J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2014/05/05/2014022247/justel

Titel
5 MEI 2014. - Wet betreffende diverse aangelegenheden inzake de pensioenen van de overheidssector Zie wijziging(en)

Bron :
SOCIALE ZEKERHEID
Publicatie : 02-06-2014 nummer :   2014022247 bladzijde : 42219       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2014-05-05/05
Inwerkingtreding : 01-08-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Diverse wijzigingsbepalingen
Art. 2-37
HOOFDSTUK 3. - Autonome bepalingen
Afdeling 1. - De pensioenrechten van de personeelsleden van Belgocontrol ingezet bij een Belgische openbare overheid in uitvoering van artikel 475 van de programmawet van 22 december 2003 of van artikel 29bis van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven
Art. 38-42
Afdeling 2. - Andere autonome bepalingen
Art. 43-46
HOOFDSTUK 4. - Opheffingsbepalingen
Art. 47
HOOFDSTUK 5. - Het statuut en de pensioenregeling van het personeel van de hulpverleningszones
Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities
Art. 48
Afdeling 2. - Pensioenstelsel voor de operationele personeelsleden
Art. 49-51
Afdeling 3. - Pensioenstelsel voor het administratief personeel
Art. 52-53
Afdeling 4. - Overgangsmaatregelen inzake het pensioenstelsel van de operationele personeelsleden en van het vastbenoemd administratief personeel
Art. 54-57
Afdeling 5. - Wijzigingsbepalingen inzake pensioenen
Art. 58-61
Afdeling 6. - Financiering van de pensioenen
Art. 62-68
Afdeling 7. - Andere wijzigingsbepalingen
Art. 69
HOOFDSTUK 6. - Inwerkingtreding
Art. 70

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Diverse wijzigingsbepalingen

  Art. 2. Artikel 8, § 1, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, vervangen bij de wet van 11 april 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2006, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "Voor het bepalen van de in het tweede lid bedoelde referentiewedde wordt eveneens rekening gehouden met :
  1° de verhogingen verbonden aan de vooruitgang naar de hogere trap bedoeld in artikel 48 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;
  2° de eerste schaalbonificaties en de schaalbonificaties bedoeld in artikel 49 van voormeld koninklijk besluit van 25 oktober 2013.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst van de in het vorige lid bedoelde bezoldigingselementen aanvullen met bezoldigingselementen van vergelijkbare aard.".

  Art. 3. In de bijlage van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 3 februari 2003 en aangevuld bij de wetten van 9 juli 2004, 25 april 2007, 8 juni 2008 en 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de linkerkolom wordt punt I, A vervangen als volgt :
  "I. MINISTERIE VAN FINANCIEN
  A. Sector Douane
  1. Directeur bij een fiscaal bestuur;
  2. Eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur (a');
  3. Assistent bij financiėn, afgeschafte graad;
  4. Administratief medewerker;
  5. Financieel medewerker;
  6. Financieel assistent (a'').";
  2° in de linkerkolom wordt punt I, B vervangen als volgt :
  "B. Sector Accijnzen
  1. Eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur;
  2. Sectiechef bij financiėn, afgeschafte graad;
  3. Assistent bij financiėn, afgeschafte graad;
  4. Administratief medewerker;
  5. Financieel medewerker;
  6. Financieel assistent (a''').";
  3° in de linkerkolom, in de rubriek "Opmerkingen", worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) littera a) wordt vervolledigd met de volgende punten :
  a1) "13. bij het Enig Kantoor der douane en accijnzen"
  a2) "14. bij de hulpkantoren .";
  b) littera a'') wordt vervangen als volgt :
  "a'') Financieel assistent (sector Douane)
  Deze benaming behelst in dit geval enkel de personeelsleden die de dag voor hun benoeming tot de graad van financieel assistent :
  - hetzij, bekleed waren met de graad van assistent bij financiėn - sector Douane;
  - hetzij, laureaat waren van een examen voor bevordering tot een graad van rang 34 of van een examen of een selectie voor verhoging tot de weddenschaal 30S2, voor zover die laureaten tot de sector Douane of de sector Accijnzen behoorden;
  - hetzij, laureaat waren van een examen voor bevordering tot een graad van rang 34 of van een examen of een selectie voor verhoging tot de weddenschaal 30S2, voor zover enerzijds die laureaten vóór hun overgang naar het niveau C tot het gewezen niveau 3 - sector Douane of sector Accijnzen of tot het niveau D - sector Douane of sector Accijnzen behoorden en anderzijds hun benoeming tot de graad van financieel assistent voortvloeit uit het slagen van voormelde examens of selecties.";
  c) littera a''') wordt vervangen als volgt :
  "a''') Financieel assistent (sector Accijnzen)
  Deze benaming behelst in dit geval enkel de personeelsleden die op de dag voor hun benoeming tot de graad van financieel assistent :
  - hetzij, bekleed waren met de graad van assistent bij financiėn - sector Accijnzen of met de graad van sectiechef bij financiėn - sector Accijnzen;
  - hetzij, laureaat waren van een examen voor bevordering tot een graad van rang 34, van een examen of een selectie voor verhoging tot de weddenschaal 30S2 of van een examen of een selectie voor verhoging in graad van sectiechef bij financiėn, voor zover die laureaten tot de sector Douane of de sector Accijnzen behoorden;
  - hetzij, laureaat waren van een examen voor bevordering tot een graad van rang 34, van een examen of een selectie voor verhoging tot de weddenschaal 30S2 of van een examen of een selectie voor verhoging in graad van sectiechef bij financiėn, voor zover enerzijds die laureaten vóór hun overgang naar het niveau C tot het gewezen niveau 3 - sector Accijnzen of sector Douane of tot het niveau D - sector Accijnzen of sector Douane behoorden en anderzijds hun benoeming tot de graad van financieel assistent voortvloeit uit het slagen van voormelde examens of selecties.";
  d) littera b) wordt vervangen als volgt :
  "b) De titularissen van de in de punten B, 2 tot 6 bedoelde graden genieten de preferentiėle noemer niet als het ambt wordt uitgeoefend in een controlesectie der accijnzen.";
  4° in de linkerkolom worden het opschrift van punt II alsook punt II, A vervangen als volgt :
  "II. WAALSE OVERHEIDSDIENST EN VLAAMS MINISTERIE VAN LEEFMILIEU, NATUUR EN ENERGIE
  A. Waalse Overheidsdienst (Departement Natuur en Bossen en Departement Ordehandhaving en Controles, directie Antistroperij en Repressie van de verontreinigingen)
  1. Eerste adjunct (schaal D1);
  2. Eerstaanwezend adjunct (schaal D2);
  3. Gekwalificeerd adjunct (schaal D3);
  4. Eerste assistent (schaal C1);
  5. Eerstaanwezend assistent (schaal C2);
  6. Assistent (schaal C3).
  De titularissen van deze graden genieten de preferentiėle noemer uitsluitend in de mate dat het uitgeoefende ambt overeenstemt met een ambt dat opgenomen is in de kolom "vroegere benamingen" onder punt II, A of II, B.1 of II, B. 2. en dat zij de functie van bos- of natuurwachter uitoefenen.";
  5° in de rechterkolom wordt punt II, B vervangen als volgt :
  "B. Ministerie van het Waals Gewest
  B.1. Algemeen
  1. Brigadechef bij Waters en Bossen eerste klasse (schaal 34/2);
  2. Eerstaanwezend technisch beambte van Waters en Bossen (schaal 32/2);
  3. Technisch beambte bij Waters en Bossen eerste klasse (schaal 30/2).
  De titularissen van deze graden genieten de preferentiėle noemer uitsluitend in de mate waarin het uitgeoefende ambt overeenstemt met een ambt dat opgenomen is in de kolom "vroegere benamingen" onder punt II, A en dat zij de functie van bos- of natuurwachter uitoefenen.
  B.2. Afdeling Natuur en Bossen
  1. Eerste adjunct (schaal D1);
  2. Eerstaanwezend adjunct (schaal D2);
  3. Adjunct (schaal D3);
  4. Eerste assistent (schaal C1);
  5. Eerstaanwezend assistent (schaal C2);
  6. Assistent (schaal C3).
  De titularissen van deze graden genieten de preferentiėle noemer uitsluitend in de mate waarin het uitgeoefende ambt overeenstemt met een ambt opgenomen in de kolom "vroegere benamingen" onder punt II, A of II, B.1. en dat zij de functie van bos- of natuurwachter uitoefenen.";
  6° in de linkerkolom worden in het opschrift van punt II. de woorden "MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP" vervangen door de woorden "VLAAMS MINISTERIE VAN LEEFMILIEU, NATUUR EN ENERGIE";
  7° in de linkerkolom wordt het opschrift van punt II.B. vervangen als volgt : "Vlaams ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie - Agentschap voor Natuur en Bos";
  8° in de linkerkolom worden de onder punt II.B. vermelde woorden "bos- of natuurwachter" vervangen door de woorden "boswachter, beleidsadviseur of natuurinspecteur";
  9° in de rechterkolom wordt de genummerde lijst onder punt II. C. aangevuld met :
  4. Assistent;
  5. Hoofdassistent;
  6. Technicus;
  7. Hoofdtechnicus.
  10° in de linkerkolom worden in het opschrift van punt III. de woorden "MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP" vervangen door de woorden "VLAAMS MINISTERIE VAN MOBILITEIT EN OPENBARE WERKEN";
  11° in de rechterkolom worden in het opschrift van punt III de woorden "ADMINISTRATIE WATERWEGEN EN ZEEWEZEN" ingevoegd tussen de woorden "MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP," en de woorden "REGIE VOOR MARITIEM TRANSPORT";
  12° in de linkerkolom worden het opschrift van punt III.B. vervangen als volgt : "Vlaams ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken - Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust";
  13° in de linkerkolom wordt de genummerde lijst onder punt III.B. vervangen door de genummerde lijst :
  1. speciaal assistent (met de functie van matroos);
  2. speciaal assistent (met de functie van stoker);
  3. hoofdmotorist (met de functie van motorist);
  4. hoofdmotorist (met de functie van officier-werktuigkundige);
  5. motorist;
  6. schipper;
  7. hoofdschipper (met de functie van gezagvoerder);
  8. scheepstechnicus;
  9. hoofdscheepstechnicus;
  10. loods (met een algemene functie);
  11. loods (met de functie van stuurman van de loodsboot);
  12. loods (met de functie van kapitein van de loodsboot);
  13. loods (met de functie van chefloods als voortgezette functie van loods met een algemene functie, met uitzondering van gewezen nautisch dienstchef);
  14. speciaal assistent (met de functie van kok ingescheept);
  15. speciaal hoofdassistent (met de functie van kok ingescheept).;
  14° in de rechterkolom wordt de genummerde lijst onder punt III aangevuld met :
  80. Speciaal assistent (met de functie van matroos);
  81. Speciaal assistent (met de functie van kwartiermeester);
  82. Speciaal assistent (met de functie van stoker);
  83. Hoofdmotorist (met de functie van motorist);
  84. Hoofdmotorist (met de functie van officier-werktuigkundige);
  85. Motorist;
  86. Schipper;
  87. Hoofdschipper (met de functie van opperschipper);
  88. Hoofdschipper (met de functie van gezagvoerder);
  89. Technicus (met de functie van scheepswerktuigkundige);
  90. Scheepstechnicus;
  91. Hoofdscheepstechnicus;
  92. Loods (met een algemene functie);
  93. Loods (met de functie van stuurman van de loodsboot);
  94. Loods (met de functie van kapitein van de loodsboot);
  95. Loods (met de functie van chefloods als voortgezette functie van loods met een algemene functie, met uitzondering van gewezen nautisch dienstchef);
  96. Speciaal assistent (met de functie van kok ingescheept).;
  15° in de linkerkolom wordt het opschrift van punt V vervangen als volgt : "Diensten van de Vlaamse Overheid - functies uitgeoefend in het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare werken";
  16° in de linkerkolom vervallen onder punt V de woorden "Bruggen en wegen";
  17° in de rechterkolom wordt het opschrift van punt V aangevuld met de woorden "EN MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, BRUGGEN EN WEGEN";
  18° in de rechterkolom wordt tussen het opschrift van punt V en de genummerde lijst een punt V.A. ingevoegd, luidende : "A. Ministerie van Openbare werken";
  19° in de rechterkolom wordt in punt V onder de genummerde lijst een punt V.B. ingevoegd, luidende : "B. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Bruggen en wegen";
  20° in de rechterkolom wordt onder het opschrift van punt V.B, ingevoegd bij 19°, een genummerde lijst ingevoegd, luidende :
  1. Ingenieur;
  2. Directeur-ingenieur, met uitzondering van de gewezen hoofdinspecteur-directeur;
  3. Adjunct van de directeur en directeur.;
  21° in de rechterkolom worden onder de bij 20° ingevoegde genummerde lijst de volgende woorden ingevoegd :
  "De titularissen van de onder B opgenomen graden genieten de preferentiėle noemer uitsluitend in de mate dat het uitgeoefende ambt overeenstemt met een ambt dat opgenomen is onder punt V.A.";
  22° in de rechterkolom worden de onder punt V vermelde woorden "titularissen van deze graden" vervangen door de woorden "titularissen van de onder A en B vermelde graden";
  23° in de linkerkolom worden de onder punt V vermelde woorden "onder punt V." vervangen door de woorden" onder punt V.A.".

  Art. 4. In de bijlage van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de linkerkolom wordt het opschrift van punt I vervangen als volgt "FOD FINANCIEN EN AGENTSCHAP VLAAMSE BELASTINGSDIENST";
  2° in de linkerkolom wordt onder punt I, vóór de rubriek "Opmerkingen", een punt C ingevoegd, luidende :
  "C. Vlaams ministerie van Financiėn - Agentschap Vlaamse Belastingsdienst
  Afdeling Controle - 1. Assistent;
  2. Technisch assistent;
  3. Medewerker;
  4. Hoofdmedewerker;
  5. Senior hoofdmedewerker;
  6. Deskundige;
  7. Senior hoofddeskundige.";
  3° in de linkerkolom wordt in de rubriek "Opmerkingen" een punt h) ingevoegd, luidende :
  "h) De titularissen van de in punt C bedoelde graden genieten de preferentiėle noemer uitsluitend in de mate dat zij overgedragen zijn krachtens het koninklijk besluit van 26 november 2010 tot overdracht van personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Financiėn naar de Vlaamse Regering of het koninklijk besluit van 19 december 2010 tot overdracht van personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Financiėn naar de Vlaamse Regering en uitsluitend voor de periodes waarin zij bij het Agentschap Vlaamse Belastingsdienst de functie van "controleur gewestbelastingen" of "coördinator controle" uitoefenen.".

  Art. 5. Artikel 37 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 37. De Koning bepaalt de gevallen waarin een pensioenaanvraag moet worden ingediend en aan welke vereisten die pensioenaanvraag moet voldoen om geldig te zijn.
  Onverminderd de toepassing van de artikelen 139 tot 163 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I) bepaalt de Koning de stukken, bescheiden of elektronische attesten die moeten worden overgelegd tot bewijs van de rechten op een rust- of overlevingspensioen.".

  Art. 6. In de wetten op de militaire pensioenen, gecoördineerd bij het koninklijk besluit nr. 16020 van 11 augustus 1923, wordt een artikel 5bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 5bis. § 1. Indien de militair in actieve dienst in een onbezoldigde toestand wordt geplaatst om hem toe te laten een andere activiteit uit te oefenen en hij uit hoofde daarvan aanspraak kan maken op een rustpensioen of een rustpensioenrente toegekend op grond van een wettelijk, reglementair, statutair of contractueel pensioenstelsel, dan wordt het deel van dat pensioen of die rente dat overeenstemt met de periodes waarin de militair in actieve dienst in die onbezoldigde toestand werd geplaatst, in mindering gebracht van de verhoging van het pensioen die voortvloeit uit het in aanmerking nemen van dezelfde periodes in het militair pensioen.
  Wat betreft de voordelen die voortvloeien uit verzekeringscontracten, wordt de vermindering bedoeld in het eerste lid beperkt tot het deel van deze voordelen dat voortvloeit uit de premies waarvan de last door de werkgever werd gedragen.
  § 2. Indien, overeenkomstig § 1, in aanmerking genomen periodes zich situeren in de periode die in aanmerking genomen wordt voor het vaststellen van de referentiewedde op basis waarvan het militair pensioen wordt berekend, wordt voor deze periodes rekening gehouden met de wedden en weddebijslagen waarop de militair aanspraak zou hebben gemaakt indien hij bezoldigd was geweest.".

  Art. 7. Artikel 62bis van dezelfde gecoördineerde wetten, ingevoegd bij de wet van 15 mei 1984 en gewijzigd bij de wet van 21 mei 1991, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
  " § 3. De Koning bepaalt de gevallen waarin een pensioenaanvraag moet worden ingediend alsook aan welke vereisten die pensioenaanvraag moet voldoen om geldig te zijn.
  Onverminderd de toepassing van de artikelen 139 tot 163 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I) bepaalt de Koning de stukken, bescheiden of elektronische attesten die moeten worden overgelegd tot bewijs van de rechten op een rustpensioen.".

  Art. 8. In de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, wordt een artikel 1/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1/1. In het kader van deze wet, en behalve voor de toepassing van artikel 13, worden de rustpensioenen toegekend aan de personeelsleden van de NMBS-Holding en HR-Rail alsook de overlevingspensioenen toegekend aan hun rechthebbenden niet beschouwd als pensioenen ten laste van de Staatskas maar als pensioenen ten laste van een organisme van openbaar nut bedoeld in artikel 1, littera e.".

  Art. 9. Artikel 12, § 3, van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, zoals het luidde voor de wijziging door de wet van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :
  " § 3. Indien bij de herziening van sommige bezoldigingen of categorieėn van bezoldigingen de weddeverhoging 5 pct. overschrijdt, worden de pensioenverhogingen die daaruit voortvloeien, uitbetaald in opeenvolgende jaarlijkse schijven die overeenstemmen met een weddeverhoging van ten hoogste 5 pct.
  In afwijking van het eerste lid kan de Koning beslissen dat de pensioenverhoging integraal of in opeenvolgende jaarlijkse schijven die overeenstemmen met een hoger percentage dan 5 pct. wordt uitbetaald.".

  Art. 10. In artikel 12 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 6, vierde lid, worden de woorden "zevende lid" vervangen door de woorden "zesde lid";
  2° in § 6 wordt het vijfde lid vervangen als volgt :
  "De voorwaarden die krachtens § 7, negende of tiende lid, niet als voorwaarden worden beschouwd in de zin van § 7, vierde tot zesde lid, worden voor de toepassing van deze paragraaf eveneens als onbestaande beschouwd.";
  3° in § 7 wordt het vroegere zesde lid, dat het vijfde lid wordt, vervangen als volgt :
  "Indien een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, in de loop van de periode van vier jaar voorafgaand aan de vorige referentieperiode, de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beėindigd, toelaat om, onder bepaalde voorwaarden, een andere weddenschaal, een andere weddebijslag of een nieuwe weddebijslag te verkrijgen, worden deze in aanmerking genomen voor de berekening van de maximumbezoldiging verbonden aan de pensioenen die, bij de berekening van de totale bezoldiging van een vorige referentieperiode, met toepassing van het zevende lid beschouwd werden als pensioenen waarvan de titularis de in de nieuwe bepaling gestelde voorwaarden vervult.";
  4° in § 7 wordt het vroegere tiende lid, dat het negende lid wordt, vervangen als volgt :
  "Worden niet beschouwd als voorwaarden in de zin van het vierde tot zesde lid van deze paragraaf, de verplichting zich te bevinden in een bepaalde administratieve toestand of stand, voorwaarden inzake persoonsbeschrijving of evaluatie die niet gepaard gaan met quota, noch met het slagen voor een test of een examen, voorwaarden inzake anciėnniteit en bijzondere vereisten, te weten de aanwezigheid bij een gesprek, het deelnemen aan een test of een examen zonder vereiste tot slagen, het bijwonen van cursussen of uiteenzettingen, het opstellen van een verslag of het indienen van een werkstuk.";
  5° in § 7, wordt het vroegere elfde lid, dat het tiende lid wordt, vervangen als volgt :
  "De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beslissen dat andere voorwaarden die vergelijkbaar zijn met deze bepaald in het vorige lid, geen voorwaarden zijn in de zin van het vierde tot zesde lid van deze paragraaf. Dit koninklijk besluit moet in werking treden uiterlijk op de laatste dag van de referentieperiode waarin deze voorwaarden werden gecreėerd.";
  6° in § 8 wordt het derde lid vervangen als volgt :
  "De voorwaarden die krachtens § 7, negende of tiende lid, niet als voorwaarden worden beschouwd in de zin van § 7, vierde tot zesde lid, worden voor de toepassing van het vorige lid eveneens als onbestaande beschouwd.";
  7° in § 8, vierde lid, worden de woorden "twaalfde lid" vervangen door de woorden "elfde lid".

  Art. 11. Artikel 13 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007, wordt aangevuld met een paragraaf 9, luidende :
  " § 9. In afwijking van artikel 12, §§ 7 en 8, wordt voor het vaststellen van de maximumbezoldiging geen rekening gehouden met de bezoldigingselementen bedoeld in artikel 8, § 1, zevende lid, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen of krachtens het achtste lid van diezelfde bepaling.".

  Art. 12. In artikel 14 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid worden de woorden "twaalfde lid" vervangen door de woorden "elfde lid";
  2° in het vierde lid worden de woorden "eerste en vijfde tot zevende lid" vervangen door de woorden "eerste en vierde tot zesde lid".

  Art. 13. Artikel 16 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen als volgt :
  "Indien het in artikel 12, § 9, bedoelde percentage van een perequatiekorf hoger is dan 5 pct. wordt de pensioenverhoging die daaruit voortvloeit, uitbetaald in opeenvolgende jaarlijkse schijven die overeenstemmen met een perequatiepercentage van ten hoogste 5 pct.
  In afwijking van het eerste lid kan de Koning beslissen dat de pensioenverhoging integraal of in opeenvolgende jaarlijkse schijven die overeenstemmen met een hoger percentage dan 5 pct. wordt uitbetaald." .

  Art. 14. In artikel 35, § 1, van dezelfde wet gewijzigd bij de wetten van 15 mei 1984, 18 juli 1990, 21 mei 1991, 3 februari 2003 en 28 februari 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het vierde lid wordt vervangen als volgt :
  "Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid worden de studies geacht :
  1° beėindigd te zijn op 31 augustus van het kalenderjaar waarin het diploma behaald werd;
  2° aangevangen te zijn op 1 september van het kalenderjaar waarvan het jaartal gelijk is aan het jaartal van het in 1° bedoelde kalenderjaar verminderd met het minimum aantal studiejaren bepaald in, naargelang het geval, artikel 34, eerste of tweede lid." :
  2° een vijfde lid wordt toegevoegd, luidende :
  "In afwijking van het vierde lid kan de betrokkene het bewijs leveren dat het in 1° van dat lid bedoelde kalenderjaar niet overeenstemt met het kalenderjaar waarin het laatste studiejaar zich situeert.".

  Art. 15. In artikel 4, § 1, van de van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs, gewijzigd bij de wetten van 15 mei 1984, 18 juli 1990, 21 mei 1991 en 3 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het vierde lid wordt vervangen als volgt :
  "Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid worden de studies geacht :
  1° beėindigd te zijn op 31 augustus van het kalenderjaar waarin het diploma behaald werd;
  2° aangevangen te zijn op 1 september van het kalenderjaar waarvan het jaartal gelijk is aan het jaartal van het in 1° bedoelde kalenderjaar verminderd met het minimum aantal studiejaren bepaald in, naargelang het geval, artikel 2, § 1, tweede lid, of § 3, tweede lid.";
  2° een vijfde lid wordt toegevoegd, luidende :
  "In afwijking van het vierde lid kan de betrokkene het bewijs leveren dat het in 1° van dat lid bedoelde kalenderjaar niet overeenstemt met het kalenderjaar waarin het laatste studiejaar zich situeert.".

  Art. 16. In artikel 2 van de wet van 10 januari 1974 tot regeling van de inaanmerkingneming van bepaalde diensten en van met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden voor het toekennen en berekenen van pensioenen ten laste van de Staatskas, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt :
  "3° zelfs onbezoldigd in een administratieve toestand is geplaatst die krachtens zijn wettelijk of reglementair statuut met dienstactiviteit is gelijkgesteld, met uitzondering van de tijd gedurende dewelke de betrokkene :
  a) met verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden was;
  b) met toepassing van artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector vier vijfde van de prestaties die hem normaal worden opgelegd verricht zonder bijkomende premie;".

  Art. 17. In artikel 5 van dezelfde wet wordt het derde lid vervangen als volgt :
  "De in dit artikel bedoelde wedden zijn deze die voortvloeien uit de toepassing van artikel 11, § 1, eerste lid, van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector.".

  Art. 18. In de eerste en tweede zin van artikel 44ter, § 5, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 februari 2003, worden de woorden "de datum waarop het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is getreden" telkens vervangen door de woorden "de datum van de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken".

  Art. 19. In artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht wordt het derde lid vervangen als volgt :
  "Voor de vaststelling van de in het eerste lid, littera b) voorziene verhouding wordt geen rekening gehouden met de tijdsinkortingen voortvloeiend uit :
  a) verlof of afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden;
  b) het verrichten van vier vijfde van de normaal opgelegde prestaties zonder bijkomende premie met toepassing van artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector.".

  Art. 20. Artikel 7 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Onder duur van het huwelijk wordt verstaan de periode die begint de dag van het huwelijk en die eindigt op de dag voor de dag van overschrijving van het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken.".

  Art. 21. In artikel 21, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 juli 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het vijfde lid wordt vervangen door twee leden, luidende :
  "De Koning kan andere gevallen bepalen waarin geen aanvraag voor een overlevingspensioen moet ingediend worden.
  In de gevallen bedoeld in het eerste tot vijfde lid wordt ambtshalve beslist over de rechten op overlevingspensioen van de rechthebbende.";
  2° de derde paragraaf wordt vervangen als volgt :
  " § 3. De Koning bepaalt aan welke vereisten een geldige pensioenaanvraag moet voldoen.
  Onverminderd de toepassing van de artikelen 139 tot en met 163 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I) bepaalt de Koning de stukken, bescheiden of elektronische attesten die moeten worden overgelegd tot bewijs van de rechten op een overlevingspensioen.".

  Art. 22. In artikel 46, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 28 december 2011, wordt het tweede lid, 1°, aangevuld met de woorden "en de kalenderjaren waarvoor een pensioen kan worden toegekend als lid van het Europees Parlement, van het federale Parlement of van een Parlement of een Raad van een gemeenschap of een gewest".

  Art. 23. In de Nieuwe Gemeentewet, gecodificeerd bij het koninklijk besluit van 24 juni 1988 en bekrachtigd bij de wet van 26 mei 1989, wordt een artikel 157bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 157bis. De bepalingen van de artikelen 156 en 157 zijn eveneens van toepassing op de personeelsleden in de hoedanigheid van stagiair en hun rechthebbenden voor wat betreft de stageperioden die gelegen zijn na 31 december 2012.".

  Art. 24. In de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt een artikel 85ter ingevoegd, luidende :
  "Art. 85ter. Het bedrag van het pensioen dat zal worden toegekend aan de leden van het onderwijzend personeel van de Vlaamse Gemeenschapscommissie die tewerkgesteld zijn bij de campus Elishout en op 1 september 2013 worden overgeheveld naar het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, mag niet lager zijn dan het bedrag van het pensioen dat zij zouden hebben gekregen overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die op 31 augustus 2013 op hen van toepassing waren, maar rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen later zouden hebben ondergaan krachtens algemene maatregelen van toepassing op de instelling waartoe zij behoorden op het ogenblik dat zij, ter uitvoering van artikel 92bis, § 4quater, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van de provincie Brabant werden overgeheveld naar de Vlaamse Gemeenschapscommissie.
  De bijkomende uitgaven die het gevolg zijn van de in het eerste lid bedoelde waarborg zijn ten laste van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.
  Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende instellingen van de Vlaamse Gemeenschapscommissie onder "campus Elishout" verstaan : Elishout school voor secundair onderwijs, Elishout centrum voor volwassenenonderwijs en Elishout internaat.
  De in het eerste lid bedoelde waarborg vervalt indien het personeelslid na 1 september 2013 het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap verlaat en na die datum diensten verstrekt waarvoor hem een pensioen wordt toegekend in een van de pensioenregelingen bedoeld in artikel 1 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector.

  Art. 25. In artikel 10, tweede lid, van de wet van 30 maart 2001 betreffende het pensioen van het personeel van de politiediensten en hun rechthebbenden, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 1°, b, worden de woorden "de weddenschaal AA2, AA3 of A2A" vervangen door de woorden "klasse A1 of A2";
  2° in de bepaling onder 2°, e, worden de woorden "de weddenschaal AA4, AA5, A3A of A4A, vervangen door de woorden " klasse A3";
  3° in de bepaling onder 3°, b, worden de woorden "de weddenschaal A5A"vervangen door de woorden "klasse A4".

  Art. 26. In artikel 5bis, eerste lid, van de wet van 25 februari 2003 houdende de inrichting van de functie van veiligheidsbeambte met het oog op de uitvoering van taken die betrekking hebben op de politie van hoven en rechtbanken en de overbrenging van gevangenen, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2006, worden de woorden "de overgeplaatste militairen die" vervangen door de woorden "de met toepassing van artikel 4 overgeplaatste militairen die".

  Art. 27. In de wet van 12 januari 2006 tot oprichting van de "Pensioendienst voor de overheidssector" wordt een artikel 5/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 5/1. De PDOS kan de taken met betrekking tot de inning en de invordering van de ontvangsten zoals bedoeld in artikel 5 delegeren aan een andere instelling.
  Indien de taken met betrekking tot de inning en de invordering van deze ontvangsten gedelegeerd worden aan een andere instelling, worden de in artikel 5, 2°, bedoelde bijdragen, voor wat de inning en de invordering betreft, met uitzondering van de verjaring en de geschillen, gelijkgesteld met de bijdragen bedoeld in artikel 5, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
  De Koning bepaalt de duur en de nadere regels van deze delegatie.".

  Art. 28. In artikel 6, 1°, b), van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede streepje wordt vervangen als volgt :
  "- ten laste van het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO bedoeld in artikel 3, 5), van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geļntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen;";
  2° het derde streepje wordt vervangen als volgt :
  "- ten laste van het Fonds voor de pensioenen van de federale politie;".

  Art. 29. In artikel 152, § 2, van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I) worden de woorden "verstuurt de PDOS" vervangen door de woorden "verstuurt de betrokken pensioeninstelling van de overheidssector".

  Art. 30. In artikel 155, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "pensioeninstellingen van de overheidssector" vervangen door het woord "PDOS".

  Art. 31. In titel 13, enig hoofdstuk, van dezelfde wet wordt een afdeling 7/1 ingevoegd, luidende : "Secundair netwerk".

  Art. 32. In afdeling 7/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 31, wordt een artikel 162/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 162/2. De PDOS houdt ten behoeve van de andere pensioeninstellingen van de overheidssector een bijzonder repertorium van de personen bij zoals bedoeld in artikel 6, § 1, tweede lid, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en is derhalve een beheersinstelling van een secundair netwerk in de zin van artikel 1, 6°, van het koninklijk besluit van 4 februari 1997 tot organisatie van de mededeling van sociale gegevens van persoonlijke aard tussen instellingen van sociale zekerheid.".

  Art. 33. In de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geļntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen, wordt een artikel 20/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 20/1. Indien diensten opeenvolgend bij verschillende werkgevers aangesloten bij het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO werden verricht, wordt elkeen van deze werkgevers verantwoordelijk gesteld voor het deel van de pensioenlast dat betrekking heeft op de duur van de aanneembare diensten en periodes die bij hem werden volbracht.
  Indien voor de vaststelling van het pensioenbedrag de tijdsinkorting werd toegepast bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht, wordt de in het eerste lid bedoelde duur van de diensten en periodes vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van dat besluit.".

  Art. 34. In dezelfde wet wordt een artikel 20/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 20/2. De verdeling bepaald bij artikel 20/1 is van toepassing op alle rust- en overlevingspensioenen, alsmede op het daaraan verbonden vakantiegeld, ten laste van het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO die vanaf 1 januari 2012 ingaan, alsook op de op 31 december 2011 lopende pensioenen indien dit materieel mogelijk is.
  Voor de toepassing van het eerste lid is het materieel mogelijk om de in artikel 20/1 bedoelde verdeling te maken indien de PDOS of de voorzorgsinstelling die het pensioen beheert, over de elektronisch bewaarde loopbaangegevens beschikt die vereist zijn om die verdeling te maken.".

  Art. 35. Artikel 89 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, opgeheven bij de wet van 13 december 2012, wordt hersteld als volgt :
  "Art. 89. In afwijking van artikel 88, eerste lid, wordt voor de leden van de bestendige deputatie van een provincie, van het provinciecollege of van de deputatie van een provincieraad het volgende toegepast :
  Voor het mandaat verworven tot 14 oktober 2012 en de eventueel toegekende periode van uittredingsvergoeding met betrekking tot het mandaat verworven tot 14 oktober 2012, kan het pensioen ingaan vanaf de leeftijd van 55 jaar.
  Voor het mandaat verworven vanaf 15 oktober 2012, kan dit pensioen ingaan vanaf de leeftijd van 62 jaar.
  Voor de leden die op 14 oktober 2012 reeds 55 jaar oud zijn, of op die datum reeds 20 jaar mandaat hebben, blijft de leeftijd voor het ingaan van het pensioen bepaald op 55 jaar.".

  Art. 36. In artikel 96 van de programmawet van 28 juni 2013 worden de woorden "artikel 78" vervangen door de woorden "artikel 59".

  Art. 37. In artikel 106 van de dezelfde programmawet worden de woorden "1,8652 euro vanaf de 60e maand" vervangen door de woorden "1,8652 euro vanaf de 61e maand".

  HOOFDSTUK 3. - Autonome bepalingen

  Afdeling 1. - De pensioenrechten van de personeelsleden van Belgocontrol ingezet bij een Belgische openbare overheid in uitvoering van artikel 475 van de programmawet van 22 december 2003 of van artikel 29bis van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven

  Art. 38. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
  1° "het benoemde personeelslid" : het statutair vastbenoemde personeelslid van Belgocontrol dat op vrijwillige basis ingezet is bij een Belgische openbare overheid in uitvoering van artikel 475 van de programmawet van 22 december 2003 of dat externe mobiliteit heeft genoten in uitvoering van artikel 29bis van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  2° "Belgische openbare overheid" : de Belgische openbare overheid waarbij het benoemde personeelslid van Belgocontrol in uitvoering van artikel 475 van de programmawet van 22 december 2003 of in uitvoering van artikel 29bis van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven wordt ingezet.

  Art. 39. Indien het benoemde personeelslid van Belgocontrol vast benoemd wordt bij een andere Belgische openbare overheid, mag de referentiewedde die als grondslag dient voor de berekening van het rustpensioen, niettegenstaande andere wettelijke, reglementaire of contractuele bepalingen, niet lager zijn dan de referentiewedde die in aanmerking zou zijn genomen indien het benoemde personeelslid zijn loopbaan bij Belgocontrol had voortgezet.

  Art. 40. De verhoging van het pensioen die voortvloeit uit de inaanmerkingneming van de in het voorafgaande artikel voorziene gewaarborgde referentiewedde wordt toegekend in de vorm van een pensioencomplement dat ten laste is van de Staatskas. Dit complement wordt niet in aanmerking genomen voor de verdeling van het enig pensioen met toepassing van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector.

  Art. 41. Vanaf de vaste benoeming van het benoemde personeelslid van Belgocontrol bij een andere Belgische openbare overheid is Belgocontrol een patronale bijdrage van 16,36 % verschuldigd per ingezet personeelslid op het positieve geactualiseerde verschil tussen twee reeksen van fictieve wedden :
  a) enerzijds, de wedden en de andere bezoldigingselementen die in aanmerking worden genomen voor de berekening van het rustpensioen, die het benoemde personeelslid zou hebben ontvangen indien het zijn loopbaan bij Belgocontrol had voortgezet vanaf het ogenblik waarop het vast benoemd wordt bij de andere Belgische openbare overheid, tot op de laatste dag van de maand waarin het ingezet personeelslid de leeftijd bereikt waarop het recht heeft op een pensioen met toepassing van artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen;
  b) anderzijds, de wedden en de andere bezoldigingselementen die in aanmerking worden genomen voor de berekening van het rustpensioen die van toepassing zijn bij die andere Belgische openbare overheid, op het benoemde personeelslid vanaf het ogenblik waarop het vast benoemd wordt bij die andere Belgische openbare overheid, tot op de laatste dag van de maand waarin het ingezet personeelslid de leeftijd bereikt waarop het recht heeft op een pensioen met toepassing van artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regels van de betaling van de bijdrage vermeld in het eerste lid.

  Art. 42. De bijdrage waarvan in artikel 41 sprake is, wordt beschouwd als een gewone sociale zekerheidsbijdrage.

  Afdeling 2. - Andere autonome bepalingen

  Art. 43. § 1. De bij artikel 20 van de wet van 22 maart 1995 tot instelling van federale ombudsmannen bepaalde pensioenregeling is van toepassing op :
  1° de ombudsman van het Waalse Gewest, benoemd met toepassing van het decreet van 22 december 1994 tot instelling van een ombudsman van het Waalse Gewest, opgeheven bij decreet van 31 maart 2011 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 3 februari 2011 tussen de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest houdende oprichting van een gemeenschappelijke ombudsdienst voor de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest;
  2° de Vlaamse ombudsman, benoemd met toepassing van het decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse ombudsdienst, gewijzigd bij de decreten van 23 juni 2006 en 9 november 2012;
  3° de ombudsman en de adjunct-ombudsman van de Franse Gemeenschap, benoemd met toepassing van het decreet van 20 juni 2002 tot oprichting van de dienst van de ombudsman van de Franse Gemeenschap, opgeheven bij decreet van 17 maart 2011 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 3 februari 2011 tussen de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest houdende oprichting van een gemeenschappelijke ombudsdienst voor de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest;
  4° de ombudsman van de Duitstalige Gemeenschap benoemd met toepassing van het decreet van 26 mei 2009 tot instelling van het ambt van ombudsman voor de Duitstalige Gemeenschap;
  5° de ombudsman van de gemeenschappelijke ombudsdienst voor de parlementen van het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap, benoemd met toepassing van het samenwerkingsakkoord van 3 februari 2011 tussen de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest houdende oprichting van een gemeenschappelijke ombudsdienst voor de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest.
  § 2. De pensioenen toegekend met toepassing van § 1 zijn ten laste van de Staatskas.

  Art. 44. De vastbenoemde personeelsleden van de federale ombudsmannen genieten de regeling inzake rustpensioenen die van toepassing is op de ambtenaren van het algemeen rijksbestuur. Deze pensioenen zijn ten laste van de Staatskas.

  Art. 45. Zowel voor de opening van het recht op een rust- of overlevingspensioen ten laste van de Staatskas als voor de berekening van die pensioenen, worden de volgende diensten geacht verricht te zijn als vastbenoemde ambtenaar bij de FOD Financiėn, op voorwaarde dat zij verstrekt werden door een bediende van een hypotheekbewaarder die als rijksambtenaar geļntegreerd wordt in de Federale Overheidsdienst Financiėn met toepassing van artikel 2 van de wet van 11 december 2006 betreffende het statuut van de bedienden der hypotheekbewaarders :
  1° de diensten verricht als tijdelijk bediende van een hypotheekbewaarder, met uitzondering van de proeftijd;
  2° de diensten verricht als stagedoend bediende van een hypotheekbewaarder;
  3° de diensten verricht als definitief aangenomen bediende van een hypotheekbewaarder.

  Art. 46. Voor de toekenning en de berekening van het pensioen ten laste van de Staatskas wordt de inspecteur van financiėn die het mandaat van korpschef van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiėn uitoefent, geacht tijdens zijn mandaat van korpschef verder zijn ambt van inspecteur van financiėn uit te oefenen en de wedde te genieten die hij zou genoten hebben indien hij dat ambt werkelijk was blijven uitoefenen. Het verschil tussen deze wedde en zijn wedde als korpschef wordt, voor wat betreft het pensioen, beschouwd als een weddebijslag die niet in aanmerking komt voor het vaststellen van de referentiewedde die als grondslag dient voor de berekening van het pensioen.
  In afwijking van artikel 60 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen wordt de in het eerste lid bedoelde weddebijslag onderworpen aan de in voormeld artikel 60 bepaalde verplichte afhouding.

  HOOFDSTUK 4. - Opheffingsbepalingen

  Art. 47. De volgende bepalingen worden opgeheven :
  1° het tweede lid van artikel 3 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector;
  2° § 7, derde lid, van artikel 12 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector;
  3° § 4 van artikel 21 en artikel 63 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen;
  4° afdeling IV, van hoofdstuk 1 van titel II van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen;
  5° artikel 83 van de wet van 3 februari 2003 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector.

  HOOFDSTUK 5. - Het statuut en de pensioenregeling van het personeel van de hulpverleningszones

  Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities

  Art. 48. § 1. Voor de toepassing van de artikelen in dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° "wet van 15 mei 2007" : de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
  2° "hulpverleningszone" : de rechtspersoon bedoeld in artikel 14 van de wet van 15 mei 2007;
  3° "operationeel personeelslid" : het operationele beroepspersoneelslid van de hulpverleningszone bedoeld in artikel 103, derde lid van de wet van 15 mei 2007;
  4° "administratief personeelslid" : het administratieve personeelslid van de hulpverleningszone bedoeld in artikel 105 van de wet van 15 mei 2007;
  5° "raad" : de raad van de hulpverleningszone zoals bedoeld in artikel 24 van de wet van 15 mei 2007;
  6° "college" : het college van de hulpverleningszone zoals bedoeld in artikel 55 van de wet van 15 mei 2007.
  Voor de toepassing van de artikelen in dit hoofdstuk wordt onder de term "gemeente" ook begrepen "brandweerintercommunale".
  § 2. De artikelen in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het personeel van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende medische hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

  Afdeling 2. - Pensioenstelsel voor de operationele personeelsleden

  Art. 49. Deze afdeling is uitsluitend van toepassing op de operationele personeelsleden.

  Art. 50. Onder voorbehoud van de bijzondere bepalingen van dit hoofdstuk genieten de operationele personeelsleden die een vaste of een door of krachtens de wet daarmee gelijkgestelde benoeming hebben verkregen, de rustpensioenregeling die van toepassing is op de ambtenaren van het algemeen bestuur van het Rijk.
  Voor toepassing van het eerste lid wordt het mandaat van zonecommandant zoals bedoeld in artikel 109 van de wet van 15 mei 2007, gelijkgesteld met een vaste benoeming.
  De rechthebbenden van de in het eerste lid bedoelde operationele personeelsleden genieten de overlevingspensioenregeling die van toepassing is op de rechthebbenden van de ambtenaren van het algemeen bestuur van het Rijk.

  Art. 51. Voor de vereffening van de rustpensioenen, wordt elk jaar doorgebracht in dienstactiviteit als beroepsbrandweerman zoals bedoeld in artikel 103, eerste lid, 1° van de wet, die rechtstreeks deelneemt aan de brandbestrijding, aangerekend naar rata van 1/50 van de referentiewedde bedoeld in artikel 8, § 1, tweede lid van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen.
  In afwijking van het eerste lid, wordt de periode van verlof voorafgaand aan het pensioen aangerekend naar rata van 1/60 per dienstjaar.

  Afdeling 3. - Pensioenstelsel voor het administratief personeel

  Art. 52. Deze afdeling is uitsluitend van toepassing op de leden van het administratief personeel.

  Art. 53. De leden van het administratief personeel die een vaste of een door of krachtens de wet daarmee gelijkgestelde benoeming hebben bekomen, genieten de rustpensioenregeling die van toepassing is op de ambtenaren van het algemeen bestuur van het Rijk.
  De rechthebbenden van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden genieten de overlevingspensioenregeling die van toepassing is op de rechthebbenden van de ambtenaren van het algemeen bestuur van het Rijk.

  Afdeling 4. - Overgangsmaatregelen inzake het pensioenstelsel van de operationele personeelsleden en van het vastbenoemd administratief personeel

  Art. 54. Deze afdeling is van toepassing op de operationele personeelsleden en op de vastbenoemde leden van het administratief personeel.

  Art. 55. Voor de toepassing van artikel 8, § 1, tweede en vierde lid, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen worden de ambten die de personeelsleden hebben uitgeoefend vanaf de datum waarop zij onderworpen waren aan de bepalingen die het statuut of de rechtspositie vastleggen van de operationele personeelsleden of van de vastbenoemde leden van het administratief personeel, beschouwd als zijnde volledig onderscheiden van de vóór die datum door hen uitgeoefende ambten.

  Art. 56. Indien het gemeentelijk pensioenreglement van kracht op de datum van de overdracht naar de hulpverleningszones, voor de personeelsleden van de brandweerdienst in een gunstigere pensioenregeling voorzag dan deze waarin voorzien is door dit hoofdstuk, wordt een pensioencomplement toegekend aan de personeelsleden die op dezelfde datum deel uitmaakten van de brandweerdienst van de betrokken gemeente. Dit complement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het pensioenbedrag dat bereikt zou zijn geweest indien de overdracht naar de hulpverleningszones niet had plaatsgevonden en anderzijds het pensioenbedrag berekend volgens de door deze wet opgestelde regels.
  Het in het eerste lid bedoelde complement maakt integraal deel uit van het nominale bedrag van het rustpensioen. Er wordt echter geen rekening mee gehouden voor de toepassing van artikel 13 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector.
  Het op grond van dit artikel toegekende complement is ten laste van de gemeente waar het personeelslid werd tewerkgesteld vóór zijn overdracht naar de hulpverleningszones.

  Art. 57. Het personeelslid dat, op de datum waarop de personeelscategorie waartoe hij laatst behoorde overgedragen wordt naar de hulpverleningszone, een tijdelijk pensioen geniet wegens lichamelijke ongeschiktheid dat na die datum wordt omgezet in een definitief pensioen, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht definitief gepensioneerd te zijn geweest op de ingangsdatum van zijn tijdelijk pensioen.

  Afdeling 5. - Wijzigingsbepalingen inzake pensioenen

  Art. 58. In artikel 1 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, vervangen bij de wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, wordt de bepaling onder 5° vervangen als volgt :
  "5° het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO.";
  2° in het eerste lid wordt de bepaling onder 6° opgeheven;
  3° in het tweede lid worden de woorden "het stelsel van de nieuwe aangeslotenen bij de RSZPPO" vervangen door de woorden "het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO.

  Art. 59. In artikel 12 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 3 wordt aangevuld met de bepaling onder 16°, luidende :
  "16° de hulpverleningszones bedoeld in artikel 14 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid";
  2° in § 4, eerste lid, wordt de tweede zin vervangen als volgt :
  "Er wordt uitsluitend rekening gehouden met de in artikel 1 bedoelde rustpensioenen die beheerd worden door de PDOS of die ten laste zijn van het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO.";
  3° in § 5, eerste lid, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt :
  "3° twee pensioenen voor de in § 3, 2°, 5°, 6°, 9°, 10°, 11° en 16° bedoelde sectoren;".

  Art. 60. In artikel 13 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007, wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, luidende :
  " § 4/1. De bepalingen van § § 2 tot 4 zijn mutatis mutandis van toepassing op het personeel dat betrokken is bij de overdracht naar een in artikel 2, § 1, 2° bedoelde hulpverleningszone.".

  Art. 61. In artikel 1, 2°, i), van het koninklijk besluit n° 442 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de weerslag van sommige administratieve toestanden op de pensioenen van de personeelsleden van de overheidsdiensten, worden de woorden "van het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO" vervangen door de woorden "van de hulpverleningszones".

  Afdeling 6. - Financiering van de pensioenen

  Art. 62. Artikel 5, § 2, van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geļntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen wordt aangevuld met de volgende leden :
  "De hulpverleningszones bedoeld in artikel 14 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, en hun personeelsleden worden ambtshalve, van rechtswege en onherroepelijk aangesloten bij het gesolidariseerde pensioenfonds van de RSZPPO met ingang van 1 januari 2015.
  De in het tweede lid bedoelde aansluiting van rechtswege betreft alle leden van het personeel bedoeld in artikel 48, § 1, 3° en 4° van de wet van 5 mei 2014 betreffende diverse aangelegenheden inzake de pensioenen van de overheidssector, die een vaste of daarmee gelijkgestelde benoeming hebben of die stagiair zijn.".

  Art. 63. In artikel 10 van dezelfde wet van 24 oktober 2011 worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in 1) worden de woorden ", § 2 of § 5" ingevoegd tussen de woorden "artikel 5, § 1, 1) tot 7)" en de woorden "bedoelde werkgevers";
  2° in 2) worden de woorden ", § 2 of § 5" ingevoegd tussen de woorden "artikel 5, § 1, 1) tot 7)" en de woorden "bedoelde werkgevers".

  Art. 64. In artikel 18 van dezelfde wet van 24 oktober 2011, waarvan de huidige tekst paragraaf 1 vormt, wordt een § 2 ingevoegd, luidende :
  " § 2. Voor de hulpverleningszones bedoeld bij artikel 14 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid is de basisbijdragevoet die aan het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO moet worden betaald, als volgt vastgesteld :
  - 2015 : 41 %;
  - 2016 : 41,5 %.".

  Art. 65. In dezelfde wet wordt een artikel 21/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 21/1. Voor de berekening van de responsabilisering die voor het jaar 2015 en de volgende jaren verschuldigd is door een gemeente of intercommunale van waaruit vastbenoemd personeel van de brandweerdiensten is overgedragen naar een hulpverleningszone overeenkomstig de artikelen 203 en 205 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, wordt de gemeente of de intercommunale verondersteld de werkgever te zijn gebleven van het naar de hulpverleningszone overgedragen personeel. Zij wordt geacht de bezoldiging van dit personeel te hebben betaald, evenals de basispensioenbijdragen aan de bijdragevoet bedoeld in artikel 18, § 2.
  Het eerste lid houdt op van toepassing te zijn vanaf de oppensioenstelling van het laatste naar de desbetreffende zone overgedragen vastbenoemde personeelslid.".

  Art. 66.In dezelfde wet wordt een artikel 21/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 21/2. Het bedrag van de aanvullende werkgeverspensioensbijdragen die verschuldigd zijn voor de individuele responsabilisering, wordt verdeeld onder de gemeenten van de zone conform de bepalingen van artikel 68, §§ 2 en 3 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid.".
  
  (NOTA : bij arrest nr 06/2016 van 14-01-2016 (B.St. 14-03-2016, p. 16891), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)

  Art. 67. In artikel 29 van dezelfde wet van 24 oktober 2011 wordt een paragraaf 3 ingevoegd, luidende :
  " § 3. Het administratief beheer van de op 31 december 2014 lopende rust- en overlevingspensioenen van de gewezen operationele personeelsleden en de gewezen leden van het administratief personeel van de brandweerdiensten dat toevertrouwd was aan de PDOS, blijft toevertrouwd aan die dienst.
  Het administratief beheer en de betaling van de op 31 december 2014 lopende rust- en overlevingspensioenen van de gewezen operationele personeelsleden en de gewezen leden van het administratief personeel van de brandweerdiensten die werden uitgevoerd door een voorzorgsinstelling, blijven eraan toevertrouwd.".

  Art. 68. § 1. Voor het jaar 2015 wordt een subsidie ten laste van de Staatskas toegekend aan de hulpverleningszones die aangesloten zijn bij het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO voor het personeel van de hulpverleningszones dat overgedragen werd van een gemeente bedoeld in artikel 18, § 1, 1), van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geļntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen.
  § 2. Deze subsidie dekt de last die voortvloeit uit het verschil tussen het percentage van de basispensioenbijdrage die de zone verschuldigd is krachtens artikel 18, § 2, van de wet van 24 oktober 2011 en het percentage van de basispensioenbijdrage die betaald zou worden voor dit personeel door de gemeente in 2015 krachtens de artikelen 18, § 1, 1), en 22 van de wet van 24 oktober 2011. Dit verschil wordt toegepast op de loonmassa die als basis dient voor de basispensioenbijdrage die meegedeeld wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten.
  § 3. De in § 1 bedoelde subsidie wordt toegekend aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, voor rekening van de hulpverleningszones.
  De Rijksdienst brengt deze subsidies in mindering op het totaal van de door elke hulpverleningszone verschuldigde pensioenbijdragen.
  De financiering van de in § 1 bedoelde subsidies gebeurt door een voorafname op de opbrengst van de BTW-ontvangsten.
  Het bedrag van de subsidies wordt gestort op 31 december van het voorgaande kalenderjaar voor het begrotingsjaar waarop het betrekking heeft, op basis van een raming van de loonmassa.
  Op het einde van het betreffende kalenderjaar wordt een definitieve afrekening uitgevoerd.

  Afdeling 7. - Andere wijzigingsbepalingen

  Art. 69. In artikel 32 van de algemene kinderbijslagwet wordt een punt 13° ingevoegd, luidend als volgt :
  "13° de hulpverleningszones bedoeld bij de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid".

  HOOFDSTUK 6. - Inwerkingtreding

  Art. 70. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  In afwijking van het eerste lid :
  1° heeft artikel 3 uitwerking met ingang van 1 januari 2002, met uitzondering van 3°, a), a1), dat uitwerking heeft met ingang van 31 juli 2006, van 3°, a), a2), dat uitwerking heeft met ingang van 4 juni 2007, van 4° en 5°, die uitwerking hebben met ingang van 1 augustus 2008, van 6°, 7°, 9° tot 12° en 15° tot 23°, die uitwerking hebben met ingang van 1 juni 2006, van 8°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2010 en van 3°, d), dat in werking treedt op de eerste dag van de tweede maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;
  2° hebben de artikelen 9 en 46 uitwerking met ingang van 1 januari 2003;
  3° hebben de artikelen 8, 25 en 47, 1° uitwerking met ingang van 1 januari 2007;
  4° heeft artikel 44 uitwerking met ingang van 1 februari 2010;
  5° heeft artikel 4 uitwerking met ingang van 1 januari 2011;
  6° hebben de artikelen 43 en 47, 4° en 5° uitwerking met ingang van 1 september 2012;
  7° hebben de artikelen 22, 23 en 36 uitwerking met ingang van 1 januari 2013;
  8° heeft artikel 37 uitwerking met ingang van 1 januari 2014;
  9° treden de artikelen 14 en 15 in werking op de eerste dag van de veertiende maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;
  10° zijn de bepalingen van artikel 45 uitsluitend van toepassing op de rust- en overlevingspensioenen die ingaan vanaf 1 mei 2014;
  11° treden de artikelen 48 tot 69 in werking op 1 januari 2015.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 5 mei 2014.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Pensioenen,
A. DE CROO
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 14-01-2016 GEPUBL. OP 14-03-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 66)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Kamer van volksvertegenwoordigers : (www.dekamer.be) : Stukken : 53-3434 Integraal Verslag : 22 april 2014. Senaat (www.senaat.be) : Stukken5-2861 Ontwerp niet geėvoceerd door de Senaat : 27 maart 2014.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
    Franstalige versie