J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
4 DECEMBER 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B en van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs

Bron :
MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 13-12-2013 nummer :   2013014704 bladzijde : 98607   BEELD
Dossiernummer : 2013-12-04/05
Inwerkingtreding : 03-02-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-15
BIJLAGEN.
Art. N1-N2

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B wordt vervangen als volgt :
  "Art. 3. § 1. De kandidaat voor het rijbewijs van de categorie B die geslaagd is voor het theoretisch examen ontvangt een voorlopig rijbewijs B dat hem toelaat om te rijden met de bijstand van een begeleider die beantwoordt aan de voorwaarden voorzien in § 2. Dit voorlopig rijbewijs is geldig voor zesendertig maanden.
  Het voorlopig rijbewijs B stemt overeen met het model in bijlage 1.
  § 2. De houder van het voorlopig rijbewijs B moet vergezeld zijn van een begeleider die aan de volgende voorwaarden voldoet :
  a) hij moet beantwoorden aan de in artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bedoelde voorwaarden om een rijbewijs te verkrijgen;
  b) hij moet sedert ten minste 8 jaar houder en drager zijn van een Belgisch of Europees rijbewijs geldig om een voertuig van de categorie B te besturen. De bestuurder die, overeenkomstig artikel 44, § 5 of artikel 45 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, enkel een speciaal aan zijn handicap aangepast voertuig mag besturen, mag niet als begeleider bij de scholing optreden, behalve indien de kandidaat aan dezelfde handicap lijdt en eveneens een speciaal aan deze handicap aangepast voertuig bestuurt;
  c) hij mag niet vervallen zijn of mag gedurende de laatste drie jaar niet vervallen geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen en moet voldaan hebben aan de examens en onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer werden opgelegd;
  d) de begeleider mag, behalve voor dezelfde kandidaat, niet op een ander voorlopig rijbewijs als begeleider vermeld geweest zijn binnen het jaar vóór de datum van afgifte van het voorlopig rijbewijs. Dit verbod is niet van toepassing voor de begeleiding van eigen kinderen, kleinkinderen, zussen, broers of pleegkinderen of die van zijn/haar wettelijke partner;
  e) hij moet op het voorlopig rijbewijs vermeld worden en vooraan in het voertuig plaatsnemen.
  § 3. Een tweede begeleider, die voldoet aan de voorwaarden bepaald in § 2 mag, door de overheid bedoeld in artikel 10, op het voorlopig rijbewijs vermeld worden hetzij op het ogenblik van de afgifte hetzij tijdens de scholing.
  In geval van verandering van begeleider tijdens de scholing wordt een nieuw voorlopig rijbewijs afgegeven door de overheid bedoeld in artikel 10; dit nieuw document heeft dezelfde uiterste geldigheidsdatum als het oorspronkelijk voorlopig rijbewijs.
  Als een van de op het voorlopig rijbewijs vermelde begeleiders niet langer één van de in § 2 vermelde voorwaarden vervult, moet de kandidaat van begeleider veranderen overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid. Het voorlopig rijbewijs verliest zijn geldigheid niet.
  § 4. De houder van een voorlopig rijbewijs B mag enkel begeleid worden door de ene of de andere of door de twee begeleiders bedoeld in §§ 2 en 3, en/of door een gebrevetteerde rij-instructeur, met uitsluiting van alle andere passagiers".

  Art. 2. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het derde lid wordt vervangen als volgt :
  "De houder van het voorlopig rijbewijs B zonder begeleider mag vergezeld zijn van ten hoogste twee personen die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 3, § 2, a), b) en c)." ;
  2° het vierde lid wordt opgeheven.

  Art. 3. In hetzelfde besluit wordt een artikel 5/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 5/1. § 1. Na het verstrijken van de geldigheid van het voorlopig rijbewijs B, moet de kandidaat de scholing in een rijschool voortzetten en moet hij, om zich aan te bieden voor het praktisch examen, zes uur praktische lessen in een rijschool volgen.
  De kandidaat kan echter, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, een nieuw voorlopig rijbewijs B bekomen indien de geldigheid van het voorlopig rijbewijs B waarvan hij houder is geweest sinds meer dan drie jaar verstreken is.
  § 2. De houder van een geldig voorlopig rijbewijs B met begeleider kan, een enkele keer, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, een voorlopig rijbewijs B zonder begeleider krijgen en omgekeerd. De scholing die gevolgd wordt onder dekking van het vorig voorlopig rijbewijs B wordt in aanmerking genomen voor het berekenen van de termijn voorgeschreven in artikel 8, eerste lid.".

  Art. 4.Artikel 7 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  "Art. 7. Met uitzondering van de gebrevetteerde rij-instructeurs die in dienst zijn van verenigingen zonder winstoogmerk en daarvan het bewijs leveren, mag niemand de houder van een voorlopig rijbewijs B tegen betaling begeleiden.
  De gebrevetteerde rij-instructeur moet niet op het voorlopig rijbewijs als begeleider vermeld worden.
  Artikel 3, § 2, d) is niet van toepassing op de gebrevetteerde rij-instructeur.".
  
  (NOTA : bij arrest nr. 227/479 van 20 mei 2014 (B.St. 25-08-2014,p. 63745) heeft de Raad van State de tenuitvoerlegging van dit artikel geschorst , in zovere het artikel 7 van het voormeelde koninklijk besluit van 10 juli 2006 vervangt, evenwel beperkt tot het eerste lid van dit nieuwe artikel 7).Bekendmaking bij uittreksel voorgeshreven bij artikel 39 van de procedureregeling op dezelfde wijze als jet gedeeltelijk geschorste besluit

  Art. 5. In artikel 8 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de tweede zin van het eerst lid word vervangen als volgt :
  "De kandidaat moet sinds minder dan drie jaar geslaagd zijn voor het theoretisch examen of ervan vrijgesteld zijn krachtens artikel 28 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.";
  2° een lid wordt ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid, luidende :
  "De kandidaat legt een geldig voorlopig rijbewijs B waarvan hij sinds minstens drie maanden houder is of een getuigschrift van praktisch onderricht afgegeven door een rijschool voor ten bewijs dat de lessen bedoeld in het artikel 5/1, § 1 werden gevolgd; in dat laatste geval, legt hij een attest voor, afgegeven door de overheid bedoeld in artikel 10 waaruit blijkt dat hij een scholing van ten minste drie maanden heeft gevolgd onder dekking van een voorlopig rijbewijs B.";
  3° er wordt een vijfde lid toegevoegd, luidende :
  "De kandidaat die geen houder is van een voorlopig rijbewijs B legt het praktisch examen af onder de voorwaarden bedoeld in het vierde lid.".

  Art. 6. Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Niettemin worden de mislukkingen voor het praktisch examen die vóór de afgifte van het voorlopig rijbewijs bedoeld in artikel 5/1, § 1, tweede lid werden afgelegd, niet meegerekend.".

  Art. 7. In artikel 11 van hetzelfde besluit worden de woorden ", artikel 34 en artikel 69, § 7, derde lid" vervangen door de woorden "en artikel 34".

  Art. 8. Artikel 45 van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 3 april 2013, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "De bepalingen van dit besluit die van kracht waren vóór 3 februari 2014 blijven van toepassing op de voorlopige rijbewijzen B afgegeven vóór deze datum.
  Na het verstrijken van de geldigheid van het voorlopig rijbewijs bedoeld in het eerste lid, is de kandidaat onderworpen aan de bepalingen van artikel 5/1.".

  Art. 9. In hetzelfde besluit wordt bijlage 1, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 april 2013, bijlage 5 en wordt bijlage 2, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 april 2013, bijlage 6.

  Art. 10. In hetzelfde besluit wordt een bijlage 1 ingevoegd die als bijlage 1 is gevoegd bij dit besluit.

  Art. 11. In hetzelfde besluit wordt een bijlage 2 ingevoegd die als bijlage 2 is gevoegd bij dit besluit.

  Art. 12. In artikel 32, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, paragraaf 6, opgeheven door het koninklijk besluit van 15 juli 2004, wordt hersteld als volgt :
  " § 6. Na twee opeenvolgende niet geslaagde theoretische examens, mag de kandidaat voor het rijbewijs geldig voor categorie B slechts een nieuwe theoretisch examen afleggen op vertoon van een getuigschrift van theoretisch onderricht afgegeven door een rijschool.
  De in het eerste lid voorgeschreven verplichting is niet van toepassing op :
  1° de kandidaten die een attest van een keel-, neus- en oorarts voorleggen waarin bevestigd wordt dat ze een zodanige gehoorhandicap hebben dat ze het onderricht bedoeld in het eerste lid niet in normale omstandigheden kunnen volgen;
  2° de kandidaten bedoeld in paragraaf 5.".

  Art. 13. In artikel 39, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 juli 2006 en 1 september 2006, worden de woorden "van een persoon van minstens 24 jaar die houder is en in het bezit van een rijbewijs dat ten minste geldig is voor voertuigen van categorie B" vervangen door de woorden "van een persoon die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B".

  Art. 14. Dit besluit treedt in werking op 3 februari 2014.

  Art. 15. De minister bevoegd voor het Wegverkeer is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 1. - VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE HET KAARTMODEL VAN HET VOORLOPIG RIJBEWIJS MODEL 36
  1. De fysieke kenmerken van de kaart van het voorlopig rijbewijs zijn in overeenstemming met ISO-norm 7810.
  De kaart is gemaakt van polycarbonaat.
  De methodes voor toetsing van de kenmerken van de rijbewijzen aan de internationale normen zijn in overeenstemming met ISO-norm 10373.
  2. Het voor voorlopige rijbewijzen gebruikte materiaal wordt door middel van de volgende technieken tegen vervalsing beveiligd :
  - de bestanddelen van de kaart zijn optisch dood;
  - beveiligingsondergrond in de vorm van een patroon dat zodanig is ontworpen dat het niet kan worden vervalst door scannen, drukken of kopiëren, door middel van irisdruk met meerkleurige veiligheidsinkt en positieve en negatieve guillochedruk. Het patroon bestaat niet uit de primaire kleuren (cyaan/magenta/geel/zwart) en bevat zowel complexe patroonvormen in ten minste twee speciale kleuren als micro-opschriften;
  - optisch variabele elementen die adequate bescherming bieden tegen kopiëren of vervalsen van de foto;
  - lasergravure;
  - in de zone voor de foto moeten het patroon van de beveiligingsondergrond en de foto zelf ten minste aan de zijkant van de foto samenvallen (verflauwend patroon);
  - inkt met kleuromslag;
  - aangepaste hologrammen;
  - variabele laserbeelden;
  - ultraviolette fluorescerende inkt, zichtbaar en transparant;
  - voelbare karakters, symbolen of patronen.
  3. Het voorlopig rijbewijs heeft twee zijden :
  Bladzijde 1 bevat :
  a) de vermelding "voorlopig rijbewijs", in hoofdletters;
  b) de tekst "Enkel geldig in België";
  c) het onderscheidingsteken "B" van België;
  d) het onderscheidingsteken "M36" van model 36;
  e) de gegevens die specifiek zijn voor het afgegeven voorlopig rijbewijs, met de volgende nummers :
  1. de naam van de houder;
  2. de voornaam van de houder;
  3. geboortedatum en -plaats van de houder;
  4. a. de datum van afgifte van het voorlopig rijbewijs;
  b. de datum waarop de geldigheidsduur van het voorlopig rijbewijs afloopt;
  c. de naam van de bevoegde instantie die het voorlopig rijbewijs afgeeft;
  5. nummer van het voorlopig rijbewijs;
  6. de foto van de houder;
  7. de handtekening van de houder;
  8. de voertuigcategorie die de houder gerechtigd is te besturen;
  f) referentiekleur: licht lila.
  Bladzijde 2 bevat :
  a) de datum van afgifte van het eerste voorlopig rijbewijs van categorie B;
  b) naam en voornaam van de eerste en de tweede begeleider;
  c) de tekst "De houder mag niet sturen van tweeëntwintig uur tot zes uur 's anderendaags op vrijdag, zaterdag, zondag, de vooravond van de wettelijke feestdagen en de wettelijke feestdagen.";
  d) de tekst "Als de houder tweemaal na elkaar niet geslaagd is voor het praktisch examen moet hij zes uren praktische lessen volgen in een rijschool, alvorens aan een nieuw praktisch examen deel te nemen.";
  e) de eventuele aanvullende of beperkende gegevens in code, overeenkomstig bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
  f) een toelichting bij de genummerde rubrieken op de bladzijden 1 en 2 van het voorlopig rijbewijs (ten minste voor de rubrieken 1, 2, 3, 4a, 4b, 4c, 5 en 8).
  (Model niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 13-12-2013, p. 98621)

  Art. N2. Bijlage 2. - VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE HET KAARTMODEL VAN HET VOORLOPIG RIJBEWIJS MODEL 18
  1. De fysieke kenmerken van de kaart van het voorlopig rijbewijs zijn in overeenstemming met ISO-norm 7810.
  De kaart is gemaakt van polycarbonaat.
  De methodes voor toetsing van de kenmerken van de rijbewijzen aan de internationale normen zijn in overeenstemming met ISO-norm 10373.
  2. Het voor voorlopige rijbewijzen gebruikte materiaal wordt door middel van de volgende technieken tegen vervalsing beveiligd:
  - de bestanddelen van de kaart zijn optisch dood;
  - beveiligingsondergrond in de vorm van een patroon dat zodanig is ontworpen dat het niet kan worden vervalst door scannen, drukken of kopiëren, door middel van irisdruk met meerkleurige veiligheidsinkt en positieve en negatieve guillochedruk. Het patroon bestaat niet uit de primaire kleuren (cyaan/magenta/geel/zwart) en bevat zowel complexe patroonvormen in ten minste twee speciale kleuren als micro-opschriften;
  - optisch variabele elementen die adequate bescherming bieden tegen kopiëren of vervalsen van de foto;
  - lasergravure;
  - in de zone voor de foto moeten het patroon van de beveiligingsondergrond en de foto zelf ten minste aan de zijkant van de foto samenvallen (verflauwend patroon);
  - inkt met kleuromslag;
  - aangepaste hologrammen;
  - variabele laserbeelden;
  - ultraviolette fluorescerende inkt, zichtbaar en transparant;
  - voelbare karakters, symbolen of patronen.
  3. Het voorlopig rijbewijs heeft twee zijden :
  Bladzijde 1 bevat :
  a) de vermelding "voorlopig rijbewijs", in hoofdletters;
  b) de tekst "Enkel geldig in België";
  c) het onderscheidingsteken "B" van België;
  d) het onderscheidingsteken "M18" van model 18;
  e) de gegevens die specifiek zijn voor het afgegeven voorlopig rijbewijs, met de volgende nummers :
  1. de naam van de houder;
  2. de voornaam van de houder;
  3. geboortedatum en -plaats van de houder;
  4. a. de datum van afgifte van het voorlopig rijbewijs;
  b. de datum waarop de geldigheidsduur van het voorlopig rijbewijs afloopt;
  c. de naam van de bevoegde instantie die het voorlopig rijbewijs afgeeft;
  5. nummer van het voorlopig rijbewijs;
  6. de foto van de houder;
  7. de handtekening van de houder;
  8. de voertuigcategorie die de houder gerechtigd is te besturen;
  f) referentiekleur: licht lila
  Bladzijde 2 bevat :
  a) de datum van afgifte van het eerste voorlopig rijbewijs van categorie B.
  b) de tekst "De houder mag vergezeld zijn van één of twee personen die sinds ten minste 8 jaar houder zijn van een rijbewijs categorie B, dat zij bij zich hebben."
  c) de tekst "De houder mag niet sturen van tweeëntwintig uur tot zes uur 's anderendaags op vrijdag, zaterdag, zondag, de vooravond van de wettelijke feestdagen en de wettelijke feestdagen.";
  d) de tekst "Als de houder tweemaal na elkaar niet geslaagd is voor het praktisch examen moet hij zes uren praktische lessen volgen in een rijschool, alvorens aan een nieuw praktisch examen deel te nemen.";
  e) de eventuele aanvullende of beperkende gegevens in code, overeenkomstig bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
  f) een toelichting bij de genummerde rubrieken op de bladzijden 1 en 2 van het voorlopig rijbewijs (ten minste voor de rubrieken 1, 2, 3, 4a, 4b, 4c, 5 en 8).
  (Model niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 13-12-2013, p. 98627)
  
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 4 december 2013.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Mevr. J. MILQUET
De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
M. WATHELET

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, artikel 1, eerste lid, artikel 21, tweede lid, vervangen bij de wet van 9 juli 1976, artikel 23, vervangen bij de wet van 9 juli 1976 en gewijzigd bij de wetten van 29 februari 1984 en 18 juli 1990 en artikel 26, vervangen bij de wet van 9 juli 1976;
   Gelet op het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
   Gelet op het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B;
   Gelet op het koninklijk besluit van 3 april 2013 tot wijziging van het voorlopig rijbewijs;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 10 september 2012;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 11 oktober 2012;
   Gelet op de betrokkenheid van de Gewestregeringen;
   Gelet op de adviezen nr 47.770/4, 52.121/4 en 53.547/4 van de Raad van State, gegeven op 17 februari 2010, 24 oktober 2012 en 8 juli 2013 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en de Staatssecretaris voor Mobiliteit,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Dit koninklijk besluit dient de regels met betrekking tot de rijopleiding voor voertuigen van categorie B te wijzigen.
   Artikel 1. Artikel 1 vervangt artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B.
   * Het voorlopig rijbewijs met begeleider blijft 36 maanden geldig.
   * De begeleider moet beantwoorden aan dezelfde voorwaarden als voorheen, maar hij moet voortaan vermeld worden op het voorlopig rijbewijs.
   Aangezien de begeleider op het voorlopig rijbewijs vermeld moet worden (zoals dat reeds het geval is voor de voorlopige rijbewijzen van model 3, die gelden voor alle overige categorieën), wordt een verbod ingesteld om als begeleider vermeld geweest te zijn op een ander voorlopig rijbewijs gedurende het voorgaande jaar (behalve voor dezelfde kandidaat). Er zijn uitzonderingen op dit verbod ten aanzien van de kinderen, kleinkinderen, zussen, broers of pleegkinderen van de begeleider of die van zijn/haar wettelijke partner.
   * De begeleider moet vooraan in het voertuig plaatsnemen.
   * Een tweede begeleider moet vermeld worden op het voorlopig rijbewijs.
   * Indien de begeleider niet langer aan de voorwaarden voldoet, moet de kandidaat van begeleider veranderen maar verliest het voorlopig rijbewijs niet zijn geldigheid.
   * Indien de kandidaat verandert van begeleider tijdens de scholing, wordt een nieuw voorlopig rijbewijs afgegeven waarop de uiterste geldigheidsdatum van het eerste voorlopig rijbewijs blijft behouden.
   De houder van een voorlopig rijbewijs B mag enkel worden vergezeld door haar/zijn begeleider(s), en/of door een gebrevetteerd instructeur. Hij mag niet langer nog een andere passagier vervoeren. Dit verbod dient erop te wijzen dat het rijden met een voorlopig rijbewijs kadert in de opleiding van de bestuurder en dat enkel personen die bekwaam zijn voor zijn/haar vorming, de kandidaat mogen vergezellen wanneer hij zich schoolt op basis van een voorlopig rijbewijs.
   Art. 2. Artikel 2 wijzigt artikel 4 van voormeld besluit (aangaande het voorlopig rijbewijs model 18 maanden dat de bestuurder toelaat alleen te rijden, zonder begeleider).
   De houder van een voorlopig rijbewijs zonder begeleider mag enkel vergezeld worden van hoogstens twee personen die aan de voorwaarden voor begeleiders moeten voldoen.
   Het vierde lid van hetzelfde artikel wordt opgeheven. Het nieuwe artikel 5/1 verduidelijkt de omstandigheden waarin het mogelijk is van voorlopig rijbewijs te wisselen (tussen de modellen zonder en met begeleider).
   Art. 3. Een nieuw artikel 5/1 wordt ingevoegd in voormeld besluit. Dit artikel verduidelijkt de omstandigheden waarin het mogelijk is van voorlopig rijbewijs te wisselen.
   Dit zijn de nieuwe principes:
   * Indien de geldigheidstermijn van het voorlopig rijbewijs B verstreken is, moet de kandidaat zijn scholing verderzetten in een rijschool en er minstens 6 uren praktisch rijonderricht om te kunnen deelnemen aan het praktisch examen (hij maakt zijn opleiding af).
   * Indien er drie jaren zijn verstreken sinds het einde van de geldigheidstermijn, kan de kandidaat opnieuw een voorlopig rijbewijs bekomen (hij begint een nieuwe opleiding).
   * De houder van een geldig voorlopig rijbewijs met begeleider kan slechts één keer een voorlopig rijbewijs zonder begeleider bekomen. Het deel van de stageperiode dat al doorlopen is, wordt in rekening gebracht.
   Het omgekeerde (éénmalig van een voorlopig rijbewijs zonder begeleider naar een voorlopig rijbewijs met begeleider gaan) is eveneens mogelijk.
   In tegenstelling tot de vroegere regeling, betekent dit dat het mogelijk is om, middels een wachttijd van 3 jaar tussen elk voorlopig rijbewijs zonder begeleider, méér dan eens een voorlopig rijbewijs zonder begeleider te bekomen.
   Art. 4. Artikel 7 van hetzelfde besluit wordt vervangen.
   Voorheen liet deze bepaling toe dat, "met uitzondering van gebrevetteerde rijinstructeurs, niemand de houder van een voorlopig rijbewijs B tegen betaling mag begeleiden".
   De wijziging beoogt de mogelijkheid om begeleider te zijn tegen betaling te beperken tot gebrevetteerde rijinstructeurs die in dienst zijn van vennootschappen zonder winstoogmerk en die dit bewijzen.
   Deze wijziging dient te verduidelijken dat de mogelijkheid om begeleider te zijn tegen betaling zich bevindt tussen de opleiding in een rijschool (20 uren rijonderricht die toelaten een voorlopig rijbewijs zonder begeleider te bekomen) en de vrije opleiding (waarbij de begeleider een familielid, een vriend, enz., is).
   Deze werkwijze dient bestuurders, die niet over de middelen beschikken om een professionele opleiding in een rijschool te volgen, in de mogelijkheid te stellen om goedkoper, via VZW's die zich met de rijopleiding bezighouden, een beroep te doen op een professionele begeleider. Zij laat gebrevetteerde instructeurs niet toe te concurreren met rijscholen, zonder te moeten voldoen aan alle voorwaarden die aan deze laatsten worden opgelegd.
   Verder hoeft de gebrevetteerde instructeur niet als begeleider vermeld worden op het voorlopig rijbewijs. De kandidaat kan dus 1 of 2 begeleiders op zijn voorlopig rijbewijs vermeld hebben en bovendien begeleid worden door een gebrevetteerd instructeur. Deze uitzondering is gerechtvaardigd door het feit dat een gebrevetteerd instructeur een professioneel lesgever is, die overigens beantwoordt aan de voorwaarden die gelden voor instructeurs, en die wegens zijn beroep begeleider is van vele kandidaten tijdens hetzelfde jaar, zonder dat de door hem aangeboden opleiding daardoor aan kwaliteit inboet. Dit objectief onderscheid tussen een gebrevetteerd instructeur en een begeleider die geen instructeur is rechtvaardigt het verschil in behandeling.
   De instructeur mag eveneens plaatsnemen in het voertuig, naast de begeleider(s) die eventueel aanwezig is/zijn.
   Art. 5. Artikel 8 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd.
   Aan de voorwaarde van de stageperiode (minstens 3 maanden houder geweest zijn van een voorlopig rijbewijs B alvorens te mogen deelnemen aan het praktisch examen) wordt de verplichting toegevoegd om sinds minder dan drie jaar geslaagd te zijn voor het theoretisch examen, of ervan vrijgesteld te zijn.
   Aangezien het niet meer mogelijk is een nieuw voorlopig rijbewijs te bekomen binnen de 3 jaar na afloop van de geldigheidstermijn, wordt bovendien de mogelijkheid voorzien om aan het praktisch examen deel te nemen met ofwel een voorlopig rijbewijs (oude regeling), ofwel met een getuigschrift van onderricht waaruit blijkt dat de kandidaat de opleiding van 6 uren heeft gevolgd die hem toelaat zijn rijopleiding te voltooien na het vervallen van zijn voorlopig rijbewijs. In dit geval moet hij een attest van de gemeente voorleggen dat aangeeft dat hij een stageperiode van minstens drie maanden heeft doorlopen op basis van een voorlopig rijbewijs B.
   Zo moet vermeden worden dat kandidaten deelnemen aan het praktisch examen zonder te hebben gereden op basis van een voorlopig rijbewijs met begeleider en na slechts 6 uren praktisch onderricht in een rijschool te hebben gevolgd.
   Er is voorzien dat de kandidaten, die zich aanbieden voor het praktisch examen op basis van dit getuigschrift van onderricht voor 6 gevolgde lesuren in een rijschool na het aflopen van de geldigheidsduur van hun voorlopig rijbewijs, het examen afleggen met een instructeur en in een voertuig van de rijschool.
   Art. 6. Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt aangevuld en vermeldt dat de mislukte examens op basis van een vroegere opleiding (een opleiding op basis van een sinds meer dan 3 jaar vervallen voorlopig rijbewijs) niet meetellen in de berekening van het aantal mislukkingen dat aanleiding geeft tot de verplichting om 6 lesuren in een rijschool te volgen alvorens opnieuw te kunnen deelnemen aan het praktisch examen.
   Art. 8. Artikel 45 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met twee leden betreffende de toepassing van de bepalingen tijdens de overgangsfase: de oude bepalingen blijven toepasselijk op de voorlopige rijbewijs B afgegeven voor de inwerkingtreding van deze tekst (3 februari 2014).
   Indien het voorlopig rijbewijs B, afgegeven voor deze datum van inwerkingtreding, niet meer geldig is, dient te kandidaat zich te voegen naar de bepalingen van het nieuwe artikel 5/1 en zal hij in het nieuwe systeem treden.
   Alle voorlopige rijbewijzen afgegeven na de datum van inwerkingtreding vallen in het nieuwe systeem.
   Art. 9. Het kaartmodel van het voorlopig rijbewijs M36, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 april 2013 tot wijziging van het voorlopig rijbewijs, wordt bijlage 5. Het kaartmodel M18 wordt bijlage 6.
   Art. 10. Het kaartmodel van het voorlopig rijbewijs met begeleider, geldig voor categorie B, wordt gewijzigd om de vermelding van de begeleiders mogelijk te maken.
   Art. 11. Het kaartmodel van het voorlopig rijbewijs zonder begeleider geldig voor categorie B wordt gewijzigd om aan te geven dat de kandidaat vergezeld mag worden door ten hoogste twee personen die sedert ten minste 8 jaar houder en drager zijn van een rijbewijs van categorie B, overeenkomstig het nieuwe derde lid van artikel 4.
   Art. 12. In artikel 32 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs wordt de verplichting ingevoerd een theoretische opleiding te volgen in een rijschool wanneer de kandidaat voor rijbewijs B twee opeenvolgende keren niet geslaagd is voor het theoretisch examen.
   Er wordt een uitzondering gemaakt op deze verplichting in geval van gehoorgestoorde kandidaten met een medisch attest van een neus-, keel- en oorarts en voor kandidaten waarvan het mentale of intellectuele vermogen of de graad van alfabetisme ontoereikend is.
   Art. 13. Artikel 39 van voormeld besluit wordt gewijzigd om aan te geven dat de kandidaat tijdens het examen vergezeld wordt door, buiten de examinator, iemand die beantwoord aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4, nieuwe derde lid, van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B.
   We hebben de eer te zijn,
   Sire,
   van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige
   en zeer getrouwe dienaars,
   De Minister van Binnenlandse Zaken,
   Mevr. J. MILQUET
   De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
   M. WATHELET
   
   Advies 47.770/4 van 17 februari 2010 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State
   De Raad van State, afdeling Wetgeving, vierde kamer, op 28 januari 2010 door de Staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de Eerste Minister verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B en van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs", heeft het volgende advies gegeven :
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, 1, eerste lid, 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   Voorafgaande vormvereisten
   1. Overeenkomstig artikel 6, 4, 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen moeten de gewestregeringen betrokken worden bij het uitwerken van het ontwerp.
   In de brief met de adviesaanvraag staat wat dat betreft het volgende :
   "L'avis des Régions est demandé en même temps que l'avis présent. Une réunion de concertation s'est tenue le 17 décembre 2009, dont vous trouvez le compte-rendu en annexe".
   De steller van het ontwerp moet ervoor zorgen dat volledig aan dat voorafgaande vormvereiste wordt voldaan.
   2. Het ontwerp vereist, naast het advies van de Inspecteur van Financiën, ook de akkoordbevinding van de Minister van Begroting.
   Algemene opmerkingen
   1. Het ontwerp regelt op vrij onduidelijke wijze wat eventueel volgt op het behalen van een voorlopig rijbewijs.
   De huidige artikelen 3 en 5 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B lijken niet uit te sluiten dat een kandidaat achtereenvolgens verscheidene voorlopige rijbewijzen B krijgt, die telkens geldig zijn voor een periode van drie jaar, voor zover hij zijn aanvraag indient voordat de termijn van drie jaar verstreken is, en hij in die periode geslaagd is voor een theoretisch examen.
   De ontworpen regeling staat die vernieuwing van het voorlopig rijbewijs niet in de weg voor zover de kandidaat een aanvraag om een nieuw voorlopig rijbewijs indient vóór het verstrijken van de geldigheidsperiode van het vorige voorlopig rijbewijs. De kandidaat die daarentegen de geldigheidstermijn van zijn voorlopig rijbewijs B heeft laten verstrijken en niet geslaagd is voor het praktisch examen, kan dat examen pas afleggen nadat hij minstens zes uur rijles heeft gevolgd aan een rijschool, en kan, ook al slaagt hij opnieuw voor het theoretisch examen, pas een nieuw voorlopig rijbewijs krijgen na een termijn van drie jaar na het verstrijken van zijn vorige voorlopig rijbewijs.
   De vraag rijst of zulk een verschil in behandeling naargelang de kandidaat al dan niet de geldigheidsdatum van zijn voorlopig rijbewijs laat verstrijken zonder geslaagd te zijn voor een praktisch rijexamen en zonder een nieuwe aanvraag om een voorlopig rijbewijs te hebben ingediend, wel strookt met het gelijkheidsbeginsel. Ook al streeft de steller van het ontwerp het legitieme doel na ervoor te zorgen dat iemand die een rijbewijs wil halen pas een nieuw soortgelijk voorlopig rijbewijs B kan krijgen wanneer hij een termijn van drie jaar laat verlopen tussen die twee voorlopige rijbewijzen, het gelijkheidsbeginsel zou beter in acht genomen worden indien de ontworpen artikelen 3, 5 en 5/1 zo gewijzigd zouden worden dat ze bepalen dat een kandidaat pas een nieuw voorlopig rijbewijs kan krijgen nadat een termijn van drie jaar verstreken is na het verstrijken van de geldigheid van het vorige voorlopig rijbewijs.
   Artikel 5/1, 2, is immers onvoldoende duidelijk aangezien daarin uitsluitend geregeld wordt wat volgt op een voorlopig rijbewijs B met begeleider en een voorlopig rijbewijs B zonder begeleider.
   Wat dat betreft zou het ook beter zijn de tweede zin van het huidige artikel 5 op te heffen, waarvan de eerste zin het eerste lid wordt (1).
   2. Gezien de gevolgen die het ontwerp verbindt aan het verstrijken van de geldigheidstermijn van het voorlopig rijbewijs, rijst de vraag of het gelijkheidsbeginsel niet beter in acht genomen zou worden indien een kandidaat die zijn scholing onmogelijk kan voortzetten tijdens de geldigheidsperiode van zijn voorlopig rijbewijs, bijvoorbeeld als gevolg van een ongeval, ziekte, of een ander geval van overmacht, schorsing kan vragen van de geldigheid van dat voorlopig rijbewijs en verlenging van die geldigheid met een termijn gelijk aan de duur van de schorsing, naar het voorbeeld van wat het ontwerp bepaalt in geval van verval van het voorlopig rijbewijs.
   Voor het overige wordt verwezen naar de opmerking gemaakt bij artikel 4 van het ontwerp.
   Bijzondere opmerkingen
   Aanhef
   In het zevende lid van de aanhef, waarin naar dit advies verwezen wordt, moeten de woorden " 1," ingevoegd worden tussen de woorden "van artikel 84," en "eerste lid, 1,".
   Dispositief
   Artikel 2
   In het ontworpen artikel 3, 2, d), tweede lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 10 juli 2006 (artikel 2 van het voorliggende ontwerp), moeten de woorden "wettelijke partner" vervangen worden door de woorden "echtgenoot of wettelijk samenwonende".
   Artikel 4
   Zoals het ontworpen artikel 5, tweede lid, gesteld is, lijkt het artikel 8, 6, 2, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs te overlappen.
   Deze bepaling moet evenwel worden herzien in het licht van algemene opmerking 2.
   Artikel 8
   De ontworpen bepaling verwijst naar "artikel 5/1, tweede lid"; wellicht moet gelezen worden "artikel 5/1, 1, tweede lid".
   Artikel 9
   Artikel 9 van het voorliggende ontwerp strekt ertoe in de opsomming die in artikel 11 van het voornoemde koninklijk besluit van 10 juli 2006 staat, de woorden "en artikel 69, 7, derde lid" te schrappen.
   Om die woorden te schrappen, moet de structuur van de opsomming die in dat artikel voorkomt, aldus gewijzigd worden dat vóór de laatst vermelde bepaling het woord "en" wordt ingevoegd.
   
   Bijlagen
   Elke bijlage bij het ontwerp dient, onderaan, te worden voorzien van de vermelding "Gezien om gevoegd te worden bij het koninklijk besluit van ..." (2).
   De kamer was samengesteld uit :
   de Heren P. Liénardy, kamervoorzitter, J. Jaumotte, L. Detroux, staatsraden, Mevr. C. Gigot, griffier.
   Het verslag werd uitgebracht door de H. Y. Chauffoureaux, auditeur.
   
   De griffier
   C. Gigot
   De voorzitter
   P. Liénardy
   
   ----------
   (1) Uit deze bepaling valt immers a contrario af te leiden dat de kandidaat die houder is of is geweest van een voorlopig rijbewijs meteen een "nieuw" voorlopig rijbewijs kan krijgen, voor zover hij minder dan drie jaar geleden geslaagd is voor een theoretisch examen, wat in strijd is met het doel van het ontwerp.
   (2) Zie Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab "Wetgevingstechniek", aanbeveling nr. 172 en formule F 4-8-1.
   
   Raad van State afdeling Wetgeving
   Advies 52.121/4 van 24 oktober 2012 over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B en van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs"
   Op 28 september 2012 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B en van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs".
   Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 24 oktober 2012. De kamer was samengesteld uit Robert Andersen, eerste voorzitter van de Raad van State, Pierre Liénardy, kamervoorzitter, Jacques Jaumotte, staatsraad, Sébastien Van Drooghenbroeck, assessor, en Colette Gigot, griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Yves Chauffoureaux, auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre Liénardy.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 24 oktober 2012.
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   Voorafgaande opmerking
   Het voorliggende ontwerp is reeds voor advies voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State en onderzocht in advies 47.770/4, dat verstrekt is op 17 februari 2010.
   Het belangrijkste verschil in de nieuwe versie van het ontwerp is de wijziging van de geldigheidsduur van de twee modellen van voorlopig rijbewijs, die respectievelijk wordt teruggebracht van 36 tot 24 maanden (met begeleider - model opgenomen in bijlage 1 van het ontwerp) en van 18 tot 12 maanden (zonder begeleider - model opgenomen in bijlage 2 van het ontwerp).
   Wanneer de afdeling Wetgeving een advies heeft gegeven, heeft ze de bevoegdheid opgebruikt die ze krachtens de wet heeft en het komt haar derhalve niet toe om zich opnieuw uit te spreken over reeds onderzochte bepalingen, ongeacht of ze herzien zijn teneinde rekening te houden met de opmerkingen die in het eerste advies gemaakt zijn, dan wel ongewijzigd blijven.
   Dat geldt niet wanneer overwogen wordt in de tekst volledig nieuwe bepalingen in te voegen waarvan de inhoud losstaat van de opmerkingen of voorstellen die door de afdeling Wetgeving zijn geformuleerd: in zo een geval moet de afdeling Wetgeving weer worden geraadpleegd, maar dan heeft het advies enkel betrekking op de nieuwe bepalingen.
   Wat het voorliggende ontwerp betreft, is dat het geval met artikel 4, en gedeeltelijk met de artikelen 2, 3, 10 et 13, en met de bijlagen 1 en 2.
   Voorafgaande vormvereisten
   1. De drie gewestregeringen moeten betrokken worden bij het uitwerken van het ontwerp zoals het is gewijzigd ten opzichte van de oorspronkelijke tekst.
   In het dossier gevoegd bij de adviesaanvraag bevinden zich evenwel alleen de afschriften van de brieven die aan de verschillende gewestregeringen zijn gericht en die net als de adviesaanvraag 24 september 2012 zijn gedateerd.
   De steller van het ontwerp moet er bijgevolg voor zorgen dat dit voorafgaande vormvereiste volledig vervuld is.
   2. In het vijfde lid van de aanhef van het ontwerp wordt melding gemaakt van de akkoordbevinding van de minister van Begroting. Die akkoordbevinding is evenwel niet terug te vinden in het dossier dat bij de adviesaanvraag is gevoegd.
   Zodra het ontwerp akkoