J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 184 uitvoeringbesluiten 14 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/decreet/2014/03/27/2014027151/justel

Titel
27 MAART 2014. - Decreet betreffende het Waalse Landbouwwetboek
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 05-06-2014 en tekstbijwerking tot 08-10-2018) Zie wijziging(en)

Bron : WAALSE OVERHEIDSDIENST
Publicatie : 05-06-2014 nummer :   2014027151 bladzijde : 43020       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2014-03-27/65
Inwerkingtreding : 15-06-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
Titel I. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen
Art. D.1-D.2
HOOFDSTUK II. - Begripsomschrijvingen
Art. D.3
HOOFDSTUK III. - Gemeenschappelijke bepalingen
Afdeling 1. - De uitvoering van de Europese regelgeving
Art. D.4
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de erkenningen
Art. D.5-D.10
Afdeling 3. - Bepalingen betreffende de erkenning, de werkgelegenheid en de controle op de subsidies
Art. D.11-D.14
Afdeling 4. - Middelen om documenten van een vaste datum te voorzien en termijnberekening
Art. D.15-D.16
Afdeling 5. - Administratieve beroepen
Art. D.17-D.18
Afdeling 6. - Vordering tot staking
Art. D.19
Titel II. - Inzameling en beheer van gegevens
HOOFDSTUK I. - Geïntegreerd beheers- en controlesysteem ("GBCS") en GBCS-fonds
Afdeling 1. - Geïntegreerd beheers- en controlesysteem ("GBCS")
Art. D.20-D.24
Afdeling 2. - Het GBCS-fonds
Art. D.25-D.27
HOOFDSTUK II. - Eenmalige aanvraag
Art. D.28-D.32
HOOFDSTUK III. - De gegevens
Afdeling 1. - De verwerking van persoonsgegevens door het betaalorgaan
Art. D.33-D.40
Afdeling 2. - De verwerking van persoonsgegevens voor Europese kwaliteitssystemen en voor de gedifferentieerde kwaliteit
Art. D.41-D.42
Afdeling 3. - Verwerkingen van persoonsgegevens voor de landinrichting en het grondbeleid
Art. D.43-D.50
Afdeling 4. - De verwerking van persoonsgegevens van het waarnemingscentrum voor landeigendommen
Art. D.51-D.56, D.56/1, D.57-D.58
Afdeling 5. - De verwerking van persoonsgegevens van het "Agence wallonne pour la Promotion d'une Agriculture de qualité" (Waals Agentschap voor de promotie van een kwaliteitslandbouw)
Art. D.59-D.60
Afdeling 5bis. [1 - De verwerkingen van persoonsgegevens van de gemeentelijke commissie voor de vaststelling van schade]1
Art. D
Afdeling 6. - Documenten en aanvragen, ingediend via elektronische weg
Art. D.61-D.63
Titel III. - Bepalingen met betrekking tot de inspraak van de landbouwwereld, de opvolging en de coördinatie van het landbouwbeleid
HOOFDSTUK I. [1 - Beleidsgroep "Landelijke Aangelegenheden, afdeling "Landbouw, Agrovoeding en Voeding"]1
Art. D.64-D.67
HOOFDSTUK II. - Inspraak van de landbouwers
Afdeling 1. - Waalse landbouwverenigingen
Art. D.68-D.69
Afdeling 2. - Producentencollege
Art. D.70-D.75
Afdeling 3. - Operationele ondersteuning van het producentencollege
Art. D.76-D.79
HOOFDSTUK III.
Art. D.80-D.81
HOOFDSTUK IV. - Strategisch Comité voor Landbouwbeleid
Art. D.82-D.87
HOOFDSTUK V. - Jaarverslag over de staat van de Waalse landbouw
Art. D.88-D.90
Titel IV. - De landbouwer
HOOFDSTUK I. - Co-houderschap
Art. D.91-D.94
HOOFDSTUK II. - Beroepsopleiding
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. D.95-D.97
Afdeling 2. - Opleiding
Art. D.98-D.104
Afdeling 3. - Scholingscentra
Art. D.105-D.106
Afdeling 4. - Toelagen aan de scholingscentra
Art. D.107-D.108
Afdeling 5. - Liefhebbersverenigingen
Art. D.109-D.110
Afdeling 6. [1 Diverse bepalingen]1
Art. D.111-D.114
HOOFDSTUK III. - Begeleidingsdiensten voor de landbouwer
Afdeling 1. - Vervangdiensten voor de landbouwer
Art. D.115-D.118
Afdeling 2. - Adviesdiensten voor landbouwers in moeilijkheden
Art. D.119-D.122
Afdeling 3. - Begeleidingsdiensten voor arbeidsveiligheid
Art. D.123-D.126
Afdeling 3/1. [1 Diensten voor de begeleiding van sociale opvang in een landelijke omgeving]1
Art. D.126/1, D.126/2, D.126/3
Afdeling 4. - Adviessysteem voor landbouwers
Art. D.127-D.133
Titel V. - Plantaardige producten
HOOFDSTUK I. - Plantaardige producties
Art. D.134
HOOFDSTUK II. - Coëxistentie van genetisch gemodificeerde teelten met conventionele en biologische teelten
Afdeling 1. - Doel en begripsomschrijvingen
Art. D.135-D.136
Afdeling 2. - Toepassingsgebied
Art. D.137
Afdeling 3. - Teelt, kennisgevingen en verplichtingen van producenten en ondernemingen
Onderafdeling 1. - Principe
Art. D.138
Onderafdeling 2. - Kennisgevingen aan derden
Art. D.139
Onderafdeling 3. - De aanvraag tot inschrijving
Art. D.140-D.141
Onderafdeling 4. - Behandeling van de aanvraag
Art. D.142
Onderafdeling 5. - Bijdrage
Art. D.143-D.147
Onderafdeling 6. - Exploitatievoorwaarden
Art. D.148-D.150
Afdeling 4. - Compensatie van het economische verlies
Onderafdeling 1. - Bepaling van het economische verlies
Art. D.151-D.159
Onderafdeling 2. - Compensatie van het economische verlies
Art. D.160
Afdeling 5. - Bijzondere maatregelen
Art. D.161-D.162
Afdeling 6. - Opvolgingscomité
Art. D.163
Titel IV. - Dierlijke producten
HOOFDSTUK I. - Dierlijke producties
Art. D.164
HOOFDSTUK II. - Teelt
Art. D.165-D.169
HOOFDSTUK III. - Indeling van geslachte volwassen runderen en varkens
Art. D.170
Titel VII. - Bepalingen gemeen aan plantaardige en dierlijke producten
HOOFDSTUK I. - Europese kwaliteitsregelingen
Art. D.171-D.177, D.177/1
HOOFDSTUK II. - Gewestelijk systeem voor gedifferentieerde kwaliteit
Art. D.178-D.184, D.184/1
Hoofdstuk III. - Voedselprogramma's voor de jeugd
Art. D.185-D.188
HOOFDSTUK IV. - Fonds voor de kwaliteit van de dierlijke en plantaardige producten
Art. D.189-D.194
Titel VIII. - Economische organisatie van de landbouw
HOOFDSTUK I. - Organisaties van producenten en verenigingen van organisaties van producenten en de interprofessionele organisaties
Art. D.195-D.197
HOOFDSTUK II. - Diversificatie van de landbouwactiviteiten
Afdeling 1. - Adviesdiensten voor de diversificatie en de eerste verwerking
Art. D.198-D.201
Afdeling 2. - Leerboerderijen
Art. D.202
Onderafdeling 1. - Vergunning en toekenningsvoorwaarden
Art. D.203-D.206
Onderafdeling 2. - Vergunningsprocedure
Art. D.207-D.209
Onderafdeling 3. - Verbintenissen van de leerboerderijen
Art. D.210
Onderafdeling 4. - Beoordeling en controle van de leerboerderijen
Art. D.211-D.214
Onderafdeling 5. - Beroepen
Art. D.215-D.218
Afdeling 2/1. [1 Sociale opvang in een landelijke omgeving]1
Onderafdeling 1. [1 Toepassingsgebied en erkenningsvoorwaarden]1
Art. D.218/1, D.218/2, D.218/3
Onderafdeling 2. [1 Voorwaarde inzake de verbintenis, de evaluatie en de controle]1
Art. D.218/4, D.218/5, D.218/6
Onderafdeling 3. [1 Beroepen]1
Art. D.218/7, D.218/8, D.218/9
Afdeling 3. - Steun aan de rechtspersonen voor de valorisatie van landbouwproducten
Art. D.219-D.222
Titel IX. - Bevordering van landbouwproducten
HOOFDSTUK I. - Algemeen
Art. D.223
HOOFDSTUK II. - "Agence wallonne pour la Promotion d'une Agriculture de qualité" (Waals agentschap voor de promotie van een kwaliteitslandbouw)
Afdeling 1. - Oprichting en opdrachten
Art. D.224-D.230
Afdeling 1/1. [1 Samenstelling, bevoegdheid en werking van de Raad van bestuur]1
Art. D.230/1, D.230/2, D.230/3, D.230/4, D.230/5, D.230/6, D.230/7
Afdeling 2. - Dagelijks beheer
Art. D.231
Afdeling 2/1. [1 Controle]1
Art. D.231/1, D.231/2
Afdeling 3. - Personeel van het Agentschap
Art. D.232-D.233
Afdeling 4. - Financieel beheer
Art. D.234-D.240
Titel X. - Steun inzake landbouw en aquacultuur
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - Steun
Art. D.241-D.243
Afdeling 2. [1 Reguleringsinstrumenten]1
Art. D.244, D.244/1
Afdeling 3. - Investeringssteun
Art. D.245-D.248
Afdeling 4. - Maatregelen voor de verbetering van de landelijke ruimte en het milieu
Art. D.249
Afdeling 5. - Randvoorwaarden
Art. D.250
Afdeling 6. - Vergroening
Art. D.251
HOOFDSTUK II. - Bevoegde overheid en betaalorgaan
Art. D.252-D.256
HOOFDSTUK III. - Administratieve beroepen
Art. D.257
HOOFDSTUK IV. - Invorderingsmodaliteiten
Art. D.258-D.260
Titel X/1. [1 - Steun bij het verhelpen van schade bij landbouwrampen]1
Art. D.260/1, D.260/2, D.260/3, D.260/4, D.260/5, D.260/6, D.260/7
Titel XI. - Beheer van de landbouwruimte en van de landelijke ruimte
HOOFDSTUK I. - Landbouwwegen
Art. D.261
HOOFDSTUK II. - Bescherming tegen erosie en bestrijding van overstromingen
Afdeling 1. - Subsidies aan de plaatselijke besturen
Art. D.262
Afdeling 2. - Strijd tegen de bodemerosie
Art. D.263-D.265
HOOFDSTUK III. - Landinrichting van landeigendommen
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. D.266-D.267
Afdeling 2. - Landinrichting
Art. D.268
Onderafdeling 1. - Comité voor landinrichting
Art. D.269-D.271, D.271/1
Onderafdeling 2. - Voorafgaande formaliteiten
Art. D.272-D.276, D.276/1, D.277-D.278
Onderafdeling. - Adviescommissie
Art. D.279
Onderafdeling 4. - Landinrichtingsverrichtingen
Art. D.280-D.286, D.286/1, D.287-D.295, D.295/1, D.296-D.300
Onderafdeling 5. - Uitvoeringskosten en eventuele aanvullende akte
Art. D.301-D.306
Onderafdeling 6.-. Beroepsmiddelen
Art. D.307-D.308
Onderafdeling 7. - Eindformaliteiten
Art. D.309-D.315
Onderafdeling 8. - Voorlopige inrichting
Art. D.316-D.333
Afdeling 3. - Inrichting in der minne
Art. D.334-D.349, D.349/1, D.350-D.352
HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende het landbouwkundig grondbeleid
Art. D.353
Afdeling 1. - Grondbeheer
Art. D.354-D.356
Afdeling 2. - Grondwaarnemingscentrum
Art. D.357
Afdeling 3. - Recht van voorkoop
Art. D.358
Afdeling 4. - Onteigeningsrecht
Art. D.359
Afdeling 5. - Begrotingsfonds inzake het landbouwkundig grondbeleid
Art. D.360-D.361
Titel XII. - Innovatie, onderzoek en vulgarisatie
HOOFDSTUK I. - Landbouwkundig onderzoek
Afdeling 1. - Doelstellingen en organisatie van het landbouwkundig onderzoek
Art. D.362-D.365
Afdeling 2. - Het "Centre wallon de recherches agronomiques" (Waals centrum voor landbouwkundig onderzoek)
Onderafdeling 1. - Het "Centre wallon de recherches agronomiques"
Art. D.366-D.369
Onderafdeling 2. - Dagelijks beheer
Art. D.370
Onderafdeling 3. - Financieel beheer
Art. D.371-D.378
Afdeling 3. - Overleg- en opvolgingscomité inzake landbouwkundig onderzoek
Art. D.379-D.380
HOOFDSTUK II. - Subsidies voor innovatie en wetenschappelijk en technisch onderzoek met landbouwkundige finaliteit
Art. D.381
HOOFDSTUK III. - Bevordering van de innovaties en vulgarisatie
Afdeling 1. - Bevordering van de innovaties binnen de landbouwbedrijven
Art. D.382-D.383
Afdeling 2. - Vulgarisatie
Onderafdeling 1. - Pilootcentra voor de ontwikkeling en de vulgarisatie in de landbouw
Art. D.384-D.386
Onderafdeling 1/1. [1 Gewestelijke Referentie- en experimenteercentra]1
Art. D.386/1, D.386/2
Onderafdeling 2. - Landbouwcomicen
Art. D.387-D.389
Titel XIII. - Controle en opsporing van overtredingen
HOOFDSTUK I. - Controle
Afdeling 1. - Ambtenaren
Art. D.390
Afdeling 2. - Onderzoeksmiddelen
Art. D.391-D.392
Afdeling 3. - Controle en opsporing van overtredingen van de bepalingen van titel 4, hoofdstuk 2
Art. D.393-D.394
HOOFDSTUK II. - Overtredingen op landbouwgebied
Afdeling 1. - Dwangmaatregelen
Art. D.395
Afdeling 2. - Strafbepalingen
Art. D.396-D.398
Afdeling 3. - Eventueel verval van de strafvordering mits schikking
Art. D.399
Afdeling 4. - Administratieve geldboeten
Art. D.400-D.403
Afdeling 5. - Overtredingen betreffende de vorming
Art. D.404
Titel XIV. - Slotbepalingen
HOOFDSTUK I. - Diverse bepalingen
Art. D.405-D.409
HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen
Art. D.410-D.417
HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepalingen.
Art. D.418
HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepalingen
Art. D.419-D.425
HOOFDSTUK V. - Slotbepaling
Art. D.426
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
Titel I. - Algemene bepalingen

  HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen

  Artikel D.1. § 1. Landbouw is één van de hoekstenen van onze maatschappij en maakt deel uit van het gemeenschappelijk erfgoed van het Waals Gewest. Landbouw is essentieel voor de werking van diens economie, samenleving en leefmilieu en draagt bij tot de duurzame ontwikkeling.
  De Waalse landbouw is verscheiden en multifunctioneel. Deze verscheidenheid is een bron van rijkdom die gevrijwaard dient te worden.
  § 2. De hoofdfunctie van de Waalse landbouw is, ingaand op de noodzakelijkste behoeften van de burgers, in voeding te voorzien.
  Deze functie wordt samen beschouwd met de andere functies die de landbouw moet vervullen :
  1° het vrijwaren en het beheren van de natuurlijke rijkdommen, de biodiversiteit en de bodems;
  2° de sociaal-economische ontwikkeling van het grondgebied;
  3° het vrijwaren en het beheren van het grondgebied en de landschappen.
  Daardoor draagt de Waalse landbouw bij tot het levendig houden van de plattelandsgebieden en tot het evenwicht van de ruimtelijke ontwikkeling.
  De productie van planten, grondstoffen en materialen voor niet-voedingsdoeleinden is een aanvullende functie van de Waalse landbouw.
  Om de diversiteit en de multifunctionaliteit van zijn landbouw en zijn duurzame ontwikkeling te vrijwaren, geeft het Waalse Gewest aanzetten tot de instandhouding van een familiale landbouw op menselijke schaal, rendabel, bron van werkgelegenheid, en tot de evolutie naar een ecologisch intensieve landbouw.
  § 3. Daarvoor voert het Waalse Gewest ten voordele van allen, burgers en landbouwers, een landbouwbeleid met volgende doeleinden :
  1° de verwezenlijking bevorderen van het recht op een goede voeding waarbij een bevoorrading met kwaliteitsvolle voedingsproducten in voldoende aantal gewaarborgd wordt om via een duurzame landbouwproductie de voedingsnoden van de huidige en de komende bevolking te lenigen;
  2° de landbouwers toegang kunnen bieden tot een decent inkomen uit de vergoeding voor hun werk en het voortbestaan van de landbouwactiviteit garanderen door een verbeterde rendabiliteit van de landbouwbedrijven middels een methode die productiekostenbeheersing en lonende prijzen verzoent;
  3° het leefmilieu en de biodiversiteit vrijwaren en verbeteren en de klimaatveranderingen en diens gevolgen bestrijden rekening houdend met de economische en maatschappelijke realiteit van de landbouwsector;
  4° de banden aanhalen tussen maatschappij en landbouw door enerzijds de voorname rol die de landbouwers op zich nemen te erkennen, de diensten die de landbouw bewijst te erkennen, te valoriseren en te ontwikkelen en door anderzijds de verwachtingen die de landbouwers over de maatschappij vestigen te erkennen;
  5° de vestiging van jonge landbouwers aanmoedigen en ondersteunen, zelfs zonder enig gezinsverband, door de overname of de oprichting van landbouwbedrijven;
  6° tot economische ontwikkeling aanzetten via directe of indirecte werkgelegenheid als zelfstandige of in loondienst, bij voorkeur met werk voor jongeren en de inzet van lokale of regionale arbeidskrachten;
  7° de oppervlaktes aangewend voor landbouwproductie vrijwaren en bijdragen tot een verminderde vastgoeddruk en -speculatie, ook door een gecoördineerd beheer van openbare gronden;
  8° de zelfredzaamheid van de landbouwers en de landbouwbedrijven, individueel dan wel collectief, begunstigen in termen van productie, verwerking en verhandeling, ook door het samenwerkingsmodel voor te staan, de beroepsopleidingen meer gewicht te verlenen en door producenten en consumenten in kortere voedingsdistributiecircuits te betrekken;
  9° de verschillende actoren uit de agrovoeding een grotere samenwerking laten aangaan als partners van verschillende landbouwers van het Waalse Gewest op gewestelijke schaal en hen aanzetten tot het vinden van nieuwe afzetgebieden en -markten, waaronder in de uitvoer;
  10° de promotie van Waalse landbouwproducten bevorderen, deze producten een hogere erkenbaarheid bezorgen en werken aan de voorbeeldfunctie van de overheid bij de aankoop van land- en tuinbouwproducten en duurzame voedingsproducten;
  11° de structurering van de landbouwers aanmoedigen en ondersteunen om hun onderhandelingspositie in de voedingsketen versterken en een sterkere toeëigening van de toegevoegde waarde van landbouwproducten verwezenlijken;
  12° de diversificatie van de landbouw- en niet-landbouwactiviteiten bevorderen en ondersteunen als onderpand voor een beter risicobeheer en een verhoogd opveringsvermogen;
  13° de landbouwers nauwer betrekken bij de vaststelling en de invoering van het landbouwbeleid en de inspraak van de verwerkende sector, de handel, de consumenten en de civiele maatschappij organiseren;
  14° het multidisciplinair en participatief onderzoek, de innovatie, de technische vooruitgang, de netwerking tussen actoren en de opleidingen aanmoedigen met het oog op de totstandkoming van een ecologisch intensieve landbouw;
  15° de verspilling van voedingsmiddelen bestrijden, ongeacht of dit in termen van sensibilisering, productie of verwerking gebeurt.
  § 4. Het landbouwbeleid van het Waalse Gewest is deel van een internationale en Europese dimensie en strekt ertoe, de duurzame ontwikkeling van de landbouw te waarborgen.
  Daartoe verdedigt het Waalse Gewest het concept van voedselsoevereiniteit en draagt het bij tot de uitwerking ervan in de Europese Unie en op internationaal vlak.
  § 5. Alle beslissingen en reglementeringen die inzake landbouw onder het Waals Gewest vallen, nemen de oriëntaties van dit artikel in acht.

  Art. D.2.§ 1. In het kader van de bevoegdheden van het Waalse Gewest en onverminderd de wetgeving inzake economische expansie, is dit Wetboek van toepassing op :
  1° de landbouwactiviteiten en de landbouwproducten;
  2° de aquacultuuractiviteiten en de aquacultuurproducten;
  [2 2°/1 activiteiten in verband met sociale opvang in een landelijke omgeving;]2
  3° de structuren en de personen verbonden met de activiteiten bedoeld in 1° en 2° [2 en 2°/1]2;
  [1 4° steun bij schade veroorzaakt door een landbouwramp.]1
  [3 5° maatregelen voor de regulering van de prijzen op de markten ;]3
  § 2. De activiteiten bedoeld in het eerste lid omvatten :
  1° de productie, de reproductie, de vermeerdering, de oogst, de bewerking, de triage, de opslag, de verwerking, de bereiding, de presentatie, de verpakking, de monsterneming, de analyse, het vervoer en het in de handel brengen van planten of plantaardige producten, met inbegrip van zaaizaad en pootgoed;
  2° de ophaling, de productie, de vervaardiging, de bereiding, de verwerking, de bewerking, de opslag, de verpakking, de monsterneming, de analyse, het vervoer en het in de handel brengen van dierlijke producten;
  3° de teelt;
  4° de productie en het op de markt brengen van voedingsmiddelen, grondstoffen en andere producten;
  5° de dienstverlening, de begeleiding, de onderaanneming, de verkoop en de verwerking van planten, dieren, plantaardige of dierlijke producten voor landbouwers;
  6° de advisering en de beroepsopleiding van de personen die de activiteiten bedoeld in het eerste lid uitoefenen;
  7° de landelijke ontwikkeling, met inbegrip van grondinrichtingen en grondbeleid;
  8° de diversificatie van de landbouw- en niet-landbouwactiviteiten en de landbouw- en niet-landbouwproducten;
  9° de oriëntatie, de bevordering, de ontwikkeling en de begeleiding van de landbouwactiviteiten in de richting van een landbouw met verbrede doelstelling, met inbegrip van een landbouw die niet-landbouwactiviteiten opneemt binnen zijn takenpakket;
  10° het naleven van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en eisen inzake goede landbouw- en milieuconditie in het kader van de randvoorwaarden;
  11° de invoering van landbouwpraktijken en technieken die goed zijn voor het klimaat, het milieu, de biodiversiteit of de kwaliteit van de producten;
  12° de samenwerking tussen de landbouwers en de verwerkers;
  13° het onderzoek en de begeleiding in verband met de activiteiten bedoeld in het eerste lid.
  14° de coëxistentie van genetisch gewijzigde organismen met conventionele en biologische teelten.
  [3 15° de overheidssteun en de steun voor particuliere opslag, de afgifte van invoer- en uitvoercertificaten en het beheer van garanties;]3
  [2 16° sociale opvang in een landelijke omgeving]2
  ----------
  (1)<DWG 2017-03-23/24, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  (2)<DWG 2018-07-17/03, art. 27, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  (3)<DWG 2018-07-17/04, art. 241, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  HOOFDSTUK II. - Begripsomschrijvingen

  Art. D.3.Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder :
  1° "landbouwactiviteit" : elke activiteit die rechtstreeks of onrechtstreeks gericht is op de productie van gewassen of dieren of van plantaardige of dierlijke producten, of die rechtstreeks of onrechtstreeks gericht is op hun verwerking met inbegrip van veeteelt, tuinbouw, aquacultuur en bijenteelt, of de instandhouding van de gronden in goede landbouw- en milieuconditie;
  [1 1/1° sociale opvang in een landelijke omgeving". opvang in een rurale of landbouwomgeving van personen of groepen van personen van alle leeftijden die, om verscheidene redenen in verband met hun lichamelijke of geestelijke gezondheid, hun maatschappelijke, economische, administratieve of gezinstoestand, nood hebben aan een tijdelijk of regelmatig verblijf in een, van hun gewone leefomgeving verschillend, milieu dat in verband staat met het plattelandsleven of het landbouwleven;]1
  2° "dienstactiviteit" : activiteit die verschilt van de onderzoeksactiviteit en die in verband gebracht kan worden met beschikbare expertise of apparatuur wegens activiteiten inzake landbouwkundig basis- of toegepast onderzoek;
  3° "administratie" : het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst;
  4° "landbouwer" : natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen die een landbouwbedrijf uitbaat op het grondgebied van het Waalse Gewest;
  5° "gastvrije landbouwer" : natuurlijke persoon die voldoet aan de begripsomschrijving van landbouwer zoals bepaald in 4°, die landbouwer in hoofdberoep of nevenberoep is en die verantwoordelijk is voor het leiden van pedagogische activiteiten op het landbouwbedrijf;
  6° "gastvrije animator" natuurlijke persoon, ander dan de landbouwer-gastheer zoals omschreven in 5°, die pedagogische activiteiten leidt op het landbouwbedrijf, en die over kennis in landbouwzaken beschikt;
  7° "ecologisch intensieve landbouw" : landbouw die berust op ecologische processen en functionaliteiten om te produceren zonder gevaar voor de mogelijkheid van het systeem om zijn eigen productiecapaciteit in stand te houden en die ernaar streeft de functies van de ecosystemen, de ecologische processen, de informatie en de kennis te gebruiken om de productiemiddelen te beperken en de chemisch kunstmatige productiemiddelen te beperken;
  8° "aquacultuur" : kweek of teelt van aquatische organismen die productietechnieken van deze organismen uitvoeren;
  [2 8/1° "Aankoopcomité" : Dienst binnen het Overkoepelend Directoraat-generaal die bestaat uit personeelsleden van de Waalse Overheidsdienst gemachtigd om de handelingen van de rechtspersonen bedoeld in artikel 6quinquies van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen te authentificeren;]2
  9° "meewerkend echtgenoot" : de natuurlijke persoon aangesloten bij een kas voor sociale verzekeringen voor zelfstandige beroepen als meewerkend echtgenoot in de zin van artikel 7bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, gewijzigd bij artikel 42 van de programmawet van 8 april 2003, als landbouwer die een landbouwactiviteit uitoefent in hetzelfde bedrijf als zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner;
  10° "biologische teelt" : teelt waarvan de productie voldoet aan de eisen van de communautaire reglementering betreffende de biologische productie en de etikettering van de biologische producten of, in voorkomend geval, aan de voorwaarden omschreven in de door de Regering gehomologeerde productdossiers;
  11° "conventionele teelt" : teelt die noch onder de begripsomschrijving van biologische teelt noch onder die van een genetisch gemodificeerde teelt valt;
  12° "genetisch gemodificeerde teelt" : teelt van genetisch gemodificeerde gewassen dat wordt aangeplant op basis van als genetisch gemodificeerd organisme, GGO, of als GGO bevattend aangemerkt pootmateriaal, overeenkomstig de geldende wetgeving;
  13° "eenmalige aanvraag" : formulier, waarin de volgende gegevens voorkomen : de steunaanvragen in het kader van de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening en van sommige maatregelen voor plattelandsontwikkeling, de beheers- en controlegegevens betreffende die regelingen en maatregelen en andere communautaire of nationale regelingen, alsook de elementen vereist voor de identificatie van alle landbouwpercelen van het bedrijf, hun oppervlakte, plaatsbepaling en aanwending;
  14° "houderij" : geheel van de verrichtingen die tot doel hebben het houden van gebruiks- of huisdieren voor de fokkerij voor landbouwdoeleinden of om er een economisch voordeel uit te halen;
  15° "landbouwbedrijf" : het geheel van de productie-eenheden gelegen op het geografische grondgebied van Wallonië, in zelfstandig beheer van één en dezelfde landbouwer voor zover minstens één deel van de eenheden in het Waalse Gewest gelegen is;
  16° "ELFPO" : Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling belast met de steun van de plattelandsontwikkeling door de financiering of de medefinanciering van maatregelen voor plattelandsontwikkeling;
  17° "ELGF" : Europees Garantiefonds voor de Landbouw belast met de ondersteuning van rechtstreekse steunmaatregelen die overeenstemmen met de aan de landbouwer toegekende rechtstreekse betalingen in het kader van de steunregeling inzake landbouwinkomsten, en de steun voor landbouwmarkten;
  18° "EFMZV" : Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij, dat tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet bijdragen;
  19° "leerboerderij" : landbouwbedrijf, zoals omschreven onder 15°, dat de benaming "leerboerderij" mag gebruiken, het merendeel van zijn inkomsten uit landbouwbedrijvigheid haalt en onder zelfstandig beheer van één landbouwer staat en waar regelmatig, als bijkomende activiteit, bezoekers en kinderen ontvangen worden in het kader van pedagogische activiteiten;
  20° "hobbyist" : persoon die regelmatig in de land- of bosbouw actief is maar voor wie dit niet de hoofdactiviteit of de voornaamste inkomstenbron is;
  21° "werkdag" : elke kalenderdag, met uitsluiting van zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen;
  22° "Minister" : de Minister van Landbouw;
  23° "landbouwernummer" : nummer, toegekend in het kader van de verplichting tot een eenduidig identificatiesysteem voor elke landbouwer;
  24° "certificerende instelling" : onafhankelijke derde die productcertificaties moet uitvoeren en daarvoor over een erkenning beschikt;
  25° "betaalorgaan" : orgaan belast met het beheer en de betaling van landbouwsteun uit de Fondsen ELGF en ELFPO voor het Waalse Gewest;
  26° "landbouwproduct" : landbouwproduct dat al dan niet moet dienen als levensmiddel zoals bedoeld in bijlage I bij het Verdrag tot de oprichting van de Europese Unie en elk landbouwproduct zoals bedoeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1151/2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen;
  27° "product van gedifferentieerde kwaliteit" : landbouwproduct of levensmiddel dat zich van een standaardproduct onderscheidt en als marktreferentie dient omdat het zich door de productiewijze of een kwalitatieve meerwaarde bij de eindproducten onderscheidt en verkregen wordt met inachtneming van een erkend productdossier;
  28° "landbouwkundig basisonderzoek" : oorspronkelijke fundamentele of experimentele onderzoeksactiviteit met als doel het vergaren van nieuwe kennis of een beter inzicht in de wetten van de wetenschappen of de technologie bij hun eventuele toepassingen in de landbouwsector;
  29° "toegepast onderzoek" : activiteit bestaande uit vorsings- of experimentele werkzaamheden met als doel het vergaren van een diepere kennis voor een vlottere afwerking van nieuwe methodes of producten;
  30° "landbouwkundig onderzoek" : de gezamenlijke activiteiten in verband met landbouwkundig basisonderzoek en toegepast onderzoek met landbouwdoeleinden;
  31° "productiesector" : de gezamenlijke activiteiten in verband met een bedrijfsonderdeel, een groep bedrijfsonderdelen, een productiemethode of de eerste verwerking van producten uit de landbouwproductie;
  32° "zaaizaad en pootgoed" : planten en plantaardige producten uit geslachtelijke of ongeslachtelijke teelt van gewassen bestemd voor het zaaien of het planten;
  33° "vervangdienst voor de landbouwer" : dienst die met daartoe vergoede arbeidskrachten een tijdelijke en doelmatige bijstand biedt aan landbouwbedrijven die er nood aan kunnen hebben wegens overmacht of omstandigheden waardoor het landbouwbedrijfshoofd, diens aangestelde of een in het bedrijf werkend en voor de goede werking van het bedrijf onontbeerlijk gezinslid onbeschikbaar zijn of worden;
  34° "kwaliteitsmerk" : collectief merk, door een onafhankelijke houder ter beschikking gesteld van een geheel van landbouwers, aangebracht op een product of een geheel van producten om de consument in te lichten over de bijzondere kenmerken van dat product of dat geheel van producten. Die kenmerken vloeien voort uit de uitvoering van een productdossier waarvan de inachtneming gecertificeerd wordt door een onafhankelijk organisme;
  [1 34/1° structuur voor sociale opvang in een landelijke omgeving: iedere landbouwer of deelnemer of rurale structuur met een project inzake sociale opvang in een landelijke omgeving]1
  35° "productie-eenheid" : het geheel van de functioneel samenhangende middelen, met inbegrip van de gebouwen, opslaginfrastructuren, gekweekte dieren en gronden die voor de landbouwer nodig zijn om één of meerdere landbouwactiviteiten uit te oefenen.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/03, art. 28, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 242, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  HOOFDSTUK III. - Gemeenschappelijke bepalingen

  Afdeling 1. - De uitvoering van de Europese regelgeving

  Art. D.4. De Regering treft alle uitvoeringsmaatregelen van de Europese regels betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

  Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de erkenningen

  Art. D.5. De Regering beslist over de erkenningsaanvragen van natuurlijke of rechtspersonen of van groeperingen van natuurlijke of rechtspersonen zoals bedoeld in dit Wetboek.

  Art. D.6. § 1. De Regering stelt de procedure voor de aanvraag tot toekenning van erkenningen vast.
  § 2. De erkenning kan toegekend worden aan elke natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen, zoals bedoeld in dit Wetboek, die aan volgende voorwaarden voldoen :
  1° de actie of het maatschappelijk doel beantwoordt aan de doelstellingen bedoeld in artikel D.1 of aan de verplichtingen uit de Europese wetgeving;
  2° ofwel :
  a) de natuurlijke persoon toont aan dat hij drie jaar nuttige opleiding of beroepservaring kan voorleggen in de gebieden waarvoor een erkenning wordt aangevraagd;
  b) de rechtspersoon toont aan dat hij minstens één natuurlijke persoon tewerkstelt die drie jaar nuttige opleiding of beroepservaring kan voorleggen in de gebieden waarvoor een erkenning wordt aangevraagd;
  3° het project beantwoordt aan de doelstellingen bedoeld in dit Wetboek;
  4° het financieel beheer is gezond.
  § 3. De erkenning heeft minstens betrekking op volgende bestanddelen :
  1° doel van de opdracht :
  2° de regels voor de controle over de uitvoering van de opdracht;
  3° de documenten die verstrekt moeten worden door de natuurlijke of rechtspersoon of de groepering van natuurlijke of rechtspersonen bij de indiening van een activiteitenverslag of een boekhoudkundig verslag;
  4° de middelen ter beschikking gesteld door de natuurlijke of rechtspersoon of de groepering van natuurlijke of rechtspersonen voor de uitoefening van de opdracht;
  5° de respectievelijke verplichtingen van de Regering en van de natuurlijke of rechtspersoon of de groepering van natuurlijke of rechtspersonen.
  § 4. De Regering is ertoe gemachtigd aanvullende criteria vast te stellen voor de erkenningsprocedure.
  § 5. Behoudens vastlegging van een andere duur in of krachtens dit Wetboek, wordt de erkenning toegekend voor een verlengbare duur van drie jaar.

  Art. D.7. De Regering kan, niettegenstaande de inachtneming van de voorwaarden bedoeld in artikel D.6, de erkenning weigeren aan de natuurlijke of rechtspersoon of de groeperingen van natuurlijke of rechtspersonen :
  1° wanneer bij hen, in één van hun organen, bij hun mandatarissen of aangestelden een gebrek aan eerbaarheid of aan belangstelling bewezen wordt;
  2° wanneer ze niet onafhankelijk genoeg zijn ten opzichte van de landbouwers zoals omschreven in artikel D.3, lid 1, 4°.

  Art. D.8. De natuurlijke of rechtspersoon of de erkende groepering van natuurlijke of rechtspersonen neemt volgende verplichtingen in acht :
  1° de erkenningsvoorwaarden vervullen;
  2° de Regering inlichten over elke wijziging in de statuten, over elke staking van activiteiten of wanneer de erkenningsvoorwaarden vastgesteld in afdeling 2 niet meer vervuld worden;
  3° zich onderwerpen aan de controle van de administratie en laatstgenoemde elke drie jaar, in de loop van het eerste kwartaal volgend op het bedrijfsjaar, een verslag overleggen.

  Art. D.9. De Regering kan te allen tijde de erkenning opschorten of intrekken bij niet-inachtneming van de bepalingen van afdeling 2.

  Art. D.10. De procedure zoals bepaald in afdeling 2 is van toepassing op de erkenning van de productdossiers voor zover de bepalingen van deze afdeling niet onverenigbaar zijn. De onverenigbaarheid kan blijken uit de aard of de specifieke modaliteiten zoals bepaald voor de erkenning van productdossiers.

  Afdeling 3. - Bepalingen betreffende de erkenning, de werkgelegenheid en de controle op de subsidies

  Art. D.11. § 1. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de Regering incentives toekennen voor een rechtstreeks of onrechtstreeks doel van de activiteiten bedoeld in artikel D.2, eveneens voor educatieve of sensibiliseringsactiviteiten.
  De incentives kunnen bestaan uit :
  1° de toekenning van financiële voordelen;
  2° de toekenning van voordelen in natura in de vorm van overdrachten van goederen of dienstverleningen waarvan de financiële last geheel of gedeeltelijk door de Regering gedekt wordt.
  § 2. De Regering bepaalt de voorwaarden voor de toekenning, de vermindering of de intrekking van incentives bedoeld in paragraaf 1.

  Art. D.12. § 1. Het financiële voordeel bedoeld in artikel D.11, lid 2, 1°, kan toegekend worden in de vorm van een subsidie door de Regering ofwel :
  1° rechtstreeks aan de begunstigde, die de organisatie van een activiteit bepaald in dit Wetboek bekostigt;
  2° onrechstreeks door toedoen van een rechtspersoon die als tussenkomende subsidiërende instantie optreedt voor de begunstigde.
  § 2. Subsidiegerechtigde kan zijn :
  1° een natuurlijke persoon die in eigen naam optreedt;
  2° een rechtspersoon;
  3° een vereniging of een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.
  Onverminderd hun eigen individuele verantwoordelijkheid kunnen subsidiegerechtigden zich verenigen met het oog op de uitvoering van de activiteit bedoeld in de subsidie.

  Art. D.13. § 1. Onverminderd de steunregelingen geregeld in titel 10 en de uitvoeringsbesluiten ervan bepaalt de Regering de regels betreffende :
  1° de soorten in aanmerking komende uitgaven;
  2° de bijzondere toekenningsvoorwaarden van subsidies, de procedure voor de indiening van de aanvragen en de lijst in te dienen documenten;
  3° de subsidiepercentages en -berekeningsregels, van toepassing tijdens een periode van maximum drie jaar;
  4° de controle op de aanwending van de subsidies, met inbegrip van elk terugvorderbaar renteloos geldvoorschot, evenals de onverenigbaarheden.
  § 2. Het bedrag van een subsidie mag de werkelijke kosten van de activiteit of het gesubsidieerde project niet overschrijden, behoudens andersluidende bepalingen vastgelegd in dit Wetboek.

  Art. D.14. Het gesubsidieerde project of de gesubsidieerde activiteit worden door de Regering goedgekeurd.
  De beslissing tot gehele of gedeeltelijke goedkeuring houdt rekening met de afstemming van het voorgelegde project of de voorgelegde activiteit op de prioriteiten zoals bepaald door de Regering, met de technische waarde evenals met de financiële draagkracht van de aanvrager en van het Gewest.
  Het project of de activiteit kunnen door de aanvrager gewijzigd worden op voorwaarde dat de wijziging behoorlijk verantwoord en vooraf door de Regering goedgekeurd wordt.
  De bepalingen betreffende uitwerking van het project zijn van toepassing op de wijziging ervan.
  Er kunnen voorschotten op het bedrag van de subsidies toegekend worden, tegen de voorwaarden vastgesteld door de Regering.

  Afdeling 4. - Middelen om documenten van een vaste datum te voorzien en termijnberekening

  Art. D.15. In het Wetboek worden documenten geacht van een vaste datum te zijn voorzien wanneer de datum van inontvangstname ervan aangetoond kan worden en zij één van de volgende vormen vertonen :
  1° de gedateerde en ondertekende e-mail;
  2° het ter post aangetekend schrijven;
  3° de zendingen via privé-bedrijven tegen ontvangstbewijs;
  4° de afgifte van de akte tegen ontvangstbewijs.

  Art. D.16. Termijnen die het Wetboek vermeldt, gaan in daags na ontvangst van het stuk te rekenen waarvan bepaald wordt dat de termijn ingaat.
  Het aangetekend verzonden stuk wordt geacht te zijn ontvangen op de vaste datum die door één van de middelen vermeld in artikel D.15 wordt bewezen.
  De vervaldag wordt in de termijn meegerekend.
  De vervaldag wordt evenwel naar de eerstvolgende werkdag verschoven wanneer de laatste dag voorzien om een procedureakte te stellen een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is.

  Afdeling 5. - Administratieve beroepen

  Art. D.17. § 1. Betrokkenen kunnen een beroep indienen tegen de beslissingen die krachtens het Wetboek en zijn uitvoeringsbesluiten genomen zijn.
  Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep voor de Regering of het betaalorgaan ingediend bij elk middel waarmee de zending volgens het bepaalde in artikel D.15 van een vaste datum kan worden voorzien, binnen een termijn bepaald in het Wetboek of door de Regering.
  De termijn vermeld in lid 2 gaat in daags na de indiening van de beslissing of van een bericht van de postdiensten waarin gemeld wordt dat die zending aan de betrokken person verzonden wordt.
  § 2. De verzoeker kan, indien hij er in zijn beroep om verzoekt, worden gehoord door het betaalorgaan of de administratie aangewezen door de Regering binnen de vereiste vormen bepaald door de Regering.
  Het beroep bevat de middelen die ingeroepen worden tegen de omstreden beslissing, evenals een afschrift van die beslissing voor zover ze voorhanden is.
  Behoudens afwijking bepaald in het Wetboek wordt de omstreden beslissing niet opgeschort wegens het beroep.
  § 3. Een afschrift van het beroep en van de omstreden beslissing wordt door de Regering meegedeeld aan de overheid die deze beslissing heeft genomen binnen een termijn bepaald door de Regering.
  De Regering bepaalt een termijn om een beslissing te nemen over het beroep. Deze nieuwe beslissing wordt ook overgemaakt aan de overheid die de omstreden beslissing heeft genomen binnen een termijn die zij bepaalt.

  Art. D.18. Naast de aard ervan, vermeldt elke krachtens dit Wetboek genomen beslissing over het beroep :
  1° de identiteit en de woonplaats van de verzoeker;
  2° in voorkomend geval, de namen, voornamen, woonplaats en hoedanigheid van de personen die hem hebben vertegenwoordigd of bijgestaan;
  3° in voorkomend geval, de datum van de oproeping, van de verschijning en van het horen van de gehoorde personen;
  4° in voorkomend geval, de datum van overlegging van schriftelijke opmerkingen;
  5° de datum en de plaats van de beslissing genomen in beroep.

  Afdeling 6. - Vordering tot staking

  Art. D.19. § 1. De voorzitter van de rechtbank van koophandel stelt het bestaan vast en beveelt de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de labels, logo's, benamingen en merken opgericht krachtens de artikelen D.134 en D.164, in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 van titel 7 en in titel 9 volgens de procedures bepaald krachtens de wet van 6 april 2010 met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming.
  § 2. De vordering tot staking wordt ingediend op verzoek van :
  1° éénieder die er belang bij heeft de inbreuk stop te laten zetten;
  2° de Regering;
  3° de administratie;
  4° het "Agence wallonne pour la promotion d'une agriculture de qualité" (Waals Agentschap voor de Promotie van een Kwaliteitslandbouw in Wallonië);
  5° een (inter)professionele groepering met rechtspersoonlijkheid;
  6° een vereniging met als doel de verdediging van de labels, logo's, benamingen en merken bedoeld in paragraaf 1.
  In afwijking van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de verenigingen en groeperingen bedoeld in lid 1, 5° en 6°, voor de rechtbank optreden om hun statutair omschreven collectieve belangen te verdedigen.

  Titel II. - Inzameling en beheer van gegevens

  HOOFDSTUK I. - Geïntegreerd beheers- en controlesysteem ("GBCS") en GBCS-fonds

  Afdeling 1. - Geïntegreerd beheers- en controlesysteem ("GBCS")

  Art. D.20. De Regering organiseert het beheer en het gebruik van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem, hierna "(het) GBCS" genoemd.

  Art. D.21. Behoudens wat betreft de gegevens bedoeld in artikel D.23, dient GBCS een authentieke gegevensbron te worden in de zin van het samenwerkingsakkoord van 23 mei 2013 tussen het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap over het opstarten van een gemeenschappelijk initiatief om gegevens te delen en over het gemeenschappelijk beheer van dit initiatief, hierna "samenwerkingsakkoord van 23 mei 2013" genoemd.

  Art. D.22. § 1. Elke landbouwer en elke niet-landbouwer zijnde steunaanvrager wordt geïdentificeerd in het GBCS. Elke persoon, geïdentificeerd in het GBCS, krijgt jaarlijks een eenduidige in te vullen aanvraag.
  § 2. Zowel vóór als na de verificaties worden de volgende gegevens betreffende de steunaanvrager opgenomen in het GBCS :
  1° de identificatiegegevens;
  2° de persoonlijke kenmerken;
  3° de informatie betreffende zijn huidige betrekkingen;
  4° de gegevens i.v.m. de percelen die de steunaanvrager uitbaat, met inbegrip van elk beeld waarop de percelen worden afgebeeld;
  5° de informatie betreffende zijn productie;
  6° de informatie betreffende zijn rechten en quota's;
  7° de gegevens betreffende de behandeling van zijn steunaanvragen;
  8° de financiële informatie die noodzakelijk is voor het beheer van de betalingen, met inbegrip van de gegevens die uit de berekening en de betaling van de steun en de vergoedingen voortkomen, en met uitzondering van de inlichtingen m.b.t. hun schulden;
  9° de informatie betreffende de schulden die gekoppeld zijn aan de landbouwactiviteit van de steunaanvrager.
  § 3. De gegevens vermeld in paragraaf 2 worden verkregen ofwel tijdens de identificatie bij de administratie of het betaalorgaan, ofwel tijdens controles, ofwel tijdens verificaties bij authentieke gegevensbronnen, ofwel via eenduidige aanvragen die jaarlijks door de landbouwers en de niet-landbouwers zijnde aanvragers ingevuld en overgemaakt worden.
  § 4. De Regering wordt ertoe gemachtigd om :
  1° de identificatiemodaliteiten van de landbouwer en de niet-landbouwer zijnde aanvrager te bepalen;
  2° de modaliteiten van de aanvraag tot wijziging van de identificatie te bepalen;
  3° bepaalde landbouwers en niet-landbouwers zijnde aanvragers van elke identificatie vrij te stellen;
  4° de inhoud van de gegevens bedoeld in paragraaf 2 nader op te geven.

  Art. D.23. § 1. Het GBCS is ertoe bestemd om een gegevensbank uit authentieke bronnen te worden voor de gegevens verstrekt door de organismen van de andere Gewesten en de federale Staat krachtens het samenwerkingsakkoord van 18 juni 2003 tussen de federale overheid, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het gebied van landbouw en visvangst.
  § 2. De gegevens bedoeld in paragraaf 1 zijn de informaties uit volgende catgeorieën van de gegevensbank SANITRACE van het Federale Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, evenals uit het GBCS van de andere Gewesten :
  1° de identificatiegegevens;
  2° de persoonlijke kenmerken;
  3° de informatie betreffende de productie;
  4° de gegevens betreffende de behandeling van de steunaanvragen.

  Art. D.24. § 1. De einddoelen nagestreefd door het GBCS in de zin van artikel 7, § 1, lid 2, en § 2, lid 2, van het samenwerkingsakkoord van 23 mei 2013 zijn :
  1° de uitvoering van de reglementering betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
  2° de uitvoering van het landbouw-, tuinbouw- en aquacultuurbeleid opgenomen in dit Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan;
  3° de uitvoering van elk ander beleidspunt uit een federale, gewestelijke of Gemeenschapsbevoegdheid waarvoor geheel of gedeeltelijk over de GBCS-gegevens beschikt dient te worden, om te voorkomen dat reeds geïdentificeerde personen telkens bevraagd worden.
  In de zin van lid 1, 1°, wordt de uitvoering van de reglementering betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid verstaan als beheer van de landbouwsteun, de instandhouding van de grond in goede landbouwcondities in de zin van artikel D.250, de inachtneming van landbouwpraktijken die goed zijn voor het klimaat, het leefmilieu en de kwaliteit van de producten en de landelijke ontwikkeling in de zin van artikel D.251, met inbegrip van de vrijwaring van de vrije concurrentie en het vrij verkeer van de landbouwproducten, -diensten en -activiteiten.
  § 2. De Regering kan de gegevens vereist voor de uitvoering van de einddoelen nader bepaald in paragraaf 1 nader omschrijven.
  § 3. De regels die de gegevens toegankelijk maken, in de zin van artikel 7, § 1, lid 2, en § 2, lid 2, van het samenwerkingsakkoord van 23 mei 2013, worden door de Regering bepaald.
  De Regering garandeert de transparantie van de verwerking van gegevens, zowel wat de oorsprong als wat de bestemming ervan betreft.
  § 4. Het betaalorgaan is verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens van het GBCS in de zin van de Europese reglementering betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de einddoelen nader omschreven in paragraaf 1, lid 1, 1°.
  § 5. Het betaalorgaan is verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens van het GBCS in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en de beheerder ervan in de zin van artikel 7, § 1, lid 2, en § 2, lid 2, van het samenwerkingsakkoord van 23 mei 2013 voor de einddoelen nader omschreven in paragraaf 1, lid 1, 2° en 3°.

  Afdeling 2. - Het GBCS-fonds

  Art. D.25. Overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het decreet van 15 december 2011 houdende organisatie van de begroting en de boekhouding van de diensten van de Waalse Regering, wordt er in de ontvangstenbegroting en de algemene uitgavenbegroting van het Gewest een begrotingsfonds opgericht voor de financiering van het geïntegreerd beheers- en controlefonds, in dit hoofdstuk "GBCS"-fonds.
  Het GBCS-fonds heeft als opdracht de registratie van de ontvangsten en de overname van bepaalde uitgaven in verband met de invoering, de ontwikkeling en de exploitatie van het GBCS bedoeld in de Europese verordeningen betreffende het beheer van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
  Het GBCS-fonds houdt verband met de activiteiten van het Waals betaalorgaan voor de steun van ELGF en ELFPO.
  Een jaarverslag, met vermelding van de financieringsbronnen, de bestemming en de uitvoeringsmodaliteiten, wordt doorgezonden naar de Waalse Regering.

  Art. D.26.Aan het "GBCS-Fonds" worden toegekend :
  1° de ontvangsten voortkomend uit het afgehouden gedeelte van de schuldvorderingen die bij de toepassing van de randvoorwaarden en de vergroening behoren krachtens de artikelen D.250 en D.251;
  2° de ontvangsten voortkomend uit het afgehouden gedeelte van de schuldvorderingen geïnd ten gevolge van onregelmatigheden of nalatigheden die niet te wijten zijn aan de administraties;
  3° de vrijwillige of contractuele bijdragen voortvloeiend uit de afgevaardigde tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest met betrekking tot de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het gebied van landbouw en visserij of in het kader van andere samenwerkingen tussen deelstaten en/of met de federale Staat;
  4° de opbrengsten van leveringen van GBCS-gegevens aan derden;
  5° de geldboetes of de administratieve dadingen verschuldigd wegens de niet-inachtneming van artikel D.396, lid 1, 3°;
  [1 6° de inbeslagnemingen, in het geheel of gedeeltelijk, met betrekking tot de maatregelen betreffende de toepassing van het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten.]1
  ----------
  (1)<DWG 2016-12-21/29, art. 62, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  <DWG 2017-12-13/20, art. 62, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  <DWG 2018-07-17/04, art. 243, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.27.De kredieten met betrekking tot het GBCS-fonds worden toegewezen aan allerhande uitgaven betreffende het onderhoud, het behoud en de ontwikkeling van het GBCS, met inbegrip van de prestatie-, personeels-, werkings- en investeringskosten, en worden toegewezen aan de uitgaven die voortvloeien uit de verplichtingen van het Gewest wat betreft de werking van het Waalse betaalorgaan in het kader van zijn handelingen en opdrachten, eventueel uitgevoerd door specifiek personeel of door derden [1 en aan de uitgaven bestemd voor de gehele of gedeeltelijke teruggave van de waarborgen betreffende de toepassing van het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten]1.
  ----------
  (1)<DWG 2016-12-21/29, art. 62, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  <DWG 2017-12-13/20, art. 62, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  <DWG 2018-07-17/04, art. 244, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  HOOFDSTUK II. - Eenmalige aanvraag

  Art. D.28. § 1. De landbouwer vult jaarlijks de eenmalige aanvraag ontvangen krachtens artikel D.22, § 1, in en maakt die over volgens de vereiste vorm en binnen de termijnen bedoeld in dit hoofdstuk.
  De steunaanvragende niet-landbouwer in de zin van de Europese reglementering vult jaarlijks de eenmalige aanvraag ontvangen krachtens artikel D.22, § 1, in en maakt die over volgens de vereiste vorm en binnen de termijnen bedoeld in deze afdeling.
  § 2. De landbouwer of de steunaanvragende niet-landbouwer kan zijn eenmalige aanvraag bij het betaalorgaan laten invullen. In dit geval wordt er gewag gemaakt van deze toestand in de eenmalige aanvraag en voorziet de ambtenaar die de aangifte heeft gekregen van diens handtekening.
  De ambtenaar die de landbouwer of de steunaanvragende niet-landbouwer geholpen heeft met het invullen van de eenmalige aanvraag wordt later niet meer betrokken bij het dossier van betrokkene.
  § 3. De aanvraag kan worden ingevuld door een gemachtigde die in dat geval het bewijs moet leveren van de schriftelijke machtiging die hem in staat stelt te handelen.

  Art. D.29. De Regering is ertoe gemachtigd sommige landbouwers of sommige steunaanvragende niet-landbouwers ervan vrij te stellen de eenmalige aanvraag in te vullen of hen toe te laten een vereenvoudigde eenmalige aanvraag in te vullen in de door haar bepaalde voorwaarden, met inbegrip van de rechtzettingsgegevens bij de terugstuurprocedure van de eenmalige aanvraag.

  Art. D.30. § 1. Het betaalorgaan stelt het model van het formulier vast op grond waarvan de eenmalige aanvraag wordt ingediend.
  § 2. De eenmalige aanvraag bevat op zijn minst de volgende gegevens :
  1° de identiteit van de landbouwer of van de steunaanvragende niet-landbouwer;
  2° de ligging van elk perceel van het bedrijf gelegen op het geografisch grondgebied van het Waalse Gewest;
  3° de identificatie van de bestemming van de percelen;
  4° de bestemming van de rechten, voor betalingen die door Europese Verordeningen worden bepaald in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
  5° de verschillende steunregelingen die een landbouwer kan aangaan en die met deze eenmalige aanvraag verbonden zijn;
  6° de dienst waaraan de landbouwer of de steunaanvragende niet-landbouwer zijn ingevulde eenmalige aanvraag moet terugzenden.
  Het betaalorgaan zamelt niet meer gegevens in dan nodig voor de verwezenlijking van zijn opdrachten.
  De aanvraag bevat een verklaring van de landbouwer of van de steunaanvragende niet-landbouwer dat hij kennis heeft genomen van de toekenningsvoorwaarden die in verband met de betrokken steunregelingen gelden.
  § 3. De eenmalige aanvraag wordt ingevuld overeenkomstig de richtlijnen die erin voorkomen, voor echt verklaard, gedagtekend en ondertekend.
  § 4. De over te leggen stukken, lijsten of inlichtingen maken noodzakelijk deel uit van de eenmalige aanvraag en moeten erbij gevoegd worden.
  Afschriften van stukken moeten voor eensluidend worden verklaard; de andere bijlagen moeten voor echt verklaard, van een datum voorzien en ondertekend worden, behalve indien ze van derden uitgaan.

  Art. D.31. Eenieder die een eenmalige aanvraag invult, verstuurt deze aanvraag naar de dienst die op het document staat vermeld binnen de termijnen vastgelegd door de Regering.
  De Regering bepaalt de verlaging die van toepassing is op de steun van degene die zijn eenmalige aanvraag overmaakt zonder de termijnen of de vereiste vormen in acht te nemen die zij heeft bepaald.
  De landbouwer die geen formulier voor een eenmalige aanvraag heeft gekregen, dient er één aan te vragen bij het betaalorgaan. Behoudens overmacht of buitengewone omstandigheden wordt éénieder die geen exemplaar opgevraagd zou hebben onherroepelijk geacht geen aanvraag te hebben ingediend voor het overwogen jaar.
  Bij overdracht van een bedrijf of fusie van ondernemingen wordt de aangifte van deze wijziging ingediend binnen de vereiste vormen en de termijnen bepaald door de Regering.

  Art. D.32. § 1. De landbouwer of de steunaanvragende niet-landbouwer wordt jaarlijks via een toelichting als bijlage bij de eenmalige aanvraag ingelicht over de inhoud van de reglementaire vereisten.
  Die toelichting heeft enkel informatiewaarde.
  § 2. Het betaalorgaan is belast met het overmaken, de nadere regels en de inhoud van die informatie.
  De toelichting bevat minstens informatie over :
  1° de wijze waarop de eenmalige aanvraag ingevuld dient te worden;
  2° de termijn waarin de eenmalige aanvraag opgestuurd dient te worden naar de dienst, vermeld op het document overeenkomstig artikel D.31;
  3° een verwijzing naar de toelaatbaarheidsvoorwaarden voor de verschillende steunregelingen;
  4° een verwijzing naar de voornaamste bepalingen inzake controles, sancties en verminderingen van steunbedragen;
  5° de aanwendingen van de aldus opgegeven gegevens;
  6° de verantwoordelijke van de GBCS-gegevensbank;
  7° de regels volgens welke de landbouwer het recht op inzage, wijziging of vernietiging van zijn gegevens kan uitoefenen;
  8° de verschillende administraties waaraan de gegevens zullen kunnen worden medegedeeld.

  HOOFDSTUK III. - De gegevens

  Afdeling 1. - De verwerking van persoonsgegevens door het betaalorgaan

  Art. D.33. Het betaalorgaan maakt gebruik van het GBCS voor de verzameling en de behandeling van de persoonsgegevens die nodig zijn voor de voortzetting van de opdrachten die hem worden toegewezen.
  Het betaalorgaan is verantwoordelijk voor deze verwerking van persoonsgegevens.

  Art. D.34. De administratie of een door laatstgenoemde afgevaardigd orgaan maakt alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de opdrachten van het betaalorgaan op gewoon verzoek aan laatstgenoemde over.
  Het betaalorgaan is verantwoordelijk, zodra het de gegevens krijgt, voor de verwerking van de gegevens die het krachtens dit artikel krijgt.

  Art. D.35. § 1. Het betaalorgaan en elke administratieve entiteit, elke natuurlijke of rechtspersoon waaraan hij één of meerdere van zijn opdrachten heeft overgedragen overeenkomstig artikel D.256, wisselen alle gegevens uit die nuttig zijn voor de uitvoering van deze opdrachten en de gegevens die het betaalorgaan heeft bewaard, op gewoon verzoek.
  Indien hij zijn opdrachten overdraagt, treft het gemachtigd orgaan elke maatregel die het doorsturen van deze gegevens naar het betaalorgaan moet waarborgen binnen een termijn die hem toestaat om zijn opdrachten te vervullen.
  § 2. Met inachtneming van artikel 4, § 1, 2°, van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de voorwaarden vastgesteld in de uitvoeringsbesluiten ervan kan een afgevaardigd organisme persoonsgegevens afkomstig van het betaalorgaan enkel overmaken voor een latere verwerking met een geschiedkundig, statistisch of wetenschappelijk doeleinde.

  Art. D.36. Het betaalorgaan kan bij andere personen dan de betrokken persoon, de administratie of een afgevaardigd organisme bedoeld in artikel D.256, persoonsgegevens opvragen die nodig zijn voor de voortzetting van de opdrachten die eerstgenoemde worden toegewezen. In zijn aanvraag toont het aan dat het noodzakelijk is om deze gegevens te bezitten.
  De opgevraagde gegevens worden dan overgemaakt door de persoon bij wie de gegevens krachtens dit artikel worden opgevraagd.

  Art. D.37.§ 1. De persoonsgegevens vermeld in artikel D.22, § 2, die al dan niet het voorwerp hebben uitgemaakt van verificaties kunnen later door de administratie of een door laatstgenoemde afgevaardigd organisme worden behandeld voor de volgende doeleinden :
  1° het beheer van het centraal register voor de de minimis-steun;
  2° de bijwerking van de bedrijfseconomische boekhouding;
  3° de effectenonderzoeken van een vastgoedproject op de ruimtelijke ordening en het milieu;
  4° de berekening van de milieubelasting;
  5° de uitvoering van het programma van duurzaam beheer van stikstof;
  6° de bekendmaking van de begunstigden van de ELGF-, ELFPO- en EVF-steunvormen;
  7° de uitwerking van de reglementeringen betreffende de betalingen van de steun in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visvangstbeleid;
  8° de tenuitvoerlegging van de controles die overeenkomstig dit Wetboek worden uitgevoerd [2 alsook de contacten met de eigenaars en bewoners in het kader van de controles die worden uitgevoerd krachtens de reglementeringen bedoeld in artikel D.138 van Boek I van het Milieuwetboek of krachtens het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling]2;
  9° het beheer van de voornaamste ecologische structuren van de Natura 2000-gebieden, de gebieden die in aanmerking komen voor het Natura 2000-netwerk en de biologisch zeer waardevolle locaties;
  10° de bekendmaking van statistieken en de berekening van de indicatoren ten behoeve van de administratie en de Europese Commissie;
  11° de terbeschikkingstelling van middelen om de begeleidingsopdrachten van de landbouwsector te vergemakkelijken [2 met inbegrip van de vulgarisatie en de ontwikkeling van filières]2;
  12° de karakterisering van de bodems, hun achteruitgang en beschadiging, en het instellen van maatregelen inzake preventie en strijd tegen deze achteruitgang en beschadiging;
  13° de opstelling van een advies betreffende een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, milieuvergunning, of eenmalige vergunning alsook voor de aanvragen tot wijziging van het gewestplan;
  14° het beheer van de onbevaarbare waterlopen;
  15° elke opdracht inzake begeleiding of toepassing van de normen ten aanzien van het milieubehoud [2 met inbegrip van de vulgarisatie en de ontwikkeling van filières]2 en de strijd tegen de klimaatverandering;
  16° de tenuitvoerlegging van de wetgeving betreffende de verwerking en de vernietiging van gestorven dieren;
  17° de tenuitvoerlegging van een systeem zodat de risico's en kosten i.v.m. het dierenverlies verdeeld worden;
  18° de uitvoering van de wetgeving inzake ruilverkaveling van landeigendommen;
  19° de uitvoering van de wetgeving betreffende het gebruik, op of in de bodem, van zuiveringsslib en het beheer van organische stoffen voor de landbouw;
  20° de inventaris van het bosbestand [2 n de inrichtingen van bossen en wouden]2;
  21° de aankoop voor rekening van publiekrechtelijke rechtspersonen;
  22° de verderzetting van de opdrachten van het waarnemingscentrum voor landgoederen en de zorgzame aanwending van het voorkoop- en onteigeningsrecht;
  23° het grondbeheer;
  [1 24° het beheer van landbouwrampen.]1
  [2 25° het landbouwkundig onderzoek.]2
  § 2. De doelstellingen bepaald in § 1 kunnen enkel aanleiding geven tot het gebruik van de categorieën van gegevens van het GBCS die voor elk onder hen specifiek worden opgenomen in bijlage I bij het decreet, en voor zover deze verwerking toegelaten wordt door de wetgeving op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
  De persoonsgegevens, overgemaakt krachtens deze bepaling, mogen niet over een langere periode bewaard worden dan de tijd die nodig is om de nagestreefde doelen te verwezenlijken.
  De gegevens i.v.m. een particuliere landbouwer kunnen ook worden overgemaakt aan elke persoon gesubsidieerd door het Waalse Gewest om hen te helpen om hun doelstellingen inzake raadgevingen, begeleiding of bijstand bij deze landbouwer te bereiken.
  [2 § 4. De in § 1 bedoelde gegevens worden aan de Aankoopcomités meegedeeld indien het doel van hun opdracht aanleiding geeft tot het gebruik van de categorieën gegevens van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem die voor elk onder hen specifiek worden opgenomen in bijlage I.
   " § 5. De in § 1 bedoelde gegevens worden aan het "Centre wallon de Recherches agronomiques" (Waals Centrum voor landbouwkundig onderzoek) meegedeeld indien het daarom heeft verzocht en alleen indien het doel van zijn opdracht aanleiding geeft tot het gebruik van de categorieën gegevens van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem die voor elk onder hen specifiek worden opgenomen in bijlage I bij het Wetboek.
   " § 6. De in § 1 bedoelde gegevens worden meegedeeld aan de personen belast met het uitvoeren van de in artikel D.70 van Boek I van het Milieuwetboek bedoelde milieueffectonderzoeken, indien het daarom heeft verzocht en alleen indien het doel van hun opdracht aanleiding geeft tot het gebruik van de categorieën gegevens van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem die voor elk onder hen specifiek worden opgenomen in bijlage I bij het Wetboek.]2
  ----------
  (1)<DWG 2017-03-23/24, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 245, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.38. § 1. De persoonsgegevens vermeld in artikel D.22, § 2, kunnen later door notarissen behandeld worden voor volgende doeleinden :
  1° de identificatie van de pachtrechthouders bij de verkoop, vereffening, erfopvolging of huwelijksstelsels van landbouwpercelen;
  2° de kennisgeving van het voorkooprecht in het kader van de pachtwet of in het kader van het voorkooprecht bedoeld in artikel D.358;
  3° de identificatie van de percelen landbouwgrond;
  4° de identificatie van perceelgebruikers in het kader van de hen door overheden om redenen van algemeen belang toevertrouwde deskundigenopdrachten.
  § 2. De Regering legt de regels voor de toegang tot die gegevens voor de notarissen vast. Die toegang wordt beperkt tot de gegevens met betrekking tot hun cliënten.

  Art. D.39. Behandelingen van de persoonsgegevens bedoeld in afdeling 1 worden verricht met inachtneming van de wet van 8 december 1992 tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  De Regering wordt ertoe gemachtigd om de besluiten inzake de verwerking van deze persoonsgegevens vermeld in afdeling 1 te treffen.

  Art. D.40. De persoonsgegevens behandeld door het betaalorgaan krachtens afdeling 1 worden zolang bewaard als nodig om de doeleinden nagestreefd door dit Wetboek te verwezenlijken. De Regering kan een maximale duurtijd vastleggen voor de bewaring van die gegevens.
  De Regering kan nadere regels vastleggen met het oog op het machtigen van het bezit en de bewaring van anoniem gemaakte of gecodeerde gegevens over een langere periode voor een geschiedkundig, statistisch of wetenschappelijk doel.

  Afdeling 2. - De verwerking van persoonsgegevens voor Europese kwaliteitssystemen en voor de gedifferentieerde kwaliteit

  Art. D.41. § 1. De administratie verzamelt en behandelt de persoonsgegevens die nodig zijn voor de voortzetting van de opdrachten die haar worden toegewezen voor de Europese kwaliteitssystemen en voor de gedifferentieerde kwaliteit.
  De administratieve overheid wier opdracht het is, de Europese kwaliteitssystemen en het gewestelijk systeem van gedifferentieerde kwaliteit te beheren, is verantwoordelijk voor de verwerking van die persoonsgegevens.
  Per gelabeld product zijn de gegevens :
  1° de lijst van de operatoren;
  2° de individuele volumes per operator;
  3° de vaststellingen van niet-conformiteit, door de operator verricht;
  4° de daaruit voortvloeiende corrigerende acties.
  Die gegevens worden ingewonnen bij de certificerende organismen.
  § 2. De Regering regelt de bekendmaking van de gegevens betreffende de Waalse producten die gecertificeerd worden in het kader van de Europese kwaliteitssystemen of de gedifferentieerde kwaliteit.
  Per gecertificeerd product zijn de gegevens :
  1° de globale volumes;
  2° het aantal operatoren;
  3° de vaststellingen inzake niet-conformiteit;
  4° de daaruit voortvloeiende corrigerende acties.
  § 3. De gegevens bedoeld in paragraaf 2 worden naar de nationale overheden doorgezonden indien dit bepaald wordt in een wetgevende norm, of naar de Europese instellingen indien dit bepaald wordt in een Europese norm.
  § 4. Verwerkingen van persoonsgegevens bedoeld in afdeling 2 worden verricht met inachtneming van de wet van 8 december 1992 tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  De Regering wordt ertoe gemachtigd om de besluiten inzake de verwerking van deze persoonsgegevens vermeld in paragraaf 1 te treffen.

  Art. D.42. De persoonsgegevens behandeld door de administratie krachtens afdeling 2 worden zolang bewaard als nodig om de doeleinden nagestreefd door dit Wetboek te verwezenlijken. De Regering kan een maximale duurtijd voor de bewaring vastleggen met inachtneming van de Europese wetgevingen voor de Europese kwaliteitssystemen die niet langer mag duren dan de verjaringstermijn bepaald in artikel 2262bis, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek voor het gewestelijk systeem van gedifferentieerde kwaliteit.
  De Regering kan de nadere regels vastleggen met het oog op het toelaten van het bezit en de bewaring van anoniem gemaakte of gecodeerde gegevens voor een langere duur voor geschiedkundige, statistische of wetenschappelijke doeleinden.

  Afdeling 3. - Verwerkingen van persoonsgegevens voor de landinrichting en het grondbeleid

  Art. D.43. De administratieve overheid bevoegd voor de landinrichting overeenkomstig artikel D.267 behandelt de persoonsgegevens nodig voor het vervolgen van het landinrichtingsbeleid.
  Die administratieve overheid is verantwoordelijk voor de verwerking van deze persoonsgegevens.

  Art. D.44. De administratie en het betaalorgaan maken aan die administratieve overheid op gewoon verzoek alle gegevens over die nodig zijn voor het vervolgen van het landinrichtingsbeleid.
  De administratieve overheid is verantwoordelijk voor de door haar verrichte verwerking van die persoonsgegevens onmiddellijk na inontvangstname ervan.

  Art. D.45. De administratieve overheid bevoegd voor de landinrichting enerzijds en elke administratieve entiteit, elke natuurlijke of rechtspersoon aan wie ze één of meerdere van haar opdrachten heeft afgevaardigd inzake landinrichtingsbeleid anderzijds wisselen op gewoon verzoek de gegevens uit die nodig zijn voor het verwezenlijken van hun opdrachten.

  Art. D.46. De administratieve overheid bevoegd voor de landinrichting overeenkomstig artikel D.267 mag bij andere personen dan de betrokken persoon, de administratie of het betaalorgaan de persoonsgegevens opvragen die nuttig zijn voor het vervolgen van het landinrichtingsbeleid. In haar aanvraag toont ze aan dat het noodzakelijk is om deze gegevens te bezitten.

  Art. D.47. De administratieve overheid bevoegd voor landinrichting kan de gegevens uit het Rijksregister, uit het centrale register van de huwelijksovereenkomsten, uit de kadastrale uittreksels en inlichtingen van de administratie van het kadaster, de registratie en de domeinen verkrijgen, fiscale gegevens uitgezonderd, evenals de gegevens vermeld in bijlage I, voor het einddoel omschreven in artikel D.37, § 1, lid 1, 18°, voor de vijf kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van de aanvraag.

  Art. D.48. Met inachtneming van artikel 4, § 1, 2°, van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van verwerkingen van persoonsgegevens en van de voorwaarden vastgesteld in de uitvoeringsbesluiten kunnen de gegevens ingezameld door de administratieve overheid bevoegd voor landinrichting later enkel verwerkt worden met een geschiedkundig, statistisch of wetenschappelijk doeleinde.

  Art. D.49. Behandelingen van de persoonsgegevens bedoeld in afdeling 3 worden verricht met inachtneming van de wet van 8 december 1992 tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  De Regering wordt ertoe gemachtigd om de besluiten inzake de verwerking van deze persoonsgegevens vermeld in afdeling 3 te treffen.

  Art. D.50. De persoonsgegevens behandeld door de administratieve overheid bevoegd voor landinrichting krachtens afdeling 3 worden zolang bewaard als nodig om de doeleinden nagestreefd door dit Wetboek te verwezenlijken. De Regering kan een maximale duurtijd voor de bewaring vaststellen die de verjaringstermijn bepaald in artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek niet mag overschrijden.
  De Regering kan de nadere regels vastleggen met het oog op het toelaten van het bezit en de bewaring van anoniem gemaakte of gecodeerde gegevens voor een langere duur voor geschiedkundige, statistische of wetenschappelijke doeleinden.

  Afdeling 4. - De verwerking van persoonsgegevens van het waarnemingscentrum voor landeigendommen

  Art. D.51. Het waarnemingscentrum voor landeigendommen bedoeld in artikel D.357 verzamelt en verwerkt de persoonsgegevens nodig voor het vervolgen van zijn opdrachten.
  Het waarnemingscentrum voor landeigendommen is verantwoordelijk voor deze verwerking van persoonsgegevens.

  Art. D.52. Het betaalorgaan of een organisme waaraan het één of meerdere van zijn opdrachten heeft afgevaardigd krachtens artikel D.256 maakt alle gegevens nodig voor het vervolgen van de opdrachten van het waarnemingscentrum voor landeigendommen op gewoon verzoek aan laatstgenoemde over.
  Het waarnemingscentrum voor landeigendommen is verantwoordelijk voor de door genoemd centrum verrichte verwerking van die persoonsgegevens onmiddellijk na inontvangstname ervan.

  Art. D.53. De administratieve overheid bevoegd voor de landinrichting overeenkomstig artikel D.267 maakt alle gegevens nodig voor het vervolgen van de opdrachten van het waarnemingscentrum voor landeigendommen op gewoon verzoek aan laatstgenoemde over.
  Het waarnemingscentrum voor landeigendommen is verantwoordelijk voor de door genoemd centrum verrichte verwerking van die persoonsgegevens onmiddellijk na inontvangstname ervan, met inbegrip van de gegevens bedoeld in artikel D.47.

  Art. D.54.[1 Wanneer een instrumenterende ambtenaar kennis moet nemen van een door de Regering bepaalde verrichting betreffende geheel of gedeeltelijk landbouwkundige onroerende goederen zoals bedoeld in artikel D.353, 2°, deelt hij volgende gegevens aan het waarnemingscentrum voor landeigendommen bedoeld in artikel D.357 mee]1 :
  1° de kadastergegevens en alle inlichtingen om het perceel te kunnen identificeren;
  2° de identiteit van [1 de partijen]1;
  3° [1 in voorkomend geval,]1 de verkoopprijs;
  4° de goederen vrij van gebruik.
  Het waarnemingscentrum voor landeigendommen is verantwoordelijk voor de door genoemd centrum verrichte verwerking van die persoonsgegevens onmiddellijk na inontvangstname ervan.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 246, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2020>

  Art. D.55. Het betaalorgaan en elke administratieve entiteit, elke natuurlijke of rechtspersoon waaraan het waarnemingscentrum voor landeigendommen één of meerdere van zijn opdrachten heeft overgedragen overeenkomstig artikel D.357, wisselen alle gegevens uit die nuttig zijn voor de uitvoering van deze opdrachten, op gewoon verzoek.
  Het gemachtigde orgaan is verantwoordelijk voor de verwerking van deze persoonsgegevens na ontvangst ervan.
  Indien het waarnemingscentrum voor landeigendommen zijn opdrachten overdraagt, treft het gemachtigd orgaan elke maatregel die het doorsturen van deze gegevens naar het waarnemingscentrum moet waarborgen binnen een termijn die hem toestaat om zijn opdrachten te vervullen.

  Art. D.56. Het waarnemingscentrum voor landeigendommen kan bij andere personen dan de betrokken persoon, of bij organismen en andere personen dan die vermeld in de artikelen D.52 tot D.54, persoonsgegevens opvragen die nodig zijn voor de voortzetting van de opdrachten die het centrum worden toegewezen. In zijn aanvraag toont het aan dat het noodzakelijk is om deze gegevens te bezitten.

  Art. D.56/1. [1 In het kader van hun opdrachten hebben de Aankoopcomités toegang tot hun gegevens van het waarnemingscentrum voor landeigendommen waarvan de lijst door de Regering wordt bepaald.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 247, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2020>
  

  Art. D.57. Behandelingen van de persoonsgegevens bedoeld in afdeling 4 worden verricht met inachtneming van de wet van 8 december 1992 tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  De Regering wordt ertoe gemachtigd om de besluiten inzake de verwerking van deze persoonsgegevens vermeld in afdeling 4 te treffen.

  Art. D.58. De persoonsgegevens behandeld door het waarnemingscentrum voor landeigendommen krachtens afdeling 4 worden zolang bewaard als nodig om de doeleinden nagestreefd door dit Wetboek te verwezenlijken. De Regering kan een maximale duurtijd voor de bewaring vaststellen die de verjaringstermijn bepaald in artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek niet mag overschrijden.
  De Regering kan de nadere regels vastleggen met het oog op het toelaten van het bezit en de bewaring van anoniem gemaakte of gecodeerde gegevens voor een langere duur voor geschiedkundige, statistische of wetenschappelijke doeleinden.

  Afdeling 5. - De verwerking van persoonsgegevens van het "Agence wallonne pour la Promotion d'une Agriculture de qualité" (Waals Agentschap voor de promotie van een kwaliteitslandbouw)

  Art. D.59. § 1. Het "Agence wallonne pour la promotion d'une agriculture de qualité" bedoeld in artikel D.224 verzamelt en verwerkt de persoonsgegevens nodig voor het vervolgen van zijn opdrachten en van de activiteiten bedoeld in de artikelen D.225, D.226 en D.228.
  Het Agentschap kan de inzameling, de registratie en de bijwerking van de gegevens geheel of gedeeltelijk in onderaanneming geven.
  Het Agentschap is verantwoordelijk voor deze verwerking van persoonsgegevens.
  § 2. De administratie, elke administratieve entiteit en elke persoon gesubsidieerd door het Agentschap of de Minister wisselen met het Agentschap alle gegevens uit die nuttig zijn voor de uitvoering van deze opdrachten, op gewoon verzoek van het Agentschap.
  De persoonsgegevens vermeld in artikel D.22, § 2, 1°, 4° en 5°, die al dan niet het voorwerp hebben uitgemaakt van verificaties kunnen later door het Agentschap of een door laatstgenoemde afgevaardigd organisme worden behandeld voor het vervolgen van zijn opdrachten en activiteiten omschreven in de artikelen D.225, D.226 en D.228.
  Het "Agence wallonne pour la promotion d'une agriculture de qualité" mag alle gegevens nodig voor de vaststelling en de inning van de bijdragen en vergoedingen bedoeld in artikel D.234 op gewoon verzoek opvragen bij de overheidsdiensten, de gemeentebesturen, de instellingen van openbaar nut en elke soort vereniging voor veetelers of rasbescherming.
  De persoonsgegevens vermeld in artikel D.22, § 2, 1°, 2° en 5°, die al dan niet het voorwerp hebben uitgemaakt van verificaties kunnen later door het Agentschap of een door laatstgenoemde afgevaardigd organisme worden behandeld voor het vervolgen van zijn opdracht bedoeld in artikel D.234.
  De gegevens die verkregen kunnen worden overeenkomstig lid 3 hebben betrekking op de identificatie van bijdrageplichtigen, hun activiteiten, hun tewerkgesteld personeel, de percelen die ze in bedrijf hebben, hun omzet en hun productie of productiecapaciteit. Enkel de gegevens nodig voor de berekening van de bijdrage vermeld in het verzoek om inlichtingen mogen worden overgemaakt.
  § 3. Voor zover als nodig in de uitvoering van diens taken mag het Agentschap bedoeld in paragraaf 1 persoonsgegevens verspreiden mits toelating door betrokkenen, of ze gebruiken om hen specifieke acties voor te stellen.
  Ze kan instemmen met het gebruik van gegevens door de administratie, rechtspersonen die het subsidieert, of andere publiekrechtelijke rechtspersonen voor zover het gebruik van de gegevens in de tijd beperkt is of verenigbaar is met zijn eigen opdrachten en, bij bekendmaking, voorafgaand toegelaten wordt door betrokkenen. Wanneer dat gebruik een bijwerking van de gegevens als rechtstreeks gevolg heeft, worden de bijgewerkte gegevens aan het Agentschap medegedeeld voor aanpassing van zijn bestanden na eventuele verificatie.
  In het kader van de diensten die het tot stand brengt inzake gunning van overheidsopdrachten kan het Agentschap toegang verlenen tot de gegevens nuttig voor de gunning, de uitvoering en de opvolging van die opdrachten aan personen die op de diensten aangesloten zijn, elk voor de gegevens die hem betreffen.
  § 4. Verwerkingen van persoonsgegevens bedoeld in afdeling 5 worden verricht met inachtneming van de wet van 8 december 1992 tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  De Regering wordt ertoe gemachtigd om de besluiten inzake de verwerking van deze persoonsgegevens vermeld in afdeling 5 te treffen.

  Art. D.60. De persoonsgegevens behandeld door het "Agence wallonne pour la promotion d'une agriculture de qualité" krachtens afdeling 5 worden zolang bewaard als nodig om de doeleinden nagestreefd door dit Wetboek te verwezenlijken. De Regering kan een maximale duurtijd voor de bewaring vaststellen die de verjaringstermijn bepaald in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek niet mag overschrijden.
  De Regering kan de nadere regels vastleggen met het oog op het toelaten van het bezit en de bewaring van anoniem gemaakte of gecodeerde gegevens voor een langere duur voor geschiedkundige, statistische of wetenschappelijke doeleinden.

  Afdeling 5bis. [1 - De verwerkingen van persoonsgegevens van de gemeentelijke commissie voor de vaststelling van schade]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2017-03-23/24, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  

  Art. D. [1 § 1. De Administratie maakt gebruik van het GBCS voor de verzameling en de behandeling van de persoonsgegevens die nodig zijn voor de voortzetting van de opdrachten die toevertrouwd worden aan de gemeentelijke commissie voor de vaststelling van schade. De Administratie is verantwoordelijk voor de verwerking van deze persoonsgegevens.
   § 2. De Administratie kan aan andere personen dan de betrokken persoon persoonsgegevens vragen die nodig zijn voor de voortzetting van de opdrachten die toevertrouwd worden aan de gemeentelijke commissie voor de vaststelling van schade. In haar aanvraag toont ze aan dat het noodzakelijk is om deze gegevens te bezitten. De opgevraagde gegevens worden dan overgemaakt door de persoon bij wie de gegevens krachtens dit artikel worden opgevraagd.
   § 3. Met inachtneming van artikel 4, § 1, 2°, van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van verwerkingen van persoonsgegevens en van de voorwaarden vastgesteld in de uitvoeringsbesluiten kunnen de gegevens ingezameld door de administratie bevoegd voor landinrichting later enkel verwerkt worden met een geschiedkundig, statistisch of wetenschappelijk doeleinde.
   § 4. Verwerkingen van persoonsgegevens worden verricht met inachtneming van de wet van 8 december 1992 tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
   De persoonsgegevens behandeld door de administratie worden zolang bewaard als nodig om de doeleinden nagestreefd door titel X/1 van het Wetboek te verwezenlijken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2017-03-23/24, art. 5, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  

  Afdeling 6. - Documenten en aanvragen, ingediend via elektronische weg

  Art. D.61. § 1. Inlichtingen of gegevens nodig voor de toepassing van dit Wetboek mogen elektronisch overgemaakt worden.
  § 2. De Regering bepaalt de voorwaarden voor de indiening van documenten of aanvragen, geregeld bij of krachtens het Wetboek, middels elektronische formulieren.
  De landbouwer die een steunaanvraag elektronisch indient, houdt alle bewijsstukken die bij deze aanvraag worden gevoegd ter beschikking van de bevoegde administratie gedurende de hele duur van de steun, met bepaalde duur verlengd door de Regering.

  Art. D.62. § 1. De documenten of aanvragen ingediend via een elektronisch formulier worden ingevuld en overgemaakt overeenkomstig de richtlijnen die erin voorkomen en worden gelijkgesteld met een document of een aanvraag voor echt verklaard, gedagtekend en ondertekend.
  De bepalingen m.b.t. de schriftelijke documenten of aanvragen zijn van toepassing op de elektronische documenten en aanvragen voor zover deze bepalingen, vanwege hun aard of modaliteiten, niet onverenigbaar zijn met deze documenten of aanvragen.
  § 2. De inlichtingen opgenomen in artikel D.61, § 1, worden gelijkgesteld met een voor echt verklaard, gedagtekend en ondertekend document.
  De bepalingen m.b.t. de via briefwisseling overgemaakte aanvragen zijn van toepassing op de elektronische documenten voor zover deze bepalingen, vanwege hun aard of modaliteiten, niet onverenigbaar zijn met deze documenten.

  Art. D.63. De Regering bepaalt de voorwaarden en de modaliteiten volgens welke voor de toepassing van dit Wetboek bewijswaarde kan worden verleend aan gegevens die worden opgeslagen, bewaard of weergegeven door middel van een fotografische, optische, elektronische of elke andere techniek, alsook hun weergave op een leesbare drager.

  Titel III. - Bepalingen met betrekking tot de inspraak van de landbouwwereld, de opvolging en de coördinatie van het landbouwbeleid

  HOOFDSTUK I. [1 - Beleidsgroep "Landelijke Aangelegenheden, afdeling "Landbouw, Agrovoeding en Voeding"]1
  ----------
  (1)<DWG 2017-02-16/37, art. 54, 011; Inwerkingtreding : 04-07-2017>

  Art. D.64.[1 De Beleidsgroep Landelijke Aangelegenheden, afdeling "Landbouw, Agrovoeding en Voeding" bedoeld in artikel 2/6, § § 1, 2 en 7, van het decreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie heeft als opdracht advies uit te brengen over elk vraagstuk van algemeen beleid of over de ontwerpen van decreten en besluiten in verband met landbouw, hem voorgelegd door de Regering of het strategisch comité voor landbouw, agrovoeding of voeding.
   De Beleidsgroep Landelijke Aangelegenheden, afdeling "Landbouw, Agrovoeding en Voeding "kan op eigen initiatief advies uitbrengen in verband met elk desbetreffend vraagstuk.]1
  ----------
  (1)<DWG 2017-02-16/37, art. 54, 011; Inwerkingtreding : 04-07-2017>

  Art. D.65.
  <Opgeheven bij DWG 2017-02-16/37, art. 54, 011; Inwerkingtreding : 04-07-2017>

  Art. D.66.
  <Opgeheven bij DWG 2017-02-16/37, art. 54, 011; Inwerkingtreding : 04-07-2017>

  Art. D.67.
  <Opgeheven bij DWG 2017-02-16/37, art. 54, 011; Inwerkingtreding : 04-07-2017>

  HOOFDSTUK II. - Inspraak van de landbouwers

  Afdeling 1. - Waalse landbouwverenigingen

  Art. D.68. Om de landbouwers inspraak te verlenen via hun representatieve organisaties overeenkomstig artikel D.1, § 3, lid 1, 13°, erkent de Regering de Waalse landbouwverenigingen.
  De Regering is ertoe gemachtigd categorieën op te richten en per categorie erkenningscriteria te bepalen.

  Art. D.69. Onder de landbouwverenigingen vormen de verenigingen erkend krachtens deze afdeling de bevoorrechte gesprekspartners van de Regering en het strategisch comité voor landbouwbeleid.

  Afdeling 2. - Producentencollege

  Art. D.70. Om rechtstreekse inspraak te verlenen aan de landbouwers overeenkomstig artikel D.1, § 3, lid 1, 13°, wordt er een producentencollege opgericht, hierna het college genoemd.
  De vereniging erkend krachtens artikel D.75 of, bij ontstentenis de administratie, is belast met het secretariaat van het College.

  Art. D.71. De opdracht van het College bestaat erin, de landbouwers hun belangen te laten behartigen bij de overheid. Het College kan op eigen initiatief of als antwoord op elke vraag die het voorgelegd krijgt door de Regering of het strategisch comité voor landbouwbeleid advies uitbrengen.
  De Regering kan het College elke vraag voorleggen om de afstemming van de behoeften van de producenten af te stemmen op de maatregelen die ze treft om de doelstellingen bepaald in artikel D.1. te bereiken.

  Art. D.72. Wanneer het advies van het College vormelijk vereist is krachtens dit Wetboek, wordt dat advies uitgebracht binnen een termijn van dertig dagen volgend op de ontvangst van het daartoe strekkende verzoek. Er kan om een verlenging van de termijn met vijftien dagen verzocht worden, mits motivering.
  Als die termijn eenmaal verstreken is, wordt geacht dat het College de indiening van zijn advies afvaardigt aan het Strategisch Comité voor Landbouwbeleid.

  Art. D.73. § 1. De roeping van het College bestaat erin, de gezamenlijke landbouwers van het grondgebied van het Waalse Gewest te verenigen.
  Jaarlijks organiseert het College een vergadering die de gezamenlijke landbouwers worden verzocht bij te wonen. Op die vergadering leggen de leden van het Strategisch Comité voor landbouwbeleid de evolutie van het driejaarlijks onderzoeksplan bedoeld in artikel D.363 en van het operationeel promotieplan bedoeld in artikel D.229 voor.
  § 2. Het College vindt zijn grondslag in de producentenvergaderingen per productiesector of per afzonderlijk thema.
  Die vergaderingen kunnen tijdelijk of permanent opgericht worden.
  De erkenning van nieuwe producentenvergaderingen met een tijdelijk karakter wordt besloten door het College, dat er het Strategisch Comité voor Landbouwbeleid over inlicht.
  De erkenning van nieuwe producentenvergaderingen met een permanent karakter wordt besloten door het Strategisch Comité voor Landbouwbeleid op voorstel van College.
  § 3. Iedere landbouwer die betrokken is bij een productiesector of een afzonderlijk thema kan deze vergaderingen bijwonen. Een vergadering kan al naar gelang externe personen verzoeken zijn vergaderingen bij te wonen.

  Art. D.74. § 1. Het College bestaat uit gewone leden en plaatsvervangende leden.
  Enkel de gewone leden en, bij hun afwezigheid, hun plaatsvervangers, zijn stemgerechtigd.
  § 2. Het College bestaat uit twee gewone leden en hun plaatsvervangers, aangewezen door elke permanente vergadering, en de volgende gewone leden en hun plaatsvervangers in gelijk aantal, aangewezen door de Regering :
  1° drie leden voorgedragen door de Waalse landbouwverenigingen;
  2° twee leden voorgedragen door de beroepsverenigingen van de sector agrovoeding;
  3° één lid voorgedragen door de beroepsverenigingen van de sector distributie;
  4° drie leden voorgedragen door de civiele consumentenverenigingen die ervaring en activiteiten aantonen in verband met landbouw, evenals met een verankering over het gehele Waalse grondgebied;
  5° één lid voorgedragen door de milieuverenigingen.
  § 3. De oproep tot het indienen van kandidaturen voor de benoeming van de leden voorgedragen door de verenigingen wordt verricht via de website van het Waalse Gewest.
  § 4. De gewone leden en de plaatsvervangers, aangewezen door de Regering, worden aangewezen voor een duurtijd van drie jaar.
  De gewone leden en de plaatsvervangers, aangewezen door elke permanente vergadering, worden aangewezen voor een minimale duurtijd van zes maanden en een maximale duurtijd van drie jaar.
  § 5. Het College kan al naar gelang externe personen verzoeken zijn vergaderingen bij te wonen.
  Voor zover een vergadering erkend wordt krachtens artikel D.76, wordt de coördinator waarover die vergadering beschikt overeenkomstig artikel D.76, § 2, lid 1, 4°, aangewezen als permanent waarnemer van het College.

  Art. D.75. Het College legt zijn huishoudelijk reglement ter goedkeuring aan de Regering voor.
  Minstens de regels inzake degelijk bestuur, de nadere regels van het beslissingsproces en de maatregelen voor de openbaarheid van de debatten en inspraakmogelijkheid voor alle landbouwers worden in het huishoudelijk reglement vastgelegd.

  Afdeling 3. - Operationele ondersteuning van het producentencollege

  Art. D.76. § 1. De Regering kan op eigen initiatief een vereniging oprichten of erkennen voor de operationele ondersteuning van het producentencollege.
  § 2. Om erkend te worden, voldoet elke vereniging aan de volgende voorwaarden :
  1° opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstgevend oogmerk;
  2° als voornaamste maatschappelijk doel voorzien in de ondersteuning van de inspraak van de landbouwers in de omschrijving, de uitvoering en de opvolging van het landbouwbeleid;
  3° over een permanente structuur beschikken die het dagelijks bestuur, haar opgedragen door de raad van bestuur, waarneemt;
  4° beschikken over een coördinator met de kwalificaties en de ervaring nodig voor de coördinatie van de verschillende activiteiten van de vereniging en, in voorkomend geval, de activiteiten verricht in samenwerking met externe personen.
  In voorkomend geval bepaalt de Regering de geldigheidsduur van de erkenning.

  Art. D.77. § 1. De Regering bepaalt de voorwaarden voor de toekenning van de toelagen aan de vereniging bedoeld in artikel D.76.
  Die subsidies dienen ter dekking van :
  1° de personeelskosten, met inbegrip van, zonder beperking, de bezoldiging van haar personeel, de oprichting van een reserve voor de maatschappelijke passiva, de vorming van haar personeel;
  2° de werkingskosten;
  3° de kosten in verband met de verwezenlijking en de totstandbrenging van de acties gevoerd door de vereniging, met inbegrip van de onkostenvergoeding van de landbouwers, lid van het College, voor het bijwonen van de vergaderingen.
  Het subsidiepercentage bedraagt minstens 10 percent van de beheerskosten en mag het bedrag van die beheerskosten niet overschrijden.
  De Regering kan bepalen waaruit de beheerskosten bedoeld in lid 3 bestaan.
  § 2. De Regering kan de erkende vereniging voordelen in natura toekennen, in de vorm van de overdracht van goederen of het verstrekken van prestaties waarvoor de lasten geheel of gedeeltelijk door de Regering overgenomen worden.

  Art. D.78. De erkende vereniging deelt aan de administratie, aangewezen door de Regering, mede :
  1° jaarlijks en voor 30 juni, volgende gegevens met betrekking tot het afgelopen werkingsjaar :
  a) een staat van de ontvangsten en de uitgaven en een begroting, goedgekeurd door de bevoegde instanties waarin de subsidies vermeld worden, toegekend of toegezegd door andere overheden;
  b) het loon van de personen die tot de subsidies toegelaten worden en de betaalbewijzen van de werkgeversbijdragen;
  2° onverwijld en schriftelijk, iedere wijziging in de statuten en de samenstelling van het gesubsidieerd personeel.
  Bij niet-inachtneming van die bepalingen en van de bepalingen getroffen ter uitvoering ervan, kunnen de subsidies verminderd of opgeschort worden volgens de nadere regels vastgelegd door de Regering.

  Art. D.79. De erkende vereniging stelt jaarlijks een omstandig activiteitenverslag op met als inhoud een analyse van de gevoerde activiteiten, daarin inbegrepen methodes voor de inspraak van de landbouwers en een evaluatie van die methodes in de doeltreffendheid ervan.
  Het rapport wordt uiterlijk 30 juni van het jaar na het jaar waarop het betrekking heeft aan de administratie verzonden.

  HOOFDSTUK III.
  <Opgeheven bij DWG 2018-07-17/04, art. 248, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.80.
  <Opgeheven bij DWG 2018-07-17/04, art. 248, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.81.
  <Opgeheven bij DWG 2018-07-17/04, art. 248, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  HOOFDSTUK IV. - Strategisch Comité voor Landbouwbeleid

  Art. D.82. De Minister, de directeurs-generaal van de administratie, van het "Centre wallon de Recherches agronomiques" (Waals Centrum voor landbouwkundig onderzoek) opgericht krachtens artikel D.366 en het "Agence wallonne pour la Promotion d'une Agriculture de qualité" opgericht krachtens artikel D.224, hun adjunct-directeurs-generaal en de inspecteurs-generaal van de administratie met bevoegdheden voor landbouw vormen het Strategisch Comité voor Landbouwbeleid.
  Het Strategisch Comité voor Landbouwbeleid wordt voorgezeten door de Minister of diens afgevaardigde.
  De coördinator van de krachtens artikel D.76 erkende vereniging wordt verzocht de vergaderingen van het Strategisch Comité voor Landbouwbeleid bij te wonen voor de punten betreffende het producentencollege.

  Art. D.83.De opdrachten van het Strategisch Comité voor Landbouwbeleid zijn :
  1° operationele plannen ontwerpen en aan de Regering voorleggen om op gecoördineerde wijze de doelstellingen van artikel D.1 uit te kunnen voeren;
  2° zorgen voor de opvolging van de operationele plannen, de uitvoeringswijzen ervan coördineren en het producentencollege inlichten over de opvolging ervan;
  3° ingaan op elke dringende vraag van het producentencollege of op elke gebeurtenis of toestand waarvoor een spoedige interventie vereist wordt;
  4° ingaan op de verzoeken uitgaand van de [1 beleidsgroep "Landelijke Aangelegenheden, afdeling "Landbouw, Agrovoeding en Voeding"]1, het producentencollege en de landbouwverenigingen;
  5° advies uitbrengen voor het producentencollege overeenkomstig artikel D.72, lid 2;
  ----------
  (1)<DWG 2017-02-16/37, art. 54, 011; Inwerkingtreding : 04-07-2017>

  Art. D.84. Het Strategisch Comité voor Landbouwbeleid pleegt overleg met het Directoraat-generaal Economie, Tewerkstelling en Onderzoek voor wat diens bevoegdheden betreft.

  Art. D.85.Voor zijn opdrachten kan het Strategisch Comité voor Landbouwbeleid te rade gaan bij :
  1° de [1 beleidsgroep "Landelijke Aangelegenheden, afdeling "Landbouw, Agrovoeding en Voeding"]1;
  2° het producentencollege;
  3° iedere andere overheid die door haar bijdrage deel kan hebben in de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Wetboek;
  4° elke andere derde.
  Voor de opdracht vermeld in artikel D.83, lid 1, 1°, is het raadplegen van het producentencollege verplicht.
  ----------
  (1)<DWG 2017-02-16/37, art. 54, 011; Inwerkingtreding : 04-07-2017>

  Art. D.86. Het secretariaat van het Strategisch Comité voor Landbouwbeleid wordt telkens voor de duur van één kalenderjaar waargenomen door de administratie, het "Centre wallon de Recherches agronomiques" en het "Agence wallonne pour la Promotion d'une Agriculture de qualité".

  Art. D.87. Het Strategisch Comité voor Landbouwbeleid neemt een huishoudelijk reglement aan. In het reglement worden minstens regels opgenomen voor het samenroepen, het quorum, de meerderheid, het vacant zijn en de periodiciteit van de vergaderingen opgenomen.

  HOOFDSTUK V. - Jaarverslag over de staat van de Waalse landbouw

  Art. D.88.[1 Elk jaar]1 wordt door de Regering, voor het indienen van de begroting en uiterlijk op 15 november bij het Waalse Parlement, dat zich via een resolutie uitspreekt, een verslag neergelegd over de "staat van de Waalse landbouw".
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 249, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.89.Het verslag over de "staat van de Waalse landbouw" wordt opgesteld door de administratie [1 ...]1 onder de coördinatie van het Strategisch Comité voor Landbouwbeleid.
  In het verslag wordt een analyse opgenomen van de evolutie van de Waalse landbouw, evenals indicatoren ter beoordeling van de evolutie in het nastreven van de doelstellingen van het Waalse landbouwbeleid bedoeld in artikel D.1, § 3.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 250, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.90.Het verslag inzake de "staat van de Waalse Landbouw" wordt door de [1 beleidsgroep "Landelijke Aangelegenheden, afdeling "Landbouw, Agrovoeding en Voeding"]1 van advies en aanbevelingen voorzien. Het verslag en het advies worden ruim verspreid en bekend gemaakt op het landbouwportaal van de website van het Waalse Gewest.
  ----------
  (1)<DWG 2017-02-16/37, art. 54, 011; Inwerkingtreding : 04-07-2017>

  Titel IV. - De landbouwer

  HOOFDSTUK I. - Co-houderschap

  Art. D.91. Eenieder die in een landbouwbedrijf dat uitsluitend beheerd wordt door natuurlijke personen in de zin van dit hoofdstuk het statuut van meewerkend echtgenoot geniet, wordt geacht één van de landbouwers van het bedrijf en uit de aard der zaak één van de beheerders van dat bedrijf te zijn.
  Dit hoofdstuk is evenwel niet toepasselijk als de meewerkend echtgenoot een ander bedrijf leidt.

  Art. D.92. § 1. Wanneer het bestaan van een meewerkend echtgenoot waarvan de administratie kennis krijgt, niet opgenomen is in de identificatiegegevens van de landbouwer, licht de administratie betrokkenen daarover in en vraagt hun instemming met een eventuele wijziging van de identificatie van de landbouwer.
  De toestand wordt gewijzigd indien beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden die wijziging aanvaarden en de aanvaarding ondertekenen.
  Wordt die wijziging geweigerd door beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden of door één van beiden, dan voert de administratie geen enkele wijziging door.
  Als de administratie geen enkel antwoord op haar verzoek krijgt, dan wordt nogmaals om de instemming van betrokkenen verzocht, met een antwoordtermijn van dertig dagen. Blijft het antwoord dan nog uit, dan wordt de wijziging van ambtswege doorgevoerd.
  Als de administratie slechts van één van beide betrokken echtgenoten of wettelijk samenwonenden een antwoord krijgt, dan wordt nogmaals om de instemming van betrokkenen verzocht, met een antwoordtermijn van dertig dagen. Blijft het antwoord dan nog uit, dan wordt de wijziging van ambtswege doorgevoerd.
  § 2. Wanneer de identificatie van een meewerkend echtgenoot niet vermeld is in de identificatie van de landbouwer, dan mag het verzoek om wijziging spontaan uitgaan van de landbouwer zelf, middels een aangifteformulier dat bij de administratie beschikbaar is.
  § 3. De wijziging kan enkel toegelaten worden als ze voor de administratie in een neutrale verrichting bestaat waardoor de betrokken landbouwer niet meer of niet minder rechten dan voorheen krijgt.
  § 4. De identificatie van een meewerkend echtgenoot houdt geen overname of overdracht van het bedrijf en dienovereenkomstige voorwaarden in.

  Art. D.93. Wanneer de wijziging van de identificatie is doorgevoerd, worden alle aldus geïdentificeerde landbouwers samen beheerder van hun bedrijf en onverdeelde houders van de administratieve toewijzingen die de landbouwer geniet.
  Het verlies van de hoedanigheid van meewerkend echtgenoot heeft geen automatisch effect op de gewijzigde identificatie zonder de instemming van alle betrokken landbouwers.
  De in artikel D.92 bedoelde wijzigingsverrichting is onherroepelijk. Elke nieuwe beweging wordt als een overname of een overdracht van een bedrijf beschouwd.

  Art. D.94. Elk onverdeeld lid van een groepering van natuurlijke personen kan enkel, zonder een beroep te doen op de andere onverdeelde leden van de groepering, daden van gewoon bestuur stellen. De daden van gewoon bestuur brengen de andere onverdeelde leden geen schade toe.
  Voor elk bedrijf dat onder beheer van een groepering van natuurlijke personen staat is de handtekening van alle landbouwers nodig voor het bekrachtigen van elke daad van gewoon bestuur met een blijvend karakter, evenals van elke andere daad dan die bedoeld onder lid 1.

  HOOFDSTUK II. - Beroepsopleiding

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. D.95. Dit hoofdstuk regelt, krachtens artikel 138 van de Grondwet, een aangelegenheid bedoeld in artikel 128, § 1, ervan. Het is enkel van toepassing in het Franse taalgebied.
  De bepalingen van dit hoofdstuk kunnen evenwel worden uitgebreid tot het grondgebied van het Waalse Gewest voor wat betreft medegefinancierde acties indien de Europese wetgeving in die mogelijkheid voorziet.

  Art. D.96. In de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan onder "administratie", het Departement Werk en Beroepsopleiding van het Operationeel Directoraat-generaal Economie, Werk en Onderzoek van de Waalse Overheidsdienst of de Administratie in de zin van artikel D.3.

  Art. D.97. Overeenkomstig de doelstellingen verwoord in artikel D.1, is dit hoofdstuk bestemd om :
  1° de beroepsopleiding te bevorderen van de personen die een landbouwactiviteit uitoefenen, alsook van de personen die tewerkgesteld zijn bij een rechtspersoon die werkzaamheden verricht met het oog op de productie, verwerking en verkoop van producten afkomstig uit het landbouwbedrijf om die personen d.m.v. permanente vormingen, in staat te stellen, nieuwe bekwaamheden te verwerven of hun huidige kennis te verbeteren in de landbouwactiviteiten;
  2° moderne technieken inzake bedrijfsbeheer en de verschillende methoden voor de productie en de opwaardering van producten te bevorderen;
  3° de opleiding van vormingswerkers, sprekers en personeelsleden, alsook van de organisatoren belast met de beroepsopleiding te verbeteren;
  4° het overleg tussen de betrokken partijen te organiseren;
  5° de vormingsactiviteiten te stimuleren die georganiseerd worden door erkende liefhebbersverenigingen in de landbouwsector voor de personen die zich uit liefhebberij bezighouden met één van die activiteiten;
  6° de diversifiëring en de kwaliteit van de economische landbouwbasis te bevorderen d.m.v. vormingen.
  Voor de medefinanciering bedoeld krachtens de Europese wetgevingen en indien de Europese wetgeving in die mogelijkheid voorziet, kunnen de doelstellingen van de opleiding worden uitgebreid tot de bosbouw.

  Afdeling 2. - Opleiding

  Art. D.98. De beroepsopleiding in de landbouw is gericht :
  1° op de landbouwer, op de medewerker, meewerkende echtgenoot en loontrekkende in de landbouwsector en op de werkzoekende ingeschreven bij de Waalse Openbare Dienst voor Werkgelegenheid en Professionele Opleiding, hierna "FOREm" genoemd;
  2° op de personen die tewerkgesteld zijn bij een rechtspersoon die werkzaamheden verricht met het oog op de productie, verwerking en verkoop van producten afkomstig uit het bedrijf of die daar noodzakelijk voor zijn;
  3° op de erkende liefhebbersvereniging in de landbouwsector, voor personen die uit liefhebberij werkzaamheden verrichten m.b.t. de landbouwproductie;
  4° op alle personen die moeten bewijzen dat zij een voldoende kennis hebben om een fytolicentie te krijgen in de zin van artikel 2, 11°, van het koninklijk besluit van 19 maart 2013 ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en toevoegingsstoffen;
  5° op alle personen die landbouw als beroepsoriëntatie willen kiezen.
  De Regering mag het toepassingsgebied bedoeld in het eerste lid uitbreiden tot andere categorieën personen, bij gemotiveerde beslissing en met het oog op het bereiken van de in artikel D.1, § 3 opgesomde doelstellingen.
  In aanmerking voor de tegemoetkoming van het ELFPO, komen enkel de vormingen die bestemd zijn om kennis door te geven aan de gerechtigden bedoeld in lid 1, 1°, en de personen die tewerkgesteld zijn in de landbouwsector, de agrovoedings- en de bosbouwsector, de grondbeheerders en de natuurlijke of rechtspersonen die werkzaam zijn in landelijke gebieden zoals bedoeld bij de Europese wetgeving.

  Art. D.99. § 1. De basisvorming, waarvan na het volgen van cursussen een examen afgelegd wordt en die georganiseerd wordt door de scholingscentra bedoeld in afdeling 3 van dit hoofdstuk, bevat :
  1 ° cursussen landbouwtechnieken die de technische bijscholing beogen van personen met onvoldoende basiskennis van de landbouwsector;
  2° cursussen beheer en landbouweconomie die de betrokkenen in staat stellen zich te vestigen;
  3° stages zoals bedoeld in artikel D.101.
  In de cursussen beheer bedoeld in lid 1, 2°, is de opleiding gegrond op de studie van moderne organisatie-, onderhandelings-, beheers- en bedrijfsmethoden.
  Om tot de cursussen landbouwbeheer toegelaten te worden, moet de leerling ofwel :
  1° cursussen landbouwtechnieken hebben gevolgd;
  2° houder zijn van een landbouwgericht getuigschrift van minstens het niveau van het hoger secundair onderwijs;
  3° een nuttige ervaring hebben volgens de voorwaarden bepaald door de Regering.
  § 2. De vaste vorming georganiseerd door de in § 1 bedoelde centra bevat :
  1° afstandscursussen;
  2° studiesessies, lezingen, rondleidingen en contactdagen;
  3° stages zoals bedoeld in artikel D.101.
  § 3. De opleiding van de vormingswerkers bevat bijscholingsdagen bestemd om de technische of pedagogische kennis te verbeteren en om de vormingswerkers te begeleiden.

  Art. D.100. De door liefhebbersverenigingen georganiseerde vorming voor liefhebbers bevat lezingen.

  Art. D.101.In het kader van de vorming is de Regering bevoegd om stages te organiseren.
  Ze kan bepalen :
  1° de personen die ervoor in aanmerking kunnen komen;
  2° de duur;
  3° de bedrijven of instellingen in contact met de landbouw- of de bosbouwsector waar de stage kan worden georganiseerd;
  4° [1 ...]1
  5° de modaliteiten in verband met het verloop van de stage.
  Voor de erkenningsvoorwaarden van de stagemeesters bedoeld in lid 2, 4°, voorziet de Regering dat de stagemeesters :
  1° een minimumberoepservaring bepaald door de Regering hebben in de landbouwsectoren;
  2° bewijzen dat ze ervaring hebben als vormingswerker of dat ze een vorming hebben gevolgd over de methoden voor de overdracht van kennis volgens de modaliteiten die door de Regering worden bepaald.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 251, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.102. De Regering is bevoegd om bijscholingscursussen beheer en technologieën, fytolicentie of cursussen in verband met veevoeding te organiseren.

  Art. D.103. De Regering bepaalt :
  1° de organisatievoorwaarden en de praktische modaliteiten van de vormingsactiviteiten bedoeld in de artikelen D.99 en D.100;
  2° de voorwaarden om toegang tot die cursussen te krijgen;
  3° de voorwaarden om een vakbekwaamheidscertificaat als landbouwer te krijgen.

  Art. D.104. Voor de medefinanciering bedoeld krachtens de Europese wetgevingen en indien de Europese wetgeving in die mogelijkheid voorziet, kan de Regering maatregelen bepalen in verband met :
  1° de overdracht van kennis en de acties voor informatie;
  2° de opleiding, ter aanvulling van de artikelen D.99 en D.100;
  3° de stage, ter aanvulling van artikel D.101;
  4° andere soorten activiteiten met het oog op de versterking van het menselijk vermogen van de personen die actief zijn in de landbouw-, voedings- en bosbouwsector, de grondbeheerders en de natuurlijke of rechtspersonen die werkzaam zijn in landelijke gebieden.
  De overdracht van kennis en de acties voor informatie bedoeld in lid 1, 1°, kunnen meerdere vormen aannemen, zoals vormingen, werkgroepen, coaching, demonstratieacties, acties voor informatie, stages en bezoekprogramma's.

  Afdeling 3. - Scholingscentra

  Art. D.105.§ 1. Overeenkomstig de artikelen D.5 tot D.10, worden de scholingscentra erkend door de Regering volgens de criteria die ze bepaalt.
  Deze criteria hebben minstens betrekking met de volgende voorwaarden :
  1° het inzetten van [1 ...]1 vormingswerkers;
  2° het organiseren van vormingen [1 en de plaats waar die vormingen worden georganiseerd]1;
  3° de expertise en de ervaring van de centra op het gebied van beroepsopleiding;
  4° de inachtneming van de voorschriften van dit hoofdstuk en van zijn uitvoeringsbesluiten.
  Voor de toepassing van lid 2, 1°, bepaalt de Regering de erkenningsvoorwaarden en de geldigheidsduur van de erkenning [1 ...]1
  § 2. De Regering kan in categorieën scholingscentra voorzien volgens de voorwaarden die ze bepaalt.
  De Regering bepaalt de acties en activiteiten in verband met de beroepsopleiding bedoeld bij het Wetboek waarvoor elke categorie scholingscentrum bedoeld in het eerste lid bevoegd is.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 252, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.106. Om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, moet het vormingscentrum dat niet over een maatschappelijke zetel beschikt in het Franse taalgebied volgens de door de Regering vastgestelde procedure wanneer het zijn sociale zetel of inschrijvingsnummer heeft bij de Kruispuntbank van Ondernemingen als fysieke persoon of als rechtspersoon, hetzij in het Nederlandstalige taalgebied, hetzij in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, of in het Duitstalige taalgebied, aantonen dat het in zijn taalgebied beantwoordt aan de erkenningsvoorwaarden die overeenkomen met deze bepaald door of krachtens dit decreet.
  Om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, moet het vormingscentrum dat zijn maatschappelijke zetel in het buitenland, maar binnen de Europese Economische Ruimte heeft, volgens de door de Regering vastgestelde procedure aantonen dat het in zijn land beantwoordt aan de erkenningsvoorwaarden die overeenkomen met deze bepaald door of krachtens dit decreet en dit zonder directe of indirecte discriminatie op basis van de Staat waaruit de vormingsoperator die de erkenning aanvraagt afkomstig is.
  Om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, moet het vormingscentrum dat zijn sociale zetel in het buitenland en buiten de Europese Economische Ruimte heeft, volgens de door de Regering vastgestelde procedure voldoen aan de erkenningsvoorwaarden bepaald in dit decreet, en bewijs leveren dat het hetzelfde type diensten presteert in zijn land van herkomst en dit zonder directe of indirecte discriminatie op basis van de Staat waaruit de vormingsoperator die de erkenning aanvraagt, afkomstig is.

  Afdeling 4. - Toelagen aan de scholingscentra

  Art. D.107. De Regering mag toelagen toekennen aan de beroepsopleidingscentra overeenkomstig de door haar vastgestelde modaliteiten.
  Voor de bepaling van detoelage houdt ze rekening met :
  1° de bezoldiging van de vormingswerkers, van de stagemeesters en van de sprekers;
  2° de werkings- en organisatiekosten;
  3° de vergoedingen aan de deelnemers aan de bijscholingsdagen;
  4° de vergoedingen die door de scholingscentra worden gestort aan de stagiairs naar gelang van de duur van de stage, zoals bepaald door de Regering.

  Art. D.108. § 1. Voor de toelage bedoeld in artikel D.107, bedraagt het subsidiepercentage minstens tien procent van de beheerskosten en dit bedrag kan de beheerskosten niet overschrijden.
  De Regering kan de beheerskosten bedoeld in lid 1 bepalen.
  § 2. Het scholingscentrum kan het bedrag van een bijdrage ten laste van de landbouwers vaststellen voor de financiering van zijn activiteiten volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten.
  Het bedrag van deze bijdrage mag niet hoger zijn dan het bedrag van de kosten die het scholingscentrum werkelijk heeft gehad om zijn opdrachten te vervullen en voor zover de krachtens deze bijdragen gedragen kosten nooit het voorwerp zijn van een dubbele subsidiëring of van een terugbetaling.

  Afdeling 5. - Liefhebbersverenigingen

  Art. D.109. § 1. Teneinde in aanmerking te kunnen komen voor de in paragraaf 3 beoogde subsidies, moeten de liefhebbersverenigingen bedoeld in artikel D.100 de volgende erkenningsvoorwaarden in acht nemen :
  1° de vorming van liefhebbers in de zin van artikel D.98 als doelstelling hebben;
  2° geen winstoogmerk hebben;
  3° voornamelijk gevestigd zijn in het Franse taalgebied.
  § 2. De erkenningsaanvraag van een liefhebbersvereniging wordt ingediend volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten.
  § 3. De Regering mag toelagen toekennen aan de erkende liefhebbersverenigingen overeenkomstig de door haar vastgestelde modaliteiten.
  Voor de bepaling van de toekenning houdt ze rekening met :
  1° de bezoldiging van de vormingswerkers;
  2° de werkings- en organisatiekosten van de vereniging.

  Art. D.110. § 1. Voor de toelage bedoeld in artikel D.109, bedraagt het subsidiepercentage minstens tien procent van de beheerskosten en dit bedrag kan de beheerskosten niet overschrijden.
  De Regering kan de beheerskosten bedoeld in lid 1 bepalen.
  § 2. De liefhebbersverenigingen kunnen het bedrag van een bijdrage ten laste van de liefhebbers vaststellen voor de financiering van hun activiteiten volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten.
  Het bedrag van deze bijdrage mag niet hoger zijn dan het bedrag van de kosten die de liefhebbersvereniging werkelijk heeft gehad om haar opdrachten te vervullen en voor zover de krachtens deze bijdragen gedragen kosten nooit het voorwerp zijn van een dubbele subsidiëring of van een terugbetaling.

  Afdeling 6. [1 Diverse bepalingen]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 253, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.111.
  <Opgeheven bij DWG 2018-07-17/04, art. 254, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.112. De Administratie is belast met :
  1° het vervullen van opdrachten inzake de functie van dossierbeheer;
  2° het overmaken van een gemotiveerd voorstel aan de Regering betreffende de toekenning, de hernieuwing of de weigering van de erkenning met inachtneming van de bij of krachtens dit hoofdstuk vastgelegde criteria;
  3° het vragen van een met redenen omkleed advies, telkens als ze het nodig acht alsook telkens als de vastgelegde criteria voor de toekenning, de hernieuwing of de weigering van de erkenning niet ingevuld zijn, aan de Commissie binnen de door de Regering vastgelegde termijn vóór het overmaken van het dossier aan de Regering;
  4° de ontwikkeling van de samenwerking en het partnerschap met de operatoren van de aanvankelijke en voortgezette opleiding, namelijk inzake de geldigheidsverklaring van de bevoegdheden en de pedagogische begeleiding;
  5° het vervullen van de opdrachten inzake de functie van controle en toezicht;
  6° de bevordering van het geheel van de landbouwberoepsopleiding.

  Art. D.113. De Regering wordt ertoe gemachtigd om de maatregelen te nemen die nodig zijn voor de uitvoering van de opdrachten in verband met de controles en het toezicht van de bepalingen van dit hoofdstuk, met inbegrip van de controle van de bekwaamheid van de vormingswerkers.

  Art. D.114. Indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van dit hoofdstuk en van zijn uitvoeringsbesluiten, mag de Regering de erkenning schorsen of intrekken van de scholingscentra, liefhebbersverenigingen en personen bedoeld in artikel D.102, §§ 1 en 2, en het recht op toelagen aan de scholingscentra, liefhebbersverenigingen en personen bedoeld in artikel D.99, §§ 1 en 2, en in artikel D.100 overeenkomstig de door haar vastgestelde modaliteiten schorsen of intrekken.

  HOOFDSTUK III. - Begeleidingsdiensten voor de landbouwer

  Afdeling 1. - Vervangdiensten voor de landbouwer

  Art. D.115. De vervangdiensten voor de landbouwer of hun federaties worden door de Regering erkend volgens de modaliteiten bepaalt in de artikelen D.5 tot D.9.

  Art. D.116. De Regering kan een toelage toekennen aan de erkende vervangdiensten voor de landbouwer of aan de erkende federaties van vervangdiensten voor de landbouwer, om bij te dragen tot de dekking van hun beheerskosten.

  Art. D.117. § 1. Voor de toelage bedoeld in artikel D.116, bedraagt het subsidiepercentage minstens tien procent van de beheerskosten en dit bedrag kan de beheerskosten niet overschrijden.
  De Regering kan de beheerskosten bedoeld in het eerste lid bepalen.
  De toekenningsvoorwaarden bepalen :
  1° het maximumbedrag van de steun per jaar en per vervangend personeelslid;
  2° het aantal vervangende personeelsleden per leden-landbouwers;
  3° de categorieën redenen voor de vervanging met voor elk ervan, specifieke regels betreffende de verrichte uren en prestaties.
  De categorieën bedoeld in het tweede lid, 3°, omvatten, op niet-limitatieve wijze, de volgende gevallen :
  1° overlijden, ziekte, ongeval, met inbegrip van waterschade, brand of storm;
  2° beroepsopleiding;
  3° gebeurtenissen van familiale aard;
  4° de deelname als gewoon of plaatsvervangend lid aan de vergaderingen van het producentencollege of de deelname als voorzitter, secretaris of penningmeester aan de vergaderingen van landbouwcomicen;
  5° vakantie en vrije tijd.
  De Regering wordt ertoe gemachtigd om nieuwe categorieën te bepalen.
  § 2. De Regering kan voorzien in de betaling van de steun in verschillende schijven.

  Art. D.118. De vervangdienst voor de landbouwer kan het bedrag van voor de financiering van zijn activiteiten volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten een bijdrage ten laste van de landbouwers vaststellen.
  Dit bedrag mag niet hoger zijn dan het bedrag van de kosten die de instelling werkelijk heeft gehad om haar opdrachten te vervullen en voor zover de overeenkomstig deze bijdragen gedragen kosten nooit het voorwerp zijn van een dubbele subsidiëring of van een terugbetaling.

  Afdeling 2. - Adviesdiensten voor landbouwers in moeilijkheden

  Art. D.119. De Regering kan een toelage toekennen aan adviesdiensten voor landbouwers in moeilijkheden om bij te dragen tot de dekking van hun beheerskosten.

  Art. D.120. De Regering kan de adviesdiensten voor landbouwers in moeilijkheden subsidiëren voor de volgende opdrachten :
  1° de begeleiding van de landbouwers in moeilijkheden;
  2° de sensibilisering en de vorming van de landelijke actoren inzake de voorkoming van de moeilijkheden ondervonden door de landbouwsector;
  3° steun bij de behandeling van de schuldenlast en de voorkoming van bestaansonzekerheid;
  4° de bevordering van de bestaande tegemoetkomingen en middelen;
  5° de ontwikkeling van databases, indicatoren en aanbevelingen.

  Art. D.121. Voor de toelage bedoeld in artikel D.119, bedraagt het subsidiepercentage minstens tien procent van de beheerskosten en dit bedrag kan deze beheerskosten niet overschrijden.
  De Regering kan de beheerskosten bedoeld in lid 1 bepalen.

  Art. D.122. De adviesdienst kan het bedrag van een bijdrage ten laste van de landbouwers vaststellen voor de financiering van zijn activiteiten volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten.
  Dit bedrag mag niet hoger zijn dan het bedrag van de kosten die de instelling werkelijk heeft gehad om haar opdrachten te vervullen en voor zover de overeenkomstig deze bijdragen gedragen kosten nooit het voorwerp zijn van een dubbele subsidiëring of van een terugbetaling.

  Afdeling 3. - Begeleidingsdiensten voor arbeidsveiligheid

  Art. D.123. De Regering kan een toelage toekennen aan begeleidingsdiensten voor arbeidsveiligheid.

  Art. D.124. De Regering kan de begeleidingsdiensten voor arbeidsveiligheid subsidiëren voor de volgende opdrachten :
  1° de bedrijfsbezoeken;
  2° de sensibilisering en de vorming inzake arbeidsveiligheid;
  3° de uitvoering en het verspreiden van onderzoeken naar arbeidsongevallen en gezondheid.

  Art. D.125. Voor de toelage bedoeld in artikel D.123, bedraagt het subsidiepercentage minstens tien procent van de beheerskosten en dit bedrag kan deze beheerskosten niet overschrijden.
  De Regering kan de beheerskosten bedoeld in lid 1 bepalen.

  Art. D.126. De begeleidingsdienst kan het bedrag van een bijdrage ten laste van de landbouwers vaststellen voor de financiering van zijn activiteiten volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten.
  Dit bedrag mag niet hoger zijn dan het bedrag van de kosten die de instelling werkelijk heeft gehad om haar opdrachten te vervullen en voor zover de overeenkomstig deze bijdragen gedragen kosten nooit het voorwerp zijn van een dubbele subsidiëring of van een terugbetaling.

  Afdeling 3/1. [1 Diensten voor de begeleiding van sociale opvang in een landelijke omgeving]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 29, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Art. D.126/1. [1 § 1. De Regering erkent de diensten voor de begeleiding van sociale opvang in een landelijke omgeving volgens de nadere regels bepaald in de artikelen D.5 tot D.9.
   De lijst der erkende diensten wordt jaarlijks door de Regering bekendgemaakt.
   § 2. De opdrachten van de diensten voor de begeleiding van sociale opvang in een landelijke omgeving kunnen de volgende zijn :
   1° advies verstrekken over door de Regering voorgelegde vragen in verband met landbouw en sociale opvang in een landelijke omgeving;
   2° in voorkomend geval, op eigen initiatief advies uitbrengen over vragen in verband met sociale opvang in een landelijke omgeving;
   3° de invoering en de instandhouding van een samenwerkingsverband tussen één of meerdere structuren voor de sociale opvang in een landelijke omgeving en één of meerdere sociale of gezondheidsstructuren vlotter laten verlopen;
   4° de structuren voor sociale opvang in een landelijke omgeving in het kader van hun sociale opvangproject omkaderen;
   5° de actoren van het plattelandsleven, het landbouwleven, het maatschappelijk leven of het gezondheidswezen informatie en vormingen verschaffen in verband met sociale opvang in een landelijke omgeving;
   6° het brede publiek via communicatie, promotie en sensibilisering bekend maken met sociale opvang in een landelijke omgeving;
   7° een netwerk opzetten van structuren voor sociale opvang in een landelijke omgeving en van sociale en gezondheidsstructuren.
   De Regering kan andere opdrachten in verband met sociale opvang in een landelijke omgeving toevertrouwen aan de diensten voor de begeleiding van sociale opvang in een landelijke omgeving.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 30, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Art. D.126/2. [1 De Regering kan de diensten voor de begeleiding van sociale opvang in een landelijke omgeving subsidies verstrekken voor de opdrachten bepaald in artikel D.126/1.
   Voor de subsidie bedoeld in lid 1 bedraagt het subsidiecijfer minstens 10 percent van de kostprijs van het beheer en de beheerskosten niet te boven gaan. De Regering kan bepalen hoe de kostprijs is samengesteld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 31, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Art. D.126/3. [1 De diensten voor de begeleiding van sociale opvang in een landelijke omgeving kunnen het bedrag van een bijdrage aan de financiering van diens activiteiten vaststellen.
   Dat bedrag gaat het bedrag van de kosten die de instelling werkelijk is aangegaan om haar opdrachten te vervullen niet te boven, voor zover de kosten die door de bijdrage gedekte worden op geen enkel ogenblik het voorwerp uitmaken van een dubbele subsidiëring of een terugbetaling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 32, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Afdeling 4. - Adviessysteem voor landbouwers

  Art. D.127. § 1. De Regering voorziet in een adviessysteem voor landbouwers in de zin van de Europese regelgeving.
  Ze kan bepalen dat dit adviessysteem voor landbouwers door privé-instellingen of door de administratie wordt ingevuld.
  De instellingen voor landbouwadvies verstrekken de landbouwers advies inzake het beheer van de gronden en van de bedrijven.
  § 2. Het adviessysteem omvat :
  1° de besluiten genomen met toepassing van de artikelen D.250 en D.251;
  2° de ontwikkeling van de economische activiteit van de landbouwbedrijven;
  3° de door de Regering bepaalde aangelegenheden om de in artikel D.1, § 3, bedoelde doelstellingen te bereiken;
  4° de bij de Europese regelgeving bepaalde aangelegenheden.

  Art. D.128. De privé-adviesinstellingen worden door de Regering erkend overeenkomstig de artikelen D.5 tot D.9.
  De Regering maakt jaarlijks de lijst van de erkende adviesinstellingen bekend.

  Art. D.129. De Regering bepaalt de toekenningsvoorwaarden van de toelagen die aan erkende privé-instellingen voor landbouwadvies of aan erkende federaties worden toegekend.
  Het subsidiespercentage bedraagt minstens tien procent van de beheerskosten en kan deze beheerskosten niet overschrijden.
  De Regering kan de beheerskosten bedoeld in lid 2 bepalen.

  Art. D.130. § 1. De landbouwer kan vrijwillig een beroep doen op het adviessysteem voor landbouwers.
  § 2. De Regering kan de categorieën gerechtigden bepalen die voorrang hebben voor de toegang tot het adviessysteem voor landbouwers.
  De Regering zorgt ervoor dat voorrang wordt verleend aan de landbouwers wier toegang tot een andere adviesdienst dan het adviessysteem voor landbouwers het meest beperkt is.
  § 3. De Regering garandeert de gerechtigden toegang tot een adviesdienst die rekening houdt met de bijzondere toestand van hun bedrijf.

  Art. D.131. De adviesinstelling kan het bedrag van een bijdrage ten laste van de landbouwers vaststellen voor de financiering van haar activiteiten volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten.
  Dit bedrag mag niet hoger zijn dan het bedrag van de kosten die de instelling werkelijk heeft gehad om haar opdrachten te vervullen.

  Art. D.132. De instellingen die als adviessysteem voor landbouwers worden erkend, delen geen bij hun adviseringsactiviteit verkregen persoonlijke of individuele informatie en gegevens mee aan andere personen dan de landbouwer die het betrokken bedrijf beheert, met uitzondering van bij hun activiteit ontdekte onregelmatigheden of inbreuken met inachtneming van de desbetreffende Europese wetgevingen.

  Art. D.133. Bij niet-naleving van de verplichtingen bedoeld in hoofdstuk 3, wordt de toelage van de erkende instelling verminderd of ingetrokken naar gelang van de ernst van de tekortkoming aan zijn verplichtingen.

  Titel V. - Plantaardige producten

  HOOFDSTUK I. - Plantaardige producties

  Art. D.134. De Regering is gemachtigd, wat betreft de activiteiten bedoeld in artikel D.2 en de plantaardige producten die uit deze activiteiten voortvloeien, om elke maatregelen te nemen om :
  1° de voorwaarden te bepalen waarin de handelingen gedaan in dit kader worden uitgevoerd en deze handelingen of de auteur van deze handelingen aan een controle, een registratie, een erkenning of een voorafgaande vergunning onderwerpen en de voorwaarden ervan vastleggen inzake toekenning, wijziging, handhaving, verlenging, beperking, uitbreiding, schorsing, opheffing of intrekking;
  2° de eisen te bepalen inzake productie, uitladen, verwerking, bewerking, monsterneming, analyse, samenstelling, aanwezigheid van residu's, instandhouding, vervoer, behandeling, vervaardiging, bereiding, opslag, gebruik, rangschikking, kwaliteit, kwantiteit, omvang, gewicht, vorm, heffing, prijs, afhouding, toeslag, subsidie, oorsprong, herkomst, triage, verpakking, presentatie, conditionering en reclame waaraan de landbouwproducten moeten voldoen voor zover deze eisen worden opgelegd om een bepaald kwaliteitsniveau te bereiken voor de betrokken producten met het oog op de verbetering van deze kwaliteit of de verbetering van de productietechnieken;
  3° de merken, loodjes, verzegelingen, labels, etiketten, getuigschriften, attesten, bordjes, tekens, verpakkingen, benamingen of andere aanwijzingen of stukken te bepalen waaruit het bestaan van de sub 1° en 2° bedoelde voorwaarden bewezen of te kennen gegeven wordt;
  4° de genetische diversiteit van gewassen te behouden en te verbeteren, de reproductie en de genetische verbetering van planten en plantaardige producten te steunen en te reguleren;
  5° de uitvoering en de naleving te waarborgen van de reglementeringen genomen krachtens de punten 1°, 2° en 4°, door de personen op wie ze van toepassing zijn, en de erkenningsvoorwaarden van de instellingen waaraan hij deze maatregelen overdraagt;
  6° de bezoldigingen, vergoedingen, rechten, taksen, inhoudingen en toeslagen te bepalen die voor de uitvoering van de maatregelen vermeld in deze titel en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten kunnen worden vereist;
  7° het risicobeheer te steunen door preventie, diversificatie en vergoedingen in geval van uitzonderlijke omstandigheden die door de Regering worden omschreven;
  8° zaaizaad en pootgoed aan een facultatieve of verplichte controle te onderwerpen m.b.t. de oorsprong, de identiteit, de zuiverheid van soorten en variëteit, alsook de kwaliteit;
  9° de karakteriserings- en toelatingscriteria te bepalen voor het in de handel brengen van een plantenras;
  10° verzamelingen soorten te handhaven en te kenmerken met het oog op het behoud van de genetische diversiteit.
  De voorwaarden vermeld in lid 1, 3°, strekken ertoe voor bedoelde producten algemeen geldende minimumvereisten in te voeren om in de handel te worden gebracht, verworven, aangeboden, ten verkoop tentoongesteld, in bezit gehouden, bereid, vervoerd, verkocht, geleverd, onder kosteloze of bezwarende titel afgestaan, ingevoerd, uitgevoerd of doorgevoerd te worden. Deze voorwaarden kunnen eveneens ertoe strekken een op kwaliteitsverschillen of bepaalde karakteristieken gebaseerd onderscheid te maken tussen de in de handel gebrachte producten.

  HOOFDSTUK II. - Coëxistentie van genetisch gemodificeerde teelten met conventionele en biologische teelten

  Afdeling 1. - Doel en begripsomschrijvingen

  Art. D.135. Dit hoofdstuk stelt de nadere regels vast inzake coëxistentie tussen conventionele teelten, biologische teelten en genetisch gemodificeerde teelten, bosbouw inbegrepen, overeenkomstig artikel 26bis van Richtlijn 2001/18/EG, zoals gewijzigd bij artikel 43 van Verordening (E.G.) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders waarbij de lidstaten van de Europese Unie ertoe gemachtigd worden om alle nodige maatregelen te nemen om onvoorziene sporen van genetisch gemodificeerde organismen in andere producten te voorkomen.
  Een eerst doel van dit hoofdstuk is de vrijheid van keuze van de producenten te vrijwaren voor een soort teelt en de vrijheid van keuze van de consumenten voor de producten die ze gebruiken.
  Een tweede doel is het economisch verlies, dat zou kunnen voortkomen uit de onverwachte aanwezigheid van genetisch gemodificeerde planten in een conventionele teelt of een biologische teelt, te voorkomen, en, in voorkomend geval, te compenseren.

  Art. D.136. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt verstaan onder :
  1° toezichthoudende overheid : de dienst die door de Regering wordt aangewezen om toezicht uit te oefenen op de uitvoering van dit hoofdstuk;
  2° isolatieafstand : minimaal aan te houden afstand tussen de rand van een gewas met genetisch gemodificeerde planten en de dichtstbijzijnde rand van een conventioneel of biologisch gewas van planten die genetisch verenigbaar zijn met deze genetisch gemodificeerde planten;
  3° genetische gebeurtenis : de combinatie van genen waarin de genetische modificatie van een genetisch gemodificeerde plant is vastgelegd;
  4° Fonds : het "Fonds budgétaire de la qualité des produits animaux et végétaux" (Begrotingsfonds voor de kwaliteit van dierlijke en plantaardige producten) bedoeld in artikel D.189;
  5° eenduidig identificatienummer : identificatienummer dat wordt toegekend aan de genetisch gemodificeerde organismen zoals bedoeld in artikel 3, 4, van Verordening (E.G.) nr. n° 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders en in de bijlage van Verordening (E.G.) nr. n° 65/2004 van 14 januari 2004 tot vaststelling van een systeem voor de ontwikkeling en toekenning van eenduidige identificatienummers voor genetisch gemodificeerde organismen;
  6° teelt : elke teelt van een plantaardig materiaal;
  7° genetisch compatibele plant : niet-genetisch gemodificeerde plant die langs geslachtelijke weg in haar genoom genetisch materiaal kan opnemen van een genetisch gemodificeerde plant;
  8° genetisch gemodificeerde plant, G.G.P. : plant of deel daarvan met het vermogen tot replicatie of tot overdracht van genetisch materiaal en waarvan het genetische materiaal veranderd is op een wijze welke van nature door voortplanting en/of natuurlijke recombinatie niet mogelijk is, overeenkomstig de definitie van een G.G.O. van artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit van 21 februari 2005 tot reglementering van de doelbewuste introductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten.
  9° producent : elke natuurlijke of rechtspersoon die voor eigen rekening een gewas aanplant, ongeacht of hij de landbouwhandelingen, het vervoer en de bijbehorende opslagwerkzaamheden zelf uitvoert;
  10° naburige producent : elke producent die minstens één landbouwperceel uitbaat waarvan de grenzen zich uitstrekken vóór de isolatieafstand;
  11° verzoeker : elke producent van conventionele of biologische teelten die een aanvraag tot compensatie om economisch verlies indient.
  Voor de toepassing van lid 1, 8°, worden de planten verkregen door mutagenese of door celfusie, met inbegrip van protoplastfusie, van plantencellen van organismen die, overeenkomstig bijlage I, b, van het koninklijk besluit van 21 februari 2005 tot reglementering van de doelbewuste introductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten, genetisch materiaal kunnen uitwisselen met behulp van traditionele kweekmethoden, niet beschouwd als genetisch gemodificeerd.

  Afdeling 2. - Toepassingsgebied

  Art. D.137. Dit hoofdstuk geldt voor alle producenten van genetisch gemodificeerde gewassen op basis van variëteiten die in de handel mogen worden gebracht krachtens de Europese wetgeving en de nationale teksten die ze omzetten.
  Dit hoofdstuk geldt voor personen en ondernemingen die zich bezighouden met het vervoer, de opslag of de verwerking van genetisch gemodificeerde planten (GGP's), voor zover deze planten een bron kunnen vormen voor de toevallige aanwezigheid van GGP's in een conventioneel of een biologisch gewas.
  Dit hoofdstuk geldt voor de eigenaar van de grond waarop GGP's zijn aangeplant, evenals voor de eigenaren van de grond die binnen de isolatieafstand ligt.
  Dit hoofdstuk geldt voor de producenten van biologische of conventionele gewassen die percelen verbouwen die binnen de isolatieafstand liggen van een perceel waar genetisch gemodificeerde planten worden geteeld, evenals op iedere producent die aanspraak wil maken op een compensatie uit het Fonds voor een economisch verlies dat is geleden als gevolg van de toevallige aanwezigheid van genetisch gemodificeerde planten in een conventioneel of een biologisch gewas.

  Afdeling 3. - Teelt, kennisgevingen en verplichtingen van producenten en ondernemingen

  Onderafdeling 1. - Principe

  Art. D.138. Onverminderd de bevoegdheden van de federale en gemeenschapsoverheden inzake toelating voor het in de handel brengen van GGO's als product of in producten moet het betrokken perceel van elke teelt van genetisch gemodificeerde planten op het grondgebied van het Waalse Gewest eerst worden ingeschreven bij de toezichthoudende overheid, met inachtneming van de in de artikelen D.139 tot D.141 bedoelde procedure.
  De inschrijving betreft een bepaalde teelt, in een duidelijk afgebakend veld, voor een teeltseizoen.
  De door de toezichthoudende overheid gevolgde procedure voor het onderzoek van het inschrijvingsdossier heeft enkel tot doel te controleren of de in artikel D.139 voorgeschreven kennisgevingen zijn verricht en of het dossier de vereiste stukken en gegevens vermeld in artikel D.141 bevat.

  Onderafdeling 2. - Kennisgevingen aan derden

  Art. D.139. De producent die voornemens is een genetisch gemodificeerd gewas aan te planten, geeft op voorhand kennis van dit voornemen aan :
  1° alle naburige producenten;
  2° alle producenten met wie hij gewoonlijk landbouwmaterieel deelt, ongeacht of dit materieel al dan niet zijn eigendom is;
  3° aan de eigenaar van de grond of elke natuurlijke of rechtspersoon van wie hij de toestemming heeft gekregen de grond uit te baten waarop hij voornemens is het gewas aan te planten, indien hij daarvan niet zelf de eigenaar is.
  Voor de toepassing van lid 1, 1°, wordt de lijst van de naburige producenten ter informatie door de administratie verstrekt aan de producenten die daarom verzoeken.
  Deze voorafgaande kennisgeving is niet van toepassing op de producenten bedoeld in lid 1, 2°, indien het materieel gezamenlijk wordt gebruikt via een landbouwbedrijf.
  De Regering bepaalt de vorm, de minimale inhoud alsook de modaliteiten van deze kennisgevingen.

  Onderafdeling 3. - De aanvraag tot inschrijving

  Art. D.140. De in artikel D.138 bedoelde aanvraag tot inschrijving wordt gericht aan de toezichthoudende overheid volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten en vorm.

  Art. D.141. De aanvraag tot inschrijving bevat :
  1° de volledige identiteit van de producent-aanvrager, met zijn landbouwnummer;
  2° een gedetailleerde kaart op schaal 1/5000e met identificatie van het onder de aanvraag vallend perceel alsook de percelen waarvan de grenzen zich uitstrekken vóór de isolatieafstand met de naam van hun exploitant, zoals bepaald in de meeste recente oppervlakteaangifte en de steunaanvraag ter beschikking van de producent;
  3° de naam van de soort die wordt ingezaaid of aangeplant;
  4° het eenduidig identificatienummer van de genetisch gemodificeerde plant alsmede de naam van de variëteit die zal worden verbouwd;
  5° de teeltperiode;
  6° de schriftelijke verbintenisverklaring van elk naburige producent :
  a) dat hij op deze gronden in hetzelfde teeltjaar geen conventionele of biologische gewassen van een plantensoort zal verbouwen die genetisch verenigbaar is met het beoogde genetisch gemodificeerde gewas;
  b) of, voor de soorten die geen opslag vertonen waarvoor een opvolging inzake coëxistentie tijdens de teeltseizoenen na hun teelt noodzakelijk is, zoals bepaald door de Regering, dat zij op deze gronden in hetzelfde teeltjaar een conventionele gewas van een plantensoort zullen verbouwen die genetisch verenigbaar is met het beoogde genetisch gemodificeerde gewas en waarvan de oogst als G.G.O.-bevattende zal worden gebruikt of in de handel zal worden gebracht;
  7° bij gebrek aan de onder punt 6°, a) of b), vermelde schriftelijke verbintenissen, omvat de aanvraag het bewijs van de kennisgeving van de voorgenomen teelt overeenkomstig artikel D.139, lid 1, 1° ;
  8° een aangifte waarbij wordt bevestigd dat de in artikel D.139, 1, 2° en 3°, vermelde kennisgevingen werden verricht, voorzover deze kennisgevingen zijn vereist;
  9° een verbintenis om de uitvoeringsvoorwaarden bepaald overeenkomstig artikel D.148 na te leven.
  In het geval vermeld in lid 1, 6°, b, moet de teelt worden geëtiketteerd als GGO-bevattende, overeenkomstig de geldende Europese wetgeving De producent die die verbintenis aangaat heeft geen recht op compensatie voor het eventuele economisch verlies ingevolge de verplichting tot etikettering.

  Onderafdeling 4. - Behandeling van de aanvraag

  Art. D.142. § 1. Als het inschrijvingsdossier zonder naleving van de artikelen D.140 en D.141 wordt gericht of aangegeven, richt de toezichthoudende overheid binnen de acht kalenderdagen vanaf de ontvangst van de aanvraag, een schrijven aan de aanvrager met vermelding van de ontbrekende documenten of gegevens, alsook de termijn om die documenten en gegevens mee te delen. De vervaldatum van de termijn mag niet vallen na de uiterste inschrijvingsdatum per soort door de Regering overeenkomstig artikel D.140.
  § 2. Enkel de dossiers die na de uiterste inschrijvingsdatum vermeld in paragraaf 1 worden ingestuurd, zijn onontvankelijk.
  § 3. Als het inschrijvingsdossier de vereiste stukken en gegevens omvat, deelt de toezichthoudende overheid de inschrijving van de teelt aan de producent-aanvrager mee uiterlijk vijfenveertig kalenderdagen vóór de referentiedatum van inzaai bepaald per soort door de Regering.

  Onderafdeling 5. - Bijdrage

  Art. D.143. Elke producent die een teelt van genetisch gemodificeerde planten bij de toezichthoudende overheid inschrijft draagt bij aan het Fonds.
  Wanneer ze overeenkomstig artikel D.142 de inschrijving van de teelt aan de producent-aanvraager meedeelt, bepaalt de toezichthoudende overheid het bedrag van de bijdrage die hij moet betalen. Zolang het juiste bedrag van de bijdrage niet in het Fonds is gestort, mag de teelt niet worden aangeplant of ingzaaid. Elke laattijdig gestorte bijdrage wordt terugbetaald, mits afhouding van de dossierkosten.
  Elke producent die, om welke reden ook, beslist genetisch gemodificeerde planten niet meer te verbouwen op een ingeschreven perceel, ongeacht de reden, geeft onmiddellijk kennis van deze beslissing aan de toezichthoudende overheid. De bijdrage wordt in dit geval terugbetaald, mits afhouding van de dossierkosten.

  Art. D.144. De in artikel D.143 vermelde bijdrage aan het Fonds omvat twee delen :
  1° de door de Regering bepaalde administratiekosten, die betrekking hebben op :
  a) de kosten voor de controle ter plaatse, bepaald per soort volgens de omvang van het te controleren perceel;
  b) de dossierkosten;
  2° de solidariteitskosten, die worden toegewezen aan het Fonds om de economische verliezen van de producenten-aanvragers te compenseren.
  Voor de toepassing van lid 1, 2°, worden de kosten gedekt door een door de producenten betaald bedrag, dat eigen is aan elke verbouwde soort, en bepaald door de Regering per hectare en per perceel. Ze worden met de helft verminderd indien de producent alle percelen uitbaat waarvan de grenzen zich uitstrekken vóór de scheidingsafstand.

  Art. D.145. Drie jaar na de eerste inschrijving van een teelt van genetisch gemodificeerde planten in het kader van dit hoofdstuk, en met een tussentijd van drie jaar, maakt de Regering een aanpassing van de bedragen van de bijdragen in functie van de werkelijke kosten van de controles ter plaatse en van de werkelijke bedragen van de gestorte compensaties, rekening houdend met de noodzaak om een voorraad per soort te behouden.
  De Regering kan de bedragen vaker aanpassen als de aan het Fonds gestorte bijdragen de door het Fonds gestorte compensaties niet compenseren.

  Art. D.146. Elk besluit van de Regering genomen met toepassing van de artikelen D.144 en D.145 wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet door het Parlement wordt bekrachtigd binnen de achttien maanden na de datum van zijn inwerkingtreding.

  Art. D.147. Door middel van zijn aanvraag op grond van artikel D.140 stemt de producent ermee in dat de toezichthoudende overheid aan het publiek de gegevens ter beschikking stelt als bedoeld in artikel D.141, lid 1, 2° tot 5°, evenals zijn naam of bedrijfsnaam alsmede het vestigingsadres van zijn bedrijf. De Regering stelt vast welke gegevens openbaar worden gemaakt, onder welke omstandigheden en op welke wijze, in overeenstemming met het recht op toegang tot milieu-informatie.

  Onderafdeling 6. - Exploitatievoorwaarden

  Art. D.148. § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de federale overheden inzake het in de handel brengen van GGO's als product of in producten, stelt de Regering, naar gelang van de geteelde soorten, de exploitatievoorwaarden vast voor de genetisch gemodificeerde gewassen die bijdragen aan de doelstellingen van artikel D.135, leden 2 en 3.
  § 2. De exploitatievoorwaarden vermeld in paragraaf 1 omvatten :
  1° de isolatieafstand tussen gewassen van genetisch gemodificeerde planten en conventionele gewassen, alsook de isolatieafstand tussen gewassen van genetisch gemodificeerde planten en biologische gewassen;
  2° de verplichtingen waaraan dient te worden voldaan door producenten die gronden uitbaten waarop in het verleden een genetisch gemodificeerd gewas is geteeld en in voorkomend geval door de eigenaar van deze grond;
  3° alle teelthandelingen, ongeacht de aard van de teeltwijze, vanaf de ontvangst van zaden of pootmateriaal tot en met de oogst;
  4° alle noodzakelijke handelingen die eventueel voorafgaan aan de teelt, omwille van de kenmerken van de verbouwde soort, die vóór de teelt moeten worden verricht;
  5° alle nodige handelingen, omwille van de kenmerken van de verbouwde soort, die na de oogst van de teelt moeten worden verricht;
  6° alle maatregelen ter voorkoming van de onvoorziene introductie van genetisch gemodificeerde planten via landbouwmaterieel;
  7° alle vervoers- of opslaghandelingen vanaf de oogst tot het ogenblik waarop de oogst niet meer valt onder de definitie van G.G.P. bedoeld in artikel D.136, lid 1, 8° ;
  8° onverminderd de verplichting tot voorafgaande kennisgeving als bedoeld in artikel D.139, alle overige verplichtingen tot kennisgeving door de producent :
  a) aan natuurlijke of rechtspersonen die bij de teelt betrokken zijn voor alle teelthandelingen, alsmede zij die het vervoer of de opslag van de oogst verrichten, tot het ogenblik waarop de oogst niet meer valt onder de definitie van G.G.P. bedoeld in artikel D.136, lid 1, 8° ;
  b) aan natuurlijke of rechtspersonen die de grond in bedrijf hebben waarop het genetisch gemodificeerde gewas is aangeplant, na de oogst van dit gewas en gedurende een naar gelang van dit gewas vast te stellen periode;
  c) aan personen die landbouwmaterieel gebruiken dat is aangewend in het genetisch gemodificeerde gewas en aan wie geen kennis is gegeven zoals bedoeld in artikel D.139.
  Wanneer de teelt van genetisch gemodificeerde planten door niet genetisch gemodificeerde planten van dezelfde soort wordt begrensd om als buffergebied of als schuilgebied te worden gebruikt, wordt de isolatieafstand bedoeld in het eerste lid, 1°, gemeten tussen de rand van die grens en de dichtstbijzijnde rand van een conventioneel of biologisch gewas van planten die genetisch verenigbaar zijn.
  Voor de toepassing van lid 1, 8°, bepaalt de Regering de modaliteiten voor de kennisgevingen bedoeld in a), b) en c).

  Art. D.149. § 1. De producent van een genetisch gemodificeerd gewas stelt binnen tweeënzeventig uur de toezichthoudende overheid in kennis van alle onverwachte of afwijkende feiten die hij waarneemt op percelen met GGP`s of in de directe nabijheid daarvan. De toezichthoudende overheid maakt dan deze inlichtingen over aan de federale overheden belast met het toezicht van GGO`s die op de markt zijn gebracht.
  § 2. Onverminderd de verplichtingen ten aanzien van traceerbaarheid en etikettering als omschreven in Verordening nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003, vermeldt de producent in een bedrijfsregister alle informatie die noodzakelijk geacht wordt met betrekking tot de geteelde soorten, de teelthandelingen en het vervoer of de opslag, in verband met de doelstellingen van artikel D.135, leden 2 en 3. De producent houdt deze gegevens gedurende een door de Regering vastgestelde termijn op aanvraag ter beschikking van de toezichthoudende overheid.
  De Regering bepaalt de informatie die noodzakelijk wordt geacht, de vorm en de inhoud van het register in functie van de verschillende soorten van genetisch gemodificeerde planten.

  Art. D.150. § 1. De Regering stelt de eventuele verplichtingen vast waaraan dient te worden voldaan door producenten van conventionele of biologische gewassen die gronden bebouwen binnen de isolatieafstand van een toekomstig of reeds aanwezig genetisch gemodificeerd gewas. Deze verplichtingen hebben met name betrekking op de verplichting om binnen een door de Regering voorgeschreven termijn te reageren op de kennisgeving van een voorgenomen teelt als bedoeld in artikel D.139, lid 1, 1°.
  § 2. De Regering kan besluiten dat het achterwege blijven van een reactie op deze kennisgeving de stilzwijgende verplichting inhoudt om in hetzelfde teeltseizoen binnen de isolatieafstand geen plantensoorten te telen die genetisch verenigbaar zijn met het genetisch gemodificeerde gewas, zoals vereist in artikel D.141, lid 1, 6°, a).
  § 3. De Regering stelt vast op welke wijze de verplichtingen als bedoeld in het eerste paragraaf overgaan op de producent die, in voorkomend geval, degene opvolgt die de kennisgeving inzake de voorgenomen teelt als bedoeld in artikel D.139, lid 1, 1°, heeft ontvangen.
  § 4. Indien de opvolgende producent onbekend is, wordt de eigenaar van gronden die zijn gelegen binnen de isolatieafstand verantwoordelijk gehouden voor die overgang van verplichtingen.

  Afdeling 4. - Compensatie van het economische verlies

  Onderafdeling 1. - Bepaling van het economische verlies

  Art. D.151. Voor de conventionele teelten dient te worden verstaan onder economisch verlies, het negatieve verschil tussen de marktwaarde van een oogst die niet geëtiketteerd moet worden als GGO-bevattend overeenkomstig de vigerende Europese wetgeving en de marktwaarde van een gelijksoortige oogst die niet geëtiketteerd moet worden als GGO-bevattend.
  Als de oogst niet op de markt gebracht kan worden omdat hij vermengd is met genetisch gemodificeerde planten, wordt het economische verlies gelijkgesteld met de marktwaarde van een gelijksoortige oogst die niet geëtiketteerd wordt als GGO-bevattend, waarvan in voorkomend geval elk type valorisatie van deze oogst, met inbegrip van een valorisatie binnen de uitbating, wordt afgetrokken.

  Art. D.152. Voor de biologische teelten dient te worden verstaan onder economisch verlies, het negatieve verschil tussen de marktwaarde van een oogst die genetisch gemodificeerde planten bevat en de waarde van een gelijksoortige oogst die op de markt wordt gebracht als product dat de normen vereist voor de producten afkomstig van de biologische landbouw naleeft.
  Als de oogst niet op de markt gebracht kan worden omdat hij vermengd is met genetisch gemodificeerde planten, wordt het economische verlies gelijkgesteld met de marktwaarde van een gelijksoortige oogst die niet geëtiketteerd wordt als GGO-bevattend, waarvan in voorkomend geval elk type valorisatie van deze oogst, met inbegrip van een valorisatie binnen de uitbating, wordt afgetrokken.

  Art. D.153. De bijkomende verliezen door indeling in een lagere klasse of opschorting van een perceel of een product, van een deel of van het geheel van de uitbating komen in voorkomend geval bij het economische verlies.

  Art. D.154. Ongeacht het type teelt omvatten de economische verliezen ook de kosten die, in voorkomend geval, gebonden zijn aan de vernietiging van de oogst alsmede aan elk ander verlies of kosten die in rechtstreeks verband staan met de toevallige aanwezigheid van GMP's in de teelt.

  Art. D.155. De besmette biologische of conventionele teelten zullen op de markt worden gebracht naar keuze van de producenten van deze teelten ofwel door henzelf, of door een door de toezichthoudende overheid aangewezen operator.

  Art. D.156. De Regering bepaat de modaliteiten voor de toepassing van de artikelen D.151 tot D.155.

  Art. D.157. § 1. Een compensatiecommissie wordt opgericht en bestaat uit :
  1° de leidend ambtenaar van de toezichthoudende overheid, die voorzitter is, alsmede uit een lid van deze dienst aangewezen door de leidend ambtenaar;
  2° een vertegenwoordiger van de Waalse landbouwvakorganisaties of diens plaatsvervanger;
  3° een lid van de verenigingen van de sector van de biologische landbouw of diens plaatsvervanger;
  4° een vertegenwoordiger van de handel in de landbouwgrondstoffen of diens plaatsvervanger;
  5° de directeur van het bestuur belast met de landbouwkundige economische analyse of zijn vertegenwoordiger die hij binnen zijn directie aanwijst.
  § 2. De vertegenwoordigers van de Waalse landbouwvakorganisaties, van de biologische landbouw, van de handel en hun plaatsvervangers, worden benoemd door de Minister voor een verlengbare termijn van vijf jaar. De plaatsvervangende leden kunnen de vergaderingen van de commissie bijwonen zonder stemgerechtigd te zijn als het gewoon lid aanwezig is.
  Elk lid van de commissie kan zich laten vergezellen van een deskundige zonder kosten of toelage voor het Fonds. Indien nodig kan de compensatiecommissie zich laten bijstaan door externe deskundigen die in onderlinge overstemming van de aanwezige leden en op voorstel van minstens twee onder hen worden aangewezen.
  § 3. De dienstverleningen van de leden van de compensatiecommissie zijn onbezoldigd met uitzondering van de door de commissie aangewezen buitendeskundigen die recht hebben op een presentiegeld dat door de Regering wordt bepaald. De reiskosten van de gewone leden en van de uitgenodigde externe deskundigen worden door het Fonds terugbetaald onder de door de Regering bepaalde voorwaarden.

  Art. D.158. § 1. De compensatiecommissie wordt ermee belast het door de verzoeker geleden economische verlies al naar gelang het geval en volgens de modaliteiten van artikel D.159 te schatten. Ze beslist bij gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen over elk dossier. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Alleen de eindbeslissing wordt aan de verzoeker medegedeeld.
  § 2. De toezichthoudende overheid maakt jaarlijks een verslag van de door de compensatiecommissie verleende compensaties over aan het in artikel D.163 bedoelde Opvolgingscomité. De anonieme individuele dossiers kunnen ter beschikking worden gesteld van het opvolgingscomité op zijn verzoek.
  § 3. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de bijeenroeping van de compensatiecommissie.

  Art. D.159. Alleen de producent van een conventionele of biologische teelt kan een economische compensatie vragen. De bijenhouders kunnen ook aanspraak maken op een compensatie voor de producten die ze op de markt brengen. De economische compensatie is van toepassing op de verliezen die in rechtstreeks verband staan met de waarde van de besmette oogst, zoals bepaald in de artikelen D.151 en D.152, en op de verliezen bepaald in de artikelen D.153 en D.154. Alleen de kosten voortvloeiend uit de besmetting door genetisch gemodificeerde organismen worden gecompenseerd.
  De marktwaarde wordt door de compensatiecommissie bepaald. De bron voor deze raming, wordt duidelijk vermeld.
  Voor de oogsten waarvan de besmetting duidelijk is aangetoond nadat een verkoopprijs bepaald is, is deze verkoopprijs de marktwaarde die in overweging moet worden genomen voor de bepaling van het economische verlies.
  Voor de oogsten waarvan de besmetting in het licht is gesteld nadat een verkoopprijs bepaald is, stelt de commissie de waarde van de voorkeurmarkt vast op grond van een gemiddelde prijs rekening houdende met de voornaamste schommelingen van de prijs van het product tussen het moment van de oogst en het moment van de evaluatie van het verlies door de commissie.

  Onderafdeling 2. - Compensatie van het economische verlies

  Art. D.160. § 1. Afgezien van de mogelijkheid voor de betrokken partijen om burgerrechtelijke vorderingen uit te oefenen, wordt het economisch verlies als berekend door de compensatiecommissie gecompenseerd door het Fonds indien de benadeelde producent geen genetisch gemodificeerde gewas verbouwt dat wordt gekenmerkt door dezelfde genetische gebeurtenis als die welke ook ten grondslag heeft gelegen aan dit economisch verlies en dat niet heeft geteeld sinds een voor elke betrokken soort door de Regering vastgesteld aantal jaren, in uitvoering van artikel D.148, § 2, eerste lid, 5°. Indien deze producent een genetisch gemodificeerde soort teelt of heeft geteeld die wordt gekenmerkt door dezelfde genetische gebeurtenis als die welke ook aan het economisch verlies ten grondslag ligt, kan dit economisch verlies toch door het Fonds worden gecompenseerd indien de producent van het genetisch gemodificeerde gewas aan de toezichthoudende overheid kan aantonen dat hij heeft voldaan aan alle wettelijke voorschriften in verband met het betrokken bedrijf.
  § 2. Elke aanvraag om een compensatie van economisch verlies wordt gericht aan de toezichthoudende overheid vóór de uiterste datum van ontvankelijkheid van de aanvraag om compensatie bepaald per soort door de Regering . De uiterste datum kan een termijn van vijfenveertig dagen na de datum van het analyseverslag niet overschrijden waarbij de besmetting van de oogst door genetisch gemodificeerde planten wordt vastgesteld.
  De niet-naleving van de termijnen voor de aanvraag om compensatie vernietigt het recht tot compensatie.
  Onder 125 euro wordt geen compensatie uitgekeerd; dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd en kan eventueel worden verminderd overeenkomstig paragraaf 5.
  De regering stelt vast op welke wijze aanvragen om compensatie worden ingediend door producenten-aanvragers, de modaliteiten voor het onderzoek van die aanvragen, alsook op welke wijze de compensatie aan de betrokken producenten wordt uitgekeerd.
  § 3. Zodra het Fonds de compensatie-aanvraag in ontvangst heeft genomen, treedt het in de rechten van de aanvrager ten belope van het bedrag dat als compensatie is betaald voor het geleden economisch verlies. In voorkomend geval kan de aanvrager als medeëiser optreden met het Fonds om zijn schade volledig terugbetaald te krijgen.
  § 4. De in het eerste paragraaf bedoelde compensatie komt ten laste van de producent die een genetisch gemodificeerd gewas heeft aangeplant in strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk en de toepassingsbesluiten ervan. Deze compensatie heeft betrekking op de percelen met conventionele of biologische gewassen waarvan de oppervlakte gedeeltelijk gelegen is binnen de isolatiezone en waarmee economisch verlies wordt geleden vanwege de besmetting door een genetisch gemodificeerde plant die identiek is aan de door de producent van het genetisch gemodificeerde gewas geteelde plant.
  § 5. De in het eerste paragraaf bedoelde compensatie kan worden verminderd indien de producent die het economisch verlies lijdt mogelijk heeft bijgedragen aan de aanwezigheid van genetisch gemodificeerde planten in zijn conventionele of biologische gewas door een gedraging of handelwijzen die het risico van onvoorziene vermenging vergroten.
  De Regering stelt vast onder welke bijzondere omstandigheden de compensatie wordt verminderd of vernietigd en met welk bedrag.
  Indien een beroep op het burgerlijk recht een of meerdere verantwoordelijken aanwijst voor de door het Fonds gecompenseerde economische verliezen, wordt de gestorte compensatie terugbetaald aan het Fonds door de verantwoordelijken, naar rata van hun verantwoordelijkheid, of gelijkelijk indien hun respectievelijke verantwoordelijkheid niet is bepaald.

  Afdeling 5. - Bijzondere maatregelen

  Art. D.161. De toezichthoudende overheid brengt de genetisch gemodificeerde gewassen in het Waalse Gewest in kaart en houdt een register bij van de ingeschreven percelen. Vorm en inhoud van dat register worden door de Regering vastgesteld.
  De gegevens uit dit register kunnen aan de bevoegde federale instantie worden verstrekt ten behoeve van het aanleggen van het register met de plaatsen van geïntroduceerde GGO's als bedoeld in artikel 48, § 2, b, van het koninklijk besluit van 21 februari 2005 tot reglementering van de doelbewuste introductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten.
  Deze documenten worden aan het Waals Parlement gezonden in het kader van het door het Opvolgingscomité op te stellen jaarverslag als bedoeld in artikel D.163.

  Art. D.162. De Regering kan de vrijwillig gesloten overeenkomsten tussen de producenten om een teeltgebied voor een bepaalde soort en periode uitsluitend te bestemmen voor niet genetisch gemodificeerde variëteiten regelgevende kracht verlenen. De grenzen van een zone die is gereserveerd voor niet-genetisch gemodificeerde variëteiten wordt beschermd met een ruimte die overeenkomt met de isolatieafstand bedoeld in artikel D.136, lid 1, 2°.
  De Regering kan voorts bepalen dat een teeltgebied voor een bepaalde soort uitsluitend wordt bestemd voor niet genetisch gemodificeerde variëteiten voor een bepaalde variëteit indien de teelt van de genetisch gemodificeerde variëteiten ervan op basis van wetenschappelijke argumenten niet verenigbaar wordt geacht met het beginsel van coëxistentie, waarbij geen andere maatregel de teelt van conventionele of biologische teelten van een genetisch verenigbare variëteit mogelijk maakt zonder toevallige aanwezigheid van genetisch gemodificeerde planten.
  De Regering bepaalt de modaliteiten voor de toepassing van dit artikel.

  Afdeling 6. - Opvolgingscomité

  Art. D.163. De Regering stelt een opvolgingscomité in voor de toepassing van deze wetgeving en de teelt van genetisch gemodificeerde planten. Zij bepaalt er de samenstelling, de taken alsmede de werkwijze van.
  De Regering stelt een systeem van toezicht in waarmee met name de toezichthoudende overheid de gegevens kan verzamelen die benodigd zijn voor een evaluatie van de op grond van dit hoofdstuk ingevoerde maatregelen.

  Titel IV. - Dierlijke producten

  HOOFDSTUK I. - Dierlijke producties

  Art. D.164. De Regering is, wat de activiteiten betreft bedoeld in artikel D.2 en de dierlijke producten die uit deze activiteiten voortvloeien, gemachtigd om elke maatregel te nemen om :
  1° de voorwaarden te bepalen waarin de handelingen gedaan in dit kader worden uitgevoerd en deze handelingen of de auteur van deze handelingen aan een controle, een registratie, een erkenning of een voorafgaande vergunning te onderwerpen en de voorwaarden ervan vast te leggen inzake toekenning, wijziging, handhaving, verlenging, beperking, uitbreiding, schorsing, opheffing of intrekking;
  2° de eisen te bepalen inzake productie, uitladen, verwerking, bewerking, monsterneming, analyse, samenstelling, aanwezigheid van residu's, instandhouding, vervoer, behandeling, vervaardiging, bereiding, opslag, gebruik, rangschikking, kwaliteit, kwantiteit, omvang, gewicht, vorm, heffing, prijs, afhouding, toeslag, subsidie, oorsprong, herkomst, triage, verpakking, presentatie, conditionering en reclame waaraan de landbouwproducten moeten voldoen voor zover deze eisen worden opgelegd om een bepaald kwaliteitsniveau te bereiken voor de betrokken producten met het oog op de verbetering van deze kwaliteit of de verbetering van de productie- en teelttechnieken;
  3° de merken, loodjes, verzegelingen, labels, etiketten, getuigschriften, attesten, bordjes, tekens, verpakkingen, benamingen of andere aanwijzingen of stukken te bepalen waaruit het bestaan van de sub 1° en 2° bedoelde voorwaarden bewezen of te kennen gegeven wordt;
  4° de uitvoering en de naleving te waarborgen van de reglementeringen genomen krachtens de punten 1°, 2° en 4°, door de personen op wie ze van toepassing zijn, en de erkenningsvoorwaarden van de instellingen waaraan de Regering deze maatregelen overdraagt;
  5° de bezoldigingen, vergoedingen, rechten, taksen, inhoudingen en toeslagen te bepalen die voor de uitvoering van de maatregelen vermeld in deze titel en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten kunnen worden vereist;
  6° het risicobeheer te steunen door preventie, diversificatie en vergoedingen in geval van uitzonderlijke omstandigheden die door de Regering worden omschreven;
  7° de organisatie van de rangschikking, de waarmerking en de aanbieding van de karkassen van slachtvee.
  De voorwaarden vermeld in lid 1, 3°, strekken ertoe voor bedoelde producten algemeen geldende minimumvereisten in te voeren om in de handel te worden gebracht, verworven, aangeboden, ten verkoop tentoongesteld, in bezit gehouden, bereid, vervoerd, verkocht, geleverd, onder kosteloze of bezwarende titel afgestaan, ingevoerd, uitgevoerd of doorgevoerd te worden. Deze voorwaarden kunnen eveneens ertoe strekken een op kwaliteitsverschillen of bepaalde karakteristieken gebaseerd onderscheid te maken tussen de in de handel gebrachte producten.

  HOOFDSTUK II. - Teelt

  Art. D.165. De Regering bepaalt de voorwaarden voor de uitoefening van de volgende activiteiten die betrekking hebben op teelt :
  1° de instelling van stamboeken en registers en het bijhouden ervan;
  2° de opname van fokdieren in de registers en stamboeken;
  3° de toelating van fokdieren tot de voortplanting, met inbegrip van het klonen;
  4° de zoötechnische prestatieonderzoeken en de beoordeling van de fokwaarde van de fokdieren;
  5° de opmaak en de aflevering van certificaten als aanvulling op de inschrijving in een register of een stamboek;
  6° het behoud van de genetische diversiteit.

  Art. D.166. § 1. Overeenkomstig de artikelen D.5 tot D.10 wordt de Regering ertoe gemachtigd om de natuurlijke personen of rechtspersonen die de activiteiten bedoeld in artikel D.165 uitoefenen volgens de voorwaarden die zij bepaalt, te erkennen, te machtigen of te registreren.
  De Regering wordt er ook toe gemachtigd om de procedure tot intrekking van de erkenning, van de machtiging of van de registratie van de personen in bedoeld in lid 1 te stellen.
  In geval van intrekking van de erkenning, machtiging of registratie van een natuurlijke of rechtspersoon, kan de Regering de overhandiging aan de Regering van een afschrift van zijn volledige foktechnische database opleggen.
  De Regering bepaalt de nadere regels van die gegevensoverdracht.
  § 2. De Regering wordt ertoe gemachtigd om de natuurlijke personen of rechtspersonen die sperma, eicellen, embryo's, met inbegrip van de broedeieren en de kuit, winnen, bewerken, opslaan, onder kosteloze of bezwarende titel afstaan, of gebruiken, te erkennen, te machtigen of te registreren volgens de voorwaarden die zij bepaalt.
  § 3. De Regering bepaalt de zoötechnische voorwaarden die van toepassing zijn op het in de handel brengen onder de vorm van een verkoop, het bezit met het oog op een verkoop, de aanbieding voor verkoop alsook op iedere beschikbaarheidstelling, levering, overdracht aan derden tegen of zonder vergoeding, van sperma, eicellen en embryo's met inbegrip van de opmaak en de aflevering van de certificaten die gepaard gaan met deze verkochte of overgedragen sperma, eicellen en embryo's.
  § 4. De Regering wordt ertoe gemachtigd om de bewoordingen "rasdier", "hybride dier", "product van rasdier" en "product van hybride dier", alsook de aanpassing van deze bewoordingen aan een bijzondere soort, voor te behouden voor de dieren en hun producten die voldoen aan de bepalingen getroffen overeenkomstig dit hoofdstuk.
  § 5. Binnen vijfenveertig dagen na de beslissing die vaste datum verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16, wordt een beroep ingesteld bij de Regering tegen de beslissing genomen krachtens paragraaf 1, voor de betrokken persoon overeenkomstig de artikelen D.17 en D.18.

  Art. D.167. § 1. De Regering kan toelagen toekennen bij de inschrijving van dieren in het stamboek van hun ras, ten gunste van de fokkers, houders van dieren en verenigingen belast met het beheer van deze stamboeken.
  § 2. De toelagen kunnen de volgende kosten dekken :
  1° het geheel of een deel van de kosten die betrekking hebben op de instelling en het beheer van de stamboeken;
  2° een deel van de kosten die betrekking hebben op de inschrijving van dieren in het stamboek.
  De Regering bepaalt het percentage van de subsidie voor elk van deze posten.
  De subsidieaanvraag bevat de documenten die door de Waalse Regering vereist worden.
  De toelagen worden toegekend zodra het dier in het stamboek ingeschreven is.
  § 3. Het subsidiepercentage bedraagt minstens 10 en maximum 80 procent van de kostprijs verbonden aan de inschrijving van de dieren in het stamboek.
  De Regering bepaalt de regels volgens welke deze subsidies worden toegekend.

  Art. D.168. De Regering wordt ertoe gemachtigd de volgende acties uit te voeren :
  1° zorgen voor een regelmatige monitoring van de populaties van fokdieren voor elk ras dat nuttig is voor de voeding en de landbouw en de ingezamelde gegevens overdragen naar de nationale, Europese en werelddatabases voor zoögenetische hulpbronnen;
  2° het gevaar voor elk ras bepalen op basis van de ingezamelde gegevens;
  3° de programma's voor de instandhouding van de plaatselijke bedreigde rassen ontwikkelen en steunen;
  4° voor de voortplanting en de genetische verbetering van fokdieren zorgen.

  Art. D.169. § 1. De Regering kan opdrachten van gemeenschappelijk belang toevertrouwen aan rechtspersonen zonder winstoogmerk om bij te dragen tot de verbetering en de ontwikkeling van landbouwgerichte rassen.
  § 2. De Regering kan toelagen toewijzen om de doelstelling vermeld in paragraaf 1 te verwezenlijken.
  De Regering bepaalt de voorwaarden waaraan deze rechtspersonen moeten voldoen om de subsidies te krijgen overeenkomstig de artikelen D.11 tot D.14.
  § 3. Het subsidiespercentage bedraagt minstens 10 en maximum 80 procent van de kostprijs verbonden aan de verbetering en de ontwikkeling van landbouwgerichte rassen.
  De Regering bepaalt de regels volgens welke deze toelagen worden toegekend.

  HOOFDSTUK III. - Indeling van geslachte volwassen runderen en varkens

  Art. D.170. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de uitvoering van de Europse reglementeringen betreffende de indeling van geslachte volwassen runderen en varkens, waaronder de bepalingen betreffende :
  1° het indelingsschema voor geslachte runderen;
  2° de indelingsmethoden;
  3° de erkenning van de classificeerders;
  4° het controlesyteem van de indeling van geslachte runderen;
  5° de vaststelling van desbetreffende vergoedingen;
  6° het beheer en de mededeling van de indelingsresultaten in overeenstemming met de geldende voorschriften voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

  Titel VII. - Bepalingen gemeen aan plantaardige en dierlijke producten

  HOOFDSTUK I. - Europese kwaliteitsregelingen

  Art. D.171. Voor de toepassing van dit hoofdstuk, dient te worden verstaan onder "bevoegde overheid", de autoriteit in de zin van Verordening (E.G.) nr.882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn.

  Art. D.172. § 1. De Regering is belast met de toepassing van een kwaliteitssysteem voor de beschermde oorsprongsbenamingen, de beschermde geografische aanduidingen, gegarandeerde traditionele specialiteiten en de traditionele vermeldingen.
  § 2. De Regering bepaalt de inhoud, de vorm en de modaliteiten voor het indienen van de dossiers betreffende de aanvraag tot registratie van de benamingen waarvoor bescherming wordt gevraagd.
  De Regering bepaalt de inhoud van de raadplegingsprocedure van de dossiers betreffende de aanvraag alsook de procedure voor het onderzoek van de dossiers betreffende de aanvraag, om na te gaan of ze gerechtvaardigd zijn en of ze aan de voorwarden van het desbetreffende systeem voldoen.
  § 3. De Regering bepaalt hoe de beslissingen worden bekendgemaakt en de mogelijke beroepen van de eventuele tegenstanders.
  § 4. De Regering erkent en houdt toezicht op de certificerende instellingen waaraan ze de toezichtsopdracht met betrekking tot de naleving van de productdossiers overdraagt, vóór ze op de markt worden gebracht.
  § 5. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de overdracht van de dossiers bij de Europese Commissie en treft de nodige maatregelen voor de procedure voor het onderzoek van elke oppositie die uit de communautaire raadplegingsfase voortvloeien.
  § 6. De Regering stelt een opvolging in van de Waalse gelabelde producten die ressorteren onder de verschillende systemen en, op verzoek van de desbetreffende instellingen, draagt de ingezamelde gegevens over naar de nationale of Europese databses.
  § 7. De Regering wijst de bevoegde overheid aan die verantwoordelijk is voor de officiële controles op de naleving van de wettelijke verplichtingen betreffende de verschillende systemen, vooraleer de producten op de markt worden gebracht.

  Art. D.173. In afwachting van een Europese erkenning, kan de Regering een voorlopige nationale bescherming verlenen voor een benaming.
  Met het oog op de bevordering van de verschillende systemen kan ze programma's voor hulpverlening aan landbouwers ontwikkelen en steunen.
  Ze treft de nodige maatregelen voor de uitvoering en de naleving van de Europese regelgevingen die de verschillende systemen dekken.

  Art. D.174. De Regering wordt ertoe gemachtigd om facultatieve vermeldingen voor te behouden die niet worden gedekt door het door de Europese Unie ingesteld systeem.
  De Regering treft de nodige maatregelen voor de uitvoering en de naleving van de dwingende voorwaarden gebonden aan voorbehouden vermeldingen, ongeacht of ze onder het Europese systeem vallen of onder de gewestelijke regelgeving.

  Art. D.175. De Regering bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de Europese regelgeving betreffende de biologische productie en de etikettering van biologische producten, waaronder de instelling van de controleregeling waaraan de operatoren worden onderworpen.

  Art. D.176. De Regering stelt een opvolging in van de producten die ressorteren onder de Europese kwaliteitssystemen en, op verzoek van de desbetreffende instellingen, draagt de ingezamelde gegevens over naar de nationale of Europese databses.

  Art. D.177. Het "Agence wallonne pour la Promotion d'une Agriculture de qualité" ingesteld in artikel D.224, is belast met de bevordering van de producten die in aanmerking komen voor de Europese kwaliteitssystemen.

  Art. D.177/1. [1 § 1. Er wordt een degustatiejury opgericht, die bij besluit van de Regering belast is met het houden van degustatiesessies wanneer de Europese wetgeving erin voorziet.
   Die jury gaat na of de producten die in aanmerking komen voor een Europees kwaliteitssysteem, overeenstemmen met de organoleptische normen zoals ze over het algemeen voor kwaliteitsproducten aanvaard worden en met de specifieke organoleptische hoofdcriteria, bepaald voor de benaming waarop ze aanspraak maken.
   De Regering bepaalt het aantal leden van de jury. Ze kan het bedrag van het presentiegeld of de onkostenmodaliteiten waarop de juryleden recht hebben, vaststellen.
   § 2. Naar gelang van de producten bestaat de jury uit de volgende groepen:
   1° een groep producenten;
   2° een groep distributeurs, bereiders, verwerkers, handelaars, commerciële tussenpersonen en vertegenwoordigers van de horeca-, catering- en koffiesector;
   3° een groep van smaakdeskundigen;
   4° een groep van academische deskundigen of erkende deskundigen;
   5° een groep vertegenwoordigers van de Administratie of van andere overheidsdiensten.
   § 3. De jury is samengesteld naar gelang van de betrokken producten.
   De juryleden worden volgens een door de Regering bepaalde procedure aangewezen. Het voorzitterschap van de jury wordt waargenomen door een lid van het college van de vertegenwoordigers van de Administratie of van andere overheidsdiensten.
   De Regering bepaalt de modaliteiten betreffende de voorstelling van de jury, zijn organisatie, zijn werkingswijze en zijn precieze samenstelling in een huishoudelijk reglement dat minstens de methode voor de monsterneming, een evaluatie- en scoringrooster voor de jury alsook een beslissingrooster omvat.
   § 4. Elk lid is stemgerechtigd. De jury beraadslaagt enkel rechtsgeldig als de aanwezige werkende leden, of hun plaatsvervangers, minstens de helft van het totaalaantal werkende leden vertegenwoordigen.
   Na de stemming wordt geen enkele op naam staande informatie medegedeeld. De juryleden nemen het vertrouwelijk karakter van het verloop en de resultaten van de degustaties in acht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 255, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  

  HOOFDSTUK II. - Gewestelijk systeem voor gedifferentieerde kwaliteit

  Art. D.178. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° "productdossier" : het geheel van de voorwaarden gebonden aan een product of aan alle producten met bepaalde kenmerken;
  2° "certificering" : het bewijs van overeenstemming van een product of van alle producten met de eisen van een productdossier;
  3° "keten" : de gezamenlijke operatoren die betrokken zijn bij de vervaardigingsstadia van een landbouw- of agrovoedingsproduct, die samen eenzelfde productdossier behandelen, die georganiseerd zijn om een markt regelmatig te bevoorraden, en die gecoördineerd zijn door een vereniging of een operator die als promotor van de keten optreedt.

  Art. D.179. § 1. De Regering stelt een gewestelijk kwaliteitssysteem in dat toepasselijk is op alle categorieën landbouwproducten en levensmiddelen en waarmee landbouw- of agrovoedingsproducten van gedifferentieerde kwaliteit kunnen worden herkend.
  § 2. De Regering bepaalt de procedure gebonden aan de erkenning van de productdossiers van de landbouw- of agrovoedingsproducten van gedifferentieerde kwaliteit en erkent de certificerende instellingen.
  De Regering zorgt ervoor dat de specificiteit van de producten voortvloeit uit de uitvoering van het erkend productdossier waarvan de naleving door de erkende certificerende instellingen wordt gecontroleerd en onder toezicht van de bevoegde overheid aangewezen krachtens artikel D.181.
  § 3. De erkende productdossiers die tot een differentiatie van de producten leiden waarvoor duidelijk kan worden meegedeeld aan de consument.
  De Regering zorgt voor het voorhandenzijn van een duidelijk kwaliteitsverschil met de standaardproductie, via de kwaliteit van het product dat wordt aangeboden aan de consument. Het betreft een organoleptisch of een voedingsverschil of een verschil dat uit een aangewende productiemethode voortvloeit, daaronder inbegrepen ethische, leefmilieu- of ethologische aspecten.
  4. Voor de sectoren en de producten die zich daartoe lenen, wordt een ketenstructuur aangemoedigd.
  Sectorale minimale eisen kunnen worden bepaald, die een gemeenschappelijk basisbedrag vormen voor het opstellen van productdossiers gedragen door de promotoren van keten van eenzelfde sector.

  Art. D.180. § 1. Alle landbouwers kunnen in aanmerking komen voor de productdossiers bedoeld in artikel D.179, zonder geografische beperking als ze het verschil van de producten duidelijk kunnen verklaren en als ze de doorzichtigheid en de volledige traceerbaarheid van de producten garanderen.
  De productdossiers worden gericht op huidige of voorzienbare commerciële afzetmogelijkheden en ze voorzien bovendien in het in de handel brengen aan de eindconsument, onder de benaming vermeld in het productdossier, van een deel van de productie, dat in functie van de marktsituatie significant wordt geacht.
  § 2. De Regering kan de verplichtingen bedoeld in artikel D.179 alsook in paragraaf 1 bepalen.

  Art. D.181. De Regering wijst de bevoegde overheid aan, die bevoegd is met de toepassing van het gewestelijk kwaliteitssysteem

  Art. D.182. De Regering stelt een opvolging in van de producten die ressorteren onder het gewestelijk kwaliteitssysteem en, op verzoek van de desbetreffende instellingen, draagt de ingezamelde gegevens over naar de nationale of Europese databses.

  Art. D.183. § 1. Een kwaliteitsmerk wordt ontworpen door de Regering met het oog op de zichtbaarheid van het gewestelijk systeem voor gedifferentieerde kwaliteit voor de consument en de bevordering van producten met een gedifferentieerde kwaliteit.
  De Regering bepaalt de vorm van het kwaliteitsmerk alsook de daaraan verbonden regels voor het gebruik ervan.
  § 2. De Regering wordt ertoe gemachtigd om :
  1° de programma's voor hulpverlening aan landbouwers te ontwikkelen en te steunen met het oog op de bevordering van het gewestelijk kwaliteitssysteem;
  2° de nodige maatregelen te treffen voor de uitvoering en de naleving van de regelgevingen die het gewestelijk kwaliteitssysteem dekken.

  Art. D.184. Het "Agence wallonne pour la Promotion d'une Agriculture de qualité" ingesteld in artikel D.224, is belast met de bevordering van de producten met een gedifferentieerde kwaliteit.

  Art. D.184/1. [1 De in artikel 177/1 bedoelde degustatiejury kan door de Regering of haar afgevaardigde via degustatiezittingen ermee belast worden om de conformiteit van de producten die in aanmerking komen voor een gewestelijk systeem inzake gedifferentieerde kwaliteit na te gaan, wanneer het erkende bestek betreffende de betrokken producten hun certificering afhankelijk stelt van het houden van dergelijke zittingen.
   In afwijking van artikel D.177/1, § 3, is de erkende certificerende instelling in dit geval een krachtens artikel D.179, § 2, erkende certificerende instelling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 256, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  

  Hoofdstuk III. - Voedselprogramma's voor de jeugd

  Art. D.185. § 1. De Regering wordt ertoe gemachtigd om het verstrekken van biologische producten aan kinderen, in basis- en secundaire scholen, kribben en andere kleuterscholen of jeugdbewegingen te organiseren overeenkomstig de doelstellingen verwoord in artikel D.1, § 3, eerste lid, 1° en 4°.
  § 2. De Regering kan een bijdrage toekennen die verbonden is aan de bijbehorende kosten, aan de logistiek en aan het verstrekken, aan de uitrusting, aan de communicatie, aan de opvolging en aan de evaluatie.

  Art. D.186. De Regering werkt eerst een strategisch plan uit voor de uitvoering ervan in de zin van de Europese reglementering.

  Art. D.187. § 1. Voor de uitvoering van deze voedselprogramma's voor de jeugd, bepaalt de Regering :
  1° de gewestelijke en de medegefinancierde begroting;
  2° de duur;
  3° de doelgroep;
  4° de producten die in aanmerking kunnen komen;
  5° de steunaanvragers;
  6° de eventuele afwijkingen die in het strategisch plan worden aanvaard;
  7° de geldboetes die van toepassing zijn op de begunstigde van de steun bij niet-naleving van het strategisch plan.
  De uitwerkingsmodaliteiten van de steun bedoeld in lid 1 voldoen aan de beginselen verwoord in titel 10, hoofdstuk 1, afdeling 1, van dit Wetboek.
  § 2. De begunstigden kunnen beroep instellen binnen een termijn van vijfenveertig dagen tegen de beslissing tot toekenning van de steun volgens de modaliteiten bedoeld in de artikelen D.17 en D.18 van hetzelfde Wetboek.
  § 3. De Regering voorziet in de nodige begeleidingsmaatregelen om de doeltreffendheid van het programma te waarborgen.
  § 4. De steunaanvragers worden door de Regering erkend volgens de modaliteiten bedoeld in titel 1, hoofdstuk 3 van het Wetboek.

  Art. D.188. Het "Agence wallonne pour la Promotion d'une Agriculture de qualité" ingesteld in artikel D.224, is belast met de bevordering van de voedselprogramma's.

  HOOFDSTUK IV. - Fonds voor de kwaliteit van de dierlijke en plantaardige producten

  Art. D.189. Overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het decreet van 15 december 2011 houdende organisatie van de begroting en van de boekhouding van de diensten van de Waalse Regering, wordt een begrotingsfonds voor de kwaliteit van de dierlijke en plantaardige producten ingesteld binnen de algemene uitgaven- en ontvangstenbegroting van het Gewest, in dit hoofdstuk "het fonds" genoemd.

  Art. D.190. Een Raad van het Fonds, hierna in dit hoofdstuk "de Raad" genoemd, waarvan de werking door de Regering wordt bepaald, maakt adviezen over op de wijze waarop het Fonds beheerd wordt.
  De Regering bepaalt de punten waarop de adviezen betrekking hebben en degenen aan wie ze worden overgemaakt.
  Een jaarverslag, met vermelding van de financieringsbronnen, de bestemming en de uitvoeringsmodaliteiten, wordt doorgezonden naar de Regering en naar het Parlement.
  De Regering bepaalt de informatie van de administratie die de Raad kan ontvangen om zijn opdracht voort te zetten, alsook de modaliteiten voor de overdracht ervan.
  De Regering kan de modaliteiten bepalen voor de bekendmaking van de adviezen en van het verslag van de Raad.

  Art. D.191. De Raad is samengesteld uit de volgende leden :
  1° één lid of verschillende leden van de administratie van een rang hoger dan of gelijk aan de rang A3 en die bevoegd is (zijn) voor de kwaliteit van de producten;
  2° één lid of verschillende leden van de dienst van de administratie die de kwaliteit van de producten beheren;
  3° een vertegenwoordiger van de Inspectie van Financiën van het Waalse Gewest;
  4° vertegenwoordigers van de Waalse landbouwvakorganisaties.
  De Raad wordt voorgezeten door een persoon van de categorie bedoeld in lid 1, 1°.
  Na overleg met elke betrokken organisatie of sector wijst de Regering de in artikel 1, 4°, bedoelde leden aan, alsook, voor elk van hen, een plaatsvervanger die hun plaats kan innemen in geval van afwezigheid.

  Art. D.192. Het mandaat van deze leden en plaatsvervangers loopt 4 jaar. De mandaten zijn hernieuwbaar. Als een mandaat vóór de verstrijkdatum komt open te staan, wordt een nieuw lid of een nieuwe plaatsvervanger aangewezen om het mandaat van zijn voorganger te voleindigen.
  De Raad adviseert geldig wanneer minstens de helft van de leden aanwezig is.

  Art. D.193. § 1. Aan het fonds worden toegewezen :
  1° de bijdragen die door de Regering worden opgelegd ten laste van de natuurlijke en de rechtspersonen die planten of plantaardige producten, dieren of dierlijke producten voortbrengen, in de handel brengen, vervoeren, bewerken, verwerken, invoeren of uitvoeren;
  2° de verhogingen en de intresten van de bijdragen bedoeld bij 1°, evenals de intresten uit de betalingen;
  3° de bedragen, rechten en vergoedingen opgelegd overeenkomstig titel 5 betreffende de plantaardige producten, titel 6 betreffende de dierlijke producten, en titel 7 betreffende de bepalingen gemeen aan plantaardige en dierlijke producten, geïnd voor de controles en de prestaties van de overheid;
  4° de administratieve geldboeten en dadingen die worden geïnd aan het niet nakomen van de artikelen D.396, eerste lid, 1° en 2°, D.397, §§ 1, 2 en 3, en D.398;
  5° de inningen van vergoedingen en voorschotten verleend in het kader van de titels 5, 6 en 7;
  6° de vrijwillige of contractuele bijdragen;
  7° de inkomsten uit de bijdrage van de Europese unie tot de uitgaven verricht door het fonds.
  § 2. De Regering bepaalt het bedrag van de verplichte bijdragen bedoeld in de artikelen D.134, D.164 en D.170, evenals de wijze van inning ervan.
  Ze bepaalt eveneens de gevolgen van niet-betaling en laattijdige betaling van de aan het Fonds verschuldigde bedragen.
  Elk besluit van de Regering genomen met toepassing van deze paragraaf wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet door het Parlement wordt bekrachtigd binnen de achttien maanden na de datum van zijn inwerkingtreding.
  De middelen van het Fonds dienen te worden besteed aan de financiering of prefinanciering van de uitgaven voor het kwaliteitsbeleid inzake dieren, planten en plantaardige en dierlijke producten bedoeld in de titels 5, 6 en 7.

  Art. D.194. De uitgaven kunnen verband houden met vergoedingen, toelagen of prestaties, meer bepaald de personeels-, werkings-, investerings- of andere kosten verbonden met acties of opdrachten waartoe besloten is in het kader van het Fonds en die door wetenschappelijk personeel of derden zijn doorgevoerd.

  Titel VIII. - Economische organisatie van de landbouw

  HOOFDSTUK I. - Organisaties van producenten en verenigingen van organisaties van producenten en de interprofessionele organisaties

  Art. D.195. § 1. De Regering wordt ertoe gemachtigd de procedure tot toekenning en controle van de erkenningen voor de organisaties van producenten, voor de verenigingen van organisaties van producenten of voor interprofessionele organisaties die actief zijn in de activiteiten bedoeld in artikel D.2. in te stellen.
  § 2. De procedure tot toekenning van een erkenning voorziet op zijn minst :
  1° dat de toekenning van de erkenning aan een organisatie van producenten, of aan een vereniging van organisaties van producenten of aan een interprofessionele organisatie binnen een termijn van vier maanden gebeurt te rekenen vanaf de indiening van de aanvraag samen met al de bewijsstukken bepaald door de Regering;
  2° een voorwaarde op grond waarvan kan worden vastgelegd dat de organisatie van producenten, de vereniging van organisaties van producenten of de interprofessionele organisatie representatief is voor de betrokken sector;
  3° de aanwezigheid van voldoende waarborgen wat betreft de correcte uitvoering van de acties.
  § 3. De controleprocedure voorziet op zijn minst :
  1° de periode waarin een organisatie van producenten, een vereniging van organisaties van producenten of een erkende interprofessionele organisatie gecontroleerd wordt;
  2° de sancties in verhouding tot de vastgestelde tekortkomingen;
  3° de intrekking van de erkenning zodra een organisatie van producenten, een vereniging van organisaties van producenten of een erkende interprofessionele organisatie niet meer representatief is voor de betrokken sector.
  § 4. De diepe onderlinge relatie van de landbouw en zijn producten met de sectoren verder op in de voedingsketen zoals de verwerking en de distributie tonen aan dat de vertegenwoordiging van elk van deze schakels in de betrokken interprofessionele organisaties gerechtvaardigd is.
  Via een permanente, objectieve, transparante en duurzame dialoog tussen deze schakels wordt gestreefd naar een concurrentiële, billijke en evenwichtige werking van de markt van de verschillende producten met inachtneming van het normatieve kader van de Europese Unie.
  § 5. De Regering kan een erkende organisatie van producenten, of een erkende vereniging van organisaties van producenten de toestemming geven om elke andere activiteit dan de productie uit te besteden, ook aan dochterondernemingen, voor zover ze verantwoordelijk blijft voor de uitvoering van de uitbestede activiteit en voor de globale controle van het beheer en het toezicht op het commercieel akkoord betreffende de uitvoering van de activiteit.
  § 6. De Regering kan op verzoek van een erkende organisatie van producenten, van een erkende vereniging van organisaties van producenten of van een erkende interprofessionele organisatie, de regels bepaald door laatstgenoemden goedkeuren die betrekking hebben op de productie en het op de markt brengen van deze producten. De goedgekeurde regels hebben de rechtsgevolgen van een verordening en binden al de personen van de betrokken sector.
  § 7. De erkende organisaties van producenten, de erkende verenigingen van organisaties van producenten en de erkende interprofessionele organisaties kunnen het bedrag van een inhouding ten laste van hun leden vaststellen voor de financiering van hun activiteiten in het kader van het Wetboek. Dat bedrag mag niet hoger zijn dan het bedrag van de kosten die de organisaties werkelijk hebben gehad om hun opdrachten te vervullen.
  § 8. Wanneer de paragrafen 5 en 6 worden toegepast, worden, na akkoord in hun midden met eenparigheid van stemmen en goedgekeurd door de Regering, de erkende organisaties van producenten, de erkende verenigingen van organisaties van producenten en de erkende interprofessionele organisaties ertoe gemachtigd om bijdragen te heffen op al de leden van hun beroepsvereniging.
  § 9. Binnen vijfenveertig dagen na de beslissing die vaste datum verleent aan de verzending overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16, wordt een beroep ingesteld bij de Regering tegen de beslissing betreffende de erkenning van de organisaties van producenten, de verenigingen van organisaties van producenten en de interprofessionele organisaties door de betrokken persoon overeenkomstig de artikelen D.17 en D.18.

  Art. D.196. § 1. De Regering kan de voorwaarden bepalen om de interprofessionele akkoorden goed te keuren die de individuele of collectieve betrekkingen tussen deze representatieve interprofessionele organisaties erkend krachtens artikel D.195 regelen en tot regeling van de rechten en plichten van de contracterende partijen.
  De Regering kan de inhoud bepalen waarop de interprofessionele akkoorden bedoeld in lid 1 betrekking hebben.
  De Regering kan de voorwaarden bepalen om de gemeenschappelijke regels vastgesteld door deze representatieve interprofessionele organisaties goed te keuren. De gemeenschappelijke regels kunnen betrekking hebben op de productie en het op de markt brengen van producten waarop de maatregel en de verdediging van de vertegenwoordigde belangen van toepassing zijn.
  § 2. De Regering kan maatregelen nemen betreffende het in de handel brengen van producten die de werking van de interne markt moeten verbeteren en stabiliseren.
  Wanneer een organisatie van producenten, een vereniging van organisaties van producenten of een interprofessionele organisatie, in een sector bedoeld bij de Europese wetgeving betreffende de gemeenschappelijke ordening van de markt, streeft naar één of meerdere doelstellingen die erin bestaat om het aanbod te concentreren, om de producten ontwikkeld door haar leden op de markt te brengen of om de productiekosten te optimaliseren, kan de Regering maatregelen nemen om hen de mogelijkheid te bieden om in naam van hun leden overeenkomsten te onderhandelen wat betreft het aanbod, voor hun gehele productie of voor een deel daarvan.

  Art. D.197. De Regering is ertoe gemachtigd om, met inbegrip van de toelagen, de groepering van producenten volgens de coöperatiebeginselen te steunen.
  Voor de toelage, met inachtneming van het Europese recht, bedraagt het subsidiepercentage minstens 10 percent van de kostprijs en dit bedrag mag de beheerskosten niet overschrijden.
  De Regering mag de samenstelling van de beheerskosten bedoeld in lid 2 bepalen alsook de regels volgens welke deze toelagen worden toegekend.

  HOOFDSTUK II. - Diversificatie van de landbouwactiviteiten

  Afdeling 1. - Adviesdiensten voor de diversificatie en de eerste verwerking

  Art. D.198. De Regering kan een toelage toekennen aan de diensten die de landbouwers adviseren inzake de diversificatie van hun activiteiten. Deze toelage heeft als doel bij te dragen in de dekking van de beheerskosten van deze diensten.

  Art. D.199. De Regering kan de adviesdiensten voor landbouwers subsidiëren voor de volgende opdrachten :
  1° de individuele begeleiding in hun diversificatie - activiteiten waaronder de eerste verwerking;
  2° de sensibilisering, de informatie en de opleiding van landbouwers voor de diversificatie en valorisatie van hun productie door een eerste verwerking;
  3° de medewerking met de instellingen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken zijn bij de activiteiten betreffende de diversificatie, de verwerking en de korte keten-afzet.

  Art. D.200. Voor de toelage bedoeld in artikel D.198, bedraagt het subsidiepercentage minstens 10 percent van de kostprijs en dit bedrag mag de beheerskosten niet overschrijden.
  De Regering kan de samenstelling bepalen van de beheerskosten bedoeld in lid 1.

  Art. D.201. De adviesdienst kan het bedrag bepalen van de bijdrage die ten laste valt van de landbouwers voor de financiering van zijn activiteiten volgens de modaliteiten bepaald door de Regering.
  Dit bedrag mag niet hoger zijn dan het bedrag van de kosten die de adviesdienst werkelijk heeft gehad om zijn opdrachten te vervullen en voor zover de krachtens deze bijdrage gedragen kosten nooit het voorwerp zijn van een dubbele subsidiëring of een terugbetaling.
  De Regering kan aan de adviesdienst vragen om bij de landbouwers die in aanmerking komen voor de begeleidingsacties een bijdrage te innen voor de financiering van een gedeelte van deze activiteiten. De toegekende toelage zal dan overeenkomen met het deel van de werkingskosten van de adviesdienst dat niet gedekt is door de bijdrage van de begunstigde landbouwers.

  Afdeling 2. - Leerboerderijen

  Art. D.202. Leerboerderijen dragen bij aan de doelstelling vermeld in artikel D.1, § 3, lid 1, 4°. Ze vervullen de opdrachten omschreven als volgt :
  1° pedagogische activiteiten voorstellen aan de bezoekers en kinderen die betrekking hebben op de reële werking van het landbouwbedrijf;
  2° via pedagogische activiteiten, de aandacht van de bezoekers en kinderen vestigen op de diversiteit van het beroep van landbouwer, de planten en dierenwereld, de voedingsfunctie van de landbouw, alsook de duurzame ontwikkeling;
  3° de bezoekers en kinderen bewustmaken voor de economische, sociologische, ecologische, patrimoniale en technologische rol van de landbouw door ze te laten deelnemen aan het dagelijks leven in het landbouwbedrijf;
  4° kwalitatieve animaties garanderen die door bekwame gastvrije landbouwers en gastvrije animators worden verstrekt;
  5° de verankering in de werkelijkheid op het terrein mogelijk maken van de pedagogische informatie verstrekt aan de bezoekers en de kinderen via de ontdekking, de ontspanning en het proeven.

  Onderafdeling 1. - Vergunning en toekenningsvoorwaarden

  Art. D.203. Zonder schriftelijke en uitdrukkelijke voorafgaandelijke vergunning mag niemand krachtens de artikelen D.207 tot D.209 gebruik maken van de benaming "leerboerderij", of van een andere term, vertaling of schrijfwijze die voor verwarring zou kunnen zorgen.
  De vergunning bedoeld in lid 1 wordt hierna "de vergunning" genoemd.

  Art. D.204. § 1er. De Regering levert aan de vergunninghouder een schild af dat overeenstemt met de benaming "leerboerderij". Dat schild blijft eigendom van het Waalse Gewest.
  De Regering stelt het model van het schild vast en bepaalt de regels voor aanbrengen en teruggave ervan.
  § 2. Niemand kan van het schild bedoeld in paragraaf 1, of elke andere tekening of elk ander teken dat naar de benaming "leerboerderij" verwijst, gebruik maken indien hij niet beschikt over de voorafgaandelijke vergunning bedoeld in artikel D.203.

  Art. D.205. De toekenning van de vergunning is afhankelijk van de naleving van de door de Regering bepaalde voorwaarden. Deze voorwaarden hebben betrekking op de voorbeeldrol die moet toelaten om de doelstelling bedoeld in artikel D.1, § 3, lid 1, 4° te bereiken en omvatten minstens :
  1° de kenmerken van de gebouwen en de naaste omgeving van het landbouwbedrijf;
  2° de staat van onderhoud, gezondheid en schoonheid, het comfort en de veiligheid van de gebouwen en de naaste omgeving van het landbouwbedrijf;
  3° de vereiste van specifieke verzekeringen;
  4° het bestaan van een pedagogisch project;
  5° het respect voor het leefmilieu.

  Art. D.206. Wanneer het landbouwbedrijf, tijdens de vergunning, ophoudt met te voldoen aan één van de voorwaarden bepaald door de Regering kan de vergunning worden opgeschort of ingetrokken overeenkomstig artikel D.213.

  Onderafdeling 2. - Vergunningsprocedure

  Art. D.207. De vergunningsaanvraag wordt ingediend bij de Regering of bij de diensten die zij aanwijst.
  Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt de vergunningsaanvraag ingediend door de landbouwer die het landbouwbedrijf zelfstandig beheert, en dat de meerderheid van zijn inkomsten uit zijn landbouwactiviteit haalt.
  De Regering bepaalt de vergunningsprocedure en stelt de inhoud vast van de aanvraag om vergunning. Zij bepaalt ook de vorm van de aanvraag.

  Art. D.208. § 1. De vergunning wordt voor vijf jaar toegekend en kan hernieuwd worden.
  § 2. Elke hernieuwingsaanvraag wordt binnen zes maanden voorafgaand aan de vervaltermijn van vijf jaar ingediend bij de Regering of bij de diensten die zij aanwijst.
  De Regering bepaalt de procedure tot hernieuwing van de vergunning en stelt de inhoud vast van de aanvraag om hernieuwing. Zij bepaalt ook de vorm van de aanvraag.
  In afwijking van paragraaf 1 wordt de duur van de vergunning evenwel verlengd tot aan het einde van de behandeling van de hernieuwingsaanvraag voor zover die aanvraag binnen de termijn bedoeld in lid 1 wordt ingediend.

  Art. D.209. De vergunning geldt enkel voor het landbouwbedrijf waarvoor zij is afgeleverd en voor de vergunninghouder aan wie zij is afgeleverd.

  Onderafdeling 3. - Verbintenissen van de leerboerderijen

  Art. D.210. Onverminderd de voorwaarden voor de toekenning van de vergunning of van de hernieuwing van de vergunning, neemt de gastvrije landbouwer, houder van de vergunning, tijdens de uitbating van de leerboerderij, de verplichtingen bepaald door de Regering in acht.

  Onderafdeling 4. - Beoordeling en controle van de leerboerderijen

  Art. D.211. De Regering wijst de bevoegde diensten aan die moeten zorgen voor de evaluatie en de controle van de leerboerderijen.
  De Regering bepaalt de opdrachten dat de diensten vervullen voor zover dat zij er minstens in bestaan om :
  1° de lijst op te maken van de leerboerderijen;
  2° controle-bezoeken te brengen in de leerboerderijen;
  3° bij elk nuttig middel na te gaan of de leerboerderijen de voorwaarden voor de toekenning en de hernieuwing van de vergunning en hun in acht te nemen verbintenissen tijdens de uitbating in acht nemen;
  4° de leerboerderijen te beoordelen;
  5° adviezen en aanbevelingen te geven en zorgen voor de opvolging bij de leerboerderijen;
  6° de klachten te onderzoeken die eventueel door de bezoekers of de verantwoordelijken voor de kinderen werden ingediend.
  De Regering bepaalt de modaliteiten van de evaluatie en van de controle. Zij bepaalt in dit opzicht de evaluatiecriteria.

  Art. D.212. Met het oog op hun evaluatie overhandigen de leerboerderijen jaarlijks, uiterlijk 1 juli, een activiteitenverslag aan de Regering.
  De Regering bepaalt de inhoud van het activiteitenverslag.

  Art. D.213. Wanneer, tijdens haar vergunningsperiode, blijkt dat de leerboerderij het geheel of een deel van haar verbintenissen klaarblijkelijk niet vervult of dat ze de voorwaarden van voorafgaandelijke vergunning bepaald door de Regering niet naleeft, kan de Regering of de diensten die zij aanwijst de vergunning van het betrokken landbouwbedrijf opschorten of intrekken.
  De Regering bepaalt de procedure voor de opschorting en de intrekking van de vergunning.

  Art. D.214. Zodra de opschorting of de intrekking van de vergunning ter kennis wordt gebracht van het landbouwbedrijf, mag het de benaming "leerboerderij" niet meer gebruiken, en ook geen gebruik meer maken van het schild i.v.m. de benaming.

  Onderafdeling 5. - Beroepen

  Art. D.215. De verzoeker of de houder van een vergunning kan een gemotiveerd beroep bij de Regering indienen tegen de beslissing :
  1° tot weigering van de vergunning;
  2° tot weigering van hernieuwing van de vergunning;
  3° tot schorsing of intrekking van de vergunning.
  Het beroep wordt ingediend binnen dertig dagen na ontvangst van de omstreden beslissing volgens de modaliteiten bedoeld in de artikelen D.17 en D.18.
  Het beroep is opschortend indien het betrekking heeft op een beslissing bedoeld in lid 1, 2° of 3°. In dit geval wordt de beslissing opgeschort tot aan de beslissing van de Regering die over het beroep beslist.

  Art. D.216. Binnen tien dagen na ontvangst van het beroep richt de Regering een bericht van ontvangst aan de verzoeker of aan de houder van een vergunning door elk middel dat vaste datum verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16.

  Art. D.217. Binnen negentig dagen na het versturen van het bericht van ontvangst bedoeld in artikel D.216 beslist de Regering over het beroep en geeft de aanvrager of de houder van een vergunning kennis van haar beslissing.
  De beslissing van de Regering wordt meegedeeld aan de aanvrager of de houder van een vergunning door elk middel dat vaste datum verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16.

  Art. D.218. Indien de verzoeker of de houder van de vergunning de beslissing van de Regering niet gekregen heeft binnen de termijn bedoeld in artikel D.217, lid 1, kan hij een herinneringsschrijven aan de Regering versturen. Dit schrijven wordt verstuurd door elk middel dat vaste datum verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16. De inhoud ervan dient het woord "herinnering" te vermelden en op ondubbelzinnige wijze erom verzoeken dat over het beroep waarvan een afschrift bij het schrijven wordt gevoegd, beslist wordt.
  Indien de kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen dertig dagen te rekenen van de ontvangst van de zending dat de herinnering inhoudt, uitblijft, wordt het stilzwijgen van de Regering geacht een beslissing tot verwerping van het beroep uit te maken.

  Afdeling 2/1. [1 Sociale opvang in een landelijke omgeving]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 33, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Onderafdeling 1. [1 Toepassingsgebied en erkenningsvoorwaarden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 34, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Art. D.218/1. [1 De sociale opvang in een landelijke omgeving draagt bij tot het doel vermeld in artikel D.1, § 3, lid 1, 4°. De opvang :
   1° wordt verricht in een structuur voor sociale opvang in een landelijke omgeving;
   2° is occasioneel of regelmatig, individueel of collectief, met of zonder huisvesting;
   3° is een begeleiding en een deelname aan het dagelijks leven van de landbouwer en de landelijke structuur, gunstig voor manuele activiteiten in verband met de planten- en dierenwereld;
   4° wordt, in voorkomend geval, in samenwerking uitgevoerd met een sociale of gezondheidsstructuur, erkend door de Regering.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 35, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Art. D.218/2. [1 De Regering kan structuren voor sociale opvang in een landelijke omgeving erkennen, met inachtneming van de artikelen D.5 tot D.10.
   De toekenning van de erkenning wordt ondergeschikt gemaakt aan de inachtneming van de voorwaarden, bepaald door de Regering. Genoemde voorwaarden hebben betrekking op de rol van de sociale opvang in een landelijke omgeving met het oog op het nastreven van de doelstelling bedoeld in artikel D.1, § 3, 4°, en bevatten minstens :
   1° de kenmerken van de gebouwen en onmiddellijke omgeving van de structuur voor sociale opvang in een landelijke omgeving;
   2° de staat van onderhoud, gezondheid en schoonheid, het comfort en de veiligheid van de gebouwen en van de onmiddellijke omgeving van de structuur voor sociale opvang in een landelijke omgeving;
   3°de vereiste van specifieke verzekeringen;
   4° het voorhandenzijn van een project voor sociale opvang in een landelijke omgeving.
   De Regering kan de toekenning van de erkenning ondergeschikt maken aan het sluiten van een eenvoudige samenwerkingsovereenkomst waarin minstens een sociale of gezondheidsstructuur, erkend door de Regering, en een structuur voor sociale opvang in een landelijke omgeving verenigd zijn, waarbij de naleving van de goede praktijken van de sociale opvang en de kwaliteit van het project voor sociale opvang gegarandeerd worden.
   De Regering kan een vereenvoudigde procedure voor de verlenging van erkenningen, evenals de inhoud van de aanvraag tot verlenging van erkenningen vastleggen. Zij bepaalt eveneens de vorm van de aanvraag.
   De initiële duur van de erkenning kan worden verlengd tot en met de afhandeling van de verlengingsaanvraag.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 36, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Art. D.218/3. [1 Wanneer de structuur voor sociale opvang in een landelijke omgeving ophoudt, aan één van de door de Regering vastgestelde voorwaarden te voldoen, kan de erkenning opgeschort of ingetrokken worden.
   De Regering bepaalt de procedure voor de opschorting en de intrekking van de vergunning overeenkomstig artikel D.9.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 37, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Onderafdeling 2. [1 Voorwaarde inzake de verbintenis, de evaluatie en de controle]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 38, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Art. D.218/4. [1 Onverminderd de voorwaarden voor de toekenning van de erkenning of van de hernieuwing ervan, verbindt de houder van de erkenning zich tijdens de gehele duur daarvan, ertoe, de verplichtingen bepaald door de Regering in acht te nemen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 39, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Art. D.218/5. [1 De Regering wijst de bevoegde diensten aan die de evaluatie en de controle van de structuren voor sociale opvang in een landelijke omgeving moeten verrichten.
   De Regering bepaalt de opdrachten die de diensten vervullen voor zover genoemde opdrachten minstens strekken tot :
   1° het oplijsten van de structuren voor sociale opvang in een landelijke omgeving;
   2° het verrichten van controlebezoeken in de structuren voor sociale opvang in een landelijke omgeving;
   3° het bij elk nuttig middel nagaan of de structuren voor sociale opvang in een landelijke omgeving de voorwaarden voor de toekenning en de hernieuwing van de vergunning en hun na te leven verbintenissen tijdens de uitbating in acht nemen;
   4° het evalueren van de structuren voor sociale opvang in een landelijke omgeving;
   5° het formuleren van adviezen en aanbevelingen en het verzorgen van de opvolging bij de structuren voor sociale opvang in een landelijke omgeving;
   6° het behandelen van de klachten, eventueel neergelegd door de opgevangen personen die in aanmerking komen voor projecten inzake sociale opvang in een landelijke omgeving of door verantwoordelijken van sociale of gezondheidsstructuren, erkend door de Regering.
   De Regering bepaalt de modaliteiten van de evaluatie en van de controle. Zij bepaalt in dit opzicht de evaluatiecriteria.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 40, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Art. D.218/6. [1 Met het oog op de evaluatie ervan, dienen de structuren voor sociale opvang in een landelijke omgeving, binnen een termijn bepaald door de Regering, een activiteitenverslag in bij de diensten aangewezen door de Regering.
   De Regering bepaalt de inhoud van het activiteitenverslag. Zij kan de inhoud van het verslag laten afhangen van de soort opvang.
   Zij kan bepalen dat het activiteitenverslag opgesteld kan worden met medewerking van of door een dienst bedoeld in artikel D.126/1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 41, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Onderafdeling 3. [1 Beroepen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 42, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Art. D.218/7. [1 De aanvrager of de houder van een vergunning kan een gemotiveerd beroep bij de Regering indienen tegen de beslissing :
   1° tot weigering van de vergunning;
   2° tot weigering van de hernieuwing van de vergunning;
   3° tot schorsing of intrekking van de vergunning.
   Het beroep wordt ingediend binnen dertig dagen na ontvangst van de omstreden beslissing volgens de modaliteiten bedoeld in de artikelen D.17 en D.18.
   Het beroep is opschortend indien het betrekking heeft op een beslissing bedoeld in lid 1, 2° of 3°. In dit geval wordt de beslissing opgeschort tot aan de beslissing van de Regering die over het beroep beslist.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 43, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Art. D.218/8. [1 Binnen tien dagen na ontvangst van het beroep richt de Regering een bericht van ontvangst aan de aanvrager of aan de houder van een vergunning door elk middel dat vaste datum verleent aan de zending overeenkomstig artikel D.15.
   Binnen negentig dagen na het versturen van het bericht van ontvangst bedoeld in vorig lid beslist de Regering over het beroep en geeft de aanvrager of de houder van een vergunning kennis van haar beslissing.
   De beslissing van de Regering wordt meegedeeld aan de aanvrager of de houder van een vergunning door elk middel dat vaste datum verleent overeenkomstig artikel D.15.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 44, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Art. D.218/9. [1 Indien de aanvrager of de houder van de vergunning de beslissing van de Regering niet gekregen heeft binnen de termijn bedoeld in artikel D.218/8, lid 2, kan hij een herinneringsschrijven aan de Regering richten. Dit schrijven wordt verstuurd door elk middel dat vaste datum verleent overeenkomstig artikel D.15. De inhoud ervan dient het woord "herinnering" te vermelden en op ondubbelzinnige wijze erom verzoeken dat over het beroep waarvan een afschrift bij het schrijven wordt gevoegd, beslist wordt. Indien de kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen dertig dagen te rekenen van de ontvangst van de zending dat de herinnering inhoudt, uitblijft, wordt het stilzwijgen van de Regering geacht een beslissing tot verwerping van het beroep uit te maken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 45, 014; Inwerkingtreding : 15-10-2018>
  

  Afdeling 3. - Steun aan de rechtspersonen voor de valorisatie van landbouwproducten

  Art. D.219. De Regering kan investeringstoelagen toekennen aan de rechtspersonen met als maatschappelijk doel de promotie of de valorisatie van de landbouwproducten en waarvan de activiteiten ervoor zorgen dat de doelstellingen vermeld in paragraaf 3 van artikel D.1 worden bereikt.
  De volgende investeringen komen in aanmerking voor de steun bedoeld in het vorige lid :
  1° de aankoop, de bouw of de inrichting van gebouwen bestemd voor activiteiten inzake de verwerking of de afzet van landbouwproducten, met inbegrip van opslagactiviteiten, verricht door landbouwers of coöperatieve verwerkings- en afzetvennootschappen;
  2° de roerende of technische uitrusting van de gebouwen bestemd voor de ontwikkeling van " korte circuits " voor de valorisatie van landbouwproducten.
  Het percentage van de in lid 1 bedoelde steun mag niet hoger zijn dan 90 % van de totale kosten van de in aanmerking komende investeringen en wordt bepaald door de Waalse Regering op grond van de volgende parameters :
  a) ligging in één van de vrije zones bedoeld in artikel 38 van het programmadecreet van 23 februari 2006 betreffende de prioritaire acties voor de toekomst van Wallonië;
  b) aantal gecreëerde rechtstreekse betrekkingen;
  c) aantal landbouwers die bij het project betrokken zijn.
  Bij de projectenoproep bepaalt de Regering de modaliteiten tot behandeling van het dossier, alsmede de ontvankelijkheids- en selectiecriteria voor het project.
  De selectie van de projecten wordt met name uitgevoerd op grond van de volgende criteria :
  1° ratio tussen het aantal gecreëerde rechtstreekse betrekkingen en het bedrag van de in aanmerking komende investeringen;
  2° potentieel aantal landbouwers die in aanmerking komen voor de diensten aangeboden door de infrastructuur;
  3° innoverend karakter van het project;
  4° stand van vordering van het project.
  De Regering kan de modaliteiten van de investeringen bepalen rekening houdend met een terbeschikkingstelling van niet verkoopbare voedingsproducten aan minstens één vereniging die actief is in de voedselhulpsector.
  De Regering kan de leningen aangegaan in het kader van de investeringen bedoeld in het tweede lid waarborgen volgens de modaliteiten voorgeschreven in artikel D.247.
  De waarborg van het Waalse Gewest kan gekoppeld worden aan de gehele of gedeeltelijke terugbetaling in kapitaal, intresten en bijkomende kosten van de leningen aangegaan in het kader van de investeringen bedoeld in lid 2.
  Het gewaarborgde deel van de lening mag in geen geval hoger zijn dan de som van één miljoen vijfhonderdduizend euro per in aanmerking komend project.

  Art. D.220. De Regering kan toelagen verlenen aan de provincies, gemeenten en verenigingen van gemeenten voor de werking, de bouw, de uitbreiding of de verbouwing van openbare slachthuizen met inbegrip van de technische slacht- en koelinrichtingen, alsmede voor de plaatsen en uitrustingen met het oog op het verzamelen en het commercialiseren van de dieren en de uitsnijlokalen.

  Art. D.221. De toelage wordt toegekend op voorwaarde dat het slachthuis de eigendom is van een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten of van een gemengde vereniging waarin de overheid de meerderheid heeft en hetzelfde juridisch statuut behoudt na toekenning van de toelage.
  De Regering onderwerpt de toekenning van de toelage aan bijkomende voorwaarden die te maken hebben met de naleving van de vigerende wetgevingen.

  Art. D.222. De subsidie bedraagt maximaal vijftig procent van het bedrag van de te subsidiëren uitgaven.
  Als de te verwerven onroerende goederen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in artikel D.220 bedoelde werken, kan voor de verwerving van onroerende goederen ook een toelage verleend worden waarvan het percentage gelijk is aan dat welk van toepassing is op het werk waarvoor deze verwerving wordt verricht.

  Titel IX. - Bevordering van landbouwproducten

  HOOFDSTUK I. - Algemeen

  Art. D.223. § 1. De steun bedoeld in deze titel van het Wetboek wordt toegekend onder de voorwaarden bepaald door de vigerende Europese Verordeningen betreffende :
  1° de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren;
  2° de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die visserijproducten produceren, verwerken en afzetten, in het bijzonder de voorwaarde waarbij de steunmaatregelen worden vrijgesteld voor zover zij uitdrukkelijk bepalen dat, tijdens de periode waarin de steun wordt betaald, de begunstigden de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moeten naleven en dat de steun moet worden terugbetaald in verhouding tot de ernst van de overtreding indien blijkt dat de begunstigde deze regels niet naleeft;
  3° bepaalde categorieën van steun die verenigbaar zijn met de interne markt overeenkomstig de artikelen 107 en 108 van het verdrag.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt de steun bestemd voor de bevordering van het imago van de landbouw toegekend overeenkomstig de voorwaarden omschreven in de richtsnoeren van de Europese Unie betreffende de staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en overeenkomstig de voorwaarden omschreven in de beslissingen van de Europese Commissie, met uitzondering van de steun toegekend aan kleine en middelgrote ondernemingen die primaire landbouwproducten produceren.
  In afwijking van paragraaf 1 wordt de steun bestemd voor de reclame van landbouwproducten en voor de generieke reclame van deze producten toegekend overeenkomstig de voorwaarden omschreven in de richtsnoeren van de Europese Unie betreffende de staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en overeenkomstig de voorwaarden omschreven in de beslissingen van de Europese Commissie.
  § 3. In het kader van zijn opdrachten kan het Agentschap bedoeld in artikel D.224 de minimis-steun toekennen overeenkomstig de voorwaarden bepaald door de vigerende Europese Verordeningen betreffende :
  1° de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het verdrag op de de minimis-steun;
  2° de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het verdrag op de de minimis-steun in de landbouwsector
  3° de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het verdrag op de de minimis-steun in de visserijsector.

  HOOFDSTUK II. - "Agence wallonne pour la Promotion d'une Agriculture de qualité" (Waals agentschap voor de promotie van een kwaliteitslandbouw)

  Afdeling 1. - Oprichting en opdrachten

  Art. D.224.Er wordt een instelling van openbaar nut met rechtspersoonlijkheid opgericht onder de benaming "Agence wallonne pour la promotion d'une agriculture de qualité" (Waals Agentschap voor de Bevordering van een Kwaliteitslandbouw), hierna "het Agentschap" genoemd.
  [1 Het Agentschap wordt ingedeeld bij de instellingen van type 2 in de zin van artikel 3, § 1, 4°, b) van het decreet van 15 december 2011 houdende organisatie van de begroting, de boekhouding en de rapportage van de Waalse overheidsbestuurseenheden van de diensten van de Waalse Regering.]1 De bepalingen [1 van dit decreet]1 zijn van toepassing voorzover dit decreet er niet van afwijkt.
  De zetel van het Agentschap is gevestigd in Namen.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 257, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. D.225. Het Agentschap heeft tot doel om de landbouwers en de landbouwactiviteit te steunen door een instelling voor de bevordering en de gespecialiseerde communicatie op te richten op het gebied van landbouw, met inbegrip van de tuinbouw, van hun diensten en de verwerking van landbouwproducten.
  In dit opzicht wordt de Regering bijgestaan door het Agentschap bij de bepaling en de uitvoering van een geïntegreerd en overlegd beleid inzake bevordering van de landbouw, met inbegrip van de tuinbouw, en de landbouwproducten.

  Art. D.226.§ 1. Om zijn doel te bereiken wordt het Agentschap met de volgende opdrachten belast :
  1° met betrekking tot de bevordering van het imago van de landbouw in het algemeen en van de landbouwproducten zonder de oorsprong of het merk te vermelden, ten behoeve van het geheel van de producenten van de betrokken producten :
  a) een positief imago van de landbouw, van haar bedrijven en weldaden ontwikkelen;
  b) het werk van de landbouwers in het licht stellen en beoordelen en hun positief imago ontwikkelen;
  c) de specificiteiten van de landbouw in het licht stellen en beoordelen;
  d) de rol van de landbouwer en van de landbouwproducten in de duurzame ontwikkeling in het licht stellen, alsook hun sociale, culturele, economische, ecologische en gezondheidsfunctie;
  e) de landbouwers steunen en verenigen tijdens evenementen, beurzen, salons en andere gebeurtenissen door ruimtes in te richten die hun vakkennis en de landbouwproducten tonen;
  f) de oprichting steunen van een netwerk van markten die de landbouwproducten valoriseren;
  g) pedagogische acties voeren en de smaakgevoeligheid bevorderen;
  2° wat de bevordering van landbouwproducten en van verwerkte landbouwproducten betreft :
  a) publiciteit maken voor de gamma's producten die geïdentificeerd worden d.m.v. een kwaliteitssysteem zoals bedoeld in titel 7 van het Wetboek, waarbij de oorsprong van de producten uitsluitend als bijkomende informatie mag worden vermeld;
  b) de kwaliteit van de generieke landbouwproducten in het licht stellen, o.a. via generieke informatie over voedingsevenwichten waarbij de oorsprong en het merk van de producten niet mogen worden vermeld;
  c) reclame- en communicatiecampagnes ontwerpen, beheren en organiseren wat betreft de landbouw- en agrovoedingsproducties;
  de verschillende wijzen van distributie van de generieke landbouwproducten bevorderen, waarbij de oorsprong en het merk van de producten niet mogen worden vermeld;
  3° wat de commerciële en technische bijstand van de betrokken actoren betreft :
  a) deelnemen aan acties of acties steunen en voeren die de zichtbaarheid van de betrokken actoren moet verbeteren;
  b) verschillende diensten voor de betrokken actoren ontwikkelen en organiseren;
  c) aan de verschillende operatoren gegevens over de keten verstrekken om hen te helpen bij het uitstippelen van hun beleid en bij het opvolgen van hun acties;
  4° wat betreft de labels, logo's, benamingen en merken die op initiatief van het Agentschap of de Regering geregistreerd zijn :
  a) de operationele tenuitvoerlegging van deze labels, logo's, benamingen en merken, met inbegrip van, in voorkomend geval, de inachtneming van de bijbehorende bestekken, handvesten of reglementen;
  b) het recht om deze labels, logo's, benamingen en merken te gebruiken, toe te kennen of in te trekken;
  c) de zichtbaarheid en de bevordering van deze labels, logo's, benamingen en merken verzekeren.
  § 2. In de uitoefening van zijn opdrachten bedoeld in de eerste paragraaf is het Agentschap ertoe gemachtigd om overheidsopdrachten voor eigen rekening uit te voeren of voor de rekening van andere overheden. Daarvoor kan het Agentschap overgaan tot de gunning van samengevoegde opdrachten en optreden als aankoop- of opdrachtcentrale.
  § 3. [1 ...]1
  § 4. Het Agentschap geeft de Europese Commissie kennis van elke actie die ondernomen is in het kader van de opdrachten bedoeld in paragraaf 1, lid 1, 2°, en waarvan de jaarlijkse begroting vijf miljoen euro overschrijdt.
  § 5. Worden uitgesloten van de steun toegekend [1 krachtens § 1]1, de bedrijven die het voorwerp uitmaken van een bevel tot recuperatie na een beslissing van de Europese Commissie waarin steun die het bedrijf ontvangen heeft met de interne markt onwettig en onverenigbaar wordt verklaard.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 258, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. D.227.[1 In het kader van de uitoefening van zijn opdrachten kan het Agentschap buiten de grenzen van België optreden met de samenwerking van het "Agence wallonne à l'Exportation" (Waals Agentschap voor Uitvoer).]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 259, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. D.228. § 1. In het kader van de uitoefening van zijn opdrachten kan het Agentschap elke activiteit ontwikkelen en uitvoeren die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking heeft op zijn opdrachten.
  § 2. Het Agentschap ontwikkelt elke vorm van samenwerking met openbare of private partners i.v.m. zijn opdrachten. Daartoe is het Agentschap gemachtigd om overeenkomsten te sluiten met deze partners.
  In geval van samenwerking met openbare of private partners met betrekking tot de opdrachten bedoeld in artikel D.226, § 1, lid 1, 1° en 2°, in derde landen aan de Europese unie, worden de volgende voorwaarden in acht genomen :
  1° de acties mogen niet op handelsmerken worden toegespitst en ook niet aanzetten tot de consumptie van een product wegens zijn bijzondere oorsprong; de oorsprong van het product mag evenwel worden aangeduid als het gaat om een aanwijzing in hoofde van de toepasbare EG-regelgeving;
  2° de boodschappen zijn gegrond op de intrinsieke kwaliteiten of kenmerken van het betrokken landbouwproduct;
  3° de acties kunnen o.a. acties zijn i.v.m. public relations, bevordering en reclame die betrekking hebben op generieke producten of voorlichtingscampagnes die betrekking hebben op producties uit de biologische teelt of producties die geïdentificeerd worden d.m.v. een kwaliteitssysteem zoals de beschermde oorsprongbenaming, de gegarandeerde traditionele specialiteiten en de beschermde geografische aanduiding;
  4° specifieke bedrijven mogen geen voordeel trekken van de acties, noch de verkoop van landbouwproducten van andere lidstaten in het gedrang brengen of deze landbouwproducten denigreren;
  5° de boodschappen komen overeen met de wetgeving die van toepassing is in de derde landen waarvoor ze bestemd zijn;
  6° de producten die het voorwerp uitmaken van de acties staan vermeld in bijlage II, deel A, bij Verordening (E.G.) nr. 501/2008 van de Europese Commissie van 5 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (E.G.) nr. 3/2008 van de Raad inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen;
  7° de markten van de derde landen waarin deze acties plaatsvinden staan vermeld in bijlage II, deel B, bij Verordening (E.G.) nr. 501/2008 van de Europese Commissie van 5 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (E.G.) nr. 3/2008 van de Raad inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen.

  Art. D.229.§ 1. [2 Op voorstel van de Raad van bestuur neemt de Regering jaarlijks het operationeel plan van het Agentschap aan.]2
  Het operationeel plan geeft de middelen en hulpbronnen die het Agentschap de mogelijkheid biedt om zijn opdrachten te vervullen en om de doelstellingen bedoeld bij dit hoofdstuk van het Wetboek te halen, [2 ...]2. Het bestaat minstens uit het overkoepelend strategisch plan en per keten, en uit het bevorderingsprogramma dat jaarlijks uitgevoerd zal worden.
  [1 De Regering kan in nadere regels voorzien voor de aanpassing van het operationeel plan.]1
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 Het operationeel plan wordt uitgewerkt na voorafgaandelijk advies van het in artikel D.70 bedoelde producentencollege. Het uitgebrachte advies omvat in bijlage de aanbevelingen van de leden van het producentencollege die de beroepsverenigingen van de agrovoedings- en distributiesector vertegenwoordigen alsook de aanbevelingen van elke sector die bijdraagt via de bijdragen bedoeld in artikel D.234 zonder in het producentencollege te worden vertegenwoordigd. Het advies wordt aan het Strategisch Comité voor landbouwbeleid en aan de Regering meegedeeld.
   Het producentencollege kan ook te allen tijde een advies, aanbeveling of initiatiefvoorstel uitbrengen met betrekking tot elk vraagstuk i.v.m. het operationeel plan en zijn uitvoering.]2
  § 4. Het Strategisch Comité voor landbouwbeleid kan een advies, aanbeveling of voorstel uitbrengen i.v.m. dit ontwerp van operationeel plan alsook t.o.v. het advies uitgebracht door het producentencollege.
  Het Strategisch comité overhandigt zijn eventuele adviezen, aanbevelingen en voorstellen aan de Regering.
  § 5. Het Agentschap legt jaarlijks aan de Regering een evaluatie voor van de gevoerde acties overeenkomstig het operationeel plan aangenomen krachtens artikel D.229, met inbegrip van de relevantie van de instrumenten en van de doeltreffendheid van hun uitvoering, alsook elk voorstel betreffende de te nemen maatregelen en het te voeren beleid om de verkregen resultaten te verbeteren in het kader van de uitoefening van zijn opdrachten.
  De evaluatie van de acties wordt uitgevoerd door het producentencollege, van de leden van het College van producenten die de beroepsverenigingen van de agrovoedings- en distributiesector vertegenwoordigen alsook de vertegenwoordigers van elke sector die bijdraagt via de bijdragen bedoeld in artikel D.234 zonder in het producentencollege te worden vertegenwoordigd, daarbij te betrekken.
  Deze evaluatie vormt één van de delen van het jaarlijks verslag bedoeld in artikel D.239.
  ----------
  (1)<DWG 2014-12-12/02, art. 129, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 260, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. D.230. De ontbinding van het Agentschap mag slechts bij decreet beslist worden. Dat decreet regelt de wijze van ontbinding. De nettoactiva die bij de ontbinding van het Agentschap bestaan, worden op de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest gestort.

  Afdeling 1/1. [1 Samenstelling, bevoegdheid en werking van de Raad van bestuur]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 261, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. D.230/1. [1 § 1. De Raad van bestuur bestaat uit vijftien leden die door de Regering worden benoemd en die verdeeld zijn als volgt:
   1° zes vertegenwoordigers van de landbouwers voorgedragen door de landbouwvakorganisaties, onder wie minstens een vertegenwoordiger van de biologische landbouw en minstens één vertegenwoordiger van de landbouwer van het Duitse taalgebied;
   2° een vertegenwoordiger van de tuinbouwers, voorgedragen door de beroepsorganisaties van de tuinbouwsector;
   3° twee vertegenwoordigers van de sector van de verwerking voorgedragen door de beroepsfederaties van de sector van de verwerking;
   4° een vertegenwoordiger van de sector van de distributie;
   5° een vertegenwoordiger van de representatieve verenigingen van de consumenten;
   6° twee vertegenwoordigers voorgedragen door het Producentencollege;
   7° een vertegenwoordiger van het "Agence wallonne à l'exportation";
   8° een vertegenwoordiger van de Regering.
   Voor elk lid kan de Regering een plaatsvervanger op basis van dezelfde procedure die voorzien is voor een lid benoemen. De plaatsvervanger vervangt het lid dat afwezig is of verhinderd is.
   Maximum twee derde van de in het eerste lid bedoelde leden zijn van hetzelfde geslacht.
   De voorzitter of de ondervoorzitter wordt benoemd onder de vertegenwoordigers van de landbouwers of van de tuinbouwers bedoeld in 1° en 2°.
   § 2. De volgende personen wonen ook de vergaderingen van de Raad van bestuur met raadgevende stem bij:
   1° de directeur-generaal van het Agentschap;
   2° de Regeringscommissaris;
   3° in voorkomend geval, personen uitgenodigd door de Raad van bestuur voor hun bevoegdheid naar gelang van de behandelde aangelegenheden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 262, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. D.230/2. [1 § 1. In afwijking van artikel 6 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder gaat de Regering binnen een termijn van drie maanden vóór het verstrijken van het mandaat over tot een nieuwe benoeming van de leden van de Raad van Bestuur overeenkomstig artikel D.230/1. Aan het einde van het mandaat blijven de leden hun mandaat volledig uitoefenen totdat in hun vervanging is voorzien.
   § 2. Onverminderd artikel 9 van het decreet van 12 februari 2014 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder kunnen de organisaties die bestuurders overeenkomstig artikel D.230/1, § 1, 1° tot 5°, voorgedragen hebben, de Regering voorstellen om het mandaat van lid van de Raad van bestuur vervroegd te beëindigen indien het lid hen niet langer geldig vertegenwoordigt.
   § 3. In afwijking van artikel 6 van het decreet van 12 februari 2014 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder benoemt de Regering bij ontslag, bij overlijden of afzetting van één van de leden van de Raad van besuur zijn plaatsvervanger overeenkomstig artikel D.230/1, die het mandaat van zijn voorganger voltooit. Bij ontslag of afzetting blijft het lid van de Raad van bestuur zijn mandaat volledig uitoefenen totdat in zijn vervanging is voorzien.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 263, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. D.230/3. [1 § 1. De Raad van bestuur stelt zijn huishoudelijk reglement vast dat ter goedkeuring aan de Regering wordt voorgelegd.
   Op voorstel van de directeur-generaal wijst de Raad van bestuur zijn secretaris onder de leden van het personeel van het Agentschap aan.
   § 2. De beslissingen van de Raad van bestuur worden genomen bij meerderheid van stemmen.
   De Raad van bestuur beraadslaagt op geldige wijze als minstens de meerderheid van zijn benoemde leden aanwezig zijn.
   De verhinderde leden kunnen een volmacht geven aan een ander lid van de Raad van bestuur. Elke bestuurder beschikt niet over meer dan één enkele volmacht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 264, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. D.230/4. [1 § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de Regering, beschikt de Raad van bestuur over alle bevoegdheden die nodig zijn voor de werking en het beheer van het Agentschap.
   De Raad van bestuur is belast met:
   1° de uitwerking van het jaarlijks operationeel plan van het Agentschap dat hij daarna aan de Regering voorlegt;
   2° de jaarlijkse vaststelling van de begrotingsvoorstellen voor het volgende boekjaar, overeenkomstig de algemene voorschriften gegeven door de Regering en overeenkomstig de bepalingen van het in artikel D.231/1 bedoelde beheerscontract;
   3° de vaststelling van de rekeningen voor de uitvoering van de begroting, het beheer en de vermogenswijzigingen van het afgelopen begrotingsjaar;
   4° de beslissingen betreffende de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, onverminderd de bevoegdheden die de Regering aan de leidend ambtenaren verleent;
   5° het aanvaarden van schenkingen en legaten;
   6° de opmaking vóór 30 april van het volgende jaar van een jaarlijks activiteitenverslag dat een evaluatie van de gevoerde acties, met inbegrip van de relevantie van de instrumenten en de doeltreffendheid van hun uitvoering in het kader van het in artikel D.231/1 bedoelde beheerscontract omvat.
   § 2. Zodra ze de in § 1, 6°, bedoelde evaluatie ontvangt, maakt de Regering ze ter informatie over aan het Waals Parlement.
   § 3. De Raad van bestuur kan thematische werkgroepen oprichten, waarvan hij de samenstelling en de werkingswijze vaststelt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 265, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. D.230/5. [1 De Raad van bestuur kan de Regering voorstellen tot wijziging in de wetten, decreten of besluiten die hij moet toepassen, voorleggen. De Raad van bestuur kan ook adviezen over elk voorstel van decreet of over elke wijziging betreffende de wetgeving die het Agentschap moet toepassen, aan de Regering richten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 266, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. D.230/6. [1 De Regering verzoekt de Raad van bestuur om advies over ieder voorontwerp van decreet, ontwerp van besluit van de Regering of ontwerp van ministerieel besluit waarbij de opdrachten van het Agentschap of de uitvoering ervan gewijzigd kunnen worden.
   De Raad van bestuur geeft advies binnen een termijn van één maand te rekenen van de datum waarop het voorontwerp wordt ingediend. Na verloop van die termijn wordt aan het advies voorbijgegaan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 267, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. D.230/7. [1 Het bedrag van de vergoedingen voor reis- en verblijfkosten en van de presentiegelden die toegekend moeten worden aan de voorzitter, de ondervoorzitters, de leden van de Raad van bestuur en de Regeringscommissaris wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 15bis van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder. Die vergoedingen en presentiegelden zijn ten laste van de begroting van het Agentschap.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 268, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 2. - Dagelijks beheer

  Art. D.231.§ 1. Het Agentschap wordt geleid door een directeur-generaal, die door een adjunct-directeur-generaal bijgestaan wordt.
  De directeur-generaal wordt door de Regering aangewezen voor een mandaat onder de voorwaarden vastgesteld bij titel II van boek II van het besluit van de Waalse Regering houdende de Waalse Ambtenarencode.
  De adjunct-directeur-generaal wordt door verhoging in graad bevorderd onder de voorwaarden vastgesteld bij titel III van boek II van het besluit van de Waalse Regering houdende de Waalse Ambtenarencode.
  § 2. [1 De Regering bepaalt de delegaties van bevoegdheden en handtekeningen die aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal toegekend worden.
   Onverminderd de delegaties bepaald door de Regering voert de directeur-generaal de beslissingen van de Raad van bestuur uit en brengt hij hem driemaandelijks verslag uit over de uitvoering ervan; hij verstrekt hem alle inlichtingen en doet hem alle voorstellen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van het Agentschap.
   De directeur-generaal neemt het dagelijks beheer waar voor alle opdrachten die bij dit decreet aan het Agentschap opgedragen worden. Daartoe kan hij alle handelingen tot bewaring van recht, alle handelingen tot uitvoering van de door de Raad van bestuur of door het uitvoerend bureau genomen beslissingen, en alle handelingen die, wegens hun belang of de gevolgen die ze op het Agentschap hebben, niet buitengewoon zijn, die niet leiden tot een verandering van administratief beleid en die de lopende zaken van het Agentschap afhandelen, verrichten. Hij oefent elke andere opdracht uit, die hem door de Raad van bestuur of door het uitvoerend bureau wordt toegewezen.]1
  [1 § 3. De Directeur-generaal informeert de voorzitter van de Raad van bestuur en van het uitvoerend bureau, die op eigen initiatief of op verzoek van de Raad van bestuur handelt, over de in het kader van het dagelijkse beheer verrichte handelingen en verstrekt hem alle uitleggen die erop betrekking hebben.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 269, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Afdeling 2/1. [1 Controle]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 270, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. D.231/1. [1 Het Agentschap staat onder het toezicht van de Regering. De opdrachten van het Agentschap worden uitgeoefend overeenkomstig de prioriteiten en krijtlijnen die vastgelegd zijn in een door de Regering en de Raad van bestuur gesloten beheersovereenkomst.
   Onverminderd artikel 8 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het beheerscontract en de verplichtingen tot informatieverstrekking loopt de beheersovereenkomst drie jaar en wordt bij de begroting van het Agentschap gevoegd.
   De beheersovereenkomst slaat minstens op :
   1° de algemene doelstellingen die het Agentschap toegewezen worden voor de komende drie jaar;
   2° de aan te wenden middelen om ze te bereiken;
   3° de evaluatie-indicatoren van de acties en van de resultaten.
   Onverminderd artikel 6 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het beheerscontract en de verplichtingen tot informatieverstrekking wordt de overeenkomst gesloten tussen de Regering en de Raad van bestuur uiterlijk bij de goedkeuring door de Regering van de begroting van het eerste jaar waarop ze betrekking heeft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 271, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. D.231/2. [1 De Regering benoemt een commissaris overeenkomstig het decreet van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissarissen en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut.
   De Regeringscommissaris beschikt over de ruimste bevoegdheden om zijn opdrachten te vervullen in het kader van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de Regeringscommissarissen en de controleopdrachten van de revisoren binnen de instellingen van openbaar nut.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 272, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 3. - Personeel van het Agentschap

  Art. D.232. De Regering legt de personeelsformatie vast.

  Art. D.233. Het Agentschap mag contractueel personeel in dienst nemen uitsluitend om :
  1° aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften te voldoen hetzij voor de inwerkingstelling van tijdelijke acties hetzij wegens een uitzonderlijke werktoename;
  2° personeelsleden te vervangen in geval van totale of gedeeltelijke afwezigheid, ongeacht of ze in dienstactiviteit zijn, wanneer de duur van deze afwezigheid een vervanging tot gevolg heeft waarvan de modaliteiten in het statuut vastliggen;
  3° hulptaken of specifieke taken te vervullen waarvan de lijst eerst door de Regering bekendgemaakt wordt;
  4° te zorgen voor de uitvoering van opdrachten die bijzondere kennissen of een brede hoogstaande expertise vereisen, die beide relevant zijn voor de uit te voeren opdrachten.
  De Regering bepaalt de modaliteiten van indienstneming van het contractueel personeel overeenkomstig lid 1.

  Afdeling 4. - Financieel beheer

  Art. D.234.§ 1. Het Agentschap ontvangt verplichte bijdragen, [1 ...]1 die bestemd zijn voor [1 de bevordering van landbouwproducten en verwerkte landbouwproducten]1. Deze verplichte bijdragen zijn voor rekening van de natuurlijke personen of rechtspersonen die deze landbouwproducten produceren of verwerken.
  De Regering bepaalt de lijst van de productiesectoren die aan de inning van deze verplichte bijdragen onderworpen zijn.
  De Regering bepaalt de grondslag, het percentage, de eventuele vrijstellingen en de inningsmodaliteiten van deze verplichte bijdragen.
  Elk besluit dat krachtens dit artikel wordt genomen, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet door het Parlement is bekrachtigd binnen de achttien maanden te rekenen van zijn inwerkingtreding.
  § 2. [1 Het Agentschap kan de vrijwillige bijdragen innen ten laste van de personen die wensen de diensten van het Agentschap te genieten, volgens de door de Regering bepaalde nadere regels en procedures.]1
  § 3. Het Agentschap kan vergoedingen innen vanwege de betrokken ondernemingen als tegenprestatie van de diensten verleend door het Agentschap in het kader van zijn opdrachten bedoeld in artikel D.226, § 1, lid 1, 3°.
  ----------
  (1)<DWG 2014-12-12/02, art. 130, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. D.235. Het Agentschap beschikt over de volgende middelen :
  1° de ontvangsten uit zijn activiteiten, met inbegrip van de verplichte bijdragen bedoeld in artikel D.234, § 1, de vrijwillige bijdragen bedoeld in artikel D.234, § 2 en de vergoedingen als tegenprestatie van de diensten bedoeld in artikel D.234, § 3;
  2° de jaarlijkse subsidies ten laste van de begroting van het Waalse Gewest en de bijkomende subsidies ten laste van de begroting van het Waalse Gewest;
  3° de opbrengsten uit zijn vermogen;
  4° de door de Regering toegelaten giften en legaten;
  5° de opbrengsten uit peterschap of cofinanciering;
  6° de Europese fondsen toegekend in het kader van de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten.

  Art. D.236. De Regering maakt het jaarlijkse begrotingsontwerp van het Agentschap op, waarbij rekening wordt gehouden met het operationeel plan aangenomen krachtens artikel D.229.
  Het wordt gevoegd bij het ontwerp van de uitgavenbegroting van het Waalse Gewest en ter goedkeuring voorgelegd aan het Parlement. De goedkeuring wordt verkregen via de stemming van de bepalingen die het Agentschap betreffen in het decreet houdende de uitgavenbegroting van het Waalse Gewest.
  De Regering bepaalt de datum waarop het begrotingsontwerp moet vastliggen.

  Art. D.237. Het gebrek aan goedkeuring op de eerste dag van het begrotingsjaar staat het gebruik van de in het begrotingsontwerp opgenomen kredieten niet in de weg, behalve als het gaat om uitgaven van een nieuw princiep die de begroting van het voorafgaande jaar niet toelaat.

  Art. D.238. Overdrachten en overschrijdingen van kredieten die op de begroting van het Agentschap opgenomen zijn, vereisen de toelating door de Regering.
  De overwogen kredietoverschrijdingen die een hogere financiële tegemoetkoming tot gevolg hebben dan die waarin de begroting van het Gewest aanvankelijk voorzag, worden eerst goedgekeurd via de stemming van een overeenstemmend krediet op de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest.

  Art. D.239. § 1. Het Agentschap bezorgt de Regering periodieke standen en een jaarverslag over zijn activiteiten, met inachtneming van de modaliteiten die de Regering bepaalt.
  Het jaarverslag wordt door de Regering aan het Parlement overgemaakt uiterlijk 30 april van het jaar dat volgt op bedoeld jaar.
  § 2. Het Agentschap maakt de jaarrekening van de uitvoering van zijn begroting op, alsook een balans, vergezeld van een resultatenrekening, uiterlijk 30 april van het jaar na bedoeld jaar.
  § 3. De Regering organiseert een boekhouding van het Agentschap.

  Art. D.240. § 1. De Regering bepaalt de bijkomende regels i.v.m. :
  1° de overlegging van de begrotingen;
  2° de boekhouding;
  3° de aflegging van rekeningen;
  4° de periodieke standen en verslagen.
  § 2. De Regering bepaalt de regels i.v.m. :
  1° de vastlegging van de ontvangsten en de bestemming ervan;
  2° de wijze waarop de bestanddelen van het vermogen geschat worden;
  3° de wijze van berekening en bepaling van het maximumbedrag van :
  a) de afschrijvingen;
  b) de speciale reserves en provisies vereist wegens het soort activiteiten van het Agentschap.

  Titel X. - Steun inzake landbouw en aquacultuur

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

  Afdeling 1. - Steun

  Art. D.241. Er wordt door de Regering steun voorzien om de doelstellingen van artikel D.1, § 3 te bereiken.

  Art. D.242. De Regering bepaalt voor de toekenning van de steun aan de activiteiten bedoeld in artikel D.2 :
  1° de aanvraagprocedure;
  2° de periodes gedekt door de steun;
  3° de toekenningsvoorwaarden;
  4° de bedragen;
  5° de controles;
  6° de verlagingspercentages.
  Voor de toepassing van lid 1, 4°, kan de Regering een minimaal en een maximaal steunbedrag per begunstigde en per steun bepalen.
  Voor de toepassing van lid 1, 5°, stelt de ambtenaar die de controle uitvoert in een rapport vast dat de voorwaarden voor de toekenning van de steun niet worden nageleefd. Dit rapport vermeldt alle gegevens die nodig zijn om de toe te passen steunverlaging te beoordelen Het wordt overgemaakt aan het betaalorgaan.
  Voor de toepassing van lid 1, 6°, kunnen de ambtenaren die de controle uitvoeren een waarschuwing richten aan de vermoedelijke verantwoordelijke voor de niet-naleving van de voorwaarde inzake steuntoekenning indien de overtreding onbelangrijk is.
  De waarschuwing vermeldt de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de vaststelling en legt een regularisatietermijn vast.
  Als de waarschuwing mondeling wordt gericht, wordt ze binnen een termijn bepaald door de Regering schriftelijk bevestigd door de ambtenaar die de auteur is van de waarschuwing. De ambtenaar maakt een afschrift van de waarschuwing over aan het betaalorgaan binnen een door de Regering bepaalde termijn.

  Art. D.243. De Regering is ertoe gemachtigd de selectiecriteria te bepalen die moeten zorgen voor :
  1° de gelijke behandeling van de steunaanvragers;
  2° een beter gebruik van de financiële middelen;
  3° de bepaling van de maatregelen.
  De selectiecriteria vermeld in lid 1 worden evenredig bepaald rekening houdende met de omvang van de financiële operatie.

  Afdeling 2. [1 Reguleringsinstrumenten]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 273, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.244. De Regering wordt ertoe gemachtigd om de maatregelen te nemen die nodig zijn voor de invoering van rechten en kwantitatieve productiebeperkingen.
  De Regering voorziet op zijn minst in :
  1° de procedure van mededeling aan de kopers en aan de landbouwers van de referentiehoeveelheden en de referentiepercentages van de producten die aan deze kwantitatieve productiebeperkingen zijn onderworpen;
  2° de individuele referentiehoeveelheid van elke landbouwer in geval van verkoop van de producten die aan kwantitatieve productiebeperkingen zijn onderworpen;
  3° een nationale reserve waarin de referentiehoeveelheden "leveringen" en "rechtstreekse verkoop" apart worden geboekt;
  4° de mobiliteit van deze rechten en kwantitatieve productiebeperkingen;
  5° de boetes en het beheer ervan.

  Art. D.244/1. [1 De Regering kan maatregelen treffen die nodig zijn voor de regulering van de prijzen op de markten bedoeld in artikel D.2, § 1, 5°.
   Voor de toepassing van het eerste lid voert de Regering de maatregelen uit inzake:
   1° aankoop en verkoop;
   2° particuliere opslag;
   3° afgifte aan betrokken economische operatoren van de certificaten voorzien in het kader van de maatregelen voor de regulering van de prijzen op de markten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 274, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  

  Afdeling 3. - Investeringssteun

  Art. D.245. Met inbegrip van de investeringssteun in het kader van landbouwactiviteiten steunt de Regering :
  1° de uitvoering van de activiteiten bedoeld in artikel D.2;
  2° de instandhouding of de verhoging van de rentabiliteit van de landbouwactiviteiten;
  3° de vermindering van de kostprijs van de productie van dieren, planten, dierlijke en plantaardige producten;
  4° de vereenvoudiging en de versnelling van de administratieve stappen voor de afgifte van de vergunningen en licenties.
  De Regering bepaalt de indieningsvoorwaarden van de aanvragen om investeringssteun.

  Art. D.246. § 1. De Regering bepaalt de toekenningsvoorwaarden van de steun voor de maatregelen die bestemd zijn om :
  1° de kennis te verbeteren en het menselijke vermogen te verstevigen;
  2° het fysiek kapitaal te herstructureren en te ontwikkelen en de innovatie te promoten;
  3° de kwaliteit van de productie en van de producten te verbeteren;
  4° de landbouwactiviteiten te diversifiëren of verricht in of vanuit het bedrijf.
  § 2. De Regering bepaalt de toekenningsvoorwaarden van de steun voor de niet-productieve investeringen die noodzakelijk zijn om de milieudoelstellingen na te leven.
  § 3. Voor de verwerking en het in de handel brengen van de producten uit de aquacultuur kan de Regering de volgende elementen bevorderen :
  1° de bouw;
  2° de uitbreiding;
  3° de uitrusting;
  4° de modernisering van de bedrijven.
  De steunmaatregelen bepaald door de Regering laten het volgende toe : de arbeidsvoorwaarden verbeteren, de kwaliteitsnormen halen, de negatieve gevolgen op het milieu beperken, de verwerking en het in de handel brengen van de plaatselijke producten uit de visserij en de aquacultuur, van de weinig gebruikte soorten en van de bijproducten aanmoedigen.

  Art. D.247. § 1. De Regering bepaalt de voorwaarden volgens welke het Waals Gewest :
  1° de terugbetaling in kapitaal waarborgt voor leningen die toegekend worden aan een landbouwer door de daartoe erkende openbare of privé-kredietinstellingen;
  2° subsidies aan de kredietinstellingen toekent opdat ze leningen tegen een verminderde rentevoet zouden kunnen verlenen;
  3° subsidies toekent die de uitvoering van de verrichtingen bedoeld in artikel D.246 moeten vergemakkelijken;
  4° bij wijze van uitzondering leningen verleent wanneer, vanwege het bijzonder karakter van de geplande verrichting, geen enkele erkende kredietinstelling deze verrichting zou kunnen afhandelen.
  De garantie vult de door de kredietaanvrager gestelde zekerheden aan en dekt niet meer dan 75 percent van het toegestane kapitaal van het krediet dat betrekking heeft op gesubsidieerde investeringen met uitzondering van de belasting op de toegevoegde waarde.
  § 2. De rentesubsidie heeft niet tot gevolg om de rentevoet te verminderen tenzij een percentage door de Regering wordt bepaald.
  § 3. Bij ten onrechte gestorte bedragen, zijn de artikelen D.259 en D.260 van deze titel van toepassing.
  § 4. Bij in gebreke blijven van de landbouwer zullen de kredietinstellingen :
  1° het Waals Gewest op de hoogte brengen volgens de vereiste vorm en binnen de door de Regering voorgeschreven termijnen op straffe van een vermindering van de last van de garantie van het Waalse Gewest in de door de Regering bepaalde vormen;
  2° de zekerheden verwezenlijken binnen een door de Regering vastgelegde termijn.
  De kredietinstellingen verdelen de teruggevorderde bedragen evenredig tussen het gewaarborgde deel van het krediet en het niet-gewaarborgde deel.

  Art. D.248. De Regering stelt een procedure tot toekenning en tot intrekking in van de erkenning van de kredietinstellingen.
  De procedure tot toekenning van de erkenning voorziet dat de kredietinstelling voldoende garanties moet geven m.b.t. :
  1° het efficiënt beheer van de dossiers;
  2° haar financiële capaciteit om de leningen te verzekeren.
  De controleprocedure van de erkenning voorziet :
  1° controles, op regelmatige tijdstippen, om zich ervan te vergewissen dat de kredietinstellingen de erkenningsvoorwaarden naleven;
  2° sancties die worden toegepast indien de kredietinstelling de erkenningsvoorwaarden niet naleeft;
  3° dat de kredietinstelling met een onvoldoende financiële capaciteit om leningen te verzekeren haar erkenning verliest.

  Afdeling 4. - Maatregelen voor de verbetering van de landelijke ruimte en het milieu

  Art. D.249.De Regering steunt de maatregelen voor het gebruik van de landbouwgronden met inachtneming van de milieudoelstellingen.
  De Regering wordt ertoe gemachtigd maatregelen te nemen voor :
  1° de landbouwers die in een ander probleemgebied gelegen zijn dan de landbouwers in de berggebieden;
  2° [1 de landbouwers en grondbeheerders gelegen in Natura 2000-sites of in sites die in aanmerking komen voor het Natura 2000-net alsook de maatregelen bedoeld in Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt en tot omzetting van Richtlijn 2000/60/EG;]1
  3° de steun aan een milieuvriendelijke landbouw;
  4° de steun aan de biologische landbouw.
  De Regering wordt ertoe gemachtigd betalingen te verrichten ten gunste van het dierenwelzijn.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 275, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Afdeling 5. - Randvoorwaarden

  Art. D.250. De Regering treft alle uitvoeringsmaatregelen met het oog op de naleving van de normen inzake goede landbouw- en milieucondities en van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen, op het gebied van leefmilieu, klimaatverandering, biodiversiteit, kwaliteit van de producten, gezondheid van de dieren en van de planten en het dierenwelzijn.

  Afdeling 6. - Vergroening

  Art. D.251. De Regering treft alle uitvoeringsmaatregelen betreffende de invoering van landbouwpraktijken die goed zijn voor het klimaat, het milieu, de kwaliteit van de producten en de plattelandsontwikkeling.

  HOOFDSTUK II. - Bevoegde overheid en betaalorgaan

  Art. D.252. De Regering is de bevoegde overheid belast met de toekenning en de intrekking van de erkenning van het betaalorgaan.

  Art. D.253. De Regering richt een opvolgingscomité op voor de erkenning van het betaalorgaan. Dat comité wordt belast met elke taak die nuttig is voor de effectieve uitvoering van de opdrachten die krachtens de Europese wetgeving aan de bevoegde overheid toegewezen worden.

  Art. D.254.§ 1. De Regering wijst de verantwoordelijke van het betaalorgaan aan die de machtiging heeft om [1 de ordonnancering en]1 de vereffening van de uitgaven i.v.m. de ELGF, ELFPO-rekeningen goed te keuren, alsook de gewestelijke medefinancieringen en de gewestelijke financieringen m.b.t. de opdrachten waarvan het beheer door de Regering aan het betaalorgaan werd toevertrouwd. [1 De door de Regering aangewezen verantwoordelijke van het betaalorgaan is de gemachtigd ordonnateur van het betaalorgaan.]1
  § 2. Wanneer de Europese wetgeving het voorziet, wijst de Regering de entiteit en de verantwoordelijke uit zijn midden aan die de machtiging heeft om de vereffening van de uitgaven i.v.m. de Europese medefinancieringen besteed aan de sectoren van de aquacultuur en de verwerking goed te keuren, alsook de gewestelijke medefinancieringen en de gewestelijke financieringen die ermee verband houden.
  De Regering houdt rekening met de erkenningsvoorwaarden opgelegd door de Europese verordening in voorkomend geval.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 276, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.255. § 1. Het betaalorgaan houdt zich bezig met het beheer en de controles van de aanvragen en met de betaling van de steun uitbetaald krachtens deze titel en stelt de onrechtmatige betalingen vast.
  § 2. De Regering kan de bepaling bedoeld in paragraaf 1 uitbreiden naar het geheel van de steun m.b.t. de landbouwactiviteiten omschreven in artikel D.2.

  Art. D.256. Met uitzondering van de uitbetaling van de communautaire steun kan het betaalorgaan de opdrachten die hem door de Europese regelgeving werden opgedragen, aan andere personen overdragen.
  Binnen de perken van de Europese wetgeving is het betaalorgaan verantwoordelijk voor het beheer van het GBCS overeenkomstig artikel D.24, § 4 van dit Wetboek.

  HOOFDSTUK III. - Administratieve beroepen

  Art. D.257. § 1. Bij de betrokken personen kan een beroep ingesteld worden tegen de beslissingen die krachtens deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten genomen zijn binnen vijfenveertig dagen volgend op de indiening van de beslissing of van een bericht van de postdiensten dat wijst op deze zending, bij de betrokken persoon overeenkomstig de artikelen D.17 en D.18.
  § 2. De betwiste beslissingen m.b.t. de landbouwsteun bedoeld in deze titel maken het voorwerp uit van een beroep bij het betaalorgaan.
  De Regering kent de beroepsmogelijkheden tegen de beslissingen die te maken hebben met :
  1° de deelname aan de lening die krachtens artikel D.247 beslist is;
  2° de erkenning van de financiële instellingen genomen krachtens artikel D.248;
  3° de erkenning van het betaalorgaan genomen krachtens artikel D.252.

  HOOFDSTUK IV. - Invorderingsmodaliteiten

  Art. D.258. De bedragen die door elke persoon verschuldigd zijn, vanwege steun bedoeld in hoofdstuk 1 dat ten onrechte betaald werd, kunnen worden afgetrokken van de steun die hem moet betaald worden tijdens het lopende jaar of in de toekomstige jaren.
  De compensatie is van toepassing overeenkomstig de artikelen 1289 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

  Art. D.259. § 1. Het betaalorgaan kan een dwangschrift opleggen in geval van onrechtmatige betalingen of niet-betaling van een administratieve geldboete bedoeld in de artikelen D.400 en D.401.
  Het dwangschrift mag niet worden uitgeoefend voor bedragen van minder dan 100 euro of voor het bedrag opgenomen in de Europese wetgeving.
  § 2. Het dwangschrift wordt betekend bij deurwaardersexploot.
  Het bevelschrift valt onder de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk wetboek.

  Art. D.260. Binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de betekening kan de landbouwer bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet doen, houdende dagvaarding bij de bevoegde rechtbank van eerste aanleg. Als de termijn op een zaterdag, zondag of feestdag verstrijkt, wordt hij tot de eerstvolgende werkdag verlengd.
  Het verzet bedoeld in lid 1 is opschortend.
  Het betaalorgaan kan, vóór de definitieve regeling van het geschil, een procedure in kortgeding inleiden bij de voorzitter van de rechtbank waar dit geschil in eerste aanleg aanhangig wordt gemaakt, teneinde betrokkene te doen veroordelen tot betaling van een provisie op het bij dwangschrift gevorderde bedrag.

  Titel X/1. [1 - Steun bij het verhelpen van schade bij landbouwrampen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2017-03-23/24, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  

  Art. D.260/1. [1 In de zin van deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
   1° de begunstigde : de micro-onderneming, de kleine of middelgrote onderneming die een landbouwactiviteit in het Waalse Gewest heeft die rechtstreeks of onrechtstreeks de productie beoogt van gewassen of dieren of van producten van gewassen of dieren in de zin van artikel D.3, 1°;
   2° de landbouwramp : ofwel
   a) het natuurverschijnsel met een uitzonderlijk karakter of een uitzonderlijke hevigheid;
   b) de massieve en onvoorzienbare werking van schadelijke organismen die belangrijke en algemene vernielingen hebben teweeggebracht van gronden, teelten of oogsten;
   c) de ziekten en vergiftigingen met een uitzonderlijk karakter die belangrijke en veralgemeende verliezen van voor de landbouw nuttige dieren hebben veroorzaakt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2017-03-23/24, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  

  Art. D.260/2. [1 De Regering kent steun toe :
   1° voor het verhelpen van schade bij natuurrampen in de landbouwsector;
   2° voor de compensatie van schade door ongunstige klimaatverschijnselen die met een natuurramp gelijkgesteld kunnen worden;
   3° voor het verhelpen van schade veroorzaakt door dierenziektes en voor gewassen schadelijke organismen.
   Die steun wordt verleend tegen de voorwaarden omschreven in de Europese verordeningen, de richtsnoeren van de Europese Unie en de beslissingen van de Europese Commissie betreffende de toepassing van artikelen 107 en 108 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2017-03-23/24, art. 8, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  

  Art. D.260/3. [1 Behoudens in de gevallen waarin het herstel georganiseerd wordt door een bijzondere wetgeving of internationale overeenkomsten en bij gebreke van iedere andere financiële interventie kent de Regering de begunstigde financiële steun toe voor het verhelpen van de rechtstreekse, materiële en vaststaande schade veroorzaakt door een landbouwramp op een landbouwbedrijf gelegen in het Waalse Gewest.
   De goederen, omstandigheden en schade die redelijkerwijs verzekerbaar zijn vallen niet onder deze titel. Elke verplichting uit een verzekeringscontract die de begunstigde te beurt valt wordt op onweerlegbare wijze geacht, redelijk te zijn. De Regering stelt de erkende risico's en schade vast die als redelijkerwijs verzekerbaar worden geacht.
   Een gebeurtenis die erkend wordt als algemene natuurramp in de zin van het decreet van 26 mei 2016 betreffende het herstel van sommige schade veroorzaakt door algemene natuurrampen wordt niet als landbouwramp in de zin van dit decreet beschouwd.
   Het recht op steun ontstaat op het ogenblik van de schade.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2017-03-23/24, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  

  Art. D.260/4. [1 § 1. De Regering erkent iedere landbouwramp in diens geografische uitgestrektheid en in de tijd.
   Landbouwrampen die een eenheid van tijd, oppervlakte, materieel of gevolgen vertonen kunnen erkend worden als één enkele landbouwramp vormend.
   De Regering bepaalt de erkenningscriteria van de landbouwramp, evenals de desbetreffende procedure.
   § 2. Een gemeentelijke commissie tot vaststelling van de schade stelt de landbouwschade vast, veroorzaakt door een landbouwramp op het grondgebied van betrokken gemeente en stelt een proces-verbaal op tot vaststelling van de schade, waarvan de inhoud door de Regering bepaalt wordt.
   De gemeentelijke commissie bestaat uit:
   1° de burgemeester of diens vertegenwoordiger;
   2° een personeelslid van de administratie;
   3° een landbouwer-deskundige, aangewezen door het gemeentecollege;
   4° een landbouwer-deskundige of een deskundige in land- of tuinbouwzaken, aangewezen door de administratie.
   Het lid bedoeld in 2, 1°, zit de gemeentelijke commissie voor.
   De leden bedoeld in lid 2, 3° en 4°, worden aangewezen wegens hun deskundigheid en hun competentie in land- of tuinbouwzaken.
   Een personeelslid van de plaatselijke controle van de directe belastingen wordt eveneens uitgenodigd op de vergaderingen van de commissie.
   De Regering bepaalt de regels voor de aanwijzing van de commissieleden, de werkingsregels evenals de gevallen waarin de gemeentelijke commissie niet samenkomt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2017-03-23/24, art. 10, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  

  Art. D.260/5. [1 De schade veroorzaakt aan volgende landbouwgoederen kan aanleiding tot steun geven :
   1° grond met een land- of tuinbouwbestemming;
   2° gewassen, onder uitsluiting van exotische gewassen;
   3° oogsten;
   4° fokdieren bedoeld in artikel D.3, 14°, nuttig voor de landbouw.
   De personen die bijgedragen hebben tot het zich voordoen van de schade worden van de bij dit decreet voorziene steun uitgesloten voor zover het zich voordoen van de schade toe te schrijven is aan hun handelen of hun nalaten.
   Schade toe te schrijven aan brand, blikseminslag of ontploffing geeft niet aanleiding tot steun.
   De Regering kan de lijst van vergoedbare goederen en de lijst van de goederen en de schade waarvoor de steun uitgesloten is, nader omschrijven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2017-03-23/24, art. 11, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  

  Art. D.260/6. [1 De Regering bepaalt :
   1° de procedure voor de toekenning van de steun, met inbegrip van de te raadplegen organen;
   2° de voorwaarden voor de toekenning van de steun;
   3° de bedragen van de steun, de kortingen, vermeerderingen en verminderingen;
   4° de methodes voor de beoordeling en vereffening van de schade;
   5° de maatregelen voor de expertise en de controle.
   Betreffende 3° kan de Regering een minimaal en een maximaal steunbedrag per begunstigde en per steun bepalen.
   Het instellen van een vordering tot aansprakelijkheid met het oog op herstel wegens schade belemmert het verkrijgen van de steun niet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2017-03-23/24, art. 12, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  

  Art. D.260/7. [1 De begunstigde beschikt over een mogelijkheid tot beroep tegen de beslissingen die krachtens deze titel en zijn uitvoeringsbesluiten genomen zijn en volgens de nadere regels vastgesteld door de Regering.
   Een gewestelijk comité inzake landbouwrampen behandelt de ingediende beroepen en maakt de Minister een voorstel tot beslissing over.
   Een gewestelijk comité inzake landbouwrampen bestaat uit :
   1° een vertegenwoordiger van de Minister;
   2° twee personeelsleden van de Administratie;
   3° een deskundige in de landbouweconomie;
   4° drie vertegenwoordigers voorgedragen door de Waalse landbouwverenigingen bedoeld in de artikelen D.68 en D.69.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2017-03-23/24, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  

  Titel XI. - Beheer van de landbouwruimte en van de landelijke ruimte

  HOOFDSTUK I. - Landbouwwegen

  Art. D.261.§ 1. De Regering kan de ondergeschikte besturen subsidies toekennen voor de verbetering van de gemeentewegen met een landbouwkarakter die onder het openbaar domein van de gemeenten vallen.
  § 2. De subsidies kunnen het volgende dekken :
  1° het geheel of een deel van de kosten van de subsidieerbare werken, btw inbegrepen;
  2° een deel van de onderzoekskosten inzake veiligheidscoördinatie, voorafgaande geotechnische proeven en controle van de materialen;
  3° een deel van het bedrag van de schatting verricht, naar keuze, door [2 het Aankoopcomité]2, [1 ...]1 door een notaris, door een landmeter-deskundige opgenomen in de tabel opgesteld door de Federale Raad van landmeters-experten of door een architect ingeschreven bij de Orde der Architecten in geval van aankoop van onbebouwde onroerende goederen.
  De Regering bepaalt het percentage van de subsidie.
  § 3. De subsidieaanvraag bevat de documenten die door de Waalse Regering vereist worden.
  § 4. Het percentage van de subsidie bedraagt minimum 30 percent en maximum 80 percent van de kosten van de subsidieerbare werken.
  De Regering bepaalt de regels volgens welke deze subsidies worden toegekend.
  De Regering bepaalt de voorzieningen die het leefmilieu in acht moeten nemen en de ontwikkeling van de biodiversiteit moeten bevorderen bij de verbetering van de gemeentewegen met een landbouwkarakter.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 277, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  HOOFDSTUK II. - Bescherming tegen erosie en bestrijding van overstromingen

  Afdeling 1. - Subsidies aan de plaatselijke besturen

  Art. D.262.§ 1. De Regering kan subsidies toekennen aan de ondergeschikte overheden voor de uitvoering van werken en inrichtingen die dienen om de bodemerosie te beperken en het afvloeiende water tegen te houden zodat de landbouwkundige waarde van de grond behouden kan worden en de aan de stroomafwaarts gelegen goederen toegebrachte schade beperkt blijft.
  § 2. De subsidies kunnen het volgende dekken :
  1° het geheel of een deel van de kosten van de subsidieerbare werken, btw inbegrepen;
  2° een deel van de onderzoekskosten inzake veiligheidscoördinatie, voorafgaande geotechnische proeven en controle van de materialen;
  3° een deel van het bedrag van de schatting verricht, naar keuze, door [2 het Aankoopcomité]2, [1 ...]1 door een notaris, door een landmeter-deskundige opgenomen in de tabel opgesteld door de Federale Raad van landmeters-experten of door een architect ingeschreven bij de Orde der Architecten in geval van aankoop van onbebouwde onroerende goederen;
  4° een deel van de vergoeding in geval van erfdienstbaarheid voor tijdelijk onder water zetten.
  De Regering bepaalt het percentage van de subsidie.
  § 3. De subsidieaanvraag bevat de documenten die door de Waalse Regering vereist worden.
  Het percentage van de subsidie bedraagt minimum 30 percent en maximum 80 percent van de kosten van de subsidieerbare werken.
  § 4. De Regering bepaalt de regels volgens welke subsidies worden toegekend.
  De Regering bepaalt de voorzieningen die het leefmilieu in acht moeten nemen en de ontwikkeling van de biodiversiteit moeten bevorderen tijdens de werken van bescherming tegen erosie en bestrijding van overstromingen.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 278, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Afdeling 2. - Strijd tegen de bodemerosie

  Art. D.263. § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen genomen krachtens het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer wordt de Regering ertoe gemachtigd op aangepaste schaal en rekening houdend met de agronomische aspecten maatregelen te nemen tegen de erosie van de bodem die aan de landbouwactiviteit wordt onderworpen.
  § 2. De maatregelen bedoeld in paragraaf 1 kunnen betrekking hebben op :
  1° de totstandbrenging van een aangepaste begeleiding door het ontwerpen van de middelen te bevorderen met de hulp van het werkveld;
  2° de aanpassing van de grondbewerking van de teelttechnieken;
  3° de verplichting van een minimale grondbedekking in functie van het niveau van het risico;
  4° de beperking van de omvang van de percelen in functie van het niveau van het erosierisico en van de teelt;
  5° het verbod om bepaalde gewassen te gebruiken of hun verpakking onder bepaalde voorwaarden;
  6° de totstandbrenging van een vruchtwisseling die de vruchtbaarheid van de gronden in acht neemt;
  7° de verbetering van het gehalte organisch materiaal en de aanmoediging van de verbetering van het gehalte organisch materiaal alsook een opvolging op het gebied van humus en kalk voor de bodem die aan een landbouwactiviteit onderworpen is;
  8° de uitvoering van erosiebestendige inrichtingen met inbegrip van de inrichting van met gras bezaaide randen en van hydraulische inrichtingen;
  9° de subsidiëring voor de uitvoering van erosiebestendige inrichtingen en hydraulische inrichtingen.
  § 3. De Regering kan de landbouwer of de eigenaar subsidiëren voor acties die worden uitgevoerd in het kader van de maatregelen bedoeld in paragraaf 2.
  § 4. De gemeenten kunnen de maatregelen genomen door de Regering aanvullen.

  Art. D.264. De Regering kan instellingen subsidiëren die de bodemerosie bestrijden voor de volgende opdrachten :
  1° de advisering, de opleiding en de communicatie met inbegrip van :
  a) de diagnose en de risicoanalyse op de locatie;
  b) het voorstel van technische oplossingen en de steun voor de uitvoering;
  2° het opstellen van technische documenten, met inbegrip van :
  a) het onderzoek en de wetenschappelijke steun;
  b) het onderzoek naar de doeltreffendheid van de inrichtingen.

  Art. D.265. Voor de toelage bedoeld in artikel D.264, bedraagt het subsidiepercentage minstens 10 percent van de kostprijs en mag hij de beheerskosten niet overschrijden.
  De Regering kan de samenstelling bepalen van de beheerskosten bedoeld in lid 1.

  HOOFDSTUK III. - Landinrichting van landeigendommen

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. D.266.§ 1. [1 Om de doelstellingen van artikel D.1 te bereiken kan, in het algemeen belang, overgegaan worden tot de landinrichting van een aantal kavels, overeenkomstig de bepalingen van dit Hoofdstuk en met inachtneming van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.
   In dit kader strekt de landinrichting ertoe:
   1° regelmatige kavels die zo dicht mogelijk bij de bedrijfszetel zijn gelegen en een eigen uitweg hebben, te vormen;
   2° ten einde te komen tot een meer efficiënte exploitatie van de landeigendommen en hun multifunctionaliteit te versterken;
   3° de landschappelijke waarde en de leefomgeving alsook en de milieudiensten van de betrokken goederen te vrijwaren en te verbeteren;
   4° de biodiversiteit te handhaven en te ontwikkelen.]1
  § 2. De landinrichting omvat en beoogt de aanleg, de verbetering en de afschaffing van wegen en afwateringen, de grondverbeteringswerken, zoals werken voor de bestrijding van erosie en overstromingen, bevloeiing, effening en werken voor water- en elektriciteitsvoorziening, alsook aanplantingswerkzaamheden, werken van landschapszorg en andere maatregelen tot landinrichting met inbegrip van de inrichtingen die bestemd zijn om de biodiversiteit te vrijwaren of te ontwikkelen.
  § 3. Met de instemming van de betrokkenen kan de landinrichting ook gepaard gaan met andere verbeteringen noodzakelijk gemaakt door de wijzigingen in de landinrichting of door de heroriëntering van de productie, zoals sloping, optrekking, vergroting, verbetering en aansluiting op het elektriciteits- en waterleidingsnet van hoevegebouwen, woonvertrekken inbegrepen, alsmede water- en elektriciteitsvoorziening in weiden en graslanden.
  § 4. De procedures betreffende de oprichting of de wijziging van rooiplannen of de aanleg, de wijziging of de opheffing van wegen georganiseerd bij het decreet van 6 februari 2014 betreffende de gemeentewegen zijn niet van toepassing in het kader van de landinrichtingsverrichtingen die het voorwerp uitmaken van dit hoofdstuk.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 279, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.267.In de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° "administratie" : de Directie van de Waalse Overheidsdienst bevoegd voor landinrichting;
  2° "inrichting in der minne" : landinrichtingsverrichting uitgevoerd op vrijwillige basis;
  3° "overgangsinrichting" : verrichting van bedrijfsuitwisseling en uitwisseling van werken voorafgaand aan een landinrichting en tenuitvoerlegging om de uitvoering van projecten van algemeen nut te vergemakkelijken;
  4° "vroegere kavel" : elke kavel in zijn toestand vóór de landinrichting of de overgangsinrichting of de inrichting in der minne;
  5° "blok" : het geheel van de gebouwde of ongebouwde kavels, evenals de wegen en afwateringen, die bij de landinrichting of de overgangsinrichting of de inrichting in der minne zijn betrokken;
  6° "Comité" : Comité voor landinrichting ingesteld krachtens artikel D.269;
  7° "Subregionaal comité" : Comité belast met de uitvoering van de inrichting in der minne ingesteld krachtens artikel D.335;
  8° "betrokkene" : elke gebruiker, elke eigenaar en elke andere houder van een zakelijk recht [1 ...]1;
  9° "rechter" : de vrederechter van dat kanton waarin het betrekkelijk grootste gedeelte van het blok is gelegen;
  10° "Minister" : Minister die voor de landelijke landinrichting bevoegd is;
  11° "nieuwe kavel" : elke kavel in zijn toestand na de landinrichting of de overgangsinrichting of de inrichting in der minne, ongeacht of hij al dan niet is gewijzigd en ongeacht of hij al dan niet aan een ander eigenaar of gebruiker is toegewezen;
  12°. "gebruiker" : elke persoon die een kavel bezet in het blok, met de toestemming van een houder van zakelijke rechten, met uitzondering van de persoon die het goed bezet krachtens een ruil met het oog op het betelen van het pachtgoed zoals bedoeld in artikel 30 van de pachtwet [1 of een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 2 van dezelfde wet]1;
  13° "[1 landinrichtingsplan]1" : een plan dat het geheel van de nieuwe kavels en van de bij de landinrichtingsverrichting betrokken goederen omvat;
  14° "kavelplan" : een plan dat het geheel van de vroegere kavels en van de bij de landinrichtingsverrichting betrokken goederen omvat;
  15° [1 "project van algemeen nut": alle handelingen, activiteiten, werken, bouwen, afbraken, verbouwingen, uitbreidingen of buitendienststellingen van installaties die vatbaar zijn voor een vergunning overeenkomstig de bepalingen van artikel D.IV.22 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, met inbegrip van elke verandering van bestemming van de voor de uitvoering van dit project nodige percelen;]1
  16° "eigenaar" : [1 iedere eigenaar of blote eigenaar van een perceel in het blok;]1
  17° "houder van zakelijke rechten" : elke persoon die van een kavel [1 in het blok]1 kan genieten volgens een recht van eigendom, vruchtgebruik, gebruik, oppervlakte of erfpacht.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 280, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Afdeling 2. - Landinrichting

  Art. D.268.§ 1. De Regering beslist, op vraag van één of meerdere gemeenten of op verzoek van ten minste tien houders van zakelijke rechten of gebruikers, dat zal worden overgegaan tot een landinrichting in de gemeenten die zij aanwijst.
  § 2. De Regering beslist, in voorkomend geval, om over te gaan tot een landinrichting om de projecten van algemeen nut te begeleiden. In dat geval wordt de inrichting voorafgegaan door een overgangsinrichting volgens de modaliteiten [1 bedoeld in de artikelen D.316 tot D.333]1. In dat geval vereist de landinrichting geen voorafgaande formaliteiten zoals omschreven [1 in de artikelen D.272, D.273, D.274, D.276 en D.277, derde lid]1.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 281, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Onderafdeling 1. - Comité voor landinrichting

  Art. D.269.§ 1. Wanneer de Regering beslist dat zal worden overgegaan tot een landinrichting richt zij, voor de uitvoering ervan, een Comité op.
  Het Comité bestaat uit zeven leden, benoemd door de Regering volgens de modaliteiten die zij bepaalt, verdeeld als volgt :
  1° de voorzitter aangewezen door de Regering;
  2° een vertegenwoordiger van de Administratie bevoegd inzake landbouw;
  3° een vertegenwoordiger van de Administratie bevoegd inzake natuurbehoud;
  4° een vertegenwoordiger van de Administratie bevoegd inzake ruimtelijke ordening;
  5° twee leden op de voordracht van het provinciecollege van de provincie op het grondgebied waarvan de meerderheid van de gemeenten zijn gelegen waarin overgegaan zal worden tot een landinrichting;
  6° [1 twee leden uit de kandidaten voorgedragen door het producentencollege bedoeld in artikel D.70; deze personen mogen, op het ogenblik dat zij worden voorgesteld, niet voorkomen op de krachtens de artikelen D.272 en D.276, eerste lid, of de artikelen D.322 en D.322 opgemaakte lijsten wanneer de landinrichting voorafgegaan wordt door een overgangsinrichting.]1
  Wanneer tot een overgangsinrichting overgegaan moet worden, bestaat het Comité bovendien uit een vertegenwoordiger van de opdrachtgever van het project van algemeen nut.
  De plaatsvervangende leden worden op dezelfde wijze benoemd.
  De secretaris en de plaatsvervangende secretaris van het Comité worden door de Administratie aangewezen.
  § 2. De Regering kan een vertegenwoordiger van de administratie bevoegd inzake patrimoniumdocumentatie uitnodigen, op de voordracht van zijn Regering, om de vergaderingen van het Comité bij te wonen. De vertegenwoordiger woont de vergaderingen met raadgevende stem bij. De al dan niet aanwezigheid van die vertegenwoordiger bij de vergaderingen van het Comité mag geen gevolg hebben op de werking van laatstgenoemde, noch op de geldigheid van zijn handelingen.
  § 3. De namen van de leden van het comité en van de secretaris, evenals van de plaatsvervangende leden en van de plaatsvervangende secretaris worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  § 4. De Regering stelt het model van huishoudelijk reglement van het Comité vast.
  § 5. De Regering stelt de voorwaarden voor toekenning van de presentiegelden aan de leden van het comité vast, evenals de voorwaarden voor terugbetaling van hun reis- en verblijfkosten.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 282, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.270. § 1. Het Comité vestigt zijn zetel op het adres van zijn secretariaat bij de administratie.
  § 2. Het Comité beschikt over de rechtspersoonlijkheid.
  Het Comité beraadslaagt en beslist over alles wat de uitvoering van de landinrichting betreft in het kader van het landinrichtingsprogramma. Hij kan er slechts met een behoorlijk met redenen omklede beslissing van afwijken.
  Het Comité kan enkel geldig beslissen wanneer de meerderheid van de leden, eventueel vervangen door hun plaatsvervangers, aanwezig is. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
  Indien het quorum na regelmatige bijeenroeping niet bereikt is, worden de leden opnieuw opgeroepen met dezelfde agenda en beraadslaagt het Comité rechtsgeldig bij meerderheid van de aanwezige leden.
  § 3. Ieder lid kan bij de Regering een beroep indienen tegen elke beslissing van het Comité bij schriftelijke verklaring ingediend binnen de week die volgt op de vergadering. Het ingediende beroep schorst de beslissing van het Comité. De beslissing van de Regering moet binnen dertig dagen na deze verklaring worden genomen. Na verloop van die termijn wordt de beslissing definitief.
  § 4. De voorzitter en de secretaris voeren de beslissingen van het Comité uit; zij treden op voor het Comité in alle openbare en onderhandse akten evenals in de rechtsvorderingen, zonder tegenover derden te moeten doen blijken van een beslissing van het Comité. De dagvaardingen en kennisgevingen aan het Comité worden geldig gedaan aan de voorzitter, aan de secretaris of aan de administratie.

  Art. D.271.§ 1. De administratie staat het Comité bij voor de uitvoering van de taken die hem worden toevertrouwd in het kader van dit hoofdstuk.
  De administratie deelt het comité de door haar opgemaakte stukken onverwijld mede, evenals elke vaststelling met betrekking tot het verloop van de verrichtingen.
  De administratie controleert de verrichtingen van de ontwerpers, de aannemers en de technici die door het Comité belast zijn met studies, werken of opdrachten die moeten worden uitgevoerd krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk.
  § 2. [1 Het Waalse Gewest]1 verstrekt, binnen de perken van haar beschikbare gelden, aan het comité de nodige kredieten voor de uitvoering van de werken en voor elke andere voor de uitvoering van de landinrichtingsverrichtingen nodige uitgave.
  De administratie is rekenplichtig voor de uitgaven en ontvangsten waartoe het Comité heeft besloten.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 283, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.271/1. [1 Het Comité richt periodiek een verslag over zijn activiteiten aan de Regering.
   De Regering bepaalt de inhoud en de frequentie van dit verslag.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 284, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  

  Onderafdeling 2. - Voorafgaande formaliteiten

  Art. D.272.Een ontwerp van landinrichtingsprogramma wordt door de administratie uitgevoerd. [1 ...]1
  Het ontwerp van landinrichtingsprogramma bevat :
  1° een kavelplan vergezeld van lijsten waarop, met betrekking tot elke kavel, zijn vermeld :
  a) volgens de kadastrale gegevens, de naam en het adres van de eigenaar en van de vruchtgebruiker en de oppervlakte van de kavel;
  b) volgens de gegevens verstrekt door de eigenaar, vruchtgebruiker of verpachter, de naam en het adres van de gebruikers met opgave van de in bedrijf genomen oppervlakten;
  2° [1 een omschrijving van de overeenkomstig artikel D.266, § 2 voorziene werken en maatregelen inzake landinrichting met een raming van hun kosten en een aanwijzing van het gedeelte van de ten laste van de betrokkenen komende uitvoeringskosten van het landinrichtingsprogramma, met inachtneming van de bepalingen van artikel D.301;]1
  3° [1 een situatieplan van het openbaar domein met vermelding van:
   a) het openbaar wegendomein, het openbaar domein van de afwateringen en van de daarbij behorende kunstwerken die opgericht moeten worden met het oog op de afname ervan uit het geheel van de in te richten gronden;
   b) het openbaar wegendomein, het openbaar domein van de afwateringen en van de daarbij behorende kunstwerken die opgericht moeten worden met het oog op de inbedding ervan in het geheel van de in te richten grond;]1
  Voor de uitwerking van het ontwerp van landinrichtingsprogramma kan de administratie binnen dertig dagen de mededeling vereisen vanwege de houders van zakelijke rechten of verpachters van de namen en adressen van de gebruikers, van de door ieder van hen in bedrijf genomen totale oppervlakten of van elke andere inlichting [1 of van elk ander document]1 die[1 /dat]1 daartoe nuttig is overeenkomstig de artikelen D.43 tot D.50.
  Als de informatie bedoeld in lid 3 niet wordt meegedeeld, kan de administratie de nodige opzoekingen doen op de kosten van de in gebreke gebleven houders van zakelijke rechten of verpachters. [1 Die kosten moeten worden ingevorderd bij de vaststelling van de in artikel D.297, vierde lid, 3°, bedoelde rekeningen. De administratie kan ook de gegevens die nodig zijn voor het goede verloop van de landinrichting en betreffende onroerende overdrachten op goederen die het voorwerp uitmaken van bedoelde landinrichting aan de instrumenterende ambtenaar vragen. De Regering bepaalt de gegevens van de akten die kunnen worden gevraagd en de modaliteiten voor deze uitwisseling van gegevens.]1
  [1 Voor de toepassing van het tweede lid, 3°, wordt het openbaar domein van de andere wegen, afwateringen en van de daarbij behorende kunstwerken die deel uitmakten van het blok, gewijzigd.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 285, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.273. Het ontwerp van landinrichtingsprogramma wordt door het Comité goedgekeurd en vastgelegd.

  Art. D.274.Het [1 ontwerp van]1 landinrichtingsprogramma wordt aan een openbaar onderzoek onderworpen volgens de modaliteiten omschreven in titel III van deel III van Boek I van het Milieuwetboek.
  [1 De betrokkenen vermeld op de in artikel D.272, tweede lid, 1°, bedoelde lijsten worden van het openbaar onderzoek in kennis gesteld door het Comité bij elk middel dat vaste datum aan de zending verleent overeenkomstig artikel D.15.]1
  [1 Het Comité verzoekt om het advies van de administraties belast met de volgende aangelegenheden: ruimtelijke ordening, landbouw, onbevaarbare waterlopen, openbare werken en wegen. Wanneer de administraties niet binnen twee maanden na verzending van het dossier kennis geven van hun advies, wordt de procedure geldig voortgezet.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 286, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.275.§ 1. Te rekenen van het bericht van openbaar onderzoek en totdat de landinrichtingsakte verleden is, mogen de betrokkenen geen werken uitvoeren die de bestemming of de plaatsgesteldheid zodanig wijzigen dat zij de landinrichtingsverrichtingen belemmeren of de ecologische en landschappelijke waarde beschadigen, zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van het [1 Comité voor landinrichting]1.
  De Regering bepaalt de lijst van de wijzigingen die niet uitgevoerd mogen worden zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van het Comité [1 ...]1.
  § 2. Behoudens het geval waarin de werken op regelmatige wijze reeds waren begonnen, geeft de weigering van de toestemming bedoeld in paragraaf 1, [1 ...]1, geen recht op vergoeding. De werken zijn op regelmatige wijze begonnen wanneer ze vóór het openbaar onderzoek gestart zijn of wanneer ze het voorwerp hebben uitgemaakt van een administratieve beslissing vóór het begin van het openbaar onderzoek.
  Werken uitgevoerd in strijd met dit artikel, leveren geen grond tot toekenning van enige meerwaarde overeenkomstig artikel D.282. Het comité kan beslissen dat de oorspronkelijke toestand moet worden hersteld en, desnoods, beslissen de hiertoe nodige werken op kosten van de overtreder te laten uitvoeren.
  [1 § 3. Te rekenen van de beslissing van de Regering om over te gaan tot een landinrichting krachtens artikel D.268 en tot op de overschrijving van de landinrichtingsakte, worden de gegevens die nodig zijn voor het goede verloop van de landinrichting en betreffende onroerende overdrachten op goederen die het voorwerp uitmaken van een landinrichting aan de administratie meegedeeld.
   De Regering bepaalt de gegevens van de akten die moeten worden meegedeeld en de modaliteiten van deze mededeling.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 287, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.276.[1 Na afsluiting van het onderzoek en bij nazicht van de stukken, wijzigt het Comité, indien nodig, het ontwerp van landinrichting. Daartoe herziet het de krachtens artikel D.272, lid 2, opgemaakte stukken naar gelang met name van de goederen die het voorstelt om in het blok in te voeren of van het blok uit te sluiten.]1
  Het Comité geeft de [1 de eigenaars, vruchtgebruikers en gebruikers van de betrokken goederen]1 kennis van elke wijziging bij elk middel dat vaste datum aan de verzending verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16.
  [1 Na kennisgeving legt het Comité het eventueel gewijzigde landinrichtingsprogramma vast.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 288, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.276/1. [1 Het landinrichtingsprogramma vastgelegd door het Comité overeenkomstig artikel D.276 wordt door de Regering goedgekeurd. Het besluit tot goedkeuring:
   1° rangschikt eventueel de nieuwe afwateringen in één van de categorieën bepaald in artikel 1° van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
   2° wijst het domein overeenstemmend met de nieuwe werken aan de bevoegde overheden toe. Deze bevoegde overheden zijn verplicht de werken te beheren overeenkomstig de bestemming ervan en met inachtneming van de ter zake geldende wetten en reglementen;
   3° schaft eveneens de buiten gebruik gestelde wegen en afwateringen en de daarbij behorende kunstwerken af en bepaalt dat zij in het geheel van de tot de ruilverkaveling behorende gronden worden opgenomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 289, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  

  Art. D.277.Om een blok vast te leggen, worden niet opgenomen in geheel van de in te richten goederen, alle onroerende goederen welke door het Comité uit de landinrichtingsverrichting worden geweerd wegens het gebruik of de bestemming ervan, waardoor zij ongeschikt zijn voor een landelijke bestemming of hun geschiktheid hiervoor onzeker is;
  De goederen die kadastraal niet bekend zijn en deel uitmaken van het privé-domein van een publiekrechtelijke persoon kunnen bij overlegging van een plan van opmeting in aanmerking komen
  Het Comité stelt [1 bij elk middel]1 dat vaste datum [1 aan de zending]1 verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16., de betrokkenen ervan in kennis dat de landinrichtingsverrichting is begonnen en hij deelt de namen, voornamen en hoedanigheden mede van de gewone leden en van hun plaatsvervangers, die deel uitmaken van het comité en geeft hun kennis van het bepaalde in artikel D.275.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 290, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.278.§ 1. De vervangingsbevoegdheid ingesteld bij artikel D.29-20 van Boek I van het Milieuwetboek is van toepassing op dit hoofdstuk.
  § 2. [1 Gezien hun aard van "persoonsgegevens" kunnen de lijsten bedoeld in de artikelen D.272, D.276, D.281, D.294, D.302, D.320, D.322, D.337, D.339 en D.346, alleen maar aan de betrokkenen die bij deze lijsten betrokken zijn, worden meegedeeld.]1
  § 3. [1 ...]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 291, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Onderafdeling. - Adviescommissie

  Art. D.279.§ 1. In het kader van de landinrichting richt het comité een adviescommissie op die als algemene opdracht heeft het comité bij te staan.
  De adviescommissie bestaat uit zeven tot tien leden verdeeld als volgt :
  1° [1 twee houders van zakelijke rechten, gekozen op voorstel van de Administratie onder degenen vermeld in de lijsten opgemaakt op grond van de artikelen D.272 en D.276, eerste lid, of de artikelen D.320 en D.322 wanneer de landinrichting voorafgegaan wordt door een overgangsinrichting;]1
  2° [1 twee gebruikers waarvan de naam voorkomt op de voornoemde lijsten onder de kandidaten voorgedragen door het in artikel D.70 bedoelde producentencollege;]1
  3° een lid dat niet persoonlijk betrokken is bij de landinrichting, dat benoemd wordt op de voordracht van het Comité wegens zijn kennis inzake bescherming van het leefmilieu en van de biodiversiteit;
  4° de overige leden worden benoemd op de voordracht van de gemeentecolleges onder de personen die bijzonder bevoegd zijn inzake de omtrek of op agrarisch, landelijk en leefmilieugebied en die niet bij de landinrichting zijn betrokken;
  5° twee houders van zakelijke rechten en twee plaatsvervangende gebruikers.
  De voorzitter en de secretaris van het Comité of hun plaatsvervangende leden nemen respectievelijk het voorzitterschap en het secretariaat van de adviescommissie waar.
  § 2. De commissie brengt advies uit binnen dertig dagen nadat zij hierom door het comité is verzocht. Zoniet wordt de procedure geldig voortgezet.
  Ingeval dit hoofdstuk het advies van die commissie oplegt, dient het comité zijn beslissing met redenen te omkleden in zoverre die van dat advies afwijkt.
  § 3. De Regering stelt het modelreglement van orde van de adviescommissies vast.
  § 4. De Regering stelt de voorwaarden voor toekenning van de presentiegelden aan de leden van de adviescommissie vast, evenals de voorwaarden voor terugbetaling van hun reis- en verblijfkosten.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 292, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Onderafdeling 4. - Landinrichtingsverrichtingen

  Art. D.280.§ 1. Het comité gaat zo nodig over tot de algehele of gedeeltelijke afpaling van de blokgrens.
  In dat geval wordt van het plan van afpaling door elk middel dat vaste datum aan [1 de kennisgeving]1 verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16, kennis gegeven aan de [1 eigenaars]1 van de percelen die aan weerszijden van de grens zijn gelegen en die bij de afpaling zijn betrokken.
  § 2. [1 Binnen vijftien dagen na de kennisgeving kan ieder van de eigenaars bij elk middel dat een vaste datum aan de verzending verleent overeenkomstig artikel D.15, de afpaling bij het Comité betwisten.]1
  In dat geval lokt het comité een gerechtelijke afpaling overeenkomstig de artikelen 38 en volgende van het Landbouwwetboek uit door de betrokken [1 eigenaars]1 voor de rechter te dagvaarden.
  Zo de door de rechter benoemde deskundige zijn verslag niet heeft neergelegd binnen zestig dagen na de de dag van de installatievergadering, vervangt de rechter hem, op verzoek van de meest gerede partij, door een andere deskundige, onverminderd de schadevergoeding waarop de partijen aanspraak kunnen maken ten laste van de deskundige die zijn opdracht niet binnen de toegewezen termijn heeft vervuld.
  De bepalingen van artikel D.308, § 2, lid 2, zijn van toepassing op die rechtsvorderingen.
  § 3. Op grond van de resultaten van de kennisgeving brengt het Comité desgevallend de nodige wijzigingen in het blok aan om de materiële fouten te verbeteren of om rekening te houden met de veranderingen van bestemmingen van de eigendommen. Het Comité stelt de betrokken [1 eigenaars]1 in kennis daarvan [1 bij elk middel dat een vaste datum aan de verzending verleent overeenkomstig artikel D.15]1.
  Wanneer er ten gevolge van de verkaveling aanleiding bestaat om bepaalde gronden gelegen binnen de blokgrens uit het blok uit te sluiten, kan het Comité overigens en op elk ogenblik de grenzen wijzigen en die percelen uit het blok uitsluiten na kennisgeving aan de betrokken houders van zakelijke rechten en gebruikers van de goederen [1 door elk middel dat een vaste datum aan de kennisgeving verleent]1 overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 293, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.281. Na het advies van de commissie van advies te hebben gevraagd, worden door het comité opgemaakt :
  1° de classificatie volgens hun teelt- en bedrijfswaarde van het geheel van de gronden en van de tot het openbaar domein behorende goederen die in het blok zijn begrepen;
  2° lijsten waarop met betrekking tot elke kavel van het kavelplan zijn aangeduid : de namen van de eigenaar, van de vruchtgebruiker en van de gebruiker, de oppervlakten in elke waardezone, de globale oppervlakte en de overeenstemmende waarden;
  3° lijsten waarop met betrekking tot iedere eigenaar en iedere vruchtgebruiker zijn aangeduid : de kavels die hij bezit, met de totalen van de oppervlakten in elke waardezone, van de globale oppervlakten en van de overeenstemmende waarden;
  4° lijsten waarop met betrekking tot iedere gebruiker zijn aangeduid : de kavels die hij in gebruik heeft overeenkomstig de inlichtingen ingewonnen krachtens artikel D.272, leden 3 en 4, met de totalen van de oppervlakten in elke waardezone, van de globale oppervlakten en van de overeenstemmende waarden.
  De in lid 1 bedoelde classificatie wordt aangeduid op een kavelplan waarop de waardezones, gevormd door het groeperen van gronden van dezelfde klasse, in tekening worden gebracht.
  Het kavelplan en de in lid 1 bedoelde lijsten worden naar de kadastrale gegevens opgemaakt, behoudens de vergissingen die het comité vaststelt, gebeurlijk op aanwijzing van een belanghebbende.

  Art. D.282. Bij de classificatie van de gronden houdt het comité geen rekening met gegevens die geen verband houden met de teelt- of bedrijfswaarde van de grond, zoals de koop- of vermogenswaarden van gebouwen, afsluitingen, alleenstaande bomen of hagen, het bestaan van een pacht, van een erfdienstbaarheid van overgang of van een recht van gebruik of van opstal of de bedrijfstoestand, noch met gegevens die geen verband houden met de landbouwbestemming van het goed, zoals het bestaan van minerale of fossiele stoffen.
  De in lid 1 bedoelde gegevens, die als meer- of minderwaarden van de kavels worden aangezien, worden na de toewijzing van de nieuwe kavels afzonderlijk geschat.
  Het Comité kan een bomen- en hagenruilbeurs organiseren volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten.

  Art. D.283.
  <Opgeheven bij DWG 2018-07-17/04, art. 294, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.284.§ 1. [1 Het Comité laat de werken en maatregelen inzake landinrichting bedoeld in artikel D.266, § 2, uitvoeren.]1
  Het Comité laat de werken van particulier belang besloten in overeenstemming met de betrokkenen die aanvaard hebben het deel niet gedekt door het Waalse Gewest ten laste te nemen, uitvoeren [1 ,krachtens artikel D.266, § 3]1.
  § 2. Wanneer voor de landinrichting werken buiten het blok moeten worden uitgevoerd en geen overeenkomst is bereikt, kan het comité door de Regering worden gemachtigd om bij wijze van onteigening te algemenen nutte de nodige innemingen te doen.
  § 3. Wanneer er ten gevolge van de uitvoering van de werken aanleiding bestaat om bepaalde gronden gelegen binnen of buiten de blokgrens, bij het blok te voegen of uit het blok uit te sluiten, kan het comité, wanneer geen overeenkomst wordt bereikt, door de Regering worden gemachtigd om deze gronden te onteigenen ten einde ze te voegen bij het blok of uit het blok uit te sluiten en ze bij wijze van ruiling of op een andere wijze over te dragen. Na het advies van de adviescommissie te hebben gevraagd, gaat het comité ambtshalve en zonder verdere formaliteit over tot de classificatie van de gronden die bij het blok zijn gevoegd.
  § 4. In voorkomend geval is een vergoeding verschuldigd wegens schade aan de gewassen of wanneer de werken hinderlijk zijn voor het genot van de gronden, of nog wanneer het comité, ten gevolge van de werken, onroerende goederen moet afbreken gelegen in kavels die deel uitmaken van het blok. Het comité stelt die vergoeding onverwijld vast en keert ze onmiddellijk uit. Bij betwisting stelt de rechter de vergoeding vast.
  § 5. De verkrijgingen, overdrachten of onteigeningen van onroerende goederen waartoe in uitvoering van dit artikel moet worden overgegaan, worden door het comité opgedragen aan [2 het Aankoopcomité]2, dat bevoegd is om de akten te verlijden. De verkrijgingen en overdrachten van onroerende goederen kunnen ook aan een notaris opgedragen worden.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 295, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.285. § 1. De bepalingen van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen zijn van toepassing in het blok.
  § 2. Het comité, of met zijn instemming iedere andere privaat- of publiekrechtelijke persoon, mag in het blok of buiten het blok gewone en buitengewone werken, als bedoeld in artikelen 6 en 10, § 1, van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, overeenkomstig de procedures bepaald in de artikelen 7, 8, 11 en 13 van voornoemde wet laten uitvoeren aan geklasseerde onbevaarbare waterlopen.

  Art. D.286.Het comité maakt, na het advies van de adviescommissie te hebben gevraagd, een [1 landinrichtingsplan]1 op onderscheidenlijk voor de houders van zakelijke rechten en voor de gebruikers.
  De waardezones van het in artikel D.281, lid 1, bedoelde kavelplan, worden op deze plannen aangebracht.
  Het comité wijst, na het advies van de adviescommissie te hebben gevraagd, de nieuwe kavels toe aan de houders van zakelijke rechten en aan de gebruikers.
  Op verzoek van de betrokkenen of indien het Comité het nodig acht, gaat het Comité tot een voorlopige afbakening van het geheel of een gedeelte van de percelen van het blok over.
  De Regering bepaalt de toelaatbare verschillen betreffende de opmetingen en de berekening van de oppervlakten van de nieuwe percelen.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 296, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.286/1. [1 Het Comité laat het openbaar wegendomein, het openbaar domein van de afwateringen en van de daarbij behorende kunstwerken in het landinrichtingsplan vermelden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 297, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  

  Art. D.287.Het comité kan in het [1 landinrichtingsplan]1 de erfdienstbaarheden die het in stand houdt en de erfdienstbaarheden die het vestigt, laten vermelden. Alle andere erfdienstbaarheden worden afgeschaft [1 , met uitzondering van de niet-zichtbare erfdienstbaarheden die worden gehandhaafd.]1.
  Het comité is bevoegd om met eigenaars van buiten het blok gelegen percelen overeenkomsten te sluiten met het oog op de vestiging of de afschaffing van actieve of passieve erfdienstbaarheden tot nut van binnen het blok gelegen percelen.
  Het comité is eveneens bevoegd om, met instemming van de belanghebbende eigenaars en gebruikers, gronden gelegen binnen het blok te ruilen met gronden die buiten de blokgrens zijn gelegen.
  De bepalingen van het artikel 72 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten worden van toepassing voor deze ruilingen.
  [2 Het Aankoopcomité]2 alsook de notarissen zijn bevoegd om akte van die overeenkomsten te verlijden.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 298, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.288.§ 1. De toewijzing aan de houders van zakelijke rechten geschiedt derwijze dat de globale waarde van de aan ieder van hen toebedeelde percelen naar verhouding zoveel mogelijk gelijk is aan de waarde van de percelen die zij voor de ruilverkaveling bezaten, met inachtneming van de waarde zowel van de gronden die uit het blok werden gesloten als van die welke later bij het blok werden gevoegd overeenkomstig de bepalingen van artikel D.284, § 3, evenals van de waarde van de aan het openbaar domein toe te wijzen of te onttrekken wegen, afwateringen en kunstwerken alsook van de waarde van de inhouding [1 bedoeld in artikel D.290, § 2]1.
  De in lid 1 bedoelde toewijzing houdt rekening met de zonering bepaald [1 in de gewestplannen zoals bedoeld in het Wetboek van Ruimtelijke Ordening]1.
  § 2. [1 Wanneer de werken en maatregelen inzake landinrichting of inzake bestrijding van de vastgoedspeculatie overeenkomstig de bepalingen van artikel D.290, § 2, uitgevoerd worden, kan het Comité het geheel of een gedeelte van de in aanmerking genomen percelen toewijzen aan natuurlijke of rechtspersonen, met inbegrip van openbare besturen en verenigingen met hun instemming en onder de voorwaarden bepaalde bij het sluiten van een overeenkomst.
   De toewijzing kan verricht worden zelfs indien de begunstigden van de toewijzingen niet opgenomen worden in de lijsten bepaald in de artikelen D.272 en D.276, eerste lid, of in de artikelen D.320 en D.322 wanneer de landinrichting voorafgegaan wordt door een overgangsinrichting.
   Het Comité kan ook beschikken over eigendomsrechten en beheer van goederen bezeten door het Waalse Gewest krachtens hoofdstuk IV van deze titel, mits toekenning van de in § 3 bedoelde opleg.]1
  § 3. Onverminderd de bepalingen [1 van artikel D.290, § 2]1, wordt een opleg toegekend wanneer de in § 1 bedoelde gelijkwaardigheid niet kan worden verwezenlijkt zonder een toegift of een ristorno in geld.
  Die opleg mag voor geen enkele [1 houder van zakelijke rechten]1 5 pct. van de waarde in percelen, die hen had moeten worden toebedeeld, overschrijden, behoudens schriftelijke instemming van deze laatsten.
  § 4. Wanneer een perceel in het gewestplan gelegen is in een [1 natuurlijk]1 landbouw-, bos- of groengebied kan het Comité met de instemming van alle medeëigenaars uit onverdeeldheid treden door de toewijzing van een privatief deel aan elke eigenaar voor de in § 1 bedoelde toewijzingsverrichtingen.
  § 5. Wanneer de eigenaar van een perceel door de administratie onbekend wordt verklaard, stort het Comité de waarde van het perceel aan de Deposito- en Consignatiekas. Indien de fondsen binnen twintig jaar na hun storting bij de Deposito- en Consignatiekas niet ingevorderd zijn, zullen ze terugkomen aan het begrotingsfonds betreffende het landbouwkundig grondbeleid ingesteld krachtens hoofdstuk 4 van deze titel.
  [1 § 6. In het geval van de toewijzing aan een eigenaar van het perceel dat hij reeds vóór de landinrichting bezat maar waarvan de door het Comité bepaalde oppervlakte verschillend is van het kadastraal perceel, kan het Comité de opleg schrappen die uit de toewijzing zou voortvloeien wanneer het perceel niet aanzienlijk voordeel haalt uit de bij de landinrichting uitgevoerde werken.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 299, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.289.De percelen worden op zodanige wijze onder de gebruikers verdeeld dat aan ieder van hen zoveel mogelijk gronden van dezelfde hoedanigheid, dezelfde oppervlakte en geschikt voor dezelfde teelten worden toegewezen. De gebruiker mag nochtans met de afwijking van dit principe instemmen.
  Een vergoeding wegens gebruikswinst of -verlies is verschuldigd door of aan de gebruiker wanneer de globale waarde van de hem toebedeelde percelen naar verhouding ten minste 2 pct. kleiner is dan de globale waarde van zijn vroegere percelen, met inachtneming van de waarde zowel van de gronden die uit het blok werden gesloten als van die welke later bij het blok werden gevoegd overeenkomstig de bepalingen van artikel D.284, § 3, evenals van de waarde van de aan het openbaar domein toe te wijzen of te onttrekken wegen, afwateringen en kunstwerken, alsook de overeenkomstig artikel [1 D.290]1, § 2, verrichte inhouding.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 300, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.290.[1 § 1. De toewijzing van de percelen aan de houders van zakelijke rechten en de gebruikers geschiedt zodanig dat de landinrichting van de eigendom en die van het bedrijf parallel verlopen.
   § 2. Na het advies van de adviescommissie te hebben gevraagd, kan het Comité een gedeelte van de globale teeltwaarde van de percelen inhouden mits een ristorno in geld ten laste van het Waalse Gewest.
   De totale waarde van de inhouding is niet hoger dan de globale waarde van oorspronkelijke percelen.
   De inhouding wordt gebruikt voor de werken en maatregelen inzake landinrichting bedoeld in artikel D.266 of inzake bestrijding van de vastgoedspeculatie.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 301, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.291.§ 1. Het comité kan in het algemeen belang van de landinrichtingverrichting aan de pachter een nieuwe verpachter toewijzen, ongeacht of de pachter op de gronden blijft die hij voordien in bedrijf had, dan wel of hem nieuwe gronden worden toegewezen.
  Het Comité vraagt eerst het advies van de adviescommissie.
  § 2. Indien wijzigingen moeten worden aangebracht aan de pacht, inzonderheid met betrekking tot de pachtprijs en de duur van de pacht, of nog met betrekking tot de vergoedingen die overeenkomstig de pachtwet verschuldigd zijn aan de pachters die de kosten hebben gedragen voor aanplantingen, bouwwerken, en [1 alle werken die noodzakelijk zijn voor de bewoonbaarheid of de exploitatie van het]1 gepachte goed of dienstig zijn voor de exploitatie van dat goed en stroken met de bestemming ervan, roept het comité de belanghebbenden op en doet het zodanige voorstellen dat zij ermee instemmen.
  Wordt een overeenkomst bereikt, dan stelt het comité dit in een door de partijen ondertekend stuk vast. Dit stuk vermeldt de termen van de overeenkomst zo de partijen erom verzoeken.
  Wanneer de partijen geen overeenkomst bereiken, verzoekt het comité hen, door elk middel dat vaste datum aan het verzoek verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16, het geschil voor de rechter te brengen. Indien binnen een maand, te rekenen van de dag van dat verzoek, geen van de partijen de zaak voor de rechter heeft gebracht, kan het comité, bij een verzoekschrift dat in zoveel exemplaren wordt ingediend als er ter zake op te roepen partijen zijn, ze bij de rechter aanhangig maken.
  [1 ...]1
  De bepalingen van artikel D.308, § 2, zijn van toepassing.
  De rechterlijke beslissing wordt aan de landinrichtingsakte of, in voorkomend geval, aan de aanvullende akte gehecht.
  § 3. Bij het opmaken van pachtovereenkomsten voor percelen die tengevolge van de landinrichting op een andere verpachter of pachter zijn overgegaan, kunnen de partijen artikel 14, lid 2, van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen uitvoeren om hun akkoord te bekrachtigen.
  Bij gebrek aan akkoord is de rechter bevoegd om over de geschillen betreffende duur van de pachtovereenkomsten te beslissen.
  De rechter kan voor de nieuwe huurcelen dezelfde duur bepalen als deze van het pachtrecht dat op andere door dezelfde pachter geëxploiteerde percelen bestaat, krachtens huurovereenkomsten gesloten door dezelfde verpachter of door andere verpachters.
  De rechter is bevoegd om af te wijken van de bepalingen betreffende de duur van de pachtprijzen van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 302, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.292. De regelen van artikel D.291 zijn van toepassing op de erfpacht evenals op het opstal- en het gebruiksrecht.

  Art. D.293.Het jachtrecht is niet begrepen in de rechten van eigendom of van gebruik die overgaan van hen die dit recht uitoefenen of afgestaan hebben. De nieuwe houder van zakelijke rechten of gebruiker van een perceel treedt in de rechten en verplichtingen van hem die het jachtrecht op bedoelde kavel had afgestaan.[1 Wanneer het jachtrecht als eigenaar uitgeoefend was en wanneer de houder van het jachtrecht]1 door elk middel dat vaste datum aan de verzending verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16 schriftelijk aan het comité zijn wens heeft geuit om verder op die grond te blijven jagen, dan worden de voorwaarden van het jachtrecht of van de vast te stellen jachtpacht door de partijen of, bij gebrek, door de rechter bepaald zonder dat de duur van die pacht langer kan zijn dan negen jaar.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 303, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.294.Door het Comité worden opgemaakt :
  1° lijsten waarop zijn aangeduid :
  a) met betrekking tot elk nieuw perceel, de naam van de eigenaar, de naam van de houder van zakelijke rechten, de naam van de gebruiker, de oppervlakten in elke waardezone, de globale oppervlakte en de overeenstemmende waarden;
  b) met betrekking tot elk oud perceel en elk nieuw perceel, de vergoedingen voor meer- en minderwaarden;
  2° [1 lijsten waarop met betrekking tot iedere eigenaar en iedere vruchtgebruiker aangeduid zijn : de hem toegewezen percelen, de oppervlakten in elke waardezone, de globale oppervlakten en de overeenstemmende waarden, de opleg en de vergoedingen voor meer- en minderwaarden en de eventuele kosten voor onderzoeken uitgevoerd krachtens de artikelen D.272, vierde lid, D.316, en D.333, § 1, tweede lid;]1
  3° lijsten waarop met betrekking tot iedere gebruiker aangeduid zijn : de hem toegewezen percelen, de oppervlakten in elke waardezone, de globale oppervlakten en de overeenstemmende waarden, de opleg en de vergoeding voor gebruiksverlies of -winst;
  4° [1 lijsten met vermelding van het kredietsaldo of het debetsaldo van elke betrokkene, voortvloeiend uit de opleggen en vergoedingen en eventuele kosten, die rekening houden met de bepalingen betreffende de wettelijke compensatie;]1
  5° een perceelsgewijs plan waarop de vroegere percelen voorkomen die met voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen of met erfpacht, opstal- of nieuwe gebruiksrecht zijn bezwaard, en een [1 landinrichtingsplan]1 waarop de nieuwe percelen of gedeelten van nieuwe percelen voorkomen die met voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen of met erfpacht-, opstal- of gebruiksrecht zullen worden bezwaard;
  6° lijsten waarop met betrekking tot [1 iedere houder van zakelijke rechten]1 zijn aangeduid : de voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen, de erfpacht-, opstal- en gebruiksrechten, met vermelding van de oude en de nieuwe percelen of gedeelten van nieuwe percelen die in de plaats hiervan komen.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 304, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.295.De plans en lijsten vermeld in de artikelen D.281, D.286 en D.294, [1 ...]1 1°, 2°, 3° en 4°, worden aan een openbaar onderzoek onderworpen volgens de modaliteiten bepaald in titel III van Deel III van Boek I van het Milieuwetboek.
  Bij de kennisgeving van het openbaar onderzoek, die door het Comité aan iedere belanghebbende [1 door elk middel dat een vaste datum aan de kennisgeving verleent]1 overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16 wordt gezonden, wordt een tabel van zijn percelen gevoegd met aanduiding van de oppervlakte in elke waardezone, de globale oppervlakten en de overeenstemmende waarden, de opleg, de vergoedingen voor meer- en minderwaarden en de vergoeding voor gebruiksverlies- of winst.
  Nadat het onderzoek is afgesloten, onderzoekt het comité de gemaakte bezwaren en opmerkingen en beslist dienaangaande, na het advies van de commissie van advies te hebben gevraagd. Is het comité het niet eens met het gunstig advies van de commissie van advies betreffende de bezwaren van een belanghebbende, dan roept het deze op om hem te horen. Verschijnt de belanghebbende niet, dan kan het comité zonder verder uitstel beslissen.
  Het comité stelt daarna de in de artikelen D.281, D.286 en D.294, [1 ...]1 1°, 2°, 3° en 4° vermelde plannen en lijsten in de vorm van individuele administratieve beslissingen voor elke betrokkene vast en legt deze ten zetel neer, waar iedere belanghebbende er tijdens de gehele duur van de verrichtingen inzage kan van nemen op een aan de voorzitter of aan de secretaris gerichte aanvraag.
  [1 Van de neerlegging wordt aan de belanghebbenden kennis gegeven door elk middel dat vaste datum aan deze kennisgeving overeenkomstig artikel D.15 verleent]1. Elke belanghebbende kan een beroep indienen zoals bepaald in artikel D.307, §§ 1 en 2.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 305, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.295/1. [1 In voorkomend geval en na het advies van de commissie van advies te hebben gevraagd wijzigt het Comité het situatieplan van het openbaar domein bedoeld in de artikelen D.272, tweede lid, 3° en D.286/1 of D.324 wanneer de landinrichting voorafgegaan wordt door een overgangsinrichting.
   Het Comité verzoekt om het advies van de administraties belast met de volgende aangelegenheden: ruimtelijke ordening, landbouw, onbevaarbare waterlopen, openbare werken en wegen. Wanneer de administraties niet binnen twee maanden na verzending van het dossier kennis geven van hun advies, wordt de procedure geldig voortgezet.
   De wijzigingen worden, in voorkomend geval, worden onderworpen aan een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten bedoeld in titel III van Deel III van Boek I van het Milieuwetboek.
   De wijzigingen worden door de Regering goedgekeurd. Het besluit tot goedkeuring:
   1° rangschikt eventueel de nieuwe afwateringen in één van de categorieën bepaald in artikel 1° van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
   2° wijst het domein overeenstemmend met de nieuwe werken aan de bevoegde overheden toe. Deze bevoegde overheden zijn verplicht de werken te beheren overeenkomstig de bestemming ervan en met inachtneming van de ter zake geldende wetten en reglementen;
   3° schaft eveneens de buiten gebruik gestelde wegen en afwateringen en de daarbij behorende kunstwerken af en bepaalt dat zij in het geheel van de tot de ruilverkaveling behorende gronden worden opgenomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 306, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  

  Art. D.296.[1 Door elk middel dat een vaste datum aan het verzoek verleent overeenkomstig artikel D.15]1, verzoekt het comité de belanghebbende houders van zakelijke rechten inzage te nemen van de plannen en lijsten vermeld in artikel D.294, lid 1, 5° en 6°.
  Die stukken worden gedurende vijftien dagen bij de zetel van het comité of in elke andere plaats bepaald door het Comité in één van de gemeenten van het blok neergelegd.
  Het comité stelt een proces-verbaal op waarin de door de belanghebbenden ondertekende bezwaren worden opgenomen. De tijdens het onderzoek ingediende schriftelijke bezwaren worden in het proces-verbaal vermeld en blijven er aan gehecht. Na het verstrijken van de termijn van vijftien dagen wordt het onderzoek afgesloten.
  [1 Het Comité onderzoekt de bezwaren gemaakt bij de raadplegingsprocedure van de belanghebbenden, stelt de plannen en lijsten vast en bewaart deze ten zetel waar iedere betrokken houders van de zakelijke rechten tijdens de gehele duur van de verrichtingen inzage kan van nemen op een aan de voorzitter of aan de secretaris gerichte aanvraag.]1
  [1 Van de beslissing van het Comité wordt kennis gegeven aan de betrokken houders van zakelijke rechten door elk middel dat vaste datum aan de kennisgeving verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16.]1 [1 ...]1.
  Elke belanghebbende kan een beroep indienen zoals bepaald in artikel D.307, § 4.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 307, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.297.[1 Wanneer de plannen en de lijsten zijn vastgesteld zoals bepaald in de artikelen D.295 en D.296, gaat het comité over tot de definitieve afpaling van de nieuwe percelen, beslist het de data en voorwaarden van ingenottreding en ingebruikneming van de blokken.]1
  [1 Het landinrichtingsplan waarop het openbaar wegendomein, het openbaar domein van de afwateringen en van de daarbij behorende kunstwerken worden vermeld, wordt meegedeeld aan de beheerder van de atlas van de gemeentelijke wegen en aan de beheerder van de atlas van de onbevaarbare waterlopen.
   De wijzigingen die nodig zijn voor de gewestplannen opgemaakt overeenkomstig het Wetboek van Ruimtelijke Ordening worden door de terzake bevoegde overheden verricht.]1
  [1 Het Comité belast het Aankoopcomité met het verlijden van de landinrichtingsakte. De landinrichtingsakte omvat:
   1° de vaststelling van de rechten en verplichtingen zoals deze voortvloeien uit de in de artikelen D.281, D.286, D.287, D.293, D.294, D.301, lid 3, bedoelde plannen, lijsten en overeenkomsten;
   2° de door het comité vastgestelde data en voorwaarden van ingenottreding en ingebruikneming van de nieuwe percelen.
   3° de rekening van elke belanghebbende alsook het daaruit voortvloeiende krediet- of debetsaldo;
   4° de vermelding van het getuigschrift waarin wordt bevestigd dat de gelden overeenkomstig artikel D.298, § 1, bij de Deposito- en Consignatiekas zijn gestort.]1
  De in lid 2, 1°, bedoelde plannen, tabellen en overeenkomsten, evenals de overeenkomsten en rechterlijke beslissingen bedoeld in de artikelen D.291 en D.291, worden aan de landinrichtingssakte gehecht.
  De bepalingen van de artikelen 139 tot 141 van de hypotheekwet van 16 december 1851 zijn van toepassing op de landinrichtingssakte.
  De hypotheekbewaarder wordt ontslagen van de overschrijving van de aan de landinrichtingsakte gehechte stukken.
  De landinrichtingsakte en de bijlagen ervan worden bewaard door [2 het Aankoopcomité]2.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 308, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.298.§ 1. Bij het sluiten van de landinrichtingsakte en onverminderd de bepalingen van de volgende paragrafen, stort het Comité bij de Deposito- en Consignatiekas de sommen nodig voor de uitkering van de saldo's die aan de houders van zakelijke rechten verschuldigd zijn, en betaalt het rechtstreeks aan de gebruikers het bedrag van het hun verschuldigd saldo; het vordert van de houders van zakelijke rechten en van de gebruikers het bedrag van de door hen verschuldigde saldo, [1 ...]1.
  § 2. De Regering stelt het bedrag vast van de sommen die de comités zonder de tussenkomst van de Deposito- en Consignatiekas, rechtstreeks aan de houders van zakelijke rechten mogen uitkeren.
  § 3. De Deposito- en Consignatiekas mag de gelden aan de belanghebbende houders van zakelijke rechten niet ter hand stellen dan tegen overlegging van één door de hypotheekbewaarder afgegeven getuigschrift, dat overeenkomstig artikel 127 van de hypotheekwet van 16 december 1851 verklaart dat er voor de aan die houders van zakelijk rechten toebedeelde goederen geen inschrijving of overschrijving bestaat.
  § 3. Elke door het comité of door de belanghebbende verschuldigde som wordt niet betaald wanneer het bedrag ervan kleiner is dan één door de Regering vastgesteld bedrag. Het verschil in meer of in min, dat hieruit voortvloeit, komt ten goede of [1 ten laste van het Waalse Gewest]1.
  § 5. Tot zekerheid van het door een houder van zakelijke rechten aan het Waalse Gewest verschuldigd saldo en tot zekerheid van de intresten en van de kosten van eventuele gedwongen uitvoering, wordt van rechtswege ten voordele van het Waalse Gewest, tenzij het er afstand van doet, een hypotheek ingeschreven op de goederen welke aan die [1 houder van zakelijke rechten]1 werden toegewezen.
  Het Waalse Gewest mag die hypothecaire inschrijving evenwel tot één of meer door hem aangeduide nieuwe percelen beperken.
  [1 ...]1
  Onverminderd de bepalingen van het volgend lid, is de hypotheekwet van 16 december 1851 van toepassing op de in deze paragraaf bedoelde hypothecaire inschrijvingen.
  De doorhaling of de vermindering van de hypothecaire inschrijving mag worden gedaan krachtens een akte die vóór [2 het Aankoopcomité]2 is verleden.
  [1 § 6. Voor de invordering van het saldo verschuldigd door een gebruiker alsook van de kosten tot eventuele gedwongen uitvoering heeft het Waalse Gewest een bijzonder voorrecht op het geheel van de goederen die voor het landbouwbedrijf dienen of die tot het nuttige gebruik ervan bijdragen.
   Dit voorrecht wordt geregeld door de bepalingen van Hoofdstuk II van de hypotheekwet van 16 december 1851. Het neemt zijn rang na de in artikel 20 van deze wet bedoelde voorrechten.
   De sommen die door elke gebruiker als vergoeding voor gebruikswinst worden verschuldigd, kunnen afgetrokken worden van de in Hoofdstuk 1 bedoelde steun die hem verschuldigd zijn. De compensatie is van toepassing overeenkomstig de artikelen 1289 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
   § 7. Op verzoekschrift van de houder van zakelijke rechten of van de gebruiker mag de rechter nochtans een ander goed aanwijzen, waarvan hij oordeelt dat de waarde toereikend is om de schuldvordering van het Waalse Gewest te waarborgen.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 309, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.299.De landinrichtingsakte geldt als titel voor de eigendom, de zakelijke rechten en de schuldvorderingen welke er door worden geregeld.
  Nadat de hypothecaire formaliteiten zijn vervuld, overhandigt [1 het Aankoopcomité]1 een eensluidend verklaard uittreksel uit de landinrichtingsakte en uit de bijlagen ervan aan ieder belanghebbende. Op de uittreksels afgegeven aan de gebruikers die de nieuwe percelen in gebruik zullen nemen, komt het formulier van tenuitvoerlegging voor.
  Bij niet-uitvoering van de verplichtingen van de belanghebbenden kan het Comité een uitzettingsaanvraag bij de rechter aanhangig maken onverminderd voor de rechter om de belanghebbenden bovendien tot de betaling van een dagelijks dwangsom te veroordelen.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.300. De ingebruikneming van de nieuwe percelen heeft plaats op de tijdstippen en onder de voorwaarden bepaald in de landinrichtingsakte. De rechten en verplichtingen van de afgaande pachter tegenover de verpachter worden geregeld overeenkomstig de bepalingen van de pachtwet.
  Wanneer de partijen geen overeenkomst bereiken, treedt het comité, na het advies van de commissie van advies te hebben gevraagd, op verzoek van een hunner bemiddelend op. Bij gebrek aan overeenkomst brengt de meest gerede partij het geschil voor de rechter.

  Onderafdeling 5. - Uitvoeringskosten en eventuele aanvullende akte

  Art. D.301.Het comité verdeelt, na het advies van de commissie van advies te hebben gevraagd, volgens de waarde ervan, de kosten voor uitvoering van de landinrichting, die noch door het Waalse Gewest ingevolge artikel D.310, noch eventueel door de ondergeschikte openbare besturen of door enig ander organisme ten laste zijn genomen over de nieuwe percelen.
  [1 Indien sommige percelen aanzienlijk meer of aanzienlijk minder dan andere voordeel halen uit de naar aanleiding van de landinrichting uitgevoerde werken en maatregelen inzake landinrichting overeenkomstig artikel D.266, § 2, neemt het Comité dit in aanmerking bij de kostenomslag.]1
  Onder aftrek van de kosten die ten laste worden genomen door de openbare besturen of door enig ander organisme, blijven de kosten van de werken, bedoeld bij artikel D.266, §§ 2 en 3, ten laste van de belanghebbenden die hun instemming hebben betuigd met die werken. Van die instemming wordt door het comité akte genomen in een stuk dat door de partijen wordt ondertekend en dat aan de landinrichtingssakte of eventueel aan de aanvullende ruilverkavelingsakte gehecht blijft.
  Indien te verwachten is dat de stand van de werken of de regeling van sommige betwiste rekeningen het opmaken van de eindrekening zou kunnen vertragen, kan het comité met de goedkeuring van de Regering, onder de kosten die zullen worden omgeslagen, een provisie voor te betalen kosten opnemen.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 310, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.302.Door het Comité worden opgemaakt :
  1° lijsten waarop, met betrekking tot elk nieuw perceel, is aangeduid de bij artikel D.301, leden 1 en 2, bedoelde bijdrage van de eigenaar en van de vruchtgebruiker in de kosten;
  2° lijsten waarop met betrekking tot ieder houder van zakelijke rechten zijn aangeduid zijn onder 1° vermelde bijdrage in de kosten;
  3° lijsten waarop met betrekking tot ieder [1 belanghebbende]1, de kosten zijn aangeduid die te zijnen laste vallen voor de betaling van de werken als bedoeld bij artikel D.301, lid 3.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 311, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.303.[1 § 1. Het Comité verzoekt door elk middel dat vaste datum aan het verzoek verleent overeenkomstig D.15, de belanghebbenden om kennis te nemen van de in artikel D.302 bedoelde lijsten.
   Die stukken worden gedurende vijftien dagen bij de zetel van het comité of in elke andere plaats bepaald door het Comité in één van de gemeenten van het blok neergelegd.".
   § 2. Het comité stelt een proces-verbaal op waarin de door de belanghebbenden ondertekende bezwaren worden opgenomen.
   De tijdens het onderzoek ingediende schriftelijke bezwaren worden in het proces-verbaal vermeld en blijven er aan gehecht.
   Na het verstrijken van de termijn van vijftien dagen wordt het onderzoek afgesloten.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 312, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.304. Het Comité onderzoekt de bezwaren gemaakt bij de in artikel D.303 bedoelde raadplegingsprocedure van de belanghebbenden en beslist dienaangaande, na het advies van de adviescommissie te hebben gevraagd.
  Is het comité het niet eens met het gunstig advies van de adviescommissie betreffende één of meer bezwaren van een belanghebbende, dan roept het deze op om hem te horen. Verschijnt de belanghebbende niet, dan kan het comité zonder verder uitstel beslissen.
  Het comité stelt de toestand van elke belanghebbende in de vorm van individuele administratieve beslissingen vast en legt deze ten zetel neer, waar iedere belanghebbende er tijdens de gehele duur van de verrichtingen inzage kan van nemen op een aan de voorzitter of aan de secretaris gerichte aanvraag.
  De kennisgeving van de neerlegging wordt aan elke belanghebbende meegedeeld door elk middel dat vaste datum aan de kennisgeving verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16. Elke belanghebbende kan een beroep indienen zoals bedoeld in artikel D.307 .

  Art. D.305.§ 1. Indien er reden bestaat om kosten voor werken zals bedoeld in artikel D.301 toe te rekenen stelt het Comité een aanvullende rekening voor elke betrokken belanghebben vast. Die rekening omvat, voor elke houder van zakelijke rechten de bedragen bedoeld in artikel D.302, [1 ...]1 2° en 3°, en voor de gebruikers, de bedragen bedoeld in artikel D. 302, [1 ...]1 3°.
  § 2. Bij het sluiten van de eventuele aanvullende akte, dat aan [2 het Aankoopcomité]2 wordt toevertrouwd, vordert het Comité van de belanghebbenden het bedrag van de door hen verschuldigde saldo, [1 ...]1.
  § 3. De bepalingen van artikel D.298, §§ 4 [1 tot 7]1 zijn van toepassing op dit artikel.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 314, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.306.De aanvullende akte geldt als titel voor de rechten en verplichtingen welke er door worden geregeld. Zij omvat :
  1° het detail van de rekening van iedere belanghebbende, bedoeld in artikel D.305, § [1 1]1;
  2° de vaststelling van de rechten en verplichtingen zoals deze voortvloeien uit de overeenkomsten bepaald in artikel D.301, lid 3, voor zover zij niet reeds in de ruilverkavelingsakte zijn vastgesteld;
  3° [1 ...]1
  De in lid 1, 2° bedoelde overeenkomsten en rechterlijke beslissingen bedoeld in de artikelen D.291 en D.292, worden aan de aanvullende akte gehecht, voor zover zij niet reeds aan de landinrichtingsakte zijn gehecht.
  De bepalingen van de artikelen 139 tot 141 van de hypotheekwet van 16 december 1851 zijn van toepassing op de aanvullende akte.
  De aanvullende akte en de bijlagen ervan worden bewaard door [2 het Aankoopcomité]2.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 315, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Onderafdeling 6.-. Beroepsmiddelen

  Art. D.307. § 1. Iedere belanghebbende kan de vaststelling van de waarden van de goederen betwisten.
  Iedere belanghebbende kan de vaststelling van de oppervlakte van zijn oude percelen betwisten, doch enkel wanneer het comité voor een perceel een andere oppervlakte heeft vastgesteld dan diegene die blijkt uit de kadastrale stukken, of wanneer het comité in zijn lijsten de kadastrale oppervlakte van een perceel heeft overgenomen dan wanneer het kadaster in zijn stukken geen rekening heeft gehouden met een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing die de oppervlakte van dit perceel heeft vastgesteld of voor een perceel een oppervlakte vermeldt die ten minste twee pct kleiner is dan ofwel de oppervlakte vermeld in een akte met vaste dagtekening ofwel de door natrekking gewijzigde oppervlakte. Die twee pct. worden berekend voor eenzelfde geheel waarvan eenzelfde belanghebbende alleen of in onverdeeldheid ofwel eigenaar, ofwel blote eigenaar of vruchtgebruiker is.
  § 2. Iedere belanghebbende kan de oppervlakten betwisten van de nieuwe percelen die hem in elke waardezone worden toegewezen, de berekening van de globale waarden en van de opleg die er uit voortspruit, het bedrag van de vergoedingen wegens meer- of minderwaarden evenals de vergoeding voor gebruiks- of winstverlies.
  § 3. Kan eveneens door ieder belanghebbende worden betwist het aandeel in de kosten dat hem ten laste wordt gelegd.
  § 4. Iedere belanghebbende kan de overdracht van de zakelijke rechten betwisten.

  Art. D.308. § 1. Voor de beroepen gegrond op artikel D.307, §§ 1 en 2, richt de betrokkene op straffe van verval, aan de rechter een verzoekschrift tot benoeming van een deskundige, binnen de dertig dagen na de in de artikelen D.295, lid 5, en D.296, lid 5, bedoelde kennisgeving.
  Voor de beroepen gegrond op artikel D.307, § 3, richt de betrokkene op straffe van verval, aan de rechter een verzoekschrift tot benoeming van een deskundige, binnen de dertig dagen na de zending van het in artikel D.304, lid 4, bedoelde advies.
  Voor de beroepen gegrond op artikel D.307, § 4, richt de betrokkene op straffe van verval, aan de rechter een verzoekschrift tot benoeming van een deskundige, binnen de dertig dagen na de zending van het in artikel D.296, lid 4, bedoelde advies.
  Binnen vijftien dagen na het einde van de termijn bepaald voor de neerlegging van de verzoekschriften, neemt de rechter een beschikking waarbij hij dag en uur van de verschijning ter plaatse bepaalt en één of meer deskundigen benoemt. Deze verschijning geschiedt tussen de dertigste en de veertigste dag volgend op de beschikking.
  Het verzoekschrift evenals de beschikking die voor geen beroep vatbaar is, worden binnen drie dagen bij gerechtsbrief van de griffier overeenkomstig artikel 46 van het Gerechtelijk Wetboek, betekend aan de belanghebbende en aan zijn advocaat, voor zover die in het verzoekschrift is vermeld, aan het comité evenals aan de door de rechter benoemde deskundige.
  De door de post afgestempelde lijst van de documenten die overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16 een vaste datum hebben, die van de bij de artikelen D.295, lid 5, D.296, lid 5, of D.304, lid 4, bedoelde kennisgevingen getuigen, worden door het comité ter griffie neergelegd uiterlijk de dag waarop de termijn voor de indiening van de verzoekschriften verstrijkt.
  Zo de deskundigen hun verslag niet hebben neergelegd binnen zestig dagen na het verschijnen ter plaatse, vervangt de rechter op verzoek van de meest gerede partij, de in gebreke gebleven deskundigen door één of meer andere deskundigen, onverminderd de schadevergoeding waarop de partijen aanspraak kunnen hebben ten laste van de deskundigen die hun opdracht niet binnen de vastgestelde termijn hebben vervuld.
  Zodra het verslag van de deskundigen is neergelegd, stelt de rechter de datum van de terechtzitting vast. De partijen en hun advocaten, evenals de deskundigen worden onverwijld bij gerechtsbrief van de griffier, overeenkomstig artikel 46 van het Gerechtelijk Wetboek, opgeroepen. Een afschrift van het verslag en een bericht ter herinnering aan de bepalingen van lid 9 worden bij de aan de partijen en aan hun advocaten gestuurde oproepingsbrief gevoegd.
  Die partijen die het verslag van de deskundigen betwisten, beschikken over vijftien dagen om te antwoorden op de conclusies van de andere partij. Die termijnen zijn opgelegd op straffe van verval.
  De deskundigen vermelden onderaan hun verslag, de staat van hun ereloon en de kosten van het deskundig onderzoek. Wordt die staat ten laatste op de terechtzitting bedoeld in lid 8, schriftelijk betwist door één van de partijen, dan bepaalt de rechter er het bedrag van in zijn vonnis.
  De rechter doet uitspraak binnen drie maanden na de beschikking die de datum van de terechtzitting bepaalt.
  § 2. Oordeelt de rechter het in artikel D.307, § 1, bedoelde beroep, gegrond, dan kent hij een vergoeding aan de verzoeker toe zonder dat de toekenning een wijziging van de plannen en tabellen van artikel D.294 als gevolg heeft.
  Tegen het vonnis is, behalve verzet, geen beroep mogelijk, onverminderd artikel 1091 van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 3. Indien de rechter, wat betreft de beroepen bedoeld in artikel D.307, §§ 2 en 3, de bezwaren gegrond oordeelt, dan verbetert hij naargelang van het geval, de opleg, de vergoeding wegens meer- of minderwaarde, de vergoeding wegens gebruikswinst of -verlies of het bedrag van de ten laste van de betrokkene gelegde kosten. Het verschil maakt deel uit van de uitvoeringskosten van de landinrichting.
  Wanneer het vonnis ten minste dertig dagen voor de dag vastgesteld voor het verlijden van de landinrichtingsakte is uitgesproken, brengt het comité op de plannen en lijsten bepaald in artikel D.294, lid 1, 1°, 2°, 3° en 4° de verbeteringen aan die uit het vonnis voortvloeien. In het tegenovergestelde geval wordt het vonnis op verzoek van de meest gerede partij op de hypotheekbewaring overgeschreven of ingeschreven.
  § 4. Lid 2 van § 2 is van toepassing op de beroepen gegrond op artikel D.307, § 4.
  De rechter bepaalt, in voorkomend geval, de nieuwe percelen of delen hiervan waarop de zakelijke rechten worden overgedragen; hij kan aan de eisende partij bevelen iedere belanghebbende persoon die hij aanduidt, bij de zaak te roepen.
  Wanneer het vonnis ten minste dertig dagen voor de dag vastgesteld voor het verlijden van de landinrichtingsakte is uitgesproken, brengt het comité op de plannen en lijsten bepaald in artikel D.294, lid 1, 4°, 5° en 6° de verbeteringen aan die uit het vonnis voortvloeien. In het tegenovergestelde geval wordt het vonnis op verzoek van de meest gerede partij op de hypotheekbewaring overgeschreven of ingeschreven.

  Onderafdeling 7. - Eindformaliteiten

  Art. D.309.De Regering kodigt de ontbinding van het comité af wanneer dit zijn werkzaamheden heeft beëindigd.
  [1 Het Waalse Gewest]1 staat in voor de vereffening van de rekening en treedt in de rechten en verplichtingen van het comité. Het eindsaldo van de rekeningen komt ten goede of ten laste [1 van het Waalse Gewest]1.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 316, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.310.De kosten van uitvoering van de landinrichting, de administratieve kosten van het comité, met inbegrip van de vergoedingen toegekend aan de leden van het Comité en van de adviescommissie, de uitgaven en kosten bedoeld bij de artikelen 1017 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, die het comité moet dragen, de kosten van de landinrichtingsakte en van de eventuele aanvullende akte, de kosten van de hypothecaire formaliteiten en van het getuigschrift tot vaststelling dat de ophaling van de op de Deposito- en Consignatiekas gestorte gelden vrij van hypothecaire lasten geschiedt, [1 ...]1, vallen ten laste van het Waalse Gewest.
  Bovendien bepaalt de Regering de bijdrage van het Waalse Gewest in de uitgaven voor de in artikel D.266, §§ 2 en 3, bedoelde werken.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 317, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.311. Tengevolge van de landinrichting treedt het geheel van de nieuwe percelen, die aan een eigenaar worden toegewezen, in de plaats van het geheel van de vroegere percelen van die eigenaar.
  Het vruchtgebruik, dat slaat op het geheel van de vroegere percelen van een eigenaar, gaat over op het geheel van de nieuwe percelen van die eigenaar.
  De voorrechten en hypotheken, de bevelen en beslagen, en de onroerende vorderingen betreffende het geheel van de vroegere percelen van een eigenaar of van een vruchtgebruiker gaan over op het geheel van de nieuwe percelen en op het aan die eigenaar of vruchtgebruiker verschuldigd saldo.

  Art. D.312. Wanneer een vruchtgebruik één of sommige van de vroegere kavels van een eigenaar bezwaart, bepaalt het comité de nieuwe percelen van die eigenaar waarop dit recht overgaat.
  Wanneer voorrechten en hypotheken, bevelen en beslagen, en onroerende vorderingen een vroegere kavel van een eigenaar of van een vruchtgebruiker bezwaren, bepaalt het comité ten aanzien van die eigenaar of vruchtgebruiker het nieuwe perceel of het gedeelte van het nieuwe perceel, en het gedeelte van het credietsaldo, waarop die rechten overgaan.

  Art. D.313. De bepalingen van artikel D.311 en D.312 betreffende het vruchtgebruik zijn van toepassing op de erfpacht evenals op het opstal- en het gebruiksrecht.
  De rechten die een pachter op zijn oude percelen bezit, worden op zijn nieuwe percelen overgedragen, rekening houdend met de bepalingen van artikel D.291.

  Art. D.314.Wanneer personen op vroegere percelen rechten bezitten waarmee in de landinrichtingsakte geen rekening is gehouden tengevolge ofwel van vergissingen, onnauwkeurigheden of weglatingen in de akte, ofwel van overdrachten of vestigingen van rechten voor de datum van de overschrijving van die akte of nog van vernietigingen, verbrekingen of herroepingen van rechten, bepaalt [2 het Aankoopcomité]2 of, in geval van geschillen, de rechter, op verzoek van de belanghebbenden, [1 of van het Comité of van de Administratie]1 op welke nieuwe percelen of gedeelten hiervan deze rechten overgaan. [1 In geval van geschil]1 kan de rechter, ambtshalve of op verzoek, na de belanghebbenden te hebben opgeroepen, de debet- of credietsaldo's herzien evenals de rechten en verplichtingen [1 ...]1 die eruit voortvloeien.
  Behalve wanneer de partijen vrijwillig verschijnen, kan de vordering worden ingeleid bij verzoekschrift, ingediend ter griffie of bij aangetekende brief gericht aan de rechter, in zoveel exemplaren als er ter zake op te roepen partijen zijn. De rechter bepaalt een terechtzitting waartoe de griffier de partijen binnen de gewone termijn van dagvaarding bij gerechtsbrief oproept; een afschrift van het verzoekschrift wordt bij de oproepingsbrief gevoegd. Gedurende het geding kan de rechter, ambtshalve of op mondeling of schriftelijk verzoek van één der partijen, alle belanghebbende personen bij gerechtsbrief oproepen. Voor het overige zijn de regels betreffende het geding van toepassing.
  De rechterlijke beslissingen worden, in voorkomend geval, op verzoek van de meest gerede partij, op de hypotheekbewaring overgeschreven of ingeschreven.
  Ingeval er een overeenkomst wordt bereikt, omtrent de onderwerpen van betwisting bedoeld in lid 1, kan [2 het Aankoopcomité]2, op aanvraag van de belanghebbende partijen, akte van die overeenkomsten verlijden.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 318, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.315.De landinrichtingsakte wordt van kracht en kan aan derden worden tegengeworpen vanaf de dag van de overschrijving ervan op het kantoor voor bewaring van hypotheken in het ambtsgebied waarvan de goederen zijn gelegen. De hypotheekbewaarder gaat ambtshalve over tot de kanttekening van de voorrechten en hypotheken, van de bevelen, beslagen en onroerende vorderingen evenals van de erfpacht-, opstal- en gebruiksrechten die overgaan, volgens de door [1 het Aankoopcomité]1 verstrekte aanwijzingen.
  Wanneer de nieuwe percelen zijn gelegen in een ander hypothecair ambtsgebied dan dat van de vroegere percelen, laat [1 het Aankoopcomité]1 de landinrichtingsakte dezelfde dag overschrijven in de verschillende kantoren. In dat geval worden de overschrijvingen en inschrijvingen waardoor een overgedragen recht of vordering slaande op de vroegere percelen bekend zijn gemaakt, bij volledige overschrijving, met de vermeldingen waarmee zij zijn gekanttekend, in de registers van het hypotheekkantoor van het ambtsgebied waar de nieuwe percelen zijn gelegen, bekendgemaakt.
  Daartoe legt [1 het Aankoopcomité]1 een afschrift over van de overschrijving of van de inschrijving en hun kanttekeningen dat door de bewaarder van het ambtsgebied waarin de vroegere kavels zijn gelegen, wordt afgeleverd.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Onderafdeling 8. - Voorlopige inrichting

  Art. D.316.[1 De overgangsinrinchting voorafgaat aan de landinrichtingen bedoeld in artikel D.268, § 2.]1
  Het comité stelt onverwijld de voorlopige grenzen van het blok vast en legt het plan hiervan ten zetel neer.
  De bepalingen van artikel D.277, leden 1 en 2, zijn van toepassing.
  [1 Door elk middel dat vaste datum aan de verzending verleent overeenkomstig artikel D.15, verwittigt het Comité de belanghebbenden dat het plan ten zetel is neergelegd en dat de procedure inzake overgangsinrichting is begonnen. Het deelt hen de namen, voornamen en hoedanigheden van de gewone en plaatsvervangende leden van het Comité mee en stelt hen in kennis van de bepalingen van artikel D.275.]1
  De houders van zakelijke rechten of de verpachters zijn verplicht op verzoek van het comité, binnen dertig dagen mededeling te doen van naam en adres van de gebruikers, van de door ieder van hen in bedrijf genomen oppervlakten [1 en van elke andere inlichting of elk document die/dat het comité nuttig acht en die/dat overeenstemt met de artikelen D.43 tot D.50.]1.
  Indien de in lid 5 bedoelde inlichtingen niet worden meegedeeld, kan het comité de nodige opzoekingen doen, op de kosten van de in gebreke gebleven houders van zakelijke rechten en verpachters [1 ; die kosten moeten worden ingevorderd bij de vaststelling van de in artikel D.297, vierde lid, 3°, bedoelde rekeningen. Het Comité kan ook de gegevens die nodig zijn voor het goede verloop van de overgangsinrichting en betreffende onroerende overdrachten op goederen die het voorwerp uitmaken van bedoelde landinrichting aan de instrumenterende ambtenaar vragen. De Regering bepaalt de gegevens van de akten die kunnen worden gevraagd en de modaliteiten voor deze uitwisseling van gegevens.]1.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 319, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.317.Op grond van de inlichtingen die het bekomen heeft bij toepassing van artikel D.316, leden [1 5 en 6]1, en op grond van de studie verricht ter voorbereiding van het voorlopige inrichtingsplan, kan het comité de grenzen van het blok wijzigen. Het comité brengt elke wijziging, bij een middel dat vaste datum verleent aan [1 de kennisgeving]1 overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16, ter kennis van de betrokken belanghebbenden.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 320, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.318. § 1. Het voorlopige inrichtingsplan wordt op zodanige wijze opgemaakt dat aan ieder van hen zoveel mogelijk gronden van dezelfde hoedanigheid, dezelfde oppervlakte en geschikt voor dezelfde teelten worden toegewezen.
  De globale oppervlakte van de aan de gebruiker toebedeelde percelen mag niet meer dan 10 pct. kleiner zijn dan de globale oppervlakte van zijn vroegere percelen, behoudens schriftelijke toestemming van zijnentwege.
  Het Comité kan percelen toekennen aan begunstigden die voor de landinrichtingsverrichting in het blok geen gebruikers zijn.
  § 2. Het comité berekent de jaarlijkse vergoeding die aan of door de gebruiker verschuldigd is naargelang de globale oppervlakte van de hem toebedeelde percelen ten minste 5 pct. kleiner of ten minste 5 pct. groter is dan de globale oppervlakte van zijn vroegere percelen.
  Bovenvermelde vergoeding is verschuldigd door het comité of aan het comité tot bij het verlijden van de landinrichtingsakte bepaald bij artikel D.297.

  Art. D.319.Het comité treft voorlopige maatregelen inzake afwatering, overstroming en overgang binnen het blok. In dezelfde mate mag het de uitoefening van bestaande erfdienstbaarheden van afwatering en overgang schorsen. Die maatregelen hebben uitwerking tot het verlijden van de landinrichtingsakte bedoeld in artikel D.297.
  Buiten het blok is het comité bevoegd om met eigenaars van percelen overeenkomsten te sluiten ten einde de toegang tot en de afwatering van binnen het blok gelegen percelen te waarborgen. [1 Het Aankoopcomité]1 is bevoegd om akte van die overeenkomsten te verlijden.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.320.Door het Comité worden opgemaakt :
  1° een perceelsplan waarop de vroegere percelen en de kadastrale percelen aangeduid zijn;
  2° lijsten waarop met betrekking tot ieder gebruiker zijn aangeduid : de percelen die hij in gebruik heeft overeenkomstig de inlichtingen ingewonnen krachtens artikel D.316, leden [1 5 en 6]1, de oppervlakten van die percelen en hunglobale oppervlakten alsook de naam van de eigenaars;
  3° een voorlopig inrichtingsplan waarop de nieuwe percelen aangeduid zijn;
  4° lijsten waarin met betrekking tot iedere gebruiker de nieuwe percelen die hem toebedeeld worden, de oppervlakte ervan en hun globale oppervlakte vermeld worden;
  5° lijsten waarin met betrekking tot iedere gebruiker de jaarlijkse vergoeding die hij aan het comité of het comité aan hem moet betalen, vermeld wordt;
  6° een plan van de voorlopige maatregelen van overgang en afwatering binnen het blok en een plan van de erfdienstbaarheden op gronden buiten het blok, die door toedoen van het comité gevestigd, gewijzigd of afgeschaft worden tot nut van binnen het blok gelegen percelen;
  7° de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de meerwaarden en van de minderwaarden die in voorkomend geval worden toegekend op grond van artikel D294;
  8° [1 ...]1
  Die plannen en lijsten worden opgemaakt volgens de kadastrale gegevens.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 321, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.321.De stukken bedoeld in artikel D.320 worden onderworpen aan een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten bedoeld in titel III van Deel III van Boek I van het Milieuwetboek.
  Het comité stelt de op de lijsten vermelde [1 betrokkenen]1 in kennis van die neerlegging door elk middel dat vaste datum aan de zending verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 322, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.322.[1 Na afsluiting van het onderzoek en bij nazicht van de stukken]1, beslist het Comité en brengt het de nodige wijzigingen aan in de in artikel D.320 vermelde plannen en lijsten.
  Indien het Comité oordeelt dat de grenzen van het blok gewijzigd moeten worden, roept het, door elk middel dat vaste datum aan de oproeping verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16, de gebruikers van de goederen die ten gevolge van die wijzigingen binnen of buiten het blok zullen vallen, op. Het Comité onderzoekt de nieuwe ingediende bezwaren en beslist dienaangaande. Verschijnen de opgeroepen personen niet, dan kan het comité zonder verder uitstel beslissen.
  Het Comité betekent door elk middel dat vaste datum aan de kennisgeving verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16, elke wijziging aan de betrokken houders van zakelijke rechten en gebruikers.
  Het Comité stelt het voorlopige inrichtingsblok vast. Vervolgens stelt het comité de in artikel D.320 bedoelde lijsten en plannen in de vorm van individuele administratieve beslissingen voor elke betrokkene vast en legt deze ten zetel neer.
  Het Comité duidt op het terrein de grenzen van de nieuwe percelen bij afbakening aan.
  Van de neerlegging wordt aan de betrokken [1 houders van zakelijke rechten en gebruikers]1 door elk middel dat vaste datum aan de kennisgeving verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16, kennis gegeven.
  [1 Elke betrokkene kan tijdens de hele duur van de verrichtingen van deze plannen en lijsten inzage nemen op een aan de voorzitter of aan de secretaris van het Comité gerichte aanvraag.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 323, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.323.§ 1. Iedere gebruiker kan de vaststelling van de oppervlakte van zijn vroegere percelen betwisten, doch enkel wanneer het comité voor een perceel een andere oppervlakte heeft vastgesteld dan diegene die blijkt uit de kadastrale stukken of uit een akte met vaste dagtekening en voor zover het verschil groter is dan 5 pct. van de totale oppervlakte van zijn vroegere percelen vermeld in de lijsten van artikel D.320, lid 1, 2°.
  Iedere gebruiker kan eveneens de vaststelling van de oppervlakte van zijn nieuwe percelen betwisten, doch enkel wanneer de globale oppervlakte van zijn nieuwe percelen ten minste 5 pct. kleiner is dan zijn vroegere percelen, zoals vermeld in de lijsten van artikel D.320, lid 1, 2°.
  Iedere gebruiker kan voor de rechter ook het bedrag betwisten van de vergoeding die hem door het comité op grond van artikel D.318, § 2, wordt toegekend of opgelegd.
  § 2. Het rechtsmiddel wordt volgens de modaliteiten van aritkel D.308 ingediend en behandeld.
  § 3. Oordeelt de rechter de bezwaren, ingediend op grond van § 1, gegrond, dan bepaalt hij de jaarlijkse vergoeding die verschuldigd is overeenkomstig artikel D.318, § 2.
  § 4. Voor zover het Comité de lijsten van artikel D.320, lid 1, 5°, in de voorlopige inrichtingsakte niet aangepast heeft aan de uitspraak van de rechter, brengt [1 het Aankoopcomité]1 na het verlijden van die akte hierin de verbeteringen aan die voortvloeien uit het vonnis, op verzoek van de meest gerede partij.
  § 5. Het comité mag, ingevolge vaststelling van materiële fouten, aan de plannen en lijsten de nodige verbeteringen aanbrengen.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.324.[1 Tijdens de overgangsinrichting stelt het Comité, in voorkomend geval, een situatieplan van het openbaar domein met vermelding van:
   1° het openbaar wegendomein, het openbaar domein van de afwateringswegen en van de daarbij behorende kunstwerken die opgericht moeten worden met het oog op de afname ervan uit het geheel van de in te richten grond;
   2° het openbaar wegendomein, het openbaar domein van de afwateringswegen en van de daarbij behorende kunstwerken die opgericht moeten worden met het oog op de inbedding ervan in het geheel van de in te richten grond.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, wordt het openbaar domein van de andere wegen, afwateringen en van de daarbij behorende kunstwerken die deel uitmaken van het blok, gewijzigd.
   Het Comité verzoekt om het advies van de administraties belast met de volgende aangelegenheden: ruimtelijke ordening, landbouw, onbevaarbare waterlopen, openbare werken en wegen. Wanneer de administraties niet binnen twee maanden na verzending van het dossier kennis geven van hun advies, wordt de procedure geldig voortgezet.
   Het plan van het openbaar domein wordt, in voorkomend geval, onderworpen aan een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten bedoeld in titel III van Deel III van Boek I van het Milieuwetboek.
   Het plan van het openbaar domein wordt door de Regering goedgekeurd. Het besluit tot goedkeuring:
   1° rangschikt eventueel de nieuwe afwateringen in één van de categorieën bepaald in artikel 1° van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
   2° wijst het domein overeenstemmend met de nieuwe werken aan de bevoegde overheden toe. Deze bevoegde overheden zijn verplicht de werken te beheren overeenkomstig de bestemming ervan en met inachtneming van de ter zake geldende wetten en reglementen;
   3° schaft eveneens de buiten gebruik gestelde wegen en afwateringen en de daarbij behorende kunstwerken af en bepaalt dat zij in het geheel van de tot de ruilverkaveling behorende gronden worden opgenomen.
   Artikel D.284 is van toepassing. De uitvoeringskosten worden verdeeld over de nieuwe percelen terzelfder tijd als de kosten voor uitvoering van de inrichtingen bepaald bij artikel D.310.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 324, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.325.§ 1. Wanneer de plannen en lijsten zijn vastgesteld zoals bepaald bij artikel D.322, belast het comité [2 het Aankoopcomité]2 [1 ...]1 met het verlijden van de voorlopige inrichtingsakte.
  § 2. De voorlopige inrichtingsakte omvat :
  1° de vaststelling van de rechten en verplichtingen zoals deze voortvloeien uit de bij [1 artikelen D.320 en D.322]1 bedoelde plannen en lijsten;
  2° de door het comité vastgestelde data en voorwaarden van ingenottreding en ingebruikneming van de nieuwe percelen.
  De bij [1 artikelen D.320 en D.322]1 bedoelde plannen en lijsten en de overeenkomsten bedoeld in artikel D.319, lid 2, worden aan de voorlopige inrichtingsakte.
  § 3. De bepalingen van de artikelen 139 tot 141 van de hypotheekwet van 16 december 1851 zijn van toepassing op de voorlopige inrichtingssakte.
  § 4. De voorlopige inrichtingsakte en de bijlagen ervan worden bewaard door [2 het Aankoopcomité]2.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 325, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.326. De voorlopige inrichtingsakte geldt als titel voor de ingebruikneming van de nieuwe percelen tot op het ogenblik van de overschrijving van de landinrichtingsakte bedoeld bij artikel D.297.

  Art. D.327.[1 Het Aankoopcomité]1 overhandigt een eensluidend verklaard uittreksel uit de voorlopige inrichtingsakte en uit de bijlagen ervan aan iedere belanghebbende gebruiker. Op deze uittreksels komt het formulier van tenuitvoerlegging voor
  Wanneer het formulier van tenuivoerlegging niet op het uittreksel voorkomt en bij niet-uitvoering van de verplichtingen van de belanghebbenden kan het Comité een uitzettingsaanvraag bij de rechter aanhangig maken onverminderd voor de rechter om de belanghebbenden bovendien tot de betaling van een dagelijks dwangsom te veroordelen.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.328. Het comité keert aan de gebruikers uit of vordert van hen de vergoeding die verschuldigd is overeenkomstig artikel D.318, § 2, op het tijdstip dat in de gebruiksruilakte bepaald is. Dat tijdstip valt samen met dat waarop, naar plaatselijke of gewestelijke gewoonte, de pachtprijs aan de verpachters betaald wordt.

  Art. D.329. De ingebruikneming van de nieuwe percelen heeft plaats op de tijdstippen en onder de voorwaarden bepaald in de voorlopige inrichtingsakte.

  Art. D.330.De overname van navetten en culturen zoals weiden en groenbemestingen wordt geregeld tussen de intredende en uittredende gebruikers. De overname van afsluitingen wordt geregeld tussen de belanghebbenden.
  Wanneer tussen deze partijen geen overeenkomst is bereikt, treedt het comité, op verzoek van één hunner, bemiddelend op. Bij gebrek aan overeenkomst brengt de meest gerede partij het geschil voor de rechter.
  [1 De vertrekkende gebruiker is niet verantwoordelijk voor de tekortkomingen of handelingen van de inkomende gebruiker. In geval van niet-uitvoering van de verplichtingen van de gebruiker kan de betrokken eigenaar een verzoek tot herstel van de plaats in zijn oorspronkelijke toestand bij de rechter indienen, onverminderd het recht van de rechter om de gebruiker verder te veroordelen tot het betalen van schadevergoedingen.]1
  Het comité kan ter zake van de overname van navetten en culturen of van de afsluitingen tot geen vergoeding veroordeeld worden.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 326, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.331.[1 Wanneer aan een pacht een einde wordt gemaakt, bepaalt het comité, indien nodig, de nieuwe percelen of gedeelten hiervan waarop de opzegging betrekking heeft. In geval van betwisting verlijdt het Aankoopcomité, op verzoek van het comité, een akte van wijziging van de in artikel D.325 bedoelde akte en verstrekt aan elk van de betrokken gebruikers een eensluidend verklaard uittreksel voorzien, in voorkomend geval, van het formulier van tenuitvoerlegging.
   Elke van de partijen kan het geschil bij de rechter aanhangig maken om hem een vergoeding te eisen overeenkomstig de modaliteiten bedoeld in artikel D.323]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 327, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.332. Tot op het ogenblik van de overschrijving van de landinrichtingssakte bedoeld bij artikel D.297 verplichtend gemaakt ingevolge de voorlopige inrichtingsakte, wijzigt de ingebruikneming van de nieuwe percelen op geen enkele wijze de rechten en verplichtingen noch van de pachters, noch van de verpachters en maakt deze geen onderpacht noch pachtoverdracht uit.

  Art. D.333.§ 1. Overeenkomstig de bepalingen van onderafdeling 4 van deze afdeling en binnen een termijn van één jaar na het verlijden van de voorlopige inrichtingsakte zet het Comité de landinrichting van zijn percelen die deel uitmaken van het overeenkomstig artikel D.322 vastgestelde blok voort. Het past in voorkomend geval de reeds opgemaakte documenten aan rekeningen houdende met de verrichte voorlopige inrichting.
  Het Comité deelt door elk middel dat vaste datum aan de verzending verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16 aan de belanghebbenden mee dat de landinrichting is begonnen. Indien nodig verzoekt het aan de houders van zakelijke rechten of de verpachters om hem binnen [1 binnen dertig dagen]1 mededeling te doen van naam en adres van de gebruikers, van de door ieder van hen in bedrijf genomen oppervlakten en [1 van elke andere inlichting of elk document die/dat het nuttig acht en die/dat overeenstemt met de artikelen D.43 tot D.50.]1 Het kan de nodige opzoekingen doen op de kosten van de in gebreke gebleven houders van zakelijke rechten en verpachters. [1 Die kosten moeten worden ingevorderd bij de vaststelling van de in artikel D.297, vierde lid, 3°, bedoelde rekeningen. Het Comité kan ook de gegevens die nodig zijn voor het goede verloop van de inrichting in der minne en betreffende onroerende overdrachten op goederen die het voorwerp uitmaken van bedoelde landinrichting aan de instrumenterende ambtenaar vragen. De Regering bepaalt de gegevens van de akten die kunnen worden gevraagd en de modaliteiten voor deze uitwisseling van gegevens.]1
  § 2. Wanneer de goederen die deel uitmaken van het blok, opgenomen worden in een lopende landinrichting, stelt het Comité een nieuw landinrichtingsprogramma zoals bedoeld in artikel D.276 om er de volgende elementen op te nemen :
  1° het geheel van de goederen die deel uitmaken van het blok vastgesteld overeenkomstig artikel D.322;
  2° de goederen die reeds opgenomen zijn in de landinrichting en die het in het blok wil handhaven.
  Het geheel van die goederen vormen het nieuwe blok. Het nieuwe landinrichtingsprogramma vervangt het oorspronkelijk vastgestelde landinrichtingsprogramma.
  § 3. Het Comité past indien nodig de samenstelling van de adviescommissie aan om rekening te houden met de nieuwe grenzen van het blok.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 328, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Afdeling 3. - Inrichting in der minne

  Art. D.334.Ten einde de doelstellingen van artikel D.1 te bereiken [1 ...]1, kan overgegaan worden tot een landinrichting in der minne van een geheel van percelen, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling [1 en met inachtneming van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.]1.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 329, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.335.§ 1. Voor de uitvoering van de inrichting in der minne richt de Regering in elke provincie een subregionaal comité voor landinrichting op, hierna het "Subregionaal comité" genoemd.
  Het Subregionaal comité wordt volgens de modaliteiten van aritkel D.269, §§ 1 en 2 samengesteld.
  De namen van de leden van het Subregionaal comité [1 en van de secretaris evenals van de plaatsvervangende leden en van de plaatsvervangende secretaris]1 worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  De bepalingen van de artikelen D.270 en D.271 zijn van toepassing voor de subregionale comité's. [1 ...]1.
  Het Subregionaal comité van de provincie, waarin het betrekkelijk grootste gedeelte van het blok gelegen is, is bevoegd voor de inrichtingen in der minne die landeigendommen betreffen die op het grondgebied van meerdere provincies gelegen zijn.
  § 2. De Regering stelt het modelreglement van orde van het Subregionaal comité vast.
  § 3. De Regering stelt de voorwaarden voor toekenning van de presentiegelden aan de leden van het Subregionaal Comité vast, evenals de voorwaarden voor terugbetaling van hun reis- en verblijfkosten.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 330, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.336.[1 De inrichting in der minne strekt ertoe:
   1° regelmatige kavels die zo dicht mogelijk bij de bedrijfszetel zijn gelegen en een eigen uitweg hebben, te vormen;
   2° een meer efficiënte exploitatie van de landeigendommen en een geïntegreerde landelijke ontwikkeling te waarborgen;
   3° de landschappelijke waarde en de leefomgeving alsook en de milieudiensten van de betrokken goederen te vrijwaren en te verbeteren;
   4° de biodiversiteit te handhaven en te ontwikkelen.]1
  Tijdens de inrichting in der minne kunnen werken zoals bedoeld in artikel D.266, §§ 2 en 3, uitgevoerd worden.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 331, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.337.Een verzoek, ondertekend door tenminste drie bij een ontwerp van minnelijke inrichting belanghebbende houders van zakelijke rechten of gebruikers, wordt gericht aan het Subregionaal Comité. Het verzoek dient door tenminste één eigenaar, vruchtgebruiker of gebruiker van elk van de bij dit verzoek betrokken percelen te worden ondertekend.
  De volgende stukken worden bij het verzoek gevoegd :
  1° een lijst met opgave van de kadastrale percelen waarvan de inrichting in der minne wordt ontworpen, evenals van hun oppervlakte;
  2° lijsten waarop, met betrekking tot elk kadastraal perceel, de naam en het adres van [1 de vruchtgebruiker]1 en van de gebruiker zijn vermeld;
  3° in voorkomend geval, een beknopte beschrijving van de overwogen werken;
  4° een schets van de voorgenomen [1 inrichting in der minne]1 evenals alle nuttige inlichtingen over het ontwerp van inrichting in der minne, ten einde het Subregionaal Comité in staat te stellen te oordelen over het nut van de voorgenomen ruilverkaveling.
  De bepalingen van artikel D.277, lid 2, zijn van toepassing.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 332, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.338.Het subregionaal comité onderzoek het ingediende verzoek. Besluit hij tot het nut van de minnelijke inrichting, dan deelt het zijn besluiten mee aan alle belanghebbenden die het kent en voegt het er ter inlichting bij :
  1° een voorontwerp [1 van inrichting in der minne]1;
  2° in voorkomend geval, een beknopte omschrijving van de voorgestelde werken evenals een raming van de kosten;
  3° een voorstel tot percentsgewijze verdeling van de kostprijs der werken ten laste van het geheel van de houders van zakelijke rechten en van het geheel van de gebruikers en van de verschillende openbare overheden;
  4° een raming van de waarde van de eventuele opstanden.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 333, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.339.Binnen zes maanden na de verzending van de mededeling bedoeld in artikel D.338, richten alle belanghebbenden gezamenlijk door elk middel dat vaste datum aan de zending verleent overeenkomstig de artikelen D.15. en D.16, een verzoekschrift tot tussenkomst in de verwezenlijking van de door hen gewenste minnelijke inrichting.
  Het verzoekschrift wordt terzelfdertijd door elk middel dat vaste datum aan de zending verleent overeenkomstig de artikelen D.15. en D.16, aan het Subregionaal comité gestuurd dat het te zijner zetel neerlegt, waar ieder belanghebbende er inzage van kan nemen op een aan de voorzitter of aan de secretaris gerichte aanvraag.
  Bij het verzoekschrift, ondertekend door alle [1 eigenaars, vruchtgebruiker]1 en gebruikers van elk der betrokken percelen, worden de volgende stukken gevoegd :
  1° een kavelplan vergezeld van lijsten waarop met betrekking tot elke kavel, volgens de kadastrale gegevens, zijn vermeld : de naam en het adres van de eigenaar en van de vruchtgebruiker, de oppervlakte van de kavel en de naam en het adres van de gebruikers met opgave van de in bedrijf genomen oppervlakten;
  2° een [1 plan van inrichting in der minne]1;
  3° een akkoord omtrent de werken en een lijst met de percentsgewijze verdeling tussen elk van de belanghebben van de lasten die niet door de openbare overheden worden gedragen;
  4° in voorkomend geval, lijsten waarop voor ieder belanghebbende de vergoedingen wegens vermindering of vermeerdering van oppervlakte zijn aangeduid.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 334, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.340. Het verzoekschrift bedoeld artikel D.339 verbindt de belanghebbenden evenals hun rechtverkrijgenden en rechthebbenden voor onbepaalde tijd, behoudens verzaking van hunnentwege ten vroegste zes maanden na de verzending van het verzoekschrift en ten laatste de dag voor de kennisgeving bedoeld bij artikel D.343.
  De verzaking wordt bij een middel dat vaste datum verleent aan de zending overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16 aan de Minister gericht.

  Art. D.341. Bij het opmaken van pachtovereenkomsten voor percelen die tengevolge van de minnelijke inrichting op een andere verpachter of pachter zijn overgegaan, kunnen de partijen artikel 14, lid 2, van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen uitvoeren om hun akkoord te bekrachtigen.
  Dezelfde bepaling is van toepassing op de erfpacht evenals op het opstal- en het gebruiksrecht.

  Art. D.342.
  <Opgeheven bij DWG 2018-07-17/04, art. 335, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.343.[1 De Regering beslist dat zal worden overgegaan tot de minnelijke inrichting en ze stelt het perceelsplan van het blok vast. Ze vertrouwt de uitvoering van de inrichting in der minne toe aan het bevoegd Subregionaal comité.]1
  [1 Onverminderd de bepalingen van artikel D.347 verbindt het besluit onherroepelijk de ondertekenaars van het bij artikel D.339 bedoeld verzoekschrift, hun rechtverkrijgenden en rechthebbenden evenals de houders van zakelijke rechten en gebruikers die sedert het indienen van het verzoekschrift de gebruikers en houders van zakelijke rechten hebben opgevolgd of nog zullen opvolgen tot de overschrijving van de minnelijke inrichtingsakte. Van dit besluit wordt melding gemaakt op de rand van de overschrijving van de laatste titel van eigendomsverkrijging van de bij de minnelijke inrichting betrokken goederen.]1
  Van deze beslissing wordt eveneens door elk middel dat vaste datum aan de kennisgeving verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16 gegeven aan de ondertekenaars van het in artikel D.339 bedoelde verzoekschrift. Een bericht ter herinnering aan de bepalingen van artikel D.275 wordt bij deze kennisgeving gevoegd.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 336, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.344. Het Subregionaal comité doet de werken vermeld in het bij artikel D.339 bedoeld verzoekschrift uitvoeren volgens de bepalingen van artikel D.284.

  Art. D.345.Het Subregionaal comité gaat zo nodig over tot de afpaling van de percelen waarvan de vorm of de oppervlakte ten gevolge van de minnelijke inrichting werd gewijzigd. In dat geval wordt van het plan van afpaling door elk middel dat vaste datum aan de verzending verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16, gegeven aan de eigenaars van de percelen die aan deze laatsten raken en op wiens oppervlakte de afpaling een weerslag kan hebben.
  Binnen vijftien dagen na de kennisgeving kan ieder van de voormelde eigenaars bij [1 elk aan het Subregionaal comité gericht middel dat een vaste datum aan de zending verleent]1 overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16, de afpaling betwisten. Die bepalingen worden in de kennisgeving vermeld.
  In dat geval lokt het Subregionaal comité [1 , in voorkomend geval,]1 een gerechtelijke afpaling uit volgens de modaliteiten van de artikelen 38 en volgende van het Landbouwwetboek.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 337, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.346.Op grond van de stukken gevoegd bij het bij artikel D.339 bedoeld verzoekschrift, maakt het Subregionaal comité op :
  1° lijsten waarop met betrekking tot elk vroeger en elk nieuw perceel zijn aangeduid de oppervlakte, evenals de naam van de houders van zakelijke rechten en van de gebruiker;
  2° lijsten waarop met betrekking tot ieder houder van zakelijke rechten en iedere gebruiker de hem toebedeelde percelen, de globale oppervlakten, de vergoeding voor vermindering of vermeerdering in oppervlakte en hun aandeel in de kosten voor de uitvoering van de werkenz ijn aangeduid;
  3° een perceelsgewijs plan waarop de vroegere percelen voorkomen die met voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen of met erfpacht, opstal- of nieuwe gebruiksrecht zijn bezwaard, en een [1 plan van inrichting in der minne]1 zoals bedoeld in artikel D.339, lid 3, 2°, waarop de nieuwe percelen of gedeelten van nieuwe percelen voorkomen die met voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen of met erfpacht-, opstal- of gebruiksrecht zullen worden bezwaard;
  4° lijsten waarop met betrekking tot iedere [1 houder van zakelijke rechten]1 zijn aangeduid : de voorrechten, hypotheken, bevelen, onroerende beslagen of vorderingen, de erfpacht-, opstal- en gebruiksrechten, met vermelding van de oude en de nieuwe percelen of gedeelten van nieuwe percelen die in de plaats hiervan komen.
  Het Subregionaal comité geeft door elk middel dat vaste datum aan de kennisgeving verleent overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16, kennis van de besloten documenten [1 de betrokken houders van zakelijke rechten.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 338, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.347. § 1. Iedere belanghebbende kan de overdracht van de zakelijke rechten, zoals ze overeenkomstig artikel D.346 zijn vastgesteld, betwisten.
  Om de rechtsvordering in te stellen, moet een dagvaarding om voor de rechter te verschijnen, op straffe van verval aan het Subregionaal comité worden betekend binnen dertig dagen na verzending van de in artikel D.346, tweede lid, bepaalde kennisgeving en tenminste vijftien dagen vooraf.
  De dagvaarding vermeldt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, het onderwerp van de rechtsvordering en bevat een bondige uiteenzetting van de middelen.
  De rechter doet uitspraak binnen drie maanden na de dagvaarding. De rechter bepaalt, in voorkomend geval, de nieuwe percelen of delen hiervan waarop de zakelijke rechten worden overgedragen; hij kan aan de eisende partij bevelen ieder belanghebbende persoon die hij aanduidt, bij de zaak te roepen.
  Tegen het vonnis is, behalve verzet, geen beroep mogelijk, onverminderd artikel 1091 van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 2. Het provinciaal comité brengt de wijzigingen die uit de vonnissen voortspruiten en de wijzigingen die uit de vaststelling van materiële fouten voortvloeien, aan de plannen en lijsten aan.

  Art. D.348.Het Subregionaal comité maakt de rekening op van iedere belanghebbende en stelt het krediet- en debetsaldo vast dat er uit voortvloeit, met inachtneming van de bepalingen betreffende de wettelijke schuldvergelijking.
  Die rekening omvat de bedragen van de vergoeding voor vermindering of vermeerdering in oppervlakte evenals van de kosten bedoeld in artikel D.346, lid 1, 2°.
  Onverminderd de bepalingen van artikel D.298, § 4, stort het Subregionaal comité de verschuldigde saldo's aan de belanghebbenden na de ondertekening van de minnelijke inrichtingsakte; het vordert van de belanghebbenden het bedrag van het door hen verschuldigde saldo, [1 ...]1.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 339, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.349.Het Subregionaal comité belast [2 het Aankoopcomité]2 met het verlijden van de minnelijke inrichtingsakte. Deze akte bevat :
  1° de vaststelling van de rechten en verplichtingen zoals deze voortspruiten uit de in artikel D.346 bedoelde plannen en lijsten, evenals de overeenkomstig artikel D.3470 gewezen rechterlijke beslissingen;
  2° de data en voorwaarden van ingenottreding en ingebruikneming van de nieuwe percelen;
  3° het detail van de rekening van ieder belanghebbende, bedoeld in artikel D.348
  4° [1 ...]1
  De plannen en lijsten bedoeld in lid 1, 1°, het verzoekschrift bedoeld in artikel D.339, evenals de overeenkomsten bedoeld in artikel D.350 worden aan de minnelijke inrichtingsakte gehecht.
  De bepalingen van artikel D.315 en van de artikelen 139 tot 141 van de hypotheekwet van 16 december 1851 zijn van toepassing op de minnelijke inrichtingssakte.
  De hypotheekbewaarder wordt ontslagen van de overschrijving van de aan de minnelijke inrichtingsakte gehechte stukken. De minnelijke inrichtingsakte en de bijlagen ervan worden bewaard door [2 het Aankoopcomité]2.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 340, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.349/1. [1 Tijdens de inrichting in der minne stelt het Comité, in voorkomend geval, een situatieplan van het openbaar domein met vermelding van:
   a) het openbaar wegendomein, het openbaar domein van de afwateringswegen en van de daarbij behorende kunstwerken die opgericht moeten worden met het oog op de afname ervan uit het geheel van de in te richten gronden;
   2° het openbaar wegendomein, het openbaar domein van de afwateringswegen en van de daarbij behorende kunstwerken die opgericht moeten worden met het oog op de inbedding ervan in het geheel van de in te richten gronden.
   Het openbaar domein van de andere wegen, afwateringen en van de daarbij behorende kunstwerken die deel uitmaken van het blok wordt gewijzigd.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, wordt het openbaar domein van de andere wegen, afwateringen en van de daarbij behorende kunstwerken die deel uitmaken van het blok, gewijzigd.
   Het Comité verzoekt om het advies van de administraties belast met de volgende aangelegenheden: ruimtelijke ordening, landbouw, onbevaarbare waterlopen, openbare werken en wegen. Wanneer de administraties niet binnen twee maanden na verzending van het dossier kennis geven van hun advies, wordt de procedure geldig voortgezet.
   Het plan van het openbaar domein wordt, in voorkomend geval, onderworpen aan een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten bedoeld in titel III van Deel III van Boek I van het Milieuwetboek.
   Het plan van het openbaar domein wordt door de Regering goedgekeurd. Het besluit tot goedkeuring:
   1° rangschikt eventueel de nieuwe afwateringen in één van de categorieën bepaald in artikel 2 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
   2° wijst het domein overeenstemmend met de nieuwe werken aan de bevoegde overheden toe. Deze bevoegde overheden zijn verplicht de werken te beheren overeenkomstig de bestemming ervan en met inachtneming van de ter zake geldende wetten en reglementen;
   3° schaft eveneens de buiten gebruik gestelde wegen en afwateringen en de daarbij behorende kunstwerken af en bepaalt dat zij in het geheel van de tot de ruilverkaveling behorende gronden worden opgenomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 341, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  

  Art. D.350.Wanneer in een minnelijke inrichting actieve of passieve erfdienstbaarheden tot nut van binnen het blok gelegen percelen moeten afgeschaft of gevestigd worden, roept het Subregionaal comité de belanghebbenden op en doet hun zodanige voorstellen dat zij ermee kunnen instemmen. Wordt een overeenkomst bereikt, dan stelt het Subregionaal comité dit vast in een stuk dat de termen van de overeenkomst vaststelt. Dit stuk wordt aan de minnelijke inrichtingsakte gehecht.
  Het Subregionaal comité is bevoegd om met eigenaars van buiten het blok gelegen percelen overeenkomsten te sluiten met het oog op de vestiging of de afschaffing van actieve of passieve erfdienstbaarheden tot nut van binnen het blok gelegen percelen.
  [1 Het Aankoopcomité]1 alsook de notarissen zijn bevoegd om akte van die overeenkomsten te verlijden.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.351.[1 Het Waalse Gewest]1 staat in voor de vereffening van de rekeningen van de minnelijke inrichtingen en treedt bij het verlijden van de minnelijke inrichtingssakte in de rechten en verplichtingen van het Subregionaal comité. Het eindsaldo van de rekeningen komt ten goede of ten laste [1 "van het Waalse Gewest]1.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 342, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.352.[1 Voor zover ze op de in deze afdeling bedoelde minnelijke inrichting toepasselijk kunnen worden verklaard, zijn de artikelen D.275, D.278, D.285, D.286/1, D.288, §§ 4 tot 6, D.290, § 2, D.291, D.292, D.293, D.297, leden 2 tot 5, D.298, §§ 5 tot 7, D.299, D.300, D.310, D.311, D.312, D.313 en D.314 van toepassing. Voor de toepassing van deze artikelen moet onder "Comité" worden verstaan, het "Subregionaal comité" en onder "akte van landinrichting","de akte van minnelijke inrichting.]1
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 343, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende het landbouwkundig grondbeleid

  Art. D.353.In de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° "bestuur" : de directie van de Waalse Overheidsdienst die bevoegd is voor de landinrichting;
  2° "landbouwkundige onroerende goederen" : de al dan niet bebouwde goederen [1 ...]1 gelegen in een landbouwgebied [1 opgenomen in het gewestplan en de al dan niet bebouwde goederen]1 aangegeven in het het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, afgekort "GBCS" [1 ...]1.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 344, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Afdeling 1. - Grondbeheer

  Art. D.354. § 1. Om het landbouwkundig grondbeleid overeenkomstig de doelstellingen bedoeld in artikel D.1 en in het bijzonder de doelstellingen van § 3, eerste lid, 1° tot 8° en 12° ervan, ten goede te komen :
  1° organiseert de Regering een gecentraliseerd beheer van de landbouwkundige onroerende goederen waarvan het Waalse Gewest de eigenaar is of die het beheert;
  2° belast de Regering de administratie met het beheer van de landbouwkundige onroerende goederen van het Waalse Gewest om ze ter beschikking te stellen van landbouwers, overeenkomstig de bepalingen bedoeld in dit hoofdstuk;
  3° belast de Regering de administratie met het beheer van de landbouwkundige onroerende goederen van andere openbare eigenaars die hem het beheer daarvan hebben toevertrouwd, om ze ter beschikking te stellen van landbouwers. In dit geval sluit de Regering beheerscontracten met de eigenaars en stelt deze goederen ter beschikking van de landbouwers overeenkomstig de bepalingen bedoeld in dit hoofdstuk en, in voorkomend geval, volgens de in het beheerscontract bedoelde voorwaarden;
  4° belast de Regering de administratie met het beheer van de landbouwkundige onroerende goederen van privé-eigenaars die hem het beheer daarvan hebben toevertrouwd, om ze ter beschikking te stellen van landbouwers. In dit geval sluit de Regering beheerscontracten met de eigenaars en stelt deze goederen ter beschikking van de landbouwers overeenkomstig de regels betreffende de pachtovereenkomsten bedoeld in afdeling 3, van boek III, Titel VIII van het Burgerlijk Wetboek.
  § 2. De Regering bepaalt de modaliteiten van dit gecentraliseerd beheer en van de beheerscontracten met de eigenaars.

  Art. D.355.§ 1. Om het landbouwkundig grondbeleid overeenkomstig de doelstellingen bedoeld in artikel D.1 ten goede te komen, kan de Regering door middel van het begrotingsfonds ingesteld krachtens afdeling 5 van dit hoofdstuk landbouwkundige onroerende goederen aankopen in het kader van :
  1° een verkoop uit de hand;
  2° een openbare verkoop;
  3° de uitoefening van het recht van voorkoop waarvan het Waalse Gewest krachtens afdeling 3 van dit hoofdstuk houder is;
  4° de uitoefening van het onteigeningsrecht waarvan het Waalse Gewest krachtens afdeling 4 van dit hoofdstuk houder is.
  § 2. De aankoopprijs stemt overeen met :
  1° in het kader van een verhoop uit de hand : hoogstens de geraamde prijs;
  2° in het kader van een openbare verkoop : hoogstens de geraamde prijs behalve indien het nodig is een hogere prijs op te leggen om de speculatie te bestrijden;
  3° in het kader van het recht van voorkoop : de door de koper voorgestelde prijs en, indien nodig, een hogere prijs dan de geraamde prijs.
  In het geval van uitoefening van het onteigeningsrecht waarvan het Waalse Gewest krachtens afdeling 4 van dit hoofdstuk houder is, wordt de vergoeding bepaald overeenkomstig de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening van openbaar nut.
  § 3. Voor de toepassing van § 2 wordt verstaan onder "geraamde prijs", de waarde die op verzoek van de administratie geraamd wordt door [1 het Aankoopcomité]1, door de ontvanger van de registratie, door een notaris, door landmeter-deskundige opgenomen in de tabel opgesteld door de Federale Raad van landmeters-experten of door een architect ingeschreven bij de Orde der Architecten.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 365, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.356. § 1. De goederen aangekocht door het Waalse Gewest tijdens een verkoop uit de hand gedurende welke de verkoper opzettelijk heeft gewenst zijn goederen aan het Waalse Gewest te verkopen, worden bij voorrang verhuurd of verkocht aan de landbouwer die ze reeds exploiteert of aan zijn potentiële opkoper voor zover de huur of de aankoop voor zijn eigen rekening wordt uitgevoerd.
  § 2. De nieuwe huurder wordt niet gemachtigd om volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten de goederen te onderverrhuren zonder de voorafgaandelijke instemming van het Waalse Gewest, behalve een onderhuur aan zijn afstammelingen of aan de afstammelingen van zijn echtgenoot/echtgenote of aan de echtgenoten van deze afstammelingen. In dit laatste geval :
  1° zijn de rechten en verplichtingen van de onderhuuder en van de pachter voor hun verhoudingen tussen elkaar gelijk aan degene van de pachter en van de eigenaar;
  2° mag de onderhuur niet langer duren dat de hoofdzakelijke huur, ongeacht de voorwaarden waarin laatstgenoemde geëindigd is;
  3° maakt de pachter die opgezegd wordt of waarvan de huur ten gevolge van een vonnis opgezegd wordt, voor een goed dat hij onderverhuurt, binnen de week na de kennis op straffe dat hij hem schadevergoeding moet betalen, een afschrift van de opzegging of van het vonnis over aan de onderhuurder en stelt hij hem in kennis van het vervolg.
  Wanneer de pachter kennis neemt van het beroep waarbij hij betrokken is, met het oog op de opzegging van de huur zoals bedoeld in lid 1, 3°, informeert hij de onderhuuder onverwijld daarover zodat laatstgenoemde, indien hij het nodig acht, in het geding kan tussenkomen.
  § 3. Binnen vijf jaar na de aankoop mag de nieuwe koper geen zakelijke rechten verlenen op de goederen, noch die goederen onderverhuren tenzij hij de voorafgaandelijke instemming van het Waalse Gewest volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten heeft gekregen.
  § 4. Voor zover ze voor verhuring of verkoop beschikbaar zijn, maken de landbouwkundige onroerende goederen die geen voorwerp kunnen uitmaken van een verhuring of een prioritaire verkoop overeenkomstig § 2 en de landbouwkundige onroerende goederen die door het Gewest buiten de hypotheek bedoeld in § 2 zijn aangekocht, het voorwerp uit van een projectenoproep besteed aan de landbouw en bekendgemaakt op de website van het Waalse Gewest. De oproep vermeldt de voorwaarden waaronder de goederen ter beschikking zullen worden gesteld.
  Om zich voor de huur of de aankoop van goederen kandidaat te stellen, dienen de kandidaten een aanbod samen met het gedetailleerde landbouwproject van de bestemming van de aangevraagde goederen en met een financieel cijferplan over de haalbaarheid van het project in volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten.
  De administratie selecteert de landbouwprojecten volgens de procedure en de selectiecriteria bepaald door de Regering.
  Zowel de procedure als de criteria maken de uitvoering van de in artikel D.1 en in het bijzonder de doestellingen van § 3, lid 1, 1° tot 8° en 12° ervan mogelijk.
  § 5. De kandiaat-huurder of de kandidaat-koper kan een beroep indienen tegen de beslissing van de Regering volgens de modaliteiten bedoeld in de artikelen D.17 en D.18.
  § 6. Voor de terbeschikkingstelling onder bezwarende titel van landbouwkundige onroerende goederen die haar of andere openbare eigenaars toebehoren, kan de Regering afwijken van de bepalingen van titel VIII, boek III, afdeling 3, van het Burgerlijk Wetboek betreffende de regels betreffende de pachtovereenkomst door een schriftelijk contract dat niet onder deze bijzondere regels valt, te sluiten.
  Die mogelijkheid moet gemotiveerd worden door de onmogelijkheid om de nalevingen van titel VIII, Boek III, afdeling 3, van het Burgerlijk wetboek betreffende de bebouwingsvrijheid of de duur van de huur na te leven.
  Het contract voorziet minstens in bepalingen betreffende de duur ervan en de opzeggings- en verlengingsmodaliteiten.
  De huurprijs wordt bepaald door de maximale grens bedoeld in de wet van 4 november 1969 betreffende de beperking van de pachtprijzen niet te overschrijden.
  § 7. De administratie maakt een jaarlijks verslag over de terbeschikkingstelling en de verkoop van de landbouwkundige onroerende goederen op en maakt het over aan het Strategisch Landbouwcomité.
  Het verslag omvat de beschrijving van de landbouwkundige onroerende goederen die het Waalse Gewest bezit en beheert. De aanvullende inhoud en de modaliteiten m.b.t. de verspreiding van het verslag worden door de Regering bepaald.
  Een syntheze van dit verslag wordt in het verslag over de staat van het Waalse landbouw bedoeld in artikel D.88 vermeld.

  Afdeling 2. - Grondwaarnemingscentrum

  Art. D.357.§ 1. Om het landbouwkundig grondbeleid overeenkomstig de doelstellingen bedoeld in artikel D.1 ten goede te komen, wordt binnen de administratie een agrarisch grondwaarnemingscentrum opgericht dat ermee belast is [1 de door de Regering bepaalde verrichtingen betreffende landbouwkundige onroerende goederen]1 over het hele gewestelijke grondgebied te inventariseren en te onderzoeken.
  § 2. Het waarnemingscentrum maakt jaarlijks een verslag over de grondtoestand op. De inhoud en de modaliteiten m.b.t. de verspreiding van het verslag worden door de Regering bepaald.
  Een syntheze van dit verslag wordt in het verslag over de staat van het Waalse landbouw bedoeld in artikel D.88 vermeld.
  § 3. Om het grondwaarnemingscentrum te bevoorraden delen de [1 instrumenterende ambtenaren]1 de administratie de lijst van de in artikel D.54 bedoelde gegevens mede. De Regering bepaalt de lijst van de aanvullende gegevens en bepaalt de kennisgevingsmodaliteiten.
  Overeenkomstig de artikelen D.61 tot D.63 kan de overbrenging van de inlichtingen kan elektronisch gebeuren.
  § 4. Het grondwaarnemingscentrum kan het geheel of een gedeelte van zijn opdrachten afvaardigen.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 345, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Afdeling 3. - Recht van voorkoop

  Art. D.358.[1 § 1. Een recht van voorkoop wordt aan het Waalse Gewest toegekend tijdens de verkoop van de landbouwkundige onroerende goederen gelegen in de gemeenten waarin een landelijke landinrichting in uitvoering is krachtens hoofdstuk III van deze titel en waarvoor de akte van landinrichting nog niet verleden is, in de gemeenten aangewezen door de Regering om in aanmerking te komen voor een landinrichting of in de gebieden die uitdrukkelijk door de Regering aangewezen worden voor een door haar bepaalde duur behalve:
   1° wanneer de pachter die het goed sinds meer dan een volledig jaar hetzij persoonlijk, hetzij door bemiddeling van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of die van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner of de echtgenoten of wettelijke samenwonende partners van bedoelde afstammelingen of aangenomen kinderen, zijn recht van voorkoop overeenkomstig de wet van 4 november 1969 betreffende de beperking van de pachtprijzen uitoefent;
   2° in geval van verkoop aan de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de eigenaar van of één van de medeëigenaars, aan hun afstammelingen of aangenomen kinderen, of aan die van de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner of aan echtgenoten of wettelijk samenwonende partners van bedoelde afstammelingen of aangenomen kinderen of aan een persoon met een bloed- of aanverwantschap in de vierde graad, voor zover ze voor hun eigen rekening kopen en voor zover er geen wederverkoop binnen twee jaar is;
   3° in geval van verkoop aan een medeëigenaar van een aandeel in de eigendom van het goed;
   4° wanneer het goed het voorwerp uitmaakt van een verkoopbelofte waarvan de vaste datum vroeger is dan de bekendmaking van de beslissing van de Minister of de Regering om dat goed op te nemen in het gebied waarop het Waalse Gewest zijn recht van voorkoop kan uitoefenen, voor zover die belofte door zijn begunstigde aanvaard wordt;
   5° wanneer het goed het voorwerp uitmaakt van een verkoop ten gevolge van een door de pachter rechtstreeks gemaakt aanbod zonder dat hij het recht van voorkoop dat hij geniet krachtens de wet van 4 november 1969 betreffende de beperking van de pachtprijzen moet uitoefenen, op voorwaarde dat hij bewijst dat hij het goed sinds meer dan één volledig jaar na de datum waarop het definitieve verkoopcontract vaste datum heeft verkregen, voor landbouwactiviteiten, met uitzondering van de teelt van kerstbomen, hetzij persoonlijk, hetzij door bemiddeling van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, zijn afstammelingen of die van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, exploiteert of dat hij het aangekochte goed niet binnen vijf jaar weer verkoop; bij gebreke hiervan zullen de in § 6 van dit artikel bedoelde modaliteiten toegepast worden;
   6° binnen een erkenningsomtrek in de zin van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid;
   7° binnen een omtrek betrokken bij een herziening van het gewestplan betreffende de opneming van een nieuw bebouwingsgebied;
   8° alleen in de gebieden die uitdrukkelijk door de Regering voor een door haar bepaalde duur aangewezen worden, in geval van verkoop of aankoop verricht door de ondergeschikte overheden in het kader van een project van openbaar nut.
   Als enkel een gedeelte van het of de te koop aangeboden goederen aan het recht van voorkoop is onderworpen, is het recht van voorkoop op dit gedeelte van toepassing en wordt een afzonderlijk aanbod aan het Waalse Gewest voor dit gedeelte gedaan. In geval van openbare verkoop wordt dit gedeelte afzonderlijk geveild en eventueel op dezelfde manier toegewezen. Vóór de in de §§ 5, 6, 7 en 8 bedoelde kennisgeving kan de instrumenterende ambtenaar het Waalse Gewest verzoeken om van zijn recht van voorkoop af te zien in behoorlijk gemotiveerde gevallen of wanneer hij acht dat de aan het recht van voorkoop onderworpen gedeelte een kleine oppervlakte betreft, een aanvullend karakter heeft ten opzichte van de te koop aangeboden goederen of wegens de aard van de locatie. Het Waalse Gewest antwoordt binnen dertig dagen na de aanvraag. Na afloop van die termijn blijft het recht van voorkoop van toepassing.
   Het afzien van de toepassing van het recht van voorkoop is enkel geldig voor de verrichting waarvoor de instrumenterende ambtenaar het Waals Gewest verzoekt.
   § 2. In geval van verkoop van goederen bedoeld in § 1 kan de pachter zijn recht van voorkoop overdragen aan het Waalse Gewest. In dit geval is artikel 48 bis van de wet van 4 november 1969 betreffende de beperking van de pachtprijzen van toepassing maar in het kader van een verkoop uit de hand kan het Waalse Gewest zijn aanvaarding betekenen binnen twee maanden na de aan de pachter gemaakte kennisgeving.
   § 3. In geval van verkoop uit de hand wanneer het Waalse Gewest overeenkomstig § 2 in aanmerking komt voor het recht van voorkoop, wordt het aanbod gedaan aan de pachter ten einde hem toe te laten zijn voorkooprecht uit te oefenen, tegelijkertijd aan het Waalse Gewest bij de Regering gedaan, die het kan aanvaarden binnen twee maanden na de termijn waarover de pachter beschikt om het hem gedane aanbod aan te vaarden. Als het gaat om goederen waarop de pachter geen recht van voorkoop heeft, wordt het aanbod rechtstreeks meegedeeld aan het Waalse Gewest bij de Regering die het binnen drie maanden na de kennisgeving ervan kan aanvaarden.
   Overeenkomstig de artikelen D.61 tot D.63 kunnen de offertes elektronisch ingediend worden.
   Als het aanbod niet binnen de termijn aanvaard wordt, mag geen enkele verkoop uit de hand door de eigenaar tegen een lagere prijs of onder gunstigere voorwaarden verleend worden aan een andere persoon dan de pachter zonder de instemming van het Waalse Gewest via de Regering. Na een termijn van één jaar te rekenen van het aanbod mag het goed niet uit de hand verkocht worden zelfs niet tegen de in lid 1 bepaalde voorwaarden, zonder dat aan het Waalse Gewest bij de Regering een nieuw aanbod wordt gedaan.
   De instrumenterende ambtenaar voor wie een akte van verkoop uit de hand aan een ander persoon dan de pachter wordt verleden, moet van de prijs en van de voorwaarden van de verkoop aan het Waalse Gewest bij de Regering kennis geven binnen één maand na de registratie.
   § 4. Bij openbare verkoop in de gevallen waarin het Waalse Gewest overeenkomstig § 2 het recht van voorkoop geniet, is de instrumenterende ambtenaar verplicht ten minste dertig dagen vooraf aan het Waalse Gewest bij zijn Regering kennis te geven van plaats, dag en uur van verkoop in geval van fysieke openbare verkoop of, in geval van gedematerialiseerde verkoop, de dag van begin en einde van de veilingen.
   Wanneer ze onmiddellijk heeft beslist om van haar recht af te zien, stelt de Regering er de instrumenterende ambtenaar in kennis van, die ermee belast is om uiterlijk voor het begin van de veilingen over te gaan tot de verkoop.
   In geval van wederverkoop ten gevolge van een opbod moet de Regering ten minste acht dagen vooraf in kennis gesteld worden van dezelfde gegevens voor zover ze niet afgezien heeft van de uitoefening van haar recht van voorkoop.
   § 5. In geval van openbare verkoop of wanneer de verkoop zonder mogelijkheid van opbod en na op het einde van de opbieding aan de pachter, die niet heeft afgezien van de uitoefening van zijn recht, te hebben gevraagd of hij zijn recht van voorkoop wenst uit te oefenen tegen de laatst geboden prijs en bij weigering, afwezigheid of stilzwijgen van deze dient de instrumenterende ambtenaar vóór de toewijzing in het openbaar dezelfde vraag te stellen aan de gemachtigde van Waalse Gewest, die zijn antwoord gedurende één maand kan opschorten.
   In geval van weigering, afwezigheid of stilzwijgen van laatstgenoemde, wordt de verkoop voortgezet.
   Als de pachter verklaard heeft zijn antwoord op de vraag van de instrumenterende ambtenaar voorlopig op te schorten en als hij zijn toestemming niet binnen tien dagen na de toewijzing aan deze ambtenaar heeft betekend of ze niet heeft gegeven d.m.v. een akte van de instrumenterende ambtenaar deelt deze laatste het bedrag van het laatste aanbod mee aan het Waalse Gewest bij de Regering die niet heeft afgezien van de uitoefening van haar recht, dat het binnen de maand na kennisgeving ervan kan aanvaarden.
   § 6. Wanneer de fysieke openbare verkoop plaatsvindt onder voorbehoud van de eventuele uitoefening van het recht van opbod, stelt de instrumenterende ambtenaar het Waalse Gewest bij de Regering, die niet heeft afgezien van de uitoefening van haar recht van voorkoop, in kennis van het bedrag van het laatste aanbod, als er geen opbod is of als het opbod door de instrumenterende ambtenaar wordt geweigerd en als de pachter zijn toestemming niet binnen de wettelijke termijn aan de instrumenterende ambtenaar heeft betekend.
   Het Waalse Gewest kan zijn recht van voorkoop via zijn Regering uitoefenen binnen de maand na de betekening ervan.
   Als het gaat om goederen waarop de pachter geen recht van voorkoop heeft, moet de bovenvermelde aanvraag rechtstreeks aan de gemachtigde van het Waalse Gewest gericht worden.
   In geval van geldig opbod wordt er zoals in § 5 overgegaan.
   § 7. In geval van gedematerialiseerde verkoop en voor zover de pachter en het Waalse Gewest voor het einde van de veilingen niet hebben afgezien van hun recht van voorkoop gaat de instrumenterende ambtenaar tot de toewijzing onder de opschortende voorwaarde van niet-uitoefening van dit recht over.
   In dit geval beschikt de pachter over een termijn van tien dagen en beschikt het Waalse Gewest over twee maanden na de kennisgeving van een uittreksel van de akte van toewijzing gedaan door de instrumenterende ambtenaar om laatstgenoemde te verwittigen dat hij beslist heeft zich in de plaats te stellen van de laatste bieder.
   Het uittreksel omvat de dag van de toewijzing, de prijs waarvoor ze is gedaan en de naam van de instrumenterende ambtenaar die heeft ontvangen.
   De toestemming van de pachter heeft voorrang boven die van de gemachtigde van het Waalse Gewest.
   § 8. In geval van verkoop met miskenning van het recht van voorkoop van het Waalse Gewest, heeft laatstgenoemd het recht, ofwel in de plaats te worden gesteld van de koper, ofwel van de verkoper een schadevergoeding te eisen ten bedrage van 20 pct. van de verkoopprijs. De bepalingen van de wet van 4 november 1969 betreffende de beperking van de pachtprijzen betreffende de miskenning van het recht van voorkoop van de pachter zijn van toepassing.
   § 9. De in dit artikel bepaalde kennisgevingen moeten, op straffe van niet-bestaan, ofwel bij gerechtsdeurwaarder, ofwel elektronisch overeenkomstig de artikelen D.61 tot D.63 ofwel door elk middel dat vaste datum verleent aan een document zoals bedoeld in artikel D.15 worden betekend. Wanneer de instrumenterende ambtenaar een notaris is die zijn verblijfplaats in België heeft, kan de Regering bepalen dat de kennisgeving uitsluitend elektronisch wordt uitgevoerd.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 346, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Afdeling 4. - Onteigeningsrecht

  Art. D.359. Binnen de perken bedoeld in dit artikel en onverminderd de andere onteigeningsrechten kan de Regering, om zijn landbouwkundig grondbeleid overeenkomstig de doelstellingen bedoeld in D.1 te onwikkelen, een beroep doen op de onteigening volgens de regels bedoeld in de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening van openbaar nut.
  De onteigening wordt slechts toegelaten wanneer een aankoop nodig is om de homogeniteit van een blok van landbouwkundige onroerende goederen of de toegankelijkheid van ingesloten goederen te waarborgen, om de grondspeculatie te bestrijden of om met redenen omklede technische milieu- of teeltsredenen zodat de exploitatie van een landbouwkundig onroerend goed ten opzichte van de redenen van de aankoop ervan wordt bevorderd.

  Afdeling 5. - Begrotingsfonds inzake het landbouwkundig grondbeleid

  Art. D.360. § 1. Overeenkomstig artikel 4, lid 2, van het decreet van 15 december 2011 houdende organisatie van de begroting en de boekhouding van de diensten van de Waalse Regering wordt binnen de algemene ontvangsten- en uitgavenbegroting van het Gewest een begrotingsfonds inzake het landbouwkundig grondbeleid opgericht, dat in deze afdeling "het fonds" wordt genoemd.
  § 2. Het fonds dient om een landbouwkundig grondbeleid te voeren overeenkomstig de doelstellingen bedoeld in artikel D.1 en de modaliteiten bedoeld in dit hoofdstuk.

  Art. D.361.§ 1. Aan het Fonds worden toegewezen :
  1° de inkomsten uit de wederverkoop van de landbouwkundige onroerende goederen aangekocht door het Waalse Gewest;
  2° de inkomsten uit het verhuren van de de landbouwkundige onroerende goederen aangekocht door het Waalse Gewest of van de landbouwkundige onroerende goederen die het Waalse Gewest beheert;
  3° de opbrengst gebonden aan de inning van het jachtrecht op de landbouwkundige onroerende goederen aangekocht door het Waalse Gewest of van de landbouwkundige onroerende goederen die het Waalse Gewest beheert;
  4° [4 de transacties of de administratieve boetes geïnd voor de overtredingen bepaald in artikel D.397, § 4,]4
  5° [4 de overeenkomstig artikel D.358, § 8, geïnde vergoedingen]4
  [3 6° [4 de ontvangsten uit de toewijzing, in het kader van een landinrichting, van landbouwkundige onroerende goederen verworven door het Waalse Gewest, overeenkomstig artikel D.288, paragraaf 2, derde lid.]4]3
  [3 [4 7° de ontvangsten uit de invoerindering van de fondsen gestort aan de Deposito- en Consignatiekas overeenkomstig artikel D.288, § 5, indien de fondsen niet binnen twintig jaar na hun indiening zijn ingevorderd;
   8° (niet vertaald)]4]3
  § 2. [4 De kredieten m.b.t. het fonds worden bestemd voor:
   1° de aankoop en het beheer van de landbouwkundige onroerende goederen;
   2° de uitgaven uit de toewijzing, in het kader van een landinrichting, van landbouwkundige onroerende goederen verworven door het Waalse Gewest, overeenkomstig artikel D.288, paragraaf 2, zesde lid;
   3° de uitgaven van welke aard betreffende de ontwikkeling van het fonds, met inbegrip van de uitgaven voor de dienstverleningen, de personeelskosten, de werking en de investering die eventueel uitgevoerd worden door specificieke personeelsleden of door derden;
   4° de betaling van de kredietsaldi die overeenkomstig de artikelen D.297, D.298, D.305, D.306, D.348 en D.349 aan de betrokkenen verschuldigd zijn.]4
  § 3. Een jaarlijks verslag dat de inventaris van de financieringsgronnen, de bestemming en de uitvoeringsmodaliteiten omvat wordt gevoegd bij het in artikel D.356 bedoelde verslag.
  ----------
  (1)<DWG 2015-12-17/14, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DWG 2016-12-21/01, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (3)<DWG 2017-12-13/09, art. 10, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (4)<DWG 2018-07-17/04, art. 347, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Titel XII. - Innovatie, onderzoek en vulgarisatie

  HOOFDSTUK I. - Landbouwkundig onderzoek

  Afdeling 1. - Doelstellingen en organisatie van het landbouwkundig onderzoek

  Art. D.362. Om de in artikel D.1 omschreven doelstellingen te halen, organiseert en kan de Regering het landbouwkundig onderzoek, de innovatie en de vulgarisatie subsidiëren volgens de modaliteiten waarin deze titel voorziet.

  Art. D.363.[1 De Regering bepaalt :
   1° de doelstellingen van een driejarenplan inzake landbouwkundig onderzoek;
   2° de criteria inzake evaluatie van de landbouwkundige onderzoeken.]1
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 348, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.364. Om in te spelen op dringende behoeften of inzake innovatie kan de Regering, op voorstel van het strategisch landbouwcomité, onderzoeken aan het "Centre wallon de recherches agronomiques" toevertrouwen of subsidiëren waarin het driejarenplan niet voorziet.

  Art. D.365.§ 1. De Regering is bevoegd om gemengde onderzoekseenheden te erkennen en te subsidiëren.
  Een gemengde onderzoekseenheid is een onderzoekseenheid die één of meer privé- of openbare instellingen of bestanddelen van die instellingen samenbrengt. De oprichting ervan maakt het mogelijk om samenwerkingen rond een specifiek project of thema te officialiseren in die zin dat de menselijke, materiële en financiële middelen verdeeld worden.
  § 2. De Regering bepaalt de criteria en modaliteiten tot toekenning van subsidies voor de oprichting van gemengde onderzoekseenheden.
  De erkenningscriteria bepalen op zijn minst :
  1° de duur waarvoor de gemengde onderzoekseenheid opgericht wordt;
  2° de samenstelling van de gemengde onderzoekseenheid en de verantwoordelijke instelling;
  3° de methodes inzake opvolging en evaluatie van het project dat door de gemengde onderzoekseenheid gevoerd wordt;
  4° de mede-eigendom van de resultaten.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.365 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)

  Afdeling 2. - Het "Centre wallon de recherches agronomiques" (Waals centrum voor landbouwkundig onderzoek)

  Onderafdeling 1. - Het "Centre wallon de recherches agronomiques"

  Art. D.366.Er wordt een instelling van openbaar nut met de rechtspersoonlijkheid opgericht onder de benaming " Centre wallon de Recherches agronomiques ", afgekort " CRA-W ", hierna " het Centrum " genoemd.
  [1 Het centrum wordt ingedeeld onder de instellingen van type 1 bedoeld bij het decreet van 15 december 2011 houdende organisatie van de begroting, de boekhouding en de rapportage van de Waalse overheidsbestuurseenheden van de diensten van de Waalse Regering.]1
  De bepalingen van [1 dit decreet]1 zijn toepasselijk voor zover dit hoofdstuk er niet van afwijkt.
  De zetel van het Centrum is gevestigd in Gembloux.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.366 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 349, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.367.§ 1. Het Centrum heeft als opdracht de Regering bij te staan bij het uitstippelen en voeren van een geïntegreerd en overlegd beleid inzake landbouwkundig onderzoek en te zorgen voor de kennisgeving van de resultaten van de onderzoeken aan de landbouwers.
  § 2. Te dien einde wordt het Centrum belast met de volgende taken :
  1° [1 een ontwerp van driejarenplan inzake landbouwkundig onderzoek]1 waarin de door het Strategisch landbouwcomité bepaalde prioriteiten tot uiting komen, overleggen aan dat Comité, dat het ontwerp overeenkomstig artikel D.363 aan de Regering voorlegt ;
  2° alleen of in samenwerking met andere instellingen, toegepast landbouwkundig onderzoek of onderzoek naar het natuurlijk leefmilieu op hoog niveau voeren, door het aanwenden van participatieve onderzoeksmethodes waarbij de landbouwers betrokken worden;
  3° alleen of in samenwerking met andere instellingen, basisonderzoek voeren op de gebieden verbonden met de aan het Waalse Gewest verleende bevoegdheden inzake landbouw of natuurlijk leefmilieu;
  4° de met dat onderzoek verbonden dienstactiviteiten uitoefenen ten bate van het Waalse Gewest of van derden;
  5° [1 voorzien in de overdracht van de resultaten van het toegepast onderzoek dat door het Centrum gevoerd wordt, aan de landbouwers dankzij de coördinatie van de pilootcentra]1 ;
  6° [1 onder de coördinatie van de Administratie die voor de vulgarisatie bevoegd is aan de vulgarisatie van de resultaten van de onderzoeken deelnemen in samenwerking met de pilootcentra, de landbouwcomicen en alle begeleidingsstructuren voor de landbouwers;]1
  [1 7° de coördinatie van de gesubsidieerde activiteiten van de pilootcentra verzekeren]1
  In de zin van lid 1 wordt het Centrum specifiek belast met de volgende taken :
  1° het overleg- en opvolgingscomité inzake landbouwkundig onderzoek raadplegen en om advies verzoeken over het voorstel van ontwerp van driejarig onderzoeksprogramma, incluis over de verdeling van de onderzoeken onder het Centrum, de gemengde onderzoekseenheden en het gesubsidieerde onderzoek;
  2° onderwerpen voor ontwerpen van toegepast onderzoek of basisonderzoeken bepalen;
  3° verzoeken om en aanzetten tot werken in netverband, alle vormen van samenwerking met openbare of privé-partners op regionaal, nationaal en internationaal niveau ontwikkelen m.b.t. die opdracht, incluis door het oprichten van gemengde onderzoekseenheden.
  § 3. Naast het landbouwkundig onderzoek waarin overeenkomstig paragraaf 2 voorzien wordt, kan het Centrum ook bosonderzoek voeren zoals bepaald in het vijfjarenplan inzake bosonderzoek goedgekeurd overeenkomstig artikel 7 van het decreet van 15 juli 2008 betreffende het Boswetboek.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.367 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 350, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.368.Het Centrum ontwikkelt elke vorm van samenwerking met openbare of privé-partners in verband met zijn opdrachten.
  Het Centrum ontwikkelt elke vorm van samenwerking met landbouwbedrijven in verband met zijn opdrachten.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.368 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)

  Art. D.369.In geval van ontbinding van het Centrum worden de netto-activa die bij de ontbinding bestaan op de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest gestort.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.369 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)

  Onderafdeling 2. - Dagelijks beheer

  Art. D.370.[1 De directeur-generaal wordt door de Regering voor een mandaat aangewezen onder de voorwaarden vastgesteld bij Boek II van het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003 houdende de Waalse Ambtenarencode.
   De adjunct-directeur-generaal wordt door verhoging in graad bevorderd onder de voorwaarden vastgesteld bij titel III, Boek II van het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003 houdende de Waalse Ambtenarencode.
   De Regering bepaalt welke delegaties van bevoegdheden aan de directeur-generaal en aan de adjunct-directeur-generaal worden verleend.]1
  ----------
  (1)<DWG 2015-12-03/05, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 21-12-2015>

  Onderafdeling 3. - Financieel beheer

  Art. D.371.De inkomsten van het Centrum bestaan uit :
  1° de ontvangsten die voortkomen uit zijn dienstactiviteiten;
  2° de toelagen ten laste van de begroting van het Waalse Gewest, volgens de door de Regering vastgestelde modaliteiten;
  3° de ontvangsten die voortkomen uit zijn vermogen;
  4° de door de Regering toegestane giften en legaten;
  5° de financiële bijdrage van privé of openbare partners voor de uitvoering van landbouwkundige onderzoeksprojecten die in de lijn liggen van de door de Regering vastgestelde prioriteiten.
  
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.371 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)

  Art. D.372.
  <Opgeheven bij DWG 2018-07-17/04, art. 351, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.373.
  <Opgeheven bij DWG 2018-07-17/04, art. 352, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.374.[1 ...]1 overschrijdingen van kredieten die op de begroting van het Centrum uitgetrokken zijn, worden door de Regering toegelaten.
  De overwogen kredietoverschrijdingen die een hogere financiële tegemoetkoming tot gevolg hebben dan die waarin de begroting van het Gewest aanvankelijk voorziet, worden eerst goedgekeurd via de stemming van een overeenstemmend krediet op de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.374 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 353, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.375.§ 1. Het Centrum bezorgt de Regering [1 ...]1 en een jaarverslag over zijn activiteiten, met inachtneming van de modaliteiten die de Regering bepaalt.
  Het jaarverslag wordt door de Regering uiterlijk 30 april van elk jaar aan het Waals Parlement overgelegd.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. [1 ...]1
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.375 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 354, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.376.
  <Opgeheven bij DWG 2018-07-17/04, art. 355, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.377.De goederen, rechten en verplichtingen van de rechtspersoonlijkheid opgericht bij artikel 103 van het decreet van 19 december 2002 houdende de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest, worden overgedragen aan het Centrum.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.377 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)

  Art. D.378.Het Centrum is onderworpen aan de bepalingen van het decreet van 19 december 2002 houdende invoering van een financiële centralisatie van de thesaurieën van de Waalse instellingen van openbaar nut.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.378 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)

  Afdeling 3. - Overleg- en opvolgingscomité inzake landbouwkundig onderzoek

  Art. D.379.Er wordt een Overleg- en opvolgingscomité inzake landbouwkundig onderzoek ingesteld, hierna "het Comité" genoemd, dat met de volgende algemene opdrachten belast wordt :
  1° een netwerk zijn voor de uitwisseling van informatie en kennis betreffende landbouwkundig onderzoek en voor de kapitalisatie van de onderzoeken die in het Waalse Gewest gevoerd worden;
  2° zorgen voor de opvolging van de prioriteiten inzake landbouwkundig onderzoek die door het Strategisch landbouwcomité bepaald worden en het bijstaan bij de bepaling ervan;
  3° het Strategisch landbouwcomité bijstaan bij de bepaling van de onderzoeken die niet voorzien worden in het driejarenplan;
  4° inzake gesubsidieerd onderzoek advies uitbrengen over de methoden voor de notering, weging en indeling van de projecten die door de administratie behandeld worden in het kader van de procedures tot toekenning van subsidies i.v.m. landbouwkundige onderzoeksprojecten.
  [1 5° het Strategisch landbouwcomité elementen van kennis en waardering verschaffen om bedoeld comité in zijn opdrachten bij te staan.]1
  In de zin van lid 1, 1° en 2°, wordt het Comité belast met de volgende opdrachten :
  1° het Centrum kennis- en beoordelingselementen verschaffen bij het uitwerken van het driejarig onderzoeksplan;
  2° alle vormen van samenwerking met de openbare of privé-partners in het kader van die opdracht ontwikkelen en vragen dat ze in netwerkverband gebracht worden, met name door het Centrum bij te staan bij de oprichting van de gemengde onderzoekseenheden bedoeld in artikel D.363;
  3° in samenwerking met het Centrum een nauwkeurige planning tot omzetting van de prioriteiten in een operationeel onderzoeksplan voorleggen en aan de administratie meedelen;
  4° advies uitbrengen over het door het Centrum voorgelegde operationeel plan en ervoor zorgen dat het voldoet aan elke prioriteit die door het Strategisch landbouwcomité bepaald wordt.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 356, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.380. § 1. Het Comité is samengesteld uit minimum elf en maximum zestien leden aangewezen door de Regering volgens de modaliteiten die zij bepaalt, met name :
  1° een vertegenwoordiger van "Gembloux Agro-Bio Tech - Université de Liège";
  2° een vertegenwoordiger van de "Faculté d'ingénierie biologique, agronomique et environnementale de l'Université catholique de Louvain";
  3° een vertegenwoordiger van de "Ecole interfacultaire de Bioingénieurs de l'Université libre de Bruxelles";
  4° een vertegenwoordiger van de "Faculté de Médecine vétérinaire de l'Université de Liège";
  5° de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal van het Centrum;
  6° twee vertegenwoordigers van de administratie;
  7° een vertegenwoordiger van het Departement Onderzoeksprogramma's van het Operationeel directoraat-generaal Economie, Tewerkstelling en Onderzoek;
  8° een vertegenwoordiger van de "Association Wallonne de l'Elevage" (Waalse veehoudersvereniging);
  9° een vertegenwoordiger van het "Centre d'Economie rurale";
  10° maximum vijf deskundigen aangewezen door de Regering.
  Het Comité kan op gerichte wijze externe personen uitnodigen.
  § 2. De Regering wijst een voorzitter en een ondervoorzitter aan onder de leden.
  § 3. Het Comité maakt zijn huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring aan de Regering voor.
  § 4. Het secretariaat van het Comité wordt waargenomen door de dienst van de administratie die voor de opvolging van het landbouwkundig onderzoek bevoegd is.

  HOOFDSTUK II. - Subsidies voor innovatie en wetenschappelijk en technisch onderzoek met landbouwkundige finaliteit

  Art. D.381.§ 1. De Regering is bevoegd om de criteria te bepalen op grond waarvan subsidies toegekend kunnen worden ter ondersteuning van begeleidings-, ontwikkelings- en onderzoeksprojecten voor de oriëntering van de landbouw overeenkomstig artikel D.1. Ze is ook bevoegd om de toekenningsmodaliteiten te bepalen.
  § 2. De Regering bepaalt op zijn minst :
  1° de criteria waaraan de begunstigde van de steun moet voldoen opdat de uitgaven in aanmerking genomen kunnen worden;
  2° de termijn waarin de begunstigde een verslag met de stand van vordering van zijn opdracht overlegt;
  3° de procedure tot opvolging van de dossiers door de administratie via een Opvolgingscomité ;
  4° de boekhoudkundige verplichtingen van de begunstigde van de steun.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.381 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)

  HOOFDSTUK III. - Bevordering van de innovaties en vulgarisatie

  Afdeling 1. - Bevordering van de innovaties binnen de landbouwbedrijven

  Art. D.382.De Regering spoort aan tot innovatie binnen de landbouwbedrijven en kan subsidies verlenen voor de bevordering van innoverende praktijken.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.382 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)

  Art. D.383.§ 1. De Regering is bevoegd om de criteria te bepalen op grond waarvan subsidies ter bevordering van innoverende praktijken aan landbouwbedrijven toegekend kunnen worden en om de toekenningsmodaliteiten te bepalen.
  § 2. De Regering bepaalt op zijn minst :
  1° de criteria waaraan de begunstigde van de steun moet voldoen opdat de uitgaven in aanmerking genomen kunnen worden;
  2° de termijn waarin de begunstigde een verslag met de stand van vordering van zijn opdracht overlegt;
  3° de procedure tot opvolging van de dossiers door de administratie;
  4° de boekhoudkundige verplichtingen van de begunstigde van de steun.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.383 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)

  Afdeling 2. - Vulgarisatie

  Onderafdeling 1. - Pilootcentra voor de ontwikkeling en de vulgarisatie in de landbouw

  Art. D.384.§ 1. De Regering kan pilootcentra erkennen en subsidiëren die belast worden met de ontwikkeling van een productiesector of met een bijzondere thematiek en met de vulgarisatie van het onderzoek en innovaties binnen die sector.
  Er wordt één pilootcentrum per productiesector of bijzondere thematiek erkend en gesubsidieerd. Zijn activiteit bestrijkt het gezamenlijke grondgebied van het Waalse Gewest en helpt de in paragraaf 3 van artikel D.1. vermelde doelstellingen te halen.
  De lijst van de erkende pilootcentra wordt jaarlijks bekendgemaakt door de Regering.
  § 2. De Regering erkent, volgens de criteria die zij bepaalt, pilootcentra die onder de coördinatie en de wetenschappelijke opvolging van het "Centre wallon de recherches agronomiques" de volgende opdrachten vervullen :
  1° de coördinatie van activiteiten van de productiesector of van de thematiek;
  2° de realisatie van proeven onder de praktijkvoorwaarden;
  3° de uitvoering van demonstratieprojecten;
  4° de begeleiding van producenten op technisch, economisch, sociaal en milieuvlak;
  5° de sectorontwikkeling d.m.v. een gecoördineerd programma en gerichte acties;
  6° de vulgarisatie van elke informatie in verhouding tot de productiesector, met inbegrip van de resultaten van de activiteiten van het pilootcentrum en van het onderzoek;
  7° de verbetering van bestaande technieken en het onderzoek van de mogelijkheid om nieuwe technieken aan te wenden.
  Het programma bedoeld in lid 1, 5°, wordt ter goedkeuring aan het Strategisch landbouwcomité voorgelegd, na adviesverlening aan het producentencollege.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.384 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)

  Art. D.385.De Regering bepaalt de voorwaarden tot toekenning van subsidies aan de pilootcentra volgens de modaliteiten waarin de artikelen D.11 tot D.14 voorzien.
  Het subsidiepercentage bedraagt minimum 10 percent van de beheerskosten en overschrijdt de beheerskosten niet.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.385 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)
  De samenstelling van de beheerskosten bedoeld in lid 2 kan bepaald worden door de Regering.

  Art. D.386.Het erkende pilootcentrum kan het bedrag van een bijdrage ten laste van de landbouwers vastleggen ter financiering van zijn activiteiten volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt.
  Dat bedrag mag niet hoger zijn dan het bedrag van de kosten die het pilootcentrum daadwerkelijk maakt om zijn opdrachten te vervullen.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.386 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)

  Onderafdeling 1/1. [1 Gewestelijke Referentie- en experimenteercentra]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 357, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  

  Art. D.386/1. [1 § 1. De Regering kan landbouwers als gewestelijke Referentie- en experimenteercentra erkennen en subsidiëren.
   De Regering kan de lijst van de erkende gewestelijke Referentie- en experimenteercentra jaarlijks bekendmaken.
   De Regering kan het aantal erkende gewestelijke Referentie- en experimenteercentra jaarlijks beperken.
   § 2. De Regering erkent volgens de door haar bepaalde criteria gewestelijke referentie- en experimenteercentra die innoverende activiteiten gebonden aan minstens één van de volgende thema's uitvoeren:
   1° het experimenteren in de praktijk van de resultaten verstrekt door het fundamenteel en toegepast wetenschappelijk onderzoek;
   2° het onderzoek naar de mogelijkheden voor de toepassing van nieuwe teelttechnieken en de verbetering van bestaande technieken;
   3° de nieuwe en bestaande producties;
   4° de economische aspecten van de speculaties en de technieken in de bedrijven;
   5° de reconversiemogelijkheden van bepaalde soorten bedrijven;
   6° de verspreiding van de resultaten van hun experimenteerwerken en de communicatie van hun ervaring.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 358, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  

  Art. D.386/2. [1 De Regering bepaalt de bedragen en de toekenningsvoorwaarden van de subsidies aan de gewestelijke Referentie- en experimenteercentra volgens de in de artikelen D.11 tot D.14 bepaalde modaliteiten.
   Het subsidiepercentage bedraagt minstens tien percent van de beheerskosten en mag het bedrag van die beheerskosten niet overschrijden.
   De Regering kan bepalen waaruit de beheerskosten bedoeld in lid 2 bestaan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/04, art. 359, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>
  

  Onderafdeling 2. - Landbouwcomicen

  Art. D.387. § 1. De Regering kan landbouwcomicen erkennen volgens de modaliteiten die zij bepaalt en hen subsidies verlenen.
  Een landbouwcomice is een neutrale vereniging van landbouwers waarvan het bedrijf in een homogeen landbouwgebied ligt. Ze heeft als opdracht de bevordering van de uitwisseling van kennis tussen leden, de informatieverstrekking en de vulgarisatie om een evolutie van de landbouw overeenkomstig artikel D.1. mogelijk te maken.
  § 2. Elke landbouwer die actief is binnen het landbouwgebied dat door de landbouwcomice bestreken wordt kan er lid van zijn, ongeacht zijn filosofische overtuiging of zijn politieke kleur.
  § 3. De actiegebieden van de landbouwcomicen mogen elkaar niet overlappen en hun grenzen zijn gemeentelijke grenzen of natuurlijke grenzen, bijv. een waterloop.
  § 4. De lijst van de erkende landbouwcomicen en van hun actiegebied wordt jaarlijks bekendgemaakt door de Regering.

  Art. D.388. De Regering bepaalt de voorwaarden tot toekenning van subsidies aan de landbouwcomicen volgens de modaliteiten waarin de artikelen D.11 tot D.14 voorzien.
  Het subsidiepercentage bedraagt minimum 10 percent van de beheerskosten en overschrijdt die niet.
  De samenstelling van de beheerskosten bedoeld in lid 2 kan bepaald worden door de Regering.

  Art. D.389. De erkende landbouwcomice kan het bedrag van een bijdrage ten laste van haar leden vastleggen ter financiering van haar activiteiten volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt.
  Dat bedrag mag niet hoger zijn dan het bedrag van de kosten die de landbouwcomice daadwerkelijk maakt om haar opdrachten te vervullen en voor zover de kosten die door de bijdrage ten laste genomen worden in geen geval het voorwerp uitmaken van een dubbele subsidiëring of van een terugbetaling.

  Titel XIII. - Controle en opsporing van overtredingen

  HOOFDSTUK I. - Controle

  Afdeling 1. - Ambtenaren

  Art. D.390. De ambtenaren belast met de controle op de naleving van de bepalingen van dit Wetboek en de krachtens dit Wetboek genomen bepalingen voldoen aan de voorwaarden van artikel D.140, §§ 1 en 2, lid 2, van het decreetgevend gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek.
  Artikel D.140, §§ 3 en 4, van hetzelfde gedeelte is niet toepasselijk op dit Wetboek.

  Afdeling 2. - Onderzoeksmiddelen

  Art. D.391. De Regering legt de regels vast voor de erkenning van de laboratoria belast met de officiële analyses, overeenkomstig artikel D.147 van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek.
  Binnen vijfenveertig dagen na de beslissing met vaste datum overeenkomstig de artikelen D.15 en D.16 kan de betrokken persoon overeenkomstig de artikelen D.17 en D.18 een beroep bij de Regering indienen tegen de krachtens het eerste lid genomen beslissing tot erkenning van de laboratoria.

  Art. D.392. De Regering kan bepalingen i.v.m. de modaliteiten van de inspectie vastleggen voor alle of sommige categorieën van installaties en activiteiten bedoeld in artikel D.2.

  Afdeling 3. - Controle en opsporing van overtredingen van de bepalingen van titel 4, hoofdstuk 2

  Art. D.393. Wat betreft de gedeelten die overeenkomstig artikel D.95 toepasselijk zijn op het grondgebied van het Franse taalgebied, worden het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen van titel 4, hoofdstuk 2, en van de desbetreffende uitvoeringsbesluiten uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 5 februari 1998 houdende toezicht en controle op de naleving van de wetgeving betreffende de omscholing en de bijscholing.

  Art. D.394. Wat betreft de gedeelten die op het grondgebied van het Waalse Gewest toepasselijk zijn op de gecofinancierde acties als de Europese wetgeving daarin voorziet, worden het toezicht en de controle op de naleving van de bepalingen van titel 4, hoofdstuk 2, en van de desbetreffende uitvoeringsbesluiten uitgeoefend overeenkomstig titel 13, hoofdstuk 1, afdelingen 1 en 2.

  HOOFDSTUK II. - Overtredingen op landbouwgebied

  Afdeling 1. - Dwangmaatregelen

  Art. D.395. De ambtenaren bedoeld in artikel D.390 kunnen een waarschuwing richten onder de voorwaarden vermeld in artikel D.148 van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek.

  Afdeling 2. - Strafbepalingen

  Art. D.396.Een overtreding van tweede categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek wordt begaan door :
  1° hij die de documenten met de zoötechnische kwaliteiten van een rasdier, een hybride dier, of zijn producten, namaakt of vervalst;
  2° hij die elk document of voorwerp overgemaakt aan de controleoverheid om een [2 kwaliteitslabel of -teken]2 te verkrijgen, namaakt of vervalst;
  3° hij die een eenmalige aanvraag of elk ander document of voorwerp overgemaakt aan het betaalorgaan om een financiële steun te verkrijgen, namaakt of vervalst;
  [1 4° hij die de documenten met het oog op het krijgen van de steun bedoeld in titel X/1 namaakt of vervalst.]1
  [2 5° hij die de voorwaarden bewust en kunstmatig gecreëerd heeft, die vereist worden ter gelegenheid van een aanvraag voor het verkrijgen of behouden van een subsidie, een vergoeding, een steun of een toelage bepaald bij dit Wetboek;
   6° hij die een subsidie, een vergoeding, een steun of een toelage bepaald bij dit Wetboek ten gevolge van een in 5° bedoelde aanvraag heeft ontvangen of behouden;
   7° hij die, door niet de verklaring overeenstemmend met de bepalingen bepaald bij dit Wetboek of de uitvoeringsbesluiten ervan te hebben afgelegd, een subsidie, een vergoeding, een steun of een toelage, of een deel daarvan, heeft aanvaard of behouden, in de wetenschap dat hij er geen of slechts gedeeltelijk recht op heeft;
   8° hij die, wanneer hij eraan onderworpen is, de bepalingen betreffende de betaling van de melk niet naleeft.]2
  ----------
  (1)<DWG 2017-03-23/24, art. 14, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
  (2)<DWG 2018-07-17/04, art. 360, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.397.§ 1. Een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek wordt begaan door :
  1° hij die, hetzij door berichten, plakbrieven of andere wijzen van aankondiging, hetzij door het gebruik van een voorwerp, stuk of aanduiding bedoeld in de artikelen D.134, lid 1, 2°, en D.164, lid 1, 2°, veinst of valselijk beweert dat het product door de overheid werd gecontroleerd of erkend of zich valselijk op deze controle of erkenning beroept;
  2° hij die een monster van een krachtens artikel D.2, § 1, lid 1, 2, gereglementeerd product vervalst of laat vervalsen;
  3° hij die, gebruik makend van een voorwerp, stuk of aanduiding bedoeld in de artikelen D.134, lid 1, 3°, en D.164, lid 1, 3°, opgelegd bij een krachtens hetzelfde artikel genomen besluit, bedrog pleegt nopens de oorsprong, de hoedanigheid of de hoeveelheid van het product en hij die bedrieglijk gebruik maakt van een dergelijk nagemaakt of vervalst voorwerp, stuk of aanduiding;
  4° hij die rasdieren of hybride dieren, sperma, eicellen, embryo's, met inbegrip van de broedeieren in de handel brengt, aanbiedt, ten verkoop tentoonstelt, in bezit houdt, bereidt, vervoert, verkoopt, levert, onder kosteloze of bezwarende titel afstaat, invoert, uitvoert of doorvoert, zonder dat zij aan alle voorwaarden van dit Wetboek of aan één van de desbetreffende uitvoeringsbesluiten voldoen om deze hoedanigheid te hebben;
  5° hij die zonder schriftelijke en uitdrukkelijke machtiging van de bevoegde autoriteit gebruik maakt van een krachtens titel 7, hoofdstukken 1 en 2, bepaalde [1 kwaliteitslabel, - teken of aanduiding]1 of van een andere term, vertaling of grafie die voor verwarring kan zorgen;
  6° hij die niet beschikt over een machtiging of een erkenning vereist krachtens dit Wetboek of de voorwaarden ervan niet in acht neemt.
  [1 7° hij die, wanneer hij eraan onderworpen is, de bepalingen betreffende de controle op de melksamenstelling niet naleeft.]1
  § 2. Een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek wordt begaan door :
  1° hij die genetisch gemodificeerde planten teelt zonder vooraf bij de toezichthoudende overheid te zijn ingeschreven, zoals bedoeld in artikel D.138;
  2° hij die opzettelijk valse inlichtingen of onjuiste documenten verstrekt bij zijn aanvraag tot inschrijving van een genetisch gemodificeerde gewas als bedoeld in artikel D.141;
  3° hij die een gewas van GGP-inzaait of aanplant zonder het bedrag van de in artikel D.143 bedoelde bijdrage te hebben betaald;
  4° hij die de door de Regering ter uitvoering van artikel D.148 vastgestelde exploitatievoorwaarden voor genetisch gemodificeerde gewassen niet heeft nageleefd;
  5° de producent die grond exploiteert waarop voorheen een genetisch gemodificeerd gewas werd geteeld zonder te voldoen aan de verplichtingen op grond van artikel D.148, § 2, lid 1, 2° ;
  6° de producent van een genetisch gemodificeerd gewas die opzettelijk nalaat de toezichthoudende overheid in kennis te stellen van alle onverwachte of afwijkende feiten als bedoeld in artikel D.149, § 1;
  7° de producent die de ter uitvoering van artikel D.149, § 2, vereiste gegevens niet registreert of niet heeft bewaard gedurende de voorgeschreven termijn;
  8° de producent van conventionele of biologische gewassen die niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld ter uitvoering van artikel D.150;
  9° hij die opzettelijk genetisch gemodificeerd plantaardig materiaal met zijn oogst heeft vermengd om aanspraak te kunnen maken op compensatie door het Begrotingsfonds voor de kwaliteit van de dierlijke en de plantaardige producten;
  10° hij die zich verzet tegen bezoeken, inspecties, inbeslagnames, controles, monsternemingen of verzoeken om inlichtingen of documenten van de medewerkers van de toezichthoudende overheid of die opzettelijk onjuiste inlichtingen of documenten verstrekt.
  § 3. Een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek wordt begaan door :
  5° hij die zonder de schriftelijke en uitdrukkelijke machtiging bedoeld in artikel D.203 gebruik maakt van de aanduiding "ferme pédagogique" of van een andere term, vertaling of schrijfwijze die voor verwarring kan zorgen;
  2° hij die zonder de schriftelijke en uitdrukkelijke machtiging bedoeld in artikel D.203 gebruik maakt van het schild bedoeld in artikel D.204 of van elk ander motief of teken dat verwijst naar de aanduiding "ferme pédagogique";
  3° hij die gebruik blijft maken van de aanduiding "ferme pédagogique" of van het schild dat met die aanduiding overeenkomt terwijl de opschorting of de intrekking van de schriftelijke en uitdrukkelijke machtiging hem krachtens artikel D.214 werd betekend.
  § 4. Een overtreding van derde categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek wordt begaan door :
  1° hij die de beginselen inzake bestrijding van de erosie van de aan een landbouwactiviteit onderworpen grond overtreedt, zoals vastgelegd door de Regering overeenkomstig artikel D.263;
  2° hij die zich verzet tegen de uitvoering van werken in het kader van een grondinrichting in de zin van dit Wetboek of die werken beschadigt ;
  3° hij die zich verzet tegen de maatregelen genomen door het Grondinrichtingscomité of door het Subregionaal comité;
  4° hij die de grensstenen en palen verplaatst die in het kader van een grondinrichting in de zin van dit Wetboek geplaatst werden.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 361, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Art. D.398.§ 1. Een overtreding van vierde categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek wordt begaan door :
  1° hij die nalaat een merk, lood, verzegeling, label, [1 teken,]1 etiket of enigerlei aanduiding aan te brengen waar dit opgelegd is bij een besluit genomen krachtens de artikelen D.134 en D.164;
  2° hij die, zonder machtiging of erkenning, een product in de handel brengt, verwerft, aanbiedt, ten verkoop tentoonstelt, in bezit houdt, bereidt, vervoert, verkoopt, levert, afstaat, invoert, uitvoert of doorvoert, wanneer krachtens een overeenkomstig de artikelen D.134 en D.164 genomen besluit een machtiging of erkenning voor die handeling is vereist;
  3° hij die een product in de handel brengt, verwerft, aanbiedt, ten verkoop tentoonstelt, in bezit houdt, bereidt, vervoert, verkoopt, levert, afstaat, invoert, uitvoert of doorvoert, wanneer die handeling bij een krachtens de artikelen D.134 en D.164 genomen besluit verboden is;
  4° hij die rasdieren of hybride dieren, sperma, eicellen, embryo's, met inbegrip van de broedeieren in de handel brengt, aanbiedt, ten verkoop tentoonstelt, in bezit houdt, bereidt, vervoert, verkoopt, levert, onder kosteloze of bezwarende titel afstaat, invoert, uitvoert of doorvoert, zonder dat zij aan alle voorwaarden van dit decreet of aan één van de desbetreffende uitvoeringsbesluiten voldoen om deze hoedanigheid te hebben;
  5° hij die de in artikel D.193 bedoelde bijdrage niet betaalt of het geheel van de bijdrage niet binnen de voorgeschreven termijnen betaalt;
  6° hij die zich verzet tegen bezoeken, inspecties, controles of verzoeken om inlichtingen of documenten van de ambtenaren bedoeld in artikel D.390 of die opzettelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen of documenten verstrekt voor het Begrotingsfonds voor de kwaliteit van de dierlijke en de plantaardige producten.
  § 2. Een overtreding van vierde categorie in de zin van deel VIII van het decreetgevend gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek wordt begaan door de overtreder van de bepalingen van titel 5, hoofdstuk 2, van dit Wetboek en van de desbetreffende uitvoeringsbesluiten die niet in artikel D.397, § 2, opgenomen zijn.
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 362, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>

  Afdeling 3. - Eventueel verval van de strafvordering mits schikking

  Art. D.399. De overtredingen bedoeld in de artikelen D.396 tot D.398 kunnen het voorwerp uitmaken van een schikking, overeenkomstig artikel D.159, § 1, van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek.
  In afwijking van artikel D.170, § 3, lid 2, 1°, van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek, wordt de geïnde som gestort :
  1° op het Begrotingsfonds inzake het landbouwgrondbeleid voor de overtredingen omschreven in artikel D.397, § 4;
  2° op het Begrotingsfonds voor de financiering van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor de overtredingen omschreven in artikel D.396, lid 1, 3° ;
  3° op het Begrotingsfonds voor de kwaliteit van de dierlijke en plantaardige producten voor de overige overtredingen.

  Afdeling 4. - Administratieve geldboeten

  Art. D.400. § 1. In afwijking van artikel D.165, lid 3, van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek, wordt de opbrengst van de administratieve geldboeten die uitgesproken worden inzake overtredingen vermeld in de artikelen D.396, lid 1, 1° en 2°, D.397, §§ 1, 2 en 3, en D.398 gestort op het Begrotingsfonds voor de kwaliteit van de dierlijke en plantaardige producten.
  § 2. In afwijking van artikel D.165, lid 3, van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek, wordt de opbrengst van de administratieve geldboeten die uitgesproken worden inzake de overtreding vermeld in artikel D.396, lid 1, 3°, gestort op het Begrotingsfonds voor de financiering van het geïntegreerde beheers- en controlesysteem.
  § 2. In afwijking van artikel D.165, lid 3, van deel VIII van het decreetgevend deel van Boek I van het Milieuwetboek, wordt de opbrengst van de administratieve geldboeten die uitgesproken worden inzake de overtreding vermeld in artikel D.397, § 4, gestort op het Begrotingsfonds inzake het landbouwgrondbeleid.

  Art. D.401. De administratieve geldboeten uitgesproken inzake overtredingen vermeld in de artikelen D.396 tot D.398 kunnen worden verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met het economisch voordeel dat voortvloeit uit de begane overtreding.

  Art. D.402. § 1. De sanctionnerend ambtenaar kan minderjarigen vervolgen die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt.
  Wanneer de sanctionnerend ambtenaar beslist om een persoon onder de achttien jaar via een administratieve geldboete te vervolgen, wordt een aangetekend schrijven of een document die vaste datum verleent aan de verzending in de zin van artikel 31, § 3, gericht aan de minderjarige, alsook aan diens vader en moeder, voogden of personen die toezicht op hem uitoefenen. Die partijen beschikken over dezelfde rechten als de overtreders.
  De sanctionnerend ambtenaar geeft daarvan kennis aan de stafhouder van de orde van advocaten, zodat ervoor gezorgd wordt dat de minderjarige kan worden bijgestaan door een advocaat. Die kennisgeving wordt samen met het in het tweede lid bedoeld schrijven verstuurd.
  Uiterlijk binnen twee werkdagen, te rekenen van de datum van die kennisgeving, wordt een advocaat aangewezen door de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand.
  Een afschrift van de kennisgeving waarmee de stafhouder in kennis van de aanhangigmaking gesteld wordt, wordt bij het proceduredossier gevoegd.
  Indien er een belangenconflict is, ziet de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand erop toe dat betrokkene bijgestaan wordt door een andere advocaat dan diegene op wie zijn vader en moeder, voogden of personen die hem onder hun toezicht hebben, een beroep gedaan hebben.
  De vader en moeder, de voogden of de personen die toezicht op de minderjarige uitoefenen, zijn burgerlijk verantwoordelijk voor de betaling van de boete.
  § 2. Indien de beslissing betrekking heeft op minderjarigen die de volle leeftijd van zestien jaar bereikt hebben op het moment van de feiten, wordt het beroep d.m.v. een kosteloos verzoekschrift bij de jeugdrechtbank ingediend. In dat geval kan het beroep ook ingediend worden door de vader en moeder, de voogden of de personen die het toezicht op hem uitoefenen. De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de overtreder meerderjarig is wanneer zij zich uitspreekt.
  Wanneer een beroep tegen een administratieve sanctie aanhangig wordt gemaakt bij de jeugdrechtbank, kan deze de sanctie vervangen door een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding zoals die wordt bepaald in artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming. In dat geval is artikel 60 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming van toepassing.
  § 3. De beslissingen van de politierechtbank zijn niet vatbaar voor beroep. Wanneer de jeugdrechtbank evenwel beslist tot de vervanging van de administratieve sanctie door een bewakings-, beschermings- of opvoedingsmaatregel bedoeld in artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, is haar beslissing voor beroep vatbaar. In dat geval zijn de procedures waarin de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming voorziet voor de feiten die als overtredingen beschouwd worden van toepassing.

  Art. D.403. § 1. Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van de voldoening van de ten onrechte gestorte steun, de administratieve geldboeten en de kosten heeft het Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de betrokkene en kan het een wettelijke hypotheek nemen op al de daarvoor vatbare en in het Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de betrokkene.
  Dat voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld worden in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel.
  De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel.
  De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de sanctionnerend ambtenaar voor de invordering van de administratieve geldboeten, of van het betaalorgaan voor de invordering van de ten onrechte gestorte steun.
  De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan.
  § 2. Artikel 19 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake ten onrechte gestorte steun en administratieve geldboeten waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan betrokkene is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.

  Afdeling 5. - Overtredingen betreffende de vorming

  Art. D.404. Wat betreft de gedeelten die overeenkomstig artikel D. 95 toepasselijk zijn op het grondgebied van het Franse taalgebied, worden de overtredingen van de bepalingen van titel 4, hoofdstuk 2, en van de desbetreffende uitvoeringsbesluiten vervolgd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 5 februari 1998 houdende toezicht en controle op de naleving van de wetgeving betreffende de omscholing en de bijscholing.
  Wat betreft de gedeelten die op het grondgebied van het Waalse Gewest toepasselijk zijn op de gecofinancierde acties, is titel 13, hoofdstuk 2, toepasselijk voor zover de Europese wetgeving daarin voorziet.

  Titel XIV. - Slotbepalingen

  HOOFDSTUK I. - Diverse bepalingen

  Art. D.405. Er wordt naar dit decreet verwezen met de benaming : "Waals Landbouwwetboek".

  Art. D.406. Er wordt ingestemd met :
  1° het samenwerkingsakkoord van 18 juni 2003 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het gebied van Landbouw en Visserij;
  2° het samenwerkingsakkoord van 30 maart 2004 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het gebied van Landbouw en Visserij;
  3° het Interregionale Protocol "Teeltmateriaal" van 31 maart 2004;
  4° het samenwerkingsakkoord van 27 oktober 2006 tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 18 juni 2003 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het gebied van landbouw en visserij, wat betreft de uitoefening van de bevoegdheden op het gebied van de pachtwetgeving;
  5° het samenwerkingsakkoord van 28 mei 2009 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot wijziging van het samenwerkingsakkoord van 30 maart 2004 met betrekking tot de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het gebied van landbouw en visserij;
  6° het samenwerkingsakkoord van 28 mei 2009 tussen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest met betrekking tot de implementatie van de bedrijfstoeslagregeling.

  Art. D.407. De personeelsleden van de tijdelijke cel tot opvang van de personeelsleden afkomstig van het "Centre wallon de Recherches agronomiques" van Gembloux, opgericht bij besluit van de Waalse Regering van 27 maart 2003, die ambtshalve zijn overgeplaatst naar het "Centre wallon de Recherches agronomiques" bedoeld in artikel D.366, blijven personeelsleden van dat Centrum.
  De personeelsleden behouden de hoedanigheid, de graad en de bezoldiging die ze genoten voordat ze naar het Centrum overgeplaatst werden.

  Art. D.408. De personeelsleden van de rechtspersoonlijkheid ingesteld bij het "Centre wallon de recherches agronomiques" van Gembloux die ambtshalve zijn overgeplaatst naar het "Centre wallon de recherches agronomiques" bedoeld in artikel D.366, blijven personeelsleden van dat Centrum.
  Ze behouden de hoedanigheid, de graad en de bezoldiging die ze genoten voordat ze naar het Centrum overgeplaatst werden.

  Art. D.409. De goederen, rechten en plichten van het "Centre wallon de Recherches agronomiques" van Gembloux die aan het Gewest overgedragen werden of moeten worden, blijven eigendom van het "Centre wallon de Recherches agronomiques" bedoeld in artikel D.365 vanaf de datum van hun overdracht aan het Gewest.

  HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen

  Art. D.410. In artikel 591 van het Gerechtelijk wetboek wordt punt 11° vervangen als volgt : "van geschillen inzake grondinrichting zoals georganiseerd krachtens titel 11, hoofdstuk 3, van het Waalse landbouwwetboek".

  Art. D.411. In artikel 1, A, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut worden op de plaats die met de alfabetische volgorde overeenstemt de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "Agence wallonne pour la Promotion d'une Agriculture de qualité" (Waals agentschap voor de bevordering van een kwaliteitsvolle landbouw) worden ingevoegd op de plaats die met de alfabetische volgorde overeenstemt;
  2° de woorden "Centre wallon de Recherches Agronomiques" (Waals centrum voor landbouwkundig onderzoek) worden ingevoegd op de plaats die met de alfabetische volgorde overeenstemt.

  Art. D.412. Artikel 1 van het decreet van 22 januari 1998 betreffende het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut die onder het Waalse Gewest ressorteren wordt aangevuld als volgt : "7° Agence wallonne pour la Promotion d'une Agriculture de qualité." (Waals agentschap voor de bevordering van een kwaliteitsvolle landbouw).

  Art. D.413. In artikel D.138, lid 1, van Boek I van het Milieuwetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "- het decreet van 27 juni 2013 houdende verschillende bepalingen inzake landbouw, tuinbouw en aquacultuur" worden vervangen door de woorden "- het Waalse Landbouwwetboek";
  2° de woorden "- het decreet van 10 juli 2013 tot vaststelling van een kader ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden en tot wijziging van Boek I van het Milieuwetboek, Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw" worden ingevoegd.

  Art. D.414. In artikel D.170, § 3, lid 2, van Boek I van het Milieuwetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "- of in het decreet van 27 juni 2013 houdende verschillende bepalingen inzake landbouw, tuinbouw en aquacultuur", ingevoegd tussen de woorden "teelten" en "overgemaakt" worden vervangen door de woorden "of in het Waalse Landbouwwetboek";
  2° de woorden "- of in het decreet van 10 juli 2013 tot vaststelling van een kader ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden en tot wijziging van Boek I van het Milieuwetboek, Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw" worden ingevoegd tussen de woorden "teelten" en "in het Waalse landbouwwetboek".

  Art. D.415. Bijlage V bij het Milieuwetboek, waarin lijst I van de plannen en programma's bedoeld in artikel 53, § 1, van het decreetgevend gedeelte opgenomen zijn, wordt gewijzigd als volgt :
  1° lid 1, 1°, wordt vervangen als volgt : "1° het herkavelingsplan bedoeld in artikel D.286 van het Waalse Landbouwwetboek";
  2° lid 1, 2°, wordt vervangen als volgt : "2° Het plan van de nieuwe wegen en afwateringswegen bedoeld in artikel D.283 van het Waalse landbouwwetboek, uitsluitend wat de grondinrichting betreft";
  3° lid 1, 3°, wordt vervangen als volgt : "3° Het voorlopige inrichtingsplan bedoeld in artikel D.320 van het Waalse Landbouwwetboek";
  4° de punten 4°, 5°, 6° en 7° van lid 1 worden opgeheven.

  Art. D.416. In artikel 13, lid 2, van het decreet van 4 februari 2010 tot wijziging van Boek II van het Milieuwetboek houdende diverse bepalingen met betrekking tot het waterbeleid worden de woorden "door het Comité van aankoop van onroerende goederen" vervangen door de woorden "door het Comité van aankoop van onroerende goederen, door de ontvanger van de registratie, door een notaris, door een landmeter-expert inegeschreven op de tabel van de federale raad van landmeters-experten, of door een architect ingeschreven bij de Orde van de Architecten".

  Art. D.417. Artikel 1, lid 1, 2°, van het decreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie wordt gewijzigd als volgt :
  1° de woorden ""Comité d'orientation et d'évaluation recherche agronomique" (Oriëntatie- en evaluatiecomité voor landbouwkundig onderzoek)" worden vervangen door de woorden ""Comité de concertation et de suivi de la recherche agronomique" (Overleg- en opvolgingscomité voor landbouwkundig onderzoek)";
  2° de woorden "Comité d'orientation de l'APAQ-W (Oriëntatiecomité van het "APAQ-W")" vervallen ;
  3° de woorden "Comité de la marque de l'APAQ-W (Comité van het collectieve merk van het "APAQ-W")" vervallen.

  HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepalingen.

  Art. D.418.Opgeheven worden :
  1° de wet van 29 juli 1955 tot oprichting van een landbouwfonds;
  2° met ingang van de inwerkingtreding van titel 11, hoofdstuk 3, dat de artikelen D.266 tot D.352 inhoudt, de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen;
  3° met ingang van de inwerkingtreding van titel 11, hoofdstuk 3, dat de artikelen D.266 tot D.352 inhoudt, de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken;
  4° de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw-, en zeevisserijproducten;
  5° met ingang van de inwerkingtreding van titel 11, hoofdstuk 3, dat de artikelen D.266 tot D.352 inhoudt, de wet van 10 januari 1978 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen in der minne;
  6° met ingang van de inwerkingtreding van titel 7, hoofdstuk 1, dat de artikelen D.171 tot D.177 inhoudt, het decreet van 7 september 1989 betreffende de aanduiding van lokale oorsprong en de aanduiding van Waalse oorsprong alsmede het toepasselijk maken in het Waalse Gewest van de verordeningen (E.E.G.) nrs. 2081/92 en 2082/92, zoals gewijzigd bij het decreet van 19 december 2002 tot wijziging van het decreet van 7 september 1989 betreffende de toekenning van het Waalse kwaliteitslabel, de aanduiding van lokale herkomst en de aanduiding van Waalse herkomst, met uitzondering van de hoofdstukken 1 en 2;
  7° het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw, zoals gewijzigd bij het decreet van 22 november 2007 tot wijziging van het decreet van 5 februari 1998 houdende toezicht en controle op de naleving van de wetgeving betreffende de omscholing en de bijscholing en van andere decreten met een gelijksoortig doel, bij het kaderdecreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviesverlenende functie voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet, bij het decreet van 10 december 2009 ter wijziging van diverse wetgevingen met betrekking tot de aangelegenheden bedoeld in artikel 138 van de Grondwet met het oog op het omzetten van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt en bij het decreet van 10 juli 2013 tot vaststelling van een kader ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden en tot wijziging van Boek I van het Milieuwetboek, Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw, de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en het decreet van 12 juli 2001 betreffende de beroepsopleiding in de landbouw;
  8° het decreet van 19 december 2002 betreffende de bevordering van de landbouw en de ontwikkeling van landbouwproducten van gedifferentieerde kwaliteit, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2003, 30 april 2009 en 22 december 2010, met uitzondering van artikel 24, dat van kracht blijft tot [1 [2 31 december 2018]2]1;
  9° de artikelen 43 tot 49 van het programmadecreet van 18 december 2003 houdende verschillende maatregelen inzake gewestelijke fiscaliteit, thesaurie en schuld, organisatie van de energiemarkten, leefmilieu, landbouw, plaatselijke en ondergeschikte besturen, erfgoed, huisvesting en ambtenarenzaken, zoals gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2008 betreffende de coëxistentie van genetisch gemodificeerde teelten met gangbare en biologische teelten ;
  10° met ingang van de inwerkingtreding van titel 12, hoofdstukken 1, 2 en 3, dat de artikelen D.362 tot D.389 inhoudt, het decreet van 3 juli 2003 tot oprichting van het " Centre wallon de Recherches agronomiques " (Waals Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek) en van een Oriëntatie- en evaluatiecomité voor landbouwkundig onderzoek;
  11° het decreet van 15 februari 2007 betreffende de identificatie van de meewerkende echtgenoten in de landbouw;
  2° het decreet van 19 december 2007 tot oprichting van een Begrotingsfonds inzake de financiering van het Geïntegreerde Beheers- en Controlesysteem (G.B.C.S.);
  13° het decreet van 19 juni 2008 betreffende de coëxistentie van genetisch gemodificeerde teelten met gangbare en biologische teelten;
  14° artikel 13, 2° g) en 3° c), van het decreet van 4 februari 2010 tot wijziging van Boek II van het Milieuwetboek houdende diverse bepalingen met betrekking tot het waterbeleid;
  15° artikel 113 van het decreet-programma van 22 juli 2010 houdende verschillende maatregelen inzake goed bestuur, bestuurlijke vereenvoudiging, energie, huisvesting, fiscaliteit, werkgelegenheid, luchthavenbeleid, economie, leefmilieu, ruimtelijke ordening, plaatselijke besturen, landbouw en openbare werken, gewijzigd bij het decreet van 27 oktober 2011 houdende wijziging van verscheidene decreten betreffende de bevoegdheden van Wallonië;
  16° het decreet van 27 juni 2013 houdende verschillende bepalingen inzake landbouw, tuinbouw en aquacultuur;
  17° het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 8 januari 1987 waarbij een Hoge Waalse Raad voor Landbouw, Landbouwstoffen en Voeding opgericht wordt.
  ----------
  (1)<DWG 2016-12-21/29, art. 155, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<DWG 2017-12-13/20, art. 148, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepalingen

  Art. D.419. De verenigingen die thans tussenkomen in het kader van het landbouwraadsysteem blijven hun opdrachten vervullen zolang de erkenningsprocedures niet ten uitvoer worden gelegd overeenkomstig artikel D.128.

  Art. D.420. De producentenorganisaties, de verenigingen van producentenorganisaties en de interprofessionele organisaties, thans erkend op basis van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten, blijven erkend tot de erkenningsprocedures overeenkomstig de artikelen D.195 en D.196 ten uitvoer gelegd worden.

  Art. D.421. Om het eerste Producentencollege samen te stellen, vaardigt elke als ketenraad erkende vereniging twee producenten af.
  Zolang de eventuele erkenningsprocedure bedoeld in artikel D.76 niet ten uitvoer is gelegd, wijst de Regering de vereniging aan die het producentencollege de operationele ondersteuning zal verschaffen.

  Art. D.422. De landbouwbedrijven die op de datum van inwerkingtreding van titel 8, hoofdstuk 2, afdeling 1, van dit Wetboek de in artikel D.202 bedoelde opdrachten en activiteiten uitoefenen, mogen gebruik maken van de aanduiding "ferme pédagogique" alsook van het schild dat met die aanduiding overeenstemt.
  De landbouwbedrijven bedoeld in lid 1 dienen evenwel een aanvraag tot machtiging krachtens dit Wetboek in binnen twee jaar na de inwerkingtreding van titel 8, hoofdstuk 2, afdeling 1, van dit Wetboek.

  Art. D.423. Artikel 16 van het decreet van 27 juni 2013 houdende verschillende bepalingen inzake landbouw, tuinbouw en aquacultuur blijft gevolg hebben voor de lopende garantiecontracten.
  Artikel D.247 is van toepassing op de contracten die beginnen te lopen na de inwerkingtreding van dit Wetboek.

  Art. D.424. § 1. De ruilverkavelingscomités ingesteld overeenkomstig de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken en de wet van 10 januari 1978 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen in der minne passen de bepalingen van titel 11, hoofdstuk 3, onmiddellijk toe op de ruilverkavelingshandelingen die verricht worden op de datum van zijn inwerkingtreding.
  Het Comité en, desnoods, de bestaande adviescommissie worden aangevuld overeenkomstig de bepalingen van hetzelfde hoofdstuk.
  § 2. Als het onderzoek bedoeld in artikel 4 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, in artikel 13 van de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken en in artikel 10 van de wet van 10 januari 1978 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen in der minne gevoerd werd zonder dat de grondinrichtingsakte opgemaakt werd, beslist het Comité, ongeacht de stand van de procedure, hetzij de handelingen voor te zetten volgens de bepalingen waarin titel 11, hoofdstuk 3, voorziet, hetzij ab initio te beginnen met vrijstelling van de voorafgaande formaliteiten bedoeld in de artikelen D.272 tot D.278.

  Art. D.425. § 1. Na de inwerkingtreding van titel 11, hoofdstuk 3, worden de Comités overeenkomstig de nieuwe bepalingen ingesteld.
  § 2. De bepalingen van de artikelen 23 en 43 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, de articlen 17 en 51 van de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken en de artikelen 20 en 41 van de wet van 10 januari 1978 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen in der minne blijven toepasselijk op de lopende gerechtelijke procedures.
  Lid 1 is toepasselijk voor zover de betrokkenen voor de inwerkingtreding van dit Wetboek in kennis gesteld werden van de indiening van de documenten, zoals bedoeld in de artikelen 22, laatste lid, en 42, laatste lid, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, in de artikelen 16, lid 3, en 48, laatstse lid, van de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken of in de artikelen 19, laatste lid, en 40, lid 5, van de wet van 10 januari 1978 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen in der minne.

  HOOFDSTUK V. - Slotbepaling

  Art. D.426.§ 1. Dit Wetboek treedt in werking op de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, behalve wat betreft de bepalingen waarvan de datum van inwerkingtreding vastligt in de paragrafen 2 en 3 van dit artikel.
  § 2. De Waalse Regering bepaalt de datum van inwerkingtreding van de volgende hoofdstukken van dit Wetboek :
  1° titel 3, hoofdstuk 2, dat de artikelen D.68 tot D.79 inhoudt;
  2° titel 7, hoofdstuk 1, dat de artikelen D.171 tot D.177 inhoudt;
  3° titel 7, hoofdstuk 2, dat de artikelen D.178 tot D.183 inhoudt;
  4° titel 8, hoofdstuk 2, dat de artikelen D.202 tot [1 D.218]1 inhoudt;
  5° titel 11, hoofdstuk 2, afdeling 2, dat de artikelen D.263 tot D.265 inhoudt;
  6° titel 11, hoofdstukken 3 en 4, dat de artikelen D.266 tot D.361 inhoudt;
  7° titel 12, hoofdstukken 1, 2 en 3, dat de artikelen D.362 tot D.389 inhoudt.
  § 3. Titel 10, hoofdstuk 3, treedt in werking op 31 maart 2014.
  Titel 2, hoofdstuk 3, treedt in werking op 30 mei 2014.
   De Regering kan inwerkingtredingsdata vastleggen die voorafgaan aan de data vermeld in de leden 1 en 2.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van :
  
  - titel 11, hoofdstuk 3, van het Wetboek dat artikelen D.266 tot D.352
  - titel 11, hoofdstuk 4, afdelingen 3 en 4 van het Wetboek dat artikelen D.358 en D.359
  
  vastgesteld op 03-07-2014
  
  - titel 11, hoofdstuk 4, afdeling 5 van het Wetboek dat artikelen D.360 en D.361
  
  vastgesteld op 15-06-2014
  
  door BWG 2014-05-15/39, art. 26)
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen D.178 tot D.183 vastgesteld op 21-09-2014 door BWG 2014-05-15/78, art. 21)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel D.357 vastgesteld op 01-01-2017 door BWG 2016-07-07/05, art. 6, 1°)
  (NOTA : Inwerkingtreding van Titel VII, Hoofdstuk I, die de artikelen D.171 tot D.177 bestaat, vastgesteld op 24-09-2016 door <BWG 2016-07-14/12, art. 111)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. D.362 tot D.364, D.379 en D.380 vastgesteld op 01-12-2016 door BWG 2016-12-08/38, art. 3)

  (NOTA : Inwerkingtreding van art. D.362 tot D.364, D.370, D6379 en D.380 vastgesteld op 14-04-2017 door BWG 2017-03-19/16, art. 6)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. D.219-D.223 vastgesteld op 15-06-2014 door BWG 2017-06-08/22, art. 22)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. D.202-D.218 vastgesteld op 24-07-2017 door BWG 2017-06-08/22, art. 22)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. D.365-D.369 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. D.3371-D.378 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. D.381-D.389 vastgesteld op 14-09-2017 door BWG 2017-07-13/24, art. 45)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen D.68-D.79 vastgesteld op 31-05-2019 door BWG 2019-04-04/47, art. 23)
  ----------
  (1)<DWG 2018-07-17/04, art. 363, 015; Inwerkingtreding : onbepaald>

  BIJLAGE.

  Art. N. Bijlage bij het decreet van 27 maart 2014 betreffende het Waalse Landbouwwetboek
  Gegevens van artikel D.37 die per finaliteit bruikbaar zijn.
  Voor elke finaliteit bedoeld in een punt van artikel D.37, § 1, lid 1, vermeldt de tweede kolom de categorieën van artikel D.22, § 2, die gebruikt mogen worden.
  
  

  
Finaliteiten van artikel D.37, § 1, lid 1Categorieën van gegevens van artikel D.22, § 2, die per finaliteit bruikbaar zijn
1°, 8°
1°, 2°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°
1°, 4°
1°, 4°, 5°, 7°
1°, 4°
1°, 4°, 7°, 8°
1°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°
1°, 4°, 5°, 6°, 7°
1°, 4° [2 ,6°, 7°]2
10°4°, 5°, 7°
11°1°, 4°, 5°, 7°
12°1°, 4°
13°1°, 4°
14°1°, 4°
15°1°, 7°, 8° [2 4°]2
16°1°, 5°
17°1°, 5°
18°1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 8°
19°1°, 4°
20°1°, 4°
21°1°, 4°, 5°, 7°, 8°
22°1°, 2°, 4°, 5°, 6°
23°1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°
[1 24°1°, 4°, 5°, 6°, 7° en 8°]1
[2 25°[2 1°, 4°, 5°]2
[2 D.37, § 4°1°, 4°, 5°, 6°, 7° en 8°]2
[2 D.37, § 51°, 2°, 4°, 5°]2
[2 D.37, § 64°, 5° ]2
(1)<DWG 2017-03-23/24, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2017>
(2)<DWG 2018-07-17/04, art. 364, 015; Inwerkingtreding : 18-10-2018>


Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Namen, 27 maart 2014.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van Duurzame Ontwikkeling en Ambtenarenzaken,
J.-M. NOLLET
De Minister van Begroting, Financiën, Tewerkstelling, Vorming en Sport,
A. ANTOINE
De Minister van Economie, K.M.O.'s, Buitenlandse Handel en Nieuwe Technologieën,
J.-Cl. MARCOURT
De Minister van de Plaatselijke Besturen en de Stad,
P. FURLAN
De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen,
E. TILLIEUX
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
De Minister van Openbare Werken, Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Natuur, Bossen en Erfgoed,
C. DI ANTONIO

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Het Waals Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
---------------------------------------------------GEWIJZIGD DOOR---------------------------------------------------
originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 02-05-2019 GEPUBL. OP 08-11-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : D.54; D.357; D.357/1; D.398)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 06-05-2019 GEPUBL. OP 28-08-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : D.390; D.391; D.395; D.399; D.400)
    (GEWIJZIGD ART. : D.413-D.414)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 04-04-2019 GEPUBL. OP 21-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : D.68-D.79)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 28-02-2019 GEPUBL. OP 09-04-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : D.393; D.404)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 30-11-2018 GEPUBL. OP 26-02-2019
    (GEWIJZIGD ART. : D418)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 22-11-2018 GEPUBL. OP 18-12-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : D.355; D.359)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 04-10-2018 GEPUBL. OP 05-12-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : D.283; D.285)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 17-07-2018 GEPUBL. OP 08-10-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : D.2; D.3; D.26; D.27; D.37)
    (GEWIJZIGDE ART. : D.54; D.56/1)
    (GEWIJZIGDE ART. : D.80; D.81; D.88; D.89; D101; D105; D.111; D.177/1; D.184/1; D.224; D.226; D.227; D.229; D.230/1; D.230/2; D.230/3; D.230/4; D.230/5; D.230/6; D.230/7; D.231; D.231/1; D.231/2; D.244/1; D.249; D.254; D.261; D.262; D.266; D.267; D.268; D.269; D.271; D.271/1; D.272; D.274; D.275; D.276; D.276/4; D.277; D.278; D.279; D.280; D.283; D.284; D.286; D.286/1; D.287; D.288; D.289; D.290; D.291; D.293; D.294; D.295; D.295/1; D.296; D.297; D.298; D.301; D.302)
    (GEWIJZIGDE ART. : D.303; D.304; D.305; D.306; D.309; D.310; D.314; ; D.316; D.317; D.320; D.321; D.323; D.324; D.325; D.330; D.331; D.333; D.334; D.335; D.336; D.337; D.338; D.339; D.342; D.343; D.345; D.346; D.348; D.349; D.349/1; D.351; D.352; D.353; D.357; D.358; D.361; D.363; D.366; D.367; D.372; D.373; D.374; D.375; D.376; D.379; D.386/1; D.386/2; D.396; D.397; D.398; D.426; D.299; D.315; D.319; D.323; D.327; D.350; D.355; N)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 17-07-2018 GEPUBL. OP 05-10-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : D.2; D.3; D126/1; D.126/2; D.126/3; D.218/1; D.218/2; D.218/3; D.218/4; D.218/5; D.218/6; D.218/7; D.218/8; D.218/9)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 13-12-2017 GEPUBL. OP 26-01-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : D.26; D.27; D.418 )
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 13-12-2017 GEPUBL. OP 22-12-2017
    (GEWIJZIGD ART. : D.361)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 13-07-2017 GEPUBL. OP 13-09-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : D.365-D.369; D.371-D378; D.381; D.382-D.386)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 08-06-2017 GEPUBL. OP 14-07-2017
    (GEWIJZIGD ART. : D.202-D.218. D.219-D.223)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 23-03-2017 GEPUBL. OP 19-04-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : D.2; D.37; D.60/1; D.260/1; D.260/2; D.260/3; D.260/4; D.260/5. d.260/6; D.260/7; D.396; N)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 16-02-2017 GEPUBL. OP 05-04-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : D.64; D.65; D66; D.67; D.83; D.85; D.90)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 21-12-2016 GEPUBL. OP 27-01-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : D.26; D.27; D.418)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 21-12-2016 GEPUBL. OP 29-12-2016
    (GEWIJZIGD ART. : D.361)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 17-12-2015 GEPUBL. OP 25-01-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : D.26; D.27; D.418)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 17-12-2015 GEPUBL. OP 30-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : D.361)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 03-12-2015 GEPUBL. OP 11-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : D.370)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 16-07-2015 GEPUBL. OP 07-08-2015
    (GEWIJZIGD ART. : D.361)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 16-07-2015 GEPUBL. OP 07-08-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : D.26; D.27)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 12-12-2014 GEPUBL. OP 29-12-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : D.229; D.234; D.418)
  • -------------------------------------INWERKINGTREDING DOOR-------------------------------------
    originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 09-03-2017 GEPUBL. OP 04-04-2017
    (BETROKKEN ART. : D.362-D.364; D.370; D.379; D.380)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Zitting 2013-2014. Stukken van het Waals Parlement, 946 (2013-2014) Nrs 1 tot 1sexies, 2 tot 34. Volledig verslag, plenaire vergadering van 26 maart 2014. Bespreking. Stemming.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 184 uitvoeringbesluiten 14 gearchiveerde versies
    Franstalige versie