1961 betreffende de coördinatie en codificatie van wetten. Deze bepaling werd opgenomen in de bijlage "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen".
  
  Oud artikel 56
  
  De uitvoeringsbepaling werd weggelaten omdat een uitvoeringsbepaling niet gebruikelijk is in een wetgevende akte (ook al was die uitvoeringsbepaling wel aangewezen voor de initiële uitvaardiging van het koninklijk besluit nr. 78). Alleen in koninklijke besluiten, besluiten van een regering en besluiten van het college staat een uitvoeringsbepaling. Wetten hebben geen uitvoeringsbepaling daar de Grondwet in artikel 108 de Koning belast met de uitvoering ervan. Deze bepaling werd opgenomen in de bijlage "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen".
  
  Toekomstige wijzigingsbepalingen
  
  Artikel 155
  
  1. Het gecoördineerde artikel 155 werd ondergebracht in een nieuw hoofdstuk dat als opschrift draagt "Toekomstige wijzigingsbepalingen". In tegenstelling tot andere bepalingen in de coördinatie waar de oude en de toekomstige tekst opgenomen zijn in een enkel artikel, werd er in dit specifieke geval, in het kader van de rechtszekerheid en de transparantie, voor gekozen om hier een toekomstige wijzigingsbepaling van te maken.
  
  De inleidende zin is een aangepaste versie van de inleidende zin van artikel 34 van de wet van 10 augustus 2001 houdende maatregelen in de gezondheidszorg. Dit artikel 34 vervangt artikel 21quater (het gecoördineerde artikel 45), zoals het werd ingevoegd bij de wet van 20 december 1974 en gewijzigd bij de wet van 6 april 1995. De woorden "op een door de Koning te bepalen datum" werden ingevoegd en zijn een verwoording van de machtiging tot inwerkingstelling in artikel 59, § 1, van de wet van 10 augustus 2001, zoals gewijzigd bij artikel 77 van de wet van 2 augustus 2002.
  
  Onder de inleidende zin van artikel 155 staat de toekomstige tekst van het gecoördineerde artikel 45. Artikel 34 van de wet van 10 augustus 2001 is nooit in werking getreden, en werd nadien vervangen bij artikel 76 van de wet van 2 augustus 2002. Vervolgens werd het nog gewijzigd bij artikel 73 van de wet van 19 december 2008.
  
  2. Artikel 149 van de wet van 10 april 2014 vervangt de tekst van artikel 21quater, § 2, van het koninklijk besluit nr. 78. Deze paragraaf 2 luidt als volgt:
  
  "§ 2. De drager van de beroepstitel van vroedvrouw die haar of zijn diploma heeft behaald voor 1 oktober 2018, mag van rechtswege de verpleegkunde uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de dragers van de beroepstitel van gegradueerde verpleegkundige.
  
  De drager van de beroepstitel van vroedvrouw die haar of zijn diploma heeft behaald na 1 oktober 2018, mag van rechtswege de technische verpleegkundige verstrekkingen en de toevertrouwde medische handelingen die tot de verpleegkunde behoren, uitvoeren binnen het terrein van de verloskunde, de fertiliteitsbehandeling, de gynaecologie en de neonatologie."
  
  Het is duidelijk de wil van de wetgever om deze nieuwe paragraaf 2 niet te laten verdwijnen bij een eventuele toekomstige inwerkingtreding van het vervangend artikel 76 van de wet van 2 augustus 2002 (diploma behaald voor of na 1 oktober 2018). Daarom wordt in de coördinatie de vervanging bij de wet van 10 april 2014 ook aangebracht in het vervangend artikel 76 van de wet van 2 augustus 2002.
  
  3. In deze toekomstige versie van het gecoördineerde artikel 45 komen verwijzingen voor naar het gecoördineerde artikel 47. Vermits het laatstgenoemde artikel door de wetgever werd opgeheven vanaf 1 juli 2015 zal er moeten over gewaakt worden dat die verwijzingen, die vanaf dan zonder voorwerp worden, door de wetgever opgeheven of herzien worden.
  
  Artikel 156
  
  Dit artikel bepaalt dat het gecoördineerd artikel 47 wordt opgeheven op 1 juli 2015. Het artikel werd opgeheven bij de wet van 19 december 2008, art. 71, 1°, in samenhang gelezen met artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 april 2014.
  
  Artikelen 157 tot 187
  
  1. Om het risico te vermijden dat de rechtzoekende en de instanties die instaan voor de verspreiding van geconsolideerde teksten, de wijzigende wet van 4 april 2014 'tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen', uit het oog zouden verliezen (omdat die nog in werking te treden wijzigingen betrekking hebben op het koninklijk besluit nr. 78), werd het opportuun gevonden om deze wijzigende bepalingen in de tekst onder te brengen in hoofdstuk 14.
  
  Er moet wel rekening worden gehouden met een beroep tot vernietiging dat tegen de artikelen 21quatervicies, § 3 (gecoördineerd artikel 68/1, § 3, dat wordt ingevoegd bij het gecoördineerd artikel 166), 21quinquiesvicies, § 3 (gecoördineerd artikel 68/2, § 3, dat wordt ingevoegd bij gecoördineerd artikel 167), 21sexiesvicies, § 3 (gecoördineerd artikel 68/3, § 3, dat wordt ingevoegd bij gecoördineerd artikel 168), en 21sexiesvicies, § 5 (gecoördineerd artikel 68/3, § 5, dat wordt ingevoegd bij gecoördineerd artikel 168), tweede en derde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen werd ingesteld bij het Grondwettelijk Hof op 20 november 2014 (zie het Belgisch Staatsblad van 23 december 2014, p. 105.178). Indien dit beroep effectief tot een (gedeeltelijke) vernietiging van de betrokken bepalingen zou leiden, kunnen ook de betrokken wijzigingsbepalingen zoals ze werden opgenomen in de coördinatie, geen uitwerking meer krijgen. Indien de inwerkingtreding ervan zou plaatsvinden op een datum die voorafgaat aan een dergelijke vernietiging, moeten de betrokken wijzigingen als onbestaande worden beschouwd.
  
  Er moet ook rekening gehouden worden met het feit dat, zoals hierna zal blijken, sommige wijzigingen die de wet van 4 april 2014 beoogt aan te brengen, niet meer kunnen worden uitgevoerd omdat de wet van 10 april 2014 'houdende diverse bepalingen inzake gezondheid', inmiddels de te wijzigen bepalingen heeft gewijzigd of vervangen. Omdat deze niet-uitvoerbare wijzigingen wellicht noodzakelijk zijn, gelet op de samenhang die ze vertonen met de andere wijzigingen die de wet van 4 april 2014 aanbrengt, staat het aan de wetgever om het nodige te doen om deze niet uitvoerbare wijzigingen alsnog te herzien.
  
  2. De wijziging die artikel 2 van de wet van 4 april 2014 beoogt aan te brengen werd niet opgenomen, vermits deze gebaseerd is op een niet meer van kracht zijnde versie van artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 78 (gecoördineerd artikel 26).
  
  Deze bepaling werd opgenomen in de bijlage "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen".
  
  3. Ook de wijziging die artikel 3 van de wet van 4 april 2014 beoogt aan te brengen aan artikel 9, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 (gecoördineerd artikel 28) is niet langer mogelijk na de vervanging van dit artikel bij artikel 143 van de wet van 10 april 2014. In gecoördineerd artikel 28, § 1, eerste lid, komt immers geen vermelding van artikel 21noviesdecies (gecoördineerd artikel 63) meer voor.
  
  Artikel 3 van de wet van 4 april 2014 werd derhalve eveneens opgenomen in de bijlage "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen".
  
  4. Het gecoördineerde artikel 171 brengt wijzigingen aan in de tekst van het gecoördineerde artikel 72. Dit artikel 72 was artikel 24 van het koninklijk besluit nr. 78. Omdat er in de gecoördineerde tekst twee versies (zie hiervoor) van dit voormalige artikel 24 voorkomen, naargelang tot welke beroepsgroep men behoort, diende de wijziging die het gecoördineerde artikel 171 aanbrengt zowel in artikel 72, § 1, als in artikel 72, § 3 aangebracht te worden. Om die reden wordt in de tekst het woord "telkens" toegevoegd.
  
  5. De wijzigingen die het gecoördineerde artikel 175 beoogt aan te brengen zijn gebaseerd op een vroegere versie van artikel 36 van het koninklijk besluit nr. 78 (gecoördineerd artikel 118). De bedoeling van dit artikel 175 is de samenstelling van de geneeskundige commissies uit te breiden met twee leden klinisch psychologen en twee leden bevoegd om de klinische orthopedagogiek uit te oefenen. Artikel 158 van de wet van 10 april 2014 wijzigde het genoemde artikel 36 waardoor de nummering voor de nieuw in te voegen onderdelen niet langer lijkt te kloppen. Daarom werd beslist om deze twee nieuwe beroepsgroepen in te voegen onmiddellijk na het 3° dat het aantal leden op twee vaststelt voor de in de artikelen 3, § 1, 4, 6, § 1, 43, 45 en 62 bedoelde beroepen.
  
  6. Artikel 176 beoogt ook een aantal wijzigingen aan te brengen aan een inmiddels niet meer bestaande versie van artikel 37 van het koninklijk besluit nr. 78 (gecoördineerd artikel 119). Het gaat om de volgende leden, die dan ook niet opgenomen werden in de gecoördineerde tekst en opgenomen werden in de bijlage "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen":
  
  "b) in § 1, 2°, c), 1., worden de woorden "de verpleegkunde en de paramedische beroepen" vervangen door de woorden "de verpleegkunde, de paramedische beroepen, de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek";
  
  c) in § 1, 2°, c), 2., worden de woorden "van de verpleegkunde of van een paramedisch beroep" vervangen door de woorden ", van de verpleegkunde, van een paramedisch beroep, van de klinische psychologie of de klinische orthopedagogiek";
  
  d) in § 1, 2°, e), eerste lid, worden de woorden "of door een lid van een paramedisch beroep" vervangen door de woorden ", van de klinische psychologie, de klinische orthopedagogiek of door een lid van een paramedisch beroep";"
  
  "f) in § 2, eerste lid, worden de woorden "tot 7° ter" vervangen door de woorden "tot 7° quinquies"."
  
  7. Bij artikel 24 van de wet van 4 april 2014 (gecoördineerd artikel 177) wordt eveneens een wijziging aangebracht aan een niet meer van toepassing zijnde tekst van het gecoördineerde artikel 122.
  
  Deze wijzigende bepaling werd eveneens weggelaten, en opgenomen in de bijlage "Niet in de coördinatie opgenomen bepalingen":
  
  "c) in § 1, 3°, worden de woorden "of 21noviesdecies" vervangen door de woorden ", 21noviesdecies, 21quatervicies en 21quinquiesvicies";"
  
  8. Artikel 187 bevat de verwoording van de inwerkingtredingsbepaling die voorkomt in artikel 51 van de wet van 4 april 2014 'tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen', en die betrekking heeft op de artikelen 157 tot 187.

  Art. N5. Bijlage 5. - Niet in de Coördinatie opgenomen bepalingen
  Artikel 4, § 3quater twee laatste leden
  
  "Bij wijze van overgang wordt elke aanvrager bedoeld in § 3ter, inbegrepen voor de gevallen bedoeld in het eerste lid, 3° of 4° of 5°, behalve als de oorspronkelijke vergunninghouder nog de houder is van de vergunning die werd verleend na de inwerkingtreding van de voornoemde wet van 17 december 1973, geacht te beschikken over een tijdelijke vergunning, die persoonlijk is, gedurende een door de Koning te bepalen termijn, bepaald volgens de procedure voorzien in § 3, 1°, vierde lid.
  
  Bij wijze van overgang kan elke aanvrager bedoeld in het tweede lid, volgens de procedure, de modaliteiten en de termijnen bij koninklijk besluit bepaald een aanvraag tot regularisatie indienen."
  
  Artikel 4, § 3quinquies, derde lid
  
  "De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze paragraaf".
  
  Artikel 4, § 4
  
  "Art. 4, § 4. 1° De machtigingen voorzien in § 2, 1°, van dit artikel zijn persoonlijk en niet overdraagbaar. De geneesmiddelendepots mogen niet verplaatst worden.
  
  2° De geneesheren die gemachtigd zijn een depot te houden moeten de geneesmiddelen aanschaffen in een voor het publiek opengestelde apotheek van de provincie, waarbinnen het depot is gevestigd. Zij mogen deze geneesmiddelen slechts afleveren aan de zieken die zij in behandeling hebben.
  
  De Koning kan de voorwaarden bepalen voor de bevoorrading en het beheer van en het toezicht op deze depots die niet voor het publiek mogen worden opengesteld en die van de behandelingskamer gescheiden moeten zijn."
  
  Artikel 21quinquies, zinsnede
  
  "de handelingen van palliatieve zorgen te verrichten"
  
  Artikel 35octies, § 2, eerste streepje, laatste zin
  
  "Een eerste rapport zal neergelegd worden bij de Ministers van Volksgezondheid en Sociale Zaken ten laatste op 15 mei 1996, inzake behoeften, bevattend voorstellen van een globaal aantal en van een verdeling onder andere per gemeenschap."
  
  Na artikel 44quinquies
  
  Hoofdstuk IVbis, Afdeling 2. Opschrift: "C. Gemeenschappelijke bepalingen inzake vestiging"
  
  Artikel 48
  
  "Art. 48. § 1. De wet van 12 april 1958 betreffende de medisch-farmaceutische cumulatie wordt aangevuld met onderstaande bepalingen:
  
  "Art. 9bis. De geneesheren wien vergund is geneesmiddelen af te leveren aan hun zieken, mogen geen publieke apotheek hebben.
  
  Art. 9ter. De artsenijbereidingen welke voorhanden zijn bij de geneesheren wien vergund is een depot te hebben, moeten bij een apotheker van het arrondissement gekocht zijn.
  
  De geneesheren houden een register waarin de gekochte preparaties, de datum der leveringen en de naam van de verkoper voorkomen.
  
  Dit register wordt bij elke inspectie ter inzage en ter visering aan de farmaceutische inspecteur gegeven.
  
  § 2. In het artikel 67 van het koninklijk besluit van 30 april 1957 houdende coördinatie van de wetten op het technisch onderwijs worden de woorden "Hoge raad voor verplegingswezen" vervangen door de woorden "Nationale Raad voor de paramedische beroepen"."
  
  Artikel 50, § 1, eerste lid en § 3
  
  "§ 1. De wet van 12 maart 1818 tot regeling van hetgeen de beoefening van de verschillende takken van de geneeskunst betreft, uitgelegd bij de wet van 27 maart 1853 en gewijzigd bij de wetten van 24 februari 1921, 18 juli 1946 en 25 juli 1952, wordt opgeheven."
  
  "§ 3. De wet van 15 november 1946 tot bescherming van de titel van verpleger en verpleegster wordt opgeheven."
  
  Artikel 51, 1° tot 3°
  
  "Indien zij voldoen aan de voorwaarden opgelegd bij artikel 7, zijn of blijven gemachtigd de tandheelkunde uit te oefenen
  
  1° de doctors in de genees-, heel- en verloskunde die, hetzij gediplomeerd zijn krachtens de wetten op het toekennen van de academische graden welke de wet van 21 mei 1929 voorafgaan, hetzij een vrijstelling genieten welke op grond van die wetten verleend werd;
  
  2° de personen die in het bezit zijn van het getuigschrift van bekwaamheid van tandarts, uitgereikt krachtens artikel 4 van de wet van 12 maart 1818 tot regeling van hetgeen de beoefening van de verschillende takken van de geneeskunst betreft of dat werd verleend krachtens de wet van 15 april 1958; tot oprichting van een speciale examenzitting voor het verkrijgen van het diploma van tandarts;
  
  3° de personen welke de voorwaarden, gesteld bij artikel 1, 1°, 2° en 3°, van de hogergenoemde wet van 15 april 1958 vervullen en die, bij beslissing van de commissie, bedoeld in artikel 2, lid 3, van die wet, werden toegelaten tot het afleggen van het examen ingericht in uitvoering van dezelfde wet;"
  
  Artikel 53
  
  "Art. 53. De apothekers die erkend of gemachtigd worden vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit ingevolge het koninklijk besluit van 5 november 1964 tot vaststelling van de voorwaarden voor de machtiging van de apothekers die bevoegd zijn om verstrekkingen te verrichten die tot de klinische biologie behoren of in het kader van de reglementering op de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, worden toegelaten titularis te zijn van een voor het publiek opengestelde officina en tevens klinische analyses te verrichten."
  
  Artikel 53bis
  
  "Art. 53bis. In afwijking van artikel 5, §2, worden de licentiaten in de wetenschappen, andere dan die van de groep der scheikundige wetenschappen, die erkend werden op grond van het koninklijk besluit van 23 oktober 1972 betreffende de erkenning van licenciaten in de wetenschappen met het oog op het uitvoeren van bioklinische laboratoriumonderzoeken, bevoegd verklaard om de verstrekkingen van klinische biologie uit te voeren, waarvoor ze erkend werden."
  
  Artikel 55
  
  "Art. 55. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 48, § 2, die in werking treedt op de bij artikel 50, § 2 bedoelde datum."
  
  Artikel 55bis
  
  "Art. 55bis. De Koning kan de bepalingen van dit koninklijk besluit coördineren met de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot het tijdstip van de coördinatie.
  Ten dien einde kan Hij :
  1° de te coördineren bepalingen anders inrichten, inzonderheid opnieuw ordenen en vernummeren;
  2° de verwijzingen in de te coördineren bepalingen dienovereenkomstig vernummeren;
  3° de te coördineren bepalingen met het oog op onderlinge overeenstemming en eenheid van terminologie herschrijven, zonder te raken aan de erin neergelegde beginselen;
  4° in de bepalingen die niet in de coördinatie worden opgenomen, de verwijzingen naar de gecoördineerde bepalingen aanpassen.
  
  De coördinatie zal het volgende opschrift dragen : "Gecoördineerde wetten betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen."
  
  Artikel 56
  
  "Art. 56. Onze Minister van Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit."
  
  Artikel 2 van de wet van 4 april 2014 tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen
  
   "Art. 2. In artikel 8, § 1, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gewijzigd bij de wetten van 6 april 1995, 13 december 2006 en 19 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het eerste lid worden de woorden "en 21noviesdecies" vervangen door de woorden ", 21noviesdecies, 21quatervicies en 21quinquiesvicies";
  b) in het derde lid worden de woorden "en 21noviesdecies" vervangen door de woorden ", 21noviesdecies, 21quatervicies en 21quinquiesvicies"."
  
  Artikel 3 van de wet van 4 april 2014 tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen
  
  "Art. 3. In artikel 9, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij de wetten van 6 april 1995, 25 januari 1999, 13 december 2006 en 24 juli 2008, worden de woorden "en 21noviesdecies" telkens vervangen door de woorden ", 21noviesdecies, 21quatervicies en 21quinquiesvicies"."
  
  Artikel 23, b), c), d) en f), van de wet van 4 april 2014 tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen
  
  "b) in § 1, 2°, c), 1., worden de woorden "de verpleegkunde en de paramedische beroepen" vervangen door de woorden "de verpleegkunde, de paramedische beroepen, de klinische psychologie en de klinische orthopedagogiek";
  
  c) in § 1, 2°, c), 2., worden de woorden "van de verpleegkunde of van een paramedisch beroep" vervangen door de woorden ", van de verpleegkunde, van een paramedisch beroep, van de klinische psychologie of de klinische orthopedagogiek";
  
  d) in § 1, 2°, e), eerste lid, worden de woorden "of door een lid van een paramedisch beroep" vervangen door de woorden ", van de klinische psychologie, de klinische orthopedagogiek of door een lid van een paramedisch beroep";"
  
  "f) in § 2, eerste lid, worden de woorden "tot 7° ter" vervangen door de woorden "tot 7° quinquies"."
  
  Artikel 24, c), van de wet van 4 april 2014 tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen
  
  "c) in § 1, 3°, worden de woorden "of 21noviesdecies" vervangen door de woorden ", 21noviesdecies, 21quatervicies en 21quinquiesvicies"."
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 10 mei 2015 houdende coördinatie van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (2015-05-10/05).
Van Koningswege:
De Eerste Minister,
Ch. MICHEL
De Minister van Volksgezondheid,
M. DE BLOCK

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
---------------------------------------------------GEWIJZIGD DOOR---------------------------------------------------
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-05-2019 GEPUBL. OP 11-06-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 25) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 29-03-2019 GEPUBL. OP 28-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 92)
  • BEELD
  • WET VAN 22-04-2019 GEPUBL. OP 14-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 29; 72; 199; 122; 126; 25; 27; 28; 31; 31/1; 32; 33; 42; 43; 60; 94; 95; 118; 119; 122)
  • BEELD
  • WET VAN 22-04-2019 GEPUBL. OP 14-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 29; 119) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 22-04-2019 GEPUBL. OP 14-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 68/1; 68/2; 145; 145/1; 146; 153; 154; 119; 129; 133; 7/1; 143/2; 46/1)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 29-03-2019 GEPUBL. OP 17-04-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 72; 92; 92/2) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-01-2019 GEPUBL. OP 25-02-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 25) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-01-2019 GEPUBL. OP 25-02-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 25) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 30-10-2018 GEPUBL. OP 16-11-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 9; 10; 11; 12; 13; 14; 15; 16; 17; 18; 19; 123)
  • BEELD
  • WET VAN 20-09-2018 GEPUBL. OP 10-10-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 42)
  • BEELD
  • WET VAN 05-09-2018 GEPUBL. OP 10-09-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 42; 138)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-03-2018 GEPUBL. OP 03-04-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 136; 138)
  • BEELD
  • WET VAN 22-03-2018 GEPUBL. OP 29-03-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 91; 92; 92/1)
  • BEELD
  • WET VAN 11-03-2018 GEPUBL. OP 26-03-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 9; 18; 19)
  • BEELD
  • WET VAN 11-08-2017 GEPUBL. OP 28-08-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 23; 46)
    (GEWIJZIGD ART. : 153)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-06-2017 GEPUBL. OP 30-06-2017
    (GEWIJZIGD ART. : NL45/1)
  • BEELD
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 24-11-2016 GEPUBL. OP 13-01-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 153)
  • BEELD
  • WET VAN 18-12-2016 GEPUBL. OP 27-12-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 23; 122; 149; N4) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 18-12-2016 GEPUBL. OP 27-12-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 124)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 15-07-2016 GEPUBL. OP 19-08-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 43) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 10-07-2016 GEPUBL. OP 29-07-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 27; 28; 68/1; 68/2; 68/2/1; 68/2/2; 68/3; 119; 133; 143/1)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-06-2016 GEPUBL. OP 18-07-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 2/1; 5/1; 6; 45; 46; 62; 63; 102; 103; 108; 110; 110/1; 112; 113; 114/1; 132/1; 155)
  • BEELD
  • WET VAN 22-06-2016 GEPUBL. OP 01-07-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 141; 23; 71; 72; 76; 119; 133; 176; 180; 153)
  • BEELD
  • WET VAN 18-03-2016 GEPUBL. OP 30-03-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 99)
  • BEELD
  • WET VAN 17-07-2015 GEPUBL. OP 17-08-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 153; 6; 11)
  • BEELD
  • WET VAN 10-05-2015 GEPUBL. OP 18-06-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 47; 31; 31/1; 32; 33; 35; 37; 38; 39; 68/1-68/4; 69; 72; 85; 95; 96; 118; 119; 122; 128/1; 129; 133; 136; 143/1; 144; 145; 148)
  • -------------------------------------INWERKINGTREDING DOOR-------------------------------------
    BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-11-2018 GEPUBL. OP 14-12-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 25)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       Advies van de Raad van State, afdeling Wetgeving.
       Advies 47.996/VR/3 van 27 februari 2015 over een ontwerp van coördinatie van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 'betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen'
       Op 13 januari 2011 is de Raad van State door de Eerste Minister verzocht een ontwerp van coördinatie op te stellen van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 'betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen'.
       Het ontwerp van coördinatie werd opgesteld door Luc Van Calenbergh, eerste referendaris-afdelingshoofd.
       Het ontwerp is, wat de bevoegdheidsvraag betreft, door de verenigde kamers onderzocht op 16 december 2014. De verenigde kamers waren samengesteld uit Jo Baert, kamervoorzitter, voorzitter, Pierre Vandernoot, kamervoorzitter, Jan Smets, Martine Baguet, Jeroen Van Nieuwenhove en Luc Detroux, staatsraden, Jan Velaers en Sébastien Van Drooghenbroeck, assessoren, en Anne-Catherine Van Geersdaele en Greet Verberckmoes, griffiers.
       Het verslag met betrekking tot die bevoegdheidsvraag is uitgebracht door Xavier Delgrange, eerste auditeur-afdelingshoofd, Rein Thielemans, eerste auditeur, en Tim Corthaut, auditeur.
       Het ontwerp is voor het overige door de derde kamer onderzocht op 18 november 2014 en 17 februari 2015. De kamer was samengesteld uit Jo Baert, kamervoorzitter, Jan Smets en Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraden, Jan Velaers, assessor, en Greet Verberckmoes, griffier.
       Het advies over het bijgevoegde ontwerp van coördinatie is gegeven op 27 februari 2015.
       1. Coördinatie is een "technisch-juridisch middel om verscheidene, verspreid liggende wettelijke bepalingen die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, met wijzigingen tot een methodisch geheel te ordenen, met een onderling aangepaste terminologie en in een doorlopende nummering".(1) Meestal gaan coördinaties van wetgeving uit van de uitvoerende macht, hetzij op grond van een wetsbepaling waarbij zij daartoe wordt gemachtigd overeenkomstig artikel 105 van de Grondwet, hetzij op grond van de wet van 13 juni 1961 'betreffende de coördinatie en de codificatie van wetten', gelezen in samenhang met artikel 6bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. In het laatste geval gaat het om een algemene mogelijkheid die bij de wet aan de uitvoerende macht wordt geboden, ongeacht de wetgeving in kwestie.(2)
       Een coördinatie die uitgaat van de uitvoerende macht en die gebaseerd is op de algemene mogelijkheid die wordt geboden door de voormelde wetsbepalingen, kan geen nieuwe rechtsregels bevatten.(3) De oorspronkelijke wetsbepalingen mogen niet worden gecorrigeerd, tenzij wanneer die correcties bijdragen tot een eenvormige terminologie.(4) Een coördinatie strekt er bovendien als dusdanig niet toe om de oorspronkelijke wetsbepalingen op te heffen.(5) Die oorspronkelijke wetsbepalingen blijven formeel bestaan, totdat ze worden opgeheven, doorgaans naar aanleiding van de bekrachtiging van de coördinatie.(6) Door de coördinatie wordt met andere woorden enkel een nieuwe wijze van voorstelling van de oorspronkelijke wetsbepalingen verwezenlijkt, waarop de wetgever vervolgens kan voortgaan door die voorstellingswijze als uitgangspunt te nemen voor wijzigingen die hij aanneemt.
       Pas wanneer de wetgever een coördinatie bekrachtigt die van de uitvoerende macht uitgaat, eigent hij zich het werk van de uitvoerende macht toe en vormt hij de coördinatie om tot een nieuwe wetgevende norm. Die bekrachtiging is een mogelijkheid en geen juridisch verplicht slotstuk van een coördinatie.(7) Ze wordt wel aanbevolen in de huidige handleiding wetgevingstechniek,(8) vooral dan ten behoeve van de rechtszekerheid.
       Aangezien een bekrachtiging van een coördinatie een nieuwe wilsuiting is van de wetgever, moet een coördinatie die bestemd is om te worden bekrachtigd door de federale wetgever, alleszins beperkt blijven tot de bepalingen die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren. Zoals verderop zal blijken (zie opmerking 5) is een te bekrachtigen coördinatie evenwel in de praktijk niet te realiseren.
       Dit gezegd zijnde, zelfs indien het de bedoeling is van de uitvoerende macht die de coördinatie heeft opgesteld om ze ter bekrachtiging aan de wetgever voor te leggen, verleent dit haar evenmin enige bevoegdheid op het stuk van de normatieve inhoud van de gecoördineerde tekst. Alleen de wetgever kan, in voorkomend geval, fundamentele aanpassingen aanbrengen in het bestaande recht, zoals het is gecoördineerd.
       Of ze nu achteraf wordt bekrachtigd of niet, een coördinatie kan enkel wijzigingen van vormelijke aard bevatten van de oorspronkelijke wetsbepalingen. Sommige wijzigingen van vormelijke aard, zoals het vernummeren van artikelen of het herformuleren van de bevoegdheid van een minister, hebben niet de minste inhoudelijke weerslag op de te coördineren regeling. Andere wijzigingen van vormelijke aard, zoals het invoeren van een eenvormige terminologie of het volledig herformuleren van een bepaling, zijn meer verregaand, ook al hebben ze geen invloed op de juridische draagwijdte van die bepaling.
       2. De omstandigheid dat de zesde staatshervorming geleid heeft tot een aantal overdrachten van bevoegdheid aan de gemeenschappen inzake het gezondheidsbeleid,(9) die tot gevolg hebben dat het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 'betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen' (hierna: het koninklijk besluit nr. 78) thans gedeeltelijk tot de bevoegdheid van de gemeenschappen moet worden gerekend, brengt de Raad van State er dan ook toe om, met betrekking tot de draagwijdte van de coördinatie waarover dit advies wordt uitgebracht, het volgende te preciseren.
       Gelet op hetgeen zo-even is uiteengezet over de bijzondere aard van een coördinatie door de uitvoerende macht, meent de Raad van State dat een coördinatie van het koninklijk besluit nr. 78 zonder enige - zelfs minieme - inhoudelijke ingreep en zonder beduidende vormelijke ingrepen, beschouwd kan worden als een nieuwe wijze van voorstelling die de oorspronkelijke wetsbepalingen onverlet laat, ook als die wetsbepalingen tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoren. Zoals zo-even werd uiteengezet, blijven die oorspronkelijke wetsbepalingen immers bestaan.
       Een aldus opgevatte coördinatie van het koninklijk besluit nr. 78 kan op zich dan ook geen probleem van bevoegdheidsverdeling doen rijzen.(10)
       Het zou dan ook niet aanvaardbaar zijn om het koninklijk besluit nr. 78 op een meer dan louter formeel vlak te wijzigen door middel van een coördinatie. Dan zou het immers gaan om een nieuwe wilsuiting van de bevoegde regelgever, die enkel mogelijk is binnen zijn bevoegdheid.
       3. Conform hetgeen hiervoor uiteengezet is, bevat deze coördinatie, ten opzichte van de huidige tekst van het koninklijk besluit nr. 78, uitsluitend aanpassingen die van louter vormelijke aard zijn, zonder enige inhoudelijke weerslag.
       4. Deze "bevoegdheidsneutrale" coördinatie is bovendien slechts mogelijk doordat sinds het tijdstip van de inwerkingtreding van de nieuwe overdrachten van bevoegdheid aan de gemeenschappen, op 1 juli 2014, nog geen wijzigingen zijn aangebracht in het koninklijk besluit nr. 78, noch door de federale overheid, noch door de gemeenschappen.
       5. De Raad van State laat zich bij dit oordeel eveneens leiden door het gegeven dat het "verknippen" van het koninklijk besluit nr. 78 om er de bepalingen uit weg te laten die voortaan tot de bevoegdheden van de gemeenschappen behoren, een opgave is die in de praktijk niet te realiseren is in het kader van een coördinatie. Het eenvoudig weglaten van onderdelen of aspecten van bepalingen van het koninklijk besluit nr. 78 die tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoren, brengt de begrijpelijkheid en de samenhang van de resterende bepalingen in het gedrang.
       6. Anders dan hetgeen gebruikelijk is bij een coördinatie, kan een dergelijke "bevoegdheidsneutrale" coördinatie niet bekrachtigd worden door de wetgever, aangezien die bekrachtiging zou neerkomen op een nieuwe wilsuiting van de wetgever die enkel mogelijk is binnen de bevoegdheid van de federale overheid.
       De federale wetgever kan de bepalingen in de gecoördineerde tekst die tot de bevoegdheid van de federale overheid kunnen worden gerekend, voortaan wel wijzigen, vervangen, aanvullen en opheffen. De federale wetgever kan de gecoördineerde tekst immers gebruiken als het nieuwe uitgangspunt voor zijn normerend optreden. Dat normerend optreden kan weliswaar enkel binnen de bevoegdheden van de federale overheid. De federale overheid kan met andere woorden enkel nog die bepalingen wijzigen, vervangen, aanvullen en opheffen waarvoor zij bevoegd is.
       Ook de gemeenschappen beschikken over de keuzemogelijkheid om - binnen hun bevoegdheden - hun decretale initiatieven te baseren op deze coördinatie, aangezien het koninklijk besluit nr. 78 niet is gewijzigd sinds het tijdstip waarop zij bevoegd zijn geworden.
       7. Uit dit alles blijkt dat de meerwaarde van een aldus opgevatte coördinatie voor de toegankelijkheid en de begrijpelijkheid van het koninklijk besluit nr. 78 slechts zeer beperkt kan zijn in vergelijking met de huidige situatie. Deze vaststelling klemt des te meer nu deze regeling, die reeds meer dan zevenenveertig jaar oud is, op een aantal punten ongetwijfeld aan een inhoudelijke actualisering toe is. Overigens wordt in het federale regeerakkoord van 10 oktober 2014 een grondige inhoudelijke herziening van het koninklijk besluit nr. 78 in het vooruitzicht gesteld.
       De Raad van State - en in het bijzonder het Coördinatiebureau - heeft de gevraagde coördinatie uitgevoerd in de mate van hetgeen juridisch mogelijk is, maar hij ziet zich eveneens genoodzaakt de intrinsieke tekortkomingen van het eindresultaat in het licht te stellen.
       De coördinatie die thans voorligt, vertoont weliswaar bepaalde voordelen, zoals een betere indeling en een volledige vernummering van de bestaande tekst, maar een aantal fundamentele tekortkomingen van de bestaande tekst van het koninklijk besluit nr. 78 konden niet worden verholpen binnen de restrictieve opvatting van een "bevoegdheidsneutrale" coördinatie. Bovendien, en nog meer belangrijk, is de tekst ook niet afgestemd op de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de gemeenschappen inzake het gezondheidszorgbeleid, zodat nog steeds, zoals ook het geval is voor de bestaande tekst van het koninklijk besluit nr. 78, niet uit de tekst van de coördinatie zal blijken welke overheid bevoegd is geworden of gebleven voor het wijzigen, vervangen, aanvullen en opheffen van specifieke bepalingen ervan, alsook voor de uitvoering van die bepalingen. Dat zal pas blijken uit het concrete onderzoek door de afdeling Wetgeving - op basis van de huidige bevoegdheidsverdelende regels - van elk van de adviesaanvragen die aan haar zullen worden voorgelegd met betrekking tot de voorontwerpen, ontwerpen en voorstellen van wetten, decreten, ordonnanties en besluiten inzake aangelegenheden die worden geregeld bij het koninklijk besluit nr. 78.
       Meer in het algemeen rijst de vraag of het instrument van een coördinatie hoe dan ook nog aangepast is aan de hedendaagse regelgevende activiteit.(11)
       Het staat uiteindelijk aan de aanvrager van de coördinatie om te oordelen of het, dit alles in acht genomen, raadzaam is om deze coördinatie van het koninklijk besluit nr. 78 door te voeren. Die beslissing zal evenwel spoedig moeten worden genomen, vooraleer nieuwe wetgevende initiatieven worden ontvouwd met betrekking tot het koninklijk besluit nr. 78, ongeacht of die van de federale overheid dan wel van de gemeenschappen uitgaan.
       De griffier,
       Anne-Catherine VAN GEERSDAELE
       De voorzitter,
       Jo BAERT
       De griffier,
       Greet VERBERCKMOES
       De voorzitter,
       Jo BAERT
       Nota's
       (1) M. Van Damme, "Coördinatie en codificatie: efficiënte instrumenten voor een betere toegankelijkheid van wetgeving ?", in Toegang tot de wet, Brugge, die Keure, 2008, 61.
       (2) Zie Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad van State, 2008, aanbeveling 218, te raadplegen op de internetsite van de Raad van State (www.raadvst-consetat.be).
       (3) Les Novelles, Droit administratif, deel VI, v° Le Conseil d'Etat, p. 56-57, nr. 209.
       (4) Beginselen van de wetgevingstechniek, aanbeveling 219.
       (5) J. Velu, Droit public, I, Le statut des gouvernants, Brussel, Bruylant, 1986, 611.
       (6) P. Popelier, De wet juridisch bekeken, Brugge, die Keure, 2004, 315-316.
       (7) Zo wordt noch in artikel 6bis van de wetten op de Raad van State, noch in de wet van 13 juni 1961 gewag gemaakt van een dergelijke bekrachtiging. Ook in vroegere uitgaven van de handleiding wetgevingstechniek kwam die bekrachtiging niet aan bod: zie bv. Handleiding bij de wetgevingstechniek, Brussel, Belgisch Staatsblad, 1982, 74-77.
       (8) Beginselen van de wetgevingstechniek, aanbeveling 220.
       (9) Zie artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 'tot hervorming der instellingen', alsook Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 44-49.
       (10) De "bevoegdheidsneutrale" coördinatie die voorligt, wordt dan ook gesteund op de algemene coördinatiemachtiging in artikel 6bis van de wetten op de Raad van State en op de wet van 13 juni 1961. Er werd geen gebruik gemaakt van de meer verregaande machtiging in artikel 55bis van het koninklijk besluit nr. 78, omdat die machtiging een aantal vormelijke ingrepen mogelijk maakt die meer beduidend zijn en die niet als "bevoegdheidsneutraal" kunnen gelden.
       (11) M. Van Damme, l.c., 71-72. Zie ook de bedenkingen die de Raad van State reeds heeft geuit in adv.RvS 23.473/1 van 1 juni 2006 over een aanvraag tot codificatie van de kieswetgeving, opmerking 3.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 116 uitvoeringbesluiten 16 gearchiveerde versies
    Franstalige versie