J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2014/04/10/2014011296/justel

Titel
10 APRIL 2014. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofonienetten en van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 06-06-2014 nummer :   2014011296 bladzijde : 43587       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2014-04-10/71
Inwerkingtreding : 06-06-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofonienetten
Art. 1-3
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten
Art. 4-6
HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen
Art. 7-8
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofonienetten

  Artikel 1. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofonienetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 oktober 1997, wordt aangevuld met de bepaling onder 32°, luidende :
  " 32° " vierde 3G-operator " : de 3G-operator die overeenkomstig artikel 64 van het koninklijk besluit van 18 januari 2001 tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie heeft gevraagd om 4,8 MHz duplex toegewezen te krijgen in de banden 880-915 MHz en 925-960 MHz. ".

  Art. 2. In artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, vierde lid worden de bepalingen onder 2° en 3° vervangen als volgt :
  " 2° Onverminderd de bepaling onder 3°, tussen 27 november 2015 en 15 maart 2021 :
  a) wordt het aantal radio-elektrische kanalen van de GSM1- en GSM2-operatoren beperkt tot 50;
  b) voert het Instituut hiertoe een herschikking door.
  3° Indien de gebruiksrechten van de vierde 3G-operator in de 880-915 MHz- en 925-960 MHz-banden niet worden gebruikt door deze laatste, doet het Instituut in het Belgisch Staatsblad een oproep tot kandidaten voor gebruiksrechten voor deze 24 kanalen. Een operator die gebruiksrechten wil verkrijgen, dient zijn kandidatuur in in de vorm en volgens de voorwaarden die in paragraaf 1/1 worden vastgesteld. Het Instituut kent de gebruiksrechten vervolgens toe overeenkomstig paragraaf 1/2. Desgevallend voert het Instituut een herschikking van de frequenties door. ";
  2° in het artikel worden de paragrafen 1/1 en 1/2 ingevoegd, luidende :
  " § 1/1. De kandidaatstelling waarvan sprake in paragraaf 1, vierde lid, 3° gebeurt als volgt :
  1° tussen 9 en 17 uur op werkdagen, en uiterlijk op de datum en het uur zoals bepaald door het Instituut en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van het Instituut;
  2° bij het Instituut, tegen ontvangstbewijs;
  3° in twee exemplaren, met aanduiding van een origineel exemplaar, ondertekend door de gemachtigde vertegenwoordigers van de kandidaten.
  De kandidaat betaalt een bedrag van 1 miljoen euro als waarborg. Deze waarborg wordt uiterlijk op de datum van indiening van de kandidaturen onvoorwaardelijk en onherroepelijk, in opeisbare sommen en in euro, ten voordele van de Belgische Staat gestort bij de Nationale Bank van België, op een rekening bekendgemaakt door het Instituut. De waarborg brengt interest op tegen de rentevoet van de depositofaciliteit van de Europese Centrale Bank, met een minimum van nul procent. De interesten worden gekapitaliseerd op de laatste werkdag van het Europees betalingssysteem TARGET van elke maand. De waarborg van de kandidaten die gebruiksrechten verwerven, brengt interest op tot en met de dag voorafgaand aan de dag van het begin van de geldigheid van de gebruiksrechten. De waarborg van de kandidaten die geen gebruiksrechten verwerven, brengt interest op tot en met de dag voorafgaand aan de dag waarop hij wordt teruggestort.
  De kandidatuur bevat de volgende informatie :
  1° het telefoonnummer in de EU waarop de kandidaat op werkdagen, tussen 8 en 19 uur, bereikt kan worden en het adres dat voor deze procedure geldt als het officiële adres van de kandidaat met de bedoeling er documenten af te leveren, kennisgevingen te doen geworden en betekeningen te verrichten;
  2° de namen, titels, hoedanigheden en handtekeningen van minstens één persoon die wettelijk bevoegd is om de kandidaat ten volle te vertegenwoordigen krachtens de wet of de statuten van de kandidaat voor alle handelingen die verband kunnen hebben met de procedure tot toekenning van de gebruiksrechten;
  3° de statuten van de kandidaat of, bij gebreke daarvan, equivalente documenten die de werking van de kandidaat regelen;
  4° het bewijs, of indien een dergelijk bewijs niet uitgereikt wordt in het land waar de zetel van de kandidaat gevestigd is, een verklaring onder ede dat de kandidaat :
  a) niet in staat van faillissement of van vereffening of een gelijkaardige toestand verkeert, en;
  b) geen aangifte van faillissement heeft gedaan en niet betrokken is in een procedure van vereffening of van gerechtelijke reorganisatie of in een soortgelijke procedure volgens een buitenlandse regelgeving;
  5° een gedetailleerd, duidelijk en volledig overzicht van de aandeelhoudersstructuur van de kandidaat;
  6° het bewijs van de betaling van het bedrag zoals bedoeld in het tweede lid;
  7° het bankrekeningnummer van de kandidaat waarop het bedrag zoals bedoeld in het zevende lid of in paragraaf 1/2, zevende lid, kan worden teruggestort;
  8° de technische norm of technologie die de kandidaat van plan is te gebruiken;
  9° het bewijs van kennisgeving overeenkomstig artikel 9 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
  10° Het aantal kanalen waarvoor de kandidaat gebruiksrechten wenst te verwerven;
  11° een dossier dat de wijze aantoont hoe deze kandidaat zal voldoen aan de voorwaarden van Hoofdstuk I, met uitzondering van artikel 14, zoals bepaald in paragraaf 1/2, vierde lid.
  Het Instituut legt het formaat vast dat de kandidaturen dienen na te leven.
  Het Instituut neemt een beslissing over de ontvankelijkheid van elke ingediende kandidatuur op basis van de eerste vier leden. Indien niet uit het dossier vermeld in het derde lid, 11°, blijkt dat de kandidaat in staat zal zijn om te beantwoorden aan de voorwaarden van Hoofdstuk I, met uitzondering van artikel 14, zoals bepaald in paragraaf 1/2, vierde lid, verklaart het Instituut de kandidatuur onontvankelijk.
  Het Instituut brengt iedere kandidaat op de hoogte van de beslissing omtrent de ontvankelijkheid van zijn kandidatuur. Aan de ontvankelijk bevonden kandidaten verstrekt het Instituut gelijktijdig een lijst van alle ontvankelijk bevonden kandidaten.
  De waarborg, met inbegrip van de interesten, van de onontvankelijk bevonden kandidaten wordt teruggestort op de rekening die werd meegedeeld overeenkomstig het derde lid, 7°.
  § 1/2. De kanalen worden verdeeld in gelijke delen naargelang van het aantal kandidaten die ontvankelijk zijn bevonden. Indien een kandidaat te kennen heeft gegeven voor een kleiner aantal kanalen gebruiksrechten te willen verkrijgen, wordt het verschil in gelijke delen aangeboden aan de andere kandidaten. Indien meer dan twee kandidaten ontvankelijk zijn bevonden, kan een operator niet meer dan 12 kanalen verwerven.
  Indien meer dan drie kandidaturen ontvankelijk worden bevonden, organiseert het Instituut in afwijking van het eerste lid, een veiling voor drie percelen van 8 kanalen overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
  De gebruiksrechten voor deze kanalen zijn geldig vanaf 27 november 2015 of vanaf de datum van kennisgeving door het Instituut van de toekenning van deze kanalen indien deze datum later valt dan 27 november 2015. De gebruiksrechten voor deze kanalen worden toegekend tot 15 maart 2021.
  Op de toegewezen gebruiksrechten zijn de voorwaarden van Hoofdstuk I van dit besluit van toepassing, met uitzondering van artikel 14.
  Indien kanalen worden toegewezen aan de GSM1-operator, de GSM2-operator of de DCS-1800-operator, worden deze kanalen toegevoegd aan de 50 reeds toegewezen kanalen in de banden van 880-915 MHz en 925-960 MHz en aan de 100 reeds toegewezen kanalen in de banden van 1710-1785 en 1805-1880 MHz.
  Het Instituut geeft elke kandidaat naast zijn gebruiksrechten ook kennis van het op rekening van het Instituut te betalen saldo. De betalingsmodaliteiten zijn in overeenstemming met artikel 30 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.
  De waarborg, met inbegrip van de interesten, van de kandidaten waaraan geen gebruiksrechten worden toegekend, wordt teruggestort op de rekening die werd meegedeeld overeenkomstig § 1/1, derde lid, 7°.
  De enige heffing voor deze kanalen wordt bepaald en betaald conform artikel 30 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie. ";
  3° in paragraaf 5 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) het vierde lid wordt vervangen als volgt :
  " Deze vergunning dekt het gebruik van ten hoogste 124 radio-elektrische kanalen die door het Instituut aan de operator worden medegedeeld. Desgevallend voert het Instituut een herschikking van de frequenties door. ";
  b) het vijfde en het zesde lid worden opgeheven;
  c) het zevende lid wordt vervangen als volgt :
  " Tussen 27 november 2015 en 15 maart 2021 is de hoeveelheid spectrum die wordt toegewezen aan de operatoren in de 1710-1785 MHz- en de 1805-1880 MHz-banden, in afwijking van het vierde lid, gelijk aan het dubbele van de hoeveelheid spectrum toegewezen in de 880-915 MHz- en 925-960 MHz-banden, afgerond tot het hogere veelvoud van 5 MHz. Desgevallend voert het Instituut een herschikking van de frequenties door. ".

  Art. 3. In hetzelfde besluit wordt een bijlage ingevoegd die wordt bijgevoegd als bijlage bij dit besluit.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten

  Art. 4. In artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " Het Instituut kan aan de DCS-1800-operator tot 124 radio-elektrische kanalen toewijzen in de banden 1710-1785 en 1805-1880 MHz. ";
  2° het tweede en derde lid worden opgeheven.

  Art. 5. Artikel 8, § 2bis van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 december 2010, wordt vervangen als volgt :
  " § 2bis. Tussen 27 november 2015 en 15 maart 2021 is de hoeveelheid spectrum die wordt toegewezen aan de DCS-1800-operator in de 1710-1785 MHz- en de 1805-1880 MHz-banden, in afwijking van het bepaalde in paragraaf 2, gelijk aan het dubbele van de hoeveelheid spectrum toegewezen in de 880-915 MHz- en 925-960 MHz-banden, afgerond tot het hogere veelvoud van 5 MHz. ".

  Art. 6. Artikel 8, § 8 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 december 2010, wordt vervangen als volgt :
  " Onverminderd artikel 7, § 1, vierde lid, 3°, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en de exploitatie van GSM-mobilofonienetten, tussen 27 november 2015 en 15 maart 2021 :
  1° wordt het aantal kanalen van de DCS-1800-operator in de frequentiebanden 880-915 MHz en 925-960 MHz beperkt tot 50, in afwijking van de paragrafen 6 en 7;
  2° het Instituut voert desgevallend een herschikking van de frequenties door. ".

  HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen

  Art. 7. Dit besluit treedt in werking op de dag van zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 8. De minister bevoegd voor Telecommunicatie is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGE.

  Art. N.Organisatie van de veiling waarvan sprake in artikel 7, § 1/2, tweede lid
  Artikel 1. Het Instituut bepaalt de wijze van communicatie tussen het Instituut en de kandidaten tijdens de toewijzing bij opbod.
  Art. 2. Alle kandidaten onthouden zich van elke gedraging of bekendmaking die het goede en ordelijke verloop van de toewijzing bij opbod verstoort.
  Art. 3. Alle kandidaten onthouden zich, op straffe van uitsluiting van de kandidatuur, van de uitwisseling van vertrouwelijke informatie en van afspraken met andere kandidaten en van elke andere handeling die de uitkomst van de procedure kan beïnvloeden of die afbreuk kan doen aan de mededinging tijdens de toewijzing bij opbod.
  Art. 4. Voor de aanvang van de toewijzing bij opbod brengt het Instituut de kandidaten de volgende informatie ter kennis :
  1° welke kandidaten deelnemen aan de toewijzing bij opbod;
  2° elke relevante informatie die de kandidaat dient te gebruiken om een bod uit te brengen en om te bewijzen dat elke mededeling die hij in het kader van de toewijzing bij opbod doet van hem afkomstig is;
  3° het tijdstip van begin en einde van de eerste ronde;
  4° het bedrag van het bod voor elk perceel voor de eerste ronde;
  5° in voorkomend geval, de overige inlichtingen en documenten die de kandidaat nodig heeft om te kunnen deelnemen aan de toewijzing bij opbod.
  Art. 5. § 1. Het Instituut beslist wanneer de opeenvolgende rondes worden georganiseerd en brengt de kandidaten daarvan op de hoogte.
  Tijdens elke ronde kan elke kandidaat, met uitzondering van de kandidaten die het hoogste regelmatige bod hebben uitgebracht voor een perceel, het Instituut in kennis stellen van :
  1° zijn bod, overeenkomstig artikel 6, of;
  2° zijn terugtrekking uit de bieding, overeenkomstig artikel 8.
  § 2. Indien een kandidaat die voor geen enkel perceel over het hoogste regelmatige bod beschikt, geen van de twee in de eerste paragraaf vermelde mededelingen doet tijdens de door het Instituut vastgelegde duur van de ronde, dan zal worden aangenomen dat hij zich heeft teruggetrokken uit de toewijzing bij opbod.
  Art. 6. § 1. De kandidaat brengt zijn bod uit op de door het Instituut aangegeven wijze en binnen de vastgelegde duur van elke ronde.
  § 2. Het bod identificeert één enkel, welbepaald perceel.
  § 3. Het Instituut stelt het bedrag van het bod voor elk perceel vast voor de opeenvolgende ronden.
  Het bedrag van het bod dat door het Instituut wordt vastgelegd voor een bepaald perceel is gelijk aan het bedrag van het hoogste regelmatige bod voor dit perceel, vermeerderd met een percentage dat door het Instituut wordt bepaald, maar dat ligt tussen 3 % en 10 %;
  § 4. Het bedrag van het bod in de eerste ronde wordt vastgelegd in overeenstemming met artikel 30 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.
  Art. 7. Elke kandidaat is onvoorwaardelijk en onherroepelijk aan zijn bod gebonden tot een andere kandidaat een hoger regelmatig bod uitbrengt voor het perceel.
  Art. 8. Elke kandidaat mag zich uit de toewijzing bij opbod terugtrekken. Deze terugtrekking is definitief en onherroepelijk.
  Art. 9. Indien in een ronde twee of meer kandidaten hetzelfde bod uitbrengen op een gegeven perceel, dan bepaalt het Instituut via loting het hoogste regelmatige bod voor dat perceel.
  Art. 10. Na elke ronde brengt het Instituut de overblijvende kandidaten de volgende informatie ter kennis :
  1° het hoogste regelmatige bod alsook de kandidaat die het heeft uitgebracht voor elk perceel;
  2° welke kandidaten zich hebben teruggetrokken;
  3° welke kandidaten worden uitgesloten van de toewijzing bij opbod;
  4° het tijdstip van begin en einde van de volgende ronde;
  5° het bedrag van het bod voor elk perceel voor de volgende ronde.
  Art. 11. De laatste ronde is de ronde waarbij op het einde geen enkele kandidaat het Instituut in kennis stelt van een bod.
  Art. 12. Na de laatste ronde stelt het Instituut het hoogste regelmatige bod vast per perceel. Dit bedrag is de enige heffing voor een gegeven perceel.
  De kandidaten worden hiervan na het einde van de laatste ronde in kennis gesteld.
  Art. 13. Het Instituut staat in voor het ordelijk verloop en de praktische organisatie van de procedure tot toekenning van de gebruiksrechten. Hiertoe kan het Instituut alle nodige maatregelen treffen.
  Art. 14. § 1. Het Instituut stelt de inbreuken vast die leiden tot nietigheid van het bod of uitsluiting van de procedure tot toekenning van de gebruiksrechten. Het Instituut beslist in elk geval tot uitsluiting van de kandidaat indien de kandidaat een inbreuk maakt op artikel 3.
  § 2. Bovendien dient het Instituut in dit geval eveneens klacht in bij de bevoegde mededingingsautoriteiten en legt het klacht met burgerlijke partijstelling neer bij de bevoegde onderzoeksrechter.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 10 april 2014.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Economie,
J. VANDE LANOTTE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, artikel 18 gewijzigd bij de wet van 10 juli 2012;
   Gelet op het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten;
   Gelet op de openbare raadpleging van 8 tot 22 januari 2014 georganiseerd door het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie op verzoek van de Minister van Economie met betrekking tot het ontwerp van dit besluit;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 7 februari 2014;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting gegeven op 12 februari 2014;
   Gelet op het advies van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, gegeven op 12 februari 2014;
   Gelet op de impactanalyse van de regelgeving uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
   Gelet op de raadpleging van 14 februari 2014 tot 21 februari 2014 van het Interministerieel Comité voor Telecommunicatie en Radio-omroep en Televisie;
   Gelet op het akkoord van het Overlegcomité van 24 februari 2014;
   Gelet op advies 55.683/4 van de Raad van State, gegeven op 2 april 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister van Economie en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Algemeen
   In 2001 had de regering beslist om in de 2,1 GHz-band vier 3G-vergunningen te veilen. Slechts drie kandidaten hadden zich kandidaat gesteld voor de veiling die in 2001 georganiseerd werd. Deze drie operatoren waren dezelfde als diegene die reeds over een 2G-vergunning beschikten, namelijk Belgacom, Mobistar en Base Company (in 2001 " KPN Orange " genaamd).
   In 2010 waren deze drie operatoren nog steeds de enige operatoren die in België een 3G-vergunning hadden. De regering besliste toen om de komst van een nieuwe 3G-operator op de markt aan te moedigen.
   Een van de maatregelen die de regering nam om de vierde vergunning aantrekkelijker te maken was de mogelijkheid om spectrum te verwerven in de 900 MHz- en de 1800 MHz-band. De vierde 3G-operator kreeg de mogelijkheid om spectrum te verwerven in de banden van 900 MHz en 1800 MHz en dat te gebruiken vanaf 27 november 2015 (art. 64 van het koninklijk besluit van 18 januari 2001 tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie). Tot 27 november 2015 is dat spectrum toegewezen aan de drie andere bestaande operatoren.
   In 2011 verwierf Telenet Tecteo BidCo NV (hierna " BidCo ") in een veiling georganiseerd door het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (hierna " BIPT ") de vierde 3G-vergunning. Deze vergunning bevatte de toewijzing van gebruiksrechten op de 2,1 GHz- band en de optionele gebruiksrechten op 900 MHz en 1800 MHz. BidCo bevestigde naderhand zijn bod voor het 900 MHz en 1800 MHz spectrum conform alle wettelijke voorschriften.
   De formalisatie van de resultaten van de veiling gebeurde, voor de 2,1 GHz-band met een besluit van de raad van het BIPT van 14 juli 2011. Dit besluit werd op 4 december 2012 vernietigd door het hof van beroep te Brussel. Op 10 december 2012 werd door het BIPT een herstelbesluit genomen met terugwerkende kracht. De formalisatie van het besluit voor de 900 MHz/1800 MHz werd uitgesteld tot 2015. Immers, de daadwerkelijke aanvangsperiode van deze gebruiksrechten zou pas starten op 27 november 2015.
   Sinds het verwerven van de vierde 3G-vergunning heeft BidCo meermaals aangegeven dat het niet van plan is om een volledig eigen netwerk uit te bouwen.
   Op 12 december 2013 ontving het BIPT een brief van BidCo die aangaf dat het in ieder geval geen beroep zou doen op de frequenties op 900 MHz en 1800 MHz.
   De frequenties zijn zeer waardevol. Deze frequenties dienen derhalve zo vlug mogelijk aan de markt aangeboden te worden.
   De koninklijke besluiten voorzien echter niet in een herverdeling van het spectrum vanaf 27 november 2015 in de 900 MHz- en 1800 MHz-band ingeval er geen vierde 3G-operator is. Het BIPT heeft op deze leemte gewezen in zijn advies van 23 maart 2010 betreffende het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en de exploitatie van GSM-mobilofonienetten, het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten en het koninklijk besluit van 18 januari 2001 tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie.
   Artikel 30 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie bepaalt dat de hoeveelheid spectrum die wordt toegewezen aan een operator in de 1800 MHz-band gelijk is aan het dubbele van de hoeveelheid spectrum die wordt toegewezen in de 900 MHz-band, afgerond op het hogere veelvoud van 5 MHz.
   De 1800 MHz-band bestaat uit 374 kanalen (74,8 MHz duplex), met aan beide kanten een scheidingsband van 0,1 MHz, dus in totaal 75 MHz duplex. Een maximum van 75 MHz duplex kan dus worden toegewezen aan alle operatoren samen.
   Een van de doelstellingen van dit koninklijk besluit bestaat erin te voorzien in de herverdeling van het spectrum vanaf 27 november 2015 in de 900 MHz- en 1800 MHz-band, wanneer er geen vierde 3G-operator is of wanneer de vierde 3G-operator geen 900 MHz-spectrum heeft. De herverdeling wanneer er een vierde 3G-operator is die 900 MHz-spectrum heeft, blijft ongewijzigd.
   Zodoende wordt bepaald dat het BIPT de mogelijkheid heeft om de kanalen die voorzien waren voor de vierde 3G-operator toe te kennen aan andere operatoren, na het ontvangen van een mededeling van deze vierde 3G-operator dat hij afziet van de ingebruikname van de betreffende frequenties op 900 MHz en op 1800 MHz.
   Behalve het spectrum dat bestemd was voor BidCo (24 kanalen in de 900 MHz-band en 10 MHz duplex in de 1800 MHz-band), bleef er in de 1800 MHz-band 5 MHz ongebruikt. Deze 5 MHz duplex kan dus eveneens worden toegewezen.
   Het doel is om dat spectrum zo snel mogelijk toe te wijzen en in de mate van het mogelijke voor 27 november 2015.
   Krachtens artikel 30 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie :
   - wordt aan elke operator die in de 900 MHz-band tussen 1 en 12 kanalen toegewezen krijgt, ook 5 MHz duplex toegewezen in de 1800 MHz-band;
   - wordt aan elke operator die in de 900 MHz-band tussen 13 en 24 kanalen toegewezen krijgt, ook 10 MHz duplex toegewezen in de 1800 MHz-band.
   Aangezien men beschikt over 24 kanalen in de 900 MHz-band en over 15 MHz duplex in de 1800 MHz-band :
   - is het niet mogelijk om spectrum toe te wijzen aan meer dan 3 operatoren;
   - is het niet mogelijk om meer dan 12 kanalen toe te wijzen aan een operator in de 900 MHz-band indien men spectrum toewijst aan 3 operatoren.
   Het besluit bepaalt een open, transparante en niet-discriminerende toewijzingsprocedure in overeenstemming met artikel 5, lid 2 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en diensten (Machtigingsrichtlijn).
   Wanneer het aantal kandidaten niet hoger is dan 3, krijgen alle kandidaten de kans om een gelijk aantal frequenties te verwerven.
   Indien er bij wijze van voorbeeld drie kandidaten zijn voor het verwerven van een deel van deze 900 MHz-frequenties, zal iedere kandidaat recht hebben op 8 kanalen. Indien een van deze drie kandidaten, bij wijze van voorbeeld maar 4 kanalen wenst op te nemen, dan zal het verschil (4 kanalen) in gelijke delen aangeboden worden aan de andere 2 kandidaten. Uiteindelijk kan het resultaat dus zijn dat 2 kandidaten elk 10 kanalen toegewezen krijgen en 1 kandidaat 4 kanalen. Het BIPT zal deze procedure organiseren en toezien op het correcte verloop van de procedure.
   Het BIPT zal bij de daaropvolgende frequentieherschikking zoveel mogelijk streven naar de toewijzing in een aaneensluitend blok frequenties voor elke operator, maar of dit daadwerkelijk kan gebeuren is uiteraard niet zeker.
   Ligt het aantal kandidaten hoger dan 3, dan organiseert het BIPT een veiling van het SMRA-type voor drie percelen van 8 kanalen. Het aantal operatoren aan wie gebruiksrechten worden toegekend wordt op die manier beperkt tot drie, om rekening te houden met de beschikbaarheid van frequenties in de 1800 MHz-band.
   Er moet echter worden opgemerkt dat de kans op meer dan drie kandidaten erg klein is. Waarschijnlijk zullen immers de beperkte duur van de gebruiksrechten en de kleine hoeveelheid beschikbaar spectrum a priori geen andere operatoren interesseren buiten de drie bestaande mobiele operatoren.
   Het koninklijk besluit bepaalt ook dat het BIPT reeds de gehele 1800 MHz-band kan toewijzen voor 27 november 2015, namelijk 124 kanalen voor elke bestaande operator (Belgacom, Mobistar en Base Company). Op die manier wordt een efficiënt gebruik van het spectrum mogelijk gemaakt. De betreffende operatoren zullen zo immers reeds een beroep kunnen doen op de gepaste capaciteit op 1800 MHz om hun netwerken te ontplooien.
   Naast de jaarlijkse rechten voor de terbeschikkingstelling van de frequenties dienen de kandidaten die ten gevolge van deze procedure bijkomend spectrum verwerven, hiervoor ook de enige heffing te betalen in overeenstemming met artikel 30 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie. De betaling van de enige heffing valt buiten het bestek van dit besluit. Voor de gevallen waarin artikel 30 van de wet van 13 juni 2005 niet specifiek in een enige heffing voorziet, is er geen enige heffing verschuldigd.
   Krachtens Beschikking 2009/766/EG betreffende de harmonisatie van de 900 MHz- en de 1800 MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die pan-Europese elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap moeten de frequentiebanden van 900 MHz en 1800 MHz beschikbaar worden gesteld voor terrestrische systemen die elektronische-communicatiediensten kunnen verschaffen. De 900 MHz-band en de 1800 MHz-band moeten dus worden gebruikt voor openbare elektronische-communicatiediensten.
   Op 8 januari 2014 heeft het BIPT een raadpleging gepubliceerd georganiseerd door de Raad van het BIPT op verzoek van de Minister van Economie betreffende een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofonienetten, het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten. De antwoordtermijn liep tot 22 januari 2014. Het BIPT heeft 6 bijdragen tot de openbare raadpleging ontvangen.
   Het advies van de Raad van State werd integraal gevolgd. Naar aanleiding van het advies wordt de volgende bijkomende toelichting gegeven m.b.t. de termijn van de openbare raadpleging en de wijzigingen aangebracht aan het ontwerp naar aanleiding van die raadpleging.
   De termijn van twee weken voor de openbare raadpleging over dit ontwerp is te rechtvaardigen door de volgende uitzonderlijke omstandigheden die hierboven ook al aangehaald werden.
   In 2011 heeft Telenet Tecteo BidCo NV de vierde 3G-vergunning (2,1 GHz-band) verworven. BidCo had ook de mogelijkheid gekregen om vanaf 27 november 2015 frequenties toegewezen te krijgen in de 900 MHz- en de 1800 MHz-band. In 2011 had BidCo aangekondigd van deze mogelijkheid te willen gebruik maken. In december 2013 heeft BidCo echter zijn besluit aangekondigd om niet langer gebruik te maken van de mogelijkheid om deze frequenties te gebruiken. De bestaande koninklijke besluiten voorzien echter niet in een herverdeling van het spectrum vanaf 27 november 2015 in de 900 MHz- en 1800 MHz-band ingeval er geen vierde 3G-operator is.
   - Omdat deze frequenties een grote economische waarde hebben, moeten ze zo snel mogelijk aan de markt worden aangeboden.
   - De toekenningsprocedure zal tijd in beslag nemen, zeker als een tweede procedure via veiling dient georganiseerd te worden.
   - De resultaten van de toekenning van de gebruiksrechten zullen hoogstwaarschijnlijk tot een frequentieherschikking leiden; de operatoren dienen geruime tijd vóór 27 november 2015 op de hoogte te zijn van de nodige frequentieherschikking teneinde tijdig hun netwerken te kunnen aanpassen zodat deze rechten effectief vanaf 27 november 2015 kunnen uitgeoefend worden.
   Het was dus van het grootste belang dat er snel een koninklijk besluit genomen werd om duidelijkheid en rechtszekerheid te verschaffen.
   De huidige houders van de gebruiksrechten, die het voorwerp uitmaken van een aanpassing in het kader van dit besluit, hebben geantwoord binnen de opgelegde termijn. Rekening houdend met de hierboven uiteengezette omstandigheden hebben ze niet gesteld dat de raadplegingstermijn van minder dan vier weken hen niet de kans zou bieden om hun standpunt geldig over te brengen en dat deze geen redelijke verhouding vormde. Ze hebben niet verklaard dat ze niet akkoord gaan met de inhoud van de voorstellen die werden uiteengezet in het kader van de openbare raadpleging.
   Ten gevolge van de openbare raadpleging werden een aantal wijzigingen aangebracht aan het oorspronkelijke ontwerp. Deze wijzigingen betroffen een aantal typografische en taalkundige verbeteringen in de tekst.
   In het Verslag aan de Koning werd tevens een verduidelijking aangebracht dat de band op 1800 MHz 75 MHz bedraagt en niet 74,8 MHz, rekening houdende met de "guard bands" van 0,2 MHz. Er werd ook een verduidelijking aangebracht aangaande de relatie tussen het spectrum op 900 MHz en het spectrum op 1800 MHz en het toewijzingsmechanisme. Ook werd de verklaring toegevoegd dat, voor de gevallen waarin artikel 30 van de wet van 13 juni 2005 niet specifiek in een enige heffing voorziet, er geen enige heffing verschuldigd is.
   In het ontwerp werd toegevoegd dat in het geval het aantal kandidaten hoger is dan drie, het BIPT een veiling zal organiseren van het SMRA-type voor drie percelen van 8 kanalen.
   Het voorstel om de toewijzing van 124 kanalen op 1800 MHz aan Belgacom, Base Company en Mobistar vóór 27 november 2015 te verwerpen werd in het belang van het efficiënt gebruik van het spectrum niet in aanmerking genomen. De waarborg van 1 miljoen euro is, gezien het hier waardevolle frequenties betreft, een correct bedrag en werd behouden. Het voorstel om spectrum te reserveren voor de uitbouw van privé GSM-netwerken werd niet aanvaard : het openen van publiek spectrum voor private toepassingen op vergunningsvrije basis zou immers discriminatieproblemen introduceren i.v.m. de enige heffingen die de publieke mobiele operatoren dienen te betalen en de daaraan verbonden dekkingsvoorwaarden. Een ander voorstel om te werken met minimale pakketjes van 4 kanalen werd ook niet aanvaard, aangezien dit operatoren eventueel zou verplichten om spectrum te kopen dat ze niet nodig hebben.
   Artikelsgewijze bespreking
   Artikel 1
   Dit artikel voegt de definitie toe van vierde 3G-operator in artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten. Deze definitie draagt bij tot een vlottere leesbaarheid van de wijzigingen die aan artikel 7 van dit besluit worden aangebracht.
   Artikel 2
   Dit artikel wijzigt artikel 7 van het koninklijk besluit van 7 maart 1995. Het artikel bepaalt het spectrum dat wordt toegewezen aan de GSM1-operator (Belgacom) en de GSM2-operator (Mobistar) in de banden van 900 MHz (1° ) en 1800 MHz (3° ). Het artikel voorziet ook (2° ) in een open toewijzingsprocedure zodat het spectrum dat voorzien was voor de vierde 3G-operator toegewezen kan worden. De procedure staat open voor iedereen onder een aantal voorwaarden die in een nieuwe paragraaf 1/1 van artikel 7 beschreven worden. De beschikbare kanalen worden gelijk verdeeld onder de kandidaten ( § 1/2).
   De 900 MHz-band bestaat uit 174 kanalen. Tussen twee frequentieblokken die aan twee verschillende operatoren zijn toegewezen moet er een scheidingskanaal zijn. Momenteel zijn er vier scheidingskanalen, aangezien Belgacom en Mobistar elk twee niet aaneengrenzende frequentieblokken hebben. De scheidingskanalen zijn doorgaans kanalen die aan de operatoren zijn toegewezen.
   Artikel 3
   Dit artikel voegt een bijlage in het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en de exploitatie van GSM-mobilofonienetten. Deze bijlage regelt het praktische verloop van de veilingprocedure waarvan sprake in § 1/2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 maart 1995.
   De gekozen procedure is de procedure van een veiling van het type SMRA. Dit type veiling is een formaat dat werd ontwikkeld en eerst werd gebruikt door de Amerikaanse regulator FCC en daarna overgenomen werd door andere landen. In deze procedure doen de inschrijvers in elke ronde meerdere biedingen voor individuele en specifieke percelen. Tijdens opeenvolgende ronden kunnen ze hun verzoek om percelen wijzigen, met inachtneming van bepaalde activiteitenregels.
   Artikel 4
   Dit artikel wijzigt artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997. Het artikel bepaalt het spectrum dat wordt toegewezen aan de DCS-1800-operator (Base Company) in de 1800 MHz-band voor 27 november 2015 en laat een efficiënt en daadwerkelijk gebruik van het volledige beschikbare spectrum toe in de periode die 27 november 2015 voorafgaat.
   Artikel 5
   Dit artikel wijzigt artikel 8, § 2bis, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997. Het artikel bepaalt het spectrum dat wordt toegewezen aan de DCS-1800-operator in de 1800 MHz-band tussen 27 november 2015 en 15 maart 2021.
   Artikel 6
   Artikel 6 wijzigt artikel 8, § 8, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997. Het artikel bepaalt het spectrum dat wordt toegewezen aan de DCS-1800-operator in de 900 MHz-band. Het maakt duidelijk dat de toewijzing van 50 kanalen op 27 november 2015 aan de DCS-1800-operator geen enkel nadelig effect heeft op de eventuele verwerving van bijkomende kanalen.
   Artikel 7
   Dit artikel bepaalt de onmiddellijke inwerkingtreding van het besluit. Zoals aangegeven in het algemene verslag hierboven gaat het om zeer waardevolle frequenties die zo vlug mogelijk aan de markt aangeboden dienen te worden. Het is dus belangrijk dat er zo vlug mogelijk een nieuwe procedure voor de toewijzing van deze frequenties bepaald wordt nu BidCo ze niet zal gebruiken.
   Artikel 8
   Dit artikel behoeft geen commentaar.
   Dit zijn, Sire, de voornaamste bepalingen van het besluit dat aan Uwe Majesteit ter goedkeuring wordt voorgelegd.
   Ik heb de eer te zijn,
   Sire,
   van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige
   en zeer getrouwe dienaar,
   De Minister van Economie,
   J. VANDE LANOTTE
   
   Raad van State
   afdeling Wetgeving
   Advies 55.683/4 van 2 april 2014 over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofonienetten en van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten'
   Op 10 maart 2014 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vice-Eerste Minister en Minister van Economie verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofonienetten en van het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten'.
   Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 2 april 2014. De kamer was samengesteld uit Pierre Liénardy, kamervoorzitter, Jacques Jaumotte en Bernard Blero, staatsraden, en Colette Gigot, griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Anne Vagman, eerste auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre Vandernoot, kamervoorzitter.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 2 april 2014.
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voormelde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   GEDEELTELIJKE NIET-ONTVANKELIJKHEID VAN DE ADVIESAANVRAAG
   Sommige bepalingen van het ontwerpbesluit wijzigen de situatie van of betreffen alleen unieke of welbepaalde operatoren.
   Dat geldt voor het ontworpen artikel 7, § 1, vierde lid, 2°, (artikel 2, 1°, van het ontwerp), het ontworpen artikel 7, § 1/2, vijfde lid, (artikel 2, 2°, van het ontwerp), het ontworpen artikel 7, § 5, vierde en zevende lid (dat het vijfde lid wordt), (artikel 2, 3°, a), van het ontwerp), artikel 2, 3°, b) en c) van het ontwerp en de artikelen 4, 5 en 6 van het ontwerp.
   Zoals de Raad van State reeds heeft opgemerkt, brengen dergelijke bepalingen geen algemene en abstracte rechtsregels tot stand, daar ze betrekking hebben op unieke en welbepaalde operatoren.(1)
   Ze zijn derhalve niet van reglementaire aard in de zin van artikel 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. De afdeling Wetgeving is dan ook niet bevoegd om ze te onderzoeken.(2)
   De adviesaanvraag is bijgevolg niet ontvankelijk voor die bepalingen.
   VOORAFGAANDE VORMVEREISTEN
   1. Artikel 14 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 `betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten' ("machtigingsrichtlijn"), zoals vervangen bij richtlijn 2009/140/EG, die in werking is getreden op 19 december 2009, luidt als volgt :
   "De lidstaten zien erop toe dat de rechten, voorwaarden en procedures die van toepassing zijn bij algemene machtigingen en gebruiksrechten of rechten om faciliteiten te installeren, slechts in objectief gerechtvaardigde gevallen en op proportionele wijze kunnen worden gewijzigd. Het voornemen om dergelijke wijzigingen aan te brengen, zal op passende wijze worden bekendgemaakt en de belanghebbende partijen, met inbegrip van gebruikers en consumenten, zullen over een adequate termijn kunnen beschikken om hun standpunt met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen kenbaar te maken; deze termijn bedraagt behoudens uitzonderlijke gevallen ten minste vier weken.".
   Betreffende de verplichting om een raadpleging te houden, heeft die bepaling gestalte gekregen in artikel 20, § 2, 1°, van de wet van 13 juni 2005 `betreffende de elektronische communicatie', dat is gewijzigd bij de wet van 10 juli 2012, welk artikel verwijst naar artikel 139 van dezelfde wet, dat zelf verwijst naar artikel 14 van de wet van 17 januari 2003 `met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector', dat in paragraaf 2, 1°, zoals gewijzigd bij de wet van 10 juli 2012, het volgende bepaalt :
   "In het kader van zijn bevoegdheden :
   1° kan het Instituut op een niet discriminerende wijze alle onderzoeken en openbare raadplegingen organiseren; het moet dergelijke openbare raadplegingen organiseren zodat het rekening houdt met de standpunten van de eindgebruikers, consumenten (met inbegrip van met name consumenten met een handicap), fabrikanten en ondernemingen die elektronische-communicatienetwerken en/of -diensten aanbieden over aangelegenheden die verband houden met alle eindgebruikers- en consumentenrechten met betrekking tot openbare elektronische-communicatiediensten, met name wanneer zij een belangrijke invloed hebben op de markt; deze raadplegingen waarborgen dat bij de besluitvorming van het Instituut inzake vraagstukken die verband houden met de rechten van eindgebruikers en consumenten wat openbare elektronische-communicatiediensten betreft het op passende wijze rekening houdt met de belangen van de consumenten op het gebied van elektronische communicatie.".
   2. Uit het dossier dat aan de afdeling Wetgeving is bezorgd, blijkt dat, in casu, het Instituut, op een verzoek van de Minister van Economie dat is gedagtekend 8 januari 2014, een raadpleging over het ontwerpbesluit heeft georganiseerd, waarvan de antwoordtermijn tot 22 januari 2014 liep.
   De raadpleging vond dus gedurende minder dan vier weken plaats.
   De steller van het ontwerp moet in staat zijn om aan te tonen dat het "uitzonderlijke geval" van dien aard was dat voor de verplichte raadpleging een kortere termijn werd aangehouden dan de termijn van vier weken die bij artikel 14 van de "machtigings"richtlijn is bepaald.
   3. Uit hetzelfde dossier blijkt tevens dat de tekst die voor advies aan de afdeling Wetgeving werd voorgelegd, op bepaalde punten verschilt van de tekst waarover in januari 2014 een raadpleging werd georganiseerd en naar aanleiding waarvan het Instituut zes bijdragen heeft ontvangen.
   A priori, laat het zich niet aanzien dat de vastgestelde wijzigingen betrekking zouden hebben op doorslaggevende aspecten van de hier onderzochte bepalingen. Toch zouden de rechtszekerheid en de transparantie beter gewaarborgd zijn als in het verslag aan de Koning de aldus aangebrachte wijzigingen beter zouden worden toegelicht en, hoe dan ook, in voorkomend geval, bovendien zou worden toegelicht om welke redenen de steller van het ontwerp geen rekening zou hebben gehouden met de opmerkingen geformuleerd in de bijdragen die naar aanleiding van de raadpleging werden ingediend.
   ONDERZOEK VAN HET ONTWERP
   Aanhef
   1. Er dient te worden verwezen naar de raadpleging over de ontworpen tekst die door het Instituut werd georganiseerd tussen 8 en 22 januari.
   De aanhef moet dienovereenkomstig worden aangevuld.
   2. Overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit van 21 december 2013 `houdende uitvoering van titel 2, hoofdstuk 2 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging', moet de aanhef worden aangevuld met een lid waarin het bestaan wordt vermeld van de impactanalyse die werd uitgevoerd in overeenstemming met de wet van 15 december 2013.
   DISPOSITIEF
   Artikel 2
   1. In het ontworpen artikel 7, § 1/1, eerste lid, 1°, heeft de afdeling Wetgeving bedenkingen bij de redenen waarom de datum en het uur waarop de kandidaturen uiterlijk moeten worden ingediend, zullen worden "bekendgemaakt" in het Belgisch Staatsblad, en niet op de site van het Instituut, zoals bepaald in artikel 33, § 1, van het koninklijk besluit van 18 januari 2001 `tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie', zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 december 2010.
   2. In het ontworpen artikel 7, § 1/1, derde lid, 4°, b), wordt het begrip "gerechtelijk akkoord" gebruikt.
   De aandacht van de steller van het ontwerp wordt gevestigd op het feit dat, bij de wet van 31 januari 2009 `betreffende de continuïteit van de ondernemingen', de wet van 17 juli 1997 `betreffende het gerechtelijk akkoord' werd opgeheven, onder voorbehoud van de toepassing ervan op de procedures van gerechtelijk akkoord die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet van 31 januari 2009 aan de gang waren.
   Bij die wet van 31 januari 2009, die op 1 april 2009 in werking is getreden, werd een nieuwe regeling ingevoerd : de zogenaamde "gerechtelijke reorganisatie" die zich in verschillende vormen kan voordoen.
   De voorliggende bepaling moet worden herzien om met die nieuwe regeling rekening te houden.
   3. In artikel 7, § 1/1, derde lid, 11°, moet worden verwezen naar "paragraaf 1/2, vierde lid".
   4. In het ontworpen artikel 7, § 1/1, vijfde lid, dient een nauwkeurigere term dan het adjectief "realistisch" te worden gehanteerd. Zo zou het beter zijn de tweede zin van dat lid als volgt te redigeren :
   "Indien uit het dossier, vermeld in het derde lid, 11°, niet blijkt dat de kandidaat in staat zal zijn om te voldoen aan de voorwaarden van Hoofdstuk I, met uitzondering van artikel 14, zoals bepaald in paragraaf 1/2, vierde lid, verklaart het Instituut de kandidatuur onontvankelijk.".
   BIJLAGE
   Artikelen 5 en 8
   Aangezien artikel 5, § 1, tweede lid, van de bijlage bij de ontworpen tekst, de kandidaten die het hoogste regelmatige bod op een perceel hebben uitgebracht, reeds verbiedt om, overeenkomstig artikel 6, een bod uit te brengen of om, overeenkomstig artikel 8, zich uit de toewijzing bij opbod terug te trekken, hoeven deze verboden niet te worden herhaald in artikel 5, § 2, noch in artikel 8.
   De desbetreffende bepalingen moeten worden herzien om onnodige herhaling te voorkomen.
   
   De griffier,
   Colette Gigot
   De voorzitter,
   Pierre Vandernoot
   
   
   ----------
   
   (1) Zie hieromtrent advies 47.980/4-47.981/4, gegeven op 7 april 2010 over een ontwerp dat het koninklijk besluit van 22 december 2010 `tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten', het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 `betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS-1800-mobilofonienetten' en het koninklijk besluit van 18 januari 2001 `tot vaststelling van het bestek en van de procedure tot toekenning van vergunningen voor de mobiele telecommunicatiesystemen van de derde generatie' is geworden; zie ook advies 55.512/4, gegeven op 5 maart 2014, binnen een termijn van vijf werkdagen, over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 maart 1995 betreffende het opzetten en exploiteren van GSM-mobilofoonnetten en het koninklijk besluit van 24 oktober 1997 `betreffende het opzetten en de exploitatie van DCS1800-mobilofonienetten'.
   (2) Zie Jaarverslag 2008-2009 van de Raad van State, www.raadvst-consetat.be, tab "De instelling", p. 35 en volgende.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie