J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2015/02/13/2015000101/justel

Titel
13 FEBRUARI 2015. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen

Bron :
BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 26-02-2015 nummer :   2015000101 bladzijde : 14396       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2015-02-13/06
Inwerkingtreding : 08-03-2015

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-51
BIJLAGEN.
Art. N1-N11

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, en van richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten.

  Art. 2. Artikel 1bis, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, hernummerd door het koninklijk besluit van 22 november 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Artikel 1bis. De vreemdeling die de nationaliteit bezit van een van de landen die opgesomd worden in bijlage I van de verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld wordt gemachtigd, op overlegging van de documenten die voorzien worden in artikel 2 van de wet, met uitzondering van het visum of de daarmee gelijkgestelde machtiging, het Rijk binnen te komen voor een verblijf van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen. "

  Art. 3. Artikel 8, van hetzelfde besluit, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 22 november 1996 en van 11 december 1996, wordt opgeheven.

  Art. 4. Artikel 29 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 april 2007, 22 juli 2008 en 15 augustus 2012, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 29. § 1. De aanvraag voor een machtiging tot vestiging wordt bij de burgemeester van de verblijfplaats of bij zijn gemachtigde ingediend door middel van een document overeenkomstig het model van bijlage 16.
  Indien de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde van artikel 14, tweede lid, van de wet en indien hij, als zijn identiteit niet is vastgesteld, een geldig nationaal paspoort voorlegt, geeft de burgemeester of zijn gemachtigde hem een ontvangstbewijs overeenkomstig het model van bijlage 16bis. De burgemeester of zijn gemachtigde maakt een kopie van dit document over aan de gemachtigde van de minister.
  Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 14, tweede lid, van de wet of indien hij geen geldig nationaal paspoort voorlegt wanneer dit vereist is overeenkomstig het tweede lid, beslist de burgemeester of zijn gemachtigde om de aanvraag niet in overweging te nemen door middel van een document overeenkomstig het model van bijlage 16ter. De burgemeester of zijn gemachtigde maakt een kopie van dit document over aan de gemachtigde van de minister.
  § 2. De aanvraag voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene wordt bij de burgemeester van de verblijfplaats of bij zijn gemachtigde ingediend door middel van een document overeenkomstig het model van bijlage 16. De vreemdeling moet bovendien bij het indienen van deze aanvraag de bewijzen leveren dat hij de voorwaarden vervult die zijn bepaald in artikel 15bis, § 3, van de wet.
  Indien de vreemdeling in het bezit is van een geldige verblijfs- of vestigingsvergunning en indien hij, als zijn identiteit niet is vastgesteld, een geldig nationaal paspoort voorlegt, geeft de burgemeester of zijn gemachtigde hem een ontvangstbewijs overeenkomstig het model van bijlage 16bis. De burgemeester of zijn gemachtigde maakt een kopie van dit document over aan de gemachtigde van de minister.
  Indien de vreemdeling niet in het bezit is van een geldige verblijfs- of vestigingsvergunning of indien hij geen geldig nationaal paspoort voorlegt wanneer dit vereist is overeenkomstig het tweede lid, beslist de burgemeester of zijn gemachtigde om de aanvraag niet in overweging te nemen door middel van een document overeenkomstig het model van bijlage 16ter. De burgemeester of zijn gemachtigde maakt een kopie van dit document over aan de gemachtigde van de minister."

  Art. 5. Artikel 30 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 juli 1992, 27 april 2007 en 22 juli 2008, wordt gewijzigd als volgt :
  "Art. 30. § 1. In afwachting van een beslissing van de minister of zijn gemachtigde omtrent de aanvraag voor een machtiging tot vestiging of de aanvraag voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene dient, wanneer de verblijfstitel vervalt, deze titel te worden afgenomen en het document overeenkomstig het model van bijlage 15 aan de vreemdeling te worden afgegeven. Dit document bewijst dat de vreemdeling een aanvraag voor een machtiging tot vestiging of een aanvraag voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene heeft ingediend en dekt voorlopig zijn verblijf gedurende de termijn vermeld in het tweede lid, desgevallend verlengd tot de afgifte van de identiteitskaart voor vreemdeling of de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene.
  Is de beslissing gunstig of wordt, binnen een termijn van vijf maanden na de afgifte van het ontvangstbewijs, geen beslissing ter kennis van de burgemeester of zijn gemachtigde gebracht, dan geeft deze, naargelang het geval, de identiteitskaart voor vreemdeling of de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene af.
  Indien de minister of zijn gemachtigde de aanvraag verwerpt, geeft de burgemeester of zijn gemachtigde aan de vreemdeling kennis van die beslissing door afgifte van een document overeenkomstig het model van bijlage 17.
  § 2. Wanneer de status van langdurig ingezetene wordt verleend aan een vreemdeling die in het Rijk internationale bescherming geniet, wordt op de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene de bijzondere vermelding "internationale bescherming verleend op [datum] door België" aangebracht.
  Wanneer de status van langdurig ingezetene wordt verleend aan een vreemdeling die reeds een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene bezit die door een andere lidstaat van de Europese Unie is afgegeven en die de bijzondere vermelding "Internationale bescherming verleend op [datum] door [naam van een lidstaat]" bevat, wordt op de Belgische EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene dezelfde bijzondere vermelding geplaatst, tenzij de internationale bescherming bij een definitieve beslissing van die andere lidstaat is ingetrokken. Alvorens deze bijzondere vermelding aan te brengen op de Belgische EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene, verzoekt de minister of zijn gemachtigde de bevoegde overheid van de in de vermelding aangewezen lidstaat te bevestigen of de betrokkene aldaar nog steeds internationale bescherming geniet.
  § 3. Wanneer uit een verzoek van de autoriteiten van een andere lidstaat van de Europese Unie blijkt dat deze lidstaat de internationale bescherming heeft verleend aan een vreemdeling die houder is van een Belgische EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene of de verantwoordelijkheid voor de internationale bescherming van deze langdurig ingezetene heeft overgenomen, alvorens zij zelf een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene hebben afgegeven, wordt binnen de drie maanden na ontvangst van dit verzoek, de in § 2 bedoelde bijzondere vermelding inzake internationale bescherming op de Belgische EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene dienovereenkomstig aangebracht of gewijzigd."

  Art. 6. In artikel 30bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 juli 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene";
  2° het derde lid wordt vervangen als volgt :
  "Indien de minister of zijn gemachtigde beslist, met toepassing van artikel 18, §§ 2 of 3, van de wet, dat de vreemdeling de status van langdurig ingezetene heeft verloren maar zijn recht op verblijf behoudt, wordt de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene ingetrokken. De vreemdeling wordt dan, naargelang het geval, in het bezit gesteld van de identiteitskaart voor vreemdeling of een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister voor beperkte of onbeperkte duur."

