J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 7 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
Errata Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2014/04/19/2014011298/justel

Titel
19 APRIL 2014. - Wet houdende invoeging van boek XI, "Intellectuele eigendom" in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-06-2014 en tekstbijwerking tot 30-10-2015)

Bron : ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 12-06-2014 nummer :   2014011298 bladzijde : 44352   BEELD
Dossiernummer : 2014-04-19/60
Inwerkingtreding : 01-01-2015

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Het Wetboek van economisch recht
Art. 2-24
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 8 juli 1977 houdende goedkeuring van diverse internationale akten
Art. 25-30
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen
Art. 31
HOOFDSTUK V. - Opheffings- en wijzigingsbepalingen
Art. 32
HOOFDSTUK VI. - Bevoegdheidstoewijzing
Art. 33-34
HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepalingen
Afdeling 1. - Octrooien en aanvullende beschermingscertificaten
Art. 35-36
Afdeling 2. - Kwekersrecht
Art. 37-39
Afdeling 3. - Auteursrecht
Art. 40-44
Afdeling 4. - Computerprogramma's
Art. 45
Afdeling 5. - Databanken
Art. 46-47
Afdeling 6. - Topografieën van halfgeleiderproducten
Art. 48
HOOFDSTUK VIII. - Inwerkingtreding
Art. 49

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK II. - Het Wetboek van economisch recht

  Art. 2. In boek I, titel 2, van het Wetboek van economisch recht, wordt een hoofdstuk 9 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk 9. - Definities eigen aan boek XI
  Art. I.13. Voor de toepassing van boek XI gelden de volgende definities :
  1° Verdrag van Parijs : het Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom ondertekend te Parijs op 20 maart 1883 en goedgekeurd bij de wet van 5 juli 1884, inbegrepen iedere herzieningsakte die door België werd bekrachtigd;
  2° Berner Conventie : de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971;
  3° TRIPs-Overeenkomst : de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, opgenomen als Annex 1C bij het Akkoord tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, ondertekend te Marrakesh op 15 april 1994 en goedgekeurd bij de wet van 23 december 1994;
  4° Wereldhandelsorganisatie : de organisatie opgericht door het Akkoord tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, ondertekend op 15 april 1994 te Marrakesh en goedgekeurd bij wet van 23 december 1994;
  5° Dienst : de Dienst voor de Intellectuele Eigendom bij de Federale Overheidsdienst Economie;
  6° databank : een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen, systematisch of methodisch geordend, en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk;
  7° technische voorzieningen : technologie, inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken of prestaties of databanken, die door de houders van auteursrechten of naburige rechten of producenten van databanken niet zijn toegestaan.
  Art. I.14. Voor de toepassing van boek XI, titels 1 en 2, gelden de volgende definities :
  1° Samenwerkingsverdrag : het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, opgemaakt te Washington op 19 juni 1970 en goedgekeurd door de wet van 8 juli 1977;
  2° Europees Octrooiverdrag : het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, opgemaakt te München op 5 oktober 1973, goedgekeurd bij de wet van 8 juli 1977, zoals gewijzigd door de Akte tot herziening van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, aangenomen te München op 29 november 2000 en goedgekeurd bij wet van 21 april 2007;
  3° wet van 10 januari 1955 : de wet betreffende de bekendmaking en de toepassing der uitvindingen en fabrieksgeheimen die de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat aangaan;
  4° Europees Octrooibureau : het Europees Octrooibureau ingesteld door het Europees Octrooiverdrag;
  5° register : het register van de uitvindingsoctrooien en van de aanvullende beschermingscertificaten;
  6° verzameling : de Verzameling van de uitvindingsoctrooien en van de aanvullende beschermingscertificaten;
  7° biologisch materiaal : materiaal dat genetische informatie bevat en zichzelf kan repliceren of in een biologisch systeem kan worden gerepliceerd;
  8° microbiologische werkwijze : iedere werkwijze waarbij microbiologisch materiaal wordt gebruikt, die op microbiologisch materiaal ingrijpt of die microbiologisch materiaal als resultaat heeft;
  9° werkwijze van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of dieren : werkwijze voor de voortbrenging van planten of dieren die geheel bestaat uit natuurlijke verschijnselen zoals kruisingen of selecties;
  10° geschrift : een opeenvolging van duidelijke, gehandtekende en toegankelijke tekens die nadien geraadpleegd kunnen worden ongeacht hun drager en hun wijze van overdracht;
  11° handtekening : een geschreven of elektronische handtekening. Wanneer de handtekening elektronisch is, bepaalt de Koning de techniek(en) die toelaten te veronderstellen dat de identiteit van de ondertekenaar en de integriteit van zijn akte zijn gegarandeerd;
  12° verordening 1257/2012 : De Verordening nr. 1257/2012 van 17 december 2012 van het Europees Parlement en de Raad tot het uitvoering geven aan een nauwere samenwerking op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming;
  13° het Europees octrooi : een octrooi dat door het Europees Octrooibureau ("EOB") volgens de regels en procedures zoals vastgelegd in het Europees Octrooiverdrag is verleend, onafhankelijk van het feit of het Europees octrooi eenheidswerking geniet krachtens de verordening 1257/2012.
  14° het Europees octrooi met eenheidswerking : het Europees octrooi dat eenheidswerking geniet krachtens de verordening 1257/2012;
  15° het Europees octrooi zonder eenheidswerking : het Europees octrooi dat geen eenheidswerking heeft krachtens de Verordening 1257/2012;
  16° het eengemaakt octrooigerecht : het gerecht gemeenschappelijk aan de overeenkomstsluitende lidstaten dat werd ingesteld door de Overeenkomst betreffende de oprichting van een eengemaakt octrooigerecht, ondertekend op 19 februari 2013.
  Art. I.15. Voor de toepassing van boek XI, titel 3, gelden de volgende definities :
  1° ras : een plantengroep van een botanische taxon van de laagst bekende rang die, ongeacht of volledig wordt voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een kwekersrecht, kan worden :
  - gedefinieerd aan de hand van de expressie van de eigenschappen die het resultaat is van een bepaald genotype of van een bepaalde combinatie van genotypen,
  - onderscheiden van elke andere plantengroep op grond van de expressie van ten minste één van die eigenschappen, en
  - beschouwd als een eenheid, gezien zijn geschiktheid om onveranderd te worden vermeerderd;
  2° rascomponenten : de volledige planten of plantendelen, voor zover die delen volledige planten kunnen voortbrengen;
  3° geschrift : een opeenvolging van duidelijke, gehandtekende en toegankelijke tekens die nadien geraadpleegd kunnen worden ongeacht hun drager en hun wijze van overdracht.
  Art. I.16. Voor de toepassing van boek XI, titel 5, gelden de volgende definities :
  1° Controledienst : de controledienst van de vennootschappen voor het beheer van auteursrechten en naburige rechten bij de Federale overheidsdienst Economie;
  2° rechtmatig gebruiker : eenieder die handelingen verricht welke door de auteur of bij wet zijn toegestaan;
  3° doorgifte via de kabel : de gelijktijdige, ongewijzigde en integrale doorgifte, door middel van een kabel- of microgolfsysteem, aan het publiek, van een eerste uitzending, al dan niet via de ether, ook per satelliet, van televisie- of radioprogramma's die voor ontvangst door het publiek bestemd zijn;
  4° Dienst Regulering : de dienst regulering van het auteursrecht en de naburige rechten bij de Federale overheidsdienst Economie.
  Art. I.17. Voor de toepassing van boek XI, titel 7, gelden de volgende definities :
  1° rechtmatig gebruiker : de persoon die opvragingen verricht en/of de databank hergebruikt op een wijze die door de producent van de databank of bij wet is toegestaan;
  2° producent van een databank : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het initiatief neemt tot en het risico draagt van de investeringen waardoor de databank ontstaan is;
  3° opvraging : de permanente of tijdelijke overbrenging van de inhoud van een databank of van een substantieel deel ervan op een andere drager, ongeacht op welke wijze en in welke vorm. Openbare uitlening wordt niet als opvraging beschouwd;
  4° hergebruik : elke vorm van het aan het publiek ter beschikking stellen van de inhoud van een databank of van een substantieel deel ervan, door verspreiding van kopieën, verhuur, on line transmissie of in een andere vorm. Openbare uitlening wordt niet als hergebruik beschouwd."

  Art. 3.In hetzelfde Wetboek wordt een boek XI ingevoegd, luidende :
  "Boek XI. - Intellectuele eigendom
  Titel 1. - Uitvindingsoctrooien
  Hoofdstuk 1. - Algemeenheden
  Art. XI.1. Deze titel doet geen afbreuk aan de in België uitvoerbare bepalingen van een verdrag.
  Dit impliceert onder andere de eerbiediging van de volgende internationale teksten : het Verdrag inzake biologische diversiteit opgemaakt te Rio op 5 juni 1992, de Overeenkomst inzake handelsaspecten van de intellectuele eigendom opgemaakt te Marrakech op 15 april 1994, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens van 4 november 1950, en de Overeenkomst betreffende het eengemaakt octrooigerecht van 19 februari 2013.
  Art. XI.2. Deze titel, zoals titel 3, voorzien in de omzetting van richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen.
  Hoofdstuk 2. - Het uitvindingsoctrooi
  Afdeling 1. - Algemene bepalingen
  Art. XI.3. Onder de voorwaarden en binnen de grenzen van deze titel wordt onder de naam "uitvindingsoctrooi", hierna "octrooi" genoemd, een uitsluitend en tijdelijk recht toegekend om aan derden de exploitatie te verbieden van iedere uitvinding, op alle gebieden van de technologie, die nieuw is, op uitvinderswerkzaamheid berust en vatbaar is voor toepassing op het gebied van de nijverheid.
  Uitvindingen die nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en industrieel toepasbaar zijn, kunnen ook octrooieerbaar zijn wanneer zij betrekking hebben op een voortbrengsel dat uit biologisch materiaal bestaat of dit bevat, of op een werkwijze waarmee biologisch materiaal wordt verkregen, bewerkt of gebruikt.
  Biologisch materiaal dat met behulp van een technische werkwijze uit zijn natuurlijke milieu wordt geïsoleerd of wordt verkregen, kan ook dan het voorwerp van een uitvinding zijn, wanneer het in de natuur reeds voorhanden is.
  Art. XI.4. § 1. In de zin van artikel XI.3 worden in het bijzonder niet als uitvindingen beschouwd :
  1) ontdekkingen alsmede natuurwetenschappelijke theorieën en wiskundige methoden;
  2) esthetische vormgevingen;
  3) stelsels, regels en methoden voor het verrichten van geestelijke arbeid, voor het spelen of voor de bedrijfsvoering, alsmede computerprogramma's;
  4) presentatie van gegevens.
  § 2. De bepalingen van paragraaf 1 sluiten de octrooieerbaarheid van de aldaar genoemde onderwerpen of werkzaamheden alleen dan uit voor zover de octrooiaanvraag of het octrooi betrekking heeft op een van die onderwerpen of werkzaamheden als zodanig.
  Art. XI.5. § 1. Niet octrooieerbaar zijn :
  1° planten - en dierenrassen;
  2° werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of dieren.
  § 2. Een uitvinding die betrekking heeft op planten en dieren, is octrooieerbaar als de uitvoerbaarheid van die uitvinding zich technisch gezien niet beperkt tot een bepaald planten- of dierenras.
  § 3. Paragraaf 1, 2°, laat de octrooieerbaarheid van de uitvindingen onverlet die betrekking hebben op een microbiologische of andere technische werkwijze of op een met behulp van deze werkwijze verkregen voortbrengsel.
  § 4. Niet octrooieerbaar zijn de uitvindingen waarvan de commerciële exploitatie strijdig zou zijn met de openbare orde of met de goede zeden, met inbegrip van bescherming van het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten of ter vermijding van ernstige schade voor het milieu, met dien verstande dat niet als strijdig in deze zin zal worden beschouwd het enkele feit dat de toepassing van de uitvinding door een wettelijke of reglementaire bepaling is verboden.
  § 5. Uit hoofde van paragraaf 4, worden met name niet-octrooieerbaar geacht :
  1° de werkwijzen voor het klonen van mensen, dit wil zeggen elke werkwijze, met inbegrip van de technieken voor de splitsing van embryo's die ten doel heeft een mens voort te brengen die in de celkernen dezelfde genetische informatie bezit als een ander levend dan wel overleden menselijk wezen;
  2° de werkwijzen tot wijziging van de germinale genetische identiteit van de mens;
  3° het gebruik van menselijke embryo's voor industriële of commerciële doeleinden;
  4° de werkwijzen tot wijziging van de genetische identiteit van dieren die geëigend zijn deze te doen lijden zonder aanzienlijk medisch nut voor mens of dier op te leveren, alsmede de dieren die uit dergelijke werkwijzen zijn verkregen.
  § 6. Het menselijk lichaam in de verschillende stadia van zijn vorming en zijn ontwikkeling, alsmede de loutere ontdekking van een van de delen ervan, met inbegrip van een sequentie of partiële sequentie van een gen, zijn niet octrooieerbaar.
  Een deel van het menselijk lichaam dat werd geïsoleerd of dat anderszins door een technische werkwijze werd verkregen, met inbegrip van een sequentie of een partiële sequentie van een gen, is vatbaar voor octrooiering, zelfs indien de structuur van dat deel identiek is aan die van een natuurlijk deel.
  De industriële toepassing van een sequentie of een partiële sequentie van een gen die als basis dient voor een uitvinding moet concreet worden vermeld in de octrooiaanvraag.
  § 7. De uitvindingsoctrooien worden niet verleend voor methoden voor de behandeling van het menselijke of dierlijke lichaam door chirurgische of geneeskundige behandeling, en voor diagnosemethoden die worden toegepast op het menselijke of het dierlijke lichaam. Deze bepaling is niet van toepassing op voortbrengselen, met name stoffen of mengsels, voor de toepassing van één van deze methoden.
  Art. XI.6. § 1. Een uitvinding wordt als nieuw beschouwd indien zij geen deel uitmaakt van de stand van de techniek.
  § 2. De stand van de techniek wordt gevormd door al hetgeen vóór de datum van indiening van de octrooiaanvraag openbaar toegankelijk is gemaakt door een schriftelijke of mondelinge beschrijving, door toepassing of op enige andere wijze.
  § 3. Als behorend tot de stand van de techniek wordt tevens in aanmerking genomen, de inhoud van :
  1° Belgische octrooiaanvragen;
  2° Europese octrooiaanvragen;
  3° of internationale octrooiaanvragen, waarbij het Europees Octrooibureau het aangewezen bureau is en waarvoor de aanvrager de voorwaarden voorzien in artikel 153(3) of (4) van het Europees Octrooiverdrag, naargelang het geval, en Regel 159(1) van het Uitvoeringsreglement van het Europees Octrooiverdrag, heeft vervuld binnen de voorgeschreven termijn,
  zoals die zijn ingediend, waarvan de datum van indiening gelegen is vóór de in paragraaf 2 genoemde datum en die eerst op of na die datum zijn gepubliceerd.
  § 4. De bepalingen van paragrafen 2 en 3 sluiten de octrooieerbaarheid niet uit van de tot de stand van de techniek behorende stoffen of mengsels, voor zover zij bestemd zijn voor de toepassing van een van de in artikel XI.5, § 7, bedoelde methoden, mits de toepassing daarvan voor een dergelijke methode niet tot de stand van de techniek behoort.
  § 5. De bepalingen van paragrafen 2 en 3 sluiten voorts de octrooieerbaarheid niet uit van stoffen of mengsels als bedoeld in paragraaf 4 voor een specifieke toepassing in een methode bedoeld in artikel XI.5, § 7, mits die toepassing niet tot de stand van de techniek behoort.
  § 6. Een openbaarmaking van de uitvinding blijft buiten beschouwing voor het vaststellen van de stand van de techniek, indien deze niet eerder is geschied dan zes maanden voor de indiening van de octrooiaanvraag en indien deze direct of indirect het gevolg is van :
  a) een kennelijk misbruik ten opzichte van de aanvrager of diens rechtsvoorganger, of
  b) het feit dat de aanvrager of diens rechtsvoorganger de uitvinding heeft tentoongesteld op van overheidswege gehouden of erkende tentoonstellingen in de zin van het Verdrag nopens internationale tentoonstellingen, ondertekend te Parijs op 22 november 1928, en op voorwaarde dat de aanvrager bij de indiening van zijn aanvraag verklaart dat de uitvinding inderdaad is tentoongesteld en een bewijsstuk daarvoor overlegt binnen de termijn en overeenkomstig de voorwaarden gesteld door de Koning.
  Art. XI.7. Een uitvinding wordt als het resultaat van uitvinderswerkzaamheid aangemerkt, indien zij voor een deskundige niet op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek. De documenten als bedoeld in artikel XI.6, § 3, worden bij de beoordeling van de uitvinderswerkzaamheid buiten beschouwing gelaten.
  Art. XI.8. Een uitvinding wordt voor toepassing op het gebied van de nijverheid vatbaar geacht, indien het onderwerp daarvan kan worden vervaardigd of toegepast op enig gebied van de nijverheid, de landbouw daaronder begrepen.
  Afdeling 2. - Het recht om een uitvindingsoctrooi te bekomen
  Art. XI.9. Het recht op een octrooi komt toe aan de uitvinder of aan zijn rechtverkrijgende.
  Indien verscheidene personen de uitvinding onafhankelijk van elkaar hebben gedaan, heeft degene wiens octrooiaanvraag de oudste datum van indiening heeft recht op het octrooi.
  Bij de procedure voor de Dienst wordt de aanvrager geacht gerechtigd te zijn het recht op een octrooi te doen gelden.
  Art. XI.10. § 1. Indien een octrooi is aangevraagd, hetzij voor een uitvinding die aan de uitvinder of zijn rechtverkrijgende afhandig is gemaakt, hetzij met terzijde stelling van een wettelijke of contractuele verplichting, kan de benadeelde persoon eisen dat het octrooi aan hem wordt overgedragen, onverminderd alle andere rechten of rechtsvorderingen.
  § 2. Indien de benadeelde persoon slechts recht heeft op een deel van de octrooiaanvraag of van het verleende octrooi, kan hij overeenkomstig paragraaf 1 eisen dat de aanvraag of het octrooi aan hem als mederechthebbende wordt overgedragen.
  § 3. De in paragrafen 1 en 2 bedoelde rechten moeten ten laatste twee jaar na de verlening van het octrooi in rechte worden uitgeoefend. Deze bepaling is niet van toepassing indien de octrooihouder ten tijde van de verlening of de verkrijging van het octrooi wist dat hij geen recht op het octrooi had.
  § 4. Het instellen van een rechtsvordering wordt ingeschreven in het register. Ook wordt ingeschreven de in kracht van gewijsde gegane beslissing op deze vordering of een andere beëindiging van de procedure. Deze inschrijvingen vinden plaats door bemiddeling van de griffier van de aangezochte rechterlijke instantie, op verzoek van de aanvrager of van elke belanghebbende.
  Art. XI.11. § 1. Bij een volledige verandering in het houderschap van een octrooiaanvraag of een octrooi ingevolge een rechtsvordering op grond van artikel XI.10, § 4, vervallen licenties en andere rechten door inschrijving van de rechthebbende in het register.
  § 2. Indien vóór de inschrijving van het instellen van deze rechtsvordering,
  a) de houder van de octrooiaanvraag of van het octrooi de uitvinding in België heeft toegepast of hiertoe daadwerkelijke en wezenlijke voorbereidingen heeft getroffen, of indien
  b) een licentiehouder een licentie heeft verkregen en de uitvinding op het Belgisch grondgebied heeft toegepast of hiertoe daadwerkelijke en wezenlijke voorbereidingen heeft getroffen,
  kunnen zij de toepassing voortzetten mits zij de nieuwe in het register ingeschreven houder van de octrooiaanvraag of van het octrooi om een niet uitsluitende licentie verzoeken. Dit verzoek dient binnen de door de Koning voorgeschreven termijn te worden gedaan. De licentie moet voor een redelijke periode en tegen redelijke voorwaarden worden verleend.
  § 3. Het bepaalde in de vorige paragraaf is niet van toepassing indien de houder van de octrooiaanvraag of van het octrooi of de licentiehouder te kwader trouw was toen hij met de toepassing van de uitvinding of de voorbereiding hiertoe begon.
  Art. XI.12. Het bepaalde in artikel XI.10 en XI.11 is van toepassing wanneer het geschil inzake het houderschap van een octrooiaanvraag of van een octrooi voor een scheidsgerecht wordt gebracht.
  Art. XI.13. Behoudens zijn uitdrukkelijk verzoek om het tegendeel, wordt de uitvinder in het octrooi vermeld.
  De Koning stelt de modaliteiten en termijnen vast voor de verzending aan de Dienst van het verzoek bedoeld in het vorige lid.
  Afdeling 3. - De aflevering van het uitvindingsoctrooi
  Art. XI.14. Degene die een uitvindingsoctrooi wenst te bekomen moet een aanvraag indienen. Deze aanvraag moet voldoen aan de voorwaarden en vormen vastgelegd in de huidige titel en door de Koning.
  Art. XI.15. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 3 van deze titel, wordt de indiening van de octrooiaanvraag, hetzij in persoon, hetzij per post of op enige andere door de Koning bepaalde wijze, bij de Dienst gedaan.
  Een ontvangstbewijs, kosteloos opgesteld door een daartoe door de minister aangewezen ambtenaar van de Dienst, stelt elke indiening vast met vermelding van de dag van de ontvangst der stukken. Het ontvangstbewijs wordt aan de aanvrager of zijn vertegenwoordiger betekend op de door de Koning bepaalde wijze.
  Art. XI.16. § 1. De octrooiaanvraag moet bevatten :
  1° een tot de minister gericht verzoek tot verlening van een octrooi;
  2° een beschrijving van de uitvinding;
  3° één of meer conclusies;
  4° de tekeningen waarnaar de beschrijving of de conclusies verwijzen;
  5° een uittreksel;
  6° een vermelding van de geografische oorsprong van het biologisch materiaal van plantaardige of dierlijke oorsprong op basis waarvan de uitvinding ontwikkeld werd, indien deze bekend is. De Koning kan de toepasselijke voorwaarden en uitvoeringsmaatregelen vastleggen;
  7° de aanduiding van de uitvinder of het verzoek bedoeld in artikel XI.13, eerste lid.
  § 2. Elke octrooiaanvraag geeft aanleiding tot betaling van de indieningstaks; het bewijs van betaling van deze taks dient uiterlijk één maand na de indiening van de aanvraag aan de Dienst toe te komen.
  Art. XI.17. § 1. Voor zover aan de bepalingen van artikel XI.15 is voldaan en onverminderd het bepaalde in de paragrafen 4 tot en met 9, is de datum van de indiening van de octrooiaanvraag de datum waarop de Dienst alle volgende onderdelen van de aanvrager heeft ontvangen :
  1° een expliciete of impliciete aanduiding dat de onderdelen als een octrooiaanvraag zijn bedoeld;
  2° gegevens waarmee de identiteit van de aanvrager kan worden vastgesteld en die de Dienst in staat stellen in contact te treden met de aanvrager;
  3° een deel dat op het eerste gezicht een beschrijving lijkt te zijn.
  § 2. Ten behoeve van de toekenning van een datum van indiening wordt een tekening aanvaard als onderdeel bedoeld in paragraaf 1, 3°.
  § 3. Indien de in paragraaf 1, 1° en 2°, bedoelde elementen niet worden ingediend in de taal als bedoeld in de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, is paragraaf 5 van toepassing.
  In afwijking op de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, kan het deel bedoeld in paragraaf 1, 3°, ten behoeve van de toekenning van de datum van indiening, in elke taal worden ingediend.
  § 4. Indien de aanvraag niet voldoet aan één of meer van de in paragraaf 1 gehanteerde vereisten, stelt de Dienst de aanvrager zo spoedig mogelijk daarvan in kennis en stelt hem daarbij in de gelegenheid te voldoen aan die vereisten en commentaar te leveren binnen een door de Koning voorgeschreven termijn.
  § 5. Indien aan een of meer van de in paragraaf 1 gehanteerde vereisten niet wordt voldaan in de aanvraag zoals deze aanvankelijk werd ingediend, is de datum van indiening, onverminderd de bepalingen van het tweede lid en paragraaf 7, de datum waarop alsnog aan alle in paragraaf 1 gehanteerde vereisten wordt voldaan.
  Indien aan één of meer van de vereisten bedoeld in het eerste lid niet binnen de door de Koning voorgeschreven termijn wordt voldaan, wordt de aanvraag geacht niet te zijn ingediend. Indien de aanvraag geacht wordt niet te zijn ingediend, geeft de Dienst de aanvrager, met opgaaf van de redenen, daarvan kennis.
  § 6. Indien, bij het vaststellen van de datum van indiening, de Dienst ontdekt dat een deel van de beschrijving blijkt te ontbreken in de aanvraag of dat de aanvraag verwijst naar een tekening die blijkt te ontbreken in de aanvraag, geeft de Dienst de aanvrager daarvan onverwijld kennis.
  § 7. Wanneer een ontbrekend deel van de beschrijving of een ontbrekende tekening wordt ingediend bij de Dienst binnen de door de Koning voorgeschreven termijn, wordt dat deel van de beschrijving of die tekening gevoegd bij de aanvraag, en is de datum van indiening, onverminderd de bepalingen van het tweede en derde lid, de datum waarop de Dienst dat deel van de beschrijving of die tekening heeft ontvangen, of de datum waarop aan alle in paragrafen 1 en 2 vermelde vereisten zijn voldaan, naar gelang van wat het laatst is.
  Wanneer het ontbrekende deel van de beschrijving of de ontbrekende tekening wordt ingediend bij de Dienst overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid om een onvolledige aanvraag te regulariseren die op de datum waarop minstens één van de elementen bedoeld in paragraaf 1 voor het eerst werden ontvangen door de Dienst, een beroep doet op een recht van voorrang op grond van een eerdere aanvraag, is de datum van indiening, op een binnen de door de Koning voorgeschreven termijn ingediend verzoek van de aanvrager en, onverminderd de door de Koning voorgeschreven vereisten, en onder voorbehoud dat de ontbrekende onderdelen die later worden toegevoegd, voorkomen in het voorrangsdocument, de datum waarop aan alle in paragraaf 1 en 2 gestelde vereisten is voldaan.
  Wanneer het ontbrekende deel van de beschrijving of de ontbrekende tekening ingediend volgens de bepalingen van het eerste lid vervolgens wordt ingetrokken binnen een door de Koning vastgestelde termijn, is de datum van indiening de datum waarop aan de door paragrafen 1 en 2 gestelde vereisten is voldaan.
  § 8. Onverminderd de door de Koning vastgestelde vereisten, vervangt een verwijzing naar een eerder ingediende aanvraag, bij de indiening van de aanvraag ten behoeve van de toekenning van de datum van indiening van de aanvraag, de beschrijving en eventuele tekeningen.
  Indien niet wordt voldaan aan de vereisten bedoeld in het eerste lid, wordt de aanvraag geacht niet te zijn ingediend. In dit geval, geeft de Dienst de aanvrager daarvan, met opgaaf van de redenen, kennis.
  § 9. Wanneer aan alle in paragraaf 1 bepaalde voorwaarden wordt voldaan, deelt de Dienst aan de aanvrager de datum van indiening die aan de aanvraag wordt toegekend, mee.
  § 10. Geen enkele bepaling uit dit artikel beperkt het recht van een aanvrager uit hoofde van artikel 4G, 1) of 2), van het Verdrag van Parijs om, als datum van een afgesplitste aanvraag zoals bedoeld in dat artikel, de datum van de oorspronkelijke aanvraag als bedoeld in dat artikel aan te houden en het genot van een eventueel recht van voorrang te behouden.
  Art. XI.18. § 1. De uitvinding moet in de octrooiaanvraag zodanig duidelijk en volledig worden beschreven dat zij door een deskundige kan worden toegepast.
  Wanneer een uitvinding ofwel betrekking heeft op biologisch materiaal dat niet openbaar toegankelijk is en in de octrooiaanvraag niet zodanig kan worden omschreven dat de uitvinding door een vakkundige kan worden toegepast, ofwel het gebruik van dergelijk materiaal impliceert, wordt voor de toepassing van het octrooirecht de beschrijving slechts toereikend geacht indien het biologisch materiaal uiterlijk op de dag van de indiening van de octrooiaanvraag bij een erkende depositaris is gedeponeerd en indien voldaan wordt aan de voorwaarden vastgesteld door de Koning.
  Wanneer in de octrooiaanvraag sequenties van nucleotiden of aminozuren worden aangeduid, dient de beschrijving een lijst van deze sequenties te bevatten. De Koning kan de vorm bepalen waaronder deze sequenties dienen te worden beschreven.
  § 2. De conclusie(s) beschrijven het onderwerp waarvoor bescherming wordt gevraagd. Zij dienen duidelijk en beknopt te zijn en steun te vinden in de beschrijving.
  § 3. Tekeningen worden toegevoegd indien zij nodig zijn om de uitvinding te begrijpen.
  § 4. Het uittreksel, zo nodig vergezeld van een tekening, is alleen bedoeld als technische informatie; het kan niet in aanmerking komen voor enig ander doel. Het kan worden onderworpen aan de controle van de Dienst.
  Art. XI.19. § 1. De octrooiaanvraag mag slechts op één enkele uitvinding betrekking hebben, of een groep van uitvindingen die zodanig onderling verbonden zijn dat zij op een enkele algemene uitvindingsgedachte berusten.
  § 2. Iedere aanvraag welke niet aan de voorwaarden in paragraaf 1, voldoet, dient binnen de door de Koning voorgeschreven termijn ofwel beperkt te worden tot één enkele uitvinding of tot een enkele algemene uitvindingsgedachte als bedoeld in paragraaf 1, ofwel afgesplitst te worden zodat de oorspronkelijke aanvraag en de afgesplitste aanvraag of aanvragen elk één uitvinding of een enkele algemene uitvindingsgedachte als bedoeld in paragraaf 1, tot voorwerp hebben.
  § 3. Een beperkte of afgesplitste aanvraag kan slechts worden ingediend voor onderwerpen die door de inhoud van de oorspronkelijke aanvraag zoals die is ingediend, worden gedekt. Voor zover aan deze eis is voldaan, wordt de beperkte of afgesplitste aanvraag geacht te zijn ingediend op de datum van indiening van de oorspronkelijke aanvraag en geniet zij desgevallend het recht van voorrang daarvan.
  § 4. De aanvrager kan, op eigen initiatief, zijn aanvraag beperken of een afgesplitste aanvraag indienen binnen de door de Koning voorgeschreven termijn.
  Wanneer de octrooiaanvraag het voorwerp uitmaakt van een verslag van nieuwheidsonderzoek dat een gebrek aan eenheid van uitvinding als bedoeld in paragraaf 1, vermeldt, en wanneer de aanvrager zijn aanvraag niet beperkt en geen afgesplitste aanvraag indient overeenkomstig het verslag van nieuwheidsonderzoek, zal het verleende octrooi beperkt zijn tot de octrooiconclusies waarvoor het verslag van nieuwheidsonderzoek werd opgesteld.
  § 5. Elke niet overeenkomstig de bepalingen van dit artikel beperkte of afgesplitste octrooiaanvraag kan worden afgewezen.
  Art. XI.20. § 1. De octrooiaanvrager die zich wil beroepen op het recht van voorrang van een eerdere indiening voorzien door het Verdrag van Parijs of door de TRIPs-Overeenkomst, moet een verklaring van voorrang alsook een afschrift van de eerdere aanvraag indienen volgens de door de Koning bepaalde voorwaarden, en binnen de door de Koning bepaalde termijnen.
  De octrooiaanvrager kan bij de verklaring van voorrang, in de plaats van een afschrift van de eerdere aanvraag, ook verwijzen naar een door de Koning aangewezen databank.
  Onverminderd de toepassing van de internationale overeenkomsten in deze materie, mag de eerdere indiening met name bestaan uit een eerste regelmatige indiening van een octrooiaanvraag in één van de Staten die partij zijn bij het Verdrag van Parijs of bij de Wereldhandelsorganisatie of van een regionale octrooiaanvraag, of van een internationale octrooiaanvraag.
  Het voorrangsrecht voortvloeiend uit een eerste indiening in een Staat die geen partij is bij het Verdrag van Parijs, mag slechts onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde gevolgen als bepaald in dat Verdrag, worden opgeëist indien deze Staat krachtens een internationaal verdrag, op grond van een eerste indiening van een Belgische octrooiaanvraag, of van een Europese octrooiaanvraag, of van een internationale octrooiaanvraag, een voorrangsrecht erkent onder vergelijkbare voorwaarden en met vergelijkbare rechtsgevolgen als die welke zijn bedoeld in het Verdrag van Parijs.
  § 2. De aanvrager van een Belgisch octrooi heeft eveneens het genot van een voorrang die gelijkwaardig is aan die bedoeld in paragraaf 1 wanneer hij, volgens de voorwaarden en binnen de termijn bepaald door de Koning, een verklaring van voorrang op basis van een eerdere Belgische octrooiaanvraag en een afschrift van de eerdere Belgische octrooiaanvraag, indient.
  De octrooiaanvrager kan bij de verklaring van voorrang, ook verwijzen naar een door de Koning aangewezen databank.
  § 3. Voor een octrooiaanvraag kan op meer dan één recht van voorrang een beroep worden gedaan, zelfs indien de rechten van voorrang uit verschillende Staten afkomstig zijn. Ook kan voor eenzelfde conclusie op meer dan één recht van voorrang een beroep worden gedaan. Indien op meer dan één recht van voorrang een beroep wordt gedaan, worden de termijnen, die beginnen op de voorrangsdatum, berekend vanaf de vroegste voorrangsdatum.
  § 4. Indien voor een octrooiaanvraag op één of meer rechten van voorrang een beroep wordt gedaan, geldt het recht van voorrang alleen voor die elementen van de octrooiaanvraag, die zijn vervat in de aanvraag of aanvragen, waarop het beroep op het recht van voorrang steunt.
  § 5. Indien bepaalde elementen van de uitvinding, waarvoor een beroep op het recht van voorrang is gedaan, niet voorkomen in de conclusies welke staan vermeld in de eerdere aanvraag, kan voorrang worden erkend, indien uit de gezamenlijke stukken van de eerdere aanvraag deze elementen duidelijk blijken.
  § 6. Voor de toepassing van artikel XI.6, §§ 2 en 3 heeft het voorrangsrecht voor gevolg dat de datum van voorrang beschouwd wordt als zijnde de datum van de indiening van de octrooiaanvraag.
  § 7. De Koning kan de opeising van een voorrangsrecht onderwerpen aan een taks welke dient gekweten te worden binnen de termijn en overeenkomstig de door Hem vastgestelde modaliteiten.
  Indien de Koning krachtens het eerste lid de taks vaststelt, brengt het niet betalen van de taks binnen de termijn en volgens de voorwaarden vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, van rechtswege het verlies van het voorrangsrecht mede ten aanzien van de beschouwde octrooiaanvraag.
  De Koning houdt bij het al dan niet bepalen van de taks, en desgevallend bij het vaststellen van de hoogte van de taks, minstens rekening met de volgende criteria :
  1° de toegankelijkheid tot het Belgische octrooisysteem; en
  2° de verhouding tussen de kost voor de Dienst voor het beheer van de in het eerste lid bedoelde taks, en de inkomsten die deze taks genereert.
  § 8. Behoudens in de door de Koning bepaalde gevallen, wordt er een verbetering van een beroep op voorrang of de toevoeging van een dergelijk beroep aan een aanvraag (de "vervolgaanvraag") toegestaan indien :
  1° in overeenstemming met de door de Koning voorgeschreven vereisten daartoe een verzoekschrift tot de Dienst is gericht;
  2° het verzoekschrift is ingediend binnen de door de Koning voorgeschreven termijn;
  3° de datum van indiening van de vervolgaanvraag niet later valt dan de datum van het verstrijken van de termijn van voorrang, gerekend vanaf de datum van indiening van de eerste aanvraag waarvan de voorrang wordt ingeroepen.
  Het verzoekschrift kan niet, geheel of ten dele, worden afgewezen zonder dat de verzoekende partij in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door de Koning vastgestelde termijn commentaar te leveren op de voorgenomen weigering.
  § 9. Wanneer een aanvraag (de "vervolgaanvraag") waarin een beroep wordt gedaan, of gedaan zou kunnen worden, op de voorrang van een eerdere aanvraag, een datum van indiening heeft die later valt dan de datum waarop de voorrangstermijn is verstreken, maar binnen de door de Koning voorgeschreven termijn, dan herstelt de Dienst het recht van voorrang indien :
  1° in overeenstemming met de door de Koning voorgeschreven vereisten daartoe een verzoekschrift tot de Dienst is gericht;
  2° het verzoekschrift is ingediend binnen de door de Koning vastgestelde termijn;
  3° in het verzoek de redenen worden vermeld waarom de termijn van voorrang niet in acht is genomen;
  4° de Dienst vaststelt dat het verzuim om de vervolgaanvraag binnen de voorrangstermijn in te dienen, is ontstaan ondanks betrachting van de in de omstandigheden vereiste zorgvuldigheid.
  Het verzoekschrift kan niet, geheel of ten dele, worden afgewezen zonder dat de verzoekende partij in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door de Koning vastgestelde termijn commentaar te leveren op de voorgenomen weigering.
  § 10. Wanneer een afschrift van een eerdere aanvraag dat ingeroepen wordt als bewijs van voorrang niet binnen een door de Koning bepaalde termijn bij de Dienst is ingediend, herstelt de Dienst het recht van voorrang indien :
  1° in overeenstemming met de door de Koning voorgeschreven vereisten daartoe een verzoekschrift tot de Dienst wordt gericht;
  2° het verzoekschrift is ingediend binnen de door de Koning voorgeschreven termijn voor het indienen van het afschrift van de eerdere aanvraag;
  3° de Dienst vaststelt dat binnen de door de Koning voorgeschreven termijn het verzoek om het te verstrekken afschrift is ingediend bij het bureau waarbij de eerdere aanvraag is ingediend;
  4° een afschrift van de eerdere aanvraag binnen de door de Koning voorgeschreven termijn wordt ingediend.
  Het verzoekschrift kan niet, geheel of ten dele, worden afgewezen zonder dat de verzoekende partij in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door de Koning vastgestelde termijn commentaar te leveren op de voorgenomen weigering.
  § 11. Het indienen van een verzoekschrift in de zin van paragrafen 8, 9 en 10 geeft aanleiding tot het betalen van de door de Koning vastgestelde taks.
  Het verzoekschrift bedoeld in paragrafen 8, 9 en 10 is van rechtswege zonder gevolg indien de in het eerste lid bedoelde taks niet in de door de Koning bepaalde termijn werd betaald.
  Art. XI.21. § 1. Indien de octrooiaanvraag wel beantwoordt aan de in het artikel XI.17 gestelde voorwaarden doch niet aan de andere wettelijke of reglementaire voorwaarden, geeft de Dienst de aanvrager daarvan kennis, en stelt hem daarbij in de gelegenheid zijn aanvraag te regulariseren en commentaar te leveren binnen een door de Koning vastgestelde termijn en mits betaling van de voorgeschreven taks.
  Bij het verstrijken van die termijn wordt de niet-geregulariseerde aanvraag geacht te zijn ingetrokken.
  Indien binnen de door de Koning vastgestelde termijn niet wordt voldaan aan een vereiste ten aanzien van een beroep op voorrang, dan wordt het beroep op voorrang, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel XI.20, §§ 8 tot en met 11, geacht niet te bestaan.
  § 2. Indien de octrooiaanvraag wel beantwoordt aan de in het artikel XI.17 gestelde voorwaarden doch niet aan de andere wettelijke of reglementaire voorwaarden, dan mag de aanvrager ook zonder daartoe te zijn uitgenodigd door de Dienst overeenkomstig paragraaf 1, overgaan tot het regulariseren van de aanvraag zolang het octrooi niet is verleend en mits de betaling van de voorgeschreven regularisatietaks.
  § 3. Wanneer de ingevolge artikel XI.16, § 2, te betalen taks ten aanzien van de indiening van de aanvraag niet wordt betaald, dan nodigt de Dienst de aanvrager uit tot het betalen van deze taks en van een bijtaks binnen de door de Koning vastgestelde termijn. Bij het verstrijken van die termijn wordt de aanvraag waarvoor de ingevolge artikel XI.16, § 2, te betalen taks onbetaald is gebleven, geacht te zijn ingetrokken.
  § 4. De uit de octrooiaanvraag voortvloeiende rechtsgevolgen worden als nietig en van generlei waarde beschouwd, indien de octrooiaanvraag is ingetrokken of is afgewezen bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bepalingen van het Verdrag van Parijs houdende de verkrijging van het voorrangsrecht.
  Art. XI.22. De octrooiaanvrager kan op eigen initiatief taalfouten of fouten van overschrijving verbeteren volgens de door de Koning bepaalde voorwaarden en binnen de door de Koning voorgeschreven termijn.
  De Koning kan een taks voor de in het eerste lid bedoelde verbetering vaststellen.
  De Koning houdt bij het al dan niet bepalen van de taks, en desgevallend bij het vaststellen van de hoogte van de taks, minstens rekening met de volgende criteria :
  1° de toegankelijkheid tot het Belgische octrooisysteem; en
  2° de verhouding tussen de kost voor de Dienst voor het beheer van de in het tweede lid bedoelde taks, en de inkomsten die deze taks genereert; en
  3° de responsabilisering van de octrooiaanvrager.
  Art. XI.23. § 1. De octrooiaanvraag kan worden gewijzigd tijdens de procedure voor de Dienst of voor de rechtbanken in overeenstemming met de wet en de uitvoeringsbesluiten.
  § 2. De octrooiaanvraag wordt gevolgd door het opstellen van een verslag van nieuwheidsonderzoek aangaande de uitvinding.
  Het wordt, bij wijze van voorlichting van de aanvrager, vergezeld van een schriftelijke opinie over de octrooieerbaarheid van de uitvinding aan de hand van de vermelde documenten. Deze opinie is voor derden toegankelijk in het dossier van het verleende octrooi.
  § 3. Het verslag van nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie worden opgemaakt door een door de Koning aangewezen intergouvernementele instelling.
  Dit verslag en deze schriftelijke opinie worden opgesteld op grond van de conclusies, rekening houdende met de beschrijving en desgevallend met de tekeningen. Ze vermelden de gegevens van de stand der techniek welke kunnen in acht worden genomen bij de beoordeling van de nieuwheid van de uitvinding, en van de uitvinderswerkzaamheid.
  § 4. De aanvrager dient een taks voor opzoeking te kwijten, die de kosten omvat voor de overhandiging van de in paragraaf 2 vermelde schriftelijke opinie, binnen de termijn en op de wijze door de Koning vastgesteld.
  Het verschil tussen de vergoeding die aan de intergouvernementele instelling als bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, moet worden betaald voor het afleveren van de verslagen van nieuwheidsonderzoek en de onderzoekstaks wordt ten laste genomen door de Staat.
  De octrooiaanvraag houdt op uitwerking te hebben indien de onderzoekstaks niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn wordt gekweten.
  § 5. De Dienst verwittigt de aanvrager van het naderende einde van de termijn binnen welke hij zijn opzoekingstaks dient te kwijten en van de gevolgen die zouden voortvloeien uit het niet-betalen van die taks. Een afschrift van deze verwittiging wordt door de Dienst overgemaakt aan de vruchtgebruiker, pandhouder of beslaglegger en aan de licentiehouder die in het register zijn ingeschreven.
  Een afschrift van de verwittiging wordt door de Dienst eveneens overgemaakt aan de persoon wiens vordering tot opeising van de octrooiaanvraag in het register werd ingeschreven.
  In afwijking van het bepaalde in paragraaf 4 van dit artikel, mag de opeiser zijn opzoekingstaks kwijten in de door deze paragraaf aangegeven termijn. Indien de houder van de octrooiaanvraag eveneens deze taks kwijt, betaalt de Dienst aan de opeiser de door hem betaalde taks terug.
  Ingeval van afwijzing of afstand van vordering tot opeising kan de opeiser die de opzoekingstaks heeft betaald de terugbetaling van deze taks niet opeisen bij de Dienst, noch bij de houder van de octrooiaanvraag, wanneer de houder nagelaten heeft de taks te betalen.
  De verwittigingen en de afschriften worden door de Dienst naar het laatstgekende adres van de belanghebbende gezonden. Het niet-verzenden of het niet-ontvangen van deze verwittigingen of afschriften geeft geen vrijstelling van betaling van de opzoekingstaks binnen de voorgeschreven termijn; daarop kan noch in rechte, noch ten opzichte van de Dienst beroep worden gedaan.
  § 6. De Dienst verzendt het verslag van nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie aan de aanvrager die een nieuwe tekst van de conclusies en van het uittreksel kan indienen. De aanvrager die een nieuwe tekst van de conclusies heeft ingediend, wijzigt de beschrijving om deze in overeenstemming te brengen met de nieuwe conclusies.
  De aanvrager kan, ter informatie, tevens schriftelijke commentaren indienen betreffende de schriftelijke opinie die hem werd verzonden.
  De octrooiaanvraag kan niet zodanig worden gewijzigd dat haar voorwerp verder reikt dan de inhoud van de octrooiaanvraag zoals zij werd ingediend.
  De Koning stelt de voorwaarden en termijnen vast die dienen in acht genomen te worden voor de wijziging van de conclusies, van de beschrijving en van het uittreksel in het kader van deze paragraaf.
  § 7. De Koning bepaalt de voorwaarden en stelt de termijnen vast binnen welke het verslag van nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie dienen opgemaakt te worden, de commentaren dienen te worden ingediend en de wijzigingen aan de conclusies, aan de beschrijving en aan het uittreksel dienen te geschieden.
  § 8. Indien de uitvinding, waarvoor een octrooi aangevraagd wordt, onder de toepassing valt van de wet van 10 januari 1955, mag de procedure voorzien in dit artikel slechts aangewend worden vanaf het ogenblik waarop het uitvindingsgeheim opgeheven wordt.
  § 9. Indien een verslag van nieuwheidsonderzoek en de begeleidende schriftelijke opinie, opgemaakt door de intergouvernementele instelling bedoeld in paragraaf 3 die handelen over een uitvinding die identiek is aan deze waarvoor een octrooiaanvraag in België ingediend is, vóór de afloop van de termijn vastgelegd voor de kwijting van de opzoekingstaks bedoeld in paragraaf 4 in de verleningsprocedure van een Belgisch of buitenlands, nationaal of regionaal octrooi, of in de procedure van de internationale octrooiaanvraag aangevraagd werden, mag de Koning beslissen dat dit verslag van nieuwheidsonderzoek en deze schriftelijke opinie, onder de voorwaarden door Hem vastgelegd, zullen kunnen aangewend worden, op verzoek van de aanvrager, bij de verleningsprocedure van het Belgisch octrooi.
  § 10. Op verzoek van de aanvrager, gericht aan de Dienst binnen de termijn bepaald in paragraaf 4, onderwerpt de Dienst de uitvinding, voorwerp der octrooiaanvraag, aan het nieuwheidsonderzoek van het internationale type zoals bedoeld in artikel 15, lid 5, a) van het Samenwerkingsverdrag. Dit onderzoek maakt het nieuwheidsonderzoek uit aangaande de in paragraaf 2 van onderhavig artikel bedoelde uitvinding.
  De Koning kan een taks vaststellen voor de indiening van een in het eerste lid bedoelde verzoek, die dient te worden gekweten binnen de termijn en overeenkomstig de door de Koning vastgestelde modaliteiten.
  Indien de Koning krachtens het tweede lid de taks vaststelt, heeft het niet betalen van de taks binnen de termijn en volgens de voorwaarden vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, tot gevolg dat het verzoekschrift van rechtswege wordt geacht niet te zijn ingediend.
  De Koning houdt bij het al dan niet bepalen van de taks, en desgevallend bij het vaststellen van de hoogte van de taks, minstens rekening met de volgende criteria :
  1° de toegankelijkheid tot het Belgische octrooisysteem; en
  2° de verhouding tussen de kost voor de Dienst voor het beheer van de in het tweede lid bedoelde taks, en de inkomsten die deze taks genereert.
  Art. XI.24. § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel XI.47, § 2, wordt de vervulling van de formaliteiten die voorgeschreven zijn voor de verlening van het octrooi bekrachtigd door een ministerieel besluit. Dit besluit maakt het octrooi uit.
  § 2. Het besluit wordt zo vlug mogelijk verleend na het verstrijken van een termijn van achttien maanden te rekenen vanaf de datum van indiening van de octrooiaanvraag of, indien een recht van voorrang werd ingeroepen overeenkomstig de bepalingen van artikel XI.20, vanaf de datum van de oudste voorrang aangeduid in de verklaring van voorrang.
  Op verzoek van de aanvrager wordt het besluit verleend vóór het verstrijken van de in het eerste lid bepaalde termijn van zodra de formaliteiten, die voorgeschreven zijn voor de verlening van het octrooi, vervuld zijn.
  § 3. Onverminderd het tweede lid en de bepalingen van de wet van 10 januari 1955, maakt de Dienst de octrooiaanvraag toegankelijk voor het publiek bij het verstrijken van de termijn van achttien maanden bedoeld in paragraaf 2, eerste lid. De Koning legt de modaliteiten vast volgens dewelke de aanvraag voor het publiek toegankelijk wordt gemaakt.
  De aanvrager die niet wenst dat zijn octrooiaanvraag toegankelijk voor het publiek wordt gemaakt, dient bij de Dienst, binnen de door de Koning vastgestelde termijn, een verzoek tot intrekking van zijn aanvraag in. De Koning bepaalt de modaliteiten van dit verzoek.
  Op verzoek gericht aan de Dienst door de aanvrager, of desgevallend door de vruchtgebruiker, wordt de aanvraag voor het publiek toegankelijk gemaakt vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in paragraaf 2, eerste lid. De vermelding volgens dewelke de aanvraag voor het publiek toegankelijk is gemaakt, wordt in het register opgenomen.
  § 4. De verlening van de octrooien geschiedt zonder voorafgaand onderzoek van hun octrooieerbaarheid, zonder waarborg voor hun waarde of van de juistheid van de beschrijving der uitvindingen en op eigen risico van de aanvrager.
  De in artikel XI.23, § 2, beoogde schriftelijke opinie bindt de Dienst geenszins en kan niet gelden als onderzoek naar de octrooieerbaarheid van de uitvinding.
  § 5. Onverminderd de toepassing van de wetsbepaling van 10 januari 1955, wordt melding gemaakt van de verlening der octrooien in het register.
  Art. XI.25. § 1. Zodra het octrooi verleend is wordt, onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van de wet van 10 januari 1955, het dossier van het octrooi ten zetel van de Dienst ter inzage gelegd van het publiek. Vanaf dat tijdstip kan hiervan, in de door de Koning vastgestelde voorwaarden en vormen, afschrift worden bekomen.
  Het dossier van het verleende octrooi bevat alle informatie en alle stukken met betrekking tot de verleningsprocedure van het octrooi die nuttig zijn voor de informatie aan het publiek, meer bepaald het ministerieel besluit van octrooiverlening, de beschrijving der uitvinding, de conclusies, de eventuele oorspronkelijke versies van de conclusies, de tekeningen waarnaar de beschrijving verwijst, het verslag van nieuwheidsonderzoek aangaande de uitvinding, de schriftelijke opinie, alsook in voorkomend geval de commentaren, de nieuwe tekst der conclusies, de gewijzigde beschrijving en de stukken welke betrekking hebben op het in het Verdrag van Parijs bedoelde recht van voorrang.
  § 2. De octrooiaanvraag als bedoeld in artikel XI.24, § 3, tweede lid, wordt niet voor het publiek toegankelijk gemaakt wanneer deze aanvraag werd ingetrokken of wordt geacht te zijn ingetrokken voor het einde van de zeventiende maand te rekenen vanaf de datum van indiening van de octrooiaanvraag of, indien een recht van voorrang wordt ingeroepen overeenkomstig de bepalingen van artikel XI.20, vanaf de oudste voorrang aangeduid in de verklaring van voorrang, of op een latere datum in zoverre het nog mogelijk is de publicatie van de octrooiaanvraag te verhinderen.
  § 3. De volgende elementen van het dossier zijn niet onderworpen aan de inzage ten behoeve van het publiek :
  1° medische attesten; en
  2° de vermelding van de uitvinder indien deze hiertoe een verzoekschrift heeft ingediend bij toepassing van artikel XI.13, evenals dit verzoekschrift.
  § 4. De Koning kan andere documenten aanduiden die, in afwijking op de eerste paragraaf, worden uitgesloten van het dossier dat aan de inzage ten behoeve van het publiek is onderworpen.
  § 5. De stukken die worden uitgesloten van inzage ten behoeve van het publiek, worden in het dossier afzonderlijk gehouden.
  Art. XI.26. Het in artikel XI.3 bedoeld uitsluitend recht heeft uitwerking vanaf de dag waarop het octrooi ter inzage van het publiek is gelegd.
  Art. XI.27. § 1. De minister bepaalt de wijze waarop het register wordt bijgehouden. In de Verzameling wordt melding gemaakt van de inschrijvingen in het register. Het register kan door het publiek worden ingezien ten zetel van de Dienst.
  § 2. De Dienst publiceert integraal de verleende octrooien en de met toepassing van de artikelen XI.55, XI.56 en XI.57 gewijzigde octrooien. De bibliografische gegevens van deze octrooien, worden gepubliceerd in de Verzameling, alsook beschikbaar gesteld op de zetel van de Dienst en op de website van de Dienst.
  De Koning bepaalt de abonnementsvoorwaarden op de Verzameling.
  Afdeling 4. Rechten en verplichtingen verbonden aan het uitvindingsoctrooi en aan de aanvraag ervan
  Art. XI.28. De beschermingsomvang van het octrooi wordt bepaald door de conclusies. Niettemin dienen de beschrijving en de tekeningen tot uitleg van de conclusies.
  Teneinde de beschermingsomvang die voortvloeit uit een octrooi te bepalen, dient voldoende rekening te worden gehouden met elk element dat gelijkwaardig is aan een in de conclusies omschreven element.
  Indien het octrooi is verleend voor een werkwijze strekken de aan dat octrooi verbonden rechten zich uit tot de voortbrengselen die rechtstreeks verkregen zijn door die werkwijze.
  Art. XI.29. § 1. Het octrooi geeft de octrooihouder het recht iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen te verbieden :
  a) een voortbrengsel waarop het octrooi betrekking heeft, te vervaardigen, aan te bieden, in het verkeer te brengen, te gebruiken, dan wel daartoe in te voeren of in voorraad te hebben;
  b) een werkwijze waarop het octrooi betrekking heeft, toe te passen of, indien de derde weet, dan wel het gezien de omstandigheden duidelijk is dat toepassing van de werkwijze verboden is zonder toestemming van de octrooihouder, voor toepassing op Belgisch grondgebied aan te bieden;
  c) een voortbrengsel dat rechtstreeks volgens de werkwijze waarop het octrooi betrekking heeft is verkregen, aan te bieden, in het verkeer te brengen, te gebruiken, dan wel daartoe in te voeren of in voorraad te hebben.
  § 2. Het octrooi geeft de octrooihouder ook het recht iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen te verbieden op Belgisch grondgebied aan een ander dan degenen die gerechtigd zijn de uitvinding toe te passen, middelen betreffende een wezenlijk bestanddeel van de uitvinding aan te bieden of te leveren voor de toepassing van de geoctrooieerde uitvinding op het grondgebied, indien de derde weet dan wel het gezien de omstandigheden duidelijk is, dat deze middelen voor die toepassing geschikt en bestemd zijn.
  De bepalingen van het vorige lid gelden niet indien de daarin bedoelde middelen algemeen in de handel verkrijgbare producten zijn, tenzij de derde degene aan wie hij levert aanzet tot het verrichten van de krachtens paragraaf 1 verboden handelingen.
  Worden niet geacht, in de zin van het eerste lid van deze paragraaf, gerechtigd te zijn tot toepassing van de uitvinding zij die de in artikel XI.34, § 1, sub a) tot en met sub c), bedoelde handelingen verrichten.
  Art. XI.30. § 1. De bescherming die wordt geboden door een octrooi voor biologisch materiaal dat door de uitvinding bepaalde eigenschappen heeft verkregen, strekt zich uit tot ieder biologisch materiaal dat hieruit door middel van propagatie of vermeerdering in dezelfde of in gedifferentieerde vorm wordt gewonnen en diezelfde eigenschappen heeft.
  § 2. De bescherming die wordt geboden door een octrooi voor een werkwijze voor de voortbrenging van biologisch materiaal dat door de uitvinding bepaalde eigenschappen heeft gekregen, strekt zich uit tot het biologisch materiaal dat rechtstreeks door deze werkwijze wordt gewonnen en tot ieder ander biologisch materiaal dat door middel van propagatie of vermeerdering in dezelfde of in gedifferentieerde vorm uit het rechtstreeks gewonnen biologisch materiaal wordt gewonnen en diezelfde eigenschappen heeft.
  Art. XI.31. De bescherming die wordt geboden door een octrooi voor een voortbrengsel dat uit genetische informatie bestaat of dat zulke informatie bevat, strekt zich behoudens artikel XI.5, § 6, eerste lid, uit tot ieder materiaal waarin dit voortbrengsel wordt verwerkt en waarin de genetische informatie wordt opgenomen en haar functie uitoefent.
  Art. XI.32. De in de artikelen XI.30 en XI.31 bedoelde bescherming strekt zich niet uit tot biologisch materiaal dat wordt gewonnen door propagatie of door vermeerdering van biologisch materiaal dat op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie door de octrooihouder of met diens toestemming op de markt is gebracht, indien de propagatie of de vermeerdering noodzakelijkerwijs voortvloeit uit het gebruik, waarvoor het biologisch materiaal op de markt is gebracht, mits het afgeleide materiaal vervolgens niet voor andere propagaties of vermeerderingen wordt gebruikt.
  Art. XI.33. § 1. In afwijking van de artikelen XI.30 en XI.31 houdt de verkoop of een andere vorm van op de markt brengen, door de octrooihouder of met diens toestemming, van plantaardig propagatiemateriaal aan een landbouwer voor agrarische exploitatiedoeleinden voor deze laatste het recht in om de voortbrengselen van zijn oogst voor verdere propagatie of vermeerdering door hemzelf op zijn eigen bedrijf te gebruiken, waarbij de reikwijdte en de nadere regeling van deze afwijking beperkt blijven tot die van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht.
  § 2. In afwijking van de artikelen XI.30 en XI.31 houdt de verkoop of een andere vorm van verhandelen, door de octrooihouder of met diens toestemming, van fokvee of dierlijk propagatiemateriaal aan een landbouwer voor deze laatste het recht in om het vee dat onder octrooibescherming valt, voor agrarische doeleinden te gebruiken, waaronder het beschikbaar stellen van het dier of ander dierlijk propagatiemateriaal voor zijn eigen gebruik in de landbouw, maar niet de verkoop in het kader van of met het oog op de commerciële fokkerij. De reikwijdte en de nadere regeling van deze afwijking stemmen overeen met die voorzien in de reglementering betreffende de voortbrenging van dierenrassen.
  Art. XI.34. § 1. De uit een octrooi voortvloeiende rechten strekken zich niet uit tot :
  a) handelingen die in de particuliere sfeer en voor niet-commerciële doeleinden worden verricht;
  b) handelingen die op en/of met het voorwerp van de geoctrooieerde uitvinding worden verricht, voor wetenschappelijke doeleinden;
  c) de bereiding voor direct gebruik ten behoeve van individuele gevallen op medisch voorschrift van geneesmiddelen in apotheken noch tot handelingen betreffende de aldus bereide geneesmiddelen;
  d) het gebruik, aan boord van schepen van de landen, andere dan België, behorende tot de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, van datgene wat het voorwerp van het octrooi uitmaakt in het schip zelf, de machines, het scheepswant, de tuigage en andere bijbehorende zaken, wanneer die schepen tijdelijk of bij toeval de wateren van België binnen komen, mits bedoeld gebruik uitsluitend ten behoeve van het schip plaatsvindt;
  e) het gebruik van datgene wat het voorwerp van het octrooi uitmaakt in de constructie of werking van voor de voortbeweging in de lucht of te land dienende machines van de landen, andere dan België, behorende tot de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, of van het toebehoren van deze machines, wanneer zij tijdelijk of bij toeval op Belgisch grondgebied komen;
  f) de handelingen vermeld in artikel 27 van het Verdrag van 7 december 1944 inzake de internationale burgerlijke luchtvaart, wanneer deze handelingen betrekking hebben op een luchtvaartuig van een andere Staat dan België, waarvoor genoemd artikel van toepassing is.
  § 2. De uit een octrooi voortvloeiende rechten strekken zich niet uit tot handelingen die een door dit octrooi beschermd voortbrengsel betreffen en op Belgisch grondgebied worden verricht, nadat dit voortbrengsel door de octrooihouder of met zijn uitdrukkelijke toestemming in België in het verkeer is gebracht.
  Art. XI.35. § 1. Een gezien de omstandigheden redelijke vergoeding kan door de octrooiaanvrager worden geëist van iedere derde die, tussen de datum hetzij waarop de octrooiaanvraag toegankelijk voor het publiek is gemaakt ingevolge artikel XI.24, § 3, hetzij een afschrift ervan aan de betrokken derde werd bezorgd, en de datum van verlening van het octrooi, de uitvinding heeft toegepast op een wijze die na deze periode verboden zou zijn geweest krachtens dit octrooi. De draagwijdte van de aldus aan de octrooiaanvraag verleende bescherming wordt bepaald door de conclusies die het voorwerp uitmaken van een publicatie als bedoeld in artikel XI.24, § 3, of, in voorkomend geval, door de op de zetel van de Dienst laatst neergelegde conclusies en voorkomen in het afschrift dat aan de derde is bezorgd.
  § 2. Het afschrift bedoeld in paragraaf 1 dat aan de betrokken derde wordt bezorgd, dient eensluidend te zijn verklaard door de Dienst.
  § 3. Bij gebreke aan overeenstemming tussen de partijen wordt de vergoeding door de rechtbank vastgesteld, welke bovendien de naar haar oordeel noodzakelijke maatregelen kan opleggen ter vrijwaring van de belangen in hoofde van de octrooiaanvrager en van de derde.
  § 4. Na de octrooiverlening kan de derde de betaalde vergoeding terugvorderen in de mate waarin de eindredactie der conclusies de draagwijdte beperkt van de conclusies die als basis hebben gediend voor het bepalen van de vergoeding.
  § 5. De vordering tot vergoeding en de vordering tot terugbetaling verjaren na vijf jaar te rekenen vanaf de staking van de exploitatie van de uitvinding, respectievelijk de datum van de verlening van het octrooi.
  § 6. De vruchtgebruiker van de octrooiaanvraag kan zich op de in dit artikel gestelde bepalingen beroepen.
  Art. XI.36. § 1. Wie te goeder trouw vóór de datum van indiening van de octrooiaanvraag of van voorrang van een octrooi, de uitvinding, voorwerp van het octrooi, op Belgisch grondgebied in gebruik had of er in het bezit van gekomen was, heeft het recht de uitvinding ten persoonlijke titel te exploiteren ongeacht het bestaande octrooi.
  § 2. De uit het octrooi voortvloeiende rechten strekken zich niet uit tot handelingen die een door het octrooi beschermd voortbrengsel betreffen en op Belgisch grondgebied worden verricht, nadat het voortbrengsel in het verkeer in België is gebracht door de persoon die geniet van het recht bedoeld in paragraaf 1.
  § 3. De door dit artikel erkende rechten kunnen maar overgedragen worden samen met de onderneming waarmede zij verbonden zijn.
  Art. XI.37. § 1. De minister kan overeenkomstig artikel XI.40 tot en met XI.42 een licentie tot exploitatie van een uitvinding beschermd door een octrooi verlenen :
  1° wanneer een termijn van vier jaar is verstreken te rekenen vanaf de indiening van de octrooiaanvraag of van drie jaar te rekenen vanaf de octrooiverlening, waarbij de termijn die het laatst afloopt wordt toegepast, zonder dat het octrooi door (invoer of) een wezenlijke en doorlopende fabricage in België werd geëxploiteerd en zonder dat de octrooihouder dit door geldige redenen kan rechtvaardigen.
  Wanneer een octrooi betrekking heeft op een machine kan de wezenlijke en doorlopende fabricage in België door de houder van het octrooi van producten verkregen door het gebruik van deze machine als exploitatie van het octrooi in België aanzien worden wanneer deze vervaardiging voor de economie van het land belangrijker is dan de vervaardiging van de machine zelf.
  Een gedwongen licentie wegens niet of onvoldoende exploitatie wordt slechts verleend op voorwaarde dat de licentie hoofdzakelijk verleend wordt voor de voorziening van de binnenlandse markt.
  2° wanneer een uitvinding, beschermd door een octrooi toebehorend aan de aanvrager van de licentie, niet kan geëxploiteerd worden zonder dat inbreuk wordt gepleegd op de rechten verbonden aan een octrooi, verleend ingevolge een oudere aanvraag en voor zover het afhankelijk octrooi een belangrijke technische vooruitgang betreft, van aanmerkelijke economische betekenis vergeleken met de in het heersend octrooi beschreven uitvinding en op voorwaarde dat de licentie voornamelijk wordt verleend voor de voorziening van de binnenlandse markt;
  3° wanneer een kweker een kwekersrecht niet kan verkrijgen noch exploiteren zonder op een octrooi van eerdere datum inbreuk te maken, voor zover deze licentie voor de exploitatie van het te beschermen plantenras noodzakelijk is, voor zover het plantenras een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van de uitvinding die het voorwerp uitmaakt van het octrooi en op voorwaarde dat deze licentie voornamelijk wordt verleend voor de voorziening van de binnenlandse markt;
  4° aan de houder van een kwekersrecht wanneer de houder van een octrooi voor een biotechnologische uitvinding, overeenkomstig de bepalingen van de wet tot bescherming van kweekproducten een gedwongen licentie gekregen heeft voor de niet-exclusieve exploitatie van het door dit kwekersrecht beschermde plantenras omdat hij de biotechnologische uitvinding niet kan exploiteren zonder op het kwekersrecht van eerdere datum inbreuk te maken en op voorwaarde dat deze licentie voornamelijk wordt verleend voor de voorziening van de binnenlandse markt.
  In het geval van de halfgeleidertechnologie zoals bepaald in de richtlijn 87/54/EEG van de Raad van 16 december 1986, kunnen de licenties bedoeld in 1° en 2° van deze paragraaf slechts worden toegestaan indien zij bestemd zijn om een gedraging tegen te gaan waarvan, na een gerechtelijke of administratieve procedure, is vastgesteld dat deze concurrentie beperkend is.
  § 2. De licentieaanvrager moet bewijzen :
  1) in de gevallen bedoeld in de vorige paragraaf :
  a) dat de octrooihouder onder toepassing valt van een van deze bepalingen;
  b) dat hij zich tevergeefs tot de octrooihouder gewend heeft om een licentie in der minne te bekomen;
  2) indien de licentie is gevraagd bij toepassing van vorige paragraaf, onder 1°, dat hij bovendien beschikt, voor het geval de licentie hem zou toegekend worden, over de middelen die voor een wezenlijke en doorlopende fabricage in België volgens de geoctrooieerde uitvinding noodzakelijk zijn.
  § 3. Iedere vordering wegens inbreuk op een uitvinding, gedekt door een octrooi waarvoor een gedwongen licentie werd aangevraagd, en welke vordering gericht is tegen de aanvrager van een dergelijke licentie schorst de procedure van verlening der licentie tot op het ogenblik dat het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde is getreden. Indien de inbreuk is bewezen, wordt de aanvraag voor een gedwongen licentie afgewezen.
  § 4. Voorbehoud wordt gemaakt voor de toepassing van de wetten waarin het verlenen van licenties tot exploitatie van geoctrooieerde uitvindingen voor bijzondere materies is voorzien, met name inzake de landsverdediging en de kernenergie.
  Art. XI.38. § 1. In het belang van de volksgezondheid kan de Koning, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een licentie tot exploitatie en toepassing van een uitvinding beschermd door een octrooi verlenen voor :
  a) een geneesmiddel, een medisch hulpmiddel, een medisch hulpmiddel of product voor diagnostiek, een afgeleid of combineerbaar therapeutisch product;
  b) de werkwijze of een product noodzakelijk voor de vervaardiging van een of meerdere producten vermeld onder a);
  c) een diagnostische methode toegepast buiten het menselijke of het dierlijke lichaam.
  § 2. De aanvrager van de gedwongen licentie moet bewijzen dat hij beschikt, voor het geval de gedwongen licentie hem zou worden toegekend, over de middelen of de bona fide intentie middelen te bekomen die voor een wezenlijke en doorlopende fabricage en/of toepassing in België van de geoctrooieerde uitvinding noodzakelijk zijn.
  § 3. Iedere procedure omtrent een vordering wegens inbreuk op een uitvinding, gedekt door een octrooi waarvoor een gedwongen licentie voor volksgezondheidsredenen werd aangevraagd, en welke vordering gericht is tegen de aanvrager van een dergelijke licentie, wordt geschorst met betrekking tot de inbreukvraag tot op het ogenblik dat door de Koning een besluit is genomen, overeenkomstig paragraaf 1, omtrent de gedwongen licentie.
  § 4. De licenties toegekend bij toepassing van dit artikel zijn niet uitsluitend.
  § 5. De gedwongen licentie kan beperkt worden in de tijd of qua toepassingsgebied.
  § 6. De aanvrager van een gedwongen licentie dient zijn verzoek in bij de minister met kopie aan het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek.
  De minister zendt de aanvraag door naar het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek binnen een termijn van tien dagen. Binnen eenzelfde termijn brengt de minister de houder van het octrooi dat het voorwerp uitmaakt van een verzoek tot dwanglicentie op de hoogte van de aanvraag en nodigt hem uit zijn standpunt omtrent de mogelijke verlening van een dwanglicentie, alsook zijn opmerkingen omtrent een redelijke vergoeding in het geval een dwanglicentie zou worden verleend, kenbaar te maken aan het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, met kopie aan hemzelf, binnen een termijn van één maand.
  Het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek verstrekt de minister een met redenen omkleed en niet bindend advies over de gegrondheid van de aanvraag.
  De minister legt binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van het advies van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek een gemotiveerd voorstel tot besluit over de gegrondheid van de aanvraag voor overleg aan de Ministerraad voor. De minister legt tevens een voorstel aangaande de vergoeding voor de octrooihouder voor.
  Indien de Koning, overeenkomstig paragraaf 1, besluit de gedwongen licentie te verlenen, bepaalt Hij desgevallend de duur, het toepassingsgebied en de andere exploitatievoorwaarden van deze licentie, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De exploitatieregeling omvat ook afspraken omtrent de vergoeding voor het tijdens de verleningsprocedure gemaakte gebruik van de geoctrooieerde uitvinding.
  In geval van een volksgezondheidscrisis en op voorstel van de minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, kan de Koning maatregelen nemen bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, om de in deze paragraaf vernoemde procedure te versnellen. Hij kan in voorkomend geval beslissen het advies van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek niet in te winnen, om een snelle besluitvorming mogelijk te maken.
  De besluiten tot stand gekomen naar aanleiding van de procedures vernoemd in de voorgaande leden worden bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad en vermeld in de Verzameling.
  De dwanglicentie heeft uitwerking vanaf de datum van exploitatie en ten vroegste vanaf de datum van de aanvraag van de dwanglicentie.
  § 7. Voor het gebruik van de geoctrooieerde uitvinding in de periode tussen de aanvraag van de licentie in het belang van de volksgezondheid en het koninklijk besluit tot verlening van de dwanglicentie, dient de licentieaanvrager een redelijke vergoeding te betalen. In dat geval, bepaalt de Koning de hoogte van deze vergoeding bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  § 8. Vanaf de toekenning van de gedwongen licentie, worden de betrekkingen tussen de octrooihouder en de licentiehouder, behoudens afwijkingen in wat is besloten krachtens paragraaf 6, gelijkgesteld met deze die bestaan bij contractuele licentiegeving-licentieneming.
  § 9. De verlening van de gedwongen licentie, alsook de beslissingen daaromtrent, worden in het register ingeschreven.
  § 10. In zover nieuwe elementen zich zouden hebben voorgedaan, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op verzoek van de octrooihouder of van de licentiehouder en in overeenstemming met de procedures voorzien in paragraaf 6, overgaan tot de herziening van wat is besloten voor wat hun wederzijdse verplichtingen betreft en desgevallend ook voor wat de exploitatievoorwaarden betreft.
  § 11. Op verzoek van elke belanghebbende en na opnieuw kennis te hebben genomen van het advies van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wegens volksgezondheidsredenen verleende gedwongen licentie intrekken indien, na verloop van de voor de exploitatie vastgestelde termijn, de licentiehouder de geoctrooieerde uitvinding in België niet door een wezenlijke en doorlopende fabricage heeft geëxploiteerd.
  Het intrekkingsbesluit wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en in de Verzameling vermeld.
  § 12. De artikelen XI.37, XI.40 tot en met XI.46 zijn niet van toepassing op de gedwongen licentie beoogd in dit artikel. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de gedwongen licenties beoogd door de artikelen XI.37, XI.40 tot en met XI.46.
  Art. XI.39. § 1. Onverminderd paragraaf 2, is de Koning de bevoegde autoriteit in de zin van artikel 2.4. van de Verordening (EG) nr. 816/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de verlening van dwanglicenties voor octrooien inzake de vervaardiging van farmaceutische producten voor uitvoer naar landen met volksgezondheidsproblemen.
  De beslissingen tot de toekenning, herziening, weigering en intrekking van een dwanglicentie worden genomen bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  § 2. De Koning kan bepalen welke Belgische autoriteiten bevoegd zijn om de artikelen 6.1, 7, 14, 16.1, tweede lid, 16.3 en 16.4 van de Verordening (EG) nr. 816/2006 toe te passen.
  § 3. De Koning kan de louter formele of administratieve voorschriften bepalen die nodig zijn voor de efficiënte behandeling van de aanvragen voor dwanglicenties bedoeld in de Verordening (EG) nr. 816/2006.
  § 4. De artikelen XI.37, XI.38 en XI.40 tot en met XI.46 zijn niet van toepassing op de gedwongen licentie beoogd in dit artikel. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de gedwongen licenties beoogd door de artikelen XI.37, XI.38 en XI.40 tot en met XI.46.
  Art. XI.40. § 1. De gedwongen licenties toegekend bij toepassing van artikel XI.37 zijn niet uitsluitend.
  § 2. Onverminderd het tweede lid van artikel XI.37, § 1, 1°, geeft de licentie verleend met toepassing van dit 1° van paragraaf 1, aan de licentiehouder alleen het recht de geoctrooieerde uitvinding te exploiteren door een wezenlijke en doorlopende fabricage in België. De minister stelt de termijn vast binnen welke een zodanige fabricage moet verwezenlijkt zijn, met die verstande dat die fabricage de volledige toepassing van het procédé waarop in het octrooi gebeurlijk aanspraak gemaakt wordt, onderstelt.
  De gedwongen licentie kan beperkt worden in de tijd of tot een gedeelte van de uitvinding, wanneer die het mogelijk maakt andere goederen te vervaardigen dan die welke vereist zijn om te voorzien in de behoeften waarvan sprake is in artikel XI.37, § 1.
  Vanaf de toekenning van de gedwongen licentie worden de betrekkingen tussen de octrooihouder en de licentiehouder, behoudens afwijkingen in het toekenningsbesluit, gelijkgesteld met deze die bestaan bij contractuele licentiegeving-licentieneming.
  § 3. De licentie toegekend met toepassing van artikel XI.37, § 1, 2°, is beperkt tot het gedeelte van de uitvinding door het heersend octrooi beschermd waarvan het gebruik onontbeerlijk is voor het exploiteren van het afhankelijk octrooi en laat dit gebruik slechts toe in verband met deze exploitatie.
  Het derde lid van paragraaf 2 is toepasselijk op de gedwongen licentie.
  De octrooihouder aan wie de gedwongen licentie is opgelegd kan zich, indien de twee uitvindingen betrekking hebben op éénzelfde soort industrie, op zijn beurt een licentie doen toekennen op het octrooi waarop de aanvrager van de gedwongen licentie zich beroepen heeft.
  § 4. De licentie toegekend met toepassing van artikel XI.37, § 1, 3° of 4°, is beperkt tot het gedeelte van de uitvinding dat beschermd wordt door het heersend octrooi waarvan het gebruik onontbeerlijk is voor het exploiteren van de geoctrooieerde afhankelijke uitvinding of het door het kwekersrecht beschermde afhankelijke plantenras en laat dit gebruik slechts toe in verband met deze exploitatie.
  Het derde lid van paragraaf 2 is toepasselijk op de gedwongen licentie toegekend met toepassing van artikel XI.37, § 1, 3° of 4°.
  Art. XI.41. § 1. In de gevallen bedoeld in artikel XI.37, § 1, verleent de minister de gedwongen licenties op aanvraag.
  § 2. De aanvraag wordt door de minister overgemaakt aan de Commissie voor de gedwongen licenties om de betrokkenen te horen, ze zo mogelijk te verzoenen en indien dit niet mogelijk is, de minister een met redenen omkleed advies te verstrekken over de gegrondheid van de aanvraag. De Commissie voegt het dossier van de zaak bij haar advies.
  De minister beslist over het gevolg dat aan het verzoek zal gegeven worden en maakt zijn beslissing aan de betrokkenen bekend bij een aangetekende zending.
  § 3. In de gevallen bedoeld in artikel XI.37, § 1, 2° en 3°, wordt de aanvraag voor een gedwongen licentie gegrond verklaard indien de houder van het heersend octrooi noch de afhankelijkheid van het octrooi of van het kwekersrecht van de aanvrager van de licentie betwist, noch zijn geldigheid, noch het feit dat de uitvinding of het plantenras een aanzienlijke technische vooruitgang betreft, van aanmerkelijke economische betekenis vergeleken met de in het heersend octrooi beschreven uitvinding.
  § 4. Het feit dat de houder van het oudere octrooi de afhankelijkheid ontkent van het octrooi of kwekersrecht van de aanvrager van de licentie geeft aan deze laatste van rechtswege de toelating de uitvinding te exploiteren die in zijn eigen octrooi of in zijn kwekersrecht is beschreven evenals de zogenaamde heersende uitvinding zonder daarvoor wegens inbreuk vervolgd te kunnen worden door de houder van het vroegere octrooi.
  De betwisting over de geldigheid van het afhankelijk octrooi of kwekersrecht schorst de administratieve procedure met betrekking tot de erkenning van de gegrondheid van de aanvraag voor een licentie op voorwaarde dat hetzij een vordering tot nietigverklaring van dit octrooi of kwekersrecht reeds ingesteld is voor de bevoegde instantie door de houder van het heersend octrooi, hetzij deze een vordering voor de rechtbank instelt tegen de aanvrager van de licentie binnen twee maanden nadat hem kennis gegeven werd van het indienen van een aanvraag voor een licentie.
  De betwisting over de belangrijke technische vooruitgang van aanmerkelijke economische betekenis van het afhankelijk octrooi of kwekersrecht vergeleken met de uitvinding beschreven in het heersend octrooi schorst de administratieve procedure met betrekking tot de erkenning van de gegrondheid van de aanvraag voor een licentie, op voorwaarde dat de houder van het heersend octrooi, binnen twee maanden nadat hem van het indienen van een aanvraag voor een licentie kennis werd gegeven, een verzoekschrift indient bij de rechtbank zetelend zoals in kortgeding. De gerechtelijke beslissing is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
  Het niet in acht nemen van de termijn voorzien in de twee voorgaande leden sluit het recht uit van de houder van het heersend octrooi om zijn betwisting te doen gelden voor de rechtbank.
  Art. XI.42. § 1. Binnen vier maanden na de mededeling van de beslissing wordt door de octrooihouder en de licentiehouder een schriftelijke overeenkomst aangaande de wederzijdse rechten en verplichtingen afgesloten. De minister wordt hiervan in kennis gesteld. Bij ontstentenis van een overeenkomst binnen de voormelde termijn worden de wederzijdse rechten en verplichtingen vastgesteld door de rechtbank, zetelend zoals in kortgeding, op dagvaarding van de meest gerede partij.
  De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van het definitieve vonnis naar de minister.
  De vaststelling van de verplichtingen van de partijen zal in ieder geval een toereikende vergoeding omvatten, rekening houdend met de economische waarde van de licentie.
  § 2. De minister verleent de licentie bij een met redenen omkleed besluit.
  De gedwongen licentie en de desbetreffende beslissingen worden in het register ingeschreven.
  Het besluit wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en in de Verzameling vermeld.
  Art. XI.43. § 1. Bij de FOD Economie wordt een Commissie voor de gedwongen licenties ingesteld die belast is met het uitvoeren van de taken die haar krachtens de artikelen XI.41, XI.44 en XI.45 werden toebedeeld.
  De Commissie bestaat uit tien leden benoemd door de minister.
  Acht leden worden aangewezen op voorstel van de representatieve organisaties van de nijverheid, de landbouw, de handel, de kleine en middelgrote nijverheidsondernemingen en de consumenten.
  De in het vorige lid bedoelde organisaties worden door de minister aangewezen.
  Twee leden worden onder de leden van de Raad voor de intellectuele eigendom aangewezen. Zij blijven lid van de Commissie voor de duur van hun mandaat in de Commissie, onafhankelijk van hun hoedanigheid van lid van deze Raad.
  Het mandaat van lid van de Commissie heeft een duur van zes jaar. Het is hernieuwbaar.
  De Commissie wordt voorgezeten door één van zijn leden, door de minister aangewezen voor een hernieuwbare termijn van drie jaar.
  De adviezen worden bij consensus aangenomen. Bij gebrek aan consensus herneemt het advies de verschillende standpunten.
  De Koning bepaalt de modaliteiten van werking en organisatie van de Commissie.
  De Commissie stelt zijn huishoudelijk reglement op. Het treedt in werking na goedkeuring door de minister.
  § 2. Zodra de minister een verzoek tot verlening van een gedwongen licentie ontvangt, wijst hij bij de Commissie één of meer gekwalificeerde beambten aan, die werden gekozen uit de ambtenaren van de FOD Economie.
  De Commissie bepaalt de opdracht van de beambten bedoeld in het eerste lid en stelt de modaliteiten vast volgens dewelke deze beambten haar rekenschap van hun opdracht zullen afleggen. De Commissie verduidelijkt de voorwaarden van verzending voor de documenten bedoeld in het vierde lid, met het oog op de bescherming van vertrouwelijke gegevens.
  De daartoe door de minister aangestelde beambten zijn bevoegd om alle inlichtingen te verzamelen, om alle schriftelijke of mondelinge deposities of getuigenverklaringen te ontvangen die zij noodzakelijk achten voor het vervullen van hun functie.
  In de uitoefening van hun ambt, mogen deze beambten :
  1° mits een voorafgaande verwittiging van minstens vijf werkdagen, of zonder voorafgaande verwittiging indien er redenen zijn om te geloven dat de stukken die nuttig zijn voor het onderzoek van het verzoek tot dwanglicentie, het risico lopen vernietigd te worden, tijdens de gewone openings- of werkuren binnentreden in de bureaus, lokalen, werkplaatsen, gebouwen, belendende binnenplaatsen en besloten ruimten waartoe zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;
  2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering ter plaatse de documenten, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan een kopie te nemen;
  3° monsters nemen op de wijze en onder de voorwaarden door de Koning bepaald;
  4° tegen ontvangstbewijs, beslag leggen op de onder punt 2 opgesomde documenten, noodzakelijk voor de vervulling van hun opdrachten;
  5° deskundigen belasten met een door hen bepaalde opdracht, onder de voorwaarden door de Koning bepaald.
  Bij ontstentenis van een bevestiging door de voorzitter van de Commissie binnen de vijftien dagen, is het beslag van rechtswege opgeheven. De persoon bij wie beslag op de goederen wordt gelegd kan als gerechtelijke bewaarder ervan aangesteld worden.
  De voorzitter van de Commissie kan het beslag dat hij heeft bevestigd, opheffen, in voorkomend geval op verzoek van de eigenaar van de in beslag genomen goederen gericht aan de Commissie.
  Mits een voorafgaande verwittiging van minstens vijf werkdagen, of zonder voorafgaande verwittiging indien er redenen zijn om te geloven dat de stukken die nuttig zijn voor het onderzoek van het verzoek tot dwanglicentie, het risico lopen vernietigd te worden, kunnen de aangestelde beambten in bewoonde lokalen binnentreden met voorafgaande machtiging van de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel. De bezoeken in bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur en door minstens twee beambten gezamenlijk geschieden.
  In de uitoefening van hun opdracht kunnen zij de bijstand van diensten van de politie opvorderen.
  De aangestelde beambten oefenen de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de procureur-generaal, onverminderd hun ondergeschiktheid aan hun meerderen in het bestuur.
  § 3. De daartoe aangestelde beambten leggen hun verslag voor aan de Commissie. De Commissie brengt haar advies pas uit nadat ze de octrooihouder en de persoon die een gedwongen licentie eist of heeft verkregen, heeft gehoord. Deze personen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een persoon die de Commissie voor elke zaak speciaal aanvaardt. De Commissie hoort eveneens de deskundigen en de personen die zij nuttig acht te ondervragen. Zij kan de aangestelde beambten er mee belasten bijkomende informatie op te zoeken en een bijkomend verslag voor te leggen.
  Ten minste één maand voor de datum van haar vergadering, verwittigt de Commissie bij aangetekende zending de personen die tijdens deze vergadering moeten worden gehoord. In dringende gevallen wordt deze termijn gehalveerd.
  § 4. De werkingskosten van de Commissie komen ten laste van de begroting van de FOD Economie.
  Art. XI.44. In zover nieuwe elementen zich zouden hebben voorgedaan kan er, op verzoek van de octrooihouder of van de licentiehouder, overgegaan worden tot de herziening van de getroffen beslissing voor wat hun wederzijdse verplichtingen betreft en desgevallend ook voor wat de exploitatievoorwaarden betreft. De bevoegdheid om de beslissing te herzien komt toe aan de autoriteit van wie de beslissing uitging en de te volgen procedure is dezelfde als die welke voorzien is om de beslissing te nemen die het voorwerp is van de herziening.
  Art. XI.45. § 1. Op verzoek van de octrooihouder trekt de minister de gedwongen licentie in indien uit een in kracht van gewijsde gegaan vonnis blijkt dat de licentiehouder zich ten aanzien van de octrooihouder aan een ongeoordloofde handeling schuldig heeft gemaakt dan wel aan zijn verplichtingen tekort is gekomen.
  § 2. Op verzoek van elke belanghebbende kan de minister de wegens gebrek aan exploitatie verleende gedwongen licentie intrekken indien, na verloop van de door de minister voor de exploitatie vastgestelde termijn, de licentiehouder de geoctrooieerde uitvinding in België niet door een wezenlijke en doorlopende fabricage heeft geëxploiteerd.
  § 3. De beslissingen tot intrekking worden door de minister voor advies aan de Commissie voor gedwongen licenties voorgelegd.
  De intrekking geschiedt bij een met redenen omklede beslissing. In voorkomend geval vermeldt deze de reden waarom van het advies van de Commissie is afgeweken.
  Het intrekkingsbesluit wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en in de Verzameling vermeld.
  Art. XI.46. De houder van een gedwongen licentie kan de aan de licentie verbonden rechten niet overdragen aan derden of in onderlicentie verlenen dan samen met het deel van de onderneming of handelszaak dat voor de exploitatie van de licentie wordt aangewend en onder voorbehoud dat de licenties toegekend met toepassing van artikel XI.37, § 1, 2°, slechts overdraagbaar zijn samen met het afhankelijk octrooi.
  Artikel XI.51 is van overeenkomstige toepassing.
  Art. XI.47. § 1. Het octrooi eindigt na afloop van het twintigste jaar te rekenen van de datum van indiening van de aanvraag onder voorbehoud van de betaling der jaartaksen bedoeld in artikel XI.48.
  § 2. In het geval voorzien in artikel XI.23, § 8, houdt de octrooiaanvraag op uitwerking te hebben, onder voorbehoud van de betaling van de jaartaksen na afloop van de voor de betaling der opzoekingstaks voorgeschreven termijn, indien deze taks niet werd gekweten.
  Art. XI.48. § 1. Met het oog op de instandhouding ervan geeft iedere octrooiaanvraag of ieder octrooi aanleiding tot de betaling van jaartaksen. De Koning kan het jaar vaststellen vanaf hetwelke de jaartaksen voor de eerste maal verschuldigd zijn. De jaartaksen zullen ten vroegste verschuldigd zijn aan het begin van het derde jaar, en ten laatste aan het begin van het vijfde jaar, gerekend vanaf de indieningsdatum van de octrooiaanvraag, en aan het begin van elk van de volgende jaren.
  De Koning houdt bij het vaststellen vanaf welk jaar de jaartaksen voor het eerst verschuldigd zijn, minstens rekening met de volgende criteria :
  1° de toegankelijkheid tot het Belgische octrooisysteem; en
  2° de verhouding tussen de kost voor de Dienst voor het beheer van de in het eerste lid bedoelde taks, en de inkomsten die deze taks genereert.
  De betaling van de jaartaks vervalt op de laatste dag van de maand die overeenstemt met de maand waarin de datum van indiening van de octrooiaanvraag valt. De jaartaks kan niet geldig worden gekweten meer dan zes maanden vóór de vervaldatum.
  Wanneer de betaling van de jaartaks niet op de vervaldag werd gekweten, kan deze taks alsnog betaald worden, vermeerderd met een toeslag, binnen een respijttermijn van zes maanden te rekenen vanaf de vervaldag van de jaartaks.
  Het bedrag van de jaartaks en van de toeslag wordt door de Koning vastgesteld bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  § 2. Indien de jaartaks en de toeslag niet betaald worden binnen de respijttermijn van zes maanden voorzien in de vorige paragraaf, is de houder van de octrooiaanvraag of van het octrooi van rechtswege vervallen verklaard van zijn rechten. Het verval heeft uitwerking op de vervaldatum van de niet betaalde jaartaks. Het verval wordt in het register ingeschreven.
  § 3. Wat de personen betreft als bedoeld in artikel XI.78, § 3, wordt het bedrag van de jaartaks en van de toeslag met 50 % verminderd. De Koning bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van de aanvraag tot vermindering van de jaartaks en van de toeslag bedoeld in deze paragraaf.
  Afdeling 5. - Het octrooi en de octrooiaanvraag als deel van het vermogen
  Art. XI.49. § 1. Bij ontstentenis van een overeenkomst wordt de medeëigendom op een octrooiaanvraag of op een octrooi geregeld door de bepalingen van dit artikel.
  § 2. Elke mede-eigenaar heeft het recht om de uitvinding persoonlijk te exploiteren.
  Geen mede-eigenaar mag de octrooiaanvraag of het octrooi met een recht bezwaren, een exploitatielicentie verlenen of een vordering wegens inbreuk instellen dan met instemming van de andere mede-eigenaar of, bij ontstentenis daarvan, met machtiging van de rechtbank.
  De onverdeelde aandelen worden vermoed gelijk te zijn.
  Wanneer een mede-eigenaar zijn aandeel wenst over te dragen heeft de andere mede-eigenaar een recht van voorkoop gedurende drie maanden nadat hem van het voornemen tot overdracht kennis is gegeven.
  De meest gerede partij kan de voorzitter van de rechtbank vragen om volgens de regelen van het kortgeding een deskundige te benoemen om de voorwaarden van de overdracht vast te stellen. De conclusies van de deskundige zijn bindend tenzij binnen een maand na de mededeling ervan een partij laat weten dat zij van de overdracht afziet, in welk geval de desbetreffende uitgaven ten hare laste vallen.
  § 3. De bepalingen van de afdelingen I en IV van hoofdstuk VI van de eerste titel van boek III van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op de medeëigendom van een octrooiaanvraag of van een octrooi.
  § 4. Een mede-eigenaar van een octrooiaanvraag of van een octrooi kan aan de andere mede-eigenaars zijn beslissing bekend maken om in hun voordeel af te zien van zijn aandeel. Vanaf de inschrijving van deze afstand in het register wordt deze mede-eigenaar ontlast van alle verplichtingen ten opzichte van de andere mede-eigenaars; deze verdelen het afgestane aandeel onder elkaar naar verhouding van hun rechten in de mede-eigendom, tenzij er een andere overeenkomst bestaat.
  Art. XI.50. § 1. Iedere overdracht of overgang, geheel of gedeeltelijk, van een octrooiaanvraag of van een octrooi moet aan de Dienst medegedeeld worden.
  § 2. De overdracht onder levenden van een octrooiaanvraag of van een octrooi moet op straffe van nietigheid bij schriftelijke akte geschieden.
  § 3. Bij de mededeling in paragraaf 1 moet hetzij een afschrift van de akte van overdracht of van het officieel document waaruit de overgang van rechten blijkt, hetzij een uittreksel van die akte of dat document waaruit de overgang genoegzaam blijkt, hetzij een attest van overdracht ondertekend door de partijen worden gevoegd.
  De Koning bepaalt de inhoud en de modaliteiten van deze mededeling. Hij kan een taks vaststellen die, vóór de inschrijving van het afschrift, het uittreksel of het attest in het register, dient te worden betaald.
  De Koning houdt bij het al dan niet bepalen van de taks, en desgevallend bij het vaststellen van de hoogte van de taks, minstens rekening met de volgende criteria :
  1° de toegankelijkheid tot het Belgische octrooi-systeem; en
  2° de verhouding tussen de kost voor de Dienst voor het beheer van de in het tweede lid bedoelde taks, en de inkomsten die deze taks genereert;
  3° de verspreiding van informatie aan derden over het statuut van het octrooi of van de octrooiaanvraag.
  § 4. De mededelingen worden ingeschreven in het register in chronologische orde van hun ontvangst.
  § 5. Onder voorbehoud van het geval voorzien bij artikel XI.10, laat de overgang de door derden vóór de datum van de overgang verkregen rechten ongewijzigd.
  § 6. Een overdracht of overgang kan eerst na inschrijving in het register uitwerking hebben ten opzichte van de Dienst en tegenstelbaar zijn aan derden in de omvang die blijkt uit de stukken bedoeld in paragraaf 3. De overdracht of overgang kan evenwel vóór de inschrijving worden tegengesteld aan derden die na de datum van overdracht of overgang rechten hebben verkregen, maar bij de verkrijging van deze rechten kennis van de overdracht of overgang droegen.
  Art. XI.51. § 1. Een octrooiaanvraag of een octrooi kan, geheel of gedeeltelijk, het voorwerp uitmaken van contractuele licenties voor het Rijk of voor een deel ervan. De licenties kunnen uitsluitend of niet-uitsluitend zijn. Ze moeten op straffe van nietigheid bij schriftelijke akte geschieden.
  § 2. De uit de octrooiaanvraag of uit het octrooi voortvloeiende rechten kunnen worden ingeroepen tegen een licentiehouder die een van de in paragraaf 1 bedoelde grenzen van zijn licentie overschrijdt.
  § 3. Artikel XI.50, § 5, is van toepassing op het verlenen van een licentie voor een octrooiaanvraag of voor een octrooi.
  § 4. Het verlenen van een licentie voor een octrooiaanvraag of voor een octrooi en elke wijziging aangebracht aan het attest bedoeld in het volgende lid moeten aan de Dienst medegedeeld worden.
  Deze mededeling geschiedt door het indienen van een door de partijen ondertekend attest. De Koning bepaalt de inhoud en de modaliteiten van dit attest. Hij kan een taks vaststellen die, vóór de inschrijving van het attest in het register, dient te worden betaald.
  De Koning houdt bij het al dan niet bepalen van de taks, en desgevallend bij het vaststellen van de hoogte van de taks, minstens rekening met de volgende criteria :
  1° de toegankelijkheid tot het Belgische octrooisysteem;
  2° de verhouding tussen de kost voor de Dienst voor het beheer van de in het tweede lid bedoelde taks, en de inkomsten die deze taks genereert; en
  3° de verspreiding van informatie aan derden over het statuut van het octrooi of van de octrooiaanvraag.
  § 5. Het verlenen van een licentie voor een octrooiaanvraag of voor een octrooi en elke wijziging aangebracht aan het attest voorzien in voorgaande paragraaf kunnen ten opzichte van de Dienst slechts uitwerking hebben en aan derden worden tegengesteld na de inschrijving in het register van het attest of van het wijzigingsattest en wel in de omvang die blijkt uit voormelde attesten. Artikel XI.50, § 6, tweede zin, is van toepassing.
  § 6. De overdracht van een licentie voor een octrooiaanvraag of voor een octrooi moet op straffe van nietigheid schriftelijk gebeuren. Zij moet aan de Dienst medegedeeld worden.
  Artikel XI.50, §§ 3 tot en met 6, is van overeenkomstige toepassing op de overdracht van de licentie.
  Art. XI.52. § 1. Vruchtgebruik op een octrooiaanvraag of op een octrooi alsmede de inpandgeving van een octrooiaanvraag of van een octrooi moeten aan de Dienst medegedeeld worden.
  § 2. Artikel XI.50, §§ 3 tot en met 6, is van overeenkomstige toepassing op de zakelijke rechten bedoeld in de vorige paragraaf.
  Art. XI.53. Het beslag op een octrooiaanvraag of op een octrooi geschiedt volgens de voorziene procedure inzake roerend beslag.
  Een afschrift van het beslagexploot moet aan de Dienst bezorgd worden door de beslagleggende schuldeiser; het beslag wordt in het register ingeschreven.
  Het beslag brengt mee dat latere wijzigingen door de houder aan de met de octrooiaanvraag of met het octrooi verbonden rechten niet tegenstelbaar zijn aan de beslagleggende schuldeiser.
  Art. XI.54. De door derden verkregen rechten op een octrooiaanvraag blijven gelden ten aanzien van het octrooi dat op deze aanvraag is verleend.
  Afdeling 6. - Nietigheid, afstand en herroeping van het uitvindingsoctrooi
  Art. XI.55. § 1. De houder van een octrooi kan er op elk moment geheel of gedeeltelijk afstand van doen door een schriftelijke en ondertekende verklaring gericht aan de minister. De verklaring van afstand wordt ingeschreven in het register.
  Het octrooi kan niet zodanig via een afstand worden gewijzigd dat het voorwerp ervan verder reikt dan de inhoud van de aanvraag zoals zij werd ingediend.
  Het octrooi kan niet zodanig via een afstand worden gewijzigd dat de beschermingsomvang wordt uitgebreid ten opzichte van de laatste van kracht zijnde versie van het octrooi.
  § 2. De gehele afstand heeft het verval van het octrooi tot gevolg op de datum van de inschrijving van de verklaring in het register. Als op die datum de jaartaks echter nog niet werd betaald, treedt het verval van het octrooi in werking bij het einde van de periode gedekt door de laatst betaalde jaartaks.
  § 3. De afstand kan worden beperkt tot één of meerdere conclusies van het octrooi of tot een gedeelte van een conclusie of van meerdere conclusies. De gedeeltelijke afstand heeft het verval van de rechten verbonden aan de conclusie of aan de conclusies of aan gedeelten ervan waarvan afstand wordt gedaan, tot gevolg op de datum van de inschrijving van de verklaring in het register.
  § 4. De verklaring van afstand van het octrooi moet vergezeld zijn van :
  1° de conclusie(s) of het gedeelte ervan waarvan de octrooihouder verklaart afstand te doen;
  2° desgevallend van de volledige tekst van de gewijzigde conclusie(s) die de octrooihouder wenst te handhaven alsmede desgevallend van de beschrijving en de tekeningen zoals gewijzigd.
  De verklaring van afstand kan slechts op één octrooi betrekking hebben.
  § 5. In geval van mede-eigendom, moet de gehele of gedeeltelijke afstand worden uitgevoerd door alle mede-eigenaars.
  § 6. Indien rechten van vruchtgebruik, pand- of licentierechten ingeschreven zijn in het register, kan enkel met instemming van de houders van deze rechten geheel of gedeeltelijk afstand van het octrooi worden gedaan.
  § 7. Er kan geen gehele of gedeeltelijke afstand worden gedaan van een octrooi dat voorwerp is van een opeising van eigendom, van een in beslag genomen octrooi of van een octrooi dat voorwerp is geweest van een beslissing tot verlening van een gedwongen licentie.
  § 8. De bepalingen van dit artikel zijn naar analogie toepasselijk op de octrooiaanvraag.
  § 9. Elke afstand uitgevoerd in overtreding van de paragrafen 6 en 7 is van rechtswege nietig.
  § 10. De Koning bepaalt de modaliteiten van de procedure van afstand bij de Dienst en bepaalt het bedrag en de wijze van betaling van de bijdrage die de Dienst kan innen.
  Art. XI.56. § 1. De houder van een octrooi kan dit elk moment geheel of gedeeltelijk herroepen door een schriftelijke en ondertekende verklaring gericht aan de minister onverminderd de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de aangever. De aangifte van herroeping is ingeschreven in het register.
  Als de herroeping wordt uitgevoerd in de loop van een gerechtelijke procedure met betrekking tot het octrooi, moet de houder die het octrooi herroept eerst bij de Dienst de in het eerste lid beoogde verklaring neerleggen. Het aldus gewijzigde octrooi dient als basis voor de gerechtelijke procedure.
  Het octrooi kan niet zodanig via een herroeping worden gewijzigd dat het voorwerp ervan verder reikt dan de inhoud van de octrooiaanvraag zoals zij werd ingediend.
  Het octrooi kan niet zodanig via een herroeping worden gewijzigd dat de beschermingsomvang wordt uitgebreid ten opzichte van de laatste van kracht zijnde versie van het octrooi.
  § 2. De gedeeltelijke herroeping gebeurt via een wijziging van de conclusies en desgevallend van de beschrijving of van de tekeningen. De herroeping kan worden beperkt tot één of meerdere conclusies van het octrooi of tot een gedeelte van een conclusie of van meerdere conclusies. De gedeeltelijke herroeping heeft het verval tot gevolg op de datum van de indiening van de octrooiaanvraag, van de rechten verbonden aan de conclusie of aan de conclusies of aan gedeelten ervan, die worden herroepen.
  § 3. De verklaring van gedeeltelijke herroeping van het octrooi moet vergezeld zijn van :
  1° de conclusie(s) of het gedeelte ervan dat de octrooihouder verklaart te herroepen;
  2° desgevallend de volledige tekst van de gewijzigde conclusie(s) die de octrooihouder wenst te behouden alsook desgevallend de beschrijving en de tekeningen zoals gewijzigd.
  De herroeping van het octrooi is tegenstelbaar aan derden te rekenen vanaf de datum van inschrijving ervan in het register, onverminderd de aansprakelijkheid van de aangever.
  De verklaring van herroeping mag slechts betrekking hebben op één octrooi.
  § 4. In geval van mede-eigendom, moet de gehele of gedeeltelijke herroeping worden uitgevoerd door alle mede-eigenaars.
  § 5. Indien rechten van vruchtgebruik, pand- of licentierechten werden ingeschreven in het register, kan het octrooi slechts met instemming van de houders van die rechten geheel of gedeeltelijk worden herroepen.
  § 6. Het octrooi waarvan de eigendom wordt opgeëist, welke in beslag wordt genomen of voorwerp is van een beslissing tot toekenning van een gedwongen licentie, kan niet geheel of gedeeltelijk worden herroepen.
  § 7. De bepalingen van dit artikel zijn naar analogie toepasselijk op de octrooiaanvraag.
  § 8. Elke herroeping uitgevoerd in overtreding van de paragrafen 5 en 6 is van rechtswege nietig.
  § 9. De Koning bepaalt de modaliteiten van de procedure van herroeping bij de Dienst en bepaalt het bedrag en de wijze van betaling van de bijdrage die door de Dienst kan worden geïnd.
  Art. XI.57. § 1. Een octrooi wordt nietig verklaard door de rechtbank :
  1° indien het voorwerp van het octrooi onder de toepassing valt van de artikelen XI.4 of XI.5 of niet beantwoordt aan de voorschriften van de artikelen XI.3, XI.6, XI.7 en XI.8;
  2° indien het niet een voldoende duidelijke en volledige beschrijving van de uitvinding bevat opdat een deskundige deze uitvinding zou kunnen toepassen;
  3° indien het onderwerp van het octrooi niet gedekt wordt door de inhoud van de octrooiaanvraag zoals die is ingediend, of door de inhoud van de oorspronkelijke aanvraag zoals die is ingediend indien het octrooi is verleend op een afgesplitste aanvraag;
  4° indien de octrooihouder luidens artikel XI.9 niet gerechtigd was dit octrooi te verkrijgen.
  § 2. Indien de nietigheidsgronden het octrooi slechts gedeeltelijk aantasten, wordt het octrooi beperkt door een dienovereenkomstige wijziging van de conclusies en, in voorkomend geval van de beschrijving en de tekeningen, en gedeeltelijk nietig verklaard. Deze wijziging wordt in het register ingeschreven.
  § 3. Het octrooi kan niet zodanig via een nietigverklaring worden gewijzigd dat het voorwerp verder reikt dan de inhoud van de octrooiaanvraag zoals zij werd ingediend.
  Het octrooi kan niet zodanig via een nietigverklaring worden gewijzigd dat de beschermingsomvang wordt uitgebreid ten opzichte van de laatste van kracht zijnde versie van het octrooi.
  Art. XI.58. § 1. De gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een octrooi, evenals de gehele of gedeeltelijke herroeping van een octrooi bij toepassing van het artikel XI.56, hebben terugwerkende kracht tot op de datum van indiening van de octrooiaanvraag.
  § 2. Onverminderd de bepalingen betreffende aanspraken op vergoeding van schade veroorzaakt door de nalatigheid of kwade trouw van de octrooihouder, of betreffende verrijking zonder oorzaak, heeft de terugwerkende kracht van de nietigheid, of van de herroeping van het octrooi geen invloed op :
  1° de beslissingen inzake inbreuk die in kracht van gewijsde zijn gegaan en ten uitvoer zijn gelegd vóór de beslissing tot nietigverklaring of vóór de inschrijving in het register van de vrijwillige herroeping van het octrooi;
  2° de vóór de beslissing van nietigverklaring van het octrooi of vóór de inschrijving van de herroeping in het register gesloten overeenkomsten, voor zover zij vóór deze beslissing zijn uitgevoerd; uit billijkheidsoverwegingen kan echter terugbetaling worden geëist van op grond van deze overeenkomst betaalde bedragen voor zover dit door de omstandigheden gerechtvaardigd is.
  Art. XI.59. § 1. Wanneer een octrooi geheel of gedeeltelijk nietig wordt verklaard, door een vonnis of een arrest of door een arbitrale beslissing, heeft deze beslissing tot nietigverklaring tegenover eenieder gezag van gewijsde onder voorbehoud van derdenverzet.
  De beslissingen tot nietigverklaring die in kracht van gewijsde zijn gegaan, worden in het register ingeschreven.
  § 2. Ingeval van nietigverklaring van de octrooien heeft de voorziening in cassatie schorsende werking.
  Afdeling 7. - Bescherming van de door het uitvindingsoctrooi verleende rechten
  Art. XI.60. § 1. Wordt beschouwd als namaak waarvoor de dader verantwoordelijk geacht wordt, elke schending van de in het artikel XI.29 omschreven rechten van de octrooihouder.
  Indien een octrooi betrekking heeft op een werkwijze tot vervaardiging van een nieuw voortbrengsel, wordt zulk een voortbrengsel dat door een ander dan de octrooihouder is vervaardigd, behoudens tegenbewijs, geacht met toepassing van de geoctrooieerde werkwijze te zijn vervaardigd. Bij het leveren van het tegenbewijs wordt rekening gehouden met het gerechtvaardigd belang dat de verweerder heeft bij de bescherming van zijn fabricage- en bedrijfsgeheimen.
  § 2. De houder of de vruchtgebruiker van een octrooi kan een vordering inzake namaak instellen.
  Nochtans mag de houder van een gedwongen licentie toegekend bij toepassing van artikel XI.37, § 1, 1°, een vordering inzake namaak instellen indien, na ingebreke gesteld te zijn, de houder of de vruchtgebruiker van het octrooi dergelijke vordering niet instelt.
  Behoudens andersluidende bepaling in de licentieovereenkomst, is de bepaling van het voorgaande lid eveneens toepasselijk op de houder van een exclusieve licentie.
  Iedere licentiehouder mag tussenbeide komen in een vordering inzake namaak ingediend door de houder of de vruchtgebruiker van het octrooi teneinde vergoed te worden voor de door hemzelf geleden schade.
  § 3. De vordering inzake namaak kan maar ingesteld worden vanaf de dag dat het octrooi ter inzage gelegd is van het publiek en alleen voor handelingen van inbreuk begaan sedert deze datum.
  Art. XI.61. De vordering wegens inbreuk verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop de inbreuk werd gepleegd.
  Hoofdstuk 3. - Vertegenwoordiging voor de Dienst
  Art. XI.62. § 1. Onder voorbehoud van de in paragraaf 2, en de in paragraaf 3, eerste lid, voorziene bepalingen is niemand ertoe verplicht zich, inzake uitvindingsoctrooien, voor de Dienst te doen vertegenwoordigen.
  § 2. De natuurlijke personen en de rechtspersonen die inzake uitvindingsoctrooien voor de Dienst door de tussenkomst van een derde wensen op te treden, moeten een beroep doen op een erkende gemachtigde.
  § 3. De natuurlijke personen en de rechtspersonen die woonplaats noch werkelijke vestiging in een lidstaat van de Europese Unie hebben, moeten, om voor de Dienst inzake uitvindingsoctrooien op te treden, vertegenwoordigd worden door een erkende gemachtigde en via zijn tussenkomst optreden.
  De natuurlijke en rechtspersonen bedoeld in het eerste lid, mogen zelf optreden voor de Dienst voor de volgende procedures :
  1° het indienen van een aanvraag ten behoeve van de toekenning van een datum van indiening;
  2° het betalen van een taks;
  3° het indienen van een afschrift van een eerdere aanvraag;
  4° de afgifte van een bewijs van ontvangst of een kennisgeving door de Dienst ten aanzien van een procedure als bedoeld onder 1°, 2° en 3°.
  § 4. Jaartaksen kunnen door iedereen worden betaald.
  § 5. Elke advocaat die ingeschreven is op de tableau van de Orde of op de lijst van stagiairs, elke advocaat en elke octrooigemachtigde die de nationaliteit heeft van een lidstaat van de Europese Unie en die bevoegd is dit beroep uit te oefenen in een van haar lidstaten, evenals elke advocaat die krachtens een wet of internationale overeenkomst gemachtigd is in België dit beroep uit te oefenen, kan in dezelfde hoedanigheid als een erkend gemachtigde optreden bij de Dienst.
  De Koning neemt de maatregelen die, inzake de vrije dienstverrichting van een gemachtigde voor de Dienst, nodig zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag betreffende de Europese Unie of uit de bepalingen uitgevaardigd krachtens dit Verdrag.
  § 6. De natuurlijke en rechtspersonen die hun woonplaats of een werkelijke vestiging in een lidstaat van de Europese Unie hebben, kunnen inzake uitvindingsoctrooien, voor de Dienst door tussenkomst van één van hun werknemers optreden; deze moet over een volmacht beschikken, doch behoeft geen erkend gemachtigde te zijn. De Koning kan bepalen of en onder welke voorwaarden de werknemer van een bij deze paragraaf voorziene rechtspersoon ook nog voor andere rechtspersonen kan optreden die in een lidstaat van de Europese Unie een werkelijke vestiging hebben en die economische banden hebben met die bedoelde rechtspersoon.
  § 7. Bijzondere bepalingen betreffende gemeenschappelijke vertegenwoordiging van gezamenlijk optredende partijen kunnen door de Koning vastgesteld worden.
  § 8. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, is de proceduretaal en de taal voor de correspondentie aan de Dienst, de taal die door de octrooiaanvrager of de octrooihouder op basis van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken dient gebruikt te worden.
  Art. XI.63. Onverminderd de bepalingen van de wet van 8 juli 1977 houdende goedkeuring van bepaalde internationale akten inzake uitvindingsoctrooien, en onverminderd artikel XI.91, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk ook van toepassing op de depots van de octrooiaanvragen ingediend overeenkomstig deze internationale akten evenals op alle andere handelingen die verband houden met deze aanvragen of met de octrooien die op deze aanvragen zijn verleend.
  Art. XI.64. § 1. Wanneer aan een of meer door de artikelen XI.62 en XI.63 gestelde vereisten niet wordt voldaan, geeft de Dienst de persoon die de handeling heeft gesteld, hiervan kennis, waarbij hem de gelegenheid wordt geboden binnen de door de Koning vastgestelde termijn alsnog aan dergelijke vereisten te voldoen en commentaar te leveren.
  § 2. Wanneer niet wordt voldaan aan een of meer van de door de artikelen XI.62 en XI.63 gestelde vereisten binnen de door de Koning vastgestelde termijn overeenkomstig paragraaf 1, is de verrichte handeling van rechtswege nietig.
  § 3. De onverschuldigd betaalde taksen worden terugbetaald.
  Art. XI.65. Bij de Dienst wordt een register ingesteld waarin de erkende gemachtigden ingeschreven zijn welke, in de materies bedoeld in artikel XI.63, de vertegenwoordiging van natuurlijke of rechtspersonen voor de Dienst verzekeren.
  De Koning bepaalt de vermeldingen die in het register voor erkende gemachtigden moeten worden opgenomen alsmede de voorwaarden waarin dit wordt bijgehouden.
  Art. XI.66. § 1. Alleen natuurlijke personen kunnen ingeschreven worden in het register van erkende gemachtigden. Ze moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn en gedomicilieerd zijn in een dergelijke Staat;
  2° niet het voorwerp uitmaken van een rechterlijke beschermingsmaatregel, bedoeld in artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek;
  3° niet in staat van ontzetting zijn als bedoeld in artikelen 31 tot 34 van het Strafwetboek; geen veroordeling in België of in het buitenland hebben opgelopen voor één van de misdrijven vermeld in het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 waarbij aan bepaalde veroordeelden en aan de gefailleerden verbod wordt opgelegd bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen en waarbij aan de rechtbanken van koophandel de bevoegdheid wordt toegekend dergelijk verbod uit te spreken;
  4° in het bezit zijn van een Belgisch universitair diploma of Belgisch diploma van hoger onderwijs van het lange type, uitgereikt na minstens vier studiejaren, met betrekking tot een wetenschappelijke, technische of juridische discipline.
  De in het buitenland na minstens vier studiejaren uitgereikte diploma's in dezelfde disciplines worden aanvaard mits hun gelijkwaardigheid vooraf door de bevoegde Belgische overheden werd erkend;
  5° een activiteit in verband met uitvindingsoctrooien hebben uitgeoefend waarvan de Koning de duur en de nadere regelen vaststelt;
  6° geslaagd zijn voor een examen over de industriële eigendom en hoofdzakelijk over de uitvindingsoctrooien, af te leggen voor de in artikel XI.67 bedoelde commissie ten laatste twee jaar na de stopzetting van de activiteit bedoeld in 5° van deze paragraaf.
  § 2. Aan de woonplaats- en nationaliteitsvereiste dient niet te worden voldaan door de persoon die daarvan is vrijgesteld, hetzij op grond van een internationaal verdrag, hetzij op grond van een afwijking door de Koning uit hoofde van wederkerigheid toegestaan.
  § 3. De Koning neemt de maatregelen die, inzake toegang tot het beroep van erkende gemachtigde en uitoefening van deze beroepsactiviteit, nodig zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of uit de bepalingen uitgevaardigd krachtens dit Verdrag en die betrekking hebben op de vereisten inzake diploma's, getuigschriften en andere titels.
  Art. XI.67. Bij de FOD Economie wordt een Commissie ingesteld tot erkenning van de gemachtigden die toegelaten worden tot de vertegenwoordiging van natuurlijke en rechtspersonen voor de Dienst in de materies vermeld in artikel XI.62.
  De Commissie heeft tot opdracht :
  1° na te gaan of de personen die in het register van erkende gemachtigden wensen te worden ingeschreven voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel XI.66, § 1, 1° tot en met 5° ;
  2° het in artikel XI.66, § 1, 6°, bedoelde examen af te nemen;
  3° de minister van advies te dienen over de door hem te nemen beslissingen tot inschrijving en doorhaling in het register van erkende gemachtigden.
  Art. XI.68. De Commissie bestaat uit twee afdelingen. De ene behandelt de zaken in de Nederlandse taal, de andere de zaken in de Franse taal.
  De Koning bepaalt de samenstelling en de werkwijze van de Commissie. Hij bepaalt de voorwaarden voor het bij artikel XI.66, § 1, 6°, bedoelde examen. Een lid van de Franse afdeling moet een voldoende kennis van het Duits bezitten.
  De nodige kredieten worden ingeschreven op de begroting van de FOD Economie.
  Art. XI.69. De aanvraag tot inschrijving in het register van erkende gemachtigden wordt aan de minister gericht. Deze geeft ze voor advies door aan de Commissie. Het advies wordt samen met het dossier aan de minister overhandigd.
  Indien de aanvrager de gestelde voorwaarden vervult, doet de minister hem in het register van erkende gemachtigden inschrijven binnen de maand na de ontvangst van het advies. Indien de aanvrager de voorwaarden niet vervult, verwerpt de minister de aanvraag binnen dezelfde termijn. In beide gevallen wordt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte gesteld.
  De beslissing waarbij de minister van het advies van de Commissie afwijkt en deze waarbij hij de aanvraag verwerpt moeten met redenen worden omkleed.
  Art. XI.70. De persoon die in het register van erkende gemachtigden werd ingeschreven met toepassing van artikel 64 van de wet van 1984 op de Belgische uitvoeringsoctrooien, behoudt het voordeel van zijn inschrijving.
  De in het eerste lid bedoelde ingeschreven personen kunnen worden doorgehaald met toepassing van de artikelen XI.71 en XI.72.
  Art. XI.71. Elke in het register van erkende gemachtigden ingeschreven persoon kan de minister verzoeken om zijn naam in dit register door te halen.
  Art. XI.72. In het register van erkende gemachtigden wordt doorgehaald de naam van de persoon :
  1° die overleden is of zich in staat van onbekwaamheid bevindt zoals bedoeld bij artikel XI.75;
  2° die, ingeschreven in het register van erkende gemachtigden bij toepassing van artikel XI.69, de bij de artikel XI.66, § 1, 1° en 2° vastgestelde voorwaarden niet meer vervult of zich niet meer kan beroepen op bepalingen van het internationaal verdrag of op het bestaan van de wederkerigheid als bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel;
  3° die, ingeschreven in het register van erkende gemachtigden bij toepassing van artikel XI.70, niet meer woonachtig is in België of in een lidstaat van de Europese Unie of het voorwerp uitmaakt van een rechterlijke beschermingsmaatregel, bedoeld in artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek;
  4° die, ingeschreven in het register van erkende gemachtigden bij toepassing van artikel XI.70, ambtshalve werd doorgehaald in de lijst van de erkende gemachtigden bij het Europees Octrooibureau wegens één van de vermelde redenen in regel 154, § 2, letter a) tot en met c), van het uitvoeringsreglement bij het Europees Octrooiverdrag of omdat hij het voorwerp is geweest van een tuchtmaatregel welke in uitvoering van artikel 134bis, § 1, letter c) van voornoemd verdrag werd getroffen;
  5° die, bij zijn aanvraag tot inschrijving of bij een aanvraag tot wijziging van zijn inschrijving opzettelijk documenten heeft voorgelegd of verklaringen heeft afgelegd waarvan de inhoud niet met de werkelijkheid overeenstemde;
  6° die een veroordeling heeft opgelopen of het voorwerp is geweest van een maatregel tot ontzetting, als bedoeld in artikel XI.66, § 1, 3° ;
  7° die zich schuldig gemaakt heeft aan een zware tekortkoming in de uitoefening van zijn werkzaamheden van vertegenwoordiging in zaken van uitvindingsoctrooien voor de Dienst.
  De duur van doorhaling bij toepassing van punten 5° tot en met 7° van dit artikel moet minstens één jaar bedragen.
  Art. XI.73. De erkende gemachtigde, wiens inschrijving is doorgehaald, wordt op zijn verzoek opnieuw ingeschreven in het register van de erkende gemachtigden, wanneer de redenen voor de doorhaling niet meer bestaan, wanneer de in artikel XI.72, 4°, bedoelde tuchtmaatregel geen gevolgen meer sorteert of wanneer de termijn van de met toepassing van artikel XI.72, 5° tot en met 7°, genomen maatregel tot doorhaling verstreken is.
  Art. XI.74. In de bij artikel XI.72 bepaalde gevallen, dat van overlijden uitgezonderd, of wanneer op grond van artikel XI.73 om een nieuwe inschrijving wordt verzocht, wint de minister vooraf advies in van de erkenningscommissie.
  Deze stelt de belanghebbende bij een aangetekende zending en, minstens twintig dagen vooraf, in kennis van de vergadering waarop de zaak zal worden behandeld. De belanghebbende kan zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een advocaat of door een erkende gemachtigde.
  Het advies wordt samen met het dossier aan de minister doorgezonden.
  De beslissingen tot doorhaling en tot weigering van een nieuwe inschrijving alsmede die waarbij de minister van het advies van de Commissie afwijkt dienen met redenen te worden omkleed.
  De minister brengt zijn beslissing tot doorhaling, nieuwe inschrijving of weigering van zulke inschrijving onverwijld ter kennis van de betrokkene. Hij gaat over tot de doorhaling of tot de nieuwe inschrijving, naargelang van het geval, binnen de maand na de ontvangst van het advies.
  Art. XI.75. Wanneer een erkend gemachtigde overlijdt of in de onmogelijkheid verkeert zijn vertegenwoordigingsactiviteit uit te oefenen, kunnen de hem bij de Dienst toevertrouwde opdrachten gedurende zes maanden verder worden uitgevoerd door een ander erkende gemachtigde zonder dat deze zijn mandaat dient te bewijzen.
  Art. XI.76. Het register van de erkende gemachtigden berust bij de Dienst waar elke belanghebbende er inzage van kan nemen. Het register is eveneens beschikbaar op de door de Koning aangewezen website.
  Hoofdstuk 4. - Diverse bepalingen
  Art. XI.77. § 1. Wanneer een aanvrager of een houder van een octrooi een termijn voor een handeling in een procedure voor de Dienst niet in acht heeft genomen, en dit verzuim het verlies van rechten ten aanzien van een aanvraag of octrooi tot rechtstreeks gevolg heeft, worden de rechten van de aanvrager of de houder ten aanzien van de desbetreffende aanvraag of het desbetreffende octrooi door de Dienst hersteld indien :
  1° een verzoek daartoe bij de Dienst wordt gedaan overeenkomstig de door de Koning gestelde voorwaarden en binnen de door de Koning bepaalde termijn;
  2° de niet-gestelde handeling moet worden verricht binnen de in 1° vermelde termijn voor de indiening van het verzoek;
  3° in het verzoekschrift de redenen worden vermeld waarom de vastgestelde termijn niet in acht is genomen;
  4° de Dienst vaststelt dat het verzuim de termijn in acht te nemen is ontstaan ondanks dat in het onderhavige geval de nodige zorg is betracht.
  Het verzoek tot herstel wordt in het register ingeschreven.
  Een verklaring of andere bewijzen ter ondersteuning van de onder 3° bedoelde redenen worden bij de Dienst ingediend binnen een door de Koning bepaalde termijn.
  Het verzoekschrift zal pas behandeld worden nadat de voorgeschreven taksen met betrekking tot dit verzoek zijn betaald.
  § 2. Een verzoekschrift uit hoofde van paragraaf 1 kan niet geheel of ten dele worden geweigerd zonder dat de verzoekende partij in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door de Koning bepaalde termijn commentaar te leveren op de voorgenomen weigering.
  Wanneer gevolg wordt gegeven aan het verzoek tot herstel, worden de juridische gevolgen van het verzuim de termijn in acht te nemen, geacht zich niet te hebben voorgedaan.
  De beslissing tot herstel of tot weigering wordt in het register ingeschreven.
  Wanneer gevolg wordt gegeven aan het verzoek tot herstel, onverminderd paragraaf 1, 2°, moet in geval van verval ingevolge het verzuim de termijn bedoeld in artikel XI.48, in acht te nemen, elke jaartaks die, in de loop van de periode beginnend op de datum waarop het verlies van het recht zich voordoet en gaande tot en met de datum waarop de beslissing tot het herstel wordt ingeschreven in het register, zou vervallen zijn, worden gekweten binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf deze laatste datum.
  § 3. Degene die, tussen het moment waarop de rechten, als bepaald in artikel XI.48, § 2, vervallen en dat waarop het herstel van deze rechten uitwerking heeft overeenkomstig paragraaf 2 van dit artikel, in België te goeder trouw gebruik heeft gemaakt van de uitvinding die het voorwerp uitmaakt van het octrooi of daartoe de nodige maatregelen heeft getroffen, mag deze uitvinding blijven gebruiken tot nut van zijn eigen onderneming. Het recht erkend door deze paragraaf mag slechts overgedragen worden met de onderneming waaraan het verbonden is. Voorbehoud wordt gemaakt voor de toepassing van de wet van 10 januari 1955.
  Het voorgaande lid is ook van toepassing wanneer de bescherming voorzien in artikel XI.35, § 1, opnieuw uitwerking heeft ten gevolge van het herstel van de octrooiaanvraag.
  § 4. Een verzoek tot herstel in de rechten als bedoeld in paragraaf 1 is niet ontvankelijk voor :
  1° de termijnen bedoeld in paragraaf 1 en in paragraaf 2, vierde lid;
  2° de termijnen bedoeld in artikel XI.20, §§ 8 tot 10.
  De Koning bepaalt in voorkomend geval andere termijnen dan deze vermeld in het vorige lid, voor dewelke een verzoek tot herstel niet ontvankelijk is.
  Art. XI.78. § 1. De Koning bepaalt het bedrag, de termijn en de wijze van betaling der taksen, bijkomende taksen en vergoedingen waarin bij of krachtens deze titel is voorzien.
  § 2. Wanneer de Dienst in zaken van octrooien bijzondere prestaties levert, kan de Koning voorzien in een vergoeding waarvan Hij het bedrag, de termijn en de wijze van betaling bepaalt. Het bedrag van de bijkomende vergoeding mag in geen geval 125 euro te boven gaan.
  § 3. De Koning kan de taksen, bijkomende taksen en vergoedingen, die Hij aanwijst, verminderen voor de natuurlijke personen, onderdanen van een lidstaat, hetzij van de Europese Economische Ruimte, hetzij van de Wereldhandelsorganisatie, indien hun inkomsten niet de belastingvrije som bepaald in artikel 131 en volgende van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 overschrijden. In voorkomend geval worden de in vreemde munt uitgedrukte inkomsten omgezet in euro tegen de middenkoers van de betrokken munt.
  § 4. De Koning bepaalt de gevallen waarin onverschuldigd betaalde taksen, bijkomende taksen en vergoedingen geheel of gedeeltelijk terugbetaalbaar zijn.
  Art. XI.79. De betaling der taksen en vergoedingen, voorzien bij deze titel of tot de inning waartoe deze titel machtiging verleent, wordt als geldig beschouwd indien ze werd verricht met de inachtneming van het op de betalingsdag van kracht zijnde bedrag.
  Behoudens in deze titel of in haar uitvoeringsbesluiten strijdige bepalingen worden de geïnde taksen en vergoedingen niet teruggestort.
  Art. XI.80. Behalve wanneer anders bepaald, kan de Dienst, wanneer in het kader van artikel XI.50, § 3, eerste lid, of artikel XI.53, tweede lid, een kopie van een origineel document of een uittreksel ervan wordt gevraagd, in geval van gegronde twijfel over de waarachtigheid van de voorgelegde of opgestuurde kopie van het origineel document, of het uittreksel ervan, de uitgever van het origineel document rechtstreeks ondervragen.
  Indien de voormelde bevraging van de uitgever van het origineel document een onevenredig zware last meebrengt voor de Dienst of voor de uitgever van het origineel document, of wanneer een rechtstreeks contact met de uitgever van het origineel document moeilijk blijkt, kan de Dienst de betrokken persoon, bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, om het voorleggen van het origineel document verzoeken. In de aangetekende zending wordt de reden voor het verzoek tot het voorleggen van het origineel document uiteengezet. Zolang het gevraagde originele document niet voorgelegd wordt, is de procedure waarin het voorleggen van het originele document kadert, geschorst.
  Art. XI.81. De Koning bepaalt de modaliteiten volgens dewelke de burgers en de ondernemingen via elektronische weg met de Dienst kunnen communiceren, en documenten en handelingen in elektronische vorm kunnen doorsturen aan de Dienst.
  Hoofdstuk 5. - Europese octrooien
  Art. XI.82. § 1. De octrooiaanvraag verricht volgens de bepalingen van het Europees Octrooiverdrag kan, naar keuze van de aanvrager, ingediend worden hetzij bij de Dienst, hetzij bij het Europees Octrooibureau.
  § 2. De octrooiaanvraag verricht volgens de bepalingen van het Europees Octrooiverdrag, door personen die de Belgische nationaliteit bezitten of hun woonplaats of hun zetel in België hebben en die de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat kan aanbelangen moet bij de Dienst worden ingediend. De bepalingen van de wet van 10 januari 1955 betreffende de bekendmaking en de toepassing der uitvindingen en fabrieksgeheimen welke de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat aanbelangen zijn hierop van toepassing.
  § 3. De Europese octrooiaanvraag verleent niet de in het artikel 64 van het Europees Octrooiverdrag bedoelde bescherming. Een redelijke vergoeding, vastgesteld volgens de omstandigheden, kan echter geëist worden van elke persoon die de uitvinding waarop de aanvraag betrekking heeft in België heeft geëxploiteerd vanaf de dag waarop de conclusies voor het publiek toegankelijk zijn gemaakt bij de Dienst of aan deze persoon zijn verstrekt in één van de officiële nationale talen.
  Art. XI.83. § 1. Indien het door het Europees Octrooibureau verleende Europees octrooi zonder eenheidswerking, of het in stand gehouden Europees octrooi zonder eenheidswerking zoals gewijzigd of beperkt door het Europees octrooibureau, als gevolg van een Europese octrooiaanvraag waarin België werd aangewezen, niet is opgesteld in één van de nationale talen, moet de houder van dit octrooi aan de Dienst een vertaling in één van deze talen van dit verleend, gewijzigd of beperkt Europees octrooi zonder eenheidswerking sturen binnen de termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag van de publicatie van de vermelding van de verlening van het octrooi of desgevallend van de beslissing betreffende de instandhouding van het octrooi in de gewijzigde of beperkte vorm ervan.
  § 2. Wanneer de houder van het octrooi de termijn bedoeld in paragraaf 1 niet in acht heeft genomen en dit verzuim bij toepassing van paragraaf 3 het verlies van rechten ten aanzien van het octrooi tot rechtstreeks gevolg heeft, worden de rechten van de houder ten aanzien van het desbetreffende octrooi door de Dienst hersteld indien :
  1° een verzoek daartoe bij de Dienst wordt gedaan overeenkomstig de door de Koning gestelde voorwaarden en binnen de door de Koning bepaalde termijn;
  2° de niet-gestelde handeling moet worden verricht binnen de in 1° vermelde termijn voor de indiening van het verzoek;
  3° in het verzoekschrift de redenen worden vermeld waarom de in paragraaf 1 bedoelde termijn niet in acht is genomen;
  4° de Dienst vaststelt dat het verzuim de termijn in acht te nemen is ontstaan ondanks dat in het onderhavige geval de nodige zorg is betracht.
  Het verzoek tot herstel wordt in het Register ingeschreven.
  Een verklaring of andere bewijzen ter ondersteuning van de onder 3° bedoelde redenen worden bij de Dienst ingediend binnen een door de Koning bepaalde termijn.
  Het verzoek tot herstel zal pas behandeld worden nadat de voorgeschreven taksen met betrekking tot dit verzoek zijn betaald.
  Een verzoek tot herstel kan niet geheel of ten dele worden geweigerd zonder dat de verzoekende partij in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door de Koning bepaalde termijn commentaar te leveren op de voorgenomen weigering.
  Wanneer gevolg wordt gegeven aan het verzoek, worden de juridische gevolgen van het verzuim de termijn in acht te nemen, geacht zich niet te hebben voorgedaan.
  De beslissing tot herstel of tot weigering wordt in het Register ingeschreven.
  Wanneer gevolg wordt gegeven aan het verzoek tot herstel moet elke jaartaks die in de loop van de periode beginnend op de datum waarop het verlies van het recht zich voordoet en gaande tot en met de datum waarop de beslissing tot het herstel wordt ingeschreven in het register, zou vervallen zijn, worden gekweten binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf deze laatste datum.
  § 2/1. Degene die, tussen het moment waarop de rechten, als bepaald in paragraaf 3, vervallen en dat waarop het herstel van deze rechten uitwerking heeft overeenkomstig § 2, in België te goeder trouw gebruik heeft gemaakt van de uitvinding die het voorwerp uitmaakt van het octrooi of daartoe de nodige maatregelen heeft getroffen, mag deze uitvinding blijven gebruiken tot nut van zijn eigen onderneming. Het recht erkend door deze paragraaf mag slechts overgedragen worden met de onderneming waaraan het verbonden is. Voorbehoud wordt gemaakt voor de toepassing van de wet van 10 januari 1955.
  § 2/2. Het verzoek tot herstel in rechten bedoeld in paragraaf 2 is niet ontvankelijk voor de termijnen bedoeld in dezelfde paragraaf.
  De Koning bepaalt in voorkomend geval andere termijnen dan deze vermeld in het vorige lid, voor dewelke een verzoek tot herstel niet ontvankelijk is.
  § 2/3. De procedure tot herstel van rechten bedoeld in paragraaf 2 is met terugwerkende kracht toepasselijk op de Europese octrooien verleend voor de inwerkingtreding van dit artikel, die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :
  1° het Europees octrooi is niet opgesteld in een nationale taal;
  2° het Europees octrooi wordt in stand gehouden zoals gewijzigd of beperkt;
  3° het Europees octrooi wordt geacht in België geen gevolgen te hebben omwille van het verstrekken van een vertaling van dit octrooi aan de Dienst na het verstrijken van de termijn van drie maanden bedoeld in paragraaf 1 en voor de inwerkingtreding van dit artikel; en
  4° de procedure tot herstel bedoeld in paragraaf 2 is niet van toepassing op dit octrooi op de datum van inwerkingtreding van dit artikel rekening houdend met de termijnen vastgesteld op grond van paragraaf 2,1° ;
  5° het verzoek tot herstel wordt neergelegd bij de Dienst binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit artikel.
  § 3. Indien aan de bepaling van paragraaf 1 geen gevolg wordt gegeven dan wordt het Europees octrooi zonder eenheidswerking geacht in België vanaf het begin geen gevolgen te hebben.
  § 4. De Dienst houdt een register van alle Europese octrooien zonder eenheidswerking bedoeld in paragraaf 1 die gevolgen hebben op het nationaal grondgebied, stelt de tekst of eventueel de vertaling ter beschikking van het publiek en ontvangt de nationale taksen voor de instandhouding van het octrooi voor de jaren die volgen op het jaar waarin de publicatie heeft plaatsgehad van de vermelding van de verlening van het octrooi.
  § 5. De bepalingen van de Overeenkomst betreffende het eengemaakt octrooirecht zijn van toepassing op de Europese octrooien zonder eenheidswerking die op het Belgische grondgebied als een nationaal octrooi van kracht zijn geworden, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 83 (1) tot (3) en (5) van deze Overeenkomst.
  § 6. Wanneer de eenheidswerking van een Europees octrooi is geregistreerd krachtens de Verordening 1257/2012, wordt dit Europees octrooi geacht niet als een nationaal octrooi van kracht te zijn geworden op de datum van de publicatie van de vermelding van de verlening in het Europees Octrooiblad.
  Art. XI.84. De bepalingen van de artikelen XI.82 en XI.83 doen geen afbreuk aan het recht van de nationale rechtbanken om een volledige vertaling te eisen van de aanvraag of van het verleend octrooi in de taal van de gerechtelijke procedure.
  Art. XI.85. De Dienst stelt taaltechnologische diensten die de automatische vertaling van octrooi-informatie mogelijk maken, ter beschikking via een door de Koning aangeduide website waar de Europese octrooiaanvragen en de verleende Europese octrooien onder gelijke voorwaarden kunnen worden geraadpleegd in alle nationale talen.
  De Koning kan de nadere regels en de voorwaarden van terbeschikkingstelling van de bedoelde taaltechnologische diensten verder uitwerken.
  Art. XI.86. § 1. Voor zover een Belgisch octrooi betrekking heeft op een uitvinding waarvoor een Europees octrooi is verleend aan dezelfde uitvinder of aan zijn rechtverkrijgende met dezelfde aanvraagdatum of, indien voorrang is ingeroepen, met dezelfde voorrangsdatum, heeft het Belgisch octrooi voor zover het dezelfde uitvinding als het Europees octrooi beschermt geen rechtsgevolgen meer vanaf hetzij de datum waarop de voor het instellen van oppositie tegen het Europees octrooi vastgestelde termijn is verstreken zonder dat oppositie is ingesteld hetzij de datum waarop de oppositieprocedure is afgesloten waarbij het Europees octrooi is in stand gehouden.
  Het beëindigen of de nietigverklaring van het Europees octrooi op een later tijdstip laat de bepalingen van dit artikel onverlet.
  § 2. De rechtbank van koophandel van Brussel stelt vast dat het Belgisch octrooi opgehouden heeft geheel of gedeeltelijk rechtsgevolgen te hebben in de voorwaarden bepaald in paragraaf 1.
  § 3. Wanneer het arrest of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan dan wordt de vaststelling ingeschreven in het register en ter kennis van het publiek gebracht.
  Art. XI.87. De houder van een Europese octrooiaanvraag kan vragen in de gevallen bedoeld in artikel 135, § 1, onder a, van het Europees Octrooiverdrag de nationale verleningsprocedure voor een Belgisch uitvindingsoctrooi te beginnen. Deze aanvraag zal afgewezen worden indien er niet binnen een termijn van drie maanden na ontvangst door de Dienst, van de aanvraag tot omzetting aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  a) de betaling van de nationale indieningstaks;
  b) de indiening van de tekst van de aanvraag in één van de nationale talen indien de Europese octrooiaanvraag niet gesteld is in één van deze talen.
  Het verslag van nieuwheidsonderzoek kan, indien het is opgesteld door het Europees Octrooibureau gebruikt worden in de verleningsprocedure.
  Art. XI.88. De Koning wijst de nationale autoriteiten aan tot wie het Europees bureau zich kan wenden voor administratieve en gerechtelijke samenwerking in toepassing van artikel 131 van het Europees Octrooiverdrag.
  Art. XI.89. Het verzoek om een technisch advies bedoeld in artikel 25 van het Europees Octrooiverdrag mag rechtstreeks aan het Europees Octrooibureau gestuurd worden.
  Art. XI.90. De Koning kan een vergoeding vaststellen voor de publicatie van de vertalingen en van de gereviseerde vertalingen als vermeld in artikel XI.83 van deze titel.
  Indien er krachtens het eerste lid een vergoeding wordt vastgesteld, dient deze te worden betaald binnen de in artikel XI.83, § 1, van deze titel vermelde termijn.
  De Koning houdt bij het al dan niet bepalen van de vergoeding, en desgevallend bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding, minstens rekening met de volgende criteria :
  1° de toegankelijkheid tot het Belgische octrooisysteem; en
  2° de verhouding tussen de kost voor de Dienst voor het beheer van de in het eerste lid bedoelde vergoeding, en de inkomsten die deze vergoeding genereert.
  Hoofdstuk 6. - Internationale aanvragen
  Art. XI.91. § 1. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 151 van het Europees Octrooiverdrag, treedt de Dienst op als ontvangend bureau in de zin van artikel 2 XV van het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien. De instantie belast met het internationaal nieuwheidsonderzoek en desgevallend, de instantie belast met de internationale voorlopige beoordeling worden door de Koning aangewezen.
  § 2. De internationale aanvraag bedoeld in artikel 2 VII van het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien die de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat kan aanbelangen moet bij de Dienst worden ingediend. De bepalingen van de wet van 10 januari 1955 betreffende de bekendmaking en de toepassing der uitvindingen en fabrieksgeheimen welke de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat aanbelangen zijn hierop van toepassing.
  § 3. Iedere aanwijzing of, desgevallend, iedere keuze van België in een internationale aanvraag wordt aanzien als de aanduiding dat de aanvrager een Europees octrooi wenst te verkrijgen overeenkomstig het Europees Octrooiverdrag.
  Titel 2. - Aanvullende beschermingscertificaten
  Hoofdstuk 1. - Verlening en verlenging van de duur van het certificaat
  Art. XI.92. § 1. De aanvraag van een aanvullende beschermingscertificaat, hierna "certificaat" genoemd, en de aanvraag voor verlenging van de duur worden bij de Dienst ingediend.
  § 2. Het verzoek tot verlening van het certificaat en het verzoek tot verlenging van de duur worden door de aanvrager ondertekend en ingediend bij wege van een formulier dat door de Dienst wordt ter beschikking gesteld, waarvan de minister het model vaststelt.
  § 3. Iedere aanvraag voor een certificaat en iedere aanvraag voor verlenging van de duur ervan geven aanleiding tot betaling van een indieningstaks. Het bewijs van de betaling van deze taks moet ten laatste een maand na indiening van de aanvraag bij de Dienst toekomen.
  Art. XI.93. § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van paragrafen 2 en 3, is de datum van de indiening van een aanvraag voor een certificaat de datum waarop de Dienst alle volgende documenten van de aanvrager heeft ontvangen :
  1° een verklaring dat een certificaat wordt aangevraagd;
  2° gegevens waaruit de identiteit van de aanvrager kan worden vastgesteld en die de Dienst in staat stellen met hem in contact te treden;
  3° gegevens op grond waarvan het basisoctrooi kan worden bepaald.
  § 2. Wanneer de aanvraag niet voldoet aan één of meer van de in paragraaf 1 bepaalde voorwaarden, stelt de Dienst de aanvrager daarvan in kennis en biedt hem de gelegenheid aan om aan deze voorwaarden te voldoen en binnen een termijn van drie maanden opmerkingen voor te leggen.
  Wanneer geen kennisgeving is gedaan omdat de gegevens die de Dienst in staat stellen in contact te treden met de aanvrager niet zijn ingediend, bedraagt de in het eerste lid bedoelde termijn drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de Dienst ten minste één van de in paragraaf 1 bedoelde elementen voor het eerst heeft ontvangen.
  § 3. Wanneer aan één of meer van de in paragraaf 1 bepaalde voorwaarden niet wordt voldaan in de aanvraag zoals deze aanvankelijk werd ingediend, is de datum van indiening, onder voorbehoud van de in tweede lid bepaalde bepalingen, de datum waarop aan alle in paragraaf 1 bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
  Wanneer aan één of meer van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid niet binnen de door de Dienst vastgelegde termijn wordt voldaan, wordt de aanvraag geacht niet te zijn ingediend. Wanneer de aanvraag geacht wordt niet te zijn ingediend, geeft de Dienst de aanvrager, met opgaaf van de redenen, daarvan kennis.
  § 4. Wanneer aan alle in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden wordt voldaan, deelt de Dienst aan de aanvrager de datum van indiening die aan de aanvraag wordt toegekend, mee.
  Art. XI.94. § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de paragrafen 2 en 3, is de datum van de indiening van een aanvraag voor verlenging van de duur de datum waarop de Dienst alle volgende documenten van de aanvrager heeft ontvangen :
  1° een verklaring dat een verlenging van de duur wordt aangevraagd;
  2° gegevens waaruit de identiteit van de aanvrager kan worden vastgesteld en die de Dienst in staat stellen met hem in contact te treden;
  3° gegevens op grond waarvan het certificaat kan worden bepaald.
  § 2. Wanneer de aanvraag niet voldoet aan één of meer van de in paragraaf 1 bepaalde voorwaarden, stelt de Dienst de aanvrager daarvan in kennis en biedt hem de gelegenheid aan om aan deze voorwaarden te voldoen en binnen een termijn van drie maanden opmerkingen voor te leggen.
  Wanneer geen kennisgeving is gedaan omdat de gegevens die de Dienst in staat stellen in contact te treden met de aanvrager niet zijn ingediend, bedraagt de in het eerste lid bedoelde termijn drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de Dienst ten minste één van de in paragraaf 1 bedoelde elementen voor het eerst heeft ontvangen.
  § 3. Wanneer aan één of meer van de in paragraaf 1 bepaalde voorwaarden niet wordt voldaan in de aanvraag zoals deze aanvankelijk werd ingediend, is de datum van indiening, onder voorbehoud van de in tweede lid bepaalde bepalingen, de datum waarop aan alle in paragraaf 1 bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
  Wanneer aan één of meer van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid niet binnen de door de Dienst vastgelegde termijn wordt voldaan, wordt de aanvraag geacht niet te zijn ingediend. Wanneer de aanvraag geacht wordt niet te zijn ingediend, geeft de Dienst de aanvrager, met opgaaf van de redenen, daarvan kennis.
  § 4. Wanneer aan alle in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden wordt voldaan, deelt de Dienst aan de aanvrager de datum van indiening die aan de aanvraag wordt toegekend, mee.
  Art. XI.95. Vermelding van de aanvraag van een certificaat en vermelding van de aanvraag voor verlenging van de duur worden in het register gepubliceerd.
  Art. XI.96. § 1. Indien de aanvraag voor een certificaat niet voldoet aan de voorwaarden die respectievelijk, voor de geneesmiddelen, in artikel 8 van de verordening (EG) Nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen, hierna "verordening 469/2009" benoemd, en, voor de gewasbeschermingsmiddelen, in artikel 8 van de verordening (EG) Nr. 1610/96 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor (gewasbeschermingsmiddelen), hierna "verordening 1610/96" benoemd, bepaald zijn, alsook in artikel XI.92 van dit hoofdstuk, verzoekt de Dienst de aanvrager om de vastgestelde gebreken te herstellen of de indieningstaks te betalen binnen de door de Koning bepaalde termijn. <Erratum, B. St 16-02-2015, p. 12629>
  § 2. Indien niet binnen de voorgeschreven termijn overeenkomstig het in paragraaf 1 bedoelde verzoek de gebreken hersteld zijn, of de indieningstaks alsnog is betaald, wordt de aanvraag verworpen.
  § 3. Paragrafen 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag voor de verlenging van de duur.
  Art. XI.97. De verlening van de certificaten vindt plaats zonder onderzoek van de in respectievelijk artikel 3, c en d, van de verordening 469/2009 voor de geneesmiddelen, en artikel 3, § 1, c en d, van de verordening 1610/1996 voor de gewasbeschermingsmiddelen, vastgestelde voorwaarden.
  Art. XI.98. Vermelding van de afgifte van het certificaat of van de verwerping van de aanvraag van een certificaat en vermelding van de aanvaarding van de verlenging van de duur of van de verwerping van de aanvraag voor verlenging van de duur worden in het register gepubliceerd.
  Art. XI.99. Vermelding van het verval of van de nietigheid van het certificaat en vermelding van de intrekking van de verlenging van de duur worden in het register gepubliceerd door middel van volgende gegevens :
  1° de naam en het adres van de houder van het certificaat;
  2° het nummer van het basisoctrooi;
  3° de titel van de uitvinding.
  Hoofdstuk 2. - Taksen en vergoedingen
  Art. XI.100. De Koning bepaalt het bedrag en de modaliteiten van de betaling van de taksen, bijkomende taksen en vergoedingen verschuldigd voor certificaten en verlenging van de duur.
  Art. XI.101. § 1. Met het oog op de instandhouding ervan geeft iedere aanvraag voor een certificaat of ieder certificaat aanleiding tot de betaling van jaartaksen. De eerste jaartaks is verschuldigd van zodra de wettelijke looptijd van het basisoctrooi verstreken is.
  De betaling van de jaartaks vervalt op de laatste dag van de maand die overeenstemt met de maand waarin de datum van indiening van de aanvraag van het basisoctrooi valt. De jaartaks kan niet geldig worden gekweten meer dan zes maanden vóór de vervaldatum.
  § 2. Wanneer de betaling van de jaartaks niet op de vervaldag werd gekweten, kan deze taks alsnog betaald worden vermeerderd met een toeslag, binnen een respijttermijn van zes maanden te rekenen vanaf de vervaldag van de jaartaks.
  § 3. Het bedrag van de jaartaks en van de toeslag wordt door de Koning vastgesteld bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  § 4. Indien de jaartaks niet betaald wordt binnen de respijttermijn van zes maanden voorzien in paragraaf 2, is de houder van de aanvraag van een certificaat of van het certificaat van rechtswege vervallen verklaard van zijn rechten. Het verval heeft uitwerking op de vervaldatum van de niet betaalde jaartaks. Het verval wordt in het register ingeschreven.
  Hoofdstuk 3. - Herstel
  Art. XI.102. § 1. Wanneer een aanvrager van een certificaat of van een verlenging van de duur of een houder van een certificaat een termijn voor een handeling in een procedure voor de Dienst niet in acht heeft genomen, en dit verzuim het verlies van rechten ten aanzien van een certificaat of van de aanvraag van een certificaat of voor verlenging van de duur tot rechtstreeks gevolg heeft, worden de rechten van de aanvrager of de houder ten aanzien van het desbetreffende certificaat of de desbetreffende aanvraag van een certificaat of voor de verlenging van de duur door de Dienst hersteld indien :
  1° een verzoek daartoe bij de Dienst wordt gedaan overeenkomstig de door de Koning gestelde voorwaarden en binnen de door de Koning bepaalde termijn;
  2° de niet-gestelde handeling wordt verricht binnen de in 1° vermelde termijn voor de indiening van het verzoek;
  3° in het verzoekschrift de redenen worden vermeld waarom de vastgestelde termijn niet in acht is genomen;
  4° de Dienst vaststelt dat het verzuim de termijn in acht te nemen is ontstaan ondanks dat in het onderhavige geval de nodige zorg is betracht.
  Het verzoek tot herstel wordt in het register ingeschreven.
  Een verklaring of andere bewijzen ter ondersteuning van de onder 3° bedoelde redenen worden bij de Dienst ingediend binnen een door de Koning bepaalde termijn.
  Het verzoekschrift zal pas behandeld worden nadat de voorgeschreven taksen met betrekking tot dit verzoek zijn betaald.
  § 2. Een verzoekschrift uit hoofde van paragraaf 1 kan niet geheel of ten dele worden geweigerd zonder dat de verzoekende partij in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door de Koning bepaalde termijn commentaar te leveren op de voorgenomen weigering.
  De beslissing tot herstel of tot weigering wordt in het register ingeschreven.
  § 3. Degene die, tussen het moment waarop de rechten, als bepaald in artikel XI.101, § 4, vervallen en dat waarop het herstel van deze rechten uitwerking heeft overeenkomstig paragraaf 2 van dit artikel, in België te goeder trouw gebruik heeft gemaakt van het product dat het voorwerp uitmaakt van de door het certificaat verleende bescherming of daartoe de nodige maatregelen heeft getroffen, mag dit product blijven gebruiken tot nut van zijn eigen onderneming. Het recht erkend door deze paragraaf mag slechts overgedragen worden met de onderneming waaraan het verbonden is.
  Art. XI.103. Een verzoek tot herstel in de rechten als bedoeld in artikel XI.102, paragraaf 1, is niet ontvankelijk voor :
  1° de termijnen bedoeld in artikel XI.102, paragraaf 1;
  2° de termijnen bedoeld in artikel 7.5. van de verordening 469/2009.
  De Koning bepaalt in voorkomend geval andere termijnen dan deze vermeld in het vorige lid, voor dewelke een verzoek tot herstel niet ontvankelijk is.
  Titel 3. - Kwekersrecht
  Hoofdstuk 1. - Materieel recht
  Afdeling 1. Voorwaarden inzake de verlening van het kwekersrecht
  Art. XI.104. Rassen van alle botanische geslachten en soorten, met inbegrip van onder meer hun hybriden, kunnen het voorwerp uitmaken van een kwekersrecht.
  Art. XI.105. Het kwekersrecht wordt verleend wanneer het ras onderscheidbaar, homogeen, bestendig en nieuw is.
  Bovendien moet het ras worden aangeduid met een benaming in overeenstemming met hetgeen bepaald is in artikel XI.143.
  Art. XI.106. § 1. Een ras wordt als onderscheidbaar beschouwd indien het door de expressie van de eigenschappen die voortvloeit uit een bepaald genotype of combinatie van genotypen, duidelijk te onderscheiden is van elk ander ras waarvan het bestaan op de datum van indiening van de aanvraag zoals bepaald in artikel XI.133, of in voorkomend geval, op de voorrangsdatum zoals bepaald in artikel XI.134, algemeen bekend is.
  § 2. Het bestaan van een ander ras wordt met name als algemeen bekend beschouwd, indien op de datum van indiening van de aanvraag zoals bepaald in artikel XI.133, of in voorkomend geval, op de voorrangsdatum zoals bepaald in artikel XI.134 :
  1° dat andere ras al het voorwerp van een kwekersrecht uitmaakt, of het ras in een officieel rassenregister is opgenomen in enige Staat of in een intergouvernementele organisatie die op dit gebied bevoegd is;
  2° voor dat andere ras al een aanvraag voor het verlenen van een kwekersrecht of tot opneming ervan in een officieel rassenregister is ingediend, mits de aanvraag intussen heeft geleid tot de verlening van de bescherming of tot de inschrijving in het register;
  3° de teelt of de verhandeling van dat andere ras reeds begonnen is;
  4° dat andere ras in een referentiecollectie komt, of in een publicatie nauwkeurig beschreven wordt.
  Art. XI.107. Een ras wordt als homogeen beschouwd indien het voldoende homogeen is in de expressie van de eigenschappen die in aanmerking worden genomen bij het onderzoek van de onderscheidbaarheid, alsmede van elke andere eigenschap die voor de rasbeschrijving wordt gebruikt, behoudens de variatie die mag worden verwacht in verband met de bijzonderheden die eigen zijn aan de vermeerdering ervan.
  Art. XI.108. Een ras wordt als bestendig beschouwd indien de expressie van de eigenschappen die in aanmerking worden genomen bij het onderzoek van de onderscheidbaarheid, alsmede van elke andere eigenschap die voor de rasbeschrijving wordt gebruikt, onveranderd blijft na achtereenvolgende vermeerderingen of, in het geval van een bijzondere vermeerderingscyclus, aan het eind van elke cyclus.
  Art. XI.109. § 1. Een ras wordt als nieuw beschouwd als op de datum van indiening van de aanvraag zoals bepaald in artikel XI.133, of in voorkomend geval, op de voorrangsdatum zoals bepaald in artikel XI.134, geen rascomponenten of oogstmateriaal van het ras door of met toestemming van de kweker aan derden zijn verkocht of anderszins afgestaan, met het oog op exploitatie van het ras :
  1° op het grondgebied van België eerder dan één jaar vóór de bovengenoemde datum;
  2° buiten het grondgebied van België, eerder dan vier jaar of, in het geval van bomen of wijnstokken, eerder dan zes jaar vóór de bovengenoemde datum.
  § 2. Het afstaan van rascomponenten aan een officiële instantie voor wettelijke doeleinden, of aan derden uit hoofde van een overeenkomst of een andere rechtsverhouding uitsluitend met het oog op voortbrenging, vermeerdering, vermenigvuldiging, conditionering of opslag, wordt niet beschouwd als afstand aan derden in de zin van paragraaf 1, voor zover de kweker het uitsluitende beschikkingsrecht over deze en andere rascomponenten behoudt en geen verdere afstand plaatsvindt.
  Deze afstand van rascomponenten wordt echter als afstand in de zin van paragraaf 1 beschouwd indien deze componenten herhaaldelijk worden gebruikt bij de voortbrenging van hybriden en indien er afstand plaatsvindt van rascomponenten of oogstmateriaal van hybriden.
  Deze afstand van rascomponenten door een vennootschap of onderneming in de zin van artikel 54, § 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan een andere dergelijke vennootschap of onderneming wordt niet als afstand aan derden beschouwd indien een van hen geheel deel uitmaakt van de andere, of indien beiden geheel deel uitmaken van een derde dergelijke vennootschap of onderneming, voor zover geen verdere afstand plaatsvindt. Deze bepaling geldt niet voor coöperatieve vennootschappen.
  § 3. De afstand van rascomponenten of oogstmateriaal van het ras die zijn voortgebracht uit planten die worden gekweekt voor de in artikel XI.116, 2° en 3°, genoemde doeleinden en die niet voor verdere vermeerdering worden gebruikt, wordt niet als exploitatie van het ras beschouwd, tenzij met het oog op die afstand wordt verwezen naar het ras.
  Ook wordt geen rekening gehouden met afstand aan derden indien deze hetzij gebeurt in verband met, hetzij als gevolg van het feit dat de kweker het ras heeft gepresenteerd op een officiële of officieel erkende tentoonstelling in de zin van het Verdrag betreffende internationale tentoonstellingen, of op een tentoonstelling in een lidstaat van de Europese Unie en die door die lidstaat officieel als gelijkwaardig is erkend.
  Art. XI.110. De aanvrager duidt het ras aan door een benaming overeenkomstig artikel XI.143.
  Afdeling 2. - Rechthebbenden of rechtverkrijgenden
  Art. XI.111. § 1. Het recht op een kwekersrecht komt toe aan de persoon die het ras heeft gekweekt, of het heeft ontdekt en ontwikkeld, of aan zijn rechthebbende of rechtverkrijgende, die hierna "de kweker" wordt genoemd.
  § 2. Indien het nieuwe ras door twee of meer personen werd gekweekt, of werd ontdekt en ontwikkeld, komt het recht gezamenlijk toe aan deze personen of hun respectievelijke rechthebbenden of rechtverkrijgenden, tenzij anders is overeengekomen.
  § 3. Indien het nieuwe ras door een werknemer in de uitoefening van zijn arbeidscontract werd gekweekt, of werd ontdekt en ontwikkeld, komt dit recht toe aan de werkgever, tenzij anders is overeengekomen.
  Art. XI.112. § 1. Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon of elke instelling, die ingevolge het recht dat op haar van toepassing is met een rechtspersoon gelijk wordt gesteld, kan een aanvraag voor een kwekersrecht indienen.
  § 2. Een aanvraag kan ook door twee of meer aanvragers gezamenlijk worden ingediend.
  Afdeling 3. - Rechtsgevolgen van het kwekersrecht
  Art. XI.113. § 1. Het kwekersrecht heeft als rechtsgevolg dat aan de houder of houders ervan, hierna "de houder" genoemd, het recht wordt voorbehouden om de in paragraaf 2 genoemde handelingen te verrichten.
  § 2. Onverminderd de artikelen XI.115 en XI.116, is de toestemming van de houder vereist voor de volgende handelingen uitgevoerd met betrekking tot rascomponenten, het oogstmateriaal of de producten die rechtstreeks zijn verkregen uit oogstmateriaal van het beschermde ras :
  1° het voortbrengen of de vermeerdering;
  2° het conditioneren ten behoeve van de vermeerdering;
  3° het te koop aanbieden;
  4° het verkopen of op een andere wijze commercialiseren;
  5° de invoer;
  6° de uitvoer;
  7° de opslag voor een van de hierboven genoemde doeleinden.
  De houder kan aan zijn toestemming voorwaarden en beperkingen verbinden.
  § 3. Paragraaf 2 is voor oogstmateriaal slechts van toepassing indien dit werd verkregen door het niet-toegestane gebruik van rascomponenten van het beschermde ras, en tenzij de houder een redelijke mogelijkheid gehad heeft om zijn recht met betrekking tot genoemde rascomponenten uit te oefenen.
  § 4. Paragraaf 2 is van toepassing op producten die rechtstreeks zijn verkregen uit oogstmateriaal van het beschermde ras, indien deze producten werden verkregen door het niet-toegestane gebruik van dit oogstmateriaal, en tenzij de houder een redelijke mogelijkheid gehad heeft om zijn recht met betrekking tot genoemd oogstmateriaal uit te oefenen.
  Art. XI.114. § 1. De bepalingen van artikel XI.113 zijn ook van toepassing :
  1° op rassen die in wezen afgeleid zijn van het beschermde ras als het beschermde ras zelf niet een in wezen afgeleid ras is,
  2° op rassen die, overeenkomstig artikel XI.106, niet duidelijk te onderscheiden zijn van het beschermde ras,
  en
  3° op rassen waarvan de voortbrenging het herhaalde gebruik van het beschermde ras vereist.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 1°, wordt een ras geacht in wezen van een ander ras, hierna "het oorspronkelijke ras", afgeleid te zijn, als
  1° het hoofdzakelijk is afgeleid van het oorspronkelijke ras of van een ras dat zelf hoofdzakelijk is afgeleid van het oorspronkelijke ras,
  2° het duidelijk te onderscheiden is van het oorspronkelijke ras, overeenkomstig artikel XI.106,
  en
  3° afgezien van de afwijkingen die voortvloeien uit de afleiding, het overeenkomt met het oorspronkelijke ras in de expressie van de wezenlijke eigenschappen die het resultaat is van het genotype of van de combinatie van genotypen van het oorspronkelijke ras.
  § 3. In wezen afgeleide rassen kunnen bijvoorbeeld zijn verkregen door middel van de selectie van een natuurlijke of teweeggebrachte mutant of van een somaclonale variant, door de selectie van een individu dat afwijkt van planten van het oorspronkelijke ras, door terugkruisingen of door transformatie door middel van genetische modificatie.
  Art. XI.115. § 1. Onverminderd artikel XI.113, § 2, worden landbouwers gemachtigd om voor vermeerderingsdoeleinden op hun eigen bedrijf, het product te gebruiken van de oogst die zij hebben verkregen door aanplanting op hun eigen bedrijf van teeltmateriaal van een beschermd ras of een ras dat valt onder artikel XI.114.
  § 2. De voorwaarden die uitvoering geven aan de in paragraaf 1 bedoelde afwijking, en die de rechtmatige belangen van de kweker en van de landbouwer beschermen, worden door de Koning vastgesteld.
  Art. XI.116. Het kwekersrecht strekt zich niet uit tot :
  1° handelingen die in de particuliere sfeer en voor niet commerciële doeleinden zijn verricht;
  2° handelingen die voor experimentele doeleinden zijn verricht;
  3° handelingen die zijn verricht ten behoeve van het kweken, of van het ontdekken en ontwikkelen van andere rassen;
  4° handelingen als bedoeld in artikel XI.113, §§ 2, 3 en 4, met betrekking tot die andere rassen, behalve wanneer artikel XI.114 van toepassing is;
  5° handelingen waarvan het verbod inbreuk zou maken op de bepalingen van artikel XI.115 of artikel XI.126.
  Art. XI.117. § 1. Het kwekersrecht strekt zich niet uit tot handelingen betreffende materiaal van het beschermde ras, of van een ras bedoeld in artikel XI.114, dat op het grondgebied van de Europese Unie door de houder, of met diens toestemming, werd gecommercialiseerd, of betreffende materiaal afgeleid van dit materiaal, tenzij die handelingen :
  1° een verdere vermeerdering van het betrokken ras inhouden, tenzij het materiaal juist met het oog op die vermeerdering is afgestaan,
  of
  2° een uitvoer van materiaal van het ras inhouden waardoor de vermeerdering van het ras mogelijk wordt gemaakt naar een land dat geen bescherming kent van rassen van het plantengeslacht of van de plantensoort waartoe het ras behoort, behalve wanneer het uitvoer voor verbruiksdoeleinden betreft.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 wordt met betrekking tot een ras verstaan onder "materiaal" :
  1° de rascomponenten, in welke vorm ook;
  2° het geoogste product, met inbegrip van volledige planten en van plantendelen;
  3° elk product dat rechtstreeks uit het geoogste product is vervaardigd.
  Art. XI.118. § 1. Eenieder die op het grondgebied van België rascomponenten van een beschermd ras of van een ras dat onder de bepalingen van artikel XI.114, valt, voor commerciële doeleinden aanbiedt of aan derden afstaat, is gehouden de rasbenaming te gebruiken die overeenkomstig artikel XI.143 werd goedgekeurd. Bij een schriftelijke vermelding moet de rasbenaming gemakkelijk herkenbaar en duidelijk leesbaar zijn. Als een merk, een handelsnaam of een soortgelijke aanduiding met de vastgestelde rasbenaming verbonden is, moet deze benaming gemakkelijk als zodanig herkenbaar zijn.
  § 2. Paragraaf 1 blijft ook na de beëindiging van het kwekersrecht van toepassing.
  Art. XI.119. § 1. De houder mag een recht dat is verleend met betrekking tot een aanduiding die gelijk is aan de rasbenaming, niet gebruiken om te verhinderen dat die benaming voor dat ras vrij wordt gebruikt, ook niet na beëindiging van het kwekersrecht.
  § 2. Derden mogen een recht dat is verleend met betrekking tot een aanduiding die gelijk is aan de rasbenaming, slechts gebruiken om te verhinderen dat die benaming vrij wordt gebruikt, indien dat recht is verleend voordat de rasbenaming overeenkomstig artikel XI.143 werd vastgesteld.
  § 3. Wanneer een ras onder een kwekersrecht valt, mag op het Grondgebied van de Europese Unie noch de voor dat ras vastgestelde benaming, noch een aanduiding die met die benaming kan worden verward, gebruikt worden in samenhang met een ander ras van dezelfde botanische soort of van een verwante soort, dan wel voor materiaal van dit andere ras.
  De Koning bepaalt de als verwant te beschouwen soorten.
  Afdeling 4. - Duur en beëindiging van het kwekersrecht
  Art. XI.120. Het kwekersrecht duurt tot het einde van het vijfentwintigste kalenderjaar dat volgt op het jaar van verlening van het kwekersrecht; voor de rassen van wijnstokken, bomen en aardappelen duurt het tot het einde van het dertigste kalenderjaar.
  Art. XI.121. § 1. De houder kan afstand doen van het kwekersrecht door een ondertekende en geschreven verklaring te sturen aan de Dienst.
  § 2. De afstand heeft het eind van het kwekersrecht tot gevolg op de datum van ontvangst door de Dienst van de in paragraaf 1 bedoelde verklaring en behoudens zijn inschrijving in het in artikel XI.152 bedoelde register, hierna "het register" genoemd. Indien echter op die dag de jaartaks voor het instandhouden van het kwekersrecht nog niet betaald is, dan heeft het verval van het kwekersrecht uitwerking op het einde van de periode waarvoor de laatste jaartaks betaald werd.
  § 3. De afstand kan niet ingeschreven worden wanneer uit inschrijvingen in het register blijkt dat er personen zijn die, met betrekking tot het kwekersrecht rechten of licenties hebben verkregen, of die een vordering hebben ingesteld tot opeising van het kwekersrecht, tenzij die personen met de afstand instemmen.
  § 4. De bepalingen van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag voor een kwekersrecht.
  Art. XI.122. § 1. Het kwekersrecht wordt door de rechtbank nietig verklaard als :
  1° op het tijdstip van de verlening van het kwekersrecht de in artikel XI.106 of XI.109 bepaalde voorwaarden niet waren vervuld,
  of
  2° indien de verlening van het kwekersrecht voornamelijk was gebaseerd op door de aanvrager verstrekte inlichtingen en documenten, op het tijdstip van de verlening ervan de in de artikelen XI.107 en XI.108 vastgestelde voorwaarden niet daadwerkelijk waren vervuld,
  of
  3° het kwekersrecht werd verleend aan een persoon die daartoe niet gerechtigd was, tenzij het wordt overgedragen aan degene die daartoe recht heeft.
  § 2. Indien het kwekersrecht nietig is verklaard, wordt het geacht van de aanvang af niet de in deze wet omschreven rechtsgevolgen te hebben gehad.
  Art. XI.123. § 1. Indien de in artikel XI.151 voorziene jaartaks niet betaald wordt binnen de gestelde termijn is de houder van rechtswege vervallen verklaard van zijn rechten. Het verval heeft uitwerking op de vervaldatum van de niet betaalde jaartaks.
  § 2. De rechtbank verklaart de houder voor de toekomst van zijn rechten vervallen, indien wordt vastgesteld dat niet langer aan de voorwaarden van artikel XI.107 of XI.108 wordt voldaan.
  Indien wordt vastgesteld dat reeds op een datum vóór de vervallenverklaring niet meer aan deze voorwaarden was voldaan, kan de vervallenverklaring uitwerking hebben vanaf die datum.
  § 3. De Dienst kan de houder voor de toekomst van zijn rechten vervallen verklaren, na hem in gebreke te hebben gesteld en binnen een redelijke termijn die hem betekend wordt :
  1° indien de houder de in artikel XI.144, § 1, bedoelde verplichting niet nagekomen is,
  of
  2° indien de houder een volgens artikel XI.145, § 3, gedaan verzoek van de Dienst met het oog op de controle van de instandhouding van het ras, niet beantwoordt,
  of
  3° indien de Dienst overweegt om de rasbenaming te schrappen en de houder geen andere passende benaming voorstelt.
  § 4. Behalve in de in paragrafen 1 en 2 bedoelde gevallen heeft het verval uitwerking op de datum van de in paragraaf 3 bedoelde betekening, behoudens zijn inschrijving in het register.
  Afdeling 5. - Het kwekersrecht als deel van het vermogen
  Art. XI.124. § 1. De aanvraag voor een kwekersrecht en het kwekersrecht kunnen worden overgedragen aan één of meer rechthebbenden of rechtverkrijgenden.
  § 2. De overdracht onder levenden van een aanvraag of van een kwekersrecht moet op straffe van nietigheid schriftelijk gebeuren.
  § 3. Behoudens andersluidende bepalingen van artikel XI.160, doet de overdracht geen afbreuk aan de rechten door derden verworven vóór de datum van de overdracht.
  § 4. Alle overdrachten moeten, in de door de Koning vastgestelde vormen en termijnen, aan de Dienst worden bekendgemaakt.
  § 5. De overdracht heeft alleen uitwerking jegens de Dienst en kan alleen tegengeworpen worden aan derden vanaf de datum van ontvangst door de Dienst van de bewijsstukken zoals die door de Koning vereist zijn en behoudens de inschrijving ervan in het register. Voordat een overdracht in het register is ingeschreven, kan zij evenwel tegengeworpen worden aan derden die na de datum van de overdracht rechten hebben verworven maar die daarvan kennis hadden toen zij deze rechten verwierven.
  Art. XI.125. § 1. Een aanvraag voor een kwekersrecht of een kwekersrecht kan geheel of gedeeltelijk het voorwerp van contractuele licenties uitmaken. Deze licenties kunnen uitsluitend of niet-uitsluitend zijn.
  § 2. De licenties moeten op straffe van nietigheid schriftelijk worden verleend.
  § 3. De aanvrager of de houder stelt de Dienst onverwijld op de hoogte van de licenties die hij in België verleent, op de door de Koning vastgestelde wijze.
  § 4. De licenties kunnen ten opzichte van de Dienst slechts uitwerking hebben, en aan derden worden tegengesteld, na de ontvangst door de Dienst van de in paragraaf 3 bedoelde kennisgeving en onder voorbehoud van zijn inschrijving in het register. De licentie kan evenwel vóór haar inschrijving in het register tegenstelbaar zijn aan derden die na de datum van afgifte van de licentie rechten hebben verkregen, maar die daarvan kennis hadden toen zij deze rechten verwierven.
  § 5. De aanvrager of de houder kan de uit de aanvraag of uit het kwekersrecht voortvloeiende rechten inroepen tegen een licentiehouder die een van de aan zijn licentie verbonden voorwaarden of beperkingen schendt.
  Art. XI.126. § 1. De minister kan gedwongen licenties verlenen voor de niet-uitsluitende exploitatie van een door kwekersrecht beschermd plantenras :
  1° aan de persoon/personen die daartoe een aanvraag hebben ingediend, op de door de Koning bepaalde wijze, maar slechts uitsluitend om redenen van algemeen belang en onder redelijke voorwaarden. De Koning kan enkele gevallen als voorbeeld van het algemeen belang vermelden;
  2° aan de houder van het kwekersrecht van een in wezen afgeleid ras indien aan de criteria van punt 1° is voldaan;
  3° aan de houder van een octrooi voor een biotechnologische uitvinding wanneer hij deze niet kan exploiteren zonder afbreuk te doen aan een kwekersrecht van eerdere datum, voor zover dat de biotechnologische uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van een aanmerkelijke economische betekenis vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde plantenras, en op voorwaarde dat deze licentie voornamelijk wordt verleend voor de voorziening van de binnenlandse markt;
  4° aan de houder van een octrooi voor een biotechnologische uitvinding, wanneer de houder van een kwekersrecht, overeenkomstig de wettelijke bepalingen inzake uitvindingsoctrooien, een gedwongen licentie heeft verkregen voor de niet-uitsluitende exploitatie van de uitvinding van dit octrooi, omdat hij het kwekersrecht niet kan exploiteren zonder op het octrooi van eerdere datum inbreuk te maken, en op voorwaarde dat deze licentie voornamelijk wordt verleend voor de voorziening van de binnenlandse markt.
  § 2. De in paragraaf 1 bedoelde licentieaanvragers moeten aantonen dat ze zich tevergeefs tot de houder van het kwekersrecht gewend hebben om een licentie in der minne te bekomen.
  § 3. De aanvraag wordt door de minister overgemaakt aan de Commissie voor de gedwongen licenties bedoeld in artikel XI.128, om de betrokkenen te horen, ze zo mogelijk te verzoenen en indien dit niet mogelijk is, de minister een met redenen omkleed advies te verstrekken over de gegrondheid van de aanvraag. De Commissie voegt het dossier van de zaak bij haar advies.
  De minister beslist over het gevolg dat aan de aanvraag zal gegeven worden en maakt zijn beslissing aan de betrokkenen bekend op de door de Koning bepaalde wijze.
  § 4. In het geval bedoeld bij paragraaf 1, 3°, wordt de aanvraag voor een gedwongen licentie gegrond verklaard indien de houder van het heersende kwekersrecht noch de afhankelijkheid van het octrooi van de aanvrager van de licentie betwist, noch zijn geldigheid, noch het feit dat de uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanmerkelijke economische betekenis vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde plantenras.
  Het feit dat de houder van het oudere kwekersrecht de afhankelijkheid ontkent van het octrooi van de aanvrager van de licentie, geeft aan deze laatste van rechtswege de toelating de uitvinding te exploiteren die in zijn eigen octrooi is beschreven evenals het heersende plantenras zonder daarvoor wegens namaak vervolgd te kunnen worden door de houder van het oudere kwekersrecht.
  De betwisting over de geldigheid van het afhankelijke octrooi schorst de administratieve procedure met betrekking tot de erkenning van de gegrondheid van de aanvraag voor een licentie op voorwaarde dat, hetzij een vordering tot nietigverklaring van dit octrooi reeds ingesteld is voor de bevoegde instantie door de houder van het heersend kwekersrecht, hetzij deze een vordering voor de rechtbank instelt tegen de aanvrager van de licentie binnen twee maanden nadat hem kennis gegeven werd van het indienen van een aanvraag voor een licentie.
  De betwisting over de belangrijke technische vooruitgang van aanmerkelijke economische betekenis van het afhankelijk octrooi vergeleken met het in het heersende kwekersrecht beschreven plantenras schorst de administratieve procedure met betrekking tot de erkenning van de gegrondheid van de aanvraag voor een licentie, op voorwaarde dat de houder van het heersend kwekersrecht, binnen twee maanden nadat hem van het indienen van een aanvraag voor een licentie kennis werd gegeven, een verzoekschrift indient bij de rechtbank zetelend zoals in kortgeding. De gerechtelijke beslissing is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
  Het niet in acht nemen van de termijn voorzien in de twee voorgaande leden sluit het recht uit van de houder van het heersende kwekersrecht om zijn betwisting te doen gelden voor de rechtbank.
  § 5. Binnen vier maanden na de mededeling van de beslissing wordt door de houder van het kwekersrecht en de licentiehouder een schriftelijke overeenkomst aangaande de wederzijdse rechten en verplichtingen afgesloten. De minister wordt hiervan in kennis gesteld.
  Bij ontstentenis van een overeenkomst binnen de voormelde termijn worden de wederzijdse rechten en verplichtingen vastgesteld door de rechtbank, zetelend zoals in kort geding, op dagvaarding van de meest gerede partij.
  De griffier zendt kosteloos binnen de maand na de uitspraak een afschrift van het definitieve vonnis naar de minister.
  De wederzijdse rechten en verplichtingen bepalen de aard van de handelingen en houden rekening met de belangen van iedere houder van een kwekersrecht die zou worden benadeeld door het verlenen van de gedwongen licentie. Ze omvatten een tijdslimiet, voorzien de betaling van een toereikende vergoeding aan de houder, en kunnen de houder bepaalde verplichtingen opleggen om het gebruik van de gedwongen licentie mogelijk te maken.
  De persoon aan wie de gedwongen licentie wordt verleend moet over de nodige financiële en technische middelen beschikken om deze licentie te kunnen exploiteren.
  In zover nieuwe elementen zich zouden hebben voorgedaan, kan er, op verzoek van de houder van het kwekersrecht of van de licentiehouder, overgegaan worden tot de herziening van de genomen beslissing voor wat hun wederzijdse verplichtingen betreft en desgevallend ook voor wat de exploitatievoorwaarden betreft. De bevoegdheid om de beslissing te herzien, komt toe aan de autoriteit van wie de beslissing uitging en de te volgen procedure is dezelfde als die welke voorzien is om de beslissing te nemen die het voorwerp is van de herziening.
  § 6. Wanneer een opeisingprocedure die krachtens artikel XI.159, § 1, tegen de houder is ingesteld, in het register is ingeschreven, kan de minister de procedure van verlening van de gedwongen licentie schorsen. Hij kan de procedure slechts hervatten na de inschrijving in het register van de in kracht van gewijsde gegane rechtelijke beslissing of van de beslissing die vaststelt dat de opeisingsprocedure op elke andere wijze is beëindigd.
  Wanneer de overdracht van het kwekersrecht ten opzichte van de Dienst uitwerking heeft, wordt de nieuwe houder, op vraag van de aanvrager, partij in het geding, indien de licentieaanvraag die hij aan de nieuwe houder richtte binnen de twee maanden vanaf de mededeling waarin de Dienst hem in kennis stelt van de inschrijving in het register van de nieuwe houder, niet tot het sluiten van een licentie heeft geleid. De aanvrager van licentie moet bij zijn verzoek voldoende bewijsstukken voegen die het niet-slagen van zijn inspanningen aantonen en, in voorkomend geval, de ten opzichte van de nieuwe houder ondernomen stappen.
  § 7. De minister verleent de gedwongen licentie bij besluit volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten. Het besluit wordt in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
  § 8. Op verzoek van de houder van het kwekersrecht en na kennis hebben gekregen van het advies van de Commissie, kan de minister de gedwongen licentie intrekken, indien uit een in kracht van gewijsde gegaan vonnis blijkt dat de licentiehouder zich ten aanzien van de houder van het kwekersrecht aan een ongeoorloofde handeling schuldig heeft gemaakt dan wel aan zijn verplichtingen tekort is gekomen.
  De beslissing tot intrekking vermeldt in voorkomend geval de reden waarom het advies van de Commissie niet werd gevolgd.
  Het besluit tot intrekking wordt per uittreksel in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
  § 9. Zodra de gedwongen licentie is toegekend, worden de betrekkingen tussen de houder en de licentiehouder, behoudens afwijkingen in het toekenningsbesluit, gelijkgesteld met deze die bestaan bij contractuele licentiegeving-licentieneming.
  Hoofdstuk 2. - De Raad en de Commissie
  Art. XI.127. § 1. Bij de FOD Economie wordt een Raad voor het kwekersrecht, hierna "de Raad" genoemd, ingesteld die samengesteld is uit personen die buitengewoon gekwalificeerd zijn op het gebied van de rechtsgeleerdheid, de genetica, de plantkunde of de fytotechnie.
  § 2. De taak, de samenstelling en de werking van de Raad en van de afdelingen ervan worden door de Koning geregeld. De leden van de Raad worden door de minister benoemd en ontslagen.
  § 3. De werkingskosten van de Raad komen ten laste van de begroting van de in paragraaf 1 bedoelde Federale Overheidsdienst.
  Art. XI.128. § 1. Bij de in artikel XI.127, § 1, bedoelde Federale Overheidsdienst wordt een Commissie voor de gedwongen licenties ingesteld, hierna de Commissie genoemd, die belast is met het uitvoeren van de taken die haar krachtens artikel XI.126 werden toebedeeld.
  De Commissie bestaat uit tien leden benoemd door de minister.
  Acht leden worden in gelijk aantal aangewezen op voorstel van de representatieve organisaties :
  - van de nijverheid en de handel,
  - van de landbouw,
  - van de kleine en middelgrote ondernemingen, en
  - van de consumenten.
  De in vorige alinea bedoelde organisaties worden door de minister aangewezen.
  Twee leden worden onder de leden van de in artikel XI.127 bedoelde Raad aangewezen. Zij blijven lid van de Commissie voor de duur van hun mandaat in de Commissie, onafhankelijk van hun hoedanigheid van lid van de Raad.
  Het mandaat van lid van de Commissie heeft een duur van zes jaar. Het is hernieuwbaar.
  De Commissie wordt voorgezeten door één van zijn leden, door de minister aangewezen voor een hernieuwbare termijn van drie jaar.
  De adviezen worden bij consensus aangenomen. Bij gebrek aan consensus herneemt het advies de verschillende standpunten.
  De Koning bepaalt de modaliteiten van werking en organisatie van de Commissie.
  De Commissie stelt zijn huishoudelijk reglement op. Het treedt in werking na goedkeuring door de minister.
  § 2. Zodra de minister een verzoek tot verlening van een gedwongen licentie ontvangt, wijst hij bij de Commissie één of meer gekwalificeerde beambten aan, die werden gekozen uit de ambtenaren van de FOD Economie.
  De Commissie bepaalt de opdracht van de beambten bedoeld in het eerste lid en stelt de modaliteiten vast volgens de welke deze beambten haar rekenschap van hun opdracht zullen afleggen. De Commissie verduidelijkt de voorwaarden van verzending voor de documenten bedoeld in het vierde lid, met het oog op de bescherming van vertrouwelijke gegevens.
  Deze door de minister daartoe aangestelde beambten zijn bevoegd om alle inlichtingen te verzamelen, en om alle schriftelijke of mondelinge deposities of getuigenverklaringen die zij noodzakelijk achten voor het vervullen van hun opdracht, te ontvangen.
  In de uitoefening van hun ambt mogen deze beambten :
  1° middels een verwittiging van ten minste vijf werkdagen of zonder voorafgaande verwittiging indien zij redenen hebben te geloven dat de stukken die nuttig zijn voor het onderzoek van het verzoek tot gedwongen licentie, het risico lopen vernietigd te worden, tijdens de gewone openings- of werkuren binnentreden in de bureaus, lokalen, werkplaatsen, gebouwen, belendende binnenplaatsen en besloten ruimten waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;
  2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering ter plaatse de documenten, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
  3° monsters nemen op de wijze en onder de door de Koning bepaalde voorwaarden;
  4° tegen ontvangstbewijs, beslag leggen op de onder punt 2 bedoelde documenten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun opdrachten;
  5° deskundigen belasten met door hen bepaalde opdracht, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden.
  Bij ontstentenis van een bevestiging door de voorzitter van de Commissie binnen de vijftien dagen, is het beslag van rechtswege opgeheven. De persoon bij wie beslag op de goederen wordt gelegd kan als gerechtelijke bewaarder ervan aangesteld worden.
  De voorzitter van de Commissie kan het beslag dat hij bevestigd heeft, opheffen in voorkomend geval op verzoek van de eigenaar van de in beslag genomen goederen gericht aan de Commissie.
  Middels een verwittiging van ten minste vijf werkdagen of zonder voorafgaande verwittiging indien zij redenen hebben te geloven in het bestaan van een risico op vernietiging van stukken die nuttig zijn voor het onderzoek van de aanvraag voor een gedwongen licentie, kunnen de aangestelde beambten in bewoonde lokalen binnentreden met voorafgaande machtiging van de voorzitter van de rechtbank van koophandel. De bezoeken in bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur en door minstens twee beambten gezamenlijk plaatsvinden.
  In de uitoefening van hun opdracht kunnen zij de bijstand van diensten van de politie opvorderen.
  De aangestelde beambten oefenen de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de procureur-generaal, onverminderd hun ondergeschiktheid aan hun meerderen in het bestuur.
  § 3. De daartoe aangestelde beambten leggen hun verslag voor aan de Commissie. De Commissie brengt slechts advies uit na de houder van het kwekersrecht en de persoon die de gedwongen licentie aanvraagt of heeft verkregen, te hebben gehoord. Deze personen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of door een persoon die de Commissie voor elke zaak speciaal aanvaardt. De Commissie hoort eveneens de deskundigen en de personen waarvan zij de ondervraging nuttig acht. Zij kan de aangestelde beambten gelasten een aanvullend onderzoek te doen en een bijkomend verslag voor te leggen.
  Ten minste één maand vóór de datum van haar vergadering verwittigt de Commissie bij aangetekende zending de personen die tijdens deze vergadering moeten worden gehoord. In dringende gevallen wordt deze termijn gehalveerd.
  § 4. De werkingskosten van de Commissie komen ten laste van de begroting van de in artikel XI.127, § 1, bedoelde Federale Overheidsdienst.
  Hoofdstuk 3. - De procedure voor de Dienst
  Afdeling 1. - Partijen in de procedure en gemachtigden
  Art. XI.129. § 1. De volgende personen kunnen partij zijn in een procedure voor de Dienst :
  1° de aanvrager van een kwekersrecht;
  2° degene die bezwaar maakt als bedoeld in artikel XI.139, § 1;
  3° de houder;
  4° eenieder wiens aanvraag of verzoek een voorafgaande voorwaarde is voor een beslissing van de Dienst.
  § 2. De Dienst kan elke andere persoon, niet bedoeld in paragraaf 1, maar met een rechtstreeks en individueel belang, op zijn schriftelijk verzoek, toestaan om als partij aan de procedure deel te nemen.
  § 3. Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon en elke instelling die ingevolge het recht dat op haar van toepassing is met een rechtspersoon gelijk wordt gesteld wordt als een persoon in de zin van het bepaalde in de paragrafen 1 en 2 beschouwd.
  Art. XI.130. De Koning bepaalt de modaliteiten waarbij een gemachtigde wordt aangewezen
  Afdeling 2. - De aanvraag
  Art. XI.131. De indiening van de aanvraag voor een kwekersrecht wordt hetzij in persoon, hetzij per post of op enige andere door de Koning bepaalde wijze, bij de Dienst gedaan.
  Art. XI.132. § 1. De aanvraag voor een kwekersrecht moet tenminste bevatten :
  1° een verzoek tot verlening van een kwekersrecht;
  2° de identificatie van de botanische taxon;
  3° gegevens betreffende de identiteit van de aanvrager, of van de gezamelijke aanvragers;
  4° de naam van de kweker alsook een verklaring dat voor zover de aanvrager weet, geen andere personen bij het kweken, of bij het ontdekken en het ontwikkelen van het ras betrokken zijn. Indien de aanvrager niet de kweker is, of indien hij niet de enige kweker is, dient hij de nodige bewijsstukken voor te leggen waarin hij aangeeft op welke grond hij het recht op het kwekersrecht heeft verkregen;
  5° een voorlopige aanduiding van het ras;
  6° een technische beschrijving van het ras;
  7° bijzonderheden over elke eerdere commercialisatie van het ras;
  8° bijzonderheden over elke andere aanvraag die werd ingediend voor het ras.
  § 2. De aanvraag moet voldoen aan de voorwaarden en vormen vastgelegd in deze titel.
  § 3. De Koning kan de elementen, vermeld in paragraaf 1, verduidelijken en aanvullen met andere gegevens.
  § 4. De aanvrager dient een benaming van het ras voor te stellen, die bij de aanvraag kan worden gevoegd.
  Art. XI.133. De datum van indiening van de aanvraag voor een kwekersrecht is de datum waarop een aanvraag overeenkomstig artikel XI.131 door de Dienst ontvangen is, mits de voorwaarden van artikel XI.132, § 1, vervuld zijn, en de krachtens artikel XI.150, § 1, eerste lid, voor de indiening verschuldigde vergoeding betaald is.
  Art. XI.134. § 1. Het recht van voorrang van een aanvraag wordt bepaald op grond van de datum van ontvangst van de aanvraag. Wanneer de aanvragen dezelfde datum van indiening hebben, wordt de voorrang bepaald op grond van de volgorde van ontvangst indien deze kan worden vastgesteld. Zo niet, hebben zij dezelfde voorrang.
  § 2. Indien de aanvrager of zijn rechtsvoorganger in een andere verdragsluitende partij dan België, namelijk een Staat of een intergouvernementele organisatie die lid is van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten, voor het ras een kwekersrecht heeft aangevraagd, en de datum van de aanvraag binnen twaalf maanden na de dag van indiening van de eerste aanvraag is gelegen, heeft de aanvrager, voor zijn aanvraag voor een Belgisch kwekersrecht, recht op voorrang voor de eerste aanvraag, mits deze op de datum van indiening nog geldig is.
  § 3. Het recht van voorrang heeft tot gevolg dat voor de toepassing van de artikelen XI.106, XI.109 en XI.111, de datum van indiening van de eerste aanvraag zal worden beschouwd als datum van indiening voor het Belgische kwekersrecht.
  § 4. Elk beroep op een recht van voorrang vervalt indien de aanvrager niet binnen de drie maanden na de datum van indiening een afschrift van de eerste aanvraag aan de Dienst voorlegt. Als de eerste aanvraag niet in het Frans, in het Nederlands of in het Duits is opgesteld, kan de Dienst bovendien een vertaling van die eerste aanvraag in een van die talen eisen.
  Afdeling 3. - Het onderzoek
  Art. XI.135. § 1. De Dienst onderzoekt :
  1° of de aanvraag aan de in artikel XI.132 bedoelde voorwaarden voldoet;
  2° of, in voorkomend geval, het beroep op voorrang voldoet aan artikel XI.134, §§ 2 en 4;
  en
  3° of de op grond van artikel XI.150, § 1, eerste lid, verschuldigde vergoeding voor indiening is betaald binnen de gestelde termijn.
  § 2. Indien de aanvraag aan de voorwaarden van artikel XI.133, maar niet aan de andere voorwaarden van artikel XI.132, § 2, voldoet, geeft de Dienst de aanvrager de gelegenheid de eventuele vastgestelde gebreken binnen de gestelde termijn te regulariseren.
  § 3. Indien de aanvraag niet aan de voorwaarden van artikel XI.133 voldoet, stelt de Dienst de aanvrager ervan op de hoogte dat zijn aanvraag onvolledig is.
  § 4. In geval van een onvolledige aanvraag is de aanvrager verantwoordelijk voor de eventuele bewaring en terugzending van materiaal en documenten.
  Art. XI.136. § 1. De Dienst onderzoekt, op basis van de in de aanvraag verstrekte gegevens, of het ras overeenkomstig artikel XI.104 het voorwerp van een kwekersrecht kan zijn, of het ras nieuw is overeenkomstig artikel XI.109, en of de aanvrager op grond van artikel XI.112 gerechtigd is tot het indienen van een aanvraag.
  § 2. De Dienst onderzoekt eveneens, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, of de voorgestelde rasbenaming overeenkomstig artikel XI.143 geschikt is.
  § 3. De eerste aanvrager wordt geacht rechthebbende van het kwekersrecht te zijn. Deze bepaling is niet van toepassing wanneer, alvorens een besluit over de aanvraag wordt genomen, uit een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing met betrekking tot een opeising van het recht krachtens artikel XI.159, § 3, blijkt dat de eerste aanvrager geen aanspraak op het recht heeft, of er niet alleen aanspraak op heeft. Wanneer vastgesteld is wie rechthebbende of mederechthebbende is, mogen deze persoon of deze personen een procedure als aanvragers openen.
  Art. XI.137. § 1. Indien de Dienst bij het onderzoek overeenkomstig de artikelen XI.135 en XI.136 geen enkel beletsel voor het verlenen van het kwekersrecht vaststelt, neemt hij de nodige maatregelen opdat het technische onderzoek wordt uitgevoerd.
  § 2. Het technische onderzoek heeft de bedoeling te controleren of de in de artikelen XI.106, XI.107 en XI.108 bedoelde voorwaarden vervuld zijn. Dat onderzoek stelt de Dienst in staat de officiële beschrijving van het ras vast te stellen en een officieel monster ervan te verkrijgen.
  § 3. Het technische onderzoek gebeurt onder de leiding van de Dienst, die zich kan laten bijstaan door de Raad. Het onderzoek dient uitgevoerd te worden in overeenstemming met de door de Dienst en, in voorkomend geval, door de Raad erkende beleidslijnen en in overeenstemming met de door de Dienst gegeven instructies.
  § 4. De Dienst heeft de bevoegdheid om samenwerkingsakkoorden af te sluiten in verband met het technische onderzoek van de rassen en de daartoe vereiste uitvoeringsmaatregelen te nemen.
  § 5. Wanneer krachtens paragraaf 4 teeltproeven en andere noodzakelijke proeven werden uitgevoerd door de dienst van een in artikel XI.134, § 2, verdragsluitende partij, die met de verlening van kwekersrechten van die partij belast is, of door die dienst nog worden uitgevoerd en de resultaten door de Dienst kunnen worden bekomen en van toepassing zijn op de bodem- en klimaatvoorwaarden van België, mag het in artikel XI.138 bedoelde onderzoeksverslag op die resultaten gesteund zijn.
  § 6. Wanneer het vermelde onderzoeksverslag niet gesteund is op de met toepassing van paragraaf 5 bekomen resultaten, wordt het onderzoek gesteund op teeltproeven en andere noodzakelijke proeven uitgevoerd hetzij door de Dienst of door een derde instelling onder contract, hetzij door de aanvrager, op verzoek van de Dienst.
  § 7. De aanvrager dient alle door de Dienst met het oog op het technisch onderzoek gevraagde inlichtingen, documenten of materiaal te verstrekken.
  § 8. Indien de aanvrager zich op grond van artikel XI.134, § 2, op een recht van voorrang beroept, dient hij overeenkomstig artikel XI.133, binnen een termijn van twee jaar na de datum van indiening van de aanvraag het vereiste materiaal en elk ander vereist stuk over te leggen. Indien de eerste aanvraag vóór het verstrijken van de termijn van twee jaar wordt ingetrokken of afgewezen, kan de Dienst eisen dat de aanvrager binnen een bepaalde termijn het materiaal of elk ander vereist stuk overlegt.
  Art. XI.138. § 1. Wanneer het krachtens artikel XI.137, § 1, uitgevoerde technisch onderzoek beëindigd is, maakt het voorwerp uit van een onderzoeksverslag dat aan de Dienst wordt overgemaakt. Indien uit het verslag blijkt dat aan de voorwaarden van de artikelen XI.106, XI.107 en XI.108 is voldaan, wordt een beschrijving van het ras bijgevoegd.
  § 2. Het onderzoeksverslag en de bevindingen van de Dienst betreffende dit onderzoeksverslag en, in voorkomend geval, de bevindingen van de Raad, worden medegedeeld aan de aanvrager.
  § 3. De aanvrager kan inzage nemen van het dossier en opmerkingen indienen.
  § 4. Indien de Dienst van oordeel is dat het onderzoeksverslag niet volstaat om een besluit te nemen met kennis van zaken, kan hij op eigen initiatief, na raadpleging van de aanvrager, of op verzoek van de aanvrager, bepalen dat een aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd. Voor de beoordeling van de resultaten wordt elk aanvullend onderzoek voordat een beslissing uit hoofde van de artikelen XI.141 en XI.142 definitief wordt, beschouwd als deel uitmakend van het in artikel XI.135, bedoelde onderzoek.
  Art. XI.139. § 1. Eenieder kan tegen de verlening van het kwekersrecht schriftelijk bezwaar maken bij de Dienst.
  § 2. Onverminderd artikel XI.153, hebben degenen die bezwaren maken toegang tot de documenten, met inbegrip van de resultaten van het technische onderzoek en, in voorkomend geval, de beschrijving van het ras.
  § 3. Bezwaren kunnen alleen worden gemaakt op grond van het feit dat :
  1° niet aan de in de artikelen XI.106, XI.107, XI.108, XI.109 en XI.111 vermelde voorwaarden is voldaan;
  2° de rasbenaming niet voldoet aan de bepalingen van artikel XI.143.
  § 4. De Koning bepaalt de informatie die de bezwaren moeten bevatten en stelt de termijn vast waarbinnen bezwaren moeten worden gemaakt en de wijze van onderzoek ervan.
  Art. XI.140. Wanneer een bezwaar op grond van het feit dat niet aan de voorwaarden van artikel XI.111, §§ 1, 2 en 3, is voldaan, leidt tot intrekking of afwijzing van de aanvraag voor een kwekersrecht, kan degene die bezwaar heeft gemaakt, indien hij voor hetzelfde ras een aanvraag voor een kwekersrecht heeft ingediend binnen een termijn van een maand na de intrekking of nadat de beslissing tot afwijzing definitief is geworden, eisen dat de datum van indiening van de ingetrokken of afgewezen aanvraag als datum van aanvraag geldt.
  Afdeling 4. - Beslissingen
  Art. XI.141. § 1. De Dienst wijst de aanvraag voor een kwekersrecht af, zodra hij vaststelt dat de aanvrager :
  1° nadat hem de gelegenheid is gegeven gebreken als bedoeld in artikel XI.135, § 2, te regulariseren, dit niet binnen de hem toegestane termijn heeft gedaan;
  of
  2° niet heeft voldaan aan het in artikel XI.137, § 7 of 8, bedoelde verzoek van de Dienst, binnen de bepaalde termijn, tenzij de Dienst heeft ingestemd met het niet-overleggen van inlichtingen, documenten of materiaal;
  of
  3° geen geschikte rasbenaming heeft voorgesteld overeenkomstig artikel XI.143 binnen de door de Dienst bepaalde termijn.
  § 2. De Dienst wijst de aanvraag voor een kwekersrecht eveneens af :
  1° indien hij vaststelt dat niet aan de voorwaarden die hij op grond van artikel XI.136 moet onderzoeken, is voldaan;
  of
  2° indien hij op grond van het in artikel XI.138 bedoelde onderzoeksverslag van oordeel is dat niet aan de voorwaarden van de artikelen XI.106, XI.107 en XI.108 is voldaan.
  Art. XI.142. Indien de Dienst van oordeel is dat de resultaten van het technische onderzoek volstaan om een beslissing over de aanvraag te nemen, verleent hij het kwekersrecht en levert hij een kwekerscertificaat af, voor zover geen beletsel als bedoeld in artikelen XI.139 en XI.141 deze verlening in de weg staat. De beslissing bevat de officiële beschrijving van het ras.
  Art. XI.143. § 1. Wanneer een kwekersrecht wordt verleend, keurt de Dienst voor het betrokken ras de door de aanvrager overeenkomstig artikel XI.132, § 3, voorgestelde rasbenaming goed, indien hij, op basis van het overeenkomstig artikel XI.136, § 2, verrichte onderzoek, van oordeel is dat de benaming geschikt is.
  § 2. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de rasbenaming moet voldoen om geschikt te zijn en de aan het gebruik ervan verbonden voorwaarden.
  § 3. De benaming is bestemd om de generische aanduiding van het ras te worden.
  § 4. De Dienst schrijft de benaming in op hetzelfde tijdstip waarop het kwekersrecht verleend wordt.
  Afdeling 5. - Instandhouding van het kwekersrecht
  Art. XI.144. § 1. De houder dient het beschermde ras of, in voorkomend geval, de erfelijke bestanddelen ervan, in stand te houden gedurende de hele geldigheidsduur van het recht.
  § 2. Van de houder kan geëist worden dat hij zelf instaat voor het voortbestaan van het officiële monster.
  Art. XI.145. § 1. De Dienst kan controleren of het ras, en in voorkomend geval de erfelijke bestanddelen ervan, gedurende de hele duur van de bescherming worden in stand gehouden.
  § 2. De Dienst is bevoegd om samenwerkingsakkoorden af te sluiten in verband met de controle op de instandhouding van de rassen en kan de daartoe vereiste uitvoeringsmaatregelen nemen.
  § 3. Als de Dienst erom verzoekt, moet de houder aan de Dienst of enige door de Dienst aangewezen partij, binnen de gestelde termijn, de voor de controle op de instandhouding van het ras noodzakelijk geachte inlichtingen, documenten of materiaal voorleggen en mag hij het onderzoek van de met het oog op de instandhouding getroffen maatregelen niet beletten.
  § 4. Wanneer er aanwijzingen zijn om te veronderstellen dat het ras niet wordt in stand gehouden en, in voorkomend geval, dat het vermoeden niet wordt tegengesproken door de door de houder in uitvoering van paragraaf 3 verstrekte inlichtingen en documenten, beveelt de Dienst een controle op de instandhouding van het ras en stelt de wijze vast waarop die moet gebeuren.
  De houder moet toestaan dat materiaal van het betrokken ras en de plaats waar het ras in stand wordt gehouden, worden geïnspecteerd, zodat de nodige informatie kan worden verkregen ter beoordeling of het ras in stand gehouden wordt.
  De houder moet de noodzakelijke documentatie bijhouden, zodat kan worden gecontroleerd of de noodzakelijke maatregelen zijn genomen.
  § 5. De controle omvat teeltproeven of andere proeven waarbij het door de houder verstrekte materiaal wordt vergeleken met de officiële beschrijving of met het officiële monster van het ras.
  § 6. Wanneer bij de controle blijkt dat de houder het ras niet in stand heeft gehouden, wordt de houder gehoord, op verzoek van de Dienst of op zijn verzoek, voordat een beslissing houdende verval wordt genomen overeenkomstig artikel XI.123.
  Art. XI.146. De houder dient, op verzoek van de Dienst, aan de Dienst of aan enige door de Dienst aangewezen partij, binnen de gestelde termijn, geschikte monsters van het beschermde ras of, in voorkomend geval, van de erfelijke bestanddelen ervan te verstrekken met het oog op :
  1° de samenstelling of vernieuwing van het officiële monster van het ras,
  of
  2° de uitvoering van vergelijkende rassenonderzoeken ten behoeve van de bescherming.
  Art. XI.147. § 1. De Dienst wijzigt, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, een overeenkomstig artikel XI.143 vastgestelde rasbenaming indien hij vaststelt dat deze benaming niet of niet meer aan de voorwaarden van dit artikel voldoet en, indien de houder, rekening houdend met een vroeger recht van een derde, met de wijziging instemt, of indien een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing het gebruik van de rasbenaming verbiedt aan de houder of aan elke andere persoon die tot gebruik van de rasbenaming verplicht is.
  § 2. De Dienst geeft de houder de gelegenheid een gewijzigde rasbenaming voor te stellen, en zet de procedure voort overeenkomstig artikel XI.143.
  § 3. Tegen de voorgestelde gewijzigde rasbenaming kan overeenkomstig artikel XI.139, § 3, 2°, bezwaar ingeroepen worden.
  Afdeling 6. - Overige procedurevoorschriften
  Art. XI.148. § 1. Wanneer ondanks de in bijzondere omstandigheden betrachte zorg, de aanvrager van een kwekersrecht, de houder of iedere andere partij in een procedure voor de Dienst, niet in staat is geweest tegenover de Dienst een termijn in acht te nemen, kan hij op verzoek in zijn rechten hersteld worden indien de verhindering ingevolge deze wet rechtstreeks het verlies van een recht of van een rechtsmiddel tot gevolg gehad heeft.
  § 2. Het verzoek moet schriftelijk worden ingediend binnen een termijn van twee maanden nadat de verhindering is geëindigd. De niet-gestelde handeling moet gesteld worden binnen deze termijn. Het verzoek is slechts ontvankelijk binnen een termijn van een jaar te rekenen vanaf het verstrijken van de niet in acht genomen termijn.
  § 3. Het verzoek moet met redenen omkleed zijn en de feiten en de rechtvaardigingen aanvoeren waarop het gegrond is. Het verzoek wordt slechts geacht te zijn ingediend nadat de vergoeding tot herstel in de rechten binnen de termijn voorzien in paragraaf 2, werd betaald. De Dienst beslist over het verzoek.
  § 4. Dit artikel is niet van toepassing op de termijnen bedoeld in paragraaf 2, alsmede in artikel XI.134.
  § 5. Wie te goeder trouw materiaal van een ras waarvoor een aanvraag tot verlening van een kwekersrecht is bekendgemaakt of waarvoor een kwekersrecht is verleend, heeft gebruikt of daartoe daadwerkelijke en wezenlijke voorbereidingen heeft getroffen nadat ten aanzien van de aanvraag of van het verleende kwekersrecht een verlies van een recht als bedoeld in paragraaf 1, is ingetreden en voordat herstel in de rechten heeft plaatsgevonden, mag dat gebruik in of ten behoeve van zijn bedrijf voortzetten zonder dat hij enige vergoeding is verschuldigd.
  Art. XI.149. § 1. Wanneer een vordering tot opeising krachtens artikel XI.159, § 3, tegen de aanvrager is ingesteld en deze in het register is ingeschreven, kan de Dienst de procedure schorsen. De Dienst kan de datum vaststellen waarop hij voornemens is de procedure te hervatten.
  § 2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde vordering tot opeising tot een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing heeft geleid, of wanneer er een beslissing die de beëindiging van de vordering op een andere wijze vaststelt, in het register is ingeschreven, hervat de Dienst de procedure. Hij kan de procedure eerder hervatten, maar niet vóór de overeenkomstig paragraaf 1 vastgestelde datum.
  § 3. Wanneer het recht op een kwekersrecht op een derde is overgegaan, en deze overdracht uitwerking heeft ten opzichte van de Dienst, kan de betrokken derde zich in de plaats van de eerste aanvrager stellen, mits hij de Dienst hiervan in kennis stelt binnen een maand nadat de desbetreffende in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing in het register is ingeschreven. Wanneer de oorspronkelijke aanvrager reeds vergoedingen uit hoofde van artikel XI.150 heeft betaald, worden deze geacht te zijn betaald door de tweede aanvrager.
  Afdeling 7. - Vergoedingen en taksen
  Art. XI.150. § 1. De Koning bepaalt het bedrag van de vergoedingen die de aanvrager moet betalen voor de indiening en het onderzoek van zijn aanvraag.
  De Koning bepaalt eveneens :
  1° het bedrag van de vergoedingen verschuldigd voor de inschrijvingen die door de Dienst worden verricht met toepassing van de artikelen XI.124, XI.125 en XI.126,
  2° het bedrag van de vergoedingen verschuldigd voor de door de Dienst afgegeven attesten en afschriften,
  3° het bedrag van de vergoedingen voor de controle op de instandhouding van het ras,
  4° het bedrag van de vergoeding tot herstel in de oorspronkelijke toestand.
  § 2. Indien de vergoedingen die verschuldigd zijn krachtens paragraaf 1, eerste lid, niet worden betaald, wordt de aanvrager geacht aan zijn aanvraag te verzaken.
  § 3. De Koning bepaalt de modaliteiten van inning van de vergoedingen.
  § 4. De vergoedingen zijn niet terugbetaalbaar.
  Art. XI.151. § 1. Met het oog op de instandhouding van het kwekersrecht, rekent de Dienst jaartaksen aan gedurende de duur van het recht.
  § 2. De jaartaks is vooraf te betalen. De betaling vervalt op de laatste dag van de maand van de verjaardag van de verlening van het kwekersrecht.
  De jaartaks voor het eerste jaar wordt betaald vóór het einde van de maand volgend op de maand waarin het kwekersrecht wordt verleend.
  Wanneer de betaling van de jaartaks niet op de vervaldatum werd gekweten, kan deze taks alsnog betaald worden vermeerderd met een toeslag, binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de vervaldag van de jaartaks.
  § 3. De Koning bepaalt het bedrag en de modaliteiten van inning van de jaartaks en de toeslag.
  § 4. De jaartaks is niet terugbetaalbaar.
  Afdeling 8. - Bijhouden van het register
  Art. XI.152. § 1. De Dienst houdt een register bij van de aanvragen voor kwekersrecht en van de verleende kwekersrechten.
  § 2. Het register bevat de volgende inschrijvingen :
  1° aanvragen tot verlening van een kwekersrecht, met vermelding van het taxon en de voorlopige aanduiding van het ras, de datum van indiening en de naam en het adres van de aanvrager, de kweker en eventuele betrokken gemachtigden;
  2° alle gevallen van beëindigingen van procedures betreffende aanvragen voor een kwekersrecht, met vermelding van de onder 1° bedoelde informatie;
  3° voorstellen voor rasbenamingen;
  4° wijzigingen van de identiteit van een aanvrager of diens gemachtigde;
  5° alle betekende overdrachten van een aanvraag, met vermelding van de naam en het adres van de rechthebbenden of rechtverkrijgenden;
  6° alle betekende contractuele licenties, vergezeld van de naam en het adres van de licentiehouders;
  7° alle geschillen over burgerlijke rechten, evenals de in kracht van gewijsde gegane beslissing over deze vordering of elke andere beëindiging van de vordering.
  § 3. Nadat een kwekersrecht is verleend worden bovendien de volgende gegevens in het register ingeschreven :
  1° de soort waartoe het ras behoort en de rasbenaming;
  2° de officiële beschrijving van het ras;
  3° indien een ras, voor de productie van materiaal, het voortdurend gebruik van materiaal van bepaalde componenten vereist, een verwijzing naar die componenten;
  4° de naam en het adres van de houder, van de kweker en van de betrokken gemachtigden;
  5° de datum waarop het kwekersrecht aanvangt en waarop het eindigt, het laatste met vermelding van de reden;
  6° alle betekende overdrachten van een kwekersrecht, met vermelding van de naam en het adres van de rechthebbenden of rechtverkrijgenden;
  7° alle betekende contractuele licenties, met vermelding van de naam en het adres van de licentiehouders;
  8° de gedwongen licenties en de daarop betrekking hebbende beslissingen, met vermelding van de naam en het adres van de licentiehouders;
  9° alle wijzigingen in een kwekersrecht;
  10° indien de houder van een oorspronkelijk ras en de kweker van een ras dat in wezen van het oorspronkelijke is afgeleid, beiden hierom verzoeken, de identificatie van de rassen als zijnde oorspronkelijk en in wezen afgeleid, met inbegrip van de rasbenamingen en de namen van de betrokken partijen. Een verzoek van een van de betrokken partijen is slechts toereikend, indien de partij in kwestie een onbetwistbare erkenning van de andere partij heeft verkregen overeenkomstig artikel XI.161, dan wel indien hij een in een kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing heeft verkregen waarin de betrokken rassen als zijnde oorspronkelijk en in wezen afgeleid, worden geïdentificeerd;
  11° alle geschillen over burgerlijke rechten, evenals de in kracht van gewijsde gegane beslissing over deze vordering of elke andere beëindiging van de vordering.
  § 4. De Koning kan elke verdere bijzonderheid en elke andere voorwaarde betreffende de inschrijving in het register bepalen.
  § 5. De in paragrafen 2, 7°, en 3, 11°, bedoelde inschrijvingen worden uitgevoerd door de griffier van de rechterlijke instantie die over het betrokken geschil uitspraak heeft gedaan, op verzoek van de persoon die de vordering ingediend heeft of van elke belanghebbende.
  § 6. De Dienst kan de officiële beschrijving van het ras wat betreft aantal en aard van de eigenschappen of de vastgestelde expressies van die eigenschappen, ambtshalve en na raadpleging van de houder, aan de voor de beschrijving van rassen van het betrokken taxon geldende beginselen aanpassen, teneinde de beschrijving van het ras met de beschrijvingen van andere rassen van het betrokken taxon te kunnen vergelijken.
  Art. XI.153. § 1. Het in artikel XI.152 genoemde register ligt ter inzage van het publiek, in de kantoren van de Dienst.
  § 2. Elke belanghebbende die daarom verzoekt, kan uittreksels uit het register verkrijgen.
  § 3. Iedereen die een gewettigd belang heeft, kan, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten :
  1° de stukken inkijken die op een aanvraag voor een kwekersrecht betrekking hebben,
  2° de stukken inkijken die op een reeds verleend kwekersrecht betrekking hebben,
  3° de teeltproeven bezoeken met het oog op het technisch onderzoek van een ras,
  en
  4° de teeltproeven bezoeken met het oog op de technische controle op de instandhouding van een ras.
  § 4. Indien voor de voortbrenging van materiaal van het ras materiaal van bepaalde componenten herhaaldelijk moet worden gebruikt, wordt op verzoek van de aanvrager van het kwekersrecht geen publieke inzage gegeven in gegevens betreffende de componenten, noch van de teelt daarvan. Een dergelijk verzoek is niet meer ontvankelijk wanneer er reeds een beslissing is gevallen over de aanvraag van het kwekersrecht.
  Art. XI.154. De inschrijvingen in het register die zijn opgelegd in het artikel XI.152, § 2, en § 3, 1°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°, worden door de Dienst gepubliceerd op de door de Koning vastgestelde wijze.
  Hoofdstuk 4. - Handhaving van de rechten
  Afdeling 1. - Namaak
  Art. XI.155. Wordt beschouwd als namaak :
  1° het verrichten van een handeling bedoeld in artikel XI.113, § 2, met betrekking tot een beschermd ras, zonder daartoe gerechtigd te zijn,
  of
  2° het gebruiken van de rasbenaming in strijd met de voorwaarden van artikel XI.118, § 1,
  of
  3° het gebruik maken van de rasbenaming van een beschermd ras of van een benaming die met die benaming kan worden verward, in strijd met artikel XI.119, § 3.
  Art. XI.156. § 1. De vordering inzake namaak kan ingesteld worden vanaf de dag van de publicatie van de verlening van het kwekersrecht en alleen voor inbreuken gepleegd vanaf deze datum.
  § 2. De houder of de vruchtgebruiker van een octrooi kan een vordering inzake namaak instellen.
  Nochtans mag de houder van een gedwongen licentie toegekend bij toepassing van artikel XI.126, § 1, een vordering inzake namaak instellen indien, na ingebreke gesteld te zijn, de houder of de vruchtgebruiker van het kwekersrecht dergelijke vordering niet instelt.
  De houder van een exclusieve licentie kan een vordering wegens namaak instellen, behoudens andersluidende bepaling in de licentieovereenkomst.
  Elke licentiehouder mag tussenbeide komen in een vordering inzake namaak ingediend door de houder of de vruchtgebruiker, teneinde vergoeding van de door hem geleden schade te verkrijgen.
  Art. XI.157. De houder kan een redelijke vergoeding eisen van eenieder die, in de periode tussen de publicatie van de aanvraag voor het kwekersrecht en de verlening daarvan, een handeling heeft verricht die hem na die periode uit hoofde van het kwekersrecht verboden zou zijn.
  Art. XI.158. De bepalingen van burgerlijk recht die namaak op Belgische kwekersrechten bestraffen, zijn eveneens van toepassing op inbreuken op de communautaire kwekersrechten verleend op grond van de Verordening nr. 2100/94/EG van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht.
  Afdeling 2. - Opeising van het kwekersrecht en identificatie van een ras
  Art. XI.159. § 1. Indien een kwekersrecht is verleend aan een persoon die op grond van artikel XI.111 niet gemachtigd is, kan de rechthebbende, onverminderd alle andere rechten of vorderingen, eisen dat het kwekersrecht aan hem wordt overgedragen.
  § 2. Indien de benadeelde slechts aanspraak kan maken op een deel van het kwekersrecht, kan hij, in overeenstemming met paragraaf 1, eisen dat hem het medehouderschap van het kwekersrecht wordt verleend.
  § 3. Indien een aanvraag tot verlening van een kwekersrecht is ingediend door een persoon die er geen aanspraak op heeft, of die er niet alleen aanspraak op heeft, kan de gemachtigde persoon met betrekking tot die aanvraag op overeenkomstige wijze de in paragrafen 1 en 2 bedoelde vorderingen instellen.
  Art. XI.160. § 1. In geval van volledige verandering van aanvrager of van houder ingevolge een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing naar aanleiding van een vordering tot opeising, vervallen de licenties bij de inschrijving van de rechthebbende in het register.
  § 2. Indien de aanvrager, de houder of een licentiehouder vóór de inleiding van de opeisingprocedure één van de in artikel XI.113, § 2, genoemde handelingen heeft verricht of daartoe daadwerkelijke en wezenlijke voorbereidingen heeft getroffen, mag hij die handelingen voortzetten of verrichten, mits hij de in het register ingeschreven nieuwe aanvrager of houder om verlening van een niet-exclusieve licentie verzoekt.
  § 3. Paragraaf 2 is niet van toepassing indien de aanvrager, de houder of de licentiehouder op het tijdstip waarop hij de handelingen verrichtte of de voorbereidingen daartoe trof, te kwader trouw was.
  Art. XI.161. De houder van een oorspronkelijk ras en de kweker van een ras dat in wezen van een oorspronkelijk ras is afgeleid, kunnen de erkenning eisen van de identificatie van de betrokken rassen als zijnde oorspronkelijk en in wezen afgeleid.
  Afdeling 3. - Verjaring
  Art. XI.162. § 1. Vorderingen op grond van artikelen XI.156 en XI.157 verjaren drie jaar na de datum waarop het kwekersrecht uiteindelijk is verleend en waarop de houder kennis heeft gekregen van de betrokken handeling en van de identiteit van de overtreder, of, bij het ontbreken van dergelijke kennis, dertig jaar na de voltrekking van de handeling.
  § 2. Vorderingen op grond van artikel XI.159, §§ 1 en 2, verjaren vijf jaar na de datum van publicatie van de verlening van het kwekersrecht. Deze bepaling geldt niet indien de houder op het tijdstip van verlening of verkrijging van het kwekersrecht wist dat hij er geen recht op had of dat hij er niet alleen recht op had.
  § 3. Vorderingen op grond van artikel XI.159, § 3, verjaren vijf jaar na de datum van publicatie van de aanvraag voor het kwekersrecht. Deze bepaling geldt niet indien de aanvrager op het tijdstip van de aanvraag of verkrijging van de aanvraag wist dat hij er geen recht op had of dat hij er niet alleen recht op had.
  Titel 4. - Merken en tekeningen of modellen
  Art. XI.163. Onder voorbehoud van de bepalingen met betrekking tot de vordering tot staking zoals in kortgeding bedoeld in boek XVII, titel 1, hoofdstuk 4, en van de bepalingen met betrekking tot de uitoefening van toezicht en de opsporing en vaststelling van de inbreuken en de toepasselijke sancties bedoeld in boek XV, wordt de bescherming van merken en tekeningen of modellen geregeld door het Beneluxverdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), gedaan te Den Haag op 25 februari 2005.
  Titel 5. - Auteursrecht en naburige rechten
  Hoofdstuk 1. - Algemeenheden
  Art. XI.164. Deze titel voorziet in de omzetting van volgende richtlijnen :
  - Richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel;
  - Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken;
  - Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij;
  - Richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk;
  - Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom;
  - Richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten.
  Hoofdstuk 2. - Auteursrecht
  Afdeling 1. - Auteursrecht in het algemeen
  Art. XI.165. § 1. Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren of te laten reproduceren.
  Dat recht omvat onder meer het exclusieve recht om toestemming te geven tot het bewerken of het vertalen van het werk.
  Dat recht omvat ook het exclusieve recht om toestemming te geven tot het verhuren of het uitlenen van het werk.
  Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht om het werk volgens ongeacht welk procedé, met inbegrip van de beschikbaarstelling voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, aan het publiek mede te delen.
  Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht de distributie van het origineel van het werk of van kopieën ervan aan het publiek, door verkoop of anderszins, toe te staan.
  De eerste verkoop of andere eigendomsoverdracht in de Europese Unie van het origineel of een kopie van een werk van letterkunde of kunst door de auteur of met diens toestemming leidt tot uitputting van het distributierecht van dat origineel of die kopie in de Europese Unie.
  § 2. De auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft op dat werk een onvervreemdbaar moreel recht.
  De globale afstand van de toekomstige uitoefening van dat recht is nietig.
  Het omvat ook het recht om het werk bekend te maken.
  Niet bekendgemaakte werken zijn niet vatbaar voor beslag.
  De auteur heeft het recht om het vaderschap van het werk op te eisen of te weigeren.
  Hij heeft het recht op eerbied voor zijn werk en dat maakt het hem mogelijk zich te verzetten tegen elke wijziging ervan.
  Niettegenstaande enige afstand, behoudt hij het recht om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van dit werk dan wel tegen enige andere aantasting van het werk, die zijn eer of zijn reputatie kunnen schaden.
  Art. XI.166. § 1. Na het overlijden van de auteur blijft het auteursrecht gedurende zeventig jaar bestaan ten voordele van de persoon die hij daartoe heeft aangewezen of, indien dat niet is gebeurd, ten voordele van zijn erfgenamen, overeenkomstig artikel XI.171.
  § 2. Onverminderd het tweede en het derde lid van deze paragraaf, wanneer een werk door twee of meer personen samen is gemaakt, genieten al hun rechtverkrijgenden het auteursrecht tot zeventig jaar na de dood van de langstlevende der auteurs.
  De beschermingstermijn van een audiovisueel werk verstrijkt zeventig jaar na de dood van de langstlevende van de volgende personen : de hoofdregisseur, de scenarioschrijver, de tekstschrijver en de auteur van muziekwerken met of zonder woorden die speciaal voor het werk zijn gemaakt.
  De beschermingstermijn van een muziekwerk met tekst bedraagt zeventig jaar na de dood van de langstlevende van de volgende personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen : de tekstschrijver en de componist van het muziekwerk, mits hun beider bijdragen specifiek zijn gecreëerd voor het respectieve muziekwerk met tekst.
  § 3. Voor anonieme of pseudonieme werken bedraagt de duur van de rechten van de auteur zeventig jaar vanaf het tijdstip waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt.
  Indien evenwel het door de auteur aangenomen pseudoniem geen enkele twijfel over zijn identiteit laat of de auteur zijn identiteit tijdens de in het eerste lid vermelde termijn kenbaar maakt, geldt de in paragraaf 1 vastgestelde beschermingstermijn.
  Voor anonieme of pseudonieme werken die niet binnen zeventig jaar na hun totstandkoming op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk zijn gemaakt, vervalt de bescherming bij de uitputting van die termijn.
  § 4. Voor werken die in verschillende banden, delen, nummers of afleveringen gepubliceerd zijn en waarvan de termijn van zeventig jaar ingaat op het tijdstip waarop het werk voor het publiek toegankelijk is gemaakt, loopt de beschermingstermijn voor elk onderdeel afzonderlijk.
  § 5. De beschermingstermijn van foto's die oorspronkelijk zijn, in de zin dat zij een eigen intellectuele schepping van de auteur zijn, wordt vastgesteld overeenkomstig de voorgaande paragrafen.
  § 6. Een ieder die na het verstrijken van de auteursrechtelijke bescherming een niet eerder gepubliceerd werk voor het eerst op geoorloofde wijze publiceert of op geoorloofde wijze aan het publiek meedeelt, geniet een bescherming die gelijkwaardig is met die van de vermogensrechten van de auteur. De beschermingstermijn van deze rechten bedraagt vijfentwintig jaar vanaf het tijdstip waarop het werk voor het eerst op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is.
  § 7. De in dit artikel gestelde termijnen worden berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de rechten doet ontstaan.
  Art. XI.167. § 1. De vermogensrechten zijn roerende rechten die overgaan bij erfopvolging en vatbaar zijn voor gehele of gedeeltelijke overdracht, volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Zij kunnen onder meer worden vervreemd of in een gewone of exclusieve licentie worden ondergebracht.
  Ten aanzien van de auteur worden alle contracten schriftelijk bewezen.
  De contractuele bedingen met betrekking tot het auteursrecht en de exploitatiewijzen ervan moeten restrictief worden geïnterpreteerd. De overdracht van het voorwerp dat een werk omvat, leidt niet tot het recht om het werk te exploiteren; met het oog op de uitoefening van zijn vermogensrechten moet de auteur op een redelijke manier toegang tot zijn werk behouden.
  Voor elke exploitatiewijze moeten de vergoeding voor de auteur, de reikwijdte en de duur van de overdracht uitdrukkelijk worden bepaald.
  De verkrijger van het recht moet het werk overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken exploiteren.
  De overdracht van de rechten betreffende nog onbekende exploitatienormen is nietig, niettegenstaande enige daarmee strijdige bepaling.
  § 2. De overdracht van de vermogensrechten betreffende toekomstige werken geldt slechts voor een beperkte tijd en voor zover het genre van de werken waarop de overdracht betrekking heeft, bepaald is.
  § 3. Wanneer een auteur werken tot stand brengt ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een statuut, kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan de werkgever voor zover uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien en voor zover de creatie van het werk binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst of het statuut valt.
  Wanneer een auteur werken tot stand brengt ter uitvoering van een bestelling, kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan degene die de bestelling heeft geplaatst voor zover deze laatste een activiteit uitoefent in de niet-culturele sector of in de reclamewereld, voor zover het werk bestemd is voor die activiteit en uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien.
  In die gevallen zijn paragraaf 1, vierde tot zesde lid, en § 2 niet van toepassing.
  Het beding waarbij aan de verkrijger van een auteursrecht het recht wordt toegekend om het werk te exploiteren in een vorm die onbekend is op de datum van de arbeidsovereenkomst of van de aanwerving onder statuut, moet uitdrukkelijk zijn en bepalen dat daaraan een aandeel gekoppeld is in de door die exploitatie gemaakte winst.
  De strekking van die overdracht en de wijze waarop ze plaatsvindt, kunnen bij collectieve overeenkomst worden bepaald.
  Art. XI.168. Wanneer het auteursrecht onverdeeld is, wordt de uitoefening ervan bij overeenkomst geregeld. Bij gebreke van een overeenkomst mag geen van de auteurs het recht afzonderlijk uitoefenen, behoudens rechterlijke beslissing in geval van onenigheid.
  Iedere auteur blijft echter vrij om, in zijn naam en zonder tussenkomst van de andere auteurs, wegens inbreuk op het auteursrecht een rechtsvordering in te stellen en voor zijn deel schadevergoeding te eisen.
  De rechter kan te allen tijde de machtiging tot publicatie van het werk afhankelijk stellen van de maatregelen die hij nuttig acht; hij kan, op verzoek van de auteur die zich tegen de publicatie verzet, beslissen dat deze niet zal delen in de kosten en baten van de exploitatie of dat zijn naam niet op het werk zal voorkomen.
  Art. XI.169. Wanneer een werk door twee of meer personen samen is gemaakt, waarbij duidelijk kan worden opgemaakt welke de individuele bijdrage van ieder der auteurs is, mogen de auteurs behoudens andersluidende bepaling in het kader van dit werk met niemand anders samenwerken.
  Zij hebben evenwel het recht om hun bijdrage afzonderlijk te exploiteren, voor zover deze exploitatie het gemeenschappelijke werk niet in het gedrang brengt.
  Art. XI.170. De oorspronkelijke auteursrechthebbende is de natuurlijke persoon die het werk heeft gecreëerd.
  Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt een ieder als auteur aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op het werk, op een reproductie van het werk, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld.
  De uitgever van een anoniem werk of van een werk onder pseudoniem wordt ten aanzien van derden geacht de auteur daarvan te zijn.
  Art. XI.171. Na het overlijden van de auteur worden de rechten bedoeld in artikel XI.165, § 1, tijdens de duur van de bescherming van het auteursrecht, uitgeoefend door zijn erfgenamen of legatarissen, tenzij de auteur ze aan een bepaald persoon heeft toegekend, met inachtneming van het wettelijk voorbehouden erfdeel dat aan de erfgenamen toekomt.
  De rechten, bedoeld in artikel XI.165, § 2, worden na het overlijden van de auteur, uitgeoefend door zijn erfgenamen of legatarissen, tenzij hij daartoe een welbepaald persoon heeft aangewezen.
  Bij onenigheid geldt de regeling van artikel XI.168.
  Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen betreffende de werken van letterkunde
  Art. XI.172. § 1. Onder werken van letterkunde wordt verstaan de geschriften van welke aard ook, alsmede lessen, voordrachten, redevoeringen, preken of andere mondelinge uitingen van de gedachte.
  Redevoeringen uitgesproken in vergaderingen van vertegenwoordigende lichamen, in openbare terechtzittingen van rechtscolleges of in politieke bijeenkomsten mogen evenwel vrijelijk worden gereproduceerd en aan het publiek medegedeeld; alleen de auteur heeft echter het recht om ze afzonderlijk uit te geven.
  § 2. Er bestaat geen auteursrecht op officiële akten van de overheid.
  Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen betreffende de werken van grafische of beeldende kunst
  Art. XI.173. Tenzij anders is overeengekomen, wordt bij de overdracht van een werk van grafische of beeldende kunst aan de verkrijger het recht overgedragen het werk als dusdanig tentoon te stellen, in omstandigheden die geen afbreuk doen aan de eer of de faam van de auteur; de andere auteursrechten worden echter niet overgedragen.
  Tenzij anders is overeengekomen of tenzij andere gebruiken heersen, heeft de overdracht van een werk van grafische of beeldende kunst het verbod tot gevolg om er andere identieke exemplaren van te maken.
  Art. XI.174. De auteur of de eigenaar van een portret dan wel enige andere persoon die een portret bezit of voorhanden heeft, heeft niet het recht het te reproduceren of aan het publiek mede te delen zonder toestemming van de geportretteerde of, gedurende twintig jaar na diens overlijden, zonder toestemming van zijn rechtverkrijgenden.
  Art. XI.175. § 1. Bij elke doorverkoop van een oorspronkelijk kunstwerk waarbij actoren uit de professionele kunsthandel betrokken zijn als verkoper, koper, of tussenpersoon, na de eerste overdracht door de auteur, is door de verkoper aan de auteur een onvervreemdbaar, op de doorverkoopprijs berekend volgrecht verschuldigd, waarvan geen afstand kan worden gedaan, zelfs niet op voorhand.
  In deze afdeling wordt onder "oorspronkelijk kunstwerk" verstaan, een werk van grafische of beeldende kunst, zoals afbeeldingen, collages, schilderingen, tekeningen, gravures, prenten, lithografieën, beeldhouwwerk, tapisserieën, keramische werken, glaswerk en foto's, voorzover dit werk een schepping is van de kunstenaar zelf, of het gaat om een exemplaar dat als oorspronkelijk kunstwerk wordt aangemerkt.
  Kopieën van kunstwerken die onder deze afdeling vallen en die door de kunstenaar zelf of in zijn opdracht in beperkte oplage zijn vervaardigd, worden als oorspronkelijk kunstwerk in de zin van deze afdeling beschouwd. Dergelijke kopieën zijn in de regel genummerd, gesigneerd of door de kunstenaar op andere wijze als authentiek gemerkt.
  § 2. Het volgrecht is evenwel niet van toepassing op een doorverkoop waarbij de verkoper het werk minder dan drie jaar voor de doorverkoop rechtstreeks heeft verkregen van de kunstenaar en de doorverkoopprijs maximaal 10.000 euro bedraagt. De bewijslast dat aan deze voorwaarden is voldaan, rust op de verkoper.
  § 3. Het volgrecht komt toe aan de erfgenamen en andere rechtverkrijgenden van de auteurs overeenkomstig de artikelen XI.166 en XI.171.
  § 4. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten is de reciprociteit van toepassing op het volgrecht.
  Art. XI.176. Het volgrecht wordt berekend op de verkoopprijs exclusief belasting, op voorwaarde dat die minimum 2.000 euro bedraagt. Teneinde verschillen weg te werken die negatieve effecten hebben op de werking van de interne markt, kan de Koning dit bedrag van 2.000 euro wijzigen, zonder evenwel een bedrag hoger dan 3.000 euro te kunnen bepalen. Het bedrag van het volgrecht wordt bepaald als volgt :
  - 4 % van het deel van de verkoopprijs tot en met 50.000 euro;
  - 3 % van het deel van de verkoopprijs van 50.000,01 euro tot en met 200.000 euro;
  - 1 % van het deel van de verkoopprijs van 200.000,01 euro tot en met 350.000 euro;
  - 0,5 % van het deel van de verkoopprijs van 350.000,01 euro tot en met 500.000 euro;
  - 0,25 % van het deel van de verkoopprijs boven 500.000 euro.
  Het maximumbedrag van het recht mag evenwel niet hoger liggen dan 12.500 euro.
  Art. XI.177. § 1. Het volgrecht kan ten aanzien van derden uitsluitend door het in § 2 bepaalde uniek platform worden uitgeoefend.
  Indien de auteur het beheer van zijn rechten niet aan een vennootschap voor het beheer van de rechten heeft opgedragen, wordt het uniek platform geacht met het beheer van zijn rechten te zijn belast. De auteur kan zijn rechten doen gelden binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van de datum van de doorverkoop.
  § 2. Ten behoeve van het beheer van het volgrecht wordt een uniek platform opgericht door de vennootschappen die het volgrecht beheren. De aangifte van de in artikel XI.175, § 1 bepaalde doorverkoop en de betaling van het volgrecht geschieden via dit uniek platform. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden waaraan dit platform moet voldoen.
  Art. XI.178. § 1. Voor de doorverkopen die plaatsvinden in het kader van een openbare veiling zijn de actoren uit de professionele kunsthandel die bij de doorverkoop betrokken zijn als verkoper, koper, of tussenpersoon, de openbare ambtenaar, en de verkoper hoofdelijk verplicht, het uniek platform binnen een maand na de verkoop in kennis te stellen van die verkoop. Zij zijn tevens hoofdelijk verplicht de verschuldigde rechten binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving te betalen via het uniek platform.
  Voor de doorverkopen die niet plaatsvinden in het kader van een openbare veiling, met inbegrip van de verkopen die aanleiding hebben gegeven tot de toepassing van artikel XI.175, § 2, zijn de actoren uit de professionele kunsthandel die bij de doorverkoop betrokken zijn als verkoper, koper, of tussenpersoon, en de verkoper hoofdelijk verplicht het uniek platform binnen de termijn en op de wijze bepaald door de Koning in kennis te stellen van die verkoop. Zij zijn tevens hoofdelijk verplicht de verschuldigde rechten binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving te betalen via het uniek platform.
  De kennisgevingen van de doorverkopen bepaald in het eerste en tweede lid gebeuren vanaf 1 januari 2015 op elektronische wijze bij het uniek platform door middel van een systeem dat aan de door de Koning bepaalde voorwaarden voldoet. De Koning kan de in de vorige zin bepaalde datum aanpassen.
  § 2. De vordering van de auteur verjaart door verloop van vijf jaren te rekenen van de doorverkoop.
  § 3. Bij het verstrijken van de verjaringstermijn bepaald in paragraaf 2, zullen de door de Koning aangewezen beheersvennootschappen de rechten die niet konden worden betaald aan de rechthebbenden, verdelen op de door de Koning bepaalde wijze.
  § 4. Gedurende een periode van drie jaren na de doorverkoop, kan het uniek platform van de actoren uit de professionele kunsthandel, overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels, alle inlichtingen opvragen die noodzakelijk zijn om de inning en verdeling van het volgrecht veilig te stellen.
  De auteurs kunnen tevens, overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels, van het in artikel XI.177, § 2, bepaalde uniek platform alle inlichtingen opvragen die noodzakelijk zijn om de inning en verdeling van het volgrecht veilig te stellen.
  § 5. De in artikel XI.177, § 1 bepaalde beheersvennootschappen maken, volgens de nadere regels en binnen de termijn bepaald door de Koning, op de website van het uniek platform de doorverkopen bekend waarvan zij werden in kennis gesteld.
  Afdeling 4. - Bijzondere bepalingen betreffende de audiovisuele werken
  Art. XI.179. Naast de hoofdregisseur worden ook de natuurlijke personen die tot het werk hebben bijgedragen als auteurs van een audiovisueel werk beschouwd.
  Behoudens tegenbewijs worden geacht auteurs te zijn van een in samenwerking tot stand gebracht audiovisueel werk :
  a) de scenarioschrijver;
  b) de bewerker;
  c) de tekstschrijver;
  d) de grafische ontwerper van animatiewerken of van animatiesequenties in een audiovisueel werk, die een belangrijk deel van dat werk uitmaken;
  e) de auteur van muziekwerken met of zonder woorden die speciaal voor het audiovisueel werk gemaakt zijn.
  De auteurs van het oorspronkelijke werk worden gelijkgesteld met de auteurs van het nieuwe werk als de bijdrage van eerstgenoemden in het nieuwe werk wordt gebruikt.
  Art. XI.180. De auteur die weigert zijn bijdrage tot het audiovisueel werk af te maken of niet bij machte is dat te doen, kan zich niet verzetten tegen het gebruik van zijn bijdrage met het oog op de voltooiing van het werk.
  Voor die bijdrage wordt hij beschouwd als auteur en geniet hij de rechten die daaruit voortvloeien.
  Art. XI.181. Een audiovisueel werk wordt als voltooid beschouwd wanneer de regisseur en de producent de definitieve versie ervan in onderlinge overeenstemming hebben vastgesteld.
  De auteurs kunnen hun morele rechten pas laten gelden na voltooiing van het audiovisueel werk.
  Het is verboden de moederband van die versie te vernietigen.
  Art. XI.182. De auteurs van een audiovisueel werk alsmede de auteurs van een creatief element dat op geoorloofde wijze in een audiovisueel werk is opgenomen of erin is verwerkt, met uitzondering van de auteurs van muziekwerken dragen, behoudens andersluidend beding, aan de producenten het exclusieve recht op de audiovisuele exploitatie van het werk over, met inbegrip van de rechten die voor deze exploitatie noodzakelijk zijn, zoals het recht om het werk van ondertiteling te voorzien of het na te synchroniseren, onverminderd de bepalingen van de artikelen XI.181 en XI.183 van deze titel.
  Art. XI.183. § 1. Behoudens wat betreft de audiovisuele werken die tot de niet-culturele sector of tot de reclamewereld behoren, hebben de auteurs van het audiovisuele werk, voor elke wijze van exploitatie recht op een afzonderlijke vergoeding.
  § 2. Behoudens enig andersluidend beding wordt het bedrag van de vergoeding bepaald in verhouding tot de inkomsten die uit de exploitatie van het audiovisuele werk voortvloeien. In dat geval bezorgt de producent, ten minste eenmaal per jaar aan de auteur een overzicht van hetgeen hij voor elke wijze van exploitatie heeft ontvangen.
  Art. XI.184. Het verlenen van het recht om van een bestaand werk een audiovisuele bewerking te maken, moet geregeld worden in een afzonderlijk contract, los van het uitgavecontract betreffende het werk.
  Degene die het recht heeft verkregen, verbindt zich het werk overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken te exploiteren en, behoudens andersluidend beding, aan de auteur een vergoeding uit te keren die in verhouding staat tot zijn inkomsten.
  Art. XI.185. Het faillissement van de producent, de gerechtelijke reorganisatie die hij heeft verkregen of de invereffeningstelling van zijn bedrijf hebben niet de ontbinding van de contracten met de auteurs van het audiovisueel werk tot gevolg.
  Wanneer de vervaardiging of de exploitatie van het werk wordt voortgezet, moet de curator of de vereffenaar, naar gelang van het geval, alle verplichtingen van de producent ten aanzien van de auteurs nakomen.
  Wordt het bedrijf geheel of gedeeltelijk overgedragen dan wel vereffend, dan moet de curator of de vereffenaar, naar gelang van het geval, een afzonderlijke kavel opmaken voor elk audiovisueel werk waarvan de exploitatierechten kunnen worden overgedragen of geveild.
  Hij moet, op straffe van nietigheid, elke andere producent van het werk, de regisseur en de andere auteurs bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs op de hoogte brengen, ten minste één maand voor de overdracht tot stand komt of voor enige andere verkoop- of veilingsprocedure wordt ingezet.
  De koper is tot dezelfde verplichtingen gehouden als de overdrager.
  De regisseur en, bij diens ontstentenis, de andere auteurs hebben een recht van voorrang op het werk, behalve indien een van de co-producenten verklaart koper te zijn. Bij gebreke van overeenstemming wordt de koopprijs vastgesteld bij rechterlijke beslissing.
  Heeft een van de co-producenten niet verklaard koper te zijn binnen één maand te rekenen van de kennisgeving, dan kan de regisseur gedurende een maand zijn recht van voorrang uitoefenen. Na het verstrijken van die termijn hebben de gezamenlijke auteurs een maand om hun recht van voorrang uit te oefenen.
  Uitoefening van dat recht geschiedt bij deurwaardersexploot of bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs gericht aan de curator of de vereffenaar, naar gelang van het geval.
  Degenen die een recht van voorrang genieten, kunnen daarvan afzien bij deurwaardersexploot of bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs gericht aan de curator.
  Wanneer de producent zijn werkzaamheden sedert meer dan twaalf maanden heeft stopgezet of wanneer de vereffening is bekendgemaakt en meer dan twaalf maanden na de bekendmaking nog niet is overgegaan tot de verkoop van het audiovisueel werk, kan elk van de auteurs van dat werk de ontbinding van zijn contract vorderen.
  Afdeling 5. Bijzondere bepalingen betreffende databanken
  Art. XI.186. Databanken die door de keuze of de rangschikking van de stof een eigen intellectuele schepping van de auteur vormen, worden als zodanig door het auteursrecht beschermd.
  De bescherming van databanken op grond van het auteursrecht geldt niet voor de werken, de gegevens of de elementen zelf en laat de bestaande rechten op de werken, gegevens of andere elementen vervat in de databank onverlet.
  Art. XI.187. Behoudens een andersluidende contractuele of statutaire bepaling, wordt alleen de werkgever geacht verkrijger te zijn van de vermogensrechten met betrekking tot databanken die in de niet culturele nijverheid zijn gemaakt door een of meer werknemers of ambtenaren bij de uitoefening van hun taken, of volgens de onderrichtingen van hun werkgever.
  In verband met het vermoeden van overdracht kunnen de collectieve overeenkomsten de omvang en de wijze daarvan bepalen.
  Art. XI.188. De rechtmatige gebruiker van een databank of van kopieën daarvan kan zonder toestemming van de auteur van de databank alle in artikel XI.165, § 1, bedoelde handelingen verrichten die noodzakelijk zijn om toegang te krijgen tot en normaal gebruik te maken van de inhoud van de databank.
  Voor zover de rechtmatige gebruiker slechts toestemming heeft om een deel van de databank te gebruiken, geldt het eerste lid ook alleen voor dat deel.
  De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn van dwingend recht.
  Afdeling 6. - Uitzonderingen op de vermogensrechten van de auteur
  Art. XI.189. § 1. Het citeren uit een werk dat op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, ten behoeve van kritiek, polemiek, recensie, onderwijs, of in het kader van wetenschappelijke werkzaamheden, maakt geen inbreuk op het auteursrecht, voorzover zulks geschiedt overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken en het beoogde doel zulks wettigt.
  Het citeren bedoeld in het vorige lid moet de bron en de naam van de auteur vermelden, tenzij dit niet mogelijk blijkt.
  § 2. Voor het samenstellen van een bloemlezing bestemd voor het onderwijs dat niet het behalen van een direct of indirect economisch of commercieel voordeel nastreeft is de toestemming vereist van de auteurs uit wier werk op die manier uittreksels worden samengebracht. Is de auteur echter overleden, dan is de toestemming van de rechthebbende niet vereist, op voorwaarde dat de keuze van het uittreksel, alsmede de presentatie en de plaats ervan de morele rechten van de auteur in acht nemen en dat een billijke vergoeding wordt betaald, die door de partijen wordt overeengekomen of anders door de rechter overeenkomstig de eerlijke gebruiken worden vastgesteld.
  § 3. De auteur kan zich niet verzetten tegen tijdelijke reproductiehandelingen van voorbijgaande of bijkomstige aard die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technisch procédé dat wordt toegepast met als enig doel :
  - de doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon; of
  - een rechtmatig gebruik,
  van een beschermd werk, waarbij die handelingen geen zelfstandige economische waarde bezitten.
  Art. XI.190. Wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, kan de auteur zich niet verzetten tegen :
  1° de reproductie en de mededeling aan het publiek, met het oog op informatie, van korte fragmenten uit werken of van integrale werken van grafische of beeldende kunst in een verslag dat over actuele gebeurtenissen wordt uitgebracht;
  De reproductie en de mededeling aan het publiek van het werk bij gelegenheid van een verslag dat over actuele gebeurtenissen wordt uitgebracht overeenkomstig het voorgaande lid, moeten uit een oogpunt van voorlichting gerechtvaardigd zijn, en de bron, waaronder de naam van de auteur, moet vermeld worden, tenzij dit niet mogelijk blijkt.
  2° de reproductie en de mededeling aan het publiek van een werk tentoongesteld in een voor het publiek toegankelijke plaats, wanneer het doel van de reproductie of van de mededeling aan het publiek niet het werk zelf is;
  3° de kosteloze privéuitvoering in familiekring;
  4° de kosteloze uitvoering in het kader van schoolactiviteiten, die zowel binnen als buiten de gebouwen van de onderwijsinstelling kan plaatsvinden;
  5° gedeeltelijke of integrale reproductie op papier of op een soortgelijke drager, van artikelen, van werken van beeldende of grafische kunst, of van korte fragmenten uit andere werken, met behulp van ongeacht welke fotografische techniek of enige andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, met uitzondering van bladmuziek, wanneer die reproductie uitsluitend bestemd is voor privégebruik en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk;
  6° de gedeeltelijke of integrale reproductie op papier of op een soortgelijke drager, van artikelen, van werken van beeldende of grafische kunst, of van korte fragmenten uit andere werken, met behulp van ongeacht welke fotografische techniek of enige andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, voor zover zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en die geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk, en voor zover de bron, waaronder de naam van de auteur, wordt vermeld, tenzij dit niet mogelijk blijkt;
  7° de gedeeltelijke of integrale reproductie op eender welke drager andere dan papier of soortgelijke drager van artikelen, van werken van beeldende of grafische kunst, of van korte fragmenten uit andere werken, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk, en voorzover de bron, waaronder de naam van de auteur, wordt vermeld, tenzij dit niet mogelijk blijkt;
  8° de mededeling van werken wanneer deze mededeling wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht en voorzover deze mededeling verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling, plaatsvindt in het kader van de normale activiteiten van de instelling, enkel wordt uitgevoerd door de gesloten transmissie-netwerken van de instelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk, en voor zover de bron, waaronder de naam van de auteur, wordt vermeld, tenzij dit niet mogelijk blijkt;
  9° de reproductie op eender welke drager andere dan papier of soortgelijke drager, van werken, die in familiekring geschiedt, en alleen daarvoor bestemd is;
  10° een karikatuur, een parodie of een pastische, rekening houdend met de eerlijke gebruiken;
  11° de kosteloze uitvoering van een werk tijdens een publiek examen, wanneer het doel van de uitvoering niet het werk zelf is, maar het beoordelen van de uitvoerder of de uitvoerders van het werk met het oog op het verlenen van een kwalificatiegetuigschrift, diploma of titel binnen een erkende onderwijsvorm;
  12° de reproductie die is beperkt tot een aantal kopieën, bepaald in functie van en gerechtvaardigd door het voor de bewaring van het culturele en wetenschappelijke patrimonium gestelde doel, door voor het publiek toegankelijke bibliotheken, musea, of door archieven die niet het behalen van een direct of een indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, voor zover hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van het werk en geen onredelijke schade wordt berokkend aan de wettige belangen van de auteur.
  De materialen die aldus worden vervaardigd blijven eigendom van deze instellingen, die zichzelf ieder commercieel of winstgevend gebruik ervan ontzeggen.
  De auteur kan hiertoe toegang krijgen, onder strikte inachtneming van de bewaring van het werk en tegen een billijke vergoeding van het werk verricht door deze instellingen;
  13° de mededeling, met inbegrip van de beschikbaarstelling van niet te koop aangeboden of aan licentievoorwaarden onderworpen werken die onderdeel uitmaken van de verzamelingen van voor het publiek toegankelijke bibliotheken, wetenschappelijke- en onderwijsinstellingen, musea of archieven die niet het behalen van een direct of een indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, hierin bestaande dat het werk, via speciale terminals in de gebouwen van die instellingen, voor onderzoek of privéstudie medegedeeld wordt aan of beschikbaar gesteld wordt voor individuele leden van het publiek;
  14° tijdelijke opnamen van werken, gemaakt door omroeporganisaties met hun eigen middelen, met inbegrip van de middelen van een persoon die optreedt namens en onder de verantwoordelijkheid van de omroeporganisaties, ten behoeve van hun eigen uitzendingen;
  15° de reproductie en mededeling aan het publiek van werken ten behoeve van mensen met een handicap, die rechtstreeks met deze handicap verband houden en van niet-commerciële aard zijn en voorzover het wegens de betrokken handicap noodzakelijk is, voor zover hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van het werk en geen onredelijke schade wordt berokkend aan de wettige belangen van de auteur;
  16° de reproductie en de mededeling aan het publiek voor reclamedoeleinden, voor openbare tentoonstellingen of openbare verkopen van artistieke werken, voorzover het noodzakelijk is voor de promotie van die gebeurtenissen, met uitsluiting van enig ander commercieel gebruik;
  17° de reproductie van uitzendingen, door erkende ziekenhuizen, gevangenissen en instellingen voor jeugd- of gehandicaptenzorg, voor zover deze instellingen geen winstoogmerk nastreven en dat deze reproductie is voorbehouden voor het exclusieve gebruik van de daar verblijvende natuurlijke personen.
  Art. XI.191. § 1. In afwijking van artikel XI.190 kan de auteur wanneer de databank wettig openbaar is gemaakt, zich niet verzetten tegen :
  1° de gedeeltelijke of integrale reproductie op papier of op een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, van databanken die op papier of op een soortgelijke drager zijn vastgelegd, wanneer die reproductie uitsluitend bestemd is voor privégebruik en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk;
  2° de gedeeltelijke of integrale reproductie op papier of op een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, en zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk;
  3° de gedeeltelijke of integrale reproductie, op eender welke drager andere dan papier of soortgelijke drager, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, en zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk;
  4° de mededeling van databanken wanneer deze mededeling wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht en voorzover deze verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling, plaatsvindt in het kader van de normale activiteiten van de instelling, enkel wordt uitgevoerd door de gesloten transmissie-netwerken van de instelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk;
  5° de reproductie en de mededeling aan het publiek van een databank wanneer die handelingen worden verricht om de openbare veiligheid te waarborgen of om in een administratieve of gerechtelijke procedure aan te wenden en geen afbreuk doen aan de normale exploitatie van de databank.
  Artikel XI.190, 1 tot 4°, 10° en 11°, is op analoge wijze van toepassing op databanken.
  § 2. Wanneer de databank wordt gereproduceerd of medegedeeld ter illustratie van onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, moeten de naam van de auteur en de benaming van de databank worden vermeld, behalve indien dit onmogelijk blijkt.
  Art. XI.192. § 1. De auteur kan de uitlening van werken van letterkunde, databanken, fotografische werken, partituren van muziekwerken, geluidswerken en audiovisuele werken niet verbieden wanneer die uitlening geschiedt met een educatief of cultureel doel door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht.
  § 2. De uitlening van geluidswerken en audiovisuele werken kan pas plaatsvinden twee maanden na de eerste verspreiding van het werk onder het publiek.
  Na raadpleging van de instellingen en vennootschappen voor het beheer van de rechten, kan de Koning voor alle fonogrammen en eerste vastleggingen van films of voor bepaalde daarvan de in het vorige lid bedoelde termijn verlengen of verkorten.
  § 3. De in paragraaf 1 bedoelde instellingen die door de Koning worden aangewezen, mogen werken van letterkunde, databanken, fotografische werken, geluids- en audiovisuele werken alsook partituren van muziekwerken invoeren die voor het eerst buiten de Europese Unie rechtmatig zijn verkocht en die op het grondgebied van die Unie niet aan het publiek worden verdeeld, ingeval die invoer geschiedt voor openbare uitleningen met een educatief of cultureel doel en voor zover zulks geen betrekking heeft op meer dan vijf exemplaren of partituren van het werk.
  Art. XI.193. De bepalingen van de artikelen XI.189, XI.190, XI.191 en XI.192, §§ 1 en 3, zijn van dwingend recht.
  Afdeling 7. - Gemeenschappelijke bepaling betreffende de geluidswerken en audiovisuele werken
  Art. XI.194. De auteur die zijn recht betreffende de verhuring van een geluidswerk of audiovisueel werk overdraagt of afstaat, behoudt het recht op een billijke vergoeding voor de verhuring.
  Van dat recht kan de auteur geen afstand doen.
  Afdeling 8. - Het uitgavecontract
  Art. XI.195. Het uitgavecontract moet bepalen uit hoeveel exemplaren de eerste oplage minimum zal bestaan.
  Deze verplichting geldt evenwel niet voor het contract waarin bedongen is dat een gewaarborgd minimum van auteursrechten ten laste komt van de uitgever.
  Art. XI.196. § 1. De uitgever moet de exemplaren van het werk binnen de overeengekomen termijn produceren of laten produceren.
  Is in het contract die termijn niet vastgesteld, dan wordt die bepaald overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken.
  Indien de uitgever zijn verplichting niet nakomt binnen de hierboven gestelde termijnen en daarvoor geen wettige reden van verschoning heeft, kan de auteur zijn overgedragen rechten terugnemen, indien binnen zes maanden geen gevolg is gegeven aan een ingebrekestelling die bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs is opgestuurd.
  § 2. De uitgever verbindt zich ertoe, tenzij anders is bepaald, aan de auteur een vergoeding uit te keren die in verhouding staat tot de inkomsten.
  Indien de auteur de uitgaverechten aan de uitgever heeft overgedragen op zodanige voorwaarden dat, gelet op het succes van het werk, de bedongen forfaitaire vergoeding kennelijk niet evenredig is aan de winst bij de exploitatie van dat werk, moet de uitgever, op verzoek van de auteur, de vergoeding wijzigen teneinde hem op billijke wijze te laten delen in de winst. De auteur kan vooraf geen afstand doen van dat recht.
  § 3. De uitgever kan zijn contract niet overdragen zonder instemming van de auteursrechthebbende, tenzij hij tegelijkertijd zijn bedrijf geheel of gedeeltelijk overdraagt.
  Art. XI.197. De uitgever kan na afloop van het contract, gedurende drie jaar de exemplaren die hij nog voorradig heeft, blijven verkopen tegen de normale prijs, tenzij de auteur verkiest die exemplaren zelf op te kopen tegen een prijs die, bij gebreke van overeenstemming, vastgesteld wordt door de rechtbank.
  Art. XI.198. Niettegenstaande enige daarmee strijdige overeenkomst bezorgt de uitgever, ten minste eenmaal per jaar, aan de auteur een overzicht van hetgeen hij voor elke wijze van exploitatie heeft verkocht, ontvangen en overdragen.
  Behoudens in geval van wederuitgave, vervalt deze verplichting voor de uitgever, indien het werk gedurende vijf opeenvolgende jaren op geen enkele wijze wordt geëxploiteerd.
  Art. XI.199. Afgezien van alle andere redenen die de ontbinding van het uitgavecontract rechtvaardigen, kan de auteur de ontbinding vorderen wanneer de uitgever overgaat tot de volledige vernietiging van de exemplaren.
  In geval van ontbinding van het contract heeft de auteur het recht de nog voorradige exemplaren aan te kopen tegen een prijs die door de rechtbank wordt vastgesteld, wanneer de uitgever en de auteur daarover niet tot overeenstemming zijn gekomen.
  Het feit dat de auteur de ontbinding van het contract vordert, kan geen afbreuk doen aan de exploitatiecontracten die de uitgever op geldige wijze met derden heeft gesloten, zij het dat de auteur tegen deze laatsten een rechtstreekse vordering kan instellen tot betaling van de eventueel overeengekomen vergoeding die hem op grond daarvan toekomt.
  Art. XI.200. In geval van faillissement, gerechtelijke reorganisatie of in vereffeningstelling van het bedrijf van de uitgever kan de auteur het oorspronkelijke contract onmiddellijk opzeggen bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs.
  Alle exemplaren, kopieën of reproducties waarop het auteursrecht van toepassing is, moeten bij voorrang aan de auteur te koop worden aangeboden tegen een prijs die, ingeval de curator en de auteur het niet eens kunnen worden, vastgesteld wordt door de rechter bij wie de zaak aanhangig is, op verzoek van de meest gerede partij, nadat de curator of de auteur behoorlijk zijn opgeroepen en, in voorkomend geval, op advies van een of meer deskundigen.
  De auteur verliest zijn recht van voorrang indien hij, binnen dertig dagen na de ontvangst van het aanbod, aan de curator niet te kennen geeft dat hij er gebruik van wil maken. Het aanbod en de aanvaarding moeten, op straffe van nietigheid, worden gedaan bij deurwaardersexploot of bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs. De auteur van het werk kan van zijn recht van voorrang afzien bij deurwaardersexploot of bij een aangetekende zending gericht aan de curator.
  Wordt de in het tweede lid bepaalde procedure gevolgd, dan kan de auteur op dezelfde wijze afzien van het hem gedane aanbod, binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de dag waarop hij door de deskundige of de deskundigen bij een aangetekende zending in kennis is gesteld van het voor eensluidend verklaard afschrift van het rapport.
  De kosten van het deskundigenonderzoek worden verdeeld onder de gezamenlijke schuldeisers en de auteur.
  Afdeling 9. Het opvoeringscontract
  Art. XI.201. Het opvoeringscontract wordt gesloten voor bepaalde tijd of voor het aantal keren dat het werk aan het publiek wordt meegedeeld.
  De vervreemding of de exclusieve licentie die wordt verleend door een auteur met het oog op livevoorstellingen blijft ten hoogste drie jaar gelden; onderbreking van de opvoeringen gedurende twee opeenvolgende jaren doet die rechten van rechtswege vervallen.
  De begunstigde van een opvoeringscontract kan dat contract niet aan een derde overdragen zonder instemming van de auteur, tenzij hij tegelijkertijd zijn bedrijf geheel of gedeeltelijk overdraagt.
  Art. XI.202. De begunstigde van het opvoeringscontract moet aan de auteur of zijn rechtverkrijgenden het exacte programma van de openbare opvoeringen of uitvoeringen meedelen en hun een met bewijsstukken gestaafde staat van zijn inkomsten bezorgen.
  Indien de auteur toestemming heeft gegeven voor de openbare opvoering van een live-voorstelling op zodanige voorwaarden dat, gelet op het succes van het werk, de bedongen forfaitaire vergoeding kennelijk niet evenredig is aan de winst bij de exploitatie van dat werk, moet de begunstigde van het opvoeringscontract, op verzoek van de auteur, de vergoeding wijzigen teneinde hem op billijke wijze te laten delen in de winst. De auteur kan vooraf geen afstand doen van dat recht.
  Hoofdstuk 3. - Naburige rechten
  Afdeling 1. - Algemene bepaling
  Art. XI.203. De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan het auteursrecht. Geen van deze bepalingen mag op zodanige wijze worden uitgelegd dat zij de uitoefening van het auteursrecht beperkt.
  De in dit hoofdstuk erkende naburige rechten zijn roerende rechten die overgaan bij erfopvolging en vatbaar zijn voor gehele of gedeeltelijke overdracht, overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Ze kunnen onder meer worden vervreemd of in een gewone of exclusieve licentie worden ondergebracht.
  Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de uitvoerende kunstenaars
  Art. XI.204. De uitvoerende kunstenaar heeft een onvervreemdbaar moreel recht op zijn prestatie.
  De globale afstand van de toekomstige uitoefening van dat recht is nietig.
  De uitvoerende kunstenaar heeft het recht zijn naam vermeld te zien overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken, almede een onjuiste toeschrijving te verbieden.
  Niettegenstaande enige afstand behoudt de uitvoerende kunstenaar het recht om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van zijn prestatie, dan wel tegen enige andere aantasting ervan die zijn eer of zijn reputatie kunnen schaden.
  Art. XI.205. § 1. Alleen de uitvoerende kunstenaar heeft het recht om zijn prestatie te reproduceren of de reproductie ervan toe te staan, op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk.
  Dat recht omvat onder meer het exclusieve recht om de verhuring of de uitlening ervan toe te staan.
  Alleen hij heeft het recht om zijn prestatie volgens om het even welk procédé, met inbegrip van de beschikbaarstelling voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, aan het publiek mede te delen.
  De rechten van de uitvoerende kunstenaar omvatten onder meer het exclusieve distributierecht dat slechts wordt uitgeput in geval van een eerste verkoop of eerste andere eigendomsoverdracht door de uitvoerende kunstenaar van de reproductie van zijn prestatie in de Europese Unie of met diens toestemming.
  Ook variété- en circusartiesten worden als uitvoerende kunstenaars beschouwd. Aanvullende kunstenaars die volgens de beroepsgebruiken als dusdanig zijn erkend, worden niet als uitvoerende kunstenaars beschouwd.
  § 2. Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt een ieder als uitvoerend kunstenaar aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op de prestatie, op een reproductie van de prestatie, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld.
  § 3. Ten aanzien van de uitvoerende kunstenaar worden alle contracten schriftelijk bewezen.
  De contractuele bedingen met betrekking tot de rechten van de uitvoerende kunstenaar en de exploitatiebewijzen ervan moeten restrictief worden geïnterpreteerd. De overdracht van het voorwerp waarin een vastlegging van de prestatie is geïncorporeerd, leidt niet tot het recht om de prestatie te exploiteren.
  De verkrijger van het recht moet de prestatie overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken exploiteren.
  De overdracht van de rechten betreffende nog onbekende exploitatievormen is nietig, niettegenstaande enige daarmee strijdige bepaling.
  De overdracht van de vermogensrechten betreffende toekomstige prestaties geldt slechts voor een beperkte tijd en voor zover het genre van de prestaties waarop de overdracht betrekking heeft, bepaald is.
  § 4. Wanneer een uitvoerend kunstenaar een prestatie levert ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een statuut, kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan de werkgever voor zover uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien en voor zover de prestatie binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst of het statuut valt.
  Wanneer een uitvoerend kunstenaar een prestatie levert ter uitvoering van een bestelling, kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan degene die de bestelling heeft geplaatst voor zover deze laatste een activiteit uitoefent in de niet-culturele sector of in de reclamewereld, voor zover de prestatie bestemd is voor die activiteit en uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien.
  In die gevallen is paragraaf 3, derde tot vijfde lid, niet van toepassing.
  De strekking van die overdracht en de wijze waarop ze plaatsvindt, kunnen bij collectieve overeenkomst worden bepaald.
  Art. XI.206. § 1. Tenzij anders is overeengekomen, draagt de uitvoerende kunstenaar aan de producent het exclusieve recht van audiovisuele exploitatie van zijn prestatie over, met inbegrip van de voor deze exploitatie noodzakelijke rechten, zoals het recht om het werk van ondertiteling te voorzien of het na te synchroniseren, onverminderd de bepalingen voorzien in de tweede tot en met de vierde paragraaf.
  § 2. De uitvoerende kunstenaar die weigert zijn aandeel in de verwezenlijking van het audiovisuele werk af te maken of niet bij machte is dat te doen, kan zich niet verzetten tegen het gebruik van zijn aandeel met het oog op de voltooiing van het werk. Voor die medewerking wordt hij beschouwd als uitvoerend kunstenaar en geniet hij de rechten die daaruit voortvloeien.
  De uitvoerende kunstenaars kunnen hun morele rechten pas laten gelden na voltooiing van het audiovisueel werk.
  Het is verboden de moederband van die versie te vernietigen.
  § 3. Behoudens wat betreft de prestaties met het oog op de verwezenlijking van audiovisuele werken die tot de niet-culturele sector of tot de reclamewereld behoren, hebben de uitvoerende kunstenaars voor elke wijze van exploitatie recht op een afzonderlijke vergoeding.
  § 4. Behoudens enig andersluidend beding wordt het bedrag van de vergoeding bepaald in verhouding tot de inkomsten die uit de exploitatie van het audiovisuele werk voortvloeien. In dat geval bezorgt de producent ten minste eenmaal per jaar aan de uitvoerende kunstenaar, een overzicht van hetgeen hij voor elke wijze van exploitatie heeft ontvangen.
  Art. XI.207. Gaat het om een live-voorstelling door een ensemble, dan wordt de toestemming gegeven door de solisten, de dirigenten, de regisseurs en, voor de andere uitvoerende kunstenaars, door de directeur van hun groep.
  Art. XI.208. De rechten van de uitvoerende kunstenaar vervallen vijftig jaar na de datum van de prestatie. Indien een vastlegging van de prestatie, op geoorloofde wijze gepubliceerd of aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten vijftig jaar na de datum van het eerste feit.
  Indien echter
  - binnen deze termijn een vastlegging van de uitvoering anders dan op een fonogram op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek medegedeeld is, vervallen de rechten 50 jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek;
  - binnen deze termijn een vastlegging van de uitvoering op een fonogram op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek medegedeeld is, vervallen de rechten zeventig jaar na de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek.
  De in het eerste en tweede lid bepaalde termijnen worden berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de rechten doet ontstaan.
  Na het overlijden van de uitvoerende kunstenaar worden de rechten uitgeoefend door diens erfgenamen of legatarissen, tenzij de uitvoerende kunstenaar ze aan een bepaald persoon heeft toegekend, met inachtneming van het wettelijk voorbehouden erfdeel dat aan de erfgenamen toekomt.
  Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de producenten van fonogrammen en van de eerste vastleggingen van films
  Art. XI.209. § 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel XI.212 en onverminderd het recht van de auteur en van de uitvoerende kunstenaar heeft alleen de producent van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films het recht om zijn prestatie te reproduceren of de reproductie ervan toe te staan, op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk.
  Dat recht omvat tevens het recht om de verhuring of de uitlening ervan toe te staan.
  Het omvat ook het exclusieve distributierecht, dat slechts wordt uitgeput in geval van een eerste verkoop of eerste andere eigendomsoverdracht door de producent van de reproductie van zijn prestatie in de Europese Unie of met diens toestemming.
  Alleen de producent heeft het recht om het fonogram of de eerste vastlegging van de film volgens ongeacht welk procédé aan het publiek mede te delen, met inbegrip van de beschikbaarstelling voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn.
  De rechten van de producenten van eerste vastleggingen van films vervallen vijftig jaar na de vastlegging. Indien de eerste vastlegging van de film binnen deze termijn evenwel op geoorloofde wijze gepubliceerd of aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten vijftig jaar na de datum van het eerste feit.
  De rechten van producenten van fonogrammen vervallen vijftig jaar na de vastlegging. Indien het fonogram echter binnen deze termijn op geoorloofde wijze gepubliceerd is, vervallen de rechten zeventig jaar na de datum van de eerste geoorloofde publicatie. Indien binnen de in de eerste zin bedoelde termijn geen geoorloofde publicatie heeft plaatsgevonden en het fonogram tijdens deze termijn op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld, vervallen de rechten zeventig jaar na de datum van de eerste geoorloofde mededeling aan het publiek.
  Deze termijn wordt berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de rechten doet ontstaan.
  § 2. Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt een ieder als de producent van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op de prestatie, op een reproductie van de prestatie, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld.
  Art. XI.210. § 1. Indien de producent van fonogrammen vijftig jaar nadat het fonogram op geoorloofde wijze is gepubliceerd of, indien het fonogram niet op geoorloofde wijze is gepubliceerd, vijftig jaar nadat het op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld, verzuimt voldoende kopieën van het fonogram ten verkoop aan te bieden of voor het publiek beschikbaar te stellen, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, kan de uitvoerende kunstenaar het contract houdende overdracht van zijn rechten op de vastlegging van zijn uitvoering aan een producent van fonogrammen beëindigen.
  Het recht om het contract houdende overdracht te beëindigen mag worden uitgeoefend indien de producent, binnen een jaar na de kennisgeving door de uitvoerende kunstenaar bij aangetekende zending van zijn voornemen om het contract houdende overdracht te beëindigen als bedoeld in het eerste lid, geen uitvoering geeft aan beide exploitatiehandelingen als bedoeld in het eerste lid.
  De uitvoerende kunstenaar kan geen afstand doen van zijn recht op beëindiging.
  Wanneer een fonogram de vastlegging van uitvoeringen van meerdere uitvoerende kunstenaars bevat, kunnen de uitvoerende kunstenaars hun contracten houdende overdracht, bij gebreke van een overeenkomst tussen hen, elk voor hun bijdrage beëindigen.
  Indien alle contracten houdende overdracht van alle bij het fonogram betrokken uitvoerende kunstenaars overeenkomstig deze paragraaf beëindigd worden, vervallen de rechten van de producent van fonogrammen op het fonogram.
  § 2. Wanneer in een contract houdende overdracht aan de uitvoerende kunstenaar het recht op een niet-periodieke vergoeding wordt toegekend, heeft de uitvoerende kunstenaar recht op een jaarlijkse aanvullende vergoeding van de producent van fonogrammen voor ieder volledig jaar dat direct volgt op het vijftigste jaar nadat het fonogram op geoorloofde wijze is gepubliceerd of, indien het fonogram niet op geoorloofde wijze is gepubliceerd, het vijftigste jaar nadat het op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld.
  De uitvoerende kunstenaar kan geen afstand doen van dit recht op een jaarlijkse aanvullende vergoeding.
  § 3. Het totaalbedrag dat de producent van fonogrammen opzij moet leggen voor het bekostigen van de in paragraaf 2 bedoelde jaarlijkse aanvullende vergoeding komt overeen met 20 % van de inkomsten die de producent van fonogrammen tijdens het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor voornoemde vergoeding wordt betaald, heeft verkregen uit de reproductie, verspreiding en beschikbaarstelling van het betrokken fonogram, volgend op het vijftigste jaar nadat het op geoorloofde wijze is gepubliceerd of, indien het fonogram niet op geoorloofde wijze is gepubliceerd, het vijftigste jaar nadat het op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld.
  De producenten van fonogrammen zijn verplicht om op verzoek van de krachtens paragraaf 4 aangewezen beheersvennootschap, in het belang van de uitvoerende kunstenaars die recht hebben op de jaarlijkse aanvullende vergoeding als bedoeld in paragraaf 2, die vennootschap alle informatie te verstrekken die nodig kan zijn om betaling van die vergoeding te garanderen.
  Indien de producenten van fonogrammen de in het tweede lid bedoelde informatie niet verstrekken, kan de krachtens paragraaf 4 aangewezen beheersvennootschap de vordering tot staking instellen, als bedoeld in artikel XI.336 en XVII.14, om van de rechter te verkrijgen dat hij beveelt tot het verstrekken van de in het tweede lid bedoelde informatie.
  De plicht tot beroepsgeheim bedoeld in artikel XI.281 geldt voor de personeelsleden van de krachtens paragraaf 4 aangewezen beheersvennootschap, wat betreft alle informatie waarvan ze kennis hebben op grond van deze paragraaf.
  § 4. Volgens de voorwaarden en modaliteiten die Hij vaststelt, belast de Koning een representatieve vennootschap van de uitvoerende kunstenaars ermee, de inning en verdeling van de in paragraaf 2 bedoelde vergoeding te verzekeren.
  § 5. Indien een uitvoerende kunstenaar recht heeft op periodieke betalingen, worden er geen voorschotten of contractueel bepaalde kortingen ingehouden op de betalingen aan de kunstenaar volgend op het vijftigste jaar nadat het fonogram op geoorloofde wijze is gepubliceerd of, indien het fonogram niet op geoorloofde wijze is gepubliceerd, volgend op het vijftigste jaar nadat het op geoorloofde wijze aan het publiek is meegedeeld.
  Afdeling 4. - Bepaling betreffende de verhuring van fonogrammen en van de eerste vastleggingen van films
  Art. XI.211. De uitvoerende kunstenaar die zijn recht betreffende de verhuring van een fonogram of van een eerste vastlegging van een film overdraagt of afstaat, behoudt het recht op een billijke vergoeding voor de verhuring.
  Van dat recht kan geen afstand worden gedaan en het kan niet overgedragen worden.
  Afdeling 5. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de uitvoerende kunstenaars en de producenten
  Art. XI.212. Wanneer de prestatie van een uitvoerende kunstenaar op geoorloofde wijze wordt gereproduceerd of door de omroep uitgezonden, mogen de uitvoerende kunstenaar en de producent zich onverminderd het recht van de auteur niet verzetten :
  1° tegen de openbare uitvoering ervan, op voorwaarde dat die prestatie niet voor een voorstelling wordt gebruikt en van het publiek geen toegangsgeld of vergoeding wordt gevraagd om die prestatie te kunnen bijwonen;
  2° tegen de uitzending ervan via de omroep.
  Art. XI.213. Het gebruik van prestaties geeft, overeenkomstig artikel XI.212, de uitvoerende kunstenaars en de producenten recht op een billijke vergoeding, ongeacht de plaats waar die prestaties zijn vastgelegd.
  De Koning bepaalt het bedrag van de billijke vergoeding, die verschillend kan zijn naargelang de betrokken sector. Hij kan de nadere regels bepalen volgens dewelke de uitvoering van prestaties moet verricht worden teneinde er een openbaar karakter in de zin van artikel XI.212, 1° aan toe te kennen.
  De Koning bepaalt eveneens de nadere regels met betrekking tot de inning en de verdeling van en de controle op de billijke vergoeding, alsmede het tijdstip waarop deze verschuldigd is.
  De vergoeding wordt door de personen die de handelingen bepaald in artikel XI.212 verrichten, betaald aan de in hoofdstuk 9 van deze titel bedoelde vennootschappen voor het beheer van de rechten.
  Degenen die de vergoeding verschuldigd zijn, moeten overeenkomstig de eisen van de redelijkheid de inlichtingen meedelen die nuttig zijn voor de inning en de verdeling van de rechten.
  De Koning bepaalt op welke wijze die inlichtingen en stukken worden verstrekt.
  Art. XI.214. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten wordt de in artikel XI.213 bedoelde vergoeding door de vennootschappen voor het beheer van de rechten verdeeld onder de uitvoerende kunstenaars en de producenten, ieder voor de helft. Deze verdeelsleutel is van dwingend recht.
  Het deel van de in artikel XI.213 bedoelde vergoeding, waarop de uitvoerende kunstenaars recht hebben, is onoverdraagbaar.
  De duur van de in artikel XI.213 bedoelde rechten op vergoeding is telkens gelijk aan die bepaald in de artikelen XI.208, eerste, tweede en derde lid en XI.209, § 1 vijfde, zesde en zevende lid.
  Afdeling 6. - Bepalingen betreffende de omroeporganisaties
  Art. XI.215. § 1. Alleen de omroeporganisatie heeft het recht volgende handelingen toe te staan :
  a) het rechtstreeks of later heruitzenden van haar uitzendingen daaronder begrepen de doorgifte via de kabel en de mededeling aan het publiek per satelliet;
  b) de reproductie van haar uitzendingen door welk procédé ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk daaronder begrepen de distributie van vastleggingen van haar uitzendingen;
  c) de mededeling van haar uitzendingen op een voor het publiek toegankelijke plaats tegen betaling van toegangsgeld;
  d) de beschikbaarstelling voor het publiek van de vastleggingen van haar uitzendingen op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn.
  Het distributierecht bedoeld in het eerste lid, b), wordt slechts uitgeput in geval van een eerste verkoop of eerste andere eigendomsoverdracht door de omroeporganisatie van de vastlegging van haar uitzending in de Europese Unie of met haar toestemming.
  § 2. Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt een ieder als de omroeporganisatie aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op de prestatie, op een reproductie van de prestatie, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld.
  Art. XI.216. De bescherming bedoeld in artikel XI.215 blijft gelden gedurende vijftig jaar te rekenen van de eerste uitzending.
  Deze duur wordt berekend vanaf de eerste januari van het jaar dat volgt op het feit dat de rechten doet ontstaan.
  Afdeling 7. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de afdelingen 1 tot 6
  Art. XI.217. De artikelen XI.205, XI.209, XI.213 en XI.215 zijn niet van toepassing wanneer de handelingen bedoeld in die artikelen verricht worden met een van de hierna volgende doelstellingen :
  1° het citeren uit een prestatie, ten behoeve van kritiek, polemiek, recensie, onderwijs, of in het kader van wetenschappelijke werkzaamheden, maakt geen inbreuk op het auteursrecht, voor zover zulks geschiedt overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken en het beoogde doel zulks wettigt;
  2° de vastlegging, de reproductie en de mededeling aan het publiek, met het oog op informatie, van korte fragmenten van de prestaties van de houders van naburige rechten bedoeld in de afdelingen 2 tot 6, in een verslag dat over actuele gebeurtenissen wordt uitgebracht;
  3° de kosteloze privéuitvoering in familiekring;
  4° de kosteloze uitvoering in het kader van schoolactiviteiten, die zowel binnen als buiten de gebouwen van de onderwijsinstelling kan plaatsvinden;
  5° de reproductie van korte fragmenten van een prestatie wanneer deze reproductie wordt verricht op om het even welke drager ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, indien zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van de prestatie;
  6° de mededeling van prestaties voorzover deze mededeling wordt uitgevoerd ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht en voorzover deze mededeling verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling, plaatsvindt in het kader van de normale activiteiten van de instelling, enkel wordt uitgevoerd door de gesloten transmissienetwerken van de instelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van de prestatie;
  7° de reproductie op eender welke drager andere dan papier of soortgelijke drager, van prestaties die in familiekring geschiedt en alleen daarvoor bestemd is;
  8° tijdelijke reproductiehandelingen van voorbijgaande of bijkomstige aard die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technisch procédé dat wordt toegepast met als enig doel :
  - de doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon;
  of
  - een rechtmatig gebruik van een prestatie,
  waarbij die handelingen geen zelfstandige economische waarde bezitten;
  9° een karikatuur, een parodie of een pastiche, rekening houdend met de eerlijke gebruiken;
  10° de kosteloze uitvoering van een werk tijdens een publiek examen, wanneer het doel van de uitvoering niet het werk zelf is, maar het beoordelen van de uitvoerder of uitvoerders van het werk met het oog op het verlenen van een kwalificatiegetuigschrift, diploma of titel binnen een erkende onderwijsinstelling;
  11° de reproductie beperkt tot een aantal kopieën, bepaald in functie van en gerechtvaardigd door het doel het culturele en wetenschappelijke patrimonium te bewaren, door voor het publiek toegankelijke bibliotheken, musea, of door archieven die niet het behalen van een direct of een indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, voor zover hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van de prestatie en geen onredelijke schade wordt berokkend aan de wettige belangen van de houders van naburige rechten.
  De materialen die aldus worden vervaardigd blijven eigendom van deze instellingen, die zichzelf ieder commercieel of winstgevend gebruik ervan ontzeggen.
  De houders van naburige rechten kunnen hiertoe toegang krijgen, onder strikte inachtneming van de bewaring van het werk en tegen een billijke vergoeding van het werk verricht door deze instellingen;
  12° de mededeling en de beschikbaarstelling van niet te koop aangeboden of aan licentievoorwaarden onderworpen prestaties die onderdeel uitmaken van de verzamelingen van voor het publiek toegankelijke bibliotheken, wetenschappelijke- en onderwijsinstellingen, musea of archieven die niet het behalen van een direct of een indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, hierin bestaande dat het werk, via speciale terminals in de gebouwen van die instellingen, voor onderzoek of privéstudie medegedeeld wordt aan of beschikbaar gesteld wordt voor individuele leden van het publiek;
  13° tijdelijke opnamen van prestaties, gemaakt door omroeporganisaties met hun eigen middelen, met inbegrip van de middelen van een persoon die optreedt namens en onder de verantwoordelijkheid van de omroeporganisaties, ten behoeve van hun eigen uitzendingen;
  14° de reproductie en mededeling aan het publiek van prestaties ten behoeve van mensen met een handicap, die rechtstreeks met deze handicap verband houdt en van niet-commerciële aard is en voorzover het wegens de betrokken handicap noodzakelijk is, voor zover hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van de prestatie en geen onredelijke schade wordt berokkend aan de wettige belangen van de houders van naburige rechten;
  15° de reproductie en de mededeling aan het publiek voor reclamedoeleinden, voor openbare tentoonstellingen of openbare verkopen van prestaties, voorzover het noodzakelijk is voor de promotie van die gebeurtenissen, met uitsluiting van enig ander commercieel gebruik;
  16° de reproductie van uitzendingen, door erkende ziekenhuizen, gevangenissen en instellingen voor jeugd- of gehandicaptenzorg, voor zover deze instellingen geen winstoogmerk nastreven en dat deze reproductie is voorbehouden voor het exclusieve gebruik van de daar verblijvende natuurlijke personen.
  Art. XI.218. § 1. De uitvoerende kunstenaar en de producent kunnen de uitlening van fonogrammen en van eerste vastleggingen van films niet verbieden, wanneer die uitlening geschiedt met een educatief of cultureel doel door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht.
  § 2. De uitlening van fonogrammen en van eerste vastleggingen van films kan pas plaatsvinden twee maanden na de eerste verspreiding van het werk onder het publiek.
  Na raadpleging van de instellingen en vennootschappen voor het beheer van de rechten, kan de Koning voor alle fonogrammen en eerste vastleggingen van films of voor bepaalde daarvan de in het vorige lid bedoelde termijn verlengen of verkorten.
  § 3. De in paragraaf 1 bedoelde instellingen die door de Koning worden aangewezen, mogen fonogrammen of eerste vastleggingen van films invoeren die voor het eerst buiten de Europese Unie rechtmatig zijn verkocht en die op het grondgebied van die Unie niet aan het publiek worden verdeeld, ingeval die invoer geschiedt voor openbare uitleningen met een educatief of cultureel doel en voor zover zulks geen betrekking heeft op meer dan vijf exemplaren van het fonogram of de eerste vastlegging van de film.
  Art. XI.219. De bepalingen van de artikelen XI.217 en XI.218, zijn van dwingend recht.
  Hoofdstuk 4. - Mededeling aan het publiek per satelliet en doorgifte via de kabel
  Afdeling 1. - Mededeling aan het publiek per satelliet
  Art. XI.220. Overeenkomstig de voorafgaande hoofdstukken en rekening houdend met de hierna volgende bepalingen geldt de bescherming van het auteursrecht en van de naburige rechten tevens voor de satellietomroep.
  Art. XI.221. De mededeling aan het publiek per satelliet vindt slechts plaats in de lidstaat van de Europese Unie waar de programmadragende signalen onder controle en verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie worden ingevoerd in een ononderbroken mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de aarde loopt.
  Indien de mededeling aan het publiek per satelliet plaatsvindt in een Staat die niet tot de Europese Unie behoort en die niet het niveau van bescherming biedt waarin de voorafgaande hoofdstukken voorzien, wordt zij niettemin geacht in de hierna omschreven lidstaat te hebben plaatsgevonden en kunnen de rechten er, naar gelang van het geval, tegen de persoon die het grondstation exploiteert of tegen de omroeporganisatie worden uitgeoefend :
  - indien de programmadragende signalen per satelliet worden doorgezonden vanuit een grondstation op het grondgebied van een lidstaat, of
  - indien de omroeporganisatie die tot de mededeling aan het publiek opdracht heeft gegeven, haar hoofdvestiging op het grondgebied van een lidstaat heeft.
  Art. XI.222. Voor de artikelen XI.220 en XI.221 wordt onder mededeling aan het publiek per satelliet de handeling verstaan waarbij de programmadragende signalen voor ontvangst door het publiek onder controle en verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie worden ingevoerd in een ononderbroken mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de aarde loopt. Indien de programmadragende signalen in gecodeerde vorm worden uitgezonden, is er sprake van mededeling aan het publiek per satelliet wanneer de middelen voor het decoderen van de uitzending door of met toestemming van de omroeporganisatie ter beschikking van het publiek worden gesteld.
  Afdeling 2. - Doorgifte via de kabel
  Art. XI.223. Overeenkomstig de voorafgaande hoofdstukken en rekening houdend met de hierna omschreven nadere regels beschikken alleen de auteur en de houders van de naburige rechten over het recht de doorgifte via de kabel van hun werken en prestaties toe te staan.
  Art. XI.224. § 1. Het recht van de auteur en van de houders van naburige rechten om de doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden, kan uitsluitend door vennootschappen voor het beheer van de rechten worden uitgeoefend.
  § 2. Indien de auteur of de houders van naburige rechten het beheer van hun rechten niet aan een vennootschap voor het beheer van de rechten hebben opgedragen, is de vennootschap die rechten van dezelfde categorie beheert, geacht met het beheer van hun rechten te zijn belast.
  Indien de rechten van die categorie door meer dan één vennootschap voor het beheer van de rechten worden beheerd, staat het de auteur of de houders van naburige rechten vrij te kiezen welke van die vennootschappen geacht wordt hun rechten te beheren. Voor hen gelden dezelfde rechten en plichten uit de overeenkomst tussen de kabelmaatschappij en de vennootschap voor het beheer van de rechten als voor de rechthebbenden die het beheer van hun rechten aan deze vennootschap hebben opgedragen. Zij kunnen die rechten doen gelden binnen een termijn van drie jaar te rekenen van de datum van doorgifte via de kabel van hun werk of van hun prestatie.
  § 3. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op de rechten die een omroeporganisatie in het kader van haar eigen uitzendingen uitoefent.
  Art. XI.225. § 1. Wanneer een auteur of een uitvoerend kunstenaar zijn recht om de doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden, heeft overgedragen aan een producent van een audiovisueel werk, behoudt hij het recht op een vergoeding voor de doorgifte via de kabel.
  § 2. Het recht op een vergoeding voor de doorgifte via de kabel, zoals bepaald in de eerste paragraaf, is onoverdraagbaar en niet vatbaar voor afstand door de auteurs of uitvoerende kunstenaars. Deze bepaling is van dwingend recht.
  § 3. Het beheer van het recht van de auteurs op een vergoeding, zoals bepaald in de eerste paragraaf, kan uitsluitend worden uitgeoefend door vennootschappen voor het beheer van de rechten die auteurs vertegenwoordigen.
  Het beheer van het recht van de uitvoerende kunstenaars op een vergoeding, zoals bepaald in de eerste paragraaf, kan uitsluitend worden uitgeoefend door vennootschappen voor het beheer van de rechten die uitvoerende kunstenaars vertegenwoordigen.
  § 4. Onverminderd het tweede lid, voorzien de omroeporganisaties die voor hun eigen uitzendingen het recht uitoefenen om de doorgifte via de kabel toe te staan, zoals bedoeld in artikel XI.223, de beheersvennootschappen die de rechten beheren om de doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden, zoals bedoeld in artikel XI.224, paragraaf 1, en de beheersvennootschappen die het recht op een vergoeding voor de doorgifte via de kabel, zoals bedoeld in de eerste paragraaf, beheren, in een uniek platform voor de inning van voornoemde rechten.
  Na advies van het overlegcomité, bepaalt de Koning de voorwaarden waaraan dit platform moet voldoen. Hij kan op basis van objectieve criteria de samenstelling en draagwijdte van het uniek platform beperken onder andere wat betreft bepaalde categorieën van rechthebbenden.
  Na advies van het overlegcomité, bepaalt de Koning de datum waarop het uniek platform van toepassing wordt.
  § 5. Zolang het uniek platform, bedoeld in paragraaf 4 niet opgericht is, kan het recht op een vergoeding, zoals bepaald in de eerste paragraaf, door de vennootschappen voor het beheer van de rechten rechtstreeks van de kabelmaatschappijen gevorderd worden.
  Art. XI.226. Teneinde derden te informeren over het bestaan van overeenkomsten met betrekking tot de kabeldoorgifte en de betaling van auteurs- en naburige rechten, zal de Dienst Regulering een register van de overeenkomsten die de doorgifte via de kabel toestaan, opstellen. De Koning kan de voorwaarden en modaliteiten van dit register bepalen.
  Hiertoe zullen de kabelmaatschappijen de nodige inlichtingen overmaken aan de Dienst Regulering binnen een termijn van drie maanden te rekenen na het sluiten van de overeenkomst. De Koning kan verdere modaliteiten bepalen over de inlichtingen en de wijze waarop deze inlichtingen aan de Dienst Regulering moeten worden verstrekt.
  Art. XI.227. Elke kabelmaatschappij is gehouden om de Dienst Regulering, bedoeld in artikel XI.274 te informeren over het bedrag dat overeenstemt met de auteursrechten en de naburige rechten, waarvan hij schuldenaar is ten gevolge van deze doorgifte.
  De Koning kan de modaliteiten bepalen van hoe de bedragen van auteursrechten en naburige rechten medegedeeld en gedetailleerd moeten worden aan de Dienst Regulering, overeenkomstig het eerste lid.
  Art. XI.228. § 1. Indien er geen overeenkomst betreffende de toestemming voor doorgifte via de kabel kan worden gesloten, kunnen de partijen in onderling akkoord beroep doen op ofwel de Dienst Regulering, voorzien in artikel XI.274, ofwel op drie bemiddelaars.
  § 2. De drie bemiddelaars worden aangewezen volgens de bepalingen van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek, die van toepassing zijn op de aanwijzing van scheidslieden. Zij moeten hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid kunnen waarborgen. Zij moeten bijstand verlenen bij het voeren van onderhandelingen en kunnen voorstellen doen na de betrokken partijen te hebben gehoord. De voorstellen worden ter kennis gebracht bij ter post aangetekende zending met ontvangstbewijs.
  § 3. Indien binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de kennisgeving geen van de betrokken partijen zich door middel van een kennisgeving aan de andere partijen in dezelfde vorm tegen de voorstellen van de drie bemiddelaars, heeft verzet, worden zij geacht die voorstellen te hebben aanvaard.
  Hoofdstuk 5. - Het kopiëren voor eigen gebruik van werken en prestaties
  Art. XI.229. De auteurs, de uitvoerende kunstenaars, de uitgevers van werken van letterkunde en van beeldende of grafische kunst en de producenten van fonogrammen en van audiovisuele werken hebben recht op een vergoeding voor de reproductie voor eigen gebruik van hun werken en prestaties, inclusief voor de gevallen bedoeld in artikel XI.190, 9° en 17° en artikel XI.217, 7° en 16°.
  De vergoeding wordt betaald door de fabrikant, de invoerder of de intracommunautaire aankoper van dragers die kennelijk gebruikt worden voor het reproduceren voor eigen gebruik van werken en prestaties op eender welke drager andere dan papier of soortgelijke drager, dan wel van apparaten die kennelijk gebruikt worden voor deze reproductie op de datum waarop die dragers en die apparaten op het nationale grondgebied in de handel worden gebracht.
  Overeenkomstig de in artikel XI.232 bepaalde nadere regels, stelt de Koning vast welke apparaten en dragers kennelijk gebruikt worden voor het reproduceren voor eigen gebruik van werken en prestaties op eender welke drager andere dan papier of soortgelijke drager.
  Onverminderd de internationale overeenkomsten, verdelen de vennootschappen voor het beheer van de rechten overeenkomstig artikel XI.234 de vergoeding onder de auteurs, de uitvoerende kunstenaars, de uitgevers van werken van letterkunde en van beeldende of grafische kunst en de producenten.
  Overeenkomstig de door Hem gestelde voorwaarden en nadere regels, belast de Koning een vennootschap die representatief is voor alle vennootschappen voor het beheer van de rechten, met de inning en de verdeling van de vergoeding.
  Wanneer een auteur of een uitvoerende kunstenaar zijn recht op een vergoeding voor het kopiëren voor eigen gebruik heeft afgestaan, behoudt hij het recht op een billijke vergoeding voor het kopiëren voor eigen gebruik.
  Art. XI.230. De in het kader van dit hoofdstuk door de Koning aangewezen vennootschap voor het beheer van de rechten kan de nodige inlichtingen voor het uitvoeren van haar opdracht in naleving van artikel XI.281 en XV.113 bekomen bij :
  - de Administratie der Douane en Accijnzen met toepassing van artikel 320 van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen vervangen bij de wet van 27 december 1993;
  - de Administratie van de btw met toepassing van artikel 93bis van het BTW-Wetboek van 3 juli 1969;
  - en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in toepassing van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
  Art. XI.231. Onverminderd artikel XI.281 en XV.113 kan de aangewezen vennootschap voor het beheer van de rechten inlichtingen doorgeven aan de Administratie der Douane en Accijnzen en aan de BTW-Administratie op hun verzoek.
  Onverminderd artikel XI.281 en XV.113 kan de aangewezen vennootschap voor het beheer van de rechten inlichtingen doorgeven aan en krijgen van :
  - de dienst Controle en Bemiddeling van de FOD Economie;
  - de vennootschappen voor het beheer van de rechten die een gelijkaardige activiteit uitoefenen in het buitenland, mits wederkerigheid.
  Art. XI.232. De Koning bepaalt, per categorie van technische soortgelijke dragers en apparaten die Hij definieert, of deze kennelijk gebruikt worden voor het reproduceren voor eigen gebruik van werken en prestaties op eender welke drager andere dan papier of soortgelijke drager en bepaalt de nadere regels met betrekking tot de inning en de verdeling van en de controle op de vergoeding, alsmede het tijdstip waarop ze verschuldigd is.
  De Koning kan, op een specifieke lijst, de categorieën van technisch soortgelijke dragers en apparaten vaststellen die niet kennelijk worden gebruikt voor het reproduceren voor eigen gebruik van werken en prestaties op eender welke drager andere dan papier of soortgelijke drager en die niet onderworpen zijn aan de vergoeding voor het kopiëren voor eigen gebruik.
  De computers of categorieën van computers zoals deze door de Koning worden gedefinieerd, kunnen slechts bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de (Ministerraad) onderworpen worden aan de vergoeding of ingeschreven worden in de specifieke lijst zoals bedoeld in het tweede lid. <Erratum, B. St 16-02-2015, p. 12629>
  Op hetzelfde moment dat Hij het statuut van de apparaten en dragers vaststelt, stelt de Koning bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in artikel XI.229 bedoelde vergoeding vast.
  Deze vergoeding wordt vastgesteld per categorie van technisch soortgelijke apparaten en dragers.
  Een apparaat dat kennelijk gebruikt wordt voor het reproduceren voor eigen gebruik van werken en prestaties op eender welke drager andere dan papier of soortgelijke drager en die op voortdurende wijze een drager incorporeert, is slechts aan een enkele vergoeding onderworpen.
  Bij het vaststellen van deze vergoeding wordt onder andere rekening gehouden met het al dan niet toepassen van de in artikel I.13, 7°, XI.291 en XV.69 bedoelde technische voorzieningen op de betrokken werken of prestaties.
  Het bedrag van deze vergoeding kan om de drie jaar worden herzien.
  Indien de omstandigheden die het bepalen van het bedrag hebben gerechtvaardigd, kennelijk en duurzaam gewijzigd zijn, kan dit bedrag voor het verstrijken van de termijn van drie jaar worden herzien.
  Indien de Koning het bedrag binnen de termijn van drie jaar herziet, motiveert Hij zijn beslissing door de wijziging van de initiële omstandigheden.
  Het gebrek aan gebruik van technische voorzieningen kan geen afbreuk doen aan het recht op vergoeding zoals gedefinieerd in artikel XI.229.
  Art. XI.233. De vergoeding bedoeld in artikel XI.229 wordt terugbetaald op de wijze bepaald door de Koning :
  1° aan de producenten van geluidswerken en audiovisuele werken;
  2° aan de omroeporganisaties;
  3° aan de instellingen die door de overheid officieel erkend en gesubsidieerd worden met het oog op de bewaring van geluidsmateriaal of audiovisueel materiaal. De vergoeding wordt enkel terugbetaald voor de dragers die zijn bestemd om geluidsmateriaal en audiovisueel materiaal te bewaren en ter plaatse beluisterd of bekeken te worden;
  4° aan blinden, slechtzienden, doven en slechthorenden, evenals aan de erkende instellingen, opgericht ten behoeve van deze personen;
  5° aan de erkende onderwijsinstellingen, die geluidsmateriaal en audiovisueel materiaal gebruiken voor didactische of wetenschappelijke doeleinden;
  6° aan de erkende ziekenhuizen, gevangenissen en instellingen voor jeugdzorg.
  Bovendien kan de Koning, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld koninklijk besluit, de categorieën van fysieke personen en rechtspersonen bepalen die :
  1° hetzij genieten van een gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de vergoeding die is geïnd en doorgerekend op de dragers en apparaten die zij verworven hebben;
  2° hetzij voor deze waarvoor de betalingsplichtigen van de vergoeding zoals bedoeld in artikel XI.229, geheel of gedeeltelijk hiervan zijn vrijgesteld of worden terugbetaald voor de dragers en apparaten verworven door deze personen.
  De terugbetaling of de vrijstelling van de vergoeding bedoeld in het vorige lid, dient behoorlijk met redenen omkleed te zijn :
  1° hetzij door de noodzaak om, zonder afbreuk te doen aan de creatie, de meest gelijke toegang te waarborgen voor elkeen tot de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, daar de vergoeding in kwestie een obstakel zou vormen voor deze toegang;
  2° hetzij door de noodzaak om de verwerving van dragers en apparaten te waarborgen door personen die dit materieel kennelijk niet aanwenden voor de reproducties bedoeld in artikel XI.229.
  De Koning bepaalt de voorwaarden van de terugbetaling of de vrijstelling.
  Art. XI.234. § 1. Met betrekking tot de in artikel XI.229 bedoelde vergoeding, kan de Koning de verdeelsleutel vaststellen tussen de volgende categorieën van werken :
  1) de werken van letterkunde;
  2) de werken van beeldende of grafische kunst;
  3) de geluidswerken;
  4) de audiovisuele werken.
  Het gedeelte van de in artikel XI.229 bedoelde vergoeding dat betrekking heeft op de geluidswerken en audiovisuele werken, wordt naar rata van een derde, verdeeld tussen auteurs, uitvoerende kunstenaars en producenten.
  Het gedeelte van de in artikel XI.229 bedoelde vergoeding dat betrekking heeft op de werken van letterkunde en de werken van beeldende of grafische kunst, wordt verdeeld in gelijke delen tussen auteurs en uitgevers.
  Het tweede en het derde lid zijn van dwingend recht.
  Het gedeelte van de in artikel XI.229 bedoelde vergoeding dat betrekking heeft op de geluidswerken en audiovisuele werken, waarop de auteurs en de uitvoerende kunstenaars recht hebben, is onoverdraagbaar.
  Het gedeelte van de in artikel XI.229 bedoelde vergoeding dat betrekking heeft op de werken van letterkunde en de werken van beeldende of grafische kunst, waarop de auteurs recht hebben, is onoverdraagbaar.
  § 2. De Gemeenschappen en de Federale Staat kunnen besluiten om dertig procent van de opbrengst van de vergoeding waarvan sprake is in de voorgaande paragraaf, te gebruiken ter aanmoediging van de schepping van werken, en zulks door middel van een samenwerkingsakkoord met toepassing van artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  Hoofdstuk 6. - De reproductie op papier of op soortgelijke drager van werken voor privégebruik of ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek
  Art. XI.235. De auteurs en de uitgevers hebben recht op een vergoeding voor de reproductie op papier of op een soortgelijke drager van hun werken, ook wanneer die reproductie plaatsvindt onder de voorwaarden bepaald in de artikelen XI.190, 5° en 6°, en XI.191, § 1, 1° en 2°.
  De vergoeding wordt betaald door de fabrikant, de invoerder of de intracommunautaire aankoper van apparaten die kennelijk gebruikt worden voor de reproductie op papier of soortgelijke drager van werken op de datum waarop die apparaten op het nationale grondgebied in de handel worden gebracht.
  Overeenkomstig de in artikel XI.239 bepaalde nadere regels, stelt de Koning vast welke apparaten kennelijk gebruikt worden voor het reproduceren op papier of soortgelijke drager van werken.
  De Koning kan een lijst van apparaten vaststellen die niet kennelijk gebruikt worden voor het reproduceren op papier of op een soortgelijke drager van werken en die niet onderworpen zijn aan de vergoeding voor reprografie.
  Art. XI.236. Een vergoeding die evenredig is aan het aantal vervaardigde reproducties is bovendien verschuldigd door de natuurlijke personen of de rechtspersonen die reproducties van werken vervaardigen of, in voorkomend geval, met décharge van eerstgenoemden, door hen die onder bezwarende titel of gratis een reproductieapparaat ter beschikking stellen van anderen.
  Art. XI.237. De in het kader van dit hoofdstuk door de Koning aangewezen vennootschap voor het beheer van de rechten kan de nodige inlichtingen voor het uitvoeren van haar opdracht in naleving van artikel XI.281 en XV.113 bekomen bij :
  - de Administratie der Douane en Accijnzen met toepassing van artikel 320 van de algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977, vervangen bij de wet van 27 december 1993;
  - de Administratie van de btw met toepassing van artikel 93bis van het BTW-wetboek van 3 juli 1969;
  - en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in toepassing van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
  Art. XI.238. Onverminderd artikel XI.281 en XV.113 kan de aangewezen vennootschap voor het beheer van de rechten inlichtingen doorgeven aan de Administratie der Douane en Accijnzen en btw-Administratie op hun verzoek.
  Onverminderd artikel XI.281 en XV.113 kan de aangewezen vennootschap voor het beheer van de rechten inlichtingen doorgeven aan en krijgen van :
  - de dienst Controle en Bemiddeling en van de FOD Economie;
  - de vennootschappen voor het beheer van de rechten die een gelijkaardige activiteit uitoefenen in het buitenland, mits wederkerigheid.
  Art. XI.239. De Koning bepaalt bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de (Ministerraad) , de in de artikelen XI.235 en XI.236 bedoelde vergoedingen. Erratum, B. St 16-02-2015, p. 12629>
  De in artikel XI.236 bedoelde vergoeding kan worden aangepast naar gelang van de betrokken sectoren.
  De Koning bepaalt, per categorieën van technisch soortgelijke apparaten die Hij definieert, of deze kennelijk gebruikt worden voor het reproduceren op papier of soortgelijke drager van werken.
  De Koning kan, op een specifieke lijst, de categorieën van technisch soortgelijke apparaten vaststellen die niet kennelijk worden gebruikt voor het reproduceren op papier of soortgelijke drager van werken en die niet onderworpen zijn aan de vergoeding voor reprografie.
  Hij bepaalt de nadere regels voor de inning en de verdeling van en de controle op die vergoedingen, alsmede het tijdstip waarop ze verschuldigd zijn.
  Onverminderd de internationale overeenkomsten, worden de in de artikelen XI.235 en XI.236 bedoelde vergoedingen in gelijke delen toegewezen aan de auteurs en de uitgevers. Deze bepaling is van dwingend recht.
  Het deel van de in de artikelen XI.235 en XI.236 bedoelde vergoedingen waarop de auteurs recht hebben is onoverdraagbaar.
  Overeenkomstig de door Hem gestelde voorwaarden en de nadere regels, belast de Koning een vennootschap die representatief is voor alle vennootschappen voor het beheer van de rechten, met de inning en de verdeling van de vergoeding.
  Het bedrag van deze vergoeding kan om de drie jaar worden herzien.
  Indien de omstandigheden die het bepalen van het bedrag hebben gerechtvaardigd, kennelijk en duurzaam gewijzigd zijn, kan dit bedrag voor het verstrijken van de termijn van drie jaar worden herzien.
  Indien de Koning het bedrag binnen de termijn van drie jaar herziet, motiveert Hij zijn beslissing door de wijziging van de initiële omstandigheden.
  Hoofdstuk 7. - De reproductie en/of de mededeling van werken of prestaties ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek
  Art. XI.240. De auteurs en de uitgevers van werken hebben recht op een vergoeding voor de reproductie en de mededeling van die werken onder de voorwaarden bepaald in de artikelen XI.190, 7° en 8° en XI.191, § 1, 3°.
  De auteurs van databanken hebben recht op een vergoeding voor de mededeling ervan onder de voorwaarden bepaald in artikel XI.191, § 1, 4°.
  De uitvoerende kunstenaars, de producenten van fonogrammen en de producenten van eerste vastleggingen van films hebben recht op een vergoeding voor de reproductie en de mededeling van hun prestaties onder de voorwaarden bepaald in artikel XI.217, 5° en 6°.
  Art. XI.241. De natuurlijke personen of de rechtspersonen die exploitatiehandelingen in verband met de werken of prestaties verrichten of, desgevallend, met décharge van eerstgenoemden, de onderwijsinstellingen en de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek welke de werken of prestaties kosteloos of onder bezwarende titel ter beschikking stellen van anderen, moeten een evenredige vergoeding betalen die wordt vastgesteld op grond van de exploitatiehandelingen.
  Art. XI.242. De vergoeding bedoeld in artikel XI.240, wordt vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De Koning stelt de modaliteiten van inning, verdeling en toezicht van de vergoeding vast, evenals het tijdstip waarop deze verschuldigd is.
  De Koning kan, op de door Hem bepaalde voorwaarden en wijze, een of meer vennootschappen die alleen of gezamenlijk representatief zijn voor alle vennootschappen die de rechten beheren, ermee belasten de inning en de verdeling van de vergoeding te verzekeren.
  De Koning kan tevens de verdeelsleutel van de vergoeding vaststellen, tussen de categorieën van rechthebbenden enerzijds, en tussen de categorieën van werken anderzijds.
  In dit geval is de verdeelsleutel van dwingend recht.
  Het deel van de vergoeding bedoeld in artikel XI.240, waarop de auteurs en de uitvoerende kunstenaars recht hebben, is onoverdraagbaar.
  Hoofdstuk 8. - Bepalingen inzake openbare uitlening
  Art. XI.243. § 1. In geval van uitlening van werken van letterkunde, databanken, fotografische werken of partituren van muziekwerken onder de voorwaarden genoemd in artikel XI.192, hebben de auteur en de uitgever recht op een vergoeding.
  § 2. In geval van uitlening van geluidswerken of audiovisuele werken onder de voorwaarden genoemd in de artikelen XI.192 en XI.218, hebben de auteur, de uitvoerende kunstenaar en de producent recht op een vergoeding.
  Art. XI.244. Na raadpleging van de Gemeenschappen, de instellingen en vennootschappen voor het beheer van de rechten bepaalt de Koning het bedrag van de in artikel XI.243 bedoelde vergoedingen.
  De Koning kan het bedrag van de in artikel XI.243 bedoelde vergoeding bepalen, o.a. in functie van :
  1° het volume van de collectie van de uitleeninstelling; en/of
  2° het aantal uitleningen per instelling.
  Deze vergoedingen worden geïnd door de vennootschappen voor het beheer van de rechten.
  De Koning kan, overeenkomstig de door Hem gestelde voorwaarden en nadere regels, een vennootschap die representatief is voor alle vennootschappen voor het beheer van de rechten, belasten met de inning en de verdeling van de vergoedingen voor openbare uitlening.
  Na raadpleging van de Gemeenschappen en, in voorkomend geval, op hun initiatief, bepaalt de Koning voor sommige categorieën van instellingen die door de overheid zijn erkend of opgericht, een vrijstelling of een forfaitair vastgesteld bedrag per uitlening bij de vaststelling van de vergoedingen bedoeld in artikel XI.243.
  Art. XI.245. § 1. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten wordt de in artikel XI.243, § 1, bedoelde vergoeding verdeeld tussen de auteurs en de uitgevers naar rata van 70 % voor de auteurs en 30 % voor de uitgevers.
  § 2. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten wordt de in artikel XI.243, § 2, bedoelde vergoeding verdeeld tussen de auteurs, de uitvoerende kunstenaars en de producenten naar rata van een derde voor elk.
  § 3. De bepalingen in de eerste en de tweede paragraaf zijn van dwingend recht.
  Het deel van de in artikel XI.243, § 1 bedoelde vergoeding, waarop de auteurs recht hebben is onoverdraagbaar.
  Het deel van de in artikel XI.243, § 2 bedoelde vergoeding, waarop de auteurs en de uitvoerende kunstenaars recht hebben, is onoverdraagbaar.
  Hoofdstuk 9. - Vennootschappen voor het beheer van de rechten
  Art. XI.246. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op al wie de bij deze titel erkende rechten int of verdeelt voor rekening van verschillende rechthebbenden.
  Art. XI.247. § 1. Het beheer moet worden waargenomen door een vennootschap met rechtspersoonlijkheid en beperkte aansprakelijkheid die op regelmatige wijze is opgericht in een van de landen van de Europese Unie waar zij op geoorloofde wijze als vennootschap voor de inning of de verdeling van de genoemde rechten werkzaam is.
  Indien de vennootschap gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Unie, dient zij haar activiteiten in België te verrichten via een in België gevestigd bijkantoor.
  Behoudens andersluidende bepaling zijn de beheersvennootschappen die in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd zijn, enkel voor wat betreft hun in België gevestigde bijkantoren onderworpen aan alle verplichtingen die uit deze titel voortvloeien en aan de controle door de Controledienst.
  Behoudens andersluidende bepaling in deze titel en onverminderd het derde lid, betekent het woord "beheersvennootschap" zowel beheersvennootschappen die in België gevestigd zijn, als beheersvennootschappen die in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd zijn voor wat betreft hun in België gevestigde bijkantoren.
  § 2. De vennoten van beheersvennootschappen die in België gevestigd zijn, moeten de hoedanigheid bezitten van auteur, uitvoerend kunstenaar, producent van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films, uitgever of rechtverkrijgende van de voormelde personen, die het beheer van alle of een gedeelte van hun rechten hebben toevertrouwd aan de betrokken beheersvennootschap. De in België gevestigde beheersvennootschappen kunnen tussen hun vennoten ook andere beheersvennootschappen hebben.
  Onverminderd de artikelen XI.229, vijfde lid, XI.239, zevende lid, XI.242, derde lid, XI.244, vierde lid, en XI.248, § 1, eerste lid, kan een in België gevestigde beheersvennootschap de aanvaarding van individuele rechthebbenden als vennoten niet weigeren.
  De statuten van de in België gevestigde beheersvennootschappen verlenen aan de personen beoogd in het eerste lid waarvan zij de rechten beheren, het recht om hun vennoot te worden, op grond van objectieve criteria vastgelegd in de statuten die op niet-discriminatoire wijze worden toegepast en om vertegenwoordigd te zijn in de organen van de vennootschap.
  Art. XI.248. § 1. De beheersvennootschap heeft de plicht om de rechten te beheren die door deze titel worden erkend, wanneer de rechthebbende daarom verzoekt en dat verzoek overeenstemt met de doelstelling en de statuten van de vennootschap.
  Dit beheer moet worden uitgevoerd op billijke en niet-discriminatoire wijze.
  § 2. De beheersvennootschappen beheren de rechten in het belang van de rechthebbenden.
  De beheersvennootschappen zijn zodanig georganiseerd en gestructureerd dat er een minimaal risico wordt gelopen dat belangenconflicten tussen de vennootschap en de rechthebbenden van wie zij de rechten beheren, of tussen die laatsten onderling, afbreuk doen aan de belangen van de rechthebbenden waarvan zij de rechten beheren.
  Zij werken regels uit met betrekking tot de verrichtingen die uitgevoerd worden in het kader van hun functie door de personeelsleden, het uitvoerend personeel en de vertegenwoordigers van de beheersvennootschap en waarbij deze een manifest persoonlijk belang hebben.
  § 3. De beheersvennootschap maakt een onderscheid tussen enerzijds het vermogen dat gevormd wordt door de rechten die geïnd en beheerd worden voor rekening van de houders van de door deze titel erkende rechten, en anderzijds haar eigen vermogen dat gevormd wordt door de vergoeding voor haar diensten van beheer en door de inkomsten van haar andere activiteiten of van haar eigen vermogen.
  De sommen die geïnd en beheerd worden voor rekening van de houders van de door deze titel erkende rechten, en welke nog niet betaald werden aan de rechthebbende, worden voor rekening van de rechthebbenden, onder een afzonderlijke rubriek gestort op een bijzondere rekening bij een kredietinstelling ingeschreven op een van de lijsten bedoeld in de artikelen 13 en 65 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen. Deze kredietinstelling dient daarbij vooraf te verzaken aan het principe van eenheid van rekeningen en aan de wettelijke en conventionele compensatie tussen de verschillende rekeningen van de beheersvennootschap.
  De in het tweede lid bedoelde sommen mogen van de kant van de beheersvennootschappen slechts het voorwerp zijn van niet-speculatieve beleggingen.
  § 4. De beheersvennootschappen beschikken over een aan hun werkzaamheden aangepaste beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle.
  Na overleg met de Commissie voor Boekhoudkundige Normen, het Instituut der bedrijfsrevisoren en de beheersvennootschappen die zetelen in het overlegcomité opgericht door artikel XI.282, bepaalt de Koning de minimale eisen in verband met de boekhoudkundige organisatie en de interne controle van de in het eerste lid bedoelde beheersvennootschappen.
  De Controledienst kan ten allen tijde de nodige gegevens opvragen inzake de beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle van een beheersvennootschap.
  Indien de Controledienst ernstige of herhaalde inbreuken door een beheersvennootschap op de bepalingen van deze titel, van de uitvoeringsbesluiten ervan of van de bepalingen van haar statuten of reglementen vaststelt en hij op basis van de gegevens waarover hij beschikt duidelijke aanwijzingen heeft dat deze inbreuken een gevolg zijn van een niet aan haar werkzaamheden aangepaste beleidsstructuur of administratieve organisatie, zal de Controledienst aanbevelingen terzake kunnen doen aan de beheersvennootschap.
  Binnen een termijn van 3 maanden kan de beheersvennootschap besluiten deze aanbevelingen al dan niet op te volgen. Indien zij de aanbevelingen weigert op te volgen, dient zij de redenen hiervoor binnen dezelfde termijn op te geven aan de Controledienst.
  Indien de Controledienst vaststelt, nadat de beheersvennootschap geweigerd heeft de aanbevelingen op te volgen, dat een ernstige of herhaaldelijke inbreuk op de bepalingen van deze titel, van de uitvoeringsbesluiten ervan of van de bepalingen van haar statuten of reglementen niet is verholpen of stopgezet, en aantoont dat dit te wijten is aan een niet aan haar werkzaamheden aangepaste beleidsstructuur of administratieve organisatie, zal hij de nodige maatregelen zoals voorzien in de artikelen XV.31/1, XV.62/1, XV.66/2 en XVII.21 van deze titel, kunnen nemen.
  § 5. Als de beheersvennootschap nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, mogen die banden geen belemmering vormen voor een passend individueel of geconsolideerd toezicht op de beheersvennootschap.
  Onder nauwe banden dient te worden verstaan :
  1° een situatie waarin een deelnemingsverhouding bestaat of;
  2° een situatie waarin vennootschappen verbonden vennootschappen zijn in de zin van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999;
  3° een band van dezelfde aard als bedoeld in bovenstaande 1° en 2° tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon;
  Niettegenstaande het tweede lid, worden de volgende situaties vermoed nauwe banden te creëren : de bestuursorganen zijn voor ten minste de meerderheid uit dezelfde personen samengesteld, de zetel of de exploitatiezetel is op hetzelfde adres gevestigd, er bestaan duurzame en relevante, rechtstreekse of onrechtstreekse banden op het vlak van administratieve, financiële of logistieke bijstand, dan wel van bijstand inzake human resources of infrastructuur.
  Art. XI.249. § 1. De beheersvennootschappen kunnen hun jaarrekening niet opmaken volgens het verkort schema bepaald in artikel 93 van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999.
  Na overleg met de Commissie voor de Boekhoudkundige Normen, het Instituut der bedrijfsrevisoren en de beheersvennootschappen die zetelen in het overlegcomité ingesteld door artikel XI.282, past de Koning de regels vastgesteld bij toepassing van artikel 4, zesde lid van de wet van 17 juli 1975 betreffende de boekhouding van ondernemingen en de regels vastgesteld bij toepassing van artikel 92 van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999 aan en vervolledigt ze naar de vereisten van het wettelijk statuut van de beheersvennootschappen.
  De Koning kan bij de vaststelling van de regels die Hij bepaalt bij toepassing van het tweede lid, een onderscheid maken in functie van de betrokken rechten.
  § 2. Ongeacht de rechtsvorm of grootte van de beheersvennootschap stellen de bestuurders of zaakvoerders van de beheersvennootschappen een jaarverslag op waarin zij rekenschap geven van hun beleid. Dit jaarverslag bevat de in artikel 96 van het Wetboek van vennootschappen bepaalde elementen, alsook alle gegevens die volgens deze titel in het jaarverslag moeten worden opgenomen.
  Het eerste lid geldt ook voor in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde beheersvennootschappen voor wat hun in België gevestigde bijkantoren betreft. Het jaarverslag wordt opgesteld door de persoon die in België met het bestuur van een bijkantoor van een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde beheersvennootschap is belast.
  § 3. Onverminderd de artikelen 95, 96 en 119 van het Wetboek van vennootschappen worden in het jaarverslag van de beheersvennootschap volgende gegevens opgenomen :
  1° voor elke inningsrubriek die op eenduidige wijze gedefinieerd is :
  a) het bedrag aan geïnde rechten;
  b) het bedrag van de directe kosten verbonden aan die inningen alsook het bedrag van de indirecte kosten van de beheersvennootschap, die aan die rubriek toegewezen worden;
  c) het bedrag van de onder de rechthebbenden verdeelde rechten, aan de rechthebbenden betaalde rechten, alsook het bedrag van de nog te verdelen rechten.
  2° de vergoeding die de rechthebbenden aan de beheersvennootschap moeten betalen voor de diensten van beheer die door de beheersvennootschap verricht werden;
  3° de financiële gegevens op basis waarvan de vergoeding bepaald onder 2° berekend wordt;
  4° de vaststelling van enerzijds het geheel van de middelen van de beheersvennootschap en anderzijds de geïnde rechten, en het in overeenstemming brengen ervan met hun respectieve aanwending.
  § 4. De beheersvennootschappen delen voor elk boekjaar, binnen de zes maanden na de afsluiting van het betrokken boekjaar, de in § 3 bedoelde informatie mee aan de Controledienst.
  Binnen dezelfde termijn wordt de informatie bedoeld in paragraaf 3, 1°, bovendien opgenomen op de internetpagina van de beheersvennootschap op een duidelijk leesbare plaats en met duidelijke verwijzing in het hoofdmenu van de internetpagina.
  § 5. Na overleg met de Commissie voor de Boekhoudkundige Normen, het Instituut der bedrijfsrevisoren en de beheersvennootschappen die zetelen in het overlegcomité ingesteld door artikel XI.282, kan de Koning nadere regels bepalen betreffende de wijze waarop de in paragraaf 3 vermelde gegevens worden weergegeven.
  Art. XI.250. De personen die onderworpen zijn aan een gerechtelijk verbod als bedoeld door de artikelen 1 tot 3, 3bis, §§ 1 en 3, en 3ter van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, mogen binnen een beheersvennootschap feitelijk en/of juridisch geen functie van zaakvoerder, bestuurder, persoon die in België met het bestuur van een bijkantoor van een buitenlandse vennootschap is belast of directeur uitoefenen, noch vennootschappen vertegenwoordigen die dergelijke functies uitoefenen.
  De in het eerste lid opgesomde functies mogen evenmin worden uitgeoefend door :
  1° personen die werden veroordeeld tot een gevangenisstraf van minder dan drie maanden of een geldboete voor een misdrijf bedoeld in voornoemd koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934;
  2° personen die strafrechtelijk werden veroordeeld wegens overtreding van :
  a) de artikelen 148 en 149 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen;
  b) de artikelen 104 en 105 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;
  c) de artikelen 38, vierde lid, en 42 tot 45 van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten;
  d) de artikelen 31 tot 35 van de bepalingen betreffende de private spaarkassen, gecoördineerd op 23 juni 1962;
  e) de artikelen 13 tot 16 van de wet van 10 juni 1964 op het openbaar aantrekken van spaargelden;
  f) de artikelen 110 tot 112ter van titel V van boek I van het Wetboek van Koophandel of de artikelen 75, 76, 78, 150, 175, 176, 213 en 214 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten;
  g) artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 41 van 15 december 1934 tot bescherming van het gespaard vermogen door reglementering van de verkoop, op afbetaling, van premie-effecten;
  h) de artikelen 18 tot 23 van het koninklijk besluit nr. 43 van 15 december 1934 betreffende de controle op de kapitalisatieondernemingen;
  i) de artikelen 200 tot 209 van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935;
  j) de artikelen 67 tot 72 van het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen of artikel 34 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;
  k) de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit nr. 71 van 30 november 1939 betreffende het leuren met roerende waarden en demarchage met roerende waarden en goederen of eetwaren;
  l) artikel 31 van het koninklijk besluit nr. 72 van 30 november 1939 tot regeling van de beurzen voor de termijnhandel in goederen en waren, van het beroep van de makelaars en tussenpersonen die zich met deze termijnhandel inlaten en van het regime van de exceptie van spel;
  m) artikel 29 van de wet van 9 juli 1957 tot regeling van de verkoop op afbetaling en van zijn financiering of de artikelen 101 en 102 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;
  n) artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 64 van 10 november 1967 tot regeling van het statuut van de portefeuillemaatschappijen;
  o) de artikelen 53 tot 57 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;
  p) de artikelen 11, 15, § 4, en 18 van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen;
  q) artikel 139 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;
  r) artikel XI.293, XI.303 en XI.304;
  3° personen die werden veroordeeld door een buitenlandse rechtbank voor een van de misdrijven als bepaald in 1° en 2° ; in deze gevallen is artikel 2 van voormeld koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 van toepassing.
  De Koning kan de bepalingen van dit artikel aanpassen om ze in overeenstemming te brengen met de wetten die de erin opgesomde teksten wijzigen.
  Art. XI.251. De bestuurders en de dagelijkse bestuurders van een vennootschap voor het beheer van de rechten zijn onderworpen aan het bepaalde in de artikelen 527 en 528 van het Wetboek van Vennootschappen, waarbij een overtreding van hoofdstuk 9 van deze titel en van de uitvoeringsbesluiten ervan wordt gelijkgesteld met een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen.
  Art. XI.252. § 1. De vennootschappen voor het beheer van de rechten stellen tariferingsregels en innings- en verdelingsregels vast voor alle exploitatiewijzen waarvoor zij rechten van de rechthebbenden beheren, behalve in de gevallen waarin zij door of krachtens de wet zijn of moeten worden vastgesteld. Indien de beheersvennootschappen verhogingen van de toepasselijke rechten toepassen wanneer de gebruiker de beschermde werken of prestaties niet binnen de vereiste termijnen aangeeft, of wanneer hij niet de informatie verschaft die vereist is voor de inning of verdeling van de rechten, nemen zij de regels betreffende deze verhogingen op in hun tariferings- of inningsregels.
  De beheersvennootschappen beschikken steeds over een bijgewerkte en gecoördineerde versie van hun regels van tarifering, inning en verdeling van de rechten. De bijgewerkte en gecoördineerde versie van hun regels van tarifering en inning, alsook, als afzonderlijk gegeven en uitgesplitst per exploitatiewijze, de door de beheersvennootschap aan de rechthebbenden aangerekende vergoeding voor haar diensten van beheer, worden bekendgemaakt op de internetpagina van de beheersvennootschap op een duidelijk leesbare plaats en met duidelijke verwijzing in het hoofdmenu van de internetpagina binnen een maand na hun laatste bijwerking.
  Elke rechthebbende die het beheer van zijn rechten heeft toevertrouwd aan een beheersvennootschap heeft het recht binnen een termijn van drie weken na zijn verzoek een bijgewerkte en gecoördineerde versie te verkrijgen van de regels van tarifering, inning en verdeling van die vennootschap.
  § 2. De beheersvennootschappen nemen maatregelen om de rechten die zij innen binnen de vierentwintig maanden na inning te verdelen. In het jaarverslag wordt aangegeven welke rechten niet binnen de vierentwintig maanden na hun inning verdeeld werden, en worden de redenen daarvoor aangegeven.
  § 3. De beheersvennootschappen zorgen er voor dat de directe en indirecte kosten die tijdens een bepaald boekjaar verbonden zijn aan de diensten van beheer die zij voor rekening van de rechthebbenden leveren, overeenkomen met de kosten die een normaal zorgvuldige beheersvennootschap zou moeten dragen, en minder dan vijftien procent bedragen van het gemiddelde van de tijdens de laatste drie boekjaren geïnde rechten. De Koning kan dit percentage aanpassen en een onderscheid maken op basis van objectieve en niet-discrimatoire criteria.
  Indien het in het eerste lid bepaalde plafond wordt overschreden, wordt deze overschrijding op volledige, precieze en gedetailleerde wijze gemotiveerd in het jaarverslag bepaald in artikel XI.257, § 2.
  Art. XI.253. § 1. Na overleg met de beheersvennootschappen, de organisaties die de debiteuren van de rechten vertegenwoordigen en de organisaties die de consumenten vertegenwoordigen, die zetelen in het overlegcomité ingesteld door artikel XI.282, bepaalt de Koning :
  1° de minimuminformatie die de documenten betreffende de inning van rechten die door de beheersvennootschappen ter kennis van het publiek worden gebracht onverminderd andere wettelijke bepalingen moeten bevatten;
  2° de minimuminformatie die de facturen afkomstig van de beheersvennootschappen onverminderd andere wettelijke bepalingen moeten bevatten.
  De Koning kan een onderscheid maken betreffende de minimuminformatie bepaald in het eerste lid, 1° en 2° in functie van de betreffende rechten.
  § 2. Na overleg met de beheersvennootschappen, de organisaties die de debiteuren van de rechten vertegenwoordigen en de organisaties die de consumenten vertegenwoordigen, die zetelen in het overlegcomité ingesteld door artikel XI.282 en onverminderd het exclusieve recht van auteurs en houders van naburige rechten, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, rekening houdend met de verschillende categorieën van werken en de verschillende exploitatiewijzen, nadere regels bepalen voor de administratieve vereenvoudiging van de inning van de door de beheersvennootschappen beheerde rechten.
  In uitvoering van het eerste lid kan de Koning alle maatregelen van administratieve vereenvoudiging bepalen, zoals het oprichten van een uniek platform, of het instellen van een unieke factuur.
  De maatregelen van administratieve vereenvoudiging kunnen voorzien worden voor een enkele exploitatiewijze of voor meerdere exploitatiewijzen samen. De beheersvennootschappen die rechten beheren die behoren tot die exploitatiewijze of exploitatiewijzen, werken de maatregelen van administratieve vereenvoudiging uit die door de Koning bepaald werden in uitvoering van dit artikel.
  Vanaf 1 januari 2015 voorzien de beheersvennootschappen die de auteursrechten en de naburige rechten op de openbare uitvoering van fonogrammen en films beheren, in een uniek platform voor de inning van voornoemde rechten, op voorwaarde dat de fonogrammen en films niet voor een voorstelling worden gebruikt en aan het publiek geen toegangsgeld of vergoeding wordt gevraagd om de uitvoering ervan te kunnen bijwonen. De Koning kan de in de vorige zin bepaalde datum aanpassen.
  § 3. Teneinde hun schadevergoedend karakter te garanderen, kan de Koning de verhogingen van de toepasselijke rechten bepalen die door de beheersvennootschappen worden toegepast wanneer de gebruiker de beschermde werken of prestaties niet binnen de vereiste termijnen aangeeft, of wanneer hij niet de informatie verschaft die vereist is voor de inning of verdeling van de rechten.
  Art. XI.254. De Koning kan na overleg met de Commissie voor de boekhoudkundige Normen, het Instituut der Bedrijfsrevisoren en de beheersvennootschappen die zetelen binnen het overlegcomité ingesteld door artikel XI.282 de minimuminformatie bepalen die de stukken inzake het beheer van de rechten die door de beheersvennootschappen ter kennis worden gebracht van of worden gebruikt ten aanzien van de rechthebbenden moeten bevatten, onverminderd andere wettelijke bepalingen, om zo de rechthebbenden duidelijke, volledige en precieze informatie te verschaffen over de onderwerpen die in deze documenten worden behandeld.
  De Koning kan een onderscheid maken inzake de minimuminformatie bepaald in het eerste lid, in functie van de betreffende rechten.
  Art. XI.255. § 1. Niettegenstaande ieder andersluidend beding, kunnen de statuten, reglementen of overeenkomsten van de vennootschappen een rechthebbende niet beletten het beheer van de rechten die betrekking hebben op een of meer categorieën van werken of prestaties van zijn repertoire toe te vertrouwen aan een andere vennootschap van zijn keuze of om het beheer zelf uit te oefenen.
  Voor zover de rechthebbende een opzegging van zes maanden voor het einde van het boekjaar geeft, tenzij een kortere termijn voorzien wordt in de overeenkomst met de rechthebbende, zal de terugtrekking van de rechten uitwerking hebben de eerste dag van het volgende boekjaar. Indien de opzegging van de terugtrekking minder dan zes maanden voor het einde van het boekjaar wordt gegeven of minder dan de termijn die voorzien wordt in de overeenkomst met de rechthebbende indien deze korter is dan zes maanden, heeft de terugtrekking uitwerking de eerste dag van het boekjaar dat volgt op het daarop volgende boekjaar.
  De terugtrekking van de rechten gebeurt zonder afbreuk te doen aan de rechtshandelingen die voordien door de vennootschap zijn gesteld.
  § 2. De persoon die van een wettig belang doet blijken heeft het recht om de gehele repertoires die de beheersvennootschappen beheren, ter plaatse of schriftelijk te raadplegen. Indien een persoon met een wettig belang een schriftelijk verzoek richt aan de beheersvennootschap teneinde zich te informeren of een bepaald werk tot het repertoire van de beheersvennootschap behoort, dient deze laatste de verzoeker binnen de termijn van drie weken vanaf de ontvangst van het verzoek een volledig en schriftelijk antwoord te verschaffen.
  De beheersvennootschappen maken aan het einde van hun boekjaar een geactualiseerde lijst met alle namen van de rechthebbenden die hen bij overeenkomst het beheer van hun rechten hebben toevertrouwd, met uitzondering van de rechthebbenden waarvan de rechten beheerd worden in uitvoering van overeenkomsten gesloten met andere Belgische of buitenlandse beheersvennootschappen, over aan de Controledienst.
  Art. XI.256. § 1. De beheersvennootschappen mogen noch op rechtstreekse noch op onrechtstreekse wijze kredieten of leningen toestaan. Ze mogen zich evenmin op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze borg stellen voor de verbintenissen aangegaan door derden.
  § 2. Zij mogen enkel voorschotten op de rechten toekennen als elk van de volgende voorwaarden vervuld is :
  - zij worden verleend op grond van niet-discriminatoire regels. Deze regels maken een wezenlijk bestanddeel van de verdelingsregels van de beheersvennootschap uit;
  - het verlenen van voorschotten brengt het resultaat van de definitieve verdeling niet in het gedrang.
  Art. XI.257. § 1. Onverminderd artikel XI.234, § 2, kan enkel de algemene vergadering van de in België gevestigde beheersvennootschap met een meerderheid van twee derden van de stemmen van de aanwezige of vertegenwoordigde vennoten, tenzij de statuten in strengere bepalingen voorzien, beslissen dat ten hoogste 10 % van de geïnde rechten door de beheersvennootschap kan worden bestemd voor sociale, culturele of educatieve doeleinden. De algemene vergadering kan daarbij een algemeen kader of algemene richtlijnen vastleggen betreffende de aanwending van die sommen.
  Het beheer van de rechten bestemd voor sociale, culturele of educatieve doeleinden wordt uitgevoerd door de beheersvennootschap zelf.
  De in België gevestigde beheersvennootschappen die overeenkomstig het eerste lid een deel van hun geboekte rechten bestemmen voor sociale, culturele of educatieve doeleinden, scheiden de rekeningen zodat blijkt welke middelen voor die doelstellingen bestemd worden, alsmede hun daadwerkelijke aanwending.
  De toekenning en het gebruik van rechten door de beheersvennootschap ten behoeve van sociale, culturele en educatieve doeleinden maakt elk jaar het voorwerp uit van een verslag van de raad van bestuur, waarin de toekenning en het gebruik van die rechten aangegeven worden. Dit verslag wordt voorgelegd aan de algemene vergadering en wordt ter informatie overgemaakt aan de Controledienst.
  § 2. Onverminderd artikel XI.234, § 2, en strengere wettelijke bepalingen van de lidstaat waar zij gevestigd zijn, kunnen in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde beheersvennootschappen ten hoogste 10 % van de in België geïnde rechten bestemmen voor sociale, culturele of educatieve doeleinden.
  Het beheer van de rechten bestemd voor sociale, culturele of educatieve doeleinden wordt uitgevoerd door de beheersvennootschap zelf.
  De in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde beheersvennootschappen die overeenkomstig het eerste lid een deel van hun geboekte rechten bestemmen voor sociale, culturele of educatieve doeleinden, scheiden de rekeningen waaruit blijkt welke middelen voor die doelstellingen bestemd worden, alsmede hun daadwerkelijke aanwending.
  De toekenning en het gebruik van rechten door de beheersvennootschap ten behoeve van sociale, culturele en educatieve doeleinden maakt elk jaar het voorwerp uit van een verslag van het beheers- of bestuursorgaan, waarin de toekenning en het gebruik van die rechten aangegeven worden. Dit verslag wordt voorgelegd aan de algemene vergadering en wordt ter informatie overgemaakt aan de Controledienst.
  Art. XI.258. § 1. De houders van rechten en de gebruikers van beschermde werken en prestaties hebben het recht om rechtstreeks bij de beheersvennootschappen een klacht in te dienen tegen individuele handelingen van beheer van auteursrechten en naburige rechten.
  § 2. Om het in paragraaf 1 bedoelde recht te garanderen stellen de vennootschappen voor het beheer van de rechten de houders van rechten en de gebruikers van beschermde werken en prestaties efficiënte en snelle procedures ter beschikking voor het behandelen van de klachten.
  § 3. De beheersvennootschap reageert zo snel mogelijk op de klacht en uiterlijk binnen een maand na de dag waarop de klacht werd ingediend; ze doet al het mogelijke om duidelijke, ter zake doende en voldoeninggevende antwoorden te bieden. Omwille van gemotiveerde uitzonderlijke redenen kan de termijn voor het behandelen van de klacht worden verlengd met ten hoogste een maand.
  Het antwoord wordt schriftelijk of op een duurzame drager gegeven. Wanneer het antwoord van de beheersvennootschap luidt dat de eis volledig of gedeeltelijk ongegrond is, motiveert ze dit antwoord.
  Art. XI.259. § 1. De vennootschappen bedoeld in artikel XI.246 die hun activiteiten in België willen uitoefenen, moeten alvorens met hun activiteiten te starten een vergunning krijgen van de minister.
  § 2. De vergunning wordt verleend aan vennootschappen die voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen XI.247 tot XI.250, XI.252, XI.255, XI.256, XI.257 en XI.258.
  De vergunningsvoorwaarden voor een beheersvennootschap opgericht in een ander land van de Europese Unie mogen gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare eisen en controles waaraan de beheersvennootschap al in dat land onderworpen is, niet overlappen.
  § 3. Alle aanvragen om vergunning worden per aangetekende zending naar de minister gestuurd.
  De Koning bepaalt de inlichtingen en de stukken die bij de aanvraag om vergunning moeten worden gevoegd.
  Binnen twee maanden na de indiening van de aanvraag bezorgt de minister of zijn afgevaardigde de aanvrager een ontvangstbewijs indien het dossier volledig is. In het tegengestelde geval, informeert hij deze dat het dossier niet volledig is met vermelding van de ontbrekende documenten of gegevens. De minister of zijn afgevaardigde levert het ontvangstbewijs van het volledige dossier af binnen twee maanden na ontvangst van de ontbrekende documenten of gegevens.
  De minister spreekt zich uit binnen drie maanden vanaf de kennisgeving van de volledigheid van het dossier. Indien de aanvrager binnen deze termijn bijkomende gegevens of documenten bij zijn aanvraag voegt, wordt de termijn van drie maanden met twee maanden verlengd. De beslissing wordt binnen vijftien dagen ter kennis gebracht van de aanvrager bij aangetekende zending.
  De vergunning wordt binnen dertig dagen bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Als de weigering van de vergunning wordt beoogd, deelt de minister of de hiertoe aangewezen persoon vooraf aan de betrokken beheersvennootschap, bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, zijn grieven mee. Hij deelt de beheersvennootschap mee dat zij vanaf deze kennisgeving over een termijn van twee maanden beschikt om het dossier dat werd opgemaakt, in te kijken, om te worden gehoord door de minister of de hiertoe aangewezen persoon en om zijn middelen te doen gelden. Deze termijn van twee maanden schort de termijn van drie maanden bedoeld in het vierde lid op. De beslissing wordt binnen vijftien dagen ter kennis gebracht bij aangetekende zending.
  Art. XI.260. § 1. De controle bij in België gevestigde beheersvennootschappen, op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid, ten aanzien van deze titel, haar uitvoeringsbesluiten, de statuten en de verdelingsregels, van de in de jaarrekening en geconsolideerde rekeningen weergegeven verrichtingen, wordt opgedragen aan een of meer commissarissen gekozen onder de leden van het Instituut der bedrijfsrevisoren, ongeacht de grootte van de beheersvennootschap.
  Alle bepalingen van het Wetboek van vennootschappen die betrekking hebben op de commissarissen, op hun opdracht, hun taken en bevoegdheden, op de benoeming- en ontslagmodaliteiten, zijn van toepassing op de commissarissen bepaald in het eerste lid.
  § 2. De controle bij in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde beheersvennootschappen voor wat hun in België gevestigde bijkantoren betreft, op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid, ten aanzien van deze titel, haar uitvoeringsbesluiten, de statuten en de verdelingsregels, en van de in de jaarrekening weergegeven verrichtingen, wordt opgedragen aan een of meer revisoren gekozen onder de leden van het Instituut der bedrijfsrevisoren, ongeacht de grootte van de beheersvennootschap.
  Art. XI.261. De Controledienst kan op elk ogenblik aan de bij een beheersvennootschap aangestelde commissaris of revisor een bewijs vragen dat de commissaris of revisor niet het voorwerp uitmaakt van een tuchtsanctie.
  De commissaris of revisor die het voorwerp heeft uitgemaakt van een tuchtsanctie, brengt de Controledienst alsmede de betrokken beheersvennootschap van die tuchtsanctie op de hoogte binnen vijf werkdagen na de betekening van die tuchtmaatregel door het Instituut der Bedrijfsrevisoren.
  Art. XI.262. Wanneer een commissaris of revisor ontslag neemt uit de beheersvennootschap, dan brengt deze de Controledienst hiervan op de hoogte binnen de vijf werkdagen die volgen op de kennisgeving van het ontslag.
  Binnen vijf werkdagen die volgen op de herroeping door de beheersvennootschap van het mandaat van commissaris of revisor, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen, brengt de beheersvennootschap die herroeping ter kennis van de Controledienst.
  Art. XI.263. § 1. Onverminderd de taken die aan de commissaris of revisor worden opgedragen door of op grond van andere wettelijke bepalingen, bestaat de opdracht van de bij een beheervennootschap aangestelde commissaris of revisor er in om :
  1° zich ervan te vergewissen dat de beheersvennootschap passende maatregelen heeft getroffen voor de administratieve en boekhoudkundige organisatie en voor de interne controle met het oog op de naleving van deze titel en van de uitvoeringsbesluiten ervan. Die taak maakt ieder jaar het voorwerp uit van een bijzonder verslag aan de raad van bestuur dat ter informatie wordt bezorgd aan de Controledienst;
  2° in het kader van hun opdracht bij een beheersvennootschap of van een opdracht als revisor bij een natuurlijke persoon of rechtspersoon waarmee de beheersvennootschap nauwe banden heeft, in de zin van artikel XI.248, § 5, tweede lid, op eigen initiatief verslag uit te brengen aan de bestuurders of zaakvoerders van de beheersvennootschap, wanneer zij kennis krijgen van :
  a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van de beheersvennootschap op financieel vlak, op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op beduidende wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
  b) beslissingen of feiten die een schending van het Wetboek van vennootschappen, van de boekhoudwetgeving, van de statuten van de vennootschap, van deze titel en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten kunnen uitmaken;
  c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een verklaring met voorbehoud, een afkeurende verklaring, of een onthoudende verklaring.
  Een kopie van de in het vorige lid, onder 1° en 2° bedoelde verslagen wordt door de commissaris tegelijkertijd bezorgd aan de Controledienst. De Controledienst zal geen verdere acties ondernemen in verband met de in de verslagen vermelde gegevens gedurende een termijn van 15 dagen na het versturen van deze verslagen teneinde de beheersvennootschap toe te laten haar opmerkingen aan de commissaris of revisor en aan de Controledienst over te maken.
  § 2. Geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of disciplinaire vordering kan worden ingesteld noch een professionele sanctie kan worden uitgesproken tegen de commissarissen of revisoren die te goeder trouw de informatie bepaald in paragraaf 1, eerste lid, 2° verstrekt hebben.
  De commissarissen en revisoren zijn ten aanzien van de minister en van de Controledienst vrijgesteld van hun beroepsgeheim wanneer zij een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, van de boekhoudwetgeving, van de statuten van de vennootschap, van de bepalingen van dit hoofdstuk of van de uitvoeringsbesluiten ervan vaststellen.
  § 3. De commissaris kan eisen van het bestuursorgaan van de vennootschap waarop hij controle uitoefent, dat het hem, ter zetel van de vennootschap, in het bezit stelt van inlichtingen betreffende natuurlijke of rechtspersonen waarmee de beheersvennootschap nauwe banden heeft, in de zin van artikel XI.248, § 5, tweede lid.
  Art. XI.264. § 1. De sommen die worden geïnd en waarvan met zekerheid blijkt dat ze niet kunnen worden toegewezen, worden door de in België gevestigde beheersvennootschappen verdeeld onder de rechthebbenden van de betrokken categorie, op de wijze die bij tweederde meerderheid van de algemene vergadering wordt bepaald. De Koning kan het begrip rechthebbenden van de betrokken categorie nader bepalen.
  Bij gebreke van een dergelijke meerderheid wordt met dit doel speciaal een nieuwe algemene vergadering bijeengeroepen, die bij gewone meerderheid beslist.
  De lasten van de beheersvennootschap kunnen niet op discriminerende manier ten opzichte van de andere rechten beheerd door de beheersvennootschap, worden aangerekend op de sommen bedoeld in het eerste lid.
  De Koning bepaalt de voorwaarden waarbinnen, overeenkomstig het derde lid, de lasten van de beheersvennootschap worden aangerekend op de in het eerste lid bedoelde sommen.
  De Commissaris maakt jaarlijks een bijzonder verslag op over :
  1° de bedragen die door de beheersvennootschap als sommen worden aangemerkt, waarvan met zekerheid blijkt dat ze niet kunnen worden toegewezen;
  2° het gebruik dat de beheersvennootschap van deze sommen maakt, en;
  3° de aanrekening van de lasten op deze sommen.
  § 2. De sommen die in België door in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde beheersvennootschappen worden geïnd en waarvan met zekerheid blijkt dat ze niet kunnen worden toegewezen, moeten door de in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde beheersvennootschappen worden verdeeld onder de rechthebbenden van de betrokken categorie. De Koning kan het begrip rechthebbenden van de betrokken categorie nader bepalen.
  De lasten van de beheersvennootschap kunnen niet op discriminerende manier ten opzichte van de andere rechten beheerd door de beheersvennootschap, worden aangerekend op de sommen bedoeld in het eerste lid.
  De Koning bepaalt de voorwaarden waarbinnen, overeenkomstig het derde lid, de lasten van de beheersvennootschap worden aangerekend op de in het eerste lid bedoelde sommen.
  De revisor maakt jaarlijks een bijzonder verslag op over :
  1° de bedragen die door de beheersvennootschap als sommen worden aangemerkt, waarvan met zekerheid blijkt dat ze niet kunnen worden toegewezen;
  2° het gebruik dat de beheersvennootschap van deze sommen maakt, en;
  3° de aanrekening van de lasten op deze sommen.
  Art. XI.265. Onverminderd specifieke afwijkende bepalingen verjaren de vorderingen tot betaling van de rechten geïnd door de beheersvennootschappen na tien jaar te rekenen van de dag van hun inning. Deze termijn wordt geschorst vanaf de inning tot de datum van hun inverdelingstelling.
  Art. XI.266. Onverminderd de informatie die medegedeeld moet worden krachtens de wetten en de statuten, kan elke vennoot of zijn gemachtigde, binnen een maand te rekenen van de dag van zijn verzoek, een afschrift krijgen van de stukken van de laatste drie jaren die betrekking hebben op :
  1° de door de algemene vergadering goedgekeurde jaarrekeningen en de financiële structuur van de vennootschap;
  2° de bijgewerkte lijst van de bestuurders;
  3° de verslagen van de raad van bestuur en van de commissaris-revisor aan de algemene vergadering;
  4° de tekst van en de toelichting bij de aan de algemene vergadering voorgestelde resoluties, alsmede alle inlichtingen betreffende de kandidaten voor de raad van bestuur;
  5° het door de commissaris-revisor voor juist verklaarde totale bedrag van de bezoldigingen, forfaitaire kosten en voordelen van welke aard ook, die werden uitgekeerd aan de bestuurders;
  6° de geactualiseerde tarieven van de vennootschap;
  7° de bestemming van de sommen die, overeenkomstig de artikelen XI.178, § 3, en XI.264, verdeeld moesten worden.
  Art. XI.267. De vennootschappen kunnen, binnen de perken van de hen op grond van hun statuten verleende bevoegdheden, algemene contracten sluiten met betrekking tot de exploitatie van auteursrechten en naburige rechten.
  Art. XI.268. De vennootschappen zijn bevoegd om in rechte op te treden met het oog op de verdediging van de rechten die zij krachtens de statuten beheren.
  Art. XI.269. Het bewijs van een opvoering, uitvoering, reproductie of enige andere exploitatie, alsook het bewijs van een onjuiste verklaring over de opgevoerde, uitgevoerde of gereproduceerde werken of over de inkomsten kan niet alleen door de processen-verbaal van de officieren of de agenten van de gerechtelijke politie worden geleverd, maar ook door de vaststellingen van een gerechtsdeurwaarder of tot het tegendeel bewezen is van een door beheersvennootschappen aangewezen persoon die erkend is door de minister en beëdigd is overeenkomstig artikel 572 van het Gerechtelijk Wetboek.
  Art. XI.270. Niettegenstaande iedere andersluidende bepaling brengen de beheersvennootschappen de Controledienst op de hoogte van de voorstellen tot wijziging van de statuten, de tarifering-, inning- of verdelingregels minstens zestig dagen vóór onderzoek ervan door het bevoegde orgaan.
  De Controledienst kan eisen dat de opmerkingen die hij over die voorstellen maakt, ter kennis van het bevoegde orgaan van de vennootschap worden gebracht. Deze opmerkingen en de desbetreffende antwoorden moeten worden opgenomen in het proces-verbaal van het bevoegde orgaan.
  Art. XI.271. § 1. De in België gevestigde beheersvennootschappen bezorgen aan de Controledienst een kopie van de boekhoudkundige staat die, overeenkomstig artikel 137, § 2, derde lid van het Wetboek van vennootschappen, halfjaarlijks aan de commissarissen wordt bezorgd.
  De in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde beheersvennootschappen bezorgen aan de Controledienst ten minste halfjaarlijks een boekhoudkundige staat met betrekking tot de activiteit van de in België gevestigde bijkantoren en opgesteld volgens het schema van balans en resultatenrekening.
  § 2. De beheersvennootschappen bezorgen aan de Controledienst een maal per jaar een gecoördineerde en bijgewerkte versie van hun tariferings-, inings- en verdelingsregels.
  Art. XI.272. § 1. De beheersvennootschappen en de gebruikers van beschermde werken en prestaties onderhandelen te goeder trouw over het toekennen van licenties, de inning en de tarifering van de rechten. Die onderhandelingen te goeder trouw hebben ook betrekking op het verstrekken van alle nuttige informatie over de respectieve diensten van de beheersvennootschappen en de gebruikers.
  § 2. Onverminderd de maatregelen bepaald op grond van de artikelen XI.175 tot XI.178, XI.213, XI.229 tot XI.245, verstrekken de gebruikers binnen de kortst mogelijke tijd aan de beheersvennootschappen informatie over het gebruik van de beschermde werken en prestaties waarvoor de beheersvennootschappen de rechten beheren die noodzakelijk zijn voor de tarifering, de inning en de verdeling van de rechten.
  De Koning kan nadere regels bepalen in verband met de informatie die nodig is voor de inning en verdeling van de rechten die de gebruikers aan de beheersvennootschappen moeten verstrekken, alsook de nadere regels bepalen volgens dewelke die informatie moet meegedeeld worden. Hij kan onder meer een onderscheid maken in die informatie en nadere regels naar gelang de aard van het gebruik, zoals het al dan niet professioneel karakter ervan.
  Art. XI.273. In de licentieovereenkomsten afgesloten door de beheersvennootschappen en de gebruikers van beschermde werken en prestaties, worden objectieve en niet-discriminerende criteria voorzien, voornamelijk wat betreft de overeengekomen tarieven.
  Hoofdstuk 10. - Transparantie van het auteursrecht en de naburige rechten
  Afdeling 1. - Regulering van het auteursrecht en de naburige rechten
  Art. XI.274. Binnen de FOD Economie wordt een Dienst Regulering van het auteursrecht en de naburige rechten opgericht, hierna genoemd "Dienst Regulering".
  Art. XI.275. § 1. Uit hoofde van zijn controleopdracht, heeft de Dienst Regulering de exclusieve bevoegdheid om erop toe te zien dat de innings-, tariferings- en verdelingsregels bepaald door de beheersvennootschappen bedoeld in hoofdstuk 9 billijk zijn en niet discriminatoir.
  Een verzoek kan enkel worden ingesteld bij de Dienst Regulering door elke belanghebbende, door een gemachtigde vennootschap voor het beheer van de rechten of door een beroepsvereniging of interprofessionele vereniging met rechtspersoonlijkheid .
  § 2. Teneinde zijn controleopdracht bepaald in paragraaf 1 te vervullen, kan de Dienst Regulering :
  1° hetzij beslissen dat de regels bedoeld in paragraaf 1 billijk zijn en niet discriminatoir;
  2° hetzij aan de beheersvennootschap een waarschuwing als bedoeld in artikel XV.31/2 van dit Wetboek richten;
  3° na het richten van een waarschuwing zoals bedoeld in punt 2°, het hof van beroep te Brussel vatten overeenkomstig artikel XI. 340, teneinde een uitspraak te bekomen over het billijk en niet-discriminatoir karakter van de betrokken regels;
  Indien hij beslist om geen waarschuwing te richten aan de beheersvennootschap, zal de Dienst Regulering de verzoeker of verzoekers inlichten van zijn beslissing binnen de termijn en in de vorm bedoeld in paragraaf 3.
  Het niet nemen van beslissingen door de Dienst Regulering binnen de voorziene termijnen wordt beschouwd als een beslissing, die vatbaar is voor beroep overeenkomstig artikel XI.341.
  § 3. De Dienst Regulering treft een met redenen omklede beslissing in de gevallen bedoeld in paragraaf 2, na de partijen te hebben gehoord, binnen de twee maanden volgend op de ontvangst van alle informatie.
  Hij houdt bij het nemen van zijn beslissingen onder andere rekening met :
  1° de bepalingen van deze titel en van titels 6 en 7;
  2° de internationale en Europese verplichtingen van België m.b.t. het auteursrecht en de naburige rechten;
  3° de waarde van het gebruik van de beschermde werken en/of prestaties, rekening houdend met het exclusieve karakter van het recht.
  Hij kan overgaan tot of doen overgaan tot elk onderzoek dat nuttig is en indien nodig experten aanwijzen en getuigen horen.
  De Dienst Regulering brengt zijn beslissingen ter kennis van de partijen en maakt ze openbaar binnen de 15 dagen nadat ze werden aangenomen.
  Ze worden bekendgemaakt op papieren dragers en in elektronische vorm.
  Art. XI.276. Uit hoofde van zijn adviesopdracht, kan de Dienst Regulering :
  1° gemotiveerde adviezen verstrekken betreffende de valorisatie van het auteursrecht en de naburige rechten;
  2° op eigen initiatief of op verzoek van de minister of van andere diensten van de FOD Economie, onderzoek verrichten en studies uitvoeren betreffende de waarde van het auteursrecht en de naburige rechten, met inbegrip van de marktanalyses;
  3° aan de andere diensten van de FOD Economie, op hun verzoek, alle nuttige informatie overmaken voor de uitwerking van de besluiten ter uitvoering van de bepalingen van deze titel.
  Art. XI.277. § 1. Uit hoofde van zijn bemiddelingsopdracht behandelt de Dienst Regulering de verzoeken om bemiddeling in verband met geschillen rond de toepassing van deze titel en van titel 6 en 7, met uitzondering van artikel XI.293.
  § 2. Ter uitvoering van zijn bemiddelingsopdrachten, is de Dienst Regulering belast met :
  1° het begeleiden, horen en adviseren van de partijen, teneinde een minnelijke regeling te bereiken;
  2° het formuleren van een aanbeveling aan de partijen, voor het geval dat geen minnelijke regeling gevonden wordt;
  3° op eigen initiatief of op verzoek van de minister, adviezen te verstrekken in het kader van zijn opdrachten.
  De verzoeken tot bemiddeling worden door de betrokken partijen in gezamenlijk akkoord voorgelegd.
  § 3. Wanneer een verzoek om bemiddeling over een auteursrechtelijk geschil ontvankelijk werd verklaard door de Dienst Regulering, worden de verjaringstermijnen van gemeen recht tijdens de bemiddelingsprocedure opgeschort, tot een van de partijen of de Dienst Regulering de wens te kennen geeft om een einde te stellen aan de bemiddelingsprocedure, met een maximale opschortingstermijn van zes maanden.
  De Dienst Regulering garandeert het vertrouwelijke karakter van de inlichtingen die de partijen hem meedelen in het kader van een bemiddelingsprocedure met betrekking tot een geschil als bedoeld in paragraaf 1. Die gegevens mogen op geen andere wijze of voor geen ander doel worden gebruikt, met uitzondering van hun anonieme verwerking voor het jaarverslag bedoeld in artikel XI. 288.
  De minnelijke regeling van een geschil met betrekking tot auteursrechten en naburige rechten, verkregen via de Dienst Regulering, kan door de partijen of door een van hen ter homologatie worden voorgelegd aan de bevoegde rechter, overeenkomstig de artikelen 1025 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek. De homologatiebeslissing heeft dezelfde uitwerking als een vonnis, in de zin van artikel 1043 van het Gerechtelijk Wetboek.
  Art. XI.278. § 1. Bij het uitoefenen van hun functies handelen de leden van de Dienst Regulering volledig onafhankelijk en neutraal, en krijgen ze van niemand instructies of aanbevelingen.
  § 2. De Koning bepaalt in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het administratieve en geldelijke statuut van de leden van de Dienst Regulering. Het mandaat van de leden van de Dienst Regulering bedraagt vijf jaar. Hun mandaat is hernieuwbaar.
  § 3. De Koning bepaalt de verdere regels inzake de organisatie, de werking, de samenstelling en de procedure, die van toepassing zijn op de Dienst Regulering voor de verschillende in de artikelen XI.275 tot XI.277 bedoelde opdrachten.
  Hij bepaalt eveneens de regeling inzake de onverenigbaarheden voor de leden van de Dienst Regulering, en in het bijzonder voor de personen die belast zijn met een bemiddelingsopdracht bedoeld in artikel XI.277, teneinde hun onafhankelijkheid en werkingsautonomie te garanderen.
  Afdeling 2. - De Controledienst van de beheersvennootschappen
  Art. XI.279. § 1. Onverminderd het artikel XI.275, oefent de Controledienst toezicht uit op de toepassing van deze titel en van de uitvoeringsbesluiten ervan door de beheersvennootschappen, alsmede op de toepassing van hun statuten en hun regels van tarifering, inning en verdeling.
  § 2. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de ambtenaren van de Controledienst, hiertoe aangewezen door de minister, eveneens bevoegd voor het opsporen en vaststellen van de inbreuken bedoeld in artikel XV.112.
  Art. XI.280. De vennootschappen voor het beheer van rechten moeten alle gegevens betreffende het beheer van de rechten bewaren, hetzij op de maatschappelijke zetel van de Belgische vennootschappen, hetzij op het bijkantoor in België van de in een andere Lidstaat van de Europese Unie gevestigde vennootschappen, hetzij op enige andere plaats die de minister of de daartoe aangestelde ambtenaar vooraf heeft toegestaan.
  In het geval van in een andere Lidstaat van de Europese Unie gevestigde vennootschappen, betreft de verplichting bedoeld in het vorige lid de documenten met betrekking tot het beheer van de rechten ontstaan in België en van de rechten van de rechthebbenden gevestigd of verblijvend in België.
  Onverminderd andere wettelijke bepalingen die een langere termijn voorschrijven, bedraagt de termijn gedurende welke de in het eerste en het tweede lid bedoelde documenten moeten worden bewaard, tien jaar te rekenen vanaf de inverdelingstelling van de bedragen waarop zij betrekking hebben.
  Art. XI.281. De personeelsleden van de vennootschappen voor het beheer van de rechten alsmede alle andere personen die zijn betrokken bij de inning van de krachtens de hoofdstukken 5 tot 9 verschuldigde vergoedingen, moeten het beroepsgeheim bewaren over alle inlichtingen waarvan ze kennis hebben door of naar aanleiding van de uitvoering van hun opdracht.
  Art. XI.282. § 1. Binnen de FOD Economie wordt een comité opgericht met als doel :
  1° het overleg te organiseren voor de uitwerking van de uitvoeringsmaatregelen van de bepalingen van hoofdstuk 9;
  2° een overleg over de toepassing van de bepalingen van titel 5 inzake de audiovisuele werken, tussen de in de audiovisuele sector betrokken milieus, te organiseren.
  § 2. Dit comité vergadert ten minste een maal per jaar en is samengesteld uit vertegenwoordigers :
  1° van beheersvennootschappen die gemachtigd zijn hun activiteiten op het Belgische grondgebied uit te oefenen;
  2° van organisaties die de auteurs, uitvoerende kunstenaars, producenten van audiovisuele werken of omroeporganisaties vertegenwoordigen;
  3° van organisaties die de debiteuren van de rechten vertegenwoordigen, aangewezen door de minister;
  4° van organisaties die de consumenten vertegenwoordigen, aangewezen door de minister;
  5° van het Instituut der bedrijfsrevisoren;
  6° van de Commissie voor de Boekhoudkundige Normen.
  § 3. De leden van het overlegcomité die door de minister aangeduid worden als vertegenwoordigers van de auteurs, uitvoerende kunstenaars, producenten, omroeporganisaties en gebruikers van audiovisuele werken, kunnen :
  1° overleggen over de toepassing van de bepalingen van titel 5, m.b.t. de audiovisuele werken;
  2° overeenkomstig de procedure bepaald door de Koning, collectieve overeenkomsten inzake de exploitatie van audiovisuele werken, sluiten.
  De collectieve overeenkomsten bepaald in punt 2° kunnen bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaard worden ten aanzien van derden. De minister kan weigeren de Koning voor te stellen een collectieve overeenkomst bindend te maken op grond van het feit dat die overeenkomst kennelijk onwettige bepalingen bevat, of bepalingen die indruisen tegen het algemeen belang. Hij brengt de leden bepaald in het eerste lid op de hoogte van de redenen daarvoor.
  Binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van de huidige bepaling, en vervolgens elke twee jaar, richt het overlegcomité, dat is samengesteld uit leden die door de minister aangeduid worden als vertegenwoordigers van de auteurs, uitvoerende kunstenaars, producenten, omroeporganisaties en gebruikers van audiovisuele werken, een advies aan de minister over de toepassing van de bepalingen van titel 5, inzake de audiovisuele werken, en in het bijzonder inzake de artikelen XI.182, XI.183 en XI.206.
  § 4. De Koning bepaalt de samenstelling, de benoemingsvoorwaarden van de leden, alsook de organisatie en werking van het comité.
  De minister duidt in het overlegcomité de leden aan die de auteurs, uitvoerende kunstenaars, producenten, omroeporganisaties en gebruikers van audiovisuele werken vertegenwoordigen en die gerechtigd zijn om de collectieve overeenkomsten bedoeld in paragraaf 3 te onderhandelen.
  Art. XI.283. De bepalingen van hoofdstuk 9 en van afdeling 2 van dit hoofdstuk zullen door de Dienst worden geëvalueerd in het vierde jaar na de datum van inwerkingtreding van de wet van 10 december 2009 tot wijziging van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten wat het statuut van en de controle op de vennootschappen voor het beheer van de rechten betreft.
  Het verslag van deze evaluatie wordt door de minister overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
  Afdeling 3. - Economische analyse van het auteursrecht en de naburige rechten
  Art. XI.284. Om het belang van het auteursrecht en de naburige rechten voor de economie in zijn geheel of voor bepaalde economische sectoren te evalueren, vervult de FOD Economie, op verzoek van de minister of van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, of op eigen initiatief, de volgende taken :
  1° verzamelen, verwerken en analyseren van de statistische gegevens betreffende het auteursrecht en de naburige rechten;
  2° observeren en analyseren van de markt van het auteursrecht en de naburige rechten;
  3° uitvoeren van economische analyses;
  4° organiseren van publieke raadplegingen;
  5° uitwerken van een gegevensbank van nationale, Europese of internationale studies betreffende het economische belang van het auteursrecht en de naburige rechten, die door of op aanvraag van een autoriteit of de betrokken milieus werden uitgevoerd;
  6° uitbrengen van adviezen aan de minister, in het kader van zijn analyseopdracht in verband met het economische belang van het auteursrecht en de naburige rechten.
  Voor de uitvoering van de opdrachten, nader bepaald in 1°, 2°, 3°, 4° en 5°, kan de FOD Economie alleen handelen, of de taken toevertrouwen aan een derde die garantie op onafhankelijkheid en objectiviteit biedt.
  Art. XI.285. De FOD Economie, of de derde die hij aanwijst, kan van ambtswege aan de natuurlijke personen en aan de fysieke personen en rechtspersonen van publiek- en privaatrecht elke informatie vragen, die nuttig kan zijn voor de uitvoering van de in artikel XI.284 gedefinieerde taken.
  De Koning bepaalt de manier waarop en de termijnen waarbinnen die informatie door de FOD Economie moet worden aangevraagd en aan hem moet worden verstrekt door de fysieke personen en rechtspersonen van publiek- en privaatrecht.
  De fysieke personen en rechtspersonen van publiek- en privaatrecht verstrekken op verzoek van de FOD Economie, of van de door hem aangewezen derde, een kopie van de licentieovereenkomsten die ze hebben gesloten bij toepassing van deze titel, zowel met de beheersvennootschappen als met andere personen, alsook de informatie betreffende de uitvoering van deze overeenkomsten.
  De leden van de FOD Economie of van de derde die hij aanwijst, die belast zijn met het verzamelen of analyseren van de gegevens, zijn gebonden aan de vertrouwelijkheidsplicht ten opzichte van de individuele gegevens die ze behandelen. Die gegevens en informatie mogen enkel op anonieme en geaggregeerde wijze worden gepubliceerd.
  De informatie die op grond van dit artikel werd verkregen kan niet worden gebruikt voor een ander doel of reden dan de economische analyse van het autuersrecht en de naburige rechten.
  Afdeling 4. - Bepalingen gemeenschappelijk aan de afdelingen 1 tot 3
  Art. XI.286. § 1. Onverminderd de paragrafen 2 en 3 en artikel XI.288, zijn de ambtenaren van de Dienst Regulering en de ambtenaren van de Controledienst gehouden tot een vertrouwelijkheidsplicht ten aanzien van vertrouwelijke informatie waarvan zij kennis hebben in het kader van de uitoefening van hun functie. Zij mogen na de beëindiging van hun functie gedurende één jaar geen enkele functie uitoefenen in een vennootschap die onderworpen is aan de controle bepaald in hoofdstuk 9 of in een grote vennootschap in de zin van artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen waarvan meer dan de helft van de bedrijfsopbrengsten rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie in België van beschermde werken of prestaties.
  § 2. De Dienst Regulering en de Controledienst kunnen zich bij het verrichten van de opdrachten die hen zijn toegekend, laten bijstaan door onafhankelijke deskundigen die aan hen verslag uitbrengen. Deze deskundigen zijn gehouden tot een vertrouwelijkheidsplicht ten aanzien van vertrouwelijke informatie waarvan zij kennis hebben in het kader van de uitoefening van hun opdracht.
  § 3. De Dienst Regulering en de Controledienst kunnen :
  1° vertrouwelijke gegevens meedelen in het kader van gerechtelijke procedures ingesteld nadat een rechtspersoon failliet is verklaard of een gerechtelijke reorganisatie heeft verkregen;
  2° vertrouwelijke gegevens meedelen over de rechtspersonen of de natuurlijke personen :
  a) op bevel van een rechtbank;
  b) aan de Belgische of Europese autoriteiten belast met het toezicht op de naleving van de wetgeving inzake de bescherming van de economische mededinging;
  c) aan de organen betrokken bij de vereffening en het faillissement van rechtspersonen of bij andere soortgelijke procedures;
  d) aan de personen belast met de wettelijke controle van de rekeningen van beheersvennootschappen;
  e) aan de autoriteiten belast met het toezicht op de organen betrokken bij de vereffening en het faillissement van beheersvennootschappen of bij andere soortgelijke procedures.
  Gegevens mogen slechts meegedeeld worden met het oog op de uitoefening door de ontvanger ervan van zijn wettelijke opdracht zoals omschreven in het eerste lid.
  Voor zover dit voor de ontvanger van de informatie die meegedeeld werd door de Dienst Regulering of de Controledienst geen afbreuk doet aan de vervulling van zijn opdracht, wordt een kopie hiervan meegedeeld aan de betrokken rechtspersoon of natuurlijke persoon.
  Art. XI.287. § 1. Er wordt een organiek fonds opgericht voor de transparantie van het auteursrecht en de naburige rechten.
  De ontvangsten toegewezen aan het fonds bedoeld in het eerste lid, alsook de mogelijke uitgaven ten laste van het fonds, zijn vermeld bij het genoemde fonds, in de bij organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen gevoegde tabel.
  In de wet houdende de algemene uitgavenbegroting zullen de basisallocaties voor enerzijds de Controledienst en anderzijds de Dienst Regulering ingeschreven worden in twee aparte activiteiten binnen eenzelfde programma, zodat de werkingskosten van beide diensten optimaal kunnen worden gecontroleerd. Tijdens het begrotingsjaar kan de minister de basisallocaties binnen de activiteiten van datzelfde programma herverdelen enkel na akkoord van de minister van Begroting.
  § 2. Om het fonds bedoeld in paragraaf 1 te spijzen en volgens de nadere regels bepaald door de Koning is elke vennootschap ertoe gehouden een jaarlijkse bijdrage te betalen.
  In geval van intrekking van de vergunning in toepassing van deze titel blijft de beheersvennootschap onderworpen aan de verplichting tot bijdrage tot 31 december van het jaar waarin de beslissing van intrekking in werking is getreden.
  De jaarlijkse bijdrage is eenmalig en ondeelbaar verschuldigd.
  § 3. De bijdrage van elke beheersvennootschap wordt berekend op grond van de auteursrechten en van de naburige rechten die ze int op het nationale grondgebied en op grond van de auteursrechten en van de naburige rechten die ze in het buitenland int voor rekening van personen die op het nationale grondgebied verblijven.
  § 4. De bijdrage verschuldigd door iedere beheersvennootschap bestaat in een percentage van de berekeningsgrondslag zoals bepaald in paragraaf 3.
  Dit percentage moet aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° onverminderd het derde lid, gelijk zijn voor alle beheersvennootschappen;
  2° ervoor zorgen dat met de totale opbrengst van de bijdragen het geheel van de kosten kan worden gedekt die voortvloeien uit het toezicht op grond van dit hoofdstuk;
  3° 0,4 % van de berekeningsgrondslag bepaald in § 3 niet overschrijden.
  De Koning bepaalt het percentage van de berekeningsbasis, in overeenstemming met de voorwaarden bepaald in het vorige lid.
  Het percentage mag 0,1 % niet overschrijden van de in paragraaf 3 bepaalde berekeningsgrondslag, voor de bijdrage verschuldigd door de beheersvennootschappen die representatief zijn voor alle beheersvennootschappen, aangeduid door de Koning overeenkomstig de artikelen XI.229, vijfde lid, XI.239, zevende lid, XI.242, derde lid en XI.244, vierde lid, voor wat betreft de vergoedingsrechten geïnd door deze vennootschappen, respectievelijk bepaald in de artikelen XI.229, XI.235, XI.236, XI.240 en XI.243.
  § 5. Zijn niet begrepen in de in paragraaf 3 bepaalde berekeningsgrondslag, de rechten geïnd door beheersvennootschappen, voor zover :
  1° die rechten uitsluitend betrekking hebben op exploitatiedaden verricht in het buitenland;
  2° de rechten integraal moeten worden doorgestort, in voorkomend geval na inhouding van een commissie voor het beheer, door de beheersvennootschap die de zetel van haar economische bedrijvigheid of een bijkantoor in België heeft, naar een of meerdere beheersvennootschappen die de zetel van hun economische bedrijvigheid in het buitenland hebben, en
  3° enkel de beheersvennootschap of beheersvennootschappen bepaald in het 2° die de zetel van hun economische bedrijvigheid in het buitenland hebben, voor de verdeling van deze rechten instaat.
  § 6. Het organieke fonds mag een debetstand vertonen mits deze debetstand nog in de loop van hetzelfde begrotingsjaar wordt aangezuiverd in functie van de verwezenlijkte ontvangsten zodat het begrotingsjaar met een positief saldo kan worden afgesloten.
  § 7. Onverminderd de andere sancties bepaald door dit Wetboek, kan de minister van Financiën op verzoek van de minister, de Federale Overheidsdienst Financiën belasten met de invordering van de onbetaald gebleven bijdragen.
  Art. XI.288. Jaarlijks publiceert de FOD Economie een activiteitenverslag betreffende het auteursrecht en de naburige rechten. Dit verslag omvat een onderdeel "wetgeving", een onderdeel "controle", een onderdeel "bemiddeling" en een onderdeel "economische analyse". Het verslag biedt een overzicht van de activiteiten die gedurende het jaar werden uitgeoefend door de FOD Economie.
  Het onderdeel "controle" zal per categorie van werken en exploitatiewijzen een onderscheid maken tussen de vragen om inlichtingen, de klachten van debiteuren en van rechthebbenden en de ambtshalve tussenkomsten van de Controledienst alsmede hun resultaten. De gegronde klachten worden bekendgemaakt per beheersvennootschap. Het verslag geeft een getrouw beeld van de sector van het collectief beheer en zal verslag uitbrengen van de specifieke rol en de financiële toestand van de beheersvennootschappen alsook van de recente ontwikkelingen binnen deze sector.
  Het verslag wordt meegedeeld aan de minister. Eveneens wordt het verslag op de website van de FOD Economie gepubliceerd.
  Hoofdstuk 11. - Toepassingsgebied
  Art. XI.289. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten gelden de bij deze titel gewaarborgde rechten in België ook voor de buitenlandse auteurs en de buitenlanders die naburige rechten genieten, maar niet voor een langere termijn dan bij de Belgische wet is bepaald.
  Indien evenwel die rechten in hun eigen land vervallen na een kortere termijn, vervallen zij ook in België na het verstrijken van die termijn.
  Zijn de Belgische auteurs en de Belgische houders van naburige rechten in mindere mate beschermd in een vreemd land, dan gelden de voordelen van deze titel voor de onderdanen van dat land slechts in gelijke mate.
  Niettegenstaande het eerste lid is de reciprociteit van toepassing op de rechten op vergoeding van uitgevers, uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen, alsook van eerste vastleggingen van films bedoeld in de artikelen XI.229, XI.235, XI.240 en XI.243, zulks onverminderd het Verdrag over de Europese Unie.
  Art. XI.290. De Belgische auteurs mogen, tot eigen voordeel, in België de toepassing eisen van de bepalingen van :
  1° de Berner Conventie en van
  2° het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake auteursrecht (WCT), gedaan te Genève op 20 december 1996, in al de gevallen waar deze bepalingen gunstiger zijn dan de Belgische wet.
  De Belgische houders van naburige rechten mogen, tot eigen voordeel, in België de toepassing eisen van de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961, in al de gevallen waar deze bepalingen gunstiger zijn dan de Belgische wet.
  De Belgische uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen mogen, tot eigen voordeel, in België de toepassing eisen van de bepalingen van het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake uitvoeringen en fonogrammen (WPPT), gedaan te Genève op 20 december 1996, in al de gevallen waar deze bepalingen gunstiger zijn dan de Belgische wet.
  Hoofdstuk 12. - Rechtsbescherming van technische voorzieningen en informatie betreffende het beheer van rechten
  Art. XI.291. § 1. Eenieder die een doeltreffende technische voorziening omzeilt en dat weet of redelijkerwijs behoort te weten en die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat deze omzeiling het plegen van inbreuken bedoeld in artikel XI.293 kan vergemakkelijken, is schuldig aan een misdrijf. De omzeiling van technische voorzieningen getroffen, overeenkomstig of krachtens dit artikel of overeenkomstig artikel XI.336 en XVII.15, § 1, wordt geacht het plegen van inbreuken bedoeld in artikel XI.293 te vergemakkelijken.
  Eenieder die inrichtingen, producten of onderdelen vervaardigt, invoert, verdeelt, verkoopt, verhuurt, er reclame voor verkoop of verhuur voor maakt, of voor commerciële doeleinden bezit, of die diensten verricht die :
  1° gestimuleerd, aangeprezen of in de handel worden gebracht om de bescherming van een doeltreffende technische voorziening te omzeilen, of
  2° slechts een commercieel beperkt doel of nut hebben naast het omzeilen van de bescherming van een doeltreffende technische voorziening, of
  3° in het bijzonder ontworpen, vervaardigd of aangepast zijn met het doel het omzeilen van een doeltreffende technische voorziening mogelijk of gemakkelijker te maken, is schuldig aan een misdrijf.
  Technische voorzieningen worden geacht doeltreffend te zijn in de zin van het eerste en tweede lid indien het gebruik van een werk of prestatie wordt beheerst door de rechthebbende, door toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocédé zoals encryptie, versluiering of andere transformatie van het werk of prestatie of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming bereikt.
  § 2. De rechthebbenden nemen binnen een redelijke termijn afdoende vrijwillige maatregelen, waaronder overeenkomsten met andere betrokken partijen, om ervoor te zorgen dat de nodige middelen verschaft worden aan de gebruiker van een werk of een prestatie om van de uitzonderingen bepaald in artikel XI.189, § 2, in artikel XI.190, 5°, 6°, 7°, 8°, 12°, 14°, 15° en 17°, in artikel XI.191, § 1, eerste lid, 1° tot 5°, en in artikel XI.217, 5°, 6°, 11°, 13°, 14° en 16°, te kunnen genieten mits de gebruiker op rechtmatige wijze toegang heeft tot het door de technische voorziening beschermde werk of prestatie.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, volgens de voorwaarden die Hij vaststelt, de lijst van bepalingen bedoeld in het eerste lid, uitbreiden tot de artikelen XI.190, 9°, en XI.217, 7°, voor zover dit geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van werken of van prestaties, noch de wettige belangen van de rechthebbenden onredelijk schaadt.
  § 3. De paragraaf 2 geldt niet voor werken of prestaties voor het publiek beschikbaar gesteld op grond van overeengekomen bepalingen op zodanige wijze dat leden van het publiek daartoe toegang hebben op een door hen individueel gekozen plaats en tijd.
  § 4. De technische voorzieningen bedoeld in paragraaf 1 en artikel I.13 mogen de rechtmatige verkrijgers van werken en prestaties niet beletten deze werken en prestaties overeenkomstig hun beoogde doel te gebruiken.
  Art. XI.292. § 1. Eenieder die opzettelijk op ongeoorloofde wijze een van de volgende handelingen verricht :
  1° de verwijdering of wijziging van elektronische informatie betreffende het beheer van rechten;
  2° de verspreiding, de invoer ter verspreiding, de uitzending, de mededeling aan het publiek of de beschikbaarstelling voor het publiek van werken of van prestaties, waaruit op ongeoorloofde wijze elektronische informatie betreffende het beheer van rechten is verwijderd of waarin op ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is gewijzigd, en die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij zodoende aanzet tot een inbreuk op het auteursrecht of op een naburig recht, dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt, vergemakkelijkt of verbergt, is schuldig aan een misdrijf.
  § 2. In de zin van dit artikel wordt onder "informatie betreffende het beheer van rechten" verstaan alle door de rechthebbenden verstrekte informatie op grond waarvan het werk of prestatie, dan wel de auteur of andere rechthebbende kunnen worden geïdentificeerd. Deze term wijst ook op informatie betreffende de voorwaarden voor het gebruik van het werk of prestatie, alsook op de cijfers en codes waarin die informatie vervat ligt.
  Het eerste lid is van toepassing, wanneer bestanddelen van deze informatie zijn verbonden met een kopie van een werk of prestatie of kenbaar worden bij de mededeling aan het publiek ervan.
  Hoofdstuk 13. - Namaak
  Art. XI.293. Hij die kwaadwillig of bedrieglijk inbreuk pleegt op het auteursrecht en de naburige rechten, is schuldig aan het misdrijf van namaak.
  Hetzelfde geldt voor de kwaadwillige of bedrieglijke aanwending van de naam van een auteur of van een persoon die een naburig recht geniet, of voor enig door hem gebruik distinctief kenmerk om zijn werk of prestatie aan te duiden. De aldus tot stand gebrachte voorwerpen worden als nagemaakt beschouwd.
  Hij die voorwerpen, wetende dat zij nagemaakt zijn, verkoopt, verhuurt, te koop of te huur stelt, in voorraad heeft voor de verkoop of de verhuur of in België invoert voor commerciële doeleinden, is schuldig aan hetzelfde misdrijf.
  De bepalingen van hoofdstuk XI van de wet van 3 juli 1969 houdende invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde zijn van toepassing op de overtredingen van de bepalingen van de hoofdstukken 5 tot 8 en op de overtredingen van hun uitvoeringsbesluiten, waarbij de term "belasting" wordt vervangen door "vergoeding".
  Wanneer de feiten voorgelegd aan de rechtbank, het voorwerp zijn van een vordering tot staking in toepassing van artikel XVII.14, § 3, kan er niet over de strafvordering beslist worden dan nadat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen over de vordering tot staking.
  Titel 6. - Computerprogramma's
  Art. XI.294. Overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's worden computerprogramma's, het voorbereidend materiaal daaronder begrepen, auteursrechtelijk beschermd en gelijkgesteld met werken van letterkunde in de zin van de Berner Conventie.
  Art. XI.295. Een computerprogramma geniet bescherming indien het oorspronkelijk is in die zin, dat het een eigen intellectuele schepping van de auteur is. Om te bepalen of het programma voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt, mogen geen andere criteria worden aangelegd.
  De bescherming overeenkomstig deze titel wordt verleend aan de uitdrukkingswijze, in welke vorm ook, van een computerprogramma. De ideeën en beginselen die aan enig element van een computerprogramma ten grondslag liggen, met inbegrip van de ideeën en beginselen die aan de interfaces daarvan ten grondslag liggen, worden niet auteursrechtelijk beschermd.
  Art. XI.296. Tenzij bij overeenkomst of statutair anders is bepaald, wordt alleen de werkgever geacht verkrijger te zijn van de vermogensrechten met betrekking tot computerprogramma's die zijn gemaakt door een of meer werknemers of beambten bij de uitoefening van hun taken of in opdracht van hun werkgever.
  Art. XI.297. Het morele recht wordt geregeld overeenkomstig artikel 6bis, 1, van de Berner Conventie.
  Art. XI.298. Onverminderd de artikelen XI.299 en XI.300, omvatten de vermogensrechten :
  a) de permanente of tijdelijke reproductie van een deel of het geheel van een computerprogramma, ongeacht op welke wijze en in welke vorm. Voor zover voor het laden of in beeld brengen, of de uitvoering, transmissie of opslag van een computerprogramma deze reproductie van het programma noodzakelijk is, is voor deze handelingen toestemming van de rechthebbende vereist;
  b) het vertalen, bewerken, arrangeren of anderszins veranderen van een programma, en de reproductie van het resultaat daarvan, onverminderd de rechten van degene die het programma verandert;
  c) elke vorm van distributie, met inbegrip van het verhuren en uitlenen, van een oorspronkelijk computerprogramma of kopieën daarvan onder het publiek. De eerste verkoop in de Europese Unie van een kopie van een programma door de rechthebbende of met diens toestemming leidt tot uitputting van het recht om controle uit te oefenen op de distributie van die kopie in de Europese Unie, met uitzondering van het recht om controle uit te oefenen op het verder verhuren en het uitlenen van het programma of een kopie daarvan.
  Art. XI.299. § 1. Tenzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders is bepaald, is voor de in artikel XI.298, a) en b), genoemde handelingen, geen toestemming van de rechthebbende vereist wanneer deze handelingen voor de rechtmatige gebruiker noodzakelijk zijn om het computerprogramma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, met inbegrip van het verbeteren van fouten.
  § 2. De reproductie in de vorm van een reservekopie door de rechtmatige gebruiker van het computerprogramma mag niet worden verboden, voor zover die kopie noodzakelijk is om het programma te kunnen gebruiken.
  § 3. De rechtmatige gebruiker van een kopie van een computerprogramma is gemachtigd om zonder toestemming van de rechthebbende de werking van het programma te observeren, te bestuderen en uit te testen, ten einde vast te stellen welke ideeën en beginselen aan een element van het programma ten grondslag liggen, indien hij dit doet bij het rechtmatig laden of in beeld brengen, de uitvoering, transmissie of opslag van het computerprogramma.
  Art. XI.300. § 1. Er is geen toestemming van de rechthebbende vereist wanneer de reproductie van de code en de vertaling van de codevorm in de zin van artikel XI.298, a) en b), onmisbaar zijn om de informatie te verkrijgen die nodig is om de compatibiliteit van een onafhankelijk gecreëerd computerprogramma met andere programma's tot stand te brengen, voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
  a) de reproductie en de vertaling worden verricht door een persoon die het recht heeft om een kopie van het programma te gebruiken, of voor zijn rekening door een daartoe gemachtigd persoon;
  b) de gegevens die nodig zijn om de compatibiliteit tot stand te brengen zijn nog niet eerder snel en gemakkelijk beschikbaar gesteld voor hem;
  c) de reproductie en de vertaling blijven beperkt tot die onderdelen van het oorspronkelijke programma die voor het tot stand brengen van deze compatibiliteit noodzakelijk zijn.
  § 2. Het bepaalde in de vorige paragraaf biedt niet de mogelijkheid dat de op grond daarvan verkregen informatie :
  a) voor een ander doel dan het tot stand brengen van de compatibiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma wordt gebruikt;
  b) aan derden wordt meegedeeld, tenzij die mededeling noodzakelijk is met het oog op de compatibiliteit van het onafhankelijk gecreëerde programma;
  c) of wordt gebruikt voor de ontwikkeling, productie of het in de handel brengen van een qua uitdrukkingswijze in wezen gelijk computerprogramma, of voor andere handelingen waarmee inbreuk op het auteursrecht wordt gepleegd.
  § 3. Dit artikel mag niet zodanig worden toegepast dat ongerechtvaardigd nadeel voor de rechtmatige belangen van de rechthebbende ontstaat of het normale gebruik van het computerprogramma belemmerd wordt.
  Art. XI.301. Het bepaalde in de artikelen XI.299, §§ 2 en 3, en XI.300 is van dwingend recht.
  Art. XI.302. De termijn van bescherming van computerprogramma's door het auteursrecht wordt bepaald overeenkomstig artikel XI.166.
  Art. XI.303. De inbreuken op het auteursrecht inzake een computerprogramma worden gesanctioneerd overeenkomstig de wet.
  Art. XI.304. Hij die een kopie van een computerprogramma in het verkeer brengt of voor commerciële doeleinden bezit, terwijl hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het een onrechtmatige kopie is, dan wel middelen in het verkeer brengt of voor commerciële doeleinden bezit die uitsluitend bestemd zijn om de ongeoorloofde verwijdering of ontwijking van de technische voorzieningen ter bescherming van het computerprogramma te vergemakkelijken, is schuldig aan het misdrijf van namaak.
  Titel 7. - Databanken
  Hoofdstuk 1. - Begrippen en toepassingsgebied
  Art. XI.305. Deze titel voorziet in de omzetting van richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken.
  Art. XI.306. Het recht van de producenten van databanken is van toepassing op databanken in ongeacht welke vorm, waarvan de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering.
  Het recht van de producenten van databanken geldt ongeacht enige andere vorm van bescherming van databanken of van de inhoud ervan door het auteursrecht dan wel door andere rechten en laten de bestaande rechten op de werken, de gegevens of andere elementen opgenomen in de databank onverlet.
  Het recht van de producenten van databanken geldt niet voor computerprogramma's als zodanig, daaronder begrepen die gebruikt bij de fabricage of de werking van databanken.
  Hoofdstuk 2. - Rechten van de producenten van databanken
  Art. XI.307. Producenten van databanken hebben het recht de opvraging en/of het hergebruik van het geheel of van een in kwalitatief of kwantitatief opzicht substantieel deel van de inhoud van hun databanken te verbieden.
  Herhaald en systematisch opvragen en/of hergebruiken van niet-substantiële delen van de inhoud van de databank zijn niet toegestaan indien zij strijdig zijn met een normale exploitatie van die databank of zij ongerechtvaardigde schade toebrengen aan de rechtmatige belangen van de producent van de databank.
  De eerste verkoop in de Europese Unie van een kopie van een databank door de rechthebbende of met diens toestemming leidt tot uitputting van het recht om controle uit te oefenen op de doorverkoop van die kopie in de Europese Unie.
  Art. XI.308. Het recht van de producenten van databanken is een roerend recht dat overgaat bij erfopvolging en vatbaar is voor gehele of gedeeltelijke overdracht, overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Het kan onder meer worden vervreemd of in een gewone of exclusieve licentie worden ondergebracht.
  Art. XI.309. Het recht van de producenten van databanken geldt vanaf het tijdstip waarop de fabricage van de databank is voltooid en verstrijkt vijftien jaar na 1 januari van het jaar volgend op de datum van de voltooiing.
  Ten aanzien van databanken die voor het verstrijken van de in het eerste lid gestelde termijn op enigerlei wijze ter beschikking van het publiek worden gesteld, verstrijkt de beschermingstermijn vijftien jaar na 1 januari van het jaar volgend op de datum waarop zij voor het eerst ter beschikking van het publiek zijn gesteld.
  Met elke in kwalitatief of kwantitatief opzicht substantiële wijziging van de inhoud van een databank, met name elke substantiële wijziging ten gevolge van opeenvolgende toevoegingen, weglatingen of wijzigingen, die in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een nieuwe substantiële investering, gaat voor de door die investering ontstane databank een eigen beschermingstermijn in.
  De producent van de databank moet bewijzen op welke datum de fabricage is voltooid, alsook dat de inhoud van de databank op zodanige wijze substantieel is gewijzigd dat overeenkomstig het derde lid aan de aldus ontstane databank een eigen beschermingstermijn kan worden toegekend.
  Hoofdstuk 3. - Uitzonderingen op het recht van de producenten van databanken
  Art. XI.310. De rechtmatige gebruiker van een databank die op enige wettige wijze aan het publiek ter beschikking is gesteld, kan zonder toestemming van de producent :
  1° uitsluitend voor privégebruik een substantieel deel van de inhoud van een niet-electronische databank opvragen;
  2° ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek een substantieel deel van de inhoud van een databank opvragen, voor zover zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling;
  3° een substantieel deel van de inhoud van een databank opvragen en/of hergebruiken om de openbare veiligheid te waarborgen of om in een administratieve of gerechtelijke procedure aan te wenden.
  De naam van de producent en de benaming van de databank waarvan de inhoud ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek wordt opgevraagd, moeten worden vermeld.
  Hoofdstuk 4. - Rechten en verplichtingen van de rechtmatige gebruikers
  Art. XI.311. De producent van een databank die op enigerlei wijze ter beschikking van het publiek wordt gesteld, kan de rechtmatige gebruiker van die databank niet beletten in kwalitatief of kwantitatief opzicht niet-substantiële delen van de inhoud ervan voor welk doel ook op te vragen en/of te hergebruiken.
  Voor zover de rechtmatige gebruiker slechts toestemming heeft om een deel van de databank op te vragen en/of te hergebruiken, geldt het recht bedoeld in het eerste lid van dit artikel ook alleen voor dat deel.
  Art. XI.312. De rechtmatige gebruiker van een databank die op enigerlei wijze ter beschikking van het publiek wordt gesteld, mag geen handelingen verrichten die in strijd zijn met een normale exploitatie van die databank of waardoor ongerechtvaardigde schade wordt toegebracht aan de rechtmatige belangen van de producent van de databank.
  Art. XI.313. De rechtmatige gebruiker van een databank die op enigerlei wijze ter beschikking van het publiek wordt gesteld, mag de houder van een auteursrecht of van een naburig recht op in die databank vervatte werken of prestaties geen nadeel berokkenen.
  Art. XI.314. De bepalingen van de artikelen XI.310 tot XI.313 zijn van dwingend recht.
  Er kan evenwel bij overeenkosmt afgeweken worden van de bepalingen van artikel XI.310, wanneer het databanken betreft die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld op grond van overeengekomen bepalingen op zodanige wijze dat leden van het publiek daartoe toegang hebben op een door hen individueel gekozen plaats en tijd.
  Hoofdstuk 5. - Beschermingsgerechtigden
  Art. XI.315. Het recht van de producenten van databanken geldt voor databanken waarvan de producent onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie of zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van de Europese Unie.
  Het eerste lid van dit artikel is eveneens van toepassing op vennootschappen en ondernemingen opgericht overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie, waarvan de statutaire zetel, het hoofdbestuur of de hoofdvestiging in de Unie is gelegen. Indien een dergelijke vennootschap of onderneming echter alleen haar statutaire zetel op het grondgebied van de Unie heeft, moeten haar werkzaamheden een werkelijke en duurzame band met de economie van een lidstaat hebben.
  Databanken uit derde landen die niet onder het eerste of tweede lid van dit artikel vallen en waarop overeenkomsten betrekking hebben die op voorstel van de Commissie van de Europese Unie door de Raad zijn gesloten, worden beschermd op grond van het recht van de producenten van databanken. De duur van de aan deze databanken verleende bescherming kan niet langer zijn dan die vastgesteld in artikel XI.309.
  Hoofdstuk 6. - Rechtsbescherming van technische voorzieningen en van informatie betreffende het beheer van rechten
  Art. XI.316. § 1. Eenieder die een doeltreffende technische voorziening omzeilt en dat weet of redelijkerwijs behoort te weten, is schuldig aan een misdrijf.
  Eenieder die inrichtingen, producten of onderdelen vervaardigt, invoert, verdeelt, verkoopt, verhuurt, er reclame voor verkoop of verhuur voor maakt, of voor commerciële doeleinden bezit, of die diensten verricht die :
  1° gestimuleerd, aangeprezen of in de handel worden gebracht om de bescherming van een doeltreffende technische voorziening te omzeilen, of
  2° slechts een commercieel beperkt doel of nut hebben naast het omzeilen van de bescherming van een doeltreffende technische voorziening, of
  3° in het bijzonder ontworpen, vervaardigd of aangepast zijn met het doel het omzeilen van een doeltreffende technische voorziening mogelijk of gemakkelijker te maken, is schuldig aan een misdrijf.
  Technische voorzieningen worden geacht doeltreffend te zijn in de zin van het eerste en tweede lid indien het gebruik van een databank wordt beheerst door de rechthebbende, door toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocédé zoals encryptie, versluiering of andere transformatie van het werk of prestatie of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming bereikt.
  § 2. De producenten van databanken nemen binnen een redelijke termijn afdoende vrijwillige maatregelen, waaronder overeenkomsten met andere betrokken partijen, om ervoor te zorgen dat de nodige middelen verschaft worden aan de gebruiker van een databank om de uitzonderingen te kunnen genieten bepaald in artikel XI.310, eerste lid, 2° en 3°, mits de gebruiker op rechtmatige wijze toegang heeft tot de door de technische voorziening beschermde databank.
  § 3. De technische voorzieningen die door de producenten van databanken vrijwillig worden getroffen, met inbegrip van die ter uitvoering van vrijwillig gesloten overeenkomsten, alsook de technische voorzieningen die getroffen werden krachtens een beschikking gegeven bij toepassing van artikel 2bis van de wet van 10 augustus 1998 houdende omzetting in Belgisch gerechtelijk recht van de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken, genieten de in § 1 bedoelde rechtsbescherming.
  § 4. Paragraaf 2 geldt niet voor databanken voor het publiek beschikbaar gesteld op grond van overeengekomen bepalingen op zodanige wijze dat leden van het publiek daartoe toegang hebben op een door hen individueel gekozen plaats en tijd.
  § 5. De technische voorzieningen bedoeld in paragraaf 1 mogen de rechtmatige verkrijgers van databanken niet beletten deze databanken overeenkomstig hun beoogde doel te gebruiken.
  Art. XI.317. § 1. Eenieder die opzettelijk op ongeoorloofde wijze een van de volgende handelingen verricht :
  1° de verwijdering of wijziging van elektronische informatie betreffende het beheer van rechten;
  2° de verspreiding, de invoer ter verspreiding, de uitzending, de mededeling aan het publiek of de beschikbaarstelling voor het publiek van databanken, waaruit op ongeoorloofde wijze elektronische informatie betreffende het beheer van rechten is verwijderd of waarin op ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is gewijzigd, en die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij zodoende aanzet tot een inbreuk op het recht van de producenten van databanken, dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt, vergemakkelijkt of verbergt, is schuldig aan een misdrijf.
  § 2. In de zin van dit artikel wordt onder "informatie betreffende het beheer van rechten" verstaan alle door de producenten van databanken verstrekte informatie op grond waarvan de databank, dan wel de producent van de databank kunnen worden geïdentificeerd. Deze term wijst ook op informatie betreffende de voorwaarden voor het gebruik van de databank, alsook op de cijfers en codes waarin die informatie vervat ligt.
  Het eerste lid is van toepassing, wanneer bestanddelen van deze informatie zijn verbonden met een kopie van een databank of kenbaar worden bij de mededeling aan het publiek ervan.
  Hoofdstuk 7. - Namaak
  Art. XI.318. Eenieder die kwaadwillig of bedrieglijk inbreuk pleegt op het recht van de producenten van databanken is schuldig aan het misdrijf van namaak.
  Hetzelfde geldt voor de kwaadwillige of bedrieglijke aanwending van de naam van een producent van databanken of van enig door hem gebruikt distinctief kenmerk om zijn prestatie aan te duiden. Dergelijke prestaties worden als nagemaakt beschouwd.
  Eenieder die met kwaadwillig of bedrieglijk opzet nagemaakte databanken hergebruikt, in voorraad heeft om te worden hergebruikt of op het Belgisch grondgebied invoert, voor commerciële doeleinden, is schuldig aan hetzelfde misdrijf.
  Wanneer de aan de rechtbank voorgelegde feiten het voorwerp uitmaken van een vordering tot staking met toepassing van artikel XVII.14, XVII.15, XVII.18, XVII.19 en XVII.20 kan er niet over de strafvordering beslist worden dan nadat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen over de vordering tot staking.
  Titel 8. - Topografieën van halfgeleiderproducten
  Hoofdstuk 1. - Het exclusief recht op een topografie van een halfgeleiderproduct
  Afdeling 1. - Het voorwerp en de houder van het exclusief recht
  Art. XI.319. De maker van een topografie van een halfgeleiderproduct heeft het exclusief en tijdelijk recht deze te reproduceren en ze commercieel te exploiteren.
  Voor de toepassing van deze titel moeten de termen topografie, halfgeleiderproduct en commerciële exploitatie verstaan worden in de zin bedoeld door de richtlijn 87/54 van 16 december 1986 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de rechtsbescherming van topografieën van halfgeleiderproducten of in de zin van elke wijziging besloten door de Raad van de Europese Unie met toepassing van artikel 1, § 2, van die richtlijn.
  Art. XI.320. De topografie van een halfgeleiderproduct wordt slechts beschermd voor zover zij voldoet aan de voorwaarden dat zij het voortbrengsel is van de eigen intellectuele inspanning van de maker en in de halfgeleiderindustrie niet algemeen bekend is. Indien de topografie van een halfgeleiderproduct bestaat uit in de halfgeleiderindustrie algemeen bekende bestanddelen, wordt zij slechts beschermd voor zover de combinatie van dergelijke bestanddelen, als één geheel bezien, aan de twee bovengenoemde voorwaarden voldoet.
  Art. XI. 321. De door deze titel georganiseerde bescherming betreft alleen de topografie zelf en strekt zich niet uit tot enige in de topografie belichaamde concepten, processen, systemen, technieken of gecodeerde informatie.
  Art. XI.322. § 1. Indien een topografie van een halfgeleiderproduct door een werknemer in de uitoefening van zijn functie is gemaakt, wordt, behoudens andersluidend beding, de werkgever als de maker beschouwd.
  § 2. Indien een topografie van een halfgeleiderproduct op bestelling is gemaakt, wordt, behoudens andersluidend beding, degene die de bestelling heeft gedaan, als de maker beschouwd.
  Art. XI.323. Het recht op bescherming, georganiseerd door deze titel, gaat over op de rechtsopvolgers van de persoon die krachtens deze titel van dat recht houder is.
  Afdeling 2. - Voorwaarden op het stuk van nationaliteit, verblijf of vestiging
  Art. XI.324. Het recht op bescherming ingesteld door artikel XI.319 komt toe aan de natuurlijke personen die onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn of hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat hebben.
  Het recht op bescherming toegekend krachtens artikel XI.322 komt toe aan de natuurlijke personen als bedoeld in het eerste lid en aan de vennootschappen of andere rechtspersonen met een daadwerkelijke industriële of commerciële vestiging op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie.
  Art. XI.325. Voor het recht op bescherming georganiseerd door deze titel komen eveneens in aanmerking personen als bedoeld in de artikelen XI.319 en XI.322 die onderdaan zijn van dan wel hun gewone verblijfplaats of daadwerkelijke industriële of commerciële vestiging hebben in andere dan de in artikel XI.324, tweede lid, bedoelde landen, indien zulks in een internationale overeenkomst is vastgesteld of door de Raad van de Europese Unie is besloten.
  Art. XI.326. Wanneer er geen recht op bescherming bestaat krachtens deze afdeling, geldt het recht op bescherming ook voor de in artikel XI.324, tweede lid, bedoelde personen die :
  a) in een lidstaat van de Europese Unie voor het eerst een topografie commercieel exploiteren die nog niet elders in de wereld commercieel is geëxploiteerd, en
  b) van degene die daarover kan beschikken, bij uitsluiting toestemming hebben verkregen de topografie commercieel in de hele Europese Unie te exploiteren.
  Afdeling 3. - De duur en het verstrijken van het exclusief recht
  Art. XI.327. § 1. Het in artikel XI.319 bedoeld exclusief recht ontstaat wanneer de topografie voor het eerst op enigerlei wijze wordt vastgelegd.
  § 2. Het exclusief recht vervalt tien jaar na het verstrijken van het kalenderjaar waarin de topografie voor het eerst ergens ter wereld commercieel geëxploiteerd is.
  § 3. Indien een topografie in een periode van vijftien jaar na de eerste vastlegging nergens ter wereld commercieel is geëxploiteerd, vervalt het krachtens paragraaf 1 ontstaan exclusief recht.
  Hoofdstuk 2. - De beperkingen van het exclusief recht op een topografie van een halfgeleiderproduct
  Art. XI.328. De houder van het recht op bescherming van een topografie van een halfgeleiderproduct kan het hem door deze titel verleend exclusief recht van reproductie en commerciële exploitatie niet doen gelden ten aanzien van :
  a) de reproductie die uitsluitend geschiedt voor de analyse, de evaluatie of het onderwijzen van de topografie of van de concepten, processen, systemen of technieken die in de topografie belichaamd zijn;
  b) de topografie die het resultaat is van overeenkomstig het bepaalde in punt a) verrichte analyses en evaluaties van een andere topografie, althans in zover de nieuwe topografie het voortbrengsel is van de intellectuele inspanning van de maker en in de halfgeleiderindustrie niet algemeen bekend is.
  Art. XI.329. § 1. Indien een persoon bij het verwerven van een halfgeleiderproduct niet weet of niet redelijkerwijs kan vermoeden dat de topografie van dit product beschermd is door het in artikel XI.319 bedoeld exclusief recht, kan hem niet worden verboden dat product commercieel te exploiteren.
  § 2. De houder van het exclusief recht kan evenwel van de in § 1 bedoelde persoon een bedrag eisen dat gelijkwaardig is aan het bedrag dat hem normaal zou toekomen uit hoofde van de commerciële exploitatie van de topografie voor de handelingen begaan nadat deze persoon weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de topografie van het halfgeleiderproduct door een exclusief recht beschermd is.
  Art. XI.330. Het in artikel XI.319 bedoelde exclusief recht geldt niet voor de commerciële exploitatie van een topografie of halfgeleiderproduct nadat deze door de houder van het exclusief recht of met zijn uitdrukkelijke toestemming in een lidstaat van de Europese Unie in het verkeer is gebracht.
  Art. XI.331. De vordering wegens inbreuk op het exclusief recht verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop de inbreuk werd gepleegd.
  Art. XI.332. § 1. De bepalingen van deze titel doen geen afbreuk aan de andere wettelijke bepalingen inzake intellectuele eigendom.
  § 2. De bepalingen van deze titel doen geen afbreuk aan de toepassing van het auteursrecht op de werken die in het halfgeleiderproduct zouden zijn vastgelegd.
  Titel 9. - Burgerrechtelijke aspecten van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten
  Hoofdstuk 1. - Algemeenheden
  Art. XI.333. Deze titel voorziet in de omzetting van richtlijn 2004/48/EG van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten.
  Hoofdstuk 2. - Staking van de inbreuk en andere maatregelen
  Art. XI.334. § 1. Wanneer de rechter een inbreuk op een uitvindingsoctrooi, een aanvullend beschermingscertificaat, een kwekersrecht, een auteursrecht, een naburig recht, het recht van een producent van databanken of het recht op een topografie van halfgeleiderproducten vaststelt, beveelt hij tegenover elke inbreukmaker de staking van deze inbreuk.
  De rechter kan eveneens een bevel tot staking uitvaardigen tegenover tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op een in het eerste lid bepaald recht te plegen.
  § 2. Onverminderd de aan de benadeelde wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, kan de rechter op vordering van de partij die een vordering inzake namaak kan instellen de terugroeping uit het handelsverkeer, de definitieve verwijdering uit het handelsverkeer of de vernietiging gelasten van de inbreukmakende goederen, alsmede, in passende gevallen, van de materialen en werktuigen die voornamelijk bij de schepping of vervaardiging van die goederen zijn gebruikt.
  Deze maatregelen worden uitgevoerd op kosten van de inbreukmaker, tenzij bijzondere redenen dit beletten.
  Bij de beoordeling van een vordering als bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste corrigerende maatregelen, alsmede met de belangen van derden.
  § 3. Wanneer de rechter in de loop van een procedure een inbreuk vaststelt, kan hij, op verzoek van de partij die een vordering inzake namaak kan instellen, de inbreukmaker bevelen al hetgeen hem bekend is omtrent de herkomst en de distributiekanalen van de inbreukmakende goederen of diensten aan de partij die de vordering instelt mee te delen en haar alle daarop betrekking hebbende gegevens te verstrekken, voor zover die maatregel gerechtvaardigd en redelijk voorkomt.
  Eenzelfde bevel kan worden opgelegd aan de persoon die de inbreukmakende goederen op commerciële schaal in zijn bezit heeft, de diensten waardoor een inbreuk wordt gemaakt op commerciële schaal heeft gebruikt, of op commerciële schaal diensten die bij inbreukmakende handelingen worden gebruikt, heeft verleend.
  § 4. De rechter kan bevelen dat zijn beslissing of de samenvatting die hij opstelt wordt aangeplakt tijdens de door hem bepaalde termijn, zowel buiten als binnen de inrichtingen van de inbreukmaker en dat zijn vonnis of de samenvatting ervan in kranten of op enige andere wijze wordt bekendgemaakt, dit alles op kosten van de inbreukmaker.
  Hoofdstuk 3. - Vergoeding van de schade geleden door de namaak
  Art. XI.335. § 1. Onverminderd paragraaf 3, heeft de benadeelde partij recht op de vergoeding van elke schade die hij door de inbreuk op een in artikel XI.334, § 1, eerste lid bepaald recht lijdt.
  § 2. Wanneer de omvang van de schade op geen andere wijze kan bepaald worden, kan de rechter de schadevergoeding in redelijkheid en billijkheid vaststellen op een forfaitair bedrag.
  De rechter kan, bij wijze van schadevergoeding, de afgifte bevelen aan de eiser van de inbreukmakende goederen, alsmede, in passende gevallen, van de materialen en werktuigen die voornamelijk bij de schepping of vervaardiging van die goederen zijn gebruikt, en die nog in het bezit van de verweerder zijn. Indien de waarde van die goederen, materialen en werktuigen de omvang van de werkelijke schade overschrijdt, bepaalt de rechter de door de eiser te betalen opleg.
  In geval van kwade trouw kan de rechter, bij wijze van schadevergoeding, de afdracht bevelen van het geheel of een deel van de ten gevolge van de inbreuk genoten winst alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording dienaangaande. Bij het bepalen van de af te dragen winst worden enkel de kosten in mindering gebracht die rechtstreeks verbonden zijn aan de betrokken inbreukactiviteiten.
  § 3. In geval van kwade trouw kan de rechter de verbeurdverklaring uitspreken ten voordele van de eiser van de inbreukmakende goederen, alsmede, in passende gevallen, van de materialen en werktuigen die voornamelijk bij de schepping of vervaardiging van die goederen zijn gebruikt, en die nog in het bezit van de verweerder zijn. Indien de goederen, materialen en werktuigen niet meer in het bezit van de verweerder zijn, kan de rechter een vergoeding toekennen waarvan het bedrag gelijk is aan de voor de verkochte goederen, materialen en werktuigen ontvangen prijs. De aldus uitgesproken verbeurdverklaring slorpt de schadevergoeding op ten belope van de waarde van het verbeurdverklaarde.
  Hoofdstuk 4. - Vordering betreffende de toepassing van technische voorzieningen in het kader van het auteursrecht, de naburige rechten en het recht van de producenten van databanken [Art. XI.336]
  Titel 10. - Aspecten van gerechtelijk recht van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten
  Hoofdstuk 1. - (Bevoegdheid inzake uitvindingsoctrooien en aanvullende beschermingscertificaten [Art. XI.337] <Erratum, B. St 16-02-2015, p. 12629>
  Art. XI.338. § 1. Elk exploot van betekening van een beslissing tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een octrooi of een aanvullend beschermingscertificaat op basis van artikel XI.57, wordt door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder onmiddellijk in afschrift medegedeeld aan de Dienst.
  § 2. De Dienst kan vragen aan de griffier van de rechtbank van koophandel te Brussel of tegen de beslissing nog verzet, hoger beroep of voorziening in cassatie mogelijk is.
  Als de procureur-generaal bevestigt dat tegen de beslissing geen verzet, hoger beroep en voorziening in cassatie meer mogelijk is, schrijft de Dienst binnen een maand na ontvangst van deze bevestiging, het beschikkend gedeelte van deze beslissing over in het octrooidossier en wordt melding gemaakt van de beschikking in het register.
  [Art. XI.339]
  [XI.340]
  [XI.341]
  Hoofdstuk 4. - Bevoegdheid inzake topografieën van halfgeleiderproducten
  Art. XI.342. § 1. De rechtbanken van koophandel nemen, zelfs wanneer de partijen geen kooplieden zijn, kennis van alle vorderingen aangaande de toepassing van titel 8, ongeacht het bedrag van de vordering.
  § 2. Tot kennisneming van de vordering bedoeld in paragraaf 1 is alleen bevoegd :
  1° de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft in het rechtsgebied waarvan de inbreuk is begaan of, naar keuze van de eiser, de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft, in het rechtsgebied waarvan de verweerder of een van de verweerders zijn woon- of verblijfplaats heeft;
  2° de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft, in het rechtsgebied waarvan de eiser zijn woon- of verblijfplaats heeft, ingeval de verweerder, of een van de verweerders, in het Rijk geen woon- of verblijfplaats heeft.
  § 3. Van rechtswege is nietig elke overeenkomst die in strijd is met het bepaalde in de paragrafen 1 en 2, van dit artikel, en die dagtekent van vóór of van na het ontstaan van het geschil.
  De bepaling van het eerste lid staat nochtans niet in de weg dat de geschillen bedoeld in dit artikel voor een scheidsgerecht worden gebracht. In afwijking van het bepaalde in artikel 630, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepalen de partijen vrij de plaats waar het geding voor scheidslieden wordt gevoerd.
  Hoofdstuk 5. - Gemeenschappelijke bepaling
  Art. XI.343. De griffiers der hoven of rechtbanken, die een op dit boek gegrond vonnis of arrest hebben gewezen, doen uiterlijk binnen één maand na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis of arrest, of van het instellen van een beroep of verzet tegen het vonnis of arrest, een kosteloos afschrift van dit vonnis of arrest geworden aan de Dienst. Aangegeven wordt of de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, dan wel of een beroep of verzet werd ingesteld.
  Dezelfde verplichting geldt voor de scheidsgerechten.".

  Art. 4. In boek XV, titel 1, hoofdstuk 2 van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling 4 ingevoegd, die de artikelen XV.21 tot XV.25/4 bevat, luidende :
  "Afdeling 4. - De bijzondere bevoegdheden voor de toepassing van boek XI
  Onderafdeling 1. - Bestrijding van namaak en piraterij
  Art. XV.21. In afwijking van hoofdstuk 1, zijn de in artikel XV.2 en XV.25/1 bedoelde ambtenaren slechts bevoegd om de inbreuken op boek XI op te sporen en te vervolgen die bedoeld zijn in titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, onderafdeling 1.
  Art. XV.22. De ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 en XV.25/1 kunnen slechts de bevoegdheden bedoeld in artikel XV.3, 1°, eerste lid, uitoefenen wanneer het redelijkerwijze toegelaten is te veronderstellen dat goederen die inbreuk maken op een intellectueel eigendomsrecht zich op die plaats bevinden.
  De in het eerste lid bedoelde ambtenaren kunnen slechts de bevoegdheden bedoeld in artikel XV.3, 4°, uitoefenen indien het redelijkerwijze toegelaten is te veronderstellen dat deze pakken, kisten, tonnen en andere verpakkingen goederen bevatten die inbreuk maken op een intellectueel eigendomsrecht.
  De in het eerste lid bedoelde ambtenaren kunnen slechts de bevoegdheden bedoeld in artikel XV.3, 5°, uitoefenen indien er, in het kader van een onderzoek verricht naar inbreuken op bepalingen van titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, onderafdeling 1, ernstige aanwijzingen van inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht bestaan.
  Art. XV.23. In afwijking van de bepaling uit artikel XV.5, § 1, eerste lid kunnen de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 en XV.25/1 bij de uitoefening van hun bevoegdheden met betrekking tot de inbreuken bedoeld in titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, onderafdeling 1, op risico van de eigenaar, de houder of de geadresseerde van de goederen waarvan wordt vermoed dat zij een inbreuk vormen op een intellectueel eigendomsrecht, overgaan tot het in beslag nemen van deze goederen, alsmede van de vervoermiddelen, werktuigen, gereedschappen en andere voorwerpen die tot het plegen van de inbreuk kunnen hebben gediend.
  Art. XV.24. Artikel XV.5, § 4, is niet van toepassing voor goederen waarvan wordt vermoed dat zij een inbreuk vormen op een intellectueel eigendomsrecht.
  Art. XV.25. De in artikel XV.2 en XV.25/1 bedoelde ambtenaren kunnen indien het redelijkerwijze is toegelaten te veronderstellen dat goederen die inbreuk maken op een intellectueel eigendomsrecht zich in dat voertuig bevinden, van de vervoerders eisen hun voertuig tot stilstand te brengen en de nodige bijstand te verlenen voor de vaststelling van de aard en de kwantiteit van de vervoerde goederen. In geval het onmogelijk is om ter plaatse tot de voornoemde verificatie over te gaan, moet de vracht, indien de eisende ambtenaar er het bevel toe geeft, naar een plaats worden gebracht waar de verificatie plaats kan vinden, dit alles ten laste van de vervoerder indien een inbreuk wordt waargenomen.
  Art. XV.25/1. Behalve de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2, zijn ook de ambtenaren van de Administratie der Douanen en Accijnzen, en de hiertoe door de minister bevoegd voor Economie en de minister van Financiën aangestelde ambtenaren, bevoegd om de in titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, onderafdeling 1, bepaalde inbreuken op te sporen en vast te stellen.
  De ambtenaren bedoeld in het eerste lid beschikken, over dezelfde bevoegdheden als de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2.
  Art. XV.25/2. De minister bevoegd voor Economie erkent de deskundigen als bedoeld in artikel XV.33, eerste lid, die worden aangeduid voor wat betreft namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten, overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels bepaald door de Koning.
  Art. XV.25/3. De ambtenaren die krachtens artikel XV.62 hiertoe uitdrukkelijk worden aangewezen kunnen evenwel de vernietiging bevelen van de goederen die aan de Schatkist werden afgestaan indien geen derde die beweert recht te hebben op deze goederen binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de datum van afstand, enige terugvordering heeft geformuleerd. Voor de toepassing van dit lid, geldt een termijn van vijftien dagen voor de vernietiging van de bederfbare goederen of goederen die een beperkte houdbaarheid hebben.
  De eigenaar of de houder van de aan de Schatkist afgestane goederen, of de houder van het intellectuele eigendomsrecht waarop een inbreuk wordt aangevoerd, kunnen door deze ambtenaren worden verzocht de goederen zelf te vernietigen.
  De kosten voor de bewaring en vernietiging van de goederen die aan de Schatkist werden afgestaan, worden gedragen door de persoon die er eigenaar van is op het moment van de afstand. Indien deze onbekend of onvermogend is, zijn de houder van de goederen, de geadresseerde van de goederen en de houder van het recht hoofdelijk gehouden tot het dragen van de kosten. De Koning kan de modaliteiten vaststellen voor de procedure van terugvordering van de kosten.
  De bevoegde ambtenaar kan, in afwijking van het eerste lid, inzoverre de houder van het recht hierdoor geen schade lijdt, besluiten een andere bestemming te geven aan de goederen. In dat geval maakt hij de goederen over aan de Administratie van het kadaster, de registratie en de domeinen, en belast hij deze met de vervreemding van deze goederen. De Koning kan de modaliteiten vaststellen voor de toepasbaarheid van deze vervreemdingsprocedure. Deze procedure kan geen aanleiding geven tot kosten voor de Schatkist.
  Wanneer de goederen worden vernietigd of vervreemd, wordt vooraf een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de te vernietigen of de te vervreemden voorwerpen opgemaakt, en wordt een monster daarvan genomen.
  Onderafdeling 2. - Collectief beheer van het auteursrecht en naburige rechten en transparantie van het auteursrecht en de naburige rechten
  Art. XV.25/4. § 1. In afwijking van hoofdstuk 1, mogen de ambtenaren van de Controledienst, aangesteld door de minister, evenals de ambtenaren van de Dienst Regulering, in de uitoefening van hun ambt bedoeld in de artikelen XI.275 en XI. 279 :
  1° zich op eerste verzoek zonder verplaatsing de documenten, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
  2° na voorafgaande verwittiging van ten minste vijf werkdagen, of zonder voorafgaande verwittiging indien zij redenen hebben te geloven in het bestaan van een inbreuk bedoeld in artikel XV.112, tijdens de gewone openings- of werkuren binnentreden in de kantoren, lokalen, werkplaatsen, gebouwen, belendende binnenplaatsen waartoe zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben en er alle dienstige vaststellingen doen en indien nodig tegen ontvangstbewijs, beslag leggen op de onder punt 1° bedoelde documenten, noodzakelijk voor het bewijs van een inbreuk bedoeld in artikel XI.279, of om de daders, mededaders of medeplichtigen van een dergelijke inbreuk op te sporen;
  3° zonder voorafgaande verwittiging, indien zij redenen hebben te geloven in het bestaan van een inbreuk bedoeld in artikel XV.112, de bewoonde gebouwen bezoeken met de voorafgaande toestemming van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, voor zover de bewoonde gebouwen lokalen omvatten die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor het uitoefenen van de in artikel XI.246 bepaalde activiteit; de bezoeken in de bewoonde lokalen geschieden tussen acht en achttien uur en door minstens twee ambtenaren gezamenlijk.
  Om na te gaan of een persoon zonder de vergunning voorzien in artikel XI.259 een beheersactiviteit bedoeld in artikel XI.246 uitoefent, beschikken de door de minister aangestelde ambtenaren van de Controledienst in dezelfde omstandigheden over de bevoegdheden die hen door deze paragraaf worden toegekend.
  § 2. In de uitoefening van hun ambt kunnen de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren bijstand van de politie vorderen.
  § 3. Onverminderd hun ondergeschiktheid aan hun meerderen in het bestuur, oefenen de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren van de Controledienst de hen op grond van paragrafen 1 en 2 verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de procureur-generaal en van de federale procureur voor wat betreft de taken tot opsporing en vaststelling van overtredingen bedoeld in artikel XV.112.
  § 4. Wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel XV.31/1, wordt het proces-verbaal tot vaststelling van een overtreding bedoeld in artikel XV.112 pas aan de procureur des Konings toegezonden als geen gevolg is gegeven aan de waarschuwing. Wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel XV.62/1, wordt het proces-verbaal pas aan de procureur des Konings toegezonden wanneer de overtreder niet op het voorstel tot transactie is ingegaan.".

  Art. 5. In artikel XV.30, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "artikel XV.61" vervangen door de woorden "de artikelen XV.61, XV.62 en XV.62/1".

  Art. 6. In boek XV, titel 1, hoofdstuk 2, afdeling 8, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel XV.30/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. XV.30/1. § 1. De procureur des Konings beveelt de vernietiging van de goederen die met toepassing van artikel XV.23 in beslag werden genomen wanneer dit in het belang van de openbare veiligheid is vereist of indien de bewaring of de opslag ervan een gevaar kan betekenen voor de openbare orde of problematisch kan zijn door de aard of hoeveelheid ervan of door de manier waarop ze zijn opgeslagen, indien geen derde die beweert recht op deze goederen te hebben, binnen een termijn van één maand te rekenen van de datum van het beslag, enige terugvordering heeft geformuleerd. Voor de toepassing van dit lid, geldt een termijn van vijftien dagen voor de vernietiging van de bederfbare goederen of goederen die een beperkte houdbaarheid hebben.
  De eigenaar of de houder van de goederen die in beslag werden genomen, of de houder van het intellectuele eigendomsrecht waarop een inbreuk wordt aangevoerd, kunnen op vordering van de procureur des Konings worden verzocht de goederen zelf te vernietigen.
  Vanaf het moment dat de overeenkomstig artikel XV.62 aangewezen ambtenaren het dossier voor vervolging aan het parket overmaken, beveelt de procureur des Konings de vernietiging van de goederen die aan de Schatkist werden afgestaan, indien geen derde die beweert recht te hebben op deze goederen binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de datum van afstand, enige terugvordering heeft geformuleerd. Voor de toepassing van dit lid, geldt een termijn van vijftien dagen voor de vernietiging van de bederfbare goederen of goederen die een beperkte houdbaarheid hebben.
  De kosten voor de vernietiging van de goederen die met toepassing van de eerste drie leden worden bevolen, worden door de eigenaar van de goederen gedragen. Indien deze onbekend of onvermogend is, zijn de houder van de goederen, de geadresseerde van de goederen en de houder van het recht hoofdelijk gehouden tot het dragen van de kosten. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, de modaliteiten vaststellen voor de procedure van terugvordering van de kosten.
  De procureur des Konings kan, in afwijking van het eerste lid, inzoverre de houder van het recht hierdoor geen schade lijdt, besluiten een andere bestemming te geven aan de goederen, en de vervreemdingsprocedure bedoeld in artikel 28octies, § 1, 1°, van het Wetboek van strafvordering bevelen. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, de modaliteiten vaststellen voor de toepasbaarheid van deze vervreemdingsprocedure. Deze procedure kan geen aanleiding geven tot kosten voor de Schatkist.
  Telkens als vernietiging of vervreemding moet plaats hebben, wordt vooraf een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de te vernietigen of de te vervreemden voorwerpen opgemaakt, en wordt een monster daarvan genomen.
  § 2. De kosten voor de bewaring van de in beslag genomen goederen worden door de eigenaar van de goederen gedragen. Indien deze onbekend of onvermogend is, zijn de houder van de goederen, de geadresseerde van de goederen en de houder van het recht hoofdelijk gehouden tot het dragen van de kosten. De Koning kan de modaliteiten vaststellen voor de procedure van terugvordering van de kosten.
  De eigenaar of de houder van de goederen die in beslag werden genomen, de houder van het intellectuele eigendomsrecht waarop een inbreuk wordt aangevoerd of iedere derde die beweert recht op deze goederen te hebben in toepassing van paragraaf 1, eerste lid, kunnen op vordering van de procureur des Konings tot gerechtelijke bewaarder van deze goederen worden aangesteld.
  § 3. Tijdens het onderzoek en voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2, beschikt de onderzoeksrechter over dezelfde bevoegdheden als de procureur des Konings.".

  Art. 7. In de titel van boek XV, titel 1, hoofdstuk 3, van hetzelfde Wetboek, wordt het woord "openbaarmakingsprocedure" vervangen door het woord "openbaarmakingsprocedures".

  Art. 8. In boek XV, titel 1, hoofdstuk 3, van hetzelfde Wetboek, wordt er een afdeling ingevoegd die artikel XV.31 bevat, luidende "Afdeling 1 Algemene bepalingen".

  Art. 9. In artikel XV.31 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° bij de eerste paragraaf, vierde lid, 2°, worden de woorden "en voor wat betreft de inbreuken op titel 3, hoofdstuk 3, afdeling 8, de mogelijke wijzen waarop" ingevoegd tussen de woorden "de termijn waarbinnen," en de woorden "voormelde feiten";
  2° bij de tweede paragraaf, worden de woorden "in artikel XV.61" vervangen door de woorden "in de artikelen XV.61 en XV.62".

  Art. 10. In boek XV, titel 1, hoofdstuk 3 van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling 2 ingevoegd die de artikelen XV.31/1 en XV.31/2 bevatten, luidende :
  "Afdeling 2. - Transparantie van het auteursrecht en de naburige rechten
  Art. XV.31/1. § 1. Wanneer na hen te hebben gehoord, vastgesteld wordt dat de beheersvennootschap de bepalingen van boek XI, titel 5, van de uitvoeringsbesluiten ervan, van de statuten of van de tariferings-, innings- of verdelingsregels schendt of dat een persoon zonder de in toepassing van artikel XI.259 vereiste vergunning een beheersactiviteit in de zin van artikel XI.246 uitoefent, kan de Controledienst, in afwijking van afdeling 1, een waarschuwing richten aan de beheersvennootschap of aan de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning, waarbij tot het verhelpen van de vastgestelde tekortkoming aangemaand wordt.
  § 2. De waarschuwing wordt aan de beheersvennootschap of aan de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning ter kennis gebracht door middel van een aangetekende zending met ontvangstbericht of door de overhandiging van een afschrift van het proces-verbaal waarin de feiten zijn vastgesteld.
  De waarschuwing vermeldt :
  1° de ten laste gelegde feiten en de overtreden bepalingen;
  2° de termijn waarbinnen de vastgestelde tekortkoming verholpen moet worden;
  3° dat indien de vastgestelde tekortkoming niet verholpen werd :
  a) de minister, of naargelang het geval de ambtenaar die specifiek daartoe aangewezen werd, één van de rechtsvorderingen bedoeld in artikel XVII.21 kan instellen en/of de administratieve sancties bedoeld in de artikelen XV.66/1, XV.66/2 en XV.66/3 kan treffen;
  b) dat in geval van inbreuk bedoeld in artikel XV.112, zonder afbreuk te doen aan de maatregelen bedoeld in a) de door de minister aangestelde ambtenaren de procureur des Konings kunnen inlichten, of de transactie bepaald in artikel XV.62/1 kunnen toepassen.
  Art. XV.31/2. § 1. Wanneer na de betrokken personen te hebben gehoord, vastgesteld wordt dat de innings-, tariferings- of verdelingsregels van de beheersvennootschappen bedoeld in boek XI, titel 5, hoofdstuk 9, niet billijk zijn of discriminatoir zijn, kan de Dienst Regulering een waarschuwing richten aan de betrokken personen, waarbij zij tot het verhelpen van de vastgestelde tekortkoming aangemaand worden.
  § 2. De waarschuwing wordt aan de betrokken personen ter kennis gebracht door middel van een aangetekende zending met ontvangstbericht of door de overhandiging van een afschrift van het proces-verbaal waarin de feiten zijn vastgesteld.
  De waarschuwing vermeldt :
  1° de ten laste gelegde feiten en de overtreden bepalingen;
  2° de termijn waarbinnen de vastgestelde tekortkoming verholpen moet worden;
  3° dat indien de vastgestelde tekortkoming niet verholpen werd, de Dienst Regulering het hof van beroep te Brussel kan vatten krachtens artikel XI.340.".

  Art. 11. In boek XV, titel 1, hoofdstuk 4 van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling 3 ingevoegd, die de artikelen XV.58 tot XV.60 bevat, luidende :
  "Afdeling 3. - Bestrijding tegen namaak en piraterij
  Art. XV.58. Onverminderd afdeling 1, bepaalt de Koning de gepaste voorschriften en middelen om een coördinatie en een opvolging van de acties van de strijd tegen namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten te waarborgen.
  Art. XV.59. § 1. De bevoegde autoriteiten en openbare diensten delen elkaar, op eigen initiatief of op verzoek, de gepaste inlichtingen mede betreffende de toepassing van titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, onderafdeling 1, en de activiteiten die in toepassing ervan tot optreden kunnen leiden.
  De verleende bijstand omvat inzonderheid het meedelen van :
  1° informatie die nuttig is teneinde, door preventieve en repressieve acties, de met titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, onderafdeling 1, strijdige handelingen en praktijken te bestrijden;
  2° inlichtingen betreffende nieuwe methodes gebruikt bij de verwezenlijking van met titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, onderafdeling 1, strijdige operaties of betreffende onwettige activiteiten en activiteitenschema's;
  3° inlichtingen betreffende de door de bevoegde autoriteiten en openbare diensten verwezenlijkte waarnemingen en de resultaten verkregen ten gevolge van de geslaagde toepassing van nieuwe middelen en technieken van strijd tegen namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten.
  § 2. De Koning bepaalt de aard van de inlichtingen en informatie bedoeld in dit artikel, alsook de modaliteiten voor de uitwisseling ervan tussen de bevoegde autoriteiten en de bevoegde overheidsdiensten.
  Art. XV.60. Elk door de hoven en rechtbanken op grond van titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, onderafdeling 1, gewezen vonnis of arrest wordt, per gewone zending, binnen de maand waarin de beslissing werd uitgesproken aan de Dienst voor de Intellectuele Eigendom kosteloos medegedeeld, door toedoen van de griffier van de bevoegde rechtsmacht.
  De griffier is er eveneens toe gehouden de Dienst voor de Intellectuele Eigendom onverwijld in te lichten over elke voorziening tegen een dergelijke uitspraak.".

  Art. 12. In boek XV, titel 2, hoofdstuk 1, van hetzelfde Wetboek, wordt er een afdeling ingevoegd die artikel XV.61 bevat, luidende "Afdeling 1. Algemene bepalingen".

  Art. 13. In boek XV, titel 2, hoofdstuk 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling 2 ingevoegd die de artikelen XV.62 en XV.62/1 bevat, luidende :
  "Afdeling 2. - Bepalingen betreffende boek XI
  Onderafdeling 1. - Bestrijding tegen namaak en piraterij
  Art. XV.62. § 1. In afwijking van het bepaalde in artikel XV.61, kunnen de hiertoe uitdrukkelijk aangewezen ambtenaren, respectievelijk door de minister bevoegd voor Economie of door de minister van Financiën, op inzage van de processen-verbaal die een inbreuk op de bepalingen van titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, onderafdeling 1, vaststellen en opgemaakt zijn door de in artikel XV.2 en artikel XV.25/1, bedoelde ambtenaren, aan de overtreder een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen, voor zover de overtreder de goederen heeft afgestaan aan de Schatkist en dat de benadeelde partij ervan heeft afgezien klacht in te dienen. Het voorstel tot transactie wordt aan de overtreder door middel van een aangetekende zending met ontvangstbewijs ter kennis gebracht.
  Het in het eerste lid bedoelde bedrag mag niet meer belopen dan het maximum van de in titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, onderafdeling 1, bepaalde geldboeten, verhoogd met de opdeciemen.
  Wanneer de inbreuk kosten van bewaring en vernietiging heeft veroorzaakt, wordt de som verhoogd met het bedrag van die kosten. Het gedeelte van de som dat gestort is om die kosten te dekken, wordt toegewezen aan de instelling of aan de persoon die deze kosten gedragen heeft.
  De benadeelde partij wordt binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van de aangetekende zending bedoeld in het eerste lid, van het voorstel tot transactie verwittigd.
  De binnen de in het voorstel tot transactie bepaalde termijn uitgevoerde betaling doet de strafvordering vervallen behalve indien vooraf klacht ingediend werd bij de procureur des Konings, de onderzoeksrechter verzocht werd een onderzoek in te stellen of de zaak aanhangig werd gemaakt bij de rechtbank. In die gevallen wordt de betaalde geldsom terugbetaald aan de overtreder.
  § 2. De tarieven alsmede de modaliteiten van de transactie, van de betaling en de inning van het bedrag evenals de modaliteiten van de procedure tot afstand en vernietiging van de goederen worden door de Koning vastgesteld.
  § 3. Wanneer toepassing wordt gemaakt van dit artikel, wordt het proces-verbaal slechts aan de procureur des Konings toegezonden, wanneer de overtreder niet is ingegaan op het voorstel tot transactie.
  Onderafdeling 2. - Collectief beheer van het auteursrecht en de naburige rechten
  Art. XV. 62/1. De hiertoe specifiek door de minister aangestelde ambtenaar kan, op inzage van de processen-verbaal die een inbreuk op de in artikel XV.112, §§ 1 en 2, genoemde voorschriften vaststellen, aan de overtreders de betaling van een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen.
  De Koning stelt de tarieven alsook de wijze van betaling en inning vast.
  Het in het eerste lid bedoelde bedrag mag niet meer bedragen dan het maximum van de bij artikel XV.112 bepaalde geldboete, verhoogd met de opcentiemen.
  De binnen de aangegeven termijn uitgevoerde betaling doet de strafvordering vervallen, behalve indien tevoren een klacht gericht werd aan de procureur des Konings, de onderzoeksrechter verzocht werd een onderzoek in te stellen of indien het feit bij de rechtbank aanhangig gemaakt werd. In deze gevallen worden de bedragen teruggestort aan de overtreder.".

  Art. 14. In boek XV, titel 2, hoofdstuk 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling 3 ingevoegd die de artikelen XV.66/1 tot artikel XV.66/4 bevat, luidende :
  "Afdeling 3. - Bestuurlijke sancties inzake het auteursrecht en de naburige rechten
  Art. XV.66/1. § 1 De minister kan de in artikel XI. 259 bepaalde vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken wanneer de vennootschap niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de vergunning alsook wanneer de vennootschap zware of herhaalde inbreuken op de bepalingen van boek XI, titel 5, van de uitvoeringsbesluiten ervan of van de bepalingen van haar statuten of reglementen begaat of heeft begaan.
  Als de intrekking van de vergunning wordt beoogd, deelt de minister vooraf aan de betrokken beheersvennootschap, bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, zijn grieven mee. Hij deelt de beheersvennootschap mee dat zij vanaf deze kennisgeving over een termijn van twee maanden beschikt om het dossier dat werd opgemaakt, in te kijken, om te worden gehoord door de minister of de hiertoe aangewezen persoon en om haar middelen te doen gelden.
  De minister bepaalt vanaf welke datum de intrekking in werking treedt. Elke intrekking wordt binnen dertig dagen na de intrekkingsbeslissing in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Tussen de datum van kennisgeving van de intrekkingsbeslissing aan de beheersvennootschap en de datum van inwerkingtreding van de intrekking neemt de beheersvennootschap onverminderd § 4 de voorzichtige en zorgzame maatregelen om de beheersactiviteiten waarvoor de vergunning is ingetrokken stop te zetten. Met name verwittigt zij onmiddellijk volgens de nadere regels bepaald door de minister de houders van rechten die haar het beheer van hun rechten hebben toevertrouwd van de beslissing tot intrekking en van de datum van inwerkingtreding ervan.
  Op de datum van inwerkingtreding van de intrekking van de vergunning geldt deze als ontbinding van de overeenkomsten waarbij de houders van de rechten het beheer van hun rechten toevertrouwen aan de beheersvennootschap. In geval van gedeeltelijke intrekking, worden de overeenkomsten ontbonden in de mate dat zij betrekking hebben op de activiteit waarvoor de vergunning werd ingetrokken.
  § 2. Vanaf de bekendmaking van de beslissing tot intrekking van de vergunning in het Belgisch Staatsblad worden in de deposito- en consignatiekas gestort, op een rekening geopend op initiatief van de commissaris(sen) bepaald in paragraaf 4, waarbij in de rubriek de naam wordt vermeld van de vennootschap waarvan de vergunning werd ingetrokken :
  1° de rechten die nog verschuldigd zijn voor de periodes vóór de inwerkingtreding van de intrekkingsbeslissing;
  2° de rechten die onderworpen zijn aan een verplicht collectief beheer die nog verschuldigd zijn voor de periodes na deze inwerkingtreding indien op de datum van inwerkingtreding van de beslissing tot intrekking van de vergunning geen andere beheersvennootschapmaatschappij gemachtigd is om deze rechten voor dezelfde categorie van rechthebbenden te beheren.
  Het beheer van de in het vorige lid bedoelde rekening berust uitsluitend bij de bijzondere commissaris(sen) bedoeld in paragraaf 4.
  § 3. De handelingen en beslissingen van de vennootschap waarvan de vergunning werd ingetrokken, verricht met inbreuk van de intrekkingsbeslissing, zijn nietig.
  § 4. Vanaf de beslissing tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de vergunning van een beheersvennootschap, kan de minister één of meer bijzondere commissarissen aanstellen voor de duur die hij bepaalt die over de vereiste juridische, financiële en boekhoudkundige bekwaamheden beschikken, ter vervanging van de bevoegde organen met het oog op en binnen de beperkingen van de uitvoering van de stopzetting van de beheersactiviteiten waarvoor de vergunning is ingetrokken. De bijzondere commissarissen kunnen zich voor de uitvoering van hun opdracht laten bijstaan door elke deskundige.
  De bijzondere commissaris of commissarissen bepaald in het eerste lid hebben als opdracht over te gaan tot de verdeling van de rechten bedoeld in § 2, volgens de verdelingsregels van de beheersvennootschap of indien deze niet conform blijken te zijn met de wet of met de statuten van de beheersvennootschap volgens de verdelingsregels die zij vaststellen. Voor zij worden vastgesteld worden de ontwerpen van verdelingsregels voor advies meegedeeld aan de Controledienst. Deze geeft haar advies binnen een termijn van 15 dagen vanaf de ontvangst van de ontwerpen. Met het oog op en binnen de beperkingen van de uitvoering van de stopzetting van de beheersactiviteiten waarvoor de vergunning wordt ingetrokken, mogen de in het eerste lid bepaalde commissarissen de overeenkomsten inzake inning en beheer van rechten verlengen.
  De bezoldiging van de bijzondere commissaris(sen) wordt vastgesteld door de minister volgens een door de Koning vastgestelde loonschaal en is verschuldigd door de vennootschap van wie de vergunning werd ingetrokken. Zij wordt voorgeschoten door het organiek fonds opgericht overeenkomstig artikel XI.287 en worden gerecupereerd door de FOD Economie ten laste van de vennootschap waarvan de erkenning werd ingetrokken.
  De bijzondere commissaris(sen) brengen minimum driemaandelijks schriftelijk verslag uit over hun werkzaamheden aan de minister.
  De taak van de bijzondere commissarissen eindigt bij beslissing van de minister.
  Art. XV.66/2. § 1. Onverminderd de andere maatregelen bepaald door de wet en indien op het einde van de in toepassing van artikel XV.31/1 vastgestelde termijn, de vastgestelde tekortkoming niet werd verholpen, kan de minister of de hiertoe specifiek door de minister aangestelde ambtenaar, voor zover de beheersvennootschap of de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning hun middelen hebben kunnen laten gelden overeenkomstig paragraaf 2 :
  1° bekendmaken dat niettegenstaande de termijn bepaald in toepassing van artikel XV.31/1, de beheersvennootschap of de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning zich niet gedragen heeft in overeenstemming met de bepalingen van boek XI, titel 5, de ter uitvoering ervan genomen besluiten, haar statuten, of haar tariferings-, innings- of verdelingsregels;
  2° de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van de in artikel XI.246 bedoelde beheersactiviteit zonder vergunning geheel of gedeeltelijk schorsen of deze activiteit verbieden.
  3° een administratieve geldboete van een bedrag tussen 100 en 110.000 euro opleggen aan de beheersvennootschap, behalve in het geval beoogd in artikel XV.112.
  § 2. Wanneer een van de in paragraaf 1 bepaalde maatregelen beoogd wordt, deelt de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar vooraf aan de betrokken beheersvennootschap of aan de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning, bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, zijn grieven mee.
  Via deze aangetekende zending brengt hij de beheersvennootschap of de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning op de hoogte van :
  1° de feiten op grond waarvan de procedure werd ingesteld;
  2° het feit dat de overtreder de mogelijkheid heeft om schriftelijk, via aangetekende zending, zijn middelen van verweer te doen gelden, binnen een termijn van twee maanden vanaf de dag van kennisgeving van de aangetekende zending van de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar, en dat hij bij die gelegenheid over het recht beschikt, om de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar te vragen om zich mondeling te verdedigen;
  3° het feit dat de overtreder het recht heeft om zich te laten bijstaan door een raadsman;
  4° het feit dat de overtreder het recht heeft om zijn dossier in te kijken;
  5° een kopie van de waarschuwing, bedoeld in artikel XV.31/1.
  § 3. De persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning die handelingen stelt of beslissingen neemt in strijd met de schorsing of met het verbod, is aansprakelijk voor het nadeel dat daaruit voor derden voortvloeit.
  Wanneer de persoon bedoeld in het vorige lid een rechtspersoon is, zijn de leden van de bestuurs- en beheerorganen en de personen belast met het beheer die handelingen stellen of beslissingen nemen in strijd met de schorsing of het verbod, hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat daaruit voor derden voortvloeit.
  De beslissing tot schorsing of tot verbod wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De daarmee strijdige handelingen en beslissingen zijn nietig.
  § 4. De beslissingen van de minister bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, hebben ten aanzien van de beheersvennootschap of van de betrokken persoon gevolgen te rekenen vanaf hun betekening aan bedoelde vennootschap of persoon bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, en ten aanzien van derden, te rekenen vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 1.
  § 5. Bij het verstrijken van de termijn bepaald in paragraaf 2, tweede lid, 2°, of, desgevallend, na het schriftelijke of mondelinge verweer door de overtreder of zijn raadsman, kan de specifiek hiertoe aangestelde ambtenaar aan de overtreder een administratieve geldboete opleggen op basis van paragraaf 1.
  De beslissing om een administratieve geldboete op te leggen mag worden uitgevoerd bij het verstrijken van een maand, te rekenen vanaf de dag van kennisgeving bedoeld in paragraaf 6.
  § 6. De beslissing wordt via aangetekende zending ter kennis gebracht van de overtreder.
  § 7. De in paragraaf 5 bedoelde ambtenaar kan geen administratieve boete opleggen na een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop het feit werd begaan, de eventuele beroepsprocedures niet inbegrepen.
  Art. XV.66/3. § 1. Onverminderd de andere maatregelen bepaald door de wet en indien op het einde van de door de Koning vastgestelde termijn, de in toepassing van artikel XI.285 door de FOD Economie gevraagde informatie niet wordt verschaft door een natuurlijk persoon of rechtspersoon van publiek of privaat recht, kan de minister of de hiertoe door de minister aangestelde ambtenaar, deze een administratieve geldboete opleggen van een bedrag tussen de 100 en 110.000 euro.
  § 2. Wanneer de administratieve geldboete bedoeld in § 1 overwogen wordt, brengt de minister of de daartoe specifiek aangewezen ambtenaar de betrokken persoon op voorhand op de hoogte van zijn klachten, via aangetekende zending met ontvangbewijs.
  Via die aangetekende zending brengt hij de betrokken persoon op de hoogte van het feit, dat hij de mogelijkheid heeft om schriftelijk, via aangetekende zending, zijn middelen van verweer te doen gelden binnen twee maanden te rekenen vanaf de dag van kennisgeving van de aangetekende zending van de minister of de daartoe specifiek aangewezen ambtenaar, en dat hij bij die gelegenheid over het recht beschikt, om de minister of de hiertoe aangestelde ambtenaar te vragen om zich mondeling te verdedigen.
  § 3. Elk beroep tegen de in dit artikel bedoelde administratieve geldboete wordt uitsluitend ingesteld voor het hof van beroep te Brussel.
  De beslissing om een administratieve geldboete op te leggen heeft uitvoerende kracht zodra de termijn van een maand na de dag van kennisgeving, bedoeld in § 2, is verstreken.
  Het beroep is opschortend.
  § 4. De beslissing wordt via aangetekende zending ter kennis gebracht van de overtreder.
  § 5. De administratieve geldboete kan niet worden opgelegd nadat één jaar verstreken is te rekenen vanaf de dag waarop de gevraagde gegevens hadden moeten zijn meegedeeld aan de FOD Economie of aan de derde die hij aanwijst, de eventuele beroepsprocedures niet inbegrepen.
  Art. XV.66/4. Zonder afbreuk te doen aan het recht de zaak aanhangig te maken bij de bevoegde rechter, kan de invordering van de administratieve boetes bepaald in de artikelen XV.66/2 tot XV.66/3 gebeuren bij dwangmaatregel door toedoen van de administratie van de btw, de registratie en de domeinen.".

  Art. 15. In boek XV, titel 3, hoofdstuk 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling 8 ingevoegd die de artikelen XV.103 tot XV.113 bevat, luidende :
  "Afdeling 8. - De straffen voor inbreuken op boek XI
  Onderafdeling I. - Bestrijding van namaak en piraterij
  Art. XV.103. § 1. Wordt gestraft met een sanctie van niveau 6, hij die, in het economisch verkeer, met kwaadwillig of bedrieglijk opzet inbreuk maakt op de rechten van de houder van een product- of dienstmerk, van een uitvindingsoctrooi, van een aanvullend beschermingscertificaat, van een kwekersrecht, of van een tekening of model, zoals deze rechten bepaald worden door :
  1) inzake merken :
  a) artikel 2.20, eerste lid, a., b. en c., van het Benelux-Verdrag inzake intellectuele eigendom van 25 februari 2005 goedgekeurd bij de wet van 22 maart 2006;
  b) artikel 9 van de Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapmerk;
  2) inzake octrooien en aanvullende beschermingscertificaten :
  a) artikel XI.29;
  b) artikel 5 van de Verordening (EG) nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen;
  c) artikel 5 van de Verordening (EG) nr. 1610/96 van 23 juli 1996 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor gewasbeschermings-middelen;
  3) inzake kwekersrecht :
  a) de artikelen XI.113;
  b) artikel 13 van de Verordening (EG) nr. 2100/94 van 27 juli 1994 van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het communautair kwekersrecht;
  4) inzake tekeningen of modellen :
  a) artikel 3.16 van het Benelux-Verdrag inzake intellectuele eigendom van 25 februari 2005 goedgekeurd bij de wet van 22 maart 2006;
  b) artikel 19 van de Verordening (EG) nr. 6/2002 van 12 december 2001 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende Gemeenschapsmodellen.
  Voor de toepassing van de vorige leden, moet worden geacht dat er inbreuk wordt gepleegd in het economisch verkeer vanaf het moment dat deze inbreuk gepleegd wordt in het kader van een commerciële activiteit waarvan de doelstelling is een economisch voordeel te realiseren.
  § 2. Paragraaf 1 van dit artikel is onder meer niet van toepassing op :
  1) inzake merken :
  a) de handelingen bepaald in artikel 2.23 van het Benelux-Verdrag inzake intellectuele eigendom van 25 februari 2005 goedgekeurd bij de wet van 22 maart 2006;
  b) de handelingen bepaald in artikelen 12 en 13 van de Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk;
  2) inzake octrooien en aanvullende beschermingscertificaten :
  a) de handelingen bepaald in artikelen XI.32, XI.33, XI.34, § 1, en XI.36;
  b) de handelingen die uitsluitend worden verricht in verband met noodzakelijke studies, testen en proeven overeenkomstig artikel 6bis, § 1, laatste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen;
  3) inzake kwekersrecht :
  a) de handelingen bepaald in de artikelen XI.114, XI.115, XI.116 en XI.117;
  b) de handelingen bepaald in de artikelen 14, 15 en 16 van de Verordening (EG) nr. 2100/94 van 27 juli 1994 van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het communautair kwekersrecht;
  4) inzake tekeningen of modellen :
  a) de handelingen bepaald in de artikelen 3.19 en 3.20 van het Benelux-Verdrag inzake intellectuele eigendom van 25 februari 2005 goedgekeurd door de wet van 22 maart 2006;
  b) de handelingen bepaald in de artikelen 20 tot 23 van de Verordening (EG) nr. 6/2002 van 12 december 2001 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende Gemeenschaps-modellen.
  Art. XV.104. De misdrijven bepaald in de artikelen XI.291, § 1, XI.292 en XI.293 worden gestraft met een sanctie van niveau 6.
  Art. XV.105. De misdrijven bepaald in artikel XI. 304 worden gestraft met een gevangenisstraf van een sanctie van niveau 6.
  Art. XV.106. De in de artikelen XI.316, § 1, XI.317 en XI.318 bepaalde misdrijven worden gestraft met een sanctie van niveau 6.
  Art. XV.107. Wordt gestraft met een sanctie van niveau 1, diegene die zich met kwaadwillig of bedrieglijk opzet in het economisch verkeer onrechtmatig beroept op de hoedanigheid van houder of aanvrager van een product- of dienstmerk, van een uitvindingsoctrooi, een aanvullend beschermingscertificaat, een kwekersrecht, of een tekening of model.
  Art. XV.108. Wordt gestraft met een sanctie van niveau 5, diegene die met kwaadwillig of bedrieglijk opzet, op om het even welke plaats, natuurlijke of rechtspersonen benadert om hen voor te stellen om :
  - hetzij de inschrijving in niet-officiële registers of publicaties van de in artikel XV.103, § 1, bedoelde rechten uit te voeren, door hen te laten geloven dat desbetreffende inschrijving nodig is opdat de rechten zouden gevolgen hebben;
  - hetzij om het even welke titel die zogenaamd uitvindingen of creaties zou beschermen te onderschrijven, maar die geen enkele nationale of internationale erkenning of officiële waarborg geniet, daarbij misbruik makend van het vertrouwen, de onwetendheid of de goedgelovigheid van deze personen.
  Art. XV.109. Met een sanctie van niveau 4 worden gestraft, zij die met opzet de aangestelde beambten vermeld in artikel XI.43, § 2 en XI.128, § 2 vrijwillig verhinderen of beletten bij de uitvoering van de hen door dit Wetboek toevertrouwde opdracht.
  Op valse aangifte staan dezelfde straffen.
  Worden onder meer geacht het vervullen van de opdracht vrijwillig te beletten of te belemmeren, zij die :
  1) weigeren de gevraagde inlichtingen of bescheiden mede te delen;
  2) wetens en willens onjuiste inlichtingen of bescheiden bezorgen.
  Art. XV.110. Met een sanctie van niveau 3 worden gestraft :
  1° de gebruikers die met opzet de bepalingen van artikel XI.272, § 2 niet naleven;
  2° de actoren uit de professionele kunsthandel die met opzet de uitoefening van het recht op informatie bedoeld in artikel XI.178, § 4, verhinderen of beletten.
  Op valse aangifte staan dezelfde straffen.
  Worden onder meer geacht de uitoefening van het recht op inlichtingen vrijwillig te beletten of te belemmeren, zij die :
  1) weigeren de gevraagde inlichtingen of bescheiden mede te delen;
  2) wetens en willens onjuiste inlichtingen of bescheiden bezorgen.
  Art. XV.111. § 1. In het geval dat het merk, het octrooi, het aanvullend beschermingscertificaat, het kwekersrecht, de tekening of het model waarvan de schending wordt ingeroepen, nietig werd verklaard, vervallen is of geschrapt werd door een gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan of ten gevolge van een administratieve beslissing of de wil of de nalatigheid van de houder ervan, kan geen enkele straf worden uitgesproken voor handelingen die gesteld werden na de datum waarop de nietigheid, het verval of het teniet gaan van het recht van kracht is geworden.
  § 2. In afwijking van artikel 15 van het Wetboek van Strafvordering, als de beklaagde een uitzondering opwerpt die hij put uit de ongeldigheid, de nietigheid of het verval van het intellectuele eigendomsrecht waarvan de schending wordt ingeroepen en indien de bevoegdheid betreffende het onderzoek van deze vraag door de wet of door een verordening van de Europese Unie uitsluitend is voorbehouden aan een andere autoriteit, stelt de rechtbank haar vonnis hierover uit en kent zij hem een termijn toe om de gepaste vordering voor de bevoegde instantie in te stellen.
  De verjaring van de strafvordering wordt geschorst totdat de vordering tot nietigverklaring, en de vordering tot vervallenverklaring zoals bedoeld in het eerste lid, of de vordering tot staking bepaald in artikelen XVII.2 en volgende van dit Wetboek, het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de bevoegde instantie de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, wordt de verjaring niet geschorst.
  Onderafdeling 2. - Collectief beheer van het auteursrecht en de naburige rechten
  Art. XV.112. § 1. Met een sanctie van niveau 4 worden gestraft, zij die de voorschriften overtreden voorzien door of krachtens de artikelen :
  1° XI.247, § 1;
  2° XI.248, § 3;
  3° XI.249, § 1 en § 2;
  4° XI.250;
  5° XI.256, § 1;
  6° XI.257;
  7° XI.259, § 1.
  § 2. Met een sanctie van niveau 4 worden gestraft, zij die met opzet de personen vermeld in artikel XV.25/4 hinderen of beletten bij de uitvoering van hun opdracht om overtredingen of niet-naleving van de bepalingen voorzien in § 1 op te sporen en vast te stellen.
  § 3. Met een sanctie van niveau 3 worden gestraft zij die in de hoedanigheid van commissaris of van onafhankelijke deskundige rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultaatsrekeningen of geconsolideerde rekeningen, periodieke staten, verrichtingen of inlichtingen hebben geattesteerd, goedgekeurd of bevestigd terwijl niet is voldaan aan de bepalingen van boek XI, titel 5, hoofdstuk 9, of van de uitvoeringsbesluiten, en zij daarvan kennis hebben.
  § 4. Met een sanctie van niveau 3 worden gestraft zij die de bijdragen verschuldigd aan het organiek fonds voor de controle van de vennootschappen voor het beheer van rechten niet, niet volledig of niet tijdig betalen.
  § 5. Wanneer de feiten voorgelegd aan de rechtbank het voorwerp zijn van een vordering tot staking, kan maar over de strafvordering beslist worden nadat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen over de vordering tot staking.
  Art. XV.113. Met een sanctie van niveau 4 worden gestraft, zij die het in artikel XI.281 voorziene beroepsgeheim schenden.".

  Art. 16. In artikel XV.130 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "op artikelen XV.103, XV.112, XV.107 tot XV.109, en" ingevoegd tussen de woorden "ingeval van veroordeling voor een inbreuk" en de woorden "op boeken VIII en XI".

  Art. 17.In (boek XV, titel 3), hoofdstuk 3, afdeling 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel XV.130/1 ingevoegd, luidende : <Erratum, B. St 16-02-2015, p. 12629>
  "Art. XV.130/1. § 1. In geval van veroordeling wegens een inbreuk bepaald bij artikel XV.103, § 1, kan de rechtbank bevelen, op verzoek van de burgerlijke partij en op voorwaarde dat deze maatregel in verhouding staat tot de ernst van de inbreuk op het recht, dat de werktuigen die voornamelijk gediend hebben om het misdrijf te plegen en die verbeurdverklaard werden en de monsters van de goederen die inbreuk maken op het intellectuele eigendomsrecht, aan de houder van het recht worden toegewezen.
  § 2. De rechtbank kan ook, in geval van veroordeling wegens een inbreuk bepaald bij artikel XI.103, § 1, en rekening houdend met de ernst van de inbreuk, de vernietiging bevelen van de goederen die inbreuk maken op een intellectueel eigendomsrecht en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een bijzondere verbeurdverklaring, op kosten van de veroordeelde, zelfs als deze goederen geen eigendom zijn van de veroordeelde.".

  Art. 18.In (boek XV, titel 3), hoofdstuk 3, afdeling 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel XV.130/2 ingevoegd, luidende : <Erratum, B. St 16-02-2015, p. 12629>
  "Art. XV.130/2. Voor wat betreft inbreuken bedoeld in artikel XV.104 en XV.106, kunnen de ontvangsten en de verbeurdverklaarde voorwerpen aan de burgerlijke partij worden toegewezen, in mindering of ten belope van het geleden nadeel.".

  Art. 19.In (boek XV, titel 3), hoofdstuk 3, afdeling 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel XV.130/3 ingevoegd, luidende : Erratum, B. St 16-02-2015, p. 12629>
  "Art. XV.130/3. Wanneer de rechter een veroordeling wegens overtreding van artikel XV.105 uitspreekt, kan hij de verbeurdverklaring uitspreken van de materiële dragers waarmee de overtreding is gepleegd.".

  Art. 20.In (boek XV, titel 3), hoofdstuk 3, afdeling 2, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel XV.130/4 ingevoegd, luidende : <Erratum, B. St 16-02-2015, p. 12629>
  "Art.XV.130/4. In afwijking van artikel 43 van het Strafwetboek, oordeelt de rechtbank, zo deze een veroordeling uitspreekt naar aanleiding van een van de inbreuken bedoeld in artikel XV.112, of de bijzondere verbeurdverklaring bevolen moet worden. Deze bepaling is niet van toepassing in het geval van herhaling als bedoeld in het artikel XV.72.".

  Art. 21.In artikel XV.131 van (boek XV, titel 3), hoofdstuk 3, afdeling 3, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "op Titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, van dit boek, en" ingevoegd tussen de woorden "ingeval van veroordeling voor een inbreuk" en de woorden "op boeken VIII en XI". <Erratum, B. St 16-02-2015, p. 12629>

  Art. 22. In boek XV, titel 2, hoofdstuk 3, van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling 4 ingevoegd die artikel XV.131/1 bevat, luidende :
  "Afdeling 4. - Gehele of gedeeltelijke sluiting
  Art. XV.131/1. Ingeval van veroordeling voor een inbreuk op titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 8, kunnen de hoven en rechtbanken hetzij definitief, hetzij tijdelijk, de gehele of gedeeltelijke sluiting van de door de veroordeelde geëxploiteerde inrichting en een permanent of tijdelijk verbod op de uitoefening van handelsactiviteiten door de veroordeelde bevelen."

  Art. 23. In boek XV, titel 2, hoofdstuk 3, van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling 5 ingevoegd die artikel XV.131/2 bevat, luidende :
  "Afdeling 5. - Beslag op de ontvangsten
  Art. XV.131/2. Ingeval een uitvoering of een opvoering inbreuk maakt op het auteursrecht of op de naburige rechten, kunnen de ontvangsten in beslag genomen worden als zaken die uit het misdrijf voortkomen. Zij worden aan de eiser toegewezen naar evenredigheid van hetgeen zijn werk of zijn prestatie heeft bijgedragen tot de uitvoering of opvoering en worden bij de raming van de schadevergoeding in aanmerking genomen.".

  Art. 24. In boek XVII, titel 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een hoofdstuk 4 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk 4. - Bijzondere bepalingen eigen aan boek XI
  Afdeling 1. Vordering tot staking in geval van inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht [Art. XVII.14]
  Art. XVII. 15. § 1. Elke vordering tot staking voor het beëindigen van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht met uitzondering van het octrooirecht, met inbegrip van het recht betreffende aanvullende beschermingscertificaten, het auteursrecht, naburige recht of het recht van de producenten van databanken, beoogt in artikel XVII.14, § 1, die ook de staking tot voorwerp heeft van een handeling bedoeld in artikel XVII.1 of in artikel 18 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, wordt uitsluitend voor de voorzitter van de krachtens artikel XVII.14, § 1, bevoegde rechtbank gebracht.
  § 2. Elke vordering tot staking voor het beëindigen van een inbreuk op het octrooirecht met inbegrip van het recht betreffende de aanvullende beschermingscertificaten, beoogt in artikel XVII.14, § 2, die ook de staking tot voorwerp heeft van een handeling bedoeld in artikel XVII.1 of in artikel 18 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, wordt uitsluitend voor de voorzitter van de krachtens artikel XVII.14, § 2, bevoegde rechtbank gebracht.
  § 3. Elke vordering tot staking voor het beëindigen van het auteursrecht, de naburige rechten of het recht van de producenten van databanken, beoogt in artikel XVII.14, § 3, die ook de staking tot voorwerp heeft van een handeling bedoeld in artikel XVII.1 of in artikel 18 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, wordt uitsluitend voor de voorzitter van de krachtens artikel XVII.14, § 3, bevoegde rechtbank gebracht.
  § 4. Elke vordering betreffende de toepassing van technische voorzieningen in het kader van het auteursrecht, de naburige rechten en het recht van de producenten van databanken, beoogt in artikel XI.336, § 1, die ook de staking tot voorwerp heeft van een handeling bedoeld in artikel XVII.1 of in artikel 18 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, wordt uitsluitend voor de voorzitter van de krachtens artikel XI.336, § 1, bevoegde rechtbank gebracht.
  Art. XVII.16. De voorzitter kan, wanneer hij de staking beveelt, maatregelen bevelen zoals bepaald in artikel XI.334, §§ 2 tot en met 4, of door het Benelux-Verdrag inzake intellectuele eigendom, naar gelang van het betrokken recht, voor zover deze maatregelen kunnen bijdragen tot de stopzetting van de vastgestelde inbreuk of van de gevolgen ervan, met uitzondering van de maatregelen tot herstel van de schade die door deze inbreuk wordt berokkend.
  Art. XVII.17. Wanneer het bestaan van een intellectueel eigendomsrecht, in België beschermd door een depot of een inschrijving, wordt ingeroepen ter ondersteuning van een vordering op grond van artikel XVII.14, §§ 1 en 2, of als verweer tegen deze vordering, en wanneer de voorzitter van de rechtbank vaststelt dat dit recht, dit depot of deze inschrijving nietig is of vervallen, spreekt hij deze nietigheid of dit verval uit en beveelt de schrapping van het depot of van de inschrijving in de desbetreffende registers, overeenkomstig de bepalingen betreffende het betrokken intellectueel eigendomsrecht.
  In afwijking van artikel XVII.18, derde lid wordt het uitvoerbaar karakter van de in het eerste lid bedoelde beslissing tot nietigheid of verval geregeld overeenkomstig de bepalingen betreffende het betrokken intellectueel eigendomsrecht.
  Art. XVII.18. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding.
  Op de vordering wordt uitspraak gedaan, niettegenstaande enige vervolging die voor de strafrechter wordt ingesteld wegens dezelfde feiten.
  Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande voorziening en zonder borgstelling, tenzij de rechter heeft bevolen dat een borg moet worden gesteld.
  Art. XVII.19. § 1. De vordering op grond van artikel XVII.14, §§ 1 en 2, wordt ingesteld op verzoek van de personen die een vordering inzake namaak kunnen instellen volgens de bepalingen betreffende het betrokken intellectueel eigendomsrecht.
  § 2. In het geval van inbreuk op een auteursrecht of op een naburig recht wordt de vordering op grond van artikel XVII.14, § 3, ingesteld op verzoek van elke betrokkene, van een gemachtigde vennootschap voor het beheer van de rechten of van een beroepsvereniging of interprofessionele vereniging met rechtspersoonlijkheid.
  In het geval van inbreuk op het recht van de producent van een databank, wordt de vordering op grond van artikel XVII.14, § 3, ingesteld op verzoek van de personen die een vordering inzake namaak kunnen instellen volgens de bepalingen betreffende het recht van de producent van databanken.
  Art. XVII.20. § 1. Elke uitspraak ingevolge een op artikel XVII.14, gegronde vordering wordt binnen acht dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege meegedeeld aan de minister, tenzij de uitspraak is gewezen op zijn vordering.
  Bovendien is de griffier verplicht de minister onverwijld in te lichten over de voorziening tegen elke uitspraak die op grond van artikel XVII.14 is gewezen.
  § 2. De voorzitter van de rechtbank kan toestaan dat zijn beslissing of de samenvatting die hij opstelt wordt aangeplakt tijdens de door hem bepaalde termijn, zowel buiten als binnen de inrichtingen van de overtreder en dat zijn vonnis of de samenvatting ervan in kranten of op enige andere wijze wordt bekendgemaakt, dit alles op kosten van de overtreder.
  Deze maatregelen van openbaarmaking mogen evenwel slechts toegestaan worden indien zij er kunnen toe bijdragen dat de gewraakte daad of de uitwerking ervan ophouden.
  De voorzitter van de rechtbank stelt het bedrag vast dat de partij aan wie een publicatiemaatregel overeenkomstig het eerste lid werd toegekend en die de maatregel heeft uitgevoerd niettegenstaande tijdig beroep tegen het vonnis werd ingesteld, zal verschuldigd zijn aan de partij in wiens nadeel de publicatiemaatregel werd uitgesproken, indien deze in beroep ongedaan wordt gemaakt.
  Afdeling 2. - Vordering tot staking inzake de controle van de vennootschappen voor het beheer van de auteursrechten en de naburige rechten
  Art. XVII.21. § 1. Als op het einde van de termijn bepaald in artikel XV.31/1 de vastgestelde inbreuk niet is verholpen kan de minister, onverminderd de andere maatregelen bepaald in de wet, aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, of, indien de verweerder een handelaar is, naar de keuze van de minister aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel of aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, vragen om :
  1° het bestaan vast te stellen en de staking te bevelen van de inbreuk op de bepalingen van deze titel, van de uitvoeringsbesluiten alsook van de statuten van de beheersvennootschap en haar regels van tarifering, inning of verdeling;
  2° indien de niet-overeenstemming van de beheersvennootschap met de wettelijke verplichtingen de belangen van de rechthebbenden ernstig dreigt te benadelen, de bestuurs- en beheersorganen van de vennootschap te vervangen door één of verschillende tijdelijke bestuurders of beheerders, die alleen of in collegiaal verband, al naargelang het geval, beschikken over de bevoegdheden van de personen die zij vervangen. De voorzitter van de rechtbank bepaalt de duur van de opdracht van de tijdelijke bestuurders of beheerders.
  § 2. De vorderingen bepaald in paragraaf 1 worden ingesteld en behandeld zoals in kort geding.
  Ze mogen worden ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de artikelen 1034ter tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek.
  Er wordt uitspraak gedaan over de vordering, niettegenstaande vervolging voor dezelfde feiten voor een strafrechtelijk rechtscollege.
  De voorzitter van de bevoegde rechtbank kan bevelen dat het vonnis of de samenvatting ervan wordt aangeplakt gedurende de termijn die hij bepaalt, en zowel binnen als buiten de inrichtingen van de verweerder en op diens kosten, evenals de bekendmaking van het vonnis of van de door hem opgestelde samenvatting ervan, op kosten van de verweerder, in dagbladen of op een andere wijze.
  Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht.
  Elke uitspraak wordt, binnen acht dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege, aan de minister meegedeeld, tenzij het vonnis gewezen is op zijn verzoek. Bovendien is de griffier verplicht de minister onverwijld in te lichten over het beroep tegen een uitspraak die krachtens dit artikel gewezen is.".

  HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 8 juli 1977 houdende goedkeuring van diverse internationale akten

  Art. 25. In artikel 1 van de wet van 8 juli 1977 houdende goedkeuring van diverse internationale akten, wordt de bepaling onder 4° opgeheven.

  Art. 26. In dezelfde wet wordt een artikel 1/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1/1. Voor de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
  1° verordening 1257/2012 : De Verordening Nr. 1257/2012 van 17 december 2012 van het Europees Parlement en de Raad tot het uitvoering geven aan een nauwere samenwerking op het gebied van de instelling van eenheidsoctrooibescherming;
  2° het Europees octrooi : een octrooi dat door het Europees Octrooibureau ("EOB") volgens de regels en procedures zoals vastgelegd in het Europees Octrooiverdrag is verleend, onafhankelijk van het feit of het Europees octrooi eenheidswerking geniet krachtens de verordening 1257/2012.
  3° het Europees octrooi met eenheidswerking : het Europees octrooi dat eenheidswerking geniet krachtens de verordening 1257/2012;
  4° het Europees octrooi zonder eenheidswerking : het Europees octrooi dat geen eenheidswerking heeft krachtens de Verordening 1257/2012;
  5° het eengemaakt octrooigerecht : het gerecht gemeenschappelijk aan de overeenkomstsluitende lidstaten dat werd ingesteld door de Overeenkomst betreffende de oprichting van een eengemaakt octrooigerecht, ondertekend op 19 februari 2013.".

  Art. 27. Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 4. Op het Europees octrooi dat verleend werd na een Europese verleningsprocedure, zijn de bepalingen van het Europees Octrooiverdrag die gelden na verlening van toepassing.".

  Art. 28. Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  Art. 5. § 1. Indien de tekst waarin het Europees Octrooibureau een Europees octrooi zonder eenheidswerking verleent of in stand houdt, als gevolg van een aanvraag waarin België werd aangewezen, niet is opgesteld in één van de nationale talen, moet de houder van dit octrooi aan de Dienst een vertaling in één van deze talen sturen binnen de termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag van de publicatie van de vermelding van de verlening van het octrooi zonder eenheidswerking.
  § 1bis. Wanneer de houder van het octrooi de termijn bedoeld in paragraaf 1 niet in acht heeft genomen en dit verzuim bij toepassing van paragraaf 5 het verlies van rechten ten aanzien van het octrooi tot rechtstreeks gevolg heeft, worden de rechten van de houder ten aanzien van het desbetreffende octrooi door de Dienst hersteld indien :
  1° een verzoek daartoe bij de Dienst wordt gedaan overeenkomstig de door de Koning gestelde voorwaarden en binnen de door de Koning bepaalde termijn;
  2° de niet-gestelde handeling moet worden verricht binnen de in 1° vermelde termijn voor de indiening van het verzoek;
  3° in het verzoekschrift de redenen worden vermeld waarom de in paragraaf 1 bedoelde termijn niet in acht is genomen;
  4° de Dienst vaststelt dat het verzuim de termijn in acht te nemen is ontstaan ondanks dat in het onderhavige geval de nodige zorg is betracht.
  Het verzoek tot herstel wordt in het Register ingeschreven.
  Een verklaring of andere bewijzen ter ondersteuning van de onder 3° bedoelde redenen worden bij de Dienst ingediend binnen een door de Koning bepaalde termijn.
  Het verzoek tot herstel zal pas behandeld worden nadat de voorgeschreven taksen met betrekking tot dit verzoek zijn betaald.
  Een verzoek tot herstel kan niet geheel of ten dele worden geweigerd zonder dat de verzoekende partij in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door de Koning bepaalde termijn commentaar te leveren op de voorgenomen weigering.
  Wanneer gevolg wordt gegeven aan het verzoek worden de juridische gevolgen van het verzuim de termijn in acht te nemen, geacht zich niet te hebben voorgedaan.
  De beslissing tot herstel of tot weigering wordt in het Register ingeschreven.
  Wanneer gevolg wordt gegeven aan het verzoek tot herstel moet elke jaartaks die in de loop van de periode beginnend op de datum waarop het verlies van het recht zich voordoet en gaande tot en met de datum waarop de beslissing tot het herstel wordt ingeschreven in het register, zou vervallen zijn, worden gekweten binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf deze laatste datum.
  § 2. Degene die, tussen het moment waarop de rechten, als bepaald in paragraaf 5, vervallen en dat waarop het herstel van deze rechten uitwerking heeft overeenkomstig paragraaf 1bis, in België te goeder trouw gebruik heeft gemaakt van de uitvinding die het voorwerp uitmaakt van het octrooi of daartoe de nodige maatregelen heeft getroffen, mag deze uitvinding blijven gebruiken tot nut van zijn eigen onderneming. Het recht erkend door deze paragraaf mag slechts overgedragen worden met de onderneming waaraan het verbonden is. Voorbehoud wordt gemaakt voor de toepassing van de wet van 10 januari 1955.
  § 3. Het verzoek tot herstel in rechten bedoeld in paragraaf 1bis is niet ontvankelijk voor de termijnen bedoeld in dezelfde paragraaf.
  De Koning bepaalt in voorkomend geval andere termijnen dan deze vermeld in het vorige lid, voor dewelke een verzoek tot herstel niet ontvankelijk is.
  § 4. De procedure tot herstel van de rechten bedoeld in paragraaf 1bis is met terugwerkende kracht toepasselijk op de Europese octrooien verleend voor de inwerkingtreding van dit artikel, die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen :
  1° het Europees octrooi is niet opgesteld in een nationale taal;
  2° het Europees octrooi wordt in stand gehouden ingevolge een verzetprocedure;
  3° het Europees octrooi wordt geacht in België geen gevolgen te hebben omwille van het verstrekken van een vertaling van dit octrooi aan de Dienst na het verstrijken van de termijn van drie maanden bedoeld in paragraaf 1 en voor de inwerkingtreding van dit artikel;
  4° de procedure tot herstel bedoeld in paragraaf 1bis is niet van toepassing op dit octrooi op de datum van inwerkingtreding van dit artikel rekening houdend met de termijnen vastgesteld op grond van paragraaf 1bis, 1° ; en
  5° het verzoek tot herstel wordt neergelegd bij de Dienst binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit artikel.
  § 5. Indien aan de bepalingen van paragraaf 1 geen gevolg wordt gegeven, dan wordt het Europees octrooi zonder eenheidswerking geacht in België vanaf het begin geen gevolgen te hebben.
  § 6. De Dienst houdt een register van alle Europese octrooien zonder eenheidswerking bedoeld in paragraaf 1 die gevolgen hebben op het nationaal grondgebied, stelt de tekst of eventueel de vertaling ter beschikking van het publiek en ontvangt de nationale taksen voor de instandhouding van het octrooi voor de jaren die volgen op het jaar waarin de publicatie heeft plaatsgehad van de verlening van het octrooi.

  Art. 29. In dezelfde wet wordt een artikel 5/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 5/2. De bepalingen van de Overeenkomst betreffende het eengemaakt octrooigerecht zijn van toepassing op de Europese octrooien zonder eenheidswerking die op het Belgische grondgebied als een nationaal octrooi van kracht zijn geworden, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 83(1) tot (3) en (5) van deze overeenkomst.".

  Art. 30. In dezelfde wet wordt een artikel 5/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 5/3. Wanneer de eenheidswerking van een Europees octrooi is geregistreerd krachtens de Verordening 1257/2012, wordt dit Europees octrooi geacht niet als een nationaal octrooi van kracht te zijn geworden op de datum van de publicatie van de vermelding van de verlening in het Europees Octrooiblad.".

  HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen

  Art. 31.
  <Opgeheven bij W 2014-12-19/07, art. 115, 002; Inwerkingtreding : 31-12-2014>

  HOOFDSTUK V. - Opheffings- en wijzigingsbepalingen

  Art. 32.§ 1. Worden opgeheven :
  - de wet van 26 mei 2002 betreffende de intracommunautaire vorderingen tot staking op het gebied van de bescherming van de consumentenbelangen;
  - de wet van 6 april 2010 met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende markpraktijken en consumentenbescherming, gewijzigd bij de wet van 25 augustus 2012;
  - de artikelen 114 tot 118 van de wet van 6 april 2010 betreffende markpraktijken en consumentenbescherming;
  § 2. Worden eveneens opgeheven :
  - de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien, laatst gewijzigd door de wet van 10 januari 2011 ter uitvoering van het Verdrag inzake octrooirecht en de Akte tot herziening van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, alsook tot wijziging van diverse bepalingen inzake uitvindingsoctrooien;
  - de wet van 21 april 2007 houdende diverse bepalingen betreffende de procedure inzake indiening van Europese octrooiaanvragen en de gevolgen van deze aanvragen en van de Europese octrooien in België, laatst gewijzigd door de voornoemde wet van 10 januari 2011;
  - de wet van 29 juli 1994 betreffende het beschermingscertificaat voor geneesmiddelen;
  - de wet van 5 juli 1998 betreffende het aanvullend beschermingscertificaat voor gewasbeschermingsmiddelen;
  - de wet van 8 juli 1977 houdende goedkeuring van volgende internationale akten : 1. Verdrag betreffende de eenmaking van enige beginselen van het octrooirecht, opgemaakt te Straasburg op 27 november 1963; 2. Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, en Uitvoeringsreglement, opgemaakt te Washington op 19 juni 1970; 3.Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag), Uitvoeringsreglement en vier Protocollen, opgemaakt te Munchen op 5 oktober 1973; 4.Verdrag betreffende het Europees octrooi voor de Gemeenschappelijke Markt (Gemeenschapsoctrooiverdrag), en Uitvoeringsreglement, opgemaakt te Luxemburg op 15 december 1975, laatst gewijzigd door de voornoemde wet van 10 januari 2011;
  - artikel 53 van de wet van 10 januari 2011 ter uitvoering van het Verdrag inzake octrooirecht en de Akte tot herziening van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, alsook tot wijziging van diverse bepalingen inzake uitvindingsoctrooien;
  [1 - de wet van 20 mei 1975 tot bescherming van kweekproducten, laatst gewijzigd door de wet van 10 mei 2007 betreffende de aspecten van gerechtelijk recht van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten;]1
  - de wet van 10 januari 2011 ter bescherming van kweekproducten;
  - de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, laatst gewijzigd door de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen;
  - de wet van 25 maart 1999 betreffende de toepassing op de Belgen van zekere bepalingen van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, aangevuld te Parijs op 4 mei 1896, herzien te Berlijn op 13 november 1908, aangevuld te Bern op 20 maart 1914, herzien te Rome op 2 juni 1928, te Brussel op 26 juni 1948, te Stockholm op 14 juli 1967 en te Parijs op 24 juli 1971, gedaan te Parijs op 24 juli 1971 en van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961;
  - de wet van 15 mei 2006 betreffende de toepassing op de Belgen van zekere bepalingen van het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake auteursrecht (WCT), gedaan te Genève op 20 december 1996, en van het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake uitvoeringen en fonogrammen (WPPT), gedaan te Genève op 20 december 1996;
  - de wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's, laatst gewijzigd door de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten;
  - de wet van 31 augustus 1998 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken, laatst gewijzigd door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (I);
  - de wet van 10 januari 1990 betreffende de rechtsbescherming van topografieën van halfgeleiderprodukten, laatst gewijzigd door de wet van 10 mei 2007 betreffende de aspecten van gerechtelijk recht van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten;
  - de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten, laatst gewijzigd door de wet van 10 januari 2011 ter bescherming van kweekproducten (niet inwerking getreden).
  De Koning bepaalt de datum van de opheffing van elke bepaling van de in het eerste lid bedoelde wetten.
  § 3. De wetsbepalingen die niet strijdig zijn met boek I, XI, XV en XVII van dit Wetboek, waarbij verwezen wordt naar bepalingen van de in paragraaf 2, eerste lid, vermelde wetten, worden geacht te verwijzen naar de overeenkomstige bepalingen in boek I, XI, XV en XVII van dit Wetboek.
  § 4. De reglementaire bepalingen genomen in uitvoering van de wetten opgesomd in paragraaf 2, eerste lid, die niet strijdig zijn met boek I, XI, XV en XVII van dit Wetboek, blijven van kracht totdat ze worden opgeheven of vervangen door besluiten ter uitvoering van boek I, XI, XVI en XVII van dit Wetboek, genomen.
  ----------
  (1)<W 2015-10-26/06, art. 72, 003; Inwerkingtreding : 09-11-2015>

  HOOFDSTUK VI. - Bevoegdheidstoewijzing

  Art. 33. De Koning kan de verwijzingen in bestaande wetten en koninklijke besluiten naar de bepalingen bedoeld in artikel 32 vervangen door verwijzingen naar de ermee overeenstemmende bepalingen in het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet.

  Art. 34. De Koning kan de bepalingen van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, coördineren met de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot het tijdstip van de coördinatie.
  Daartoe kan Hij :
  1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
  2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering doen overeenstemmen;
  3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen.

  HOOFDSTUK VII. - Overgangsbepalingen

  Afdeling 1. - Octrooien en aanvullende beschermingscertificaten

  Art. 35. § 1. De octrooiaanvragen en de aanvragen voor een aanvullend beschermingscertificaat, die voor de inwerkingtreding van titels 1 en 2 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, zijn ingediend, worden afgehandeld volgens de bepalingen die ten tijde van de indiening van toepassing waren.
  § 2. De bepalingen van titels 1 en 2 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, zijn van onmiddellijke toepassing op de octrooien en de aanvullende beschermingscertificaten, die vóór hun inwerkingtreding zijn verleend, met behoud evenwel van de rechten die bij de inwerkingtreding van deze titels zijn verworven.
  § 3. De bepalingen van de artikelen XI.48, XI.77, XI.79, XI.50, § 3, XI.53, tweede lid, en XI.80 van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, zijn van toepassing op de octrooien die vóór de inwerkingtreding van titel 1 van voornoemd boek XI zijn aangevraagd of verleend.
  De bepalingen van de artikelen XI.101 en XI.102 van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, zijn van toepassing op de aanvullende beschermingscertificaten die voor de inwerkingtreding van titel 2 van voornoemd boek XI zijn aangevraagd of verleend.
  De Koning bepaalt het bedrag, de termijn en de wijze van inning van de jaartaksen die voor de instandhouding van de in het eerste en tweede lid bedoelde octrooiaanvragen, aanvragen voor een aanvullend beschermingscertificaat, octrooien en aanvullende beschermingscertificaten verschuldigd zijn.

  Art. 36. De artikelen XI.82 tot en met XI.90 van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, zijn van toepassing op alle Europese octrooiaanvragen die worden ingediend na de inwerkingtreding ervan, alsmede op alle Europese octrooien die zijn verleend naar aanleiding van die aanvragen.
  Onverminderd beslissingen van de Raad van bestuur van de Europese octrooiorganisatie genomen in toepassing van artikel 7, § 1, tweede zin, en § 2, van de Akte van herziening van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Verdrag inzake het Europees octrooi) van 5 oktober 1973, laatst gewijzigd op 17 december 1991, gedaan te München op 29 november 2000, zijn de artikelen XI.82 tot en met XI.90 niet van toepassing op Europese octrooien die reeds zijn verleend op de datum van de inwerkingtreding ervan noch op Europese octrooiaanvragen die op dat tijdstip in behandeling zijn.

  Afdeling 2. - Kwekersrecht

  Art. 37. § 1. De aanvragen voor kwekersrechten die voor de inwerkingtreding van titel 3 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, zijn ingediend worden afgehandeld volgens de bepalingen die ten tijde van de indiening van toepassing waren.
  § 2. De bepalingen van titel 3 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, zijn onmiddellijk van toepassing op de kwekersrechten die vóór hun inwerkingtreding zijn verleend, evenwel met behoud van de rechten die bij de inwerkingtreding van deze bepalingen zijn verworven.
  § 3. De bepalingen van de artikelen XI.150 en XI.151 van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, zijn van toepassing op de kwekersrechten die vóór de inwerkingtreding van de titel 3 van boek XI zijn aangevraagd of verleend.

  Art. 38. Niettegenstaande artikel XI.109, § 1, 1°, en onverminderd artikel XI.109, §§ 2 en 3, van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, wordt een ras ook als nieuw beschouwd indien nog geen rascomponenten van het ras dan wel oogstmateriaal zijn verkocht of aan derden overgedragen door, of met toestemming van, de kweker met het oog op exploitatie van het ras op het grondgebied van België eerder dan vier jaar, of, voor rassen van wijnstokken en bomen, eerder dan zes jaar, vóór de inwerkingtreding van titel 3 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet. Deze bepaling geldt indien de datum van aanvraag uiterlijk één jaar na die datum van inwerkingtreding valt en voor zover het ras behoort tot een andere plantensoort dan degene die opgesomd zijn in het koninklijk besluit van 1 oktober 1993 tot aanwijzing van de plantensoorten voor dewelke een kwekerscertificaat kan worden verleend en tot bepaling van de duur van de bescherming voor die soorten.

  Art. 39. Artikel XI.114, § 1, 1°, van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, is niet van toepassing op in wezen afgeleide rassen waarvan de kweker daadwerkelijke en wezenlijke voorbereidingen heeft getroffen vóór de datum van inwerkingtreding van titel 3 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, ten behoeve van hun exploitatie, of die de kweker gebruikt zal hebben vóór deze datum.

  Afdeling 3. - Auteursrecht

  Art. 40. § 1. De bepalingen van titel 5 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, zijn van toepassing op de werken en de prestaties die tot stand zijn gebracht vóór de inwerkingtreding ervan en die op dat tijdstip niet tot het openbaar domein behoren.
  § 2. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de werken en de prestaties die op 1 juli 1995 in ten minste één lidstaat van de Europese Unie door het auteursrecht worden beschermd.
  De rechten worden evenwel niet opnieuw van kracht ten aanzien van personen die werken of prestaties welke vóór 1 juli 1995 tot het openbaar domein behoorden, te goeder trouw hebben geëxploiteerd, zulks voor zover zij dezelfde exploitatiewijzen aanwenden.
  § 3. Artikel XI.166, § 2, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, geldt voor muziekwerken met tekst waarvan ten minste het muziekwerk of de tekst op 1 november 2013 in ten minste een lidstaat van de Europese Unie beschermd is, en voor muziekwerken met tekst die na die datum ontstaan.
  § 4. De artikelen XI.208, tweede lid, XI.209, § 1, en XI.210 van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, zijn van toepassing op vastleggingen van uitvoeringen en fonogrammen waarvoor de uitvoerende kunstenaar en de producent van fonogrammen nog beschermd zijn op 1 november 2013, en op vastleggingen van uitvoeringen en fonogrammen die na die datum ontstaan.
  Het eerste lid doet geen afbreuk aan de rechten verkregen op grond van de wet of van rechtshandelingen, noch aan de exploitatiehandelingen verricht voor 1 november 2013.
  Indien de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de artikelen XI.208, XI.209, XI.210, van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, en van dit artikel plaatsvindt na 31 oktober 2013, kunnen de termijnen van zeventig jaar die voorzien worden in deze artikelen niet ingeroepen worden ten aanzien van personen die fonogrammen waarvan de beschermingsduur voor 1 november 2013 verstrijkt, te goeder trouw exploiteren in de periode tussen 1 november 2013 en de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de voornoemde artikelen XI.208, XI.209, XI.210, en van dit artikel.
  Tenzij contractueel uitdrukkelijk anders is bepaald, wordt een contract houdende overdracht dat is gesloten vóór 1 november 2013 geacht van kracht te blijven na het tijdstip waarop de rechten van de uitvoerende kunstenaar, krachtens artikel 38 of 39 van de wet van 30 juni 1994, in de versie van kracht op 30 oktober 2011, niet langer beschermd zijn.
  De contracten houdende overdracht op grond waarvan een uitvoerende kunstenaar recht heeft op periodieke betalingen en die gesloten zijn vóór 1 november 2013, kunnen na een termijn van vijftig jaar nadat het fonogram op geoorloofde wijze is gepubliceerd of, bij ontstentenis van een dergelijke publicatie, op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld, worden gewijzigd.

  Art. 41. De bepalingen van titel 5 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, doen geen afbreuk aan de rechten verkregen op grond van de wet of van rechtshandelingen, noch aan de exploitatiehandelingen verricht voor de inwerkingtreding ervan.

  Art. 42. § 1. Voor overeenkomsten betreffende de exploitatie van beschermde werken en prestaties, die op de datum van 1 augustus 1994 van kracht zijn, gelden de artikelen XI.218 en XI.219 van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze artikelen, indien deze overeenkomsten na die datum verstrijken.
  § 2. Indien een voor 1 januari 1995 gesloten internationale coproductie-overeenkomst tussen een coproducent uit een lidstaat van de Europese Unie en een of meer coproducenten uit andere Lidstaten of derde landen uitdrukkelijk voorziet in een regeling waarbij de exploitatierechten voor alle vormen van mededeling aan het publiek naar geografisch gebied tussen de coproducenten worden verdeeld, zonder dat de regeling die van toepassing is op de mededeling aan het publiek per satelliet onderscheiden wordt van de voorschriften die van toepassing zijn op de andere vormen van mededeling, en indien de mededeling van de coproductie aan het publiek per satelliet de exclusiviteit, met name de taalexclusiviteit, van een van de coproducenten of van zijn rechtverkrijgenden op een bepaald grondgebied zou aantasten, is voor het verlenen van toestemming door een van de coproducenten of zijn rechtverkrijgenden voor een mededeling aan het publiek per satelliet de voorafgaande toestemming vereist van degene die recht op die exclusiviteit kan doen gelden, ongeacht of hij een coproducent dan wel een rechtverkrijgende is.
  § 3. De bepalingen van titel 5 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, doen geen afbreuk aan de contracten inzake vertegenwoordiging die de in titel 5 bedoelde vennootschappen hebben gesloten, noch aan de contracten die zij, onder de gelding van vroegere wetten, met derden hebben gesloten.
  Deze bepaling geldt enkel in zoverre die vennootschappen de in artikel XI.252 van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, bedoelde vergunning hebben aangevraagd binnen zes maanden te rekenen van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in dat artikel.

  Art. 43. Onverminderd de plicht de in titel 5 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, bedoelde verplichtingen na te leven, blijven de vergunningen die de minister heeft verleend voor de inwerkingtreding van artikel XI.252 van voornoemd Wetboek, van kracht, tenzij overeenkomstig dit artikel wordt beslist ze in te trekken.

  Art. 44. De minister zendt aan het parlement tegen 31 december 2015 een evaluatieverslag over de artikelen XI.182, XI.183 en XI.206 van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, met betrekking tot in het bijzonder de positie van de auteurs en uitvoerende kunstenaars en hun beheersvennootschappen, ten aanzien van enerzijds de producenten en in voorkomend geval hun beheersvennootschap, en anderzijds de exploitanten van audiovisuele werken, zoals onder meer omroeporganisaties en kabelmaatschappijen. Dit verslag kan onder meer aan het parlement voorstellen voorleggen die er toe strekken een optimaal evenwicht te verzekeren tussen de verschillende categorieën van voormelde actoren.

  Afdeling 4. - Computerprogramma's

  Art. 45. De bepalingen van titel 6 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, zijn tevens van toepassing op de computerprogramma's die vóór hun inwerkingtreding zijn gemaakt.
  Zij doen geen afbreuk aan de rechten die krachtens de wet of ingevolge gestelde rechtshandelingen zijn verkregen, noch aan de exploitatiehandelingen die vóór die inwerkingtreding zijn gesteld.

  Afdeling 5. - Databanken

  Art. 46. De bepalingen van titel 7 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, zijn van toepassing op databanken die voltooid zijn na 31 december 1982.
  Voor databanken voltooid tussen 1 januari 1983 en 31 december 1997 die op 1 januari 1998 voldoen aan de voorwaarden om de overeenkomstig de bepalingen van titel 7 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, vastgestelde bescherming te genieten, bedraagt de duur van de bescherming vijftien jaar te rekenen vanaf 1 januari 1998.

  Art. 47. De bepalingen van titel 7 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, doen geen afbreuk aan de rechten verkregen op grond van de wet of van rechtshandelingen, noch aan de exploitatiehandelingen verricht voor de inwerkingtreding ervan.

  Afdeling 6. - Topografieën van halfgeleiderproducten

  Art. 48. De bepalingen van titel 8 van boek XI van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij deze wet, zijn slechts van toepassing op de topografieën van halfgeleiderproducten die voor de eerste maal na de inwerkingtreding van de wet van 10 januari 1990 betreffende de rechtsbescherming van topografieën van halfgeleiderproducten werden vastgelegd.

  HOOFDSTUK VIII. - Inwerkingtreding

  Art. 49.Met uitzondering van dit artikel, van artikel 32, § 2, tweede lid, en van artikel 44, die in werking treden de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, bepaalt de Koning de datum van inwerkingtreding van het geheel of een deel van elk van de artikelen van deze wet en van elke bepaling ingevoegd door deze wet in het Wetboek van economisch recht.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-01-2015 door KB 2014-04-19/61, art. 1)
  
  (NOTA : treden in werking op 22-09-2014 :
   1° de artikelen I.13, 1° tot 5°, en I.14 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd door artikel 2 van de wet van 19 april 2014 houdende invoeging van boek XI, "Intellectuele eigendom" in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek;
   2° de artikelen XI.1 tot XI.91 en XI.338 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd door artikel 3 van de voornoemde wet van 19 april 2014;
   3° de artikelen 25 tot 30, 32, §§ 3 en 4, 33 tot 36 van de voornoemde wet van 19 april 2014,
  vastgesteld door KB 2014-04-19/61, art. 1bis (ingevoegd bij KB2014-09-04/02, art. 58))
  
  (NOTA : treden in werking op 22-09-2014 :
  de artikelen XI.92 tot XI.103 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 19 april 2014,
  vastgesteld door KB 2014-04-19/61, art. 1ter (ingevoegd bij KB2014-09-04/01, art. 5)
  
  (NOTA : treden in werking op 01-07-2015 :
   1° het artikel I.15 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 19 april 2014 houdende invoeging van boek XI, "Intellectuele eigendom" in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek;
   2° de artikelen XI.104 tot en met XI.162, XI.175 tot en met XI.178 en XI.339 van het Wetboek van economisch recht, respectievelijk ingevoegd bij artikel 3 van voormelde wet van 19 april 2014 en artikel 4 van de wet van 10 april 2014;
   3° het artikel XV.103, § 1, 3), a), en § 2, 3), a), van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 15 van voormelde wet van 19 april 2014;
   4° de artikelen 37, 38 en 39 van voormelde wet van 19 april 2014
  door KB 2014-04-19/61, art. 1quater (ingevoegd bij KB 2014-12-19/29, art. 2))
  
  (NOTA : treden in werking op 01-01-2018 :
  de artikelen [...], [...], XI.212 tot en met XI.214, [...] en XI. 253, § 2, laatste lid, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 3 van het wet van 19 april 2014 door KB 2014-04-19/61, art. 1quinquies (gewijzigd door KB 2014-12-19/29, art. 3, KB 2015-12-18/15, art. 1, vervangen door KB 2016-12-12/09, art. 1 en gewijzigd door KB 2017-03-05/01, art. 20))

  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 19 april 2014.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Economie en Consumenten,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Errata Tekst Begin

BEELD
2014011419
PUBLICATIE :
2014-06-27
bladzijde : 48237

Erratum


BEELD
2015011020
PUBLICATIE :
2015-02-16
bladzijde : 12629

Errata


Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 26-10-2015 GEPUBL. OP 30-10-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 32)
  • BEELD
  • WET VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 29-12-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 31)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Nota Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 53-3391 en 53-3392- 2013/2014 Integraal Verslag : 27 maart 2014. Senaat : (www.senate.be) Stukken : 5-2805 en 5-2806 - 2013/2014. Handelingen van de Senaat : 3 april 2014.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 7 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
    Errata Franstalige versie