J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2014/07/13/2014022431/justel

Titel
13 JULI 2014. - Koninklijk besluit tot opheffing van de artikelen 5 en 18 en tot wijziging van artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders

Bron :
SOCIALE ZEKERHEID
Publicatie : 28-07-2014 nummer :   2014022431 bladzijde : 55916       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2014-07-13/04
Inwerkingtreding : 01-10-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-4

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Artikel 16, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, vervangen bij het koninklijk besluit van 24 augustus 1987, wordt vervangen als volgt : "Wordt beschouwd als occasionele arbeid, de activiteit of activiteiten verricht ten behoeve van het huishouden van de werkgever of zijn gezin, met uitzondering van manuele huishoudelijke activiteiten, voor zover de werknemer deze occasionele activiteiten binnen deze huishouding niet beroepsmatig en geregeld ontplooit en voor zover de activiteiten niet meer dan acht uur per week bij één of meerdere werkgevers bedragen."

  Art. 2. Artikel 5, vervangen bij het koninklijk besluit van 8 maart 1983, en artikel 18 van hetzelfde koninklijk besluit, worden opgeheven.

  Art. 3. Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2014.

  Art. 4. De minister bevoegd voor Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 13 juli 2014.
FILIP
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Werk,
Mevr. M. DE CONINCK

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, artikel 2, § 1, 2° en 4° ;
   Gelet op het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 27 februari 2013;
   Gelet op het advies van de Nationale Arbeidsraad, gegeven op 16 juli 2013;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister voor Begroting, gegeven op 26 februari 2014;
   Gezien de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig artikels 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging.
   Gelet op het advies 55.909/1 van de Raad van State, gegeven op 30 april 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Erratum Tekst Begin

originele versie
2014205085
PUBLICATIE :
2014-08-19
bladzijde : 60860

Addendum



Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Op 16 juni 2011 heeft de Internationale Arbeidsorganisatie Conventie nr. 189 betreffende huisarbeid aangenomen. Deze Conventie stelt een aantal bepalingen met betrekking tot waardig werk voor huisarbeiders vast.
   Teneinde deze Conventie te kunnen ratificeren is het noodzakelijk de Belgische regelgeving in overeenstemming te brengen met de tekst van de Conventie.
   In haar artikel 14 voorziet de Conventie dat ieder lid de nodige maatregelen dient te nemen, in overeenstemming met haar nationale regelgeving en rekening houdend met de specifieke karakteristieken van huispersoneel, om hen inzake sociale zekerheid een gelijkaardige bescherming te geven als andere werknemers. De lidstaten hebben het recht om deze maatregelen progressief in te voeren in overleg met de meest representatieve patronale en syndicale organisaties.
   Op grond van deze bepaling is het noodzakelijk het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders op een aantal punten aan te passen. Zij voorziet voor bepaalde categorieën van huispersoneel immers in een vrijstelling of een beperkte onderwerping aan de sociale zekerheid.
   Voorliggende tekst heeft tot doel deze noodzakelijke wijzigingen door te voeren.
   Daarbij dient opgemerkt dat Conventie nr. 189 in artikel 1, c) de persoon die slechts occasioneel of sporadisch en niet beroepsmatig huishoudelijke activiteiten uitvoert, niet beschouwt als een huisarbeider. Bijgevolg blijft het voor deze categorie van personen mogelijk om een afwijkend sociale zekerheidsregime te voorzien.
   Artikel 1. Artikel 16 van het voorvermeld koninklijk besluit voorziet in een vrijstelling van sociale zekerheid voor huispersoneel dat occasionele intellectuele huishoudelijke prestaties of manuele niet-huishoudelijke prestaties verricht.
   Op grond van artikel 1 van Conventie nr. 189 kan deze uitzondering aldus behouden blijven in onze regelgeving. Echter, op grond van dezelfde bepaling kan de definiëring van occasionele arbeid niet langer weerhouden worden.
   Voorliggende tekst past de tekst van artikel 16, tweede lid, bijgevolg aan.
   Voortaan wordt als occasionele arbeid beschouwd, de activiteit of activiteiten verricht ten behoeve van een huishouden van de werkgever of zijn gezin, met uitzondering van manuele huishoudelijke activiteiten, voor zover de werknemer deze occasionele activiteiten binnen deze huishouding niet beroepsmatig en geregeld ontplooit, hiervoor van de werkgever slechts een beperkte vergoeding ontvangt en voor zover de activiteit niet meer bedraagt dan acht uur per week bij één of meerdere werkgevers.
   Worden hierdoor onder meer als occasionele arbeid beschouwd : babysitting of bv. het gezelschap houden van oudere personen, boodschappen doen voor of chauffeur van minder mobiele personen,... voor zover het niet de bedoeling is dat deze activiteit(en) professioneel worden ontplooid. Het betreft hier eerder sociale of vriendendiensten waarvoor een kleine vergoeding wordt betaald.
   Manuele huishoudelijke arbeid kan dus bijgevolg onder geen enkele omstandigheid beschouwd worden als occasionele arbeid en wordt dus in alle gevallen onderworpen aan de sociale zekerheid. Het gaat hier veelal om poets- en/of tuinhulpen.
   Art. 2. Op grond van Conventie nr. 189 is het noodzakelijk dat huisarbeiders een gelijkaardige bescherming krijgen als andere werknemers. Bijgevolg kunnen deze niet langer vrijgesteld of beperkt onderworpen zijn aan de sociale zekerheid en is het derhalve noodzakelijk de artikelen 5 en 18 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 te schrappen.
   Art. 3. Dit artikel behoeft geen commentaar.
   Wij hebben eer te zijn,
   Sire,
   van Uw Majesteit,
   de zeer eerbiedige
   en zeer getrouwe dienaars,
   De Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken,
   Mevr. L. ONKELINX
   De Minister van Werk,
   Mevr. M. DE CONINCK
   
   Advies 55.909/1 van 30 april 2014 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATEover een ontwerp van koninklijk besluit tot opheffing van de artikelen 5 en 18 en tot wijziging van artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. (Ingevoegd door Addendum, B. St. 19-08-2014, p. 60860).
   Op 31 maart 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Sociale Zaken verzocht binnen een termijn van dertigdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit "tot opheffing van de artikelen 5 en 18 en tot wijziging van artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uivoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders".
   Het ontwerp is door de eerstekamer onderzocht op 24 april 2014. De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Wouter Pas, staatsraden, Marc Rigaux en Michel Tison, assessoren, en Wim Geurts, griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Eric Lancksweerdt, eerste auditeur-afdelingshoofd.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Marnix Van Damme, kamervoorzitter.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 30 april 2014.
   1. Rekening houdend met het ogenblik waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht van de regering op het feit dat de ontstentenis van de controle die het Parlement krachtens de Grondwet moet kunnen uitoefenen, tot gevolg heeft dat de regering niet over de volheid van haar bevoegdheid beschikt. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van een verordening noodzakelijk is.
   2. De ontworpen regeling kan worden geacht rechtsgrond te vinden in artikel 2, § 1, 2°, van de wet van 27 juni 1969 "tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders", naar welke bepaling wordt verwezen aan het einde van het eerste lid van de aanhef van het ontwerp.
   Wat evenwel de vervanging van artikel 16, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 "tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders" (artikel 1 van het ontwerp) en de opheffing van artikel 18 van hetzelfde koninklijk besluit betreft (artikel 2 van het ontwerp), moet het ontwerp worden geacht mede rechtsgrond te vinden in artikel 2, § 1, 4°, van de wet van 27 juni 1969, dat bepaalt dat de Koning, bij een besluit waarover in de Ministerraad overleg is gepleegd en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, "onder de voorwaarden die Hij bepaalt, aan de toepassing van deze wet [kan] onttrekken de categorieën van werknemers, tewerkgesteld aan een arbeid die voor hen een bijkomstige betrekking is of die wezenlijk van korte duur is, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers".
   Rekening houdende met wat voorafgaat, schrijve men aan het einde van het eerste lid van de aanhef "betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, artikel 2, § 1, 2° en 4°;".
   3. Het is niet zinvol in de aanhef de wijzigingen te vermelden die vroeger aangebracht zijn in de te wijzigen of op te heffen bepalingen. Een wijziging kan immers eveneens bestaan in de toevoeging van nieuwe bepalingen aan de gewijzigde tekst. Bovendien zullen de betrokken wijzigingen herkenbaar zijn bij het lezen van de wijzigings- of opheffingsbepalingen. [1]
   In het tweede lid van de aanhef volstaat het derhalve te schrijven :
   « Gelet op het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; ».
   4. Uit de aan de Raad van State, afdeling Wetgeving, meegedeelde documenten blijkt dat de akkoordbevinding van de Minister van Begroting dateert van 26 februari 2014. Het is derhalve van deze laatste datum en niet van die van 14 februari 2014 dat melding moet worden gemaakt in het vijfde lid van de aanhef.
   5. Aan het einde van de inleidende zin van artikel 1 van het ontwerp schrijve men "maatschappelijke zekerheid der arbeiders, vervangen bij het koninklijk besluit van 24 augustus 1987, wordt vervangen als volgt :".
   6. De tekst van het ontworpen artikel 16, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 (artikel 1 van het ontwerp), stemt niet overeen met de commentaar die bij die bepaling wordt gegeven in het verslag aan de Koning. In die commentaar wordt immers als één van de criteria ter omschrijving van het begrip "occasionele arbeid" vermeld dat de werknemer van de werkgever daarvoor slechts een beperkte vergoeding ontvangt. Dat criterium wordt evenwel niet vermeld in de ontworpen bepaling. Ter wille van de rechtszekerheid zouden de commentaar in het verslag aan de Koning en de tekst van de ontworpen bepaling met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht.
   7. Men passe de redactie van artikel 2 van het ontwerp aan als volgt :
   « Artikel 5, vervangen bij het koninklijk besluit van 8 maart 1983, en artikel 18 van hetzelfde koninklijk besluit, worden opgeheven. »
   8. Door de gemachtigde werd meegedeeld dat het de bedoeling is om de ontworpen regeling op 1 oktober 2014 in werking te laten treden. Men vervange derhalve in artikel 3 van het ontwerp de datum van 1 april 2014 door die van 1 oktober 2014.
   De griffier,
   Wim Geurts
   De voorzitter,
   Marnix Van Damme
   _______
   Nota
   [1] Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad van State, 2008, aanbeveling nr. 30, te raadplegen op de internetsite van de Raad van State
   (www.raadvst-consetat.be)
   
   

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Erratum Franstalige versie