  Art. 7. In het opschrift van Titel Ibis, hoofdstuk IV, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 15 augustus 2012, worden de woorden "EG-verblijfsvergunningen voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunningen voor langdurig ingezetene".

  Art. 8. In artikel 31 van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 augustus 2012, worden in paragraaf 1, in paragraaf 2, vijfde lid, en in paragraaf 3 de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene".

  Art. 9. In artikel 32, paragraaf 2bis, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 juli 2008, worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene".

  Art. 10. In artikel 33, van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 15 augustus 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het 1e lid, worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene";
  2° het 4e lid wordt aangevuld met de woorden " mits de vreemdeling, tot staving van zijn aanvraag voor verlenging, de documenten heeft voorgelegd die bewijzen dat hij de voorwaarden voor zijn verblijf vervult ".

  Art. 11. In artikel 35 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 juli 2008, 19 juli 2012 en 15 augustus 2012 worden in het eerste en het vierde lid de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene".

  Art. 12. In artikel 36bis, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 juli 2008 en 15 augustus 2012 worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene".

  Art. 13. In artikel 37, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 juli 2008 en 15 augustus 2012, worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene".

  Art. 14. In artikel 39, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 juli 2008, worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene".

  Art. 15. In artikel 41, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 27 april 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 juli 2008, worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene".

  Art. 16. In artikel 42, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 juli 2008, worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene".

  Art. 17. Artikel 45 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk besluit van 21 september 2011, wordt hersteld in de volgende lezing :
  " Art. 45. Het inreisvisum bedoeld in artikel 41, § 2, van de wet, wordt kosteloos en binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de dag waarop de aanvrager bewijst dat richtlijn 2004/38/EG op hem van toepassing is, afgegeven.
  In uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, kan de in het eerste lid bedoelde termijn echter verlengd worden."

  Art. 18. In artikel 46, van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 7 mei 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de eerste paragraaf wordt opgeheven;
  2° in de tweede paragraaf worden de woorden "aan de documenten vermeld in § 1" vervangen door de woorden "aan een geldige nationale identiteitskaart of een geldig nationaal paspoort".

  Art. 19. In titel II, van hetzelfde besluit, wordt na artikel 57 een hoofdstuk I/I met de titel "Andere familieleden van een burger van de Unie" ingevoegd.

  Art. 20. Artikel 58, van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk besluit van 7 mei 2008, wordt hersteld in de volgende lezing :
  "Art. 58. Met uitzondering van artikel 45, zijn de bepalingen van hoofdstuk I die betrekking hebben op de familieleden van een burger van de Unie bedoeld in artikel 40bis van de wet, van toepassing op de andere familieleden bedoeld in artikel 47/1 van de wet." De Minister of zijn gemachtigde begunstigen echter hun binnenkomst en hun verblijf op het grondgebied van het Rijk, na een individueel en grondig onderzoek van hun aanvraag.

  Art. 21. In titel II van hetzelfde besluit wordt hoofdstuk Ibis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 11 maart 1994, op de volgende manier hernummerd : "Hoofdstuk I/II".

  Art. 22. In titel II van hetzelfde besluit wordt hoofdstuk Iter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 11 juli 2002, op de volgende manier hernummerd : "Hoofdstuk I/III".

  Art. 23. In titel II van hetzelfde besluit wordt hoofdstuk Iquater, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 april 2004, op de volgende manier hernummerd : "Hoofdstuk I/IV".

  Art. 24. In artikel 69bis, van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 11 maart 1994 en gewijzigd door de koninklijke besluiten van 22 februari 1995, van 11 december 1996, van 12 juni 1998 en van 7 mei 2008, wordt het eerste lid opgeheven.

  Art. 25. In artikel 69ter, van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 11 juli 2002 en gewijzigd door het koninklijk besluit van 7 mei 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de eerste paragraaf wordt opgeheven;
  2° de tweede paragraaf wordt aangevuld met de woorden " met uitzondering van het feit dat een identiteitskaart voor vreemdelingen, opgesteld overeenkomstig het model van bijlage 7 van dit besluit, aan hen moet worden afgegeven".

  Art. 26. Artikel 69quater, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 11 juli 2002 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 mei 2008, wordt opgeheven.

  Art. 27. Artikel 84 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk besluit van 28 januari 1988, wordt hersteld als volgt :
  "Art. 84. Wanneer de internationale bescherming wordt verleend aan een vreemdeling die houder is van een Belgische EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene en onder voorbehoud van de indiening van een beroep bedoeld bij artikel 39/56, tweede lid, van de wet, geeft de minister of zijn gemachtigde binnen de drie maanden na deze beslissing de instructie aan de burgemeester of zijn gemachtigde om een nieuwe EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene af te leveren waarin de in artikel 30, § 2 bedoelde bijzondere vermelding inzake internationale bescherming wordt aangebracht.
  Wanneer de internationale bescherming wordt verleend aan een vreemdeling die houder is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, en onder voorbehoud van de indiening van een beroep bedoeld bij artikel 39/56, tweede lid, van de wet, verzoekt de minister of zijn gemachtigde de bevoegde overheid van de lidstaat die de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven om deze te wijzigen teneinde de bijzondere vermelding inzake de internationale bescherming, verleend door België, en de datum waarop deze internationale bescherming werd verleend, er op aan te brengen."

  Art. 28. In artikel 90, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 11 december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  "Onverminderd meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag of Europese verordeningen, wordt de in artikel 89 bedoelde vreemdeling gemachtigd het Rijk binnen te komen voor een verblijf van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, op voorwaarde dat hij houder is van een geldig reisdocument, afgegeven door de autoriteiten van het land waar hij verblijf houdt, voorzien van een visum, geldig voor België, aangebracht door een Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger of door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt.";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.

  Art. 29. Artikel 93 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 28 januari 1988, wordt aangevuld met twee leden :
  "Wanneer de hoedanigheid van vluchteling bevestigd wordt van de in artikel 89 bedoelde vreemdeling die houder is van een Belgische EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene en onder voorbehoud van de indiening van een beroep bedoeld bij artikel 39/56, tweede lid, van de wet, geeft de minister of zijn gemachtigde binnen de drie maanden na deze beslissing de instructie aan de burgemeester of zijn gemachtigde om een nieuwe EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene af te leveren waarin de in artikel 30, § 2, bedoelde bijzondere vermelding inzake internationale bescherming wordt gewijzigd.
  Wanneer de hoedanigheid van vluchteling bevestigd wordt van de in artikel 89 bedoelde vreemdeling die houder is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie, en onder voorbehoud van de indiening van een beroep bedoeld bij artikel 39/56, tweede lid, van de wet, verzoekt de minister of zijn gemachtigde de bevoegde overheid van de lidstaat die de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven om deze te wijzigen teneinde de bijzondere vermelding inzake internationale bescherming, aan te passen."

  Art. 30. Artikel 107, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 11 juli 2002, wordt vervangen als volgt :
  " De grensarbeider die een burger van de Europese Unie of onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat is, mag het Rijk binnenkomen om er arbeid te verrichten, op vertoon van een der in artikel 41 van de wet vermelde documenten."

  Art. 31. In artikel 108, van hetzelfde besluit, worden de woorden "Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen " vervangen door de woorden " lidstaat van de Europese Unie".

  Art. 32. Artikel 110bis, § 2, tweede lid en § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007, wordt met de volgende zin aangevuld :
  "Bij die gelegenheid schrijft de burgemeester of diens gemachtigde de vreemdeling in het vreemdelingenregister in."

  Art. 33. Artikel 110quinquies, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 juli 2008 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 september 2011, wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Indien de vreemdeling bedoeld in artikel 61/7 van de wet zijn aanvraag voor een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden indient bij de burgemeester van zijn verblijfplaats of bij zijn gemachtigde, moet die overgaan tot een verblijfsonderzoek om zich ervan te vergewissen dat de vreemdeling effectief op het grondgebied van zijn gemeente verblijft.
  Indien de in het eerste lid bedoelde vreemdeling niet effectief op het grondgebied van de gemeente verblijft of indien hij niet in het bezit is van een geldig nationaal paspoort, weigert de burgemeester of zijn gemachtigde om zijn aanvraag voor een machtiging tot verblijf in overweging te nemen, door middel van het document overeenkomstig bijlage 43.
  Indien de in het eerste lid bedoelde vreemdeling effectief op het grondgebied van de gemeente verblijft en hij in het bezit is van een geldig nationaal paspoort, geeft de burgemeester of zijn gemachtigde een ontvangstbewijs van zijn aanvraag, overeenkomstig het model van bijlage 41bis, en een attest van immatriculatie - model A, overeenkomstig het model van bijlage 4, dat vier maanden geldig is, aan hem af.
  De burgemeester of zijn gemachtigde maakt onverwijld een kopie van de aanvraag voor een machtiging tot verblijf en een kopie van het ontvangstbewijs over aan de minister of zijn gemachtigde.
  § 2. Indien de minister of zijn gemachtigde, overeenkomstig artikel 61/7, § 3, tweede lid, van de wet, de termijn van vier maanden verlengt, betekent de burgemeester of zijn gemachtigde de beslissing aan de vreemdeling en verlengt hij het attest van immatriculatie voor een duur van drie maanden.
  § 3. Indien de minister of zijn gemachtigde de vreemdeling tot het verblijf machtigt of indien geen enkele beslissing aan de burgemeester of zijn gemachtigde wordt meegedeeld binnen de vier maanden, eventueel verlengd overeenkomstig artikel 61/7, § 3, tweede lid, van de wet, na de afgifte van het ontvangstbewijs, en voor zover de documenten bedoeld in artikel 61/7, § 1, van de wet, voorgelegd werden, wordt de vreemdeling in het bezit gesteld van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister.
  § 4. Indien de minister of zijn gemachtigde de vreemdeling niet tot het verblijf machtigt, betekent de burgemeester of zijn gemachtigde de beslissing door middel van het document overeenkomstig het model van bijlage 42. Het attest van immatriculatie wordt ingetrokken.
  § 5. Indien de vreemdeling na afloop van de termijn van vier maanden, eventueel verlengd overeenkomstig artikel 61/7, § 3, tweede lid, van de wet, na de afgifte van het ontvangstbewijs de documenten bedoeld in artikel 61/7, § 1, van de wet, niet heeft voorgelegd weigert de burgemeester of zijn gemachtigde de aanvraag voor een machtiging tot verblijf door middel van het document overeenkomstig het model van bijlage 42. Het attest van immatriculatie wordt ingetrokken."

  Art. 34. Artikel 110undecies, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 7 november 2011, wordt met de volgende zin aangevuld :
  " Op het moment van de afgifte van dit verblijfsdocument schrijft de burgemeester of zijn gemachtigde de vreemdeling in het vreemdelingenregister in."

  Art. 35. Bijlage 1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 november 1996 et laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 2006, wordt opgeheven.

  Art. 36. Bijlage 1bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 november 1996, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 juni 2002 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 oktober 2002, wordt opgeheven.

  Art. 37. Bijlage 2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 november 1996 en laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 2006, wordt opgeheven.

  Art. 38. In bijlage 15 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 15 augustus 2012 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2012, worden de woorden "status van EG-langdurig ingezetene" telkens vervangen door de woorden "status van EU-langdurig ingezetene" en worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" telkens vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene".

  Art. 39. Bijlage 16 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 juli 2008, wordt vervangen door bijlage 1 gevoegd bij dit besluit.

  Art. 40. Bijlage 16bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007 en vervangen bij het koninklijk besluit van 22 juli 2008, wordt vervangen door bijlage 2 gevoegd bij dit besluit.

  Art. 41. Bijlage 16ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007 en vervangen bij het koninklijk besluit van 22 juli 2008, wordt vervangen door bijlage 3 gevoegd bij dit besluit.

  Art. 42. Bijlage 17 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 juli 2008, wordt vervangen door bijlage 4 gevoegd bij dit besluit.

  Art. 43. Bijlage 19 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 17 augustus 2013, wordt vervangen door bijlage 5 gevoegd bij dit besluit.

  Art. 44. Bijlage 19ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 februari 1995 en vervangen bij het koninklijk besluit van 21 september 2011, wordt vervangen door bijlage 6 gevoegd bij dit besluit.

  Art. 45. Bijlage 20 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 15 augustus 2012 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 augustus 2013, wordt vervangen door bijlage 7 gevoegd bij dit besluit.

  Art. 46. Bijlage 21 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 september 2011, wordt vervangen door bijlage 8 gevoegd bij dit besluit.

  Art. 47. Bijlage 38 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 juli 2008, wordt vervangen door bijlage 9 gevoegd bij dit besluit.

  Art. 48. In hetzelfde besluit wordt een bijlage 42, die als bijlage 10 aan dit besluit is toegevoegd, ingevoegd.

  Art. 49. In hetzelfde besluit wordt een bijlage 43, die als bijlage 11 aan dit besluit is toegevoegd, ingevoegd.

  Art. 50. In de hierna opgesomde bijlagen van hetzelfde besluit wordt telkens aan de verso-kant de zin "Behalve mits zijn (haar) toestemming zal ten aanzien van de betrokkene die het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, slechts tot gedwongen uitvoering van deze maatregel worden overgegaan ten vroegste drie werkdagen na de kennisgeving van de maatregel." vervangen door de zin "Behoudens zijn (haar) toestemming, zal ten aanzien van de betrokkene die het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, slechts tot gedwongen tenuitvoerlegging van deze maatregel worden overgegaan na het verstrijken van de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde beroepstermijn (10 dagen indien het een eerste verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel betreft/5 dagen vanaf de tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel) of, wanneer de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingeleid binnen deze termijn, nadat de Raad deze vordering heeft verworpen." :
  1° bijlage 11, vervangen bij het koninklijk besluit van 17 augustus 2013;
  2° bijlage 11bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 mei 1993 en vervangen bij het koninklijk besluit van 17 augustus 2013;
  3° bijlage 11ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007 en vervangen bij het koninklijk besluit van 17 augustus 2013;
  4° bijlage 13, vervangen bij het koninklijk besluit van 17 augustus 2013;
  5° bijlage 13bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 28 januari 1988 en vervangen bij het koninklijk besluit van 17 augustus 2013;
  6° bijlage 13quinquies, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007 en vervangen bij het koninklijk besluit van 17 augustus 2013;
  7° bijlage 13sexies, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 juni 2012 en vervangen bij het koninklijk besluit van 17 augustus 2013;
  8° bijlage 13septies, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 juni 2012 en vervangen bij het koninklijk besluit van 17 augustus 2013;
  9° bijlage 25quater, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 11 december 1996 en vervangen bij het koninklijk besluit van 17 augustus 2013;
  10° bijlage 26quater, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 11 december 1996 en vervangen bij het koninklijk besluit van 17 augustus 2013.

  Art. 51. De Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft, is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 16. - Aanvraag van machtiging tot vestiging of tot het verkrijgen van de statuts van langdurig ingezetene
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-02-2015, p. 14436-14437)

  Art. N2. Bijlage 16bis. - Ontvangstbewijs
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-02-2015, p. 14438-14439)

  Art. N3. Bijlage 16ter. - Beslissing tot niet-inoverweginggname
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-02-2015, p. 14440-14441)

  Art. N4. Bijlage 17. -Verwerping van een aanvraag van machtiging tot vestiging/tot het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-02-2015, p. 14442-14443)

  Art. N5. Bijlage 19. - Aanvraag van een verklaring van inschrijving of van een identiteitskaart voor vreemdelingen in de hoedanigheid van Zwitserse onderdaan
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-02-2015, p. 14444-14445)

  Art. N6. Bijlage 19ter. - Aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Europese Unie of voor een identiteitskaart voor vreemdelingen in de hoedanigheid van familielid van een Zwitserse onderdaan
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-02-2015, p. 14446-14447)

  Art. N7. Bijlage 20. - Beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-02-2015, p. 14448-14449)

  Art. N8. Bijlage 21. - Beslissing die een einde stelt aan het recht op verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-02-2015, p. 14450-14451)

  Art. N9. Bijlage 38. - Bevel tot terugbrenging
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-02-2015, p. 14452-14454)

  Art. N10. Bijlage 42. - Beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-02-2015, p. 14455-14456)

  Art. N11. Bijlage 43. - Beslissing tot niet-inoverwegingname van een aanvraag voor een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-02-2015, p. 14457-14458)
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 13 februari 2015.
FILIP
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlendse Zaken,
J. JAMBON
De Staatssecretaris voor Asiel en Migratie,
T. FRANCKEN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de Grondwet, artikel 108;
   Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 16, § 1, tweede lid, en § 2, tweede lid, 17, § 5, tweede lid, 39/83, 40bis, 41, § 2, tweede lid, 47/1, 47/2, 47/3 en 61/7;
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   Gelet op het advies 56.593/2/V van de Raad van State, gegeven op 3 september 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken en van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   1. ALGEMENE COMMENTAAR :
   Het ontwerp van koninklijk besluit dat aan uw handtekening wordt voorgelegd, beoogt, enerzijds, het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in overeenstemming te brengen met de bepalingen inzake het vrij verkeer van de burgers van de Unie en hun familieleden ter uitvoering van de wet van 19 maart 2014 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en, anderzijds, het aanpassen van de procedure voor het indienen van een aanvraag voor een machtiging tot een verblijf van langer dan drie maanden op het grondgebied van het Koninkrijk door een onderdaan van een derde land die de status van langdurig ingezetene heeft verkregen in een andere lidstaat van de Europese Unie.
   Dit ontwerp van koninklijk besluit voorziet tenslotte ook in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (hierna afgekort als Richtlijn 2011/51/EU).
   De Richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna afgekort als Richtlijn 2003/109/EG) geeft onderdanen van derde landen die minimum gedurende vijf jaar legaal en ononderbroken op het grondgebied van een lidstaat hebben verbleven, de mogelijkheid om op aanvraag en onder voorwaarden de status van langdurig ingezetene toegekend te krijgen. Door de toekenning van de status van langdurig ingezetene kunnen onderdanen van derde landen en hun gezinsleden zich in andere EU-lidstaten vestigen op basis van hoofdstuk III van de Richtlijn 2003/109/EG. De status van langdurig ingezetene geeft hen het recht om voor perioden van meer dan drie maanden in andere EU-lidstaten te verblijven om aldaar een economische activiteit als werknemer of zelfstandige te verrichten, om een studie of beroepsopleiding te volgen, of om andere redenen.
   Op grond van artikel 3, lid 2, onder c) en d) van Richtlijn 2003/109/EG waren onderdanen van derde landen die vluchteling waren of de toestemming hadden om in een lidstaat te verblijven uit hoofde van subsidiaire vormen van bescherming, overeenkomstig internationale verplichtingen, nationale wetgevingen of de praktijk van de lidstaten, uitgesloten van de werkingssfeer van deze richtlijn.
   Door de richtlijn 2011/51/EU werd de werkingssfeer van de richtlijn 2003/109/EG uitgebreid tot diegenen die internationale bescherming genieten zoals omschreven in artikel 2, onder a) van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming en in artikel 2, onder a) van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking). Bijgevolg kunnen dus voortaan ook erkende vluchtelingen en personen die subsidiaire bescherming genieten in aanmerking komen voor de toekenning van de status van langdurig ingezetene.
   De meeste bepalingen van de richtlijn 2011/51/EU werden omgezet bij de wet van 19 maart 2014 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
   Een aantal bepalingen dienen echter nog te worden omgezet in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, meer bepaald artikel 8, leden 4 tot 6, en artikel 19bis van Richtlijn 2003/109/EG, ingevoegd bij Richtlijn 2011/51/EU. Het betreffen de bepalingen die moeten veilig stellen dat uit de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene kenbaar is en blijft welke lidstaat verantwoordelijk is voor de internationale bescherming. Dit is vooral van belang ingeval de langdurig ingezetene gebruik maakt van zijn recht op verblijf in andere lidstaten dan de lidstaat die de status van langdurig ingezetene heeft toegekend.
   2. ARTIKELSGEWIJZE COMMENTAAR :
   Artikel 1.
   Dit artikel beoogt te beantwoorden aan hetgeen wordt voorgeschreven in de artikelen 26 van richtlijn 2003/109/EG, 40 van richtlijn 2004/38/EG, en 2 van richtlijn 2011/51/EU die stellen dat wanneer de lidstaten de bepalingen van deze richtlijnen omzetten, de omzettingsakten een verwijzing naar deze richtlijnen moeten bevatten.
   Artikelen 2, 3, 18, 24 en 30.
   De wijzigingen van deze artikelen zijn een gevolg van de opheffing van de bijlagen 1, 1bis en 2 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981.
   Voor de redenen van de opheffing van deze bijlagen verwijzen wij naar het commentaar van de artikelen 35, 36 en 37 van dit koninklijk besluit.
   Artikel 4.
   Artikel 4 wijzigt artikel 29 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981. Om de leesbaarheid van artikel 29 te bevorderen wordt het opgesplitst in twee paragrafen.
   De eerste paragraaf bevat de bepalingen die betrekking hebben op de aanvraag voor een machtiging tot vestiging die door de vreemdeling moet ingediend worden bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats.
   De ontvankelijkheidsvoorwaarden die de burgemeester of zijn gemachtigde bij deze aanvraag moet nagaan, zijn niet gewijzigd. Indien de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde van artikel 14, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 (met name indien hij gemachtigd of toegelaten is tot verblijf van onbeperkte duur) en indien hij, als zijn identiteit nog niet is vastgesteld, een geldig paspoort voorlegt, neemt de burgemeester of zijn gemachtigde de aanvraag in overweging en stuurt ze door naar de Dienst Vreemdelingenzaken. In het tegenovergestelde geval, indien de vreemdeling niet voldoet aan één of beide ontvankelijkheidsvoorwaarden, wordt zijn aanvraag van machtiging tot vestiging niet in overweging genomen door de burgemeester of zijn gemachtigde.
   De tweede paragraaf bevat de bepalingen die betrekking hebben op de aanvraag voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene die door de vreemdeling moet ingediend worden bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats.
   De ontvankelijkheidsvoorwaarden die de burgemeester of zijn gemachtigde bij deze aanvraag moet nagaan, zijn wel gewijzigd. Bij de wet van 19 maart 2014 tot wijziging van de wet van 15 december 1980, werd in artikel 15bis het beschikken over een onbeperkt verblijfsrecht op het moment van de aanvraag voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene, geschrapt omdat dit in het licht van het arrest Singh van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 oktober 2012 (C-502/10) niet langer houdbaar was. Het Hof concludeerde immers dat vreemdelingen die houder zijn van een formeel beperkte verblijfsvergunning maar die zich duurzaam in de lidstaat hebben gevestigd, niet kunnen worden uitgesloten van het toepassingsgebied van Richtlijn 2003/109/EG.
   Bijgevolg kunnen vreemdelingen die gemachtigd of toegelaten zijn tot een verblijf van beperkte duur in bepaalde gevallen na vijf jaar legaal en ononderbroken verblijf op het grondgebied een aanvraag tot het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene indienen bij hun gemeentebestuur. Alvorens de aanvraag in overweging te nemen, zal de burgemeester of zijn gemachtigde nagaan of de vreemdeling een geldige verblijfs- of vestigingsvergunning bezit en, indien de identiteit nog niet werd vastgesteld, een geldig paspoort voorlegt. Indien de vreemdeling niet voldoet aan één of beide ontvankelijkheidsvoorwaarden, wordt zijn aanvraag voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene niet in overweging genomen door de burgemeester of zijn gemachtigde.
   Artikel 5.
   Artikel 5 wijzigt artikel 30 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981. De bestaande tekst van artikel 30 vormt paragraaf 1 en er worden twee nieuwe paragrafen ingevoegd.
   Artikel 30, nieuwe paragraaf 2, vormt de omzetting van artikel 8, leden 4 en 5, van Richtlijn 2003/109/EG, ingevoegd bij Richtlijn 2011/51/EU.
   In artikel 30, paragraaf 2, eerste lid, wordt de verplichting tot uitdrukking gebracht dat, indien bij het verlenen van de status van langdurig ingezetene, het om een persoon gaat die in België internationale bescherming geniet, dit door middel van een opmerking op de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene kenbaar moet worden gemaakt. Op grond van het nieuwe artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2003/109/EG dient België op de EU-verblijfsvergunning in de rubriek "opmerkingen" de opmerking "Internationale bescherming verleend op (datum) door België" aan te brengen. Deze verplichting heeft tot doel andere lidstaten op de hoogte te stellen van de beschermingsachtergrond van de vreemdeling, zodat zij hun verplichtingen in verband met het beginsel van non-refoulement kunnen naleven (considerans 5 Richtlijn 2011/51/EU).
   Artikel 30, paragraaf 2, tweede lid, regelt de praktische uitvoering bij de toekenning van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene aan een vreemdeling die reeds in het bezit is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene die door een andere lidstaat is afgegeven en die de opmerking inzake internationale bescherming bevat. Het gaat dan om de situatie waarin België als tweede lidstaat een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene afgeeft aan een langdurig ingezetene uit een eerste lidstaat.
   Op basis van het nieuwe artikel 8, lid 5, van Richtlijn 2003/109/EG dient België dezelfde opmerking inzake internationale bescherming aan te brengen op de Belgische EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene. Voordat België deze opmerking echter aanbrengt, dient ze contact op te nemen met de in de opmerking vermelde lidstaat (via de op basis van artikel 25 van de Richtlijn 2003/109/EG aangewezen contactpunten) met het verzoek om informatie te verschaffen over de vraag of de langdurig ingezetene daar nog steeds internationale bescherming geniet. Indien de internationale bescherming door die andere lidstaat via een definitieve beslissing werd ingetrokken, dient België die opmerking niet aan te brengen op de Belgische EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene.
   Artikel 30, nieuwe paragraaf 3, vormt de omzetting van artikel 19bis, lid 3, van Richtlijn 2003/109/EG, ingevoegd bij Richtlijn 2011/51/EU.
   Het betreft de situatie waarin België een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven en deze langdurig ingezetene zich vervolgens begeeft naar een tweede lidstaat die hem internationale bescherming verleent of die de verantwoordelijkheid voor internationale bescherming overneemt. Indien deze tweede lidstaat zelf (nog) geen EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven aan deze vreemdeling, is België op basis van artikel 19bis, lid 3, van de Richtlijn verplicht de opmerking inzake internationale bescherming op de Belgische EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene te wijzigen (bij overname van de verantwoordelijkheid van de internationale bescherming door de tweede lidstaat) of aan te brengen (bij het verlenen van internationale bescherming door de tweede lidstaat). België dient de gewijzigde EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene af te geven uiterlijk drie maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek van de tweede lidstaat.
   Artikel 6.
   Artikel 6 voorziet enerzijds in een terminologische correctie (zie verder bij de bespreking van de artikelen 5 tot 14 en artikel 30) en anderzijds in een wijziging van artikel 30bis, derde lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981.
   Artikel 30bis, derde lid, is van toepassing indien de Minister of zijn gemachtigde, met toepassing van artikel 18, §§ 2 of 3, van de wet, beslist dat de vreemdeling de status van langdurig ingezetene heeft verloren maar zijn recht op verblijf behoudt. In dat geval wordt de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene ingetrokken en wordt de vreemdeling terug in de verblijfstoestand geplaatst waarin hij zich bevond voordat hij de status van langdurig ingezetene verkreeg.
   Artikelen 7 tot 16 en 38.
   Deze artikelen bevatten een terminologische correctie die verband houdt met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009. Sinds de inwerkingtreding van dit Verdrag heeft de Europese Unie de Europese Gemeenschap opgevolgd. Bijgevolg moet de vermelding op de verblijfsvergunning die aan langdurig ingezetenen wordt verstrekt, in die zin aangepast worden.
   Artikel 17.
   Dit artikel bepaalt dat de afgifte van een visum C (type Schengen) aan een familielid van een burger van de Unie gratis is en binnen een termijn van 15 dagen moet geschieden. In uitzonderlijke en naar behoren bewezen gevallen echter mag die termijn worden verlengd.
   De kosteloosheid van dit visum C (type Schengen) is voorgeschreven bij artikel 5 van richtlijn 2004/38/EG dat bepaalt : " (...) Deze visa worden zo spoedig mogelijk via een versnelde procedure kosteloos afgegeven. (...) ".
   Wat de termijn van 15 dagen betreft, moet worden opgemerkt dat de Europese Commissie in haar besluit C(2010)1620-definitief van 19 maart 2010 tot vaststelling van een handleiding voor de behandeling van visumaanvragen en de wijziging van afgegeven visa het volgende vermeldt : " (...) Visa moeten op zo kort mogelijke termijn worden afgegeven op basis van een versnelde procedure, en de door de lidstaten ingestelde procedures (al dan niet met uitbesteding van diensten) moeten waarborgen dat een onderscheid kan worden gemaakt tussen de rechten van een onderdaan van een derde land die gezinslid is van een EU-burger, en andere onderdanen van derde landen. De eerstgenoemde geniet een voorkeursbehandeling. De behandelingstijd voor een visumaanvraag door een onderdaan van een derde land die gezinslid is van een EU-burger, mag slechts in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen langer zijn dan 15 dagen. (...) "
   Aangezien de besluiten van de Europese Commissie rechtstreeks toepasselijk zijn en in al hun onderdelen verbindend zijn voor wie zij bestemd zijn (in dit geval, de lidstaten), dienen de voorschriften ervan te worden nageleefd.
   Hierbij is echter op te merken dat deze termijn van 15 dagen pas ingaat vanaf het ogenblik dat de aanvrager heeft bewezen dat richtlijn 2004/38/EG op hem van toepassing is. De Belgische diplomatieke of consulaire post dient zich het volgende af te vragen :
   o is er een burger van de Unie door wie de visumaanvrager rechten kan verkrijgen ?
   o beantwoordt de visumaanvrager aan de definitie van familielid ?
   o begeleidt de visumaanvrager de burger van de Unie of voegt hij zich bij hem ?
   Artikelen 19 en 20.
   Artikelen 19 en 20 hebben betrekking op de nieuwe categorie van vreemdelingen, ingevoegd door artikel 47/1 van de wet van 15 december 1980 : " de andere familieleden van een burger van de Europese Unie ".
   Overwegende dat artikel 47/2 van de wet van 15 december 1980 de bepalingen van de wet inzake de familieleden toepasselijk maakt op de " andere familieleden " van een burger van de Unie, maakt het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 de procedure die voor de familieleden van toepassing is, ook toepasselijk op de " andere familieleden ", met uitzondering van de " versnelde " en kosteloze procedure van de afgifte van visum C (type Schengen), door artikel 5.2. van richtlijn 2004/38/EG enkel voorbehouden aan de familieleden in de zin van artikel 2.2. van deze richtlijn.
   Overeenkomstig artikel 3.2. van richtlijn 2004/38/EG echter wordt hun visumaanvraag behandeld volgens een procedure die gunstiger is dan die voor de onderdanen van derde landen.
   Met het oog op wetgevingstechnische coherentie met betrekking tot de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen inzake de " andere familieleden " van een burger van de Unie werd het advies van de Raad van State niet gevolgd.
   De genoemde wetgevende bepalingen verwijzen eveneens naar de bepalingen van hoofdstuk I die van toepassing zijn op de familieleden van een burger van de Unie, en dit onverminderd de in hoofdstuk Ibis voorziene afwijkingen.
   Artikelen 21, 22 en 23.
   Door de invoeging van een nieuw hoofdstuk over de " andere familieleden " dienen de bestaande hoofdstukken te worden hernummerd.
   Artikelen 25 en 26.
   Aangezien de Zwitserse onderdanen niet meer verplicht zijn een arbeidskaart te hebben (koninklijk besluit van 17 juli 2013 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers), dient ook deze vereiste uit de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 te worden verwijderd.
   Artikel 27.
   Artikel 27 voegt in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 een nieuw artikel 84 in.
   Artikel 84, eerste lid, vormt de omzetting van artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2003/109/EG, ingevoegd bij Richtlijn 2011/51/EU.
   Het betreft de situatie van een vreemdeling die eerst de status van langdurig ingezetene heeft verkregen in België en aan wie vervolgens internationale bescherming wordt verleend in België. De Dienst Vreemdelingenzaken dient binnen de drie maanden nadat de internationale bescherming werd verleend, de instructie te geven aan de burgemeester of zijn gemachtigde om een nieuwe EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene af te geven waarin de opmerking inzake internationale bescherming wordt aangebracht.
   Artikel 84, tweede lid, vormt de omzetting van artikel 19bis, lid 2, van Richtlijn 2003/109/EG, ingevoegd bij Richtlijn 2011/51/EU.
   Het betreft de situatie van een vreemdeling die de status van langdurig ingezetene heeft verkregen in een eerste lidstaat en zich vervolgens naar België begeeft waar hem internationale bescherming wordt verleend. Indien België zelf (nog) geen EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven aan deze langdurig ingezetene, dient zij, op basis van artikel 19bis, lid 2, van de Richtlijn, een verzoek te richten aan de lidstaat die de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven, met de vraag deze te wijzigen teneinde er de opmerking inzake internationale bescherming op aan te brengen.
   Artikel 28.
   Een in een andere Staat erkende vluchteling die naar België wenst te komen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden moet in principe houder zijn van een geldig reisdocument, afgegeven door de autoriteiten van het land waar hij verblijf houdt, voorzien van een visum, geldig voor België, aangebracht door een Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger of door een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt. Sommige vluchtelingen kunnen echter vrijgesteld zijn van deze visumplicht op basis van de Europese Overeenkomst van 20 april 1959 betreffende de afschaffing van visa voor vluchtelingen of de Verordening (EG) Nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, meer bepaald artikel 1, (2), laatste streepje en artikel 4, (2), b) en d).
   De lijst van landen, opgesomd in het artikel 90, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, waarvan vluchtelingen die houder zijn van een geldig reisdocument, afgegeven door de autoriteiten van deze landen, zijn vrijgesteld van visumplicht, is niet meer actueel. Deze lijst wordt opgeheven vermits de Europese Overeenkomst van 20 april 1959, de Verordening nr. 539/2001 en de kennisgevingen van de visumvrijstellingen in het Publicatieblad van de Europese Unie in principe volstaan als rechtsbasis.
   Artikel 29.
   Artikel 29 voorziet dat artikel 93 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 wordt aangevuld met twee nieuwe leden.
   Artikel 93, nieuw tweede lid, vormt de omzetting van artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2003/109/EG, ingevoegd bij Richtlijn 2011/51/EU.
   Het betreft de situatie van een in een andere Staat erkende vluchteling die eerst de status van langdurig ingezetene heeft verkregen in België en wiens hoedanigheid van vluchteling vervolgens wordt bevestigd door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Op basis van artikel 8, lid 6, van de Richtlijn dient de Dienst Vreemdelingenzaken binnen de drie maanden na deze beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de instructie te geven aan de burgemeester of zijn gemachtigde om een nieuwe EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene af te geven waarin de opmerking inzake internationale bescherming wordt gewijzigd.
   Artikel 93, nieuw derde lid, vormt de omzetting van artikel 19bis, lid 1, van Richtlijn 2003/109/EG, ingevoegd bij Richtlijn 2011/51/EU.
   Het betreft de situatie van een in een andere Staat erkende vluchteling die de status van langdurig ingezetene heeft verkregen in een eerste lidstaat en zich vervolgens naar België begeeft waar zijn hoedanigheid van vluchteling wordt bevestigd door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Indien België zelf (nog) geen EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven aan deze langdurig ingezetene, dient zij, op basis van artikel 19bis, lid 1, van de Richtlijn, een verzoek te richten aan de lidstaat die de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven, met de vraag de opmerking inzake internationale bescherming dienovereenkomstig te wijzigen.
   Artikel 31.
   Dit artikel bevat een terminologische correctie die betrekking heeft op de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009. Sinds de inwerkingtreding van dit verdrag heeft de Europese Unie de rol van de Europese Gemeenschap overgenomen.
   Artikelen 32 en 34.
   Deze artikelen schrijven voor dat bij de afgifte van een attest van immatriculatie de burgemeester of zijn gemachtigde de vreemdeling inschrijft in het vreemdelingenregister.
   Overwegende dat ook het attest van immatriculatie een bewijs van inschrijving in de registers is, moet worden verduidelijkt in welk register de betrokkenen moeten worden ingeschreven.
   Artikel 33.
   Artikel 61/7 van de wet van 15 december 1980 bepaalt dat de vreemdeling die de status van EU-langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de Europese Unie verkregen heeft een aanvraag voor een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden kan indienen.
   De Dienst Vreemdelingenzaken moet binnen een maximale termijn van vier maanden een beslissing nemen in verband met deze aanvraag voor een machtiging tot verblijf. Deze termijn kan met drie maanden verlengd worden, indien de vreemdeling de vereiste documenten niet overlegt of indien de aanvraag complex is.
   Indien deze aanvraag wordt ingediend op het grondgebied van het Rijk, bij de burgemeester van de verblijfplaats van de vreemdeling, is het in het belang van de laatstgenoemde dat zijn verblijf gedurende de termijn van vier maanden, eventueel verlengd, gedekt wordt door een verblijfsdocument.
   Momenteel voorziet artikel 110quinquies van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 niet in de afgifte van een dergelijk verblijfsdocument.
   Dit koninklijk besluit is er dus op gericht om de afgifte van een attest van immatriculatie - model A, dat vier maanden geldig is, aan de vreemdeling die een dergelijke aanvraag voor een machtiging tot verblijf indient mogelijk te maken en om de verlenging ervan mogelijk te maken, bij verlenging door de Minister of zijn gemachtigde van de genoemde termijn van vier maanden.
   Dit koninklijk besluit is er ook op gericht om de burgemeester of zijn gemachtigde in staat te stellen om de machtiging tot verblijf te weigeren en om een bevel om het grondgebied te verlaten af te geven, indien de vreemdeling de vereiste documenten niet binnen de termijnen overlegt.
   Artikelen 35, 36 en 37.
   Deze artikelen heffen de bijlagen 1, 1bis en 2 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 op.
   Bijlagen 1 en 1bis die de documenten vermelden op voorlegging waarvan de binnenkomst in België wordt toegestaan zonder reisvisum met het oog op een verblijf van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen en de landen vermelden waarvan de onderdanen of de houders van reisdocumenten een luchthavenvisum moeten hebben, zijn niet meer actueel en dreigen in tegenspraak te zijn met verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld en met verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode).
   Hetzelfde is het geval met bijlage 2 die de documenten vermeldt op voorlegging waarvan de binnenkomst in België wordt toegestaan. In verband met bijlage 2 is er ook reden op te merken dat de burgers van de Unie hun hoedanigheid door welk rechtsmiddel ook mogen bewijzen en dat dus deze bijlage, die in tegenspraak is met artikel 41 van de wet, dient te worden opgeheven.
   Artikelen 39 tot 42.
   Deze artikelen vervangen de bijlagen 16, 16bis, 16ter,17 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981. De structuur van de bijlagen werd vereenvoudigd ter bevordering van de leesbaarheid.
   Artikelen 43 tot 46.
   Deze artikelen passen de bijlagen 19, 19ter, 20 en 21 ten gevolge aan de invoeging in de wet van 15 december 1980 van de " andere familieleden " van een burger van de Unie.
   Artikel 47.
   Dit artikel vervangt bijlage 38 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981. De structuur van de bijlage werd vereenvoudigd en er werd ook een akte van kennisgeving opgenomen
   Artikelen 48 en 49.
   Deze artikelen bevatten de modellen van de beslissingen die genomen kunnen worden in het kader van het nieuwe artikel 110quinquies van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981.
   Artikel 50.
   Dit artikel voorziet een wijziging in de akte van kennisgeving van verscheidene bijlagen van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ten gevolge van de wijziging van artikel 39/83 van de wet van 15 december 1980 door de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State :
   Wanneer de vreemdeling het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, dan zal de minister of zijn gemachtigde, behoudens akkoord van de betrokkene, in principe pas ten vroegste tien dagen na kennisgeving van deze maatregel (of vijf dagen na kennisgeving van de tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel) kunnen overgaan tot de gedwongen verwijdering van betrokkene. Indien de vreemdeling een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid indient binnen deze termijn, zal echter pas kunnen worden overgegaan tot zijn gedwongen verwijdering nadat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze vordering heeft verworpen.
   Wij hebben de eer te zijn,
   Sire,
   Van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
   De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken,
   J. JAMBON
   De Staatssecretaris voor Asiel en Migratie,
   T. FRANCKEN
   
   ADVIES 56.593/2/V VAN 3 september 2014 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `TOT WIJZIGING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 8 oktober 1981 BETREFFENDE DE TOEGANG TOT HET GRONDGEBIED, HET VERBLIJF, DE VESTIGING EN DE VERWIJDERING VAN VREEMDELINGEN'
   Op 22 juli 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, toegevoegd aan de Minister van Justitie verzocht binnen een termijn van dertig dagen, van rechtswege verlengd tot 5 september 2014 (*), een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen' .
   Het ontwerp is door de tweede vakantie kamer onderzocht op 3 september 2014. De kamer was samengesteld uit Pierre Liénardy, kamervoorzitter, Jacques Jaumotte en Bernard Blero, staatsraden, en Colette Gigot, griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Laurence Vancrayebeck, auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre Liénardy .
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 3 september 2014.
   _________
   (*) Deze verlenging vloeit voort uit artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, in fine, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State waarin wordt bepaald dat deze termijn van rechtswege verlengd wordt met vijftien dagen wanneer hij begint te lopen tussen 15 juli en 31 juli of wanneer hij verstrijkt tussen 15 juli en 15 augustus.
   Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de Regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de Regering in aanmerking kan nemen als zij te oordelen heeft of het vaststellen of wijzigen van een verordening noodzakelijk is.
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   Onderzoek van het ontwerp
   Dispositief
   Artikel 2
   In de inleidende zin moeten de woorden ", vroeger artikel 1," vervallen.
   Artikel 4
   1. In het ontworpen artikel 29, § 1, eerste lid, en § 2, eerste lid, wordt het begrip "hoofdverblijfplaats" gehanteerd, terwijl in de huidige versie van artikel 29 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 `betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen', net zoals in tal van andere bepalingen van dat koninklijk besluit, gebruik wordt gemaakt van het begrip "verblijfplaats".
   De afdeling Wetgeving plaatst vraagtekens bij de invoering van dat nieuwe begrip en vraagt zich af, mocht dat begrip gehandhaafd worden, waarin het verschilt van het begrip "verblijfplaats".
   De ontworpen tekst moet in het licht van die opmerking worden herzien.
   2. In de inleidende zin moet melding worden gemaakt van het wijzigingsbesluit van 15 augustus 2012 en niet van 18 augustus 2012.
   Artikel 18
   In de Franse tekst van de bepaling onder 2° schrijve men "carte d'identité nationale".
   Artikel 20
   Luidens het ontworpen artikel 58 worden de bepalingen van titel II, hoofdstuk I, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 (1) - die betrekking hebben op de familieleden van een burger van de Europese Unie, bedoeld in artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 `betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen' - van toepassing verklaard op de andere familieleden van die burger, bedoeld in artikel 47/1 van dezelfde wet (2). Het legt de minister of diens gemachtigde ook de verplichting op de binnenkomst en het verblijf van die andere familieleden te vergemakkelijken, na een individueel en grondig onderzoek van hun aanvraag. Uit het verslag aan de Koning en uit de concordantietabellen die aan de afdeling Wetgeving zijn bezorgd, blijkt dat het ontworpen artikel 58 strekt tot omzetting van artikel 3.2 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad d.d. 29 april 2004 `betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG'. Met de ontworpen bepaling kan ook gevolg worden gegeven aan arrest nr. 121/2013 d.d. 26 september 2013 van het Grondwettelijk Hof, waarbij meer bepaald artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 is vernietigd omdat het niet voorzag in een procedure op grond waarvan die andere familieleden van een burger van de Europese Unie een beslissing aangaande hun aanvraag tot binnenkomst en verblijf konden verkrijgen die "gebaseerd was op een nauwkeurig onderzoek van hun persoonlijke situatie".
   Het staat evenwel niet vast dat het loutere feit dat de bepalingen van titel II, hoofdstuk I, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 van toepassing worden verklaard op die "andere" familieleden van een burger van de Unie, voldoende is om een procedure in te voeren die aangepast is aan hun specifieke situatie. Uit artikel 47/3 van de wet van 15 december 1980 volgt bijvoorbeeld dat het bewijs van een toestand die gezinshereniging toelaat geleverd kan worden met elk passend middel, wat niet altijd overeen zal stemmen met de bewijsregeling waarin titel II, hoofdstuk I, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 voorziet voor de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, van de wet.
   Het zou beter zijn in het ontworpen artikel 58 te preciseren welke bepalingen van titel II, hoofdstuk I, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 juist van toepassing zijn op de andere familieleden van een vreemdeling uit de Europese Unie bedoeld in artikel 47/1 van de wet van 15 december 1980, waarbij in voorkomend geval de wijzigingen worden aangebracht die vereist zijn door de situatie van die personen, in plaats van heel hoofdstuk I van titel II van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, met uitzondering van artikel 45, van toepassing te verklaren op de andere familieleden bedoeld in artikel 47/1 van de wet van 15 december 1980.
   Bijlage 10
   Er moet gebruik worden gemaakt van het correcte begrip "status van langdurig ingezetene EU".
   (1) Met uitzondering van artikel 45, zoals hersteld bij artikel 17 van het voorliggende ontwerp.
   (2) Namelijk:
   1° de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft en die niet bedoeld wordt in artikel 40bis, § 2, 2°, van de wet van 15 december 1980;
   2° de niet in artikel 40bis, § 2, bedoelde familieleden die, in het land van herkomst, ten laste zijn of deel uitmaken van het gezin van de burger van de Unie;
   3° de niet in artikel 40bis, § 2, bedoelde familieleden die wegens ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie strikt behoeven.
   De griffier,
   C. Gigot.
   De voorzitter,
   P. Liénardy.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie