J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 20 uitvoeringbesluiten
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2014/01/06/2014200341/justel

Titel
6 JANUARI 2014. - Bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming

Bron :
KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER
Publicatie : 31-01-2014 nummer :   2014200341 bladzijde : 8641       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2014-01-06/54
Inwerkingtreding : 01-07-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen
Art. 2-46
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof
Art. 47-48
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen
Art. 49-58
HOOFDSTUK V. - Wijziging van de bijzondere wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen
Art. 59
HOOFDSTUK VI. - Wijziging van de bijzondere wet van 26 juni 2004 tot uitvoering en aanvulling van de bijzondere wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen
Art. 60
HOOFDSTUK VII. - Wijziging van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen
Art. 61-63
HOOFDSTUK VIII. - Personeel van de Senaat
Art. 64
HOOFDSTUK IX. - Overgangs- en slotbepalingen
Art. 65-66
HOOFDSTUK X. - Inwerkingtreding
Art. 67

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen

  Art. 2. Artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, wordt vervangen als volgt :
  "6° de inhoudelijke en technische aspecten van de audiovisuele en de auditieve mediadiensten met uitzondering van het uitzenden van mededelingen van de federale regering;".

  Art. 3. In artikel 4, 10°, van dezelfde bijzondere wet worden de woorden "en het toerisme" opgeheven.

  Art. 4. In artikel 4 van dezelfde bijzondere wet wordt de bepaling onder 17°, opgeheven bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, hersteld als volgt :
  "17° de stelsels van alternerend leren, waarin een praktijkopleiding op de werkvloer op alternerende wijze wordt aangevuld met een opleiding in een onderwijs- of opleidingsinstelling.".

  Art. 5. In titel II van dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 4bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 4bis. De bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap omvatten de bevoegdheid om Brussel te promoten op nationaal en internationaal niveau.".

  Art. 6. In artikel 5, § 1, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de wetten van 8 augustus 1988 en 16 juli 1993, wordt de bepaling onder I vervangen als volgt :
  "I. Wat het gezondheidsbeleid betreft :
  1° onverminderd datgene wat bepaald is in het eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5° en 6°, het beleid betreffende de zorgverstrekkingen in en buiten de verplegingsinrichtingen met uitzondering van :
  a) de organieke wetgeving, met uitzondering van de investeringskost van de infrastructuur en de medisch-technische diensten;
  b) de financiering van de exploitatie, wanneer deze geregeld is door de organieke wetgeving en dit onverminderd de bevoegdheden van de gemeenschappen bedoeld onder a);
  c) de basisregelen betreffende de programmatie;
  d) de bepaling van de voorwaarden en de aanwijzing tot universitair ziekenhuis overeenkomstig de wetgeving op de ziekenhuizen;
  2° het beleid betreffende de verstrekkingen van geestelijke gezondheidszorg in de verplegingsinrichtingen buiten de ziekenhuizen;
  3° het beleid betreffende de zorgverstrekkingen in oudereninstellingen, met inbegrip van de geïsoleerde geriatriediensten;
  4° het beleid betreffende de zorgverstrekkingen in geïsoleerde diensten voor behandeling en revalidatie;
  5° het beleid inzake long term care revalidatie;
  6° de organisatie van de eerstelijnsgezondheidszorg en de ondersteuning van de gezondheidszorgberoepen van de eerste lijn;
  7° wat betreft de gezondheidszorgberoepen :
  a) hun erkenning met naleving van de door de federale overheid bepaalde erkenningsvoorwaarden;
  b) hun contingentering, rekening houdende, in voorkomend geval, met het globale aantal dat de federale overheid per gemeenschap jaarlijks kan vastleggen voor de toegang van elk van de gezondheidszorgberoepen;
  8° de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, evenals alle initiatieven inzake de preventieve gezondheidszorg.
  De federale overheid blijft evenwel bevoegd voor :
  1° de ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  2° de nationale maatregelen inzake profylaxis.
  Elk voorontwerp of voorstel van decreet, elk amendement op een ontwerp of voorstel van decreet, evenals ieder ontwerp van besluit van een gemeenschap met als doel om de erkenningsnormen van ziekenhuizen, ziekenhuisdiensten, zorgprogramma's en ziekenhuisfuncties vast te leggen, wordt voor verslag voorgelegd aan de algemene vergadering van het Rekenhof zodat zij de gevolgen op korte en lange termijn op de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid evalueert.
  Dit verslag wordt ook overgemaakt aan de federale regering evenals aan alle gemeenschapsregeringen.
  Na verplicht advies te hebben ingewonnen van het Rijksinstituut voor ziekte en invaliditeitsverzekering en de bevoegde administratie van de betrokken gemeenschap en na, in voorkomend geval, het facultatief advies te hebben ingewonnen van het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg, brengt de algemene vergadering van het Rekenhof binnen de twee maanden na de ontvangst van het voorontwerp, het voorstel, het amendement of het ontwerp een omstandig verslag uit met betrekking tot de gevolgen van deze normen, op korte en lange termijn, op de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid. Deze termijn kan met één maand worden verlengd.
  Dit verslag wordt meegedeeld door het Rekenhof aan de aanvrager van het verslag, aan de federale regering en aan alle gemeenschapsregeringen.
  Indien het verslag stelt dat het aannemen van deze normen, op korte of lange termijn, een negatieve impact heeft voor de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid, zal een overleg plaatsvinden tussen de federale regering en de gemeenschapsregeringen op vraag van de federale regering of de betrokken gemeenschapsregering. Indien dit overleg niet tot een akkoord leidt, zullen de normen onderworpen worden aan het akkoord van de federaal bevoegde ministers of aan het akkoord van de Ministerraad indien één van zijn leden de evocatie van het dossier vraagt.
  Indien het verslag niet wordt gegeven binnen de termijn van twee maanden, verlengd met één maand, kan het overleg zoals bepaald in het zevende lid plaatsvinden op initiatief van de betrokken gemeenschapsregering of de federale regering.
  Het Rekenhof stelt elk jaar een omstandig verslag op dat betrekking heeft op de weerslag, tijdens het vorige begrotingsjaar, van de van kracht zijnde erkenningsnormen van de gemeenschappen op de begroting van de federale overheid en van de sociale zekerheid. Dit verslag wordt meegedeeld aan de federale regering en aan de gemeenschapsregeringen.".

  Art. 7. Artikel 5, § 1, II, 2°, b), van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt aangevuld met de woorden "en met uitsluiting van de bevoegdheid van de gewesten voor de tewerkstelling van personen die het recht op maatschappelijke integratie of het recht op financiële maatschappelijke bijstand genieten bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2/1°.".

  Art. 8. In artikel 5, § 1, II, 4°, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "en de mobiliteitshulpmiddelen" worden ingevoegd tussen de woorden "de herscholing van mindervaliden" en de woorden ", met uitzondering van";
  2° de bepaling onder a) wordt vervangen als volgt :
  "a) de regelen betreffende en de financiering, met inbegrip van de individuele dossiers, van de toelagen aan de mindervaliden behoudens de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden;".

  Art. 9. In artikel 5, § 1, II, 6°, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder b) wordt aangevuld met de woorden "en artikel 11bis";
  2° de bepaling onder d) wordt vervangen als volgt :
  "d) de uitvoering van de straffen uitgesproken ten aanzien van minderjarigen die een als een misdrijf omschreven feit hebben gepleegd die uit handen zijn gegeven, behalve voor het beheer van centra die bestemd zijn voor de opvang van deze jongeren tot de leeftijd van drieëntwintig jaar.".

  Art. 10. Artikel 5, § 1, II van dezelfde bijzondere wet wordt aangevuld met de bepaling onder 8°, luidende :
  "8° de juridische eerstelijnsbijstand.".

  Art. 11. In artikel 5, § 1, van dezelfde bijzondere wet wordt het punt III, opgeheven bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, hersteld als volgt :
  "III. De organisatie, de werking en de opdrachten van de justitiehuizen en van de bevoegde dienst die de uitwerking en de opvolging van het elektronisch toezicht verzekert.
  Niettemin bepaalt de federale overheid de opdrachten die de justitiehuizen of, in voorkomend geval, de andere diensten van de gemeenschappen die deze overnemen, uitoefenen in het kader van de gerechtelijke procedure of de uitvoering van gerechtelijke beslissingen.".

  Art. 12. Artikel 5, § 1, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988, 16 juli 1993 en 19 juli 2012, wordt aangevuld met een bepaling onder IV, luidende :
  "IV. De gezinsbijslagen.".

  Art. 13. Artikel 5, § 1, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988, 16 juli 1993 en 19 juli 2012, wordt aangevuld met de bepaling onder V, luidende :
  "V. De filmkeuring, met het oog op de toegang van minderjarigen tot bioscoopzalen.".

  Art. 14. In artikel 6, § 1, II, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende :
  "5° De financiële tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door algemene rampen.";
  2° in het tweede lid wordt de bepaling onder 3° opgeheven.

  Art. 15. Artikel 6, § 1, IV, van dezelfde bijzondere wet, wordt vervangen als volgt :
  "IV. Wat de huisvesting betreft :
  1° de huisvesting en de politie van woongelegenheden die gevaar opleveren voor de openbare reinheid en de gezondheid;
  2° de specifieke regels betreffende de huur van voor bewoning bestemde goederen of delen ervan.".

  Art. 16. Artikel 6, § 1, V, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 13 juli 2001, wordt vervangen als volgt :
  "V. Wat de landbouw betreft :
  1° het landbouwbeleid en de zeevisserij;
  2° de financiële tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door landbouwrampen;
  3° de specifieke regels betreffende de pacht en de veepacht.
  De federale overheid is echter bevoegd voor :
  1° de normering en de daarop toepasbare controle inzake de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen;
  2° de normering en de daarop toepasbare controle inzake de dierengezondheid en de kwaliteit van de dierlijke producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen;
  3° de inkomensvervangende maatregelen bij vervroegde uittreding van oudere landbouwers.".

  Art. 17. Artikel 6, § 1, VI, eerste lid, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd bij de bijzondere wetten van 13 juli 2001 en 12 augustus 2003, wordt aangevuld met de bepalingen onder 6° tot 9°, luidende :
  "6° De vestigingsvoorwaarden, met uitzondering van de voorwaarden voor toegang tot gezondheidszorgberoepen en tot dienstverlenende intellectuele beroepen;
  7° De specifieke regels betreffende de handelshuur;
  8° De activiteiten van het Participatiefonds, met inbegrip van de inkomenscompensatievergoeding aan zelfstandigen die het slachtoffer zijn van hinder ten gevolge van werken op het openbaar domein;
  9° Het toerisme.".

  Art. 18. In artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en 12 augustus 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt :
  "3° het prijs- en inkomensbeleid, met uitzondering van de regeling van de prijzen in de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de gewesten en de gemeenschappen behoren, onder voorbehoud van hetgeen bepaald is in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d);";
  2° de bepaling onder 6° wordt opgeheven;
  3° de bepaling onder 9° wordt aangevuld met de woorden ", met uitzondering van de homologatie bedoeld in artikel 6, § 1, XII, 5°.".

  Art. 19. In artikel 6, § 1, VII, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988 en 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid, a), wordt aangevuld met de woorden ", met inbegrip van de distributienettarieven voor elektriciteit, met uitzondering van de tarieven van de netten die een transmissiefunctie hebben en die uitgebaat worden door dezelfde beheerder als het transmissienet.";
  2° het eerste lid, b), wordt aangevuld met de woorden ", met inbegrip van de nettarieven voor de openbare distributie van gas, met uitzondering van de tarieven van de netwerken die ook een aardgasvervoersfunctie hebben en die worden uitgebaat door dezelfde beheerder als het aardgasvervoersnet";
  3° in het tweede lid wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt :
  "a) De studies over de perspectieven van energiebevoorrading;";
  4° in het tweede lid wordt de bepaling onder d) vervangen als volgt :
  "d) de tarieven, met inbegrip van het prijsbeleid, onverminderd de gewestelijke bevoegdheid inzake de tarieven bedoeld in het eerste lid, a) en b).".

  Art. 20. In artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 en gewijzigd bij de bijzondere wetten van 25 april 2004, 13 september 2004, 21 februari 2010 en 19 juli 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 1°, eerste lid worden de woorden "en van de bovengemeentelijke besturen" ingevoegd tussen de woorden "gemeentelijke instellingen" en de woorden "met uitzondering";
  2° in de bepaling onder 1°, wordt het derde lid vervangen als volgt :
  "De gemeenteraden en, in de mate dat deze bestaan, de provincieraden of de raden van bovengemeentelijke besturen, regelen respectievelijk alles wat van gemeentelijk, provinciaal of bovengemeentelijk belang is; zij beraadslagen en besluiten over elk onderwerp dat hen door de federale overheid of door de gemeenschappen is voorgelegd.";
  3° in de bepaling onder 1°, vierde lid, worden de woorden ", de gouverneur en" opgeheven;
  4° in de bepaling onder 1°, wordt het vierde lid aangevuld met twee zinnen, luidende :
  "Wanneer de provinciale instellingen worden afgeschaft, gebeurt dit zonder afbreuk te doen aan de functie van de provinciegouverneurs. Als een gewest de provinciale instellingen afschaft, heeft de gouverneur, binnen zijn ambtsgebied, de hoedanigheid van commissaris van de regering van de Staat, de gemeenschap of het gewest.";
  5° in de bepaling onder 2° worden de woorden ", van de bovengemeentelijke besturen" ingevoegd tussen de woorden "van de provincies" en de woorden "en van de gemeenten";
  6° in de bepaling onder 4° wordt het woord "bovengemeentelijke," ingevoegd tussen het woord "provinciale," en het woord "gemeentelijke";
  7° in de bepaling onder 8° worden de woorden ", bovengemeentelijke besturen" ingevoegd tussen het woord "provincies" en de woorden "en gemeenten";
  8° in de bepaling onder 9° worden de woorden ", de bovengemeentelijke besturen" ingevoegd tussen de woorden "federaties van gemeenten" en de woorden "en de provincies";
  9° de bepaling onder 9°bis wordt opgeheven;
  10° in de bepaling onder 10° worden de woorden, "de bovengemeentelijke besturen," ingevoegd tussen de woorden "federaties van gemeenten," en de woorden "de provincies".

  Art. 21. In artikel 6, § 1, VIII, tweede lid, van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001, worden de woorden "de bovengemeentelijke besturen," ingevoegd tussen de woorden "van de provincies," en de woorden "de gemeenten".

  Art. 22. In artikel 6, § 1, IX, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, en gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 2°, eerste lid, worden de woorden "daarin begrepen inzake de sociale economie," ingevoegd tussen de woorden "werkzoekenden," en "met uitsluiting";
  2° in de bepaling onder 2°, worden het tweede tot vierde lid opgeheven;
  3° de bepaling onder 2°/1 wordt ingevoegd, luidende :
  "2°/1 de tewerkstelling van personen die het recht op maatschappelijke integratie of het recht op financiële maatschappelijke hulp genieten;";
  4° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt :
  "3° de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten, met uitzondering van de normen betreffende de arbeidskaart afgeleverd in het kader van de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen en de vrijstellingen van beroepskaarten verbonden aan de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen.
  De vaststelling van de inbreuken kan eveneens worden verricht door de daartoe door de federale overheid gemachtigde ambtenaren.";
  5° de bepaling onder IX wordt aangevuld met de bepalingen onder 4° tot 13°, luidende :
  "4° de toepassing van de normen betreffende de arbeidskaart afgeleverd in het kader van de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen. Het toezicht op de naleving van deze normen behoort tot de bevoegdheid van de federale overheid. De vaststelling van de inbreuken kan eveneens worden verricht door de daartoe door de gewesten gemachtigde ambtenaren;
  5° de beslissings- en uitvoeringsbevoegdheid om de actieve en passieve beschikbaarheid van de werklozen te controleren en het opleggen van sancties dienaangaande.
  De federale overheid blijft bevoegd voor het normatief kader voor de regelgeving inzake passende betrekking, actief zoekgedrag, administratieve controle en sancties, en voor de materiële uitvoering van de sancties, en dit zonder afbreuk te doen aan de gewestelijke bevoegdheid bedoeld in 6°.
  Het gewest kan de uitoefening van zijn bevoegdheid inzake de controle op de actieve beschikbaarheid delegeren aan de federale overheid tegen betaling. In dat geval sluiten de gewestregering en de federale overheid voorafgaandelijk een overeenkomst om de kost van deze dienst te bepalen;
  6° het bepalen van de voorwaarden waaronder vrijstellingen van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt voor uitkeringsgerechtigde werklozen met behoud van de uitkeringen in geval van studiehervatting, het volgen van een beroepsopleiding of een stage kunnen worden toegekend en de beslissing om deze vrijstelling al dan niet toe te kennen.
  Voor het bepalen van de soort rechthebbende werkzoekende die voor de in eerste lid bedoelde vrijstelling in aanmerking komt, is het eensluidend advies van de Ministerraad vereist.
  De gewesten kennen een financiële tegemoetkoming toe aan de federale overheid voor de in het eerste lid bedoelde vrijstellingen wanneer het percentage van vrijgestelde dagen in de loop van één jaar omwille van beroepsopleiding, studiehervatting of stage in verhouding tot het totaal aantal vergoede dagen werkloosheid van hetzelfde jaar, 12 % overschrijdt in dit gewest. De vrijstellingen voor beroepsopleidingen die voorbereiden op een knelpuntberoep en de vrijstellingen toegekend in het kader van een activiteitencoöperatie worden niet in aanmerking genomen in dit mechanisme;
  7° het doelgroepenbeleid :
  a) de verminderingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid die vastgesteld worden in functie van de eigen kenmerken van de werknemers.
  De federale overheid is niet bevoegd om vermindering van werkgeversbijdragen in te voeren die vastgesteld worden in functie van de eigen kenmerken van de werknemers.
  De federale overheid blijft echter bevoegd voor de structurele verminderingen van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid, voor de verminderingen van werknemersbijdragen alsook voor de vermindering van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid die vastgesteld worden in functie van de eigen kenmerken van de werkgever of in functie van de activiteitensector.
  Evenwel zijn de gewesten bevoegd voor :
  - de verminderingen voor de bagger- en sleepvaartsector en voor de koopvaardij, met uitzondering van de vermindering van werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid voor de bagger- en sleepvaartsector;
  - de verminderingen voor de sector van de sociale economie;
  - de verminderingen voor onthaalouders;
  - de verminderingen voor huispersoneel;
  - de verminderingen voor kunstenaars.
  De federale instellingen bevoegd voor de socialezekerheidsbijdragen, zijn de enige administratieve en technische operatoren.
  b) de activering van de uitkeringen toegekend door de werkloosheidsverzekering of van de financiële maatschappelijke bijstand, in geval van werkhervatting, met het behoud van een uitkering die door de werkgever in mindering wordt gebracht van het loon.
  De federale instellingen bevoegd voor werkloosheidsuitkeringen of bevoegd voor financiële maatschappelijke bijstand, zijn de enige administratieve en technische operatoren.
  c) de toekenning van premies aan uitkeringsgerechtigde werklozen die het werk hervatten of die een beroepsopleiding hebben gevolgd;
  d) de toekenning van premies aan de werkgevers en de leerlingen in het kader van stelsels van alternerend leren;
  8° de bevordering van de buurtdiensten en -banen;
  9° de toekenning van toelagen die tot doel hebben de bevordering van de arbeidsmogelijkheden van de oudere werknemers, de kwaliteit van de arbeidsvoorwaarden van de oudere werknemers en de organisatie van de arbeid van oudere werknemers;
  10° het stelsel waarbij werknemers het recht hebben om op het werk afwezig te zijn met behoud van hun loon voor het volgen van erkende opleidingen;
  11° de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (PWA).
  Zolang de gewesten een PWA-systeem behouden, zet de federale overheid de bestaande betaling van de werkloosheidsuitkeringen van de werknemers tewerkgesteld in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap voort. Indien het aantal personen dat in het PWA-systeem is tewerkgesteld gemiddeld over het jaar hoger is dan 7 291 gerechtigden wat betreft het Vlaamse Gewest en 7 466 gerechtigden wat betreft het Waalse Gewest, dan is het betrokken gewest een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd overeenkomstig artikel 35nonies, § 3, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en gewesten;
  12° in de aangelegenheid van de outplacement, de terugbetaling van de outplacementkosten aan de werkgevers, het opleggen van sancties aan de werkgevers bij gebrek aan outplacement en het opleggen van andere vereisten dan deze die het voorwerp uitmaken van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 51 van 10 februari 1992 betreffende outplacement, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad, en bindend verklaard bij het koninklijk besluit van 10 april 1992 en de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 82 van 10 juli 2002 betreffende outplacement voor werknemers van vijfenveertig jaar en ouder die worden ontslagen, bindend verklaard bij het koninklijk besluit van 20 september 2002, zoals gewijzigd bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 82bis, gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad op 17 juli 2007 en bindend verklaard bij het koninklijk besluit van 3 oktober 2007;
  13° de voorwaarden volgens dewelke gebruik kan worden gemaakt van uitzendarbeid in het kader van tewerkstellingstrajecten.".

  Art. 23. Artikel 6, § 1, X, eerste lid, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt aangevuld met de bepalingen onder 10° tot 14°, luidende :
  "10° de regels van politie over het verkeer op waterwegen, met uitsluiting van de regelgeving inzake het vervoer van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking, het vervoer van radioactieve stoffen en het vervoer van ontplofbare stoffen;
  11° de regels met betrekking tot de bemanningsvoorschriften inzake de binnenvaart en de regels inzake de veiligheid van binnenschepen en binnenschepen die ook voor niet-internationale reizen op zee worden gebruikt;
  12° de minimale technische veiligheidsnormen inzake het bouwen en onderhouden van wegen en hun aanhorigheden, en van waterwegen en hun aanhorigheden;
  13° de reglementering inzake het vervoer van gevaarlijke goederen en uitzonderlijk vervoer over de weg, met uitsluiting van de regelgeving inzake nucleair vervoer, het vervoer van explosieven en het vervoer van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking;
  14° onder de voorwaarde van het afsluiten van een samenwerkingsakkoord overeenkomstig artikel 92bis, § 4nonies, en voor een periode die beperkt is tot de duur ervan, de bijkomende financiering voor investeringen in de aanleg, aanpassing of modernisering van de spoorlijnen, alsook van de bijkomende uitrusting op de onbewaakte stopplaatsen, om hun zichtbaarheid en intermodaliteit met openbaar vervoer, actieve vervoerswijzen, taxi's en autodelen te verbeteren voor zover deze verder gaan dan de investeringen die voorzien zijn in een meerjareninvesteringsplan dat effectief in voldoende financiering door de federale overheid voorziet teneinde een aantrekkelijk en performant aanbod voor het spoorvervoer dat goed aansluit op de andere vervoermiddelen te verzekeren op het gehele grondgebied, en in een door het bovengenoemde samenwerkingsakkoord vastgelegde evenredigheid ten opzichte van de federale financiering.".

  Art. 24. Artikel 6, § 1, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988, 16 januari 1989, 16 juli 1993, 13 juli 2001, 12 augustus 2003, 25 april 2004, 13 september 2004, 21 februari 2010 en 19 juli 2012, wordt aangevuld met de bepaling onder XI, luidende :
  "XI. Het dierenwelzijn.".

  Art. 25. Artikel 6, § 1, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988, 16 januari 1989, 16 juli 1993, 13 juli 2001, 12 augustus 2003, 25 april 2004, 13 september 2004, 21 februari 2010 en 19 juli 2012, wordt aangevuld met de bepaling onder XII, luidende :
  "XII. Wat het verkeersveiligheidsbeleid betreft :
  1° het bepalen van de snelheidsbeperkingen op de openbare wegen, met uitzondering van de autosnelwegen zoals gedefinieerd in artikel 1, j), van het verdrag inzake het wegverkeer, gedaan te Wenen op 8 november 1968;
  2° de regelgeving inzake het plaatsen en de technische eisen, evenals de controle op de verkeerstekens, met uitzondering van de verkeerstekens met betrekking tot douanestroken, aan overwegen en kruisingen met spoorwegen en op de militaire wegen;
  3° de regelgeving inzake maximaal toegelaten massa en massa's over de assen van de voertuigen die gebruik maken van de openbare wegen, evenals de ladingzekering en de afmetingen en de signalisatie van de lading;
  4° het toezicht op de naleving van de technische federale voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling en de technische keuring van voertuigen die op de weg rijden in toepassing van de federale normen, met dien verstande dat de natuurlijke en rechtspersonen gevestigd in een gewest vrij zijn om hun voertuig te laten controleren in een centrum voor technische keuring dat in een ander gewest is gelegen;
  5° de homologatie van radars en andere instrumenten die gelinkt zijn met de gewestelijke bevoegdheden;
  6° de reglementering inzake de scholing en examens betreffende de kennis en de vaardigheid die nodig zijn voor het besturen van voertuigen van elke categorie, met inbegrip van de organisatie en erkenningsvoorwaarden van rijscholen en examencentra en met inbegrip van het toezicht op de rijgeschiktheid van de bestuurders en de kandidaat-bestuurders die lijden aan een vermindering van hun functionele vaardigheden, met uitzondering van de federale bevoegdheid inzake het bepalen van de kennis en de vaardigheden die nodig zijn voor het besturen van voertuigen, met dien verstande dat de inwoners van een gewest vrij zijn om een rijschool te kiezen die, of examen af te leggen in een centrum dat in een ander gewest is gelegen en met dien verstande dat een in een bepaald gewest erkende rijschool eveneens in de andere gewesten werkzaam mag zijn;
  7° de bevordering, de sensibilisering en de informatie inzake verkeersveiligheid.".

  Art. 26. In artikel 6, § 2, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 4° en 5°, luidende :
  "4° de minimale technische veiligheidsnormen inzake het bouwen en onderhouden van wegen en hun aanhorigheden alsook de waterwegen en hun aanhorigheden;
  5° de reglementering inzake het vervoer van gevaarlijke goederen en uitzonderlijk vervoer over de weg, met uitsluiting van de regelgeving inzake het vervoer van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking, het vervoer van radioactieve stoffen en het vervoer van ontplofbare stoffen.";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.

  Art. 27. In artikel 6, § 3, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988 en 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 1°, opgeheven bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, wordt hersteld als volgt :
  "1° over de uitoefening van de provinciale gedeconcentreerde bevoegdheden, in geval van opheffing van de provinciale instellingen;";
  2° in de bepaling onder 4° worden het woord "wegen," en het woord "waterwegen," opgeheven.

  Art. 28. In artikel 6, § 3bis, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988, 16 juli 1993 en 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt :
  "4° de wijziging van de opdrachten bedoeld in artikel 5, § 1, III, tweede lid;";
  2° de paragraaf wordt aangevuld met de bepaling onder 6°, luidende :
  "6° het vaststellen van de regels van politie over het verkeer op waterwegen.".

  Art. 29. In artikel 6, § 4, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 1° worden de woorden "en inzake de doorvoer van afvalstoffen" en de woorden "en 3°" opgeheven;
  2° in de bepaling onder 3°, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de woorden "met uitzondering van de regels van politie over het verkeer op waterwegen bedoeld in § 1, X, 10°," worden ingevoegd tussen de woorden "het ontwerpen van de regels van de algemene politie" en de woorden "en de reglementering op het verkeer en vervoer";
  b) de bepaling onder 3° wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "Indien, wat de opstelling van de politieregels voor het wegverkeer betreft, in het kader van deze betrokkenheid een ongunstig advies wordt uitgebracht door een van de betrokken regeringen, organiseert de bevoegde federale overheid een interministeriële conferentie alvorens een beslissing te nemen. Bij gebrek aan een akkoord, neemt de federale Ministerraad de uiteindelijke beslissing.
  Elke gewestregering kan wijzigingen aan de politieregels voor het wegverkeer voorstellen. De bevoegde federale overheid legt die ter overleg voor aan de regeringen van de drie gewesten. In geval van een consensus over die wijzigingen, neemt de Koning ze aan of dient Hij ze in de Kamer van volksvertegenwoordigers.";
  3° in de bepaling onder 5°, worden de woorden "het nationaal uitrustingsprogramma in de elektriciteitssector" vervangen door de woorden "de studies over de perspectieven van energiebevoorrading".
  4° de paragraaf wordt aangevuld met de bepaling onder 8°, luidende :
  "8° het ontwerpen van de regels betreffende de organisatie en de werking van het nationaal crisiscentrum.".

  Art. 30. In artikel 6 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988, 16 januari 1989, 16 juli 1993, 13 juli 2001, 12 augustus 2003, 25 april 2004, 13 september 2004, 27 maart 2006, 21 februari 2010 en 19 juli 2012, wordt een paragraaf 4bis ingevoegd, luidende :
  " § 4bis. De federale overheid wordt betrokken bij het sluiten van het samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 92bis, § 2, i).".

  Art. 31. In artikel 6 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988, 16 januari 1989, 16 juli 1993, 13 juli 2001, 12 augustus 2003, 25 april 2004, 13 september 2004, 27 maart 2006, 21 februari 2010 en 19 juli 2012, wordt een paragraaf 5bis ingevoegd, luidende :
  " § 5bis. Alvorens de toestemming kan worden gegeven voor een handelsvestiging, bedoeld in artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 6°, met een netto-handelsoppervlakte van meer dan 20 000 m2 gelegen op een afstand van minder dan twintig kilometer van een ander gewest of van verschillende andere gewesten, geeft de regering van het gewest op het grondgebied waar de handelsvestiging gelegen is, kennis van het ontwerp van handelsvestiging aan de regering van elk betrokken gewest.
  Indien de regering van een betrokken gewest hierom verzoekt, wordt er tussen de betrokken regeringen overleg gepleegd.".

  Art. 32. In artikel 6 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988, 16 januari 1989, 16 juli 1993, 13 juli 2001, 12 augustus 2003, 25 april 2004, 13 september 2004, 27 maart 2006, 21 februari 2010 en 19 juli 2012, wordt een paragraaf 6bis ingevoegd, luidende :
  " § 6bis. In de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren, vereisen de individuele erkenning of de erkenning van rechtswege van één of meer plaatsen als toeristisch of gelijkaardig centrum, en de wijziging van de desbetreffende normering, het eensluidend advies van het betrokken gewest of de betrokken gewesten.".

  Art. 33. In titel II van dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 6quater ingevoegd, luidende :
  "Art. 6quater. De gewesten bepalen de gerechtelijke procedure die specifiek van toepassing is in geval van onteigening ten algemenen nutte van een goed in het betreffend gewest gelegen, met inachtneming van een billijke en voorafgaande schadeloosstelling zoals bepaald in artikel 16 van de Grondwet, met uitzondering van de federale bevoegdheid voor het bepalen van de gevallen waarin en de modaliteiten, met inbegrip van de gerechtelijke procedure, volgens dewelke tot onteigening ten algemenen nutte kan worden overgegaan door de federale overheid en de rechtspersonen die door of krachtens de wet gemachtigd werden om tot onteigeningen ten algemenen nutte over te gaan.".

  Art. 34. In titel II van dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 6quinquies ingevoegd, luidende :
  "Art. 6quinquies. Binnen de grenzen van hun bevoegdheden zijn de gemeenschappen en de gewesten bevoegd om te bepalen wie handelingen met een onroerend karakter kan authenticeren, waarbij een gemeenschap, een gewest, een ondergeschikt bestuur bedoeld in artikel 6, § 1, VIII, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een entiteit die aan de controle of het administratief toezicht van een van de voornoemde overheden onderworpen is of een dochterentiteit van deze entiteit, partij is, alsook handelingen kan authenticeren betreffende de organisatie en het interne bestuur van een entiteit die onderworpen is aan de controle of het administratief toezicht van een of meerdere van de voornoemde overheden of van een dochterentiteit van deze entiteit.".

  Art. 35. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 6sexies ingevoegd luidende :
  "Art. 6sexies. De gemeenschapsbevoegdheden omvatten de bevoegdheid om de toeristische infrastructuur te financieren op het grondgebied van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.".

  Art. 36. In artikel 7, § 1, eerste lid, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 13 juli 2001, worden de woorden "de bovengemeentelijke besturen," ingevoegd tussen de woorden "de provincies," en de woorden "de agglomeraties".

  Art. 37. In artikel 9, tweede lid, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, worden de woorden "Onverminderd artikel 87, § 4, regelt het" vervangen door de woorden "Het decreet regelt".

  Art. 38. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 11bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 11bis. Indien het daartoe aangewezen lid van de gemeenschaps- of gewestregering de in artikel 151, § 1, eerste lid, van de Grondwet bedoelde minister verzoekt om vervolgingen te bevelen, beveelt hij deze vervolgingen zonder verwijl en zendt hij het verzoek over aan het openbaar ministerie.
  Voor de aangelegenheden die onder hun bevoegdheden vallen, nemen de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, elk wat hen betreft, deel aan de uitwerking van de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, met inbegrip van die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, alsook aan de uitwerking van de Kadernota Integrale veiligheid en het Nationaal Veiligheidsplan.
  De gemeenschappen en de gewesten nemen, voor de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren, deel aan de vergaderingen van het College van procureurs-generaal, met inbegrip van de prioritisering van de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid in het algemeen.".

  Art. 39. Artikel 16 van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 5 mei 1993 en gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en 27 maart 2006, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
  " § 4. Wanneer, ten gevolge van het niet-nakomen van een internationale of supranationale verplichting door een gemeenschap of gewest, hetzij de instantie opgericht door of krachtens het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of door of krachtens één van zijn protocollen, vastgesteld heeft dat de Staat zijn internationale verplichtingen die eruit voortvloeien niet naleeft, hetzij een Gewest of een Gemeenschap niet gereageerd heeft op een in artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bedoeld met redenen omkleed advies ten aanzien van de Staat ten gevolge van het niet-nakomen van een Europeesrechtelijke verplichting die het verminderen van de emissies van broeikasgassen tot doel heeft in toepassing van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of van één van zijn protocollen, ook wanneer deze Europese verplichtingen strenger zijn dan de internationale verplichtingen, kan de Staat in de plaats treden van de betrokken gemeenschap of het betrokken gewest om maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om een einde te stellen aan de schending van de internationale verplichtingen voorzien in het voornoemde Raamverdrag of één van zijn protocollen, of voor de uitvoering van het beschikkend gedeelte van het met redenen omkleed advies, op voorwaarde dat :
  1° de betrokken gemeenschap of het betrokken gewest ten minste drie maanden voordien bij een met redenen omkleed koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in gebreke is gesteld. Dit koninklijk besluit kan deze termijn van drie maanden in spoedeisende gevallen inkorten;
  2° de betrokken gemeenschap of het betrokken gewest door de Staat werd betrokken in de gehele procedure voorzien voor de instantie opgericht door of krachtens het voornoemde Raamverdrag of één van zijn protocollen of de gehele procedure ten aanzien van de Europese Commissie;
  3° in voorkomend geval, het samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 92bis, § 4ter, door de Staat is nageleefd;
  4° de beslissing van de instantie opgericht door of krachtens het voornoemde Raamverdrag of door of krachtens één van zijn protocollen of het met redenen omkleed advies van de Europese Commissie het voorwerp heeft uitgemaakt van een bespreking in het in artikel 31 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bedoelde Overlegcomité.
  De ter uitvoering van het eerste lid door de Staat genomen maatregelen houden op gevolg te hebben :
  1° vanaf het ogenblik dat de betrokken gemeenschap of het betrokken gewest zich schikt naar de beslissing van de instantie opgericht door of krachtens het voornoemde Raamverdrag of door of krachtens één van zijn protocollen of naar het beschikkend gedeelte van het met redenen omkleed advies van de Europese Commissie;
  2° in geval van nietigverklaring van de definitieve beslissing van de in de bepaling onder 1° bedoelde instantie.
  De Staat kan de kosten van het niet-nakomen van een internationale of supranationale verplichting door een gemeenschap of een gewest verhalen op de betrokken Gemeenschap of het betrokken Gewest. Dat verhaal kan de vorm aannemen van een inhouding op de wettelijk aan de betrokken gemeenschap of het betrokken gewest over te dragen financiële middelen.".

  Art. 40. In artikel 79, § 1, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, worden de woorden "bij de wet" vervangen door de woorden "bij het decreet bedoeld in artikel 6quater".

  Art. 41. In artikel 79, § 2, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, worden de woorden "en met inachtneming van de gerechtelijke procedures bepaald door de overeenkomstig de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen bevoegde wetgever" ingevoegd na de woorden "bij de wet".

  Art. 42. In artikel 87 van dezelfde bijzondere wet gewijzigd bij de wetten van 8 augustus 1988 en 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 3, worden de woorden "Onverminderd § 4, stellen" opgeheven en wordt tussen de woorden "de gewesten" en de woorden "de regeling" het woord "stellen" ingevoegd;
  2° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Er kan een beroep worden gedaan op een ambtenaar van een andere overheid onder de voorwaarden vastgesteld door het statuut dat het personeel beheerst dat onder de benoemende overheid ressorteert. Onverminderd een eventueel samenwerkingsakkoord dat in andere modaliteiten van overgang voorziet, kan de andere overheid aan de betrokken ambtenaar een opzegperiode van ten hoogste drie maanden opleggen.";
  3° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
  " § 4. De gemeenschappen en de gewesten leggen de procedures, voorwaarden en regels vast volgens dewelke er een beroep kan worden gedaan op uitzendarbeid in hun diensten, in de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de gemeenschappen en de gewesten, in de ondergeschikte besturen en in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, evenals in de in artikel 24 van de Grondwet bedoelde instellingen wat hun door de overheid betaalde of gesubsidieerde personeel betreft, onverminderd artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12°.".

  Art. 43. In artikel 92bis van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 januari 1989, 5 mei 1993, 16 juli 1993, 28 december 1994, 13 juli 2001, 16 maart 2004, 21 februari 2010 en 19 juli 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 2 wordt aangevuld met de bepaling onder i), luidende :
  "i) op de organisatie langs de autosnelwegen, van nationale sensibiliseringsacties inzake verkeersveiligheid.";
  2° paragraaf 3 wordt aangevuld met de bepaling onder f), luidende :
  "f) voor de aanwijzing van een bevoegde overheid inzake de doorvoer van afvalstoffen in het kader van de Europese verplichtingen.";
  3° er wordt een paragraaf 4sexies ingevoegd, luidende :
  " § 4sexies. De federale overheid en de gemeenschappen sluiten in ieder geval een samenwerkingsakkoord betreffende de coördinatie van de regelgeving en de regulering van de aan de audiovisuele en auditieve mediadiensten enerzijds en de telecommunicatie anderzijds gemeenschappelijke netwerken en elektronische communicatiediensten.";
  4° er wordt een paragraaf 4septies ingevoegd, luidende :
  " § 4septies. De gemeenschappen en de federale overheid sluiten in elk geval een samenwerkingsakkoord :
  a) over de samenstelling en de financiering van een Instituut om overlegde antwoorden op de grote uitdagingen inzake de gezondheidszorg te waarborgen,
  b) over de uitwisseling van informatie in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 7°, b).";
  5° er wordt een paragraaf 4octies ingevoegd, luidende :
  " § 4octies. Met betrekking tot het betaald educatief verlof, sluiten de gewesten en de gemeenschappen een samenwerkingsakkoord om de opleidingen te organiseren en te erkennen.";
  6° er wordt een paragraaf 4nonies ingevoegd, luidende :
  " § 4nonies. Wanneer een of meerdere gewesten op aanvullende wijze de investeringen in de aanleg, de aanpassing of de modernisering van de spoorlijnen wensen te financieren, overeenkomstig artikel 6, § 1, eerste lid, 14°, sluiten de federale overheid en het of de betrokken gewesten in elk geval een samenwerkingsakkoord dat voor het of de betrokken gewest(en) de evenredigheid bepaalt die de in artikel 6, § 1, X, 14°, bedoelde aanvullende financiering mag aannemen in verhouding tot de financiering van de investeringen die gerealiseerd zijn ter uitvoering van het federaal meerjareninvesteringsplan. Dit samenwerkingsakkoord wordt gesloten voor een duur die de vervaldatum van het overeenkomstige federale meerjareninvesteringsplan niet mag overschrijden.";
  7° er wordt een paragraaf 4decies ingevoegd, luidende :
  " § 4decies. De federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten sluiten in elk geval een samenwerkingsakkoord om de modaliteiten met betrekking tot de in artikel 11bis, tweede en derde lid, bedoelde aangelegenheden nader te regelen.";
  8° er wordt een paragraaf 4undecies ingevoegd, luidende :
  " § 4undecies. De federale overheid en de gemeenschappen sluiten in ieder geval een samenwerkingsakkoord voor de uitoefening van de in artikel 5, § 1, III, tweede lid bedoelde opdrachten.";
  9° in paragraaf 5 worden de woorden "4ter en 4quater" vervangen door de woorden "4ter, 4quater en 4sexies tot 4undecies";
  10° in paragraaf 6 worden de woorden "4ter en 4quater" vervangen door de woorden "4ter, 4quater en 4sexies tot 4undecies".

  Art. 44. In artikel 94 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 januari 1989 en 27 maart 2006, wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, luidende :
  " § 1bis. In afwijking van paragraaf 1 en uiterlijk tot 31 december 2019, blijven de instellingen die belast zijn met het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen, tegen volledige vergoeding, belast met hun taken.
  Zolang deze instellingen belast blijven met hun taken, kan noch een gemeenschap noch de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie wijzigingen aan de essentiële elementen van dit administratief beheer en van deze uitbetaling of aan de regels ten gronde die een significante impact hebben op het administratief beheer of de uitbetaling, in werking laten treden.
  Tussen de inwerkingtreding van onderhavige paragraaf en het ogenblik dat alle gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie overeenkomstig het vierde lid instaan voor het administratief beheer en de uitbetalingen van de gezinsbijslagen, kunnen wijzigingen aangebracht worden aan de essentiële elementen van de modaliteiten van het administratief beheer en van deze uitbetaling of aan de regels ten gronde die een significante impact hebben op het administratief beheer of de betaling van de gezinsbijslagen, gezamenlijk door de gemeenschappen en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie via een samenwerkingsakkoord na overleg met de in het eerste lid bedoelde instellingen. Deze wijzigingen zijn toepasselijk ten aanzien van de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie die nog niet zelf instaan voor het administratief beheer en de uitbetaling.
  Elke gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie staan vanaf 1 januari 2020, zelf of door middel van instellingen die zij oprichten of erkennen, volledig in voor het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen. Een gemeenschap of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kan evenwel, elk wat haar betreft, beslissen om het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen eerder te verzekeren door haarzelf of door instellingen die zij opricht of erkent. In dit geval notificeert de gemeenschap of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie deze beslissing aan de Federale Staat ten minste negen maanden vóór de overname. De overname gebeurt per 1 januari en ten vroegste op 1 januari 2016.
  De gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie sluiten een samenwerkingsakkoord over de uitwisseling van gegevens of de centralisering ervan. In zoverre het samenwerkingsakkoord betrekking heeft op de periode vóór 1 januari 2020 is de federale overheid eveneens partij. Zolang dit samenwerkingsakkoord, niet afgesloten is, blijven de openbare instellingen bedoeld in het eerst lid instaan voor het administratief beheer van de uitwisseling en de centralisering van de gegevens.
  In geval van toepassing van de derde zin van het vijfde lid, kan een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen welke overheidsinstelling het administratief beheer van de uitwisseling en de centralisering van de gegevens verderzet.".

  Art. 45. In artikel 94 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en 27 mei 2006, wordt een pragraaf 1ter ingevoegd luidende :
  " § 1ter. In afwijking van § 1 en uiterlijk tot 31 december 2019, blijft de federale overheid belast, om tegen vergoeding, de persoonlijke aandelen van de rechthebbenden voor de prestaties die betrekking hebben op de bevoegdheden van de gemeenschappen op een geplafonneerde wijze te integreren in zijn maximumfactuur, behoudens wanneer één of meerdere gemeenschappen of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie het anders beslissen.
  Wanneer een gemeenschap of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie beslist om niet langer een beroep te doen op deze dienst, notificeert zij deze beslissing aan de federale overheid uiterlijk tien maanden op voorhand. Deze stopzetting gebeurt op 1 januari.
  In 2014 zal deze beslissing echter genotificeerd kunnen worden aan de federale overheid tot 1 oktober.".

  Art. 46. In dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 8 augustus 1988, 12 januari 1989, 16 januari 1989, 5 mei 1993, 16 juli 1993, 28 december 1994, 5 april 1995, 25 maart 1996, 4 december 1996, 8 februari 1999, 19 maart 1999, 4 mei 1999, 21 maart 2000, 13 juli 2001, 22 januari 2002, 29 april 2002, 5 mei 2003, 10 juli 2003, 12 augustus 2003, 2 maart 2004, 16 maart 2004, 25 april 2004, 13 september 2004, 27 maart 2006, 21 februari 2010 en 19 juli 2012,
  1° in de artikelen 1, § § 1 en 2, en 19, § 1, worden de woorden "in artikel 59bis" telkens vervangen door de woorden "in de artikelen 127 tot 129";
  2° in de artikelen 1, § § 1 en 3, 6, § 1, en 19, §§ 1 en 3, wordt het woord "107quater" telkens vervangen door het cijfer "39";
  3° in artikel 4 worden de woorden "59bis, § 2, 1°" vervangen door de woorden "127, § 1, 1°";
  4° in artikel 5, § 1, worden de woorden "59bis, § 2bis" vervangen door de woorden "128, § 1";
  5° in artikel 26 worden de woorden "49, § 3" vervangen door de woorden "63, § 3";
  6° in artikel 35, § 3, worden de woorden "17, § 2", vervangen door de woorden "24, § 2";
  7° in artikel 79 wordt het cijfer "11" vervangen door het cijfer "16";
  8° in artikel 81, § 5, worden de woorden "68, § 3" vervangen door de woorden "167, § 3";
  9° in artikel 81, § 8, worden de woorden "68, § 5, tweede lid" vervangen door de woorden "167, § 5, tweede lid";
  10° in artikel 91bis, § 1, wordt het cijfer "17" vervangen door het cijfer "24";
  11° in artikel 92quater worden de woorden "41, § 5" vervangen door het cijfer "82";
  12° in artikel 93 worden de woorden "59bis, § 2" vervangen door de woorden "127, § 1";
  13° in artikel 99 worden de woorden "68, §§ 4 en 7" vervangen door de woorden "167, § § 4 en 7".

  HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof

  Art. 47. Artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 9 maart 2003 en 21 februari 2010, wordt aangevuld met de bepaling onder 3°, luidende :
  "3° artikel 143, § 1, van de Grondwet.".

  Art. 48. Artikel 26, § 1, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 9 maart 2003 en 21 februari 2010, wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende :
  "4° de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van artikel 143, § 1, van de Grondwet.".

  HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen

  Art. 49. Het opschrift van boek I van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen wordt vervangen als volgt :
  "Boek I. Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3, 39 en 135bis van de Grondwet".

  Art. 50. Artikel 4 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere weten van 16 juli 1993 en van 27 maart 2006, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "Artikel 4bis van de bijzondere wet is van overeenkomstige toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
  Voor de toepassing van artikel 6, § 1, IX, 11°, van de bijzondere wet, is het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd overeenkomstig artikel 35nonies, § 3, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten indien het aantal personen dat in het PWA-systeem is tewerkgesteld gemiddeld over het jaar hoger is dan 1 473 gerechtigden.".

  Art. 51. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 4bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 4bis. Onverminderd de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap, oefent het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest de volgende bevoegdheden uit inzake de culturele aangelegenheden bedoeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 1°, en, wat betreft deze aangelegenheden, 3°, van de Grondwet :
  1° wat de sport bedoeld in artikel 4, 9°, van de bijzondere wet betreft, de financiering en subsidiëring van de gemeentelijke sportinfrastructuur;
  2° wat de beroepsomscholing en -bijscholing bedoeld in artikel 4, 16°, van de bijzondere wet betreft, het opzetten van programma's voor beroepsopleidingen voor zover deze kaderen in het werkgelegenheidsbeleid en rekening houden met het specifieke karakter van Brussel;
  3° wat de schone kunsten, het cultureel patrimonium, de musea en de andere wetenschappelijk-culturele instellingen bedoeld in artikel 4, 3° en 4°, van de bijzondere wet betreft, de biculturele aangelegenheden voor zover deze van gewestelijk belang zijn.".

  Art. 52. In artikel 37, § 1, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder I worden de woorden "Economisch beleid en energiebeleid" vervangen door de woorden "Economisch beleid, energiebeleid, toerisme en biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang";
  2° in de bepaling onder II worden de woorden "Tewerkstellingsbeleid en lokale besturen" vervangen door de woorden "Tewerkstellingsbeleid en beroepsopleiding, en lokale besturen en de financiering alsook de subsidiëring van gemeentelijke sportinfrastructuur".

  Art. 53. In artikel 48 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 juli 1993 en 27 maart 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "de leden 2 tot 4 en onverminderd" ingevoegd tussen het woord "Onverminderd" en de woorden "de toepassing".
  2° het artikel wordt aangevuld met drie leden luidende :
  "De in artikel 4, § 2quater, 1°, 2° en 7°, van de wet van 26 juli 1971 houdende organisatie van de agglomeraties en federaties van gemeenten bedoelde bevoegdheden worden uitgeoefend door de voorzitter van de regering bedoeld in artikel 34.
  De regering kent een hoge ambtenaar die zij wijst, op eensluidend advies van de federale regering, bepaalde van deze opdrachten toe, in het bijzonder de opdrachten betreffende de civiele veiligheid en de uitwerking van de plannen voor noodtoestanden, en met uitsluiting van de opdrachten betreffende de ordehandhaving, de coördinatie van de veiligheid en de harmonisering van de gemeentelijke politiereglementen. Indien het advies van de federale regering niet wordt uitgebracht binnen de veertig dagen van de kennisgeving door de gewestregering van het voorstel van benoeming, wordt het geacht gunstig te zijn.
  De in artikel 4, § 2quater, 3° en 4°, van dezelfde wet bedoelde bevoegdheden worden uitgeoefend door de regering bedoeld in artikel 34.".

  Art. 54. In artikel 53, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden ", eerste lid," ingevoegd tussen de woorden "artikel 48" en "van deze wet.".

  Art. 55. In artikel 63 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 5 mei 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "6quinquies," ingevoegd tussen de woorden "6bis," en de woorden "8 tot 16";
  2° tussen het eerste en het tweede lid worden drie leden ingevoegd, luidende :
  "De bevoegdheid bedoeld in artikel 5, § 1, IV, van de bijzondere wet behoort, op het grondgebied bedoeld in artikel 2, § 1, tot de exclusieve bevoegdheid van het Verenigd College en de Verenigde Vergadering, daarin begrepen ten aanzien van de instellingen, die wegens hun organisatie moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap.
  De Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, sluiten in elk geval een samenwerkingsakkoord voor het instellen van één loket voor de gehandicapten wat betreft het beheer van de mobiliteitshulpmiddelen bedoeld in artikel 5, § 1, II, 4°, van de bijzondere wet en de andere hulpmiddelen van dezelfde aard, op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
  In afwachting van het sluiten van dit samenwerkingsakkoord, kennen de bevoegde diensten inzake het gehandicaptenbeleid van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap de mobiliteitshulpmiddelen bedoeld in artikel 5, § 1, II, 4°, van de bijzondere wet toe aan de personen die zich te dien einde tot hen richten. De aldus toegekende hulpmiddelen overeenkomstig de regels uitgevaardigd door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vallen ten laste van deze laatste. Elke gemeenschap richt maandelijks een afrekening van de toegekende hulpmiddelen, aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie die haar de overeenstemmende middelen stort binnen de zestig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van deze afrekening.";
  3° artikel 63 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Artikel 4bis van de bijzondere wet is van overeenkomstige toepassing op de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.".

  Art. 56. In artikel 75, tweede lid, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt :
  "2° de aangelegenheden betreffende de bijstand aan personen bedoeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet en deze betreffende de gezinsbijslagen bedoeld in artikel 5, § 1, IV, van de bijzondere wet.".

  Art. 57. In artikel 82, § 1, tweede lid van dezelfde bijzondere wet worden de woorden "50 en 69" vervangen door de woorden "50, 68quinquies en 69".

  Art. 58. In dezelfde bijzondere wet, zoals gewijzigd bij de bijzondere wetten van 9 mei 1989, 5 mei 1993, 16 juli 1993, 5 april 1995, 4 december 1996, 4 mei 1999, 13 juli 2001, 22 januari 2002, 5 mei 2003, 10 juli 2003, 2 maart 2004, 16 maart 2004, 25 april 2004, 27 maart 2006 en 19 juli 2012 :
  1° in de artikelen 1, 8, tweede lid, en 47, § 4, wordt het woord "107quater" telkens vervangen door het cijfer "39";
  2° in artikel 9 worden de woorden "107ter, § 2, 2° en 3°" vervangen door de woorden "142, tweede lid, 2° en 3°";
  3° in artikel 11 wordt het woord "59quater" vervangen door het cijfer "117";
  4° in de artikelen 12 en 36 worden de woorden "59quinquies" en "59quinquies, § 1" telkens vervangen door het cijfer "138";
  5° in het opschrift van Boek II en in de artikelen 47 en 52 worden de woorden "108ter, 2°" telkens vervangen door de woorden "166, § 2";
  6° in het opschrift van Boek III en in de artikelen 60, 62, 70 en 79 worden de woorden "59bis, § 4bis, tweede lid" telkens vervangen door het cijfer "135";
  7° in het opschrift van Boek III en in de artikelen 60 tot 62 worden de woorden "108ter, 3°" telkens vervangen door het cijfer "136";
  8° in artikel 70 worden de woorden "108ter, § 3, tweede lid" vervangen door de woorden "166, § 3";
  9° in het opschrift van Boek IIIbis worden de woorden "59quinquies, § 2" vervangen door het cijfer "178";
  10° in het opschrift van Boek IIIter worden de woorden "1, vierde lid" vervangen door het cijfer "163";
  11° in artikel 85 worden de woorden "59bis, § 6" vervangen door het cijfer "175" en wordt het cijfer "115" vervangen door het cijfer "177".

  HOOFDSTUK V. - Wijziging van de bijzondere wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen

  Art. 59. In artikel 1, punt 6°, van de bijzondere wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, ingevoegd bij de bijzondere wet van 3 juni 2007, worden de woorden "en de gouverneur" opgeheven.

  HOOFDSTUK VI. - Wijziging van de bijzondere wet van 26 juni 2004 tot uitvoering en aanvulling van de bijzondere wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen

  Art. 60. In artikel 6, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 26 juni 2004 tot uitvoering en aanvulling van de bijzondere wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, gewijzigd bij de bijzondere wet van 3 juni 2007, worden de woorden "en de gouverneur" opgeheven.

  HOOFDSTUK VII. - Wijziging van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen

  Art. 61. In titel II, hoofdstuk II, afdeling 1, van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt een artikel 31/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 31/1. Het Overlegcomité is het centraal punt voor overleg, samenwerking en coördinatie tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, om met naleving van eenieders bevoegdheden, individuele of gezamenlijke doelstellingen te verwezenlijken.".

  Art. 62. In titel II, hoofdstuk II, van dezelfde wet, wordt een afdeling 2bis ingevoegd, met als opschrift "Afdeling 2bis. - Werking van het Overlegcomité".

  Art. 63. In afdeling 2bis, ingevoegd bij artikel 62, wordt een artikel 31ter ingevoegd, luidende :
  "Art. 31ter. Het Overlegcomité stelt een huishoudelijk reglement op waarin de nadere werkingsregels van het Comité zijn vermeld.
  Met naleving van de door elk van de regeringen vastgestelde uitvoeringsmodaliteiten bepaalt dit huishoudelijk reglement ten minste :
  - de mededelingsmodaliteiten van de agenda en de beslissingen van het Comité aan de verschillende Parlementen;
  - de formalisering van de procedures opdat de regeringen tijdig de standpunten kunnen voorbereiden die ze in het Overlegcomité zullen verdedigen.".

  HOOFDSTUK VIII. - Personeel van de Senaat

  Art. 64. Zij die op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad statutair personeelslid zijn van de Senaat, kunnen met hun instemming ter beschikking worden gesteld van of worden overgeplaatst naar een openbare werkgever.
  Onder openbare werkgever wordt verstaan elke openbare dienst die afhangt van de overheden van de gewesten en de gemeenschappen, alsook de instellingen die ervan afhangen.
  Als openbare werkgever worden ook beschouwd de ondergeschikte besturen in de zin van artikel 6, § 1, VIII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de instellingen die ervan afhangen.
  Het personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld, oefent zijn functies uit onder het gezag van de openbare werkgever en wordt door de Senaat bezoldigd. Hij behoudt zijn juridische band met de Senaat waarvan hij personeelslid blijft.
  Onder overplaatsing wordt verstaan de integratie van het personeelslid van de Senaat als ambtenaar bij de openbare werkgever.
  De openbare werkgever bepaalt de criteria waaraan het personeelslid van de Senaat moet voldoen om in aanmerking te komen voor een terbeschikkingstelling of overplaatsing.
  De terbeschikkingstelling en de overplaatsing maken het voorwerp uit van een akkoord tussen de Senaat en de openbare werkgever.
  Het akkoord bepaalt :
  1° in voorkomend geval, de duur en de nadere regels van de terbeschikkingstelling, met inbegrip van de tenlasteneming, werkgeversbijdragen inbegrepen, van de wedde, de toeslagen, de vergoedingen, de premies, de voordelen van alle aard, de sociale voordelen en de kinderbijslag van de terbeschikkinggestelde personeelsleden;
  2° de bepaling van de graad, het niveau en de weddenschaal toepasselijk op het personeel van de openbare werkgever, waarmee het personeelslid bekleed zal worden;
  3° de bepaling van het arbeidsregime;
  4° de duur en de inhoud van de eventuele vorming en stage;
  5° de geldelijke voordelen die de openbare werkgever toekent aan het personeelslid op grond van het statuut eigen aan deze openbare werkgever;
  6° de evaluatieprocedure en -criteria toepasselijk gedurende de eventuele vorming en stage;
  7° de regels betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid van de openbare werkgever;
  8° de datum van overplaatsing;
  9° de procedure van overplaatsing.
  Een afschrift van het arbeidsreglement en van de statuten toepasselijk op de statutaire personeelsleden van de openbare werkgever wordt aan het personeelslid overhandigd.

  HOOFDSTUK IX. - Overgangs- en slotbepalingen

  Art. 65. De voorwaarden, het bedrag en de betaling van de vergoedingen voor loopbaanonderbreking voorzien in afdeling 5 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen zijn van toepassing op de gemeenschappen en gewesten, elk voor het overheidspersoneel waarvan de rechtspositie tot hun bevoegdheid behoort, totdat de gemeenschappen en gewesten deze bepalingen, ieder wat hem betreft, vervangen of opheffen.

  Art. 66. § 1. Het Participatiefonds wordt vereffend door een raad van bestuur bestaande uit maximum acht leden, waarvan :
  1° twee leden, het ene lid Nederlandstalig, het andere lid Franstalig, worden aangewezen bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op eensluidend advies van de representatieve middenstand organisaties, de ene op voordracht van de minister van Middenstand, de andere op voordracht van de minister van Financiën;
  2° twee leden aangewezen door de Vlaamse Rgering;
  3° twee leden aangewezen door de Waalse Regering;
  4° twee leden, het ene lid Nederlandstalig, het andere lid Franstalig, aangewezen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.
  De raad van bestuur verkiest uit zijn midden een voorzitter en een ondervoorzitter. De voorzitter en de ondervoorzitter behoren tot een verschillende taalrol.
  § 2. Vanaf de datum bedoeld in artikel 73, § 2, van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, zal de activiteit van het Participatiefonds zich beperken tot het beheer van de kredieten en de deelnemingen die vóór die datum verleend zijn of waartoe vóór die datum besloten is.
  Het Fonds kan evenwel de opdracht bedoeld in artikel 74, § 1, 8°, van dezelfde wet, blijven uitoefenen voor de overheidsinstellingen waarmee het overeenkomsten heeft gesloten vóór de datum bedoeld in het eerste lid, op vraag van deze overheidsinstellingen. Deze overeenkomsten lopen ten laatste af op 1 juli 2016. Indien een overeenkomst zou aflopen vóór 1 juli 2016, kan deze activiteit worden verdergezet tot deze datum op basis van een nieuwe overeenkomst. Op vraag van de voornoemde instellingen die afhangen van de Federale Staat, een gemeenschap of een gewest waarvoor het Participatiefonds gedurende twee jaar diensten is blijven leveren, zal het Participatiefonds deze dienstverlening kunnen voortzetten tot ten laatste 1 juli 2022, maar enkel indien hiertoe een nieuwe overeenkomst wordt gesloten met het Fonds.
  Tot 1 juli 2016 kan het Participatiefonds op vraag van een gewest eveneens de opdracht bedoeld in artikel 74, § 1, 9°, van dezelfde wet blijven uitoefenen, mits het gewest het Fonds hiervoor integraal vergoedt.
  Het Participatiefonds levert technische en administratieve diensten voor het Startersfonds cvba tot de afsluiting van de vereffening ervan.
  § 3. De Koning regelt, na overleg met de representatieve vakorganisaties van het personeel en na advies van de gewestregeringen, bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de overdracht van de personeelsleden aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, met inachtneming van de beginselen bedoeld in artikel 88, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  De Koning voorziet erin, na overleg met de representatieve vakorganisaties van het personeel en op eensluidend advies van de gewestregeringen, bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, dat een deel van de leden van het personeel overgedragen naar het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ter beschikking wordt gesteld van het Participatiefonds voor de uitvoering van de in paragraaf 2 bedoelde taken, volgens de nadere regels die Hij vaststelt.
  § 4. Op 1 juli 2014 draagt het Participatiefonds aan de gewesten, elk wat hem betreft, de eigendom van de aandelen van het Participatiefonds - Vlaanderen, het Participatiefonds - Wallonië en het Participatiefonds - Brussel, bedoeld in artikel 73bis, van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, over aan respectievelijk het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
  § 5. Het Participatiefonds stort jaarlijks, tussen 1 juli 2014 en 1 juli 2022, aan de vennootschappen bedoeld in § 4 of de rechtspersonen die in hun rechten zijn getreden, een bedrag van 25 miljoen euro volgens de volgende verdeelsleutel :
  - Participatiefonds - Vlaanderen : 53 % ;
  - Participatiefonds - Wallonië : 37 % ;
  - Participatiefonds - Brussel : 10 % ;
  De kapitalisatiekosten en de kosten voor de oprichting van de drie vennootschappen bedoeld in artikel 73bis van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen worden afgetrokken, elk wat de in paragraaf 4 bedoelde drie vennootschappen betreft, van de eerste schijf die aan haar zal worden gestort overeenkomstig het eerste lid.
  In geval de in paragraaf 4 bedoelde vennootschappen nog niet opgericht zijn op 1 juli 2014, gebeurt de overdracht van de middelen bedoeld in deze paragraaf en de overdracht van activa en passiva bedoeld in paragraaf 6, voor de respectievelijke gewesten waarvoor geen vennootschap bestaat, rechtstreeks naar de door de betrokken gewesten, elk wat hem betreft, aangeduide rechtspersoon.
  § 6. Op 1 juli 2022 worden de nog lopende kredieten en participaties overgedragen, naar gelang het geval, aan de vennootschappen bedoeld in paragraaf 4, de rechtspersonen die in hun rechten zijn getreden, of de rechtspersonen bedoeld in § 5, derde lid, op basis van de ligging van de zetel van de kredietnemer. Alle overige activa en passiva na de verdeling van de kredieten en participaties zullen worden verdeeld op basis van de verdeelsleutel voorzien in § 5, eerste lid.
  De gewesten zijn hoofdelijk gehouden tot eventuele schulden van het fonds.
  § 7. Op 1 juli 2022, zullen de nog lopende kredieten en participaties worden overgedragen aan de fondsen bedoeld in paragraaf 4 op basis van de ligging van de zetel van de kredietnemer op datum van de lening. Alle resterende activa en passiva na de verdeling van de kredieten en participaties, zullen worden verdeeld volgens de verdeelsleutel voorzien in paragraaf 4.
  De gewesten zijn hoofdelijk gehouden tot de eventuele schulden van het Fonds.

  HOOFDSTUK X. - Inwerkingtreding

  Art. 67. Deze wet treedt in werking op 1 juli 2014.
  Artikel 64 treedt evenwel in werking op de tiende dag na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 6 januari 2014.
FILIP
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
E. DI RUPO
De Staatssecretaris voor Staatshervorming,
M. WATHELET
De Staatssecretaris voor Staatshervorming,
S. VERHERSTRAETEN
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   Senaat (www.senate.be) : Stukken : 5-2232 Handelingen van de Senaat : 26 en 28 november 2013. Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) : Stukken : 53 3201 Integraal Verslag : 19 december 2013.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 20 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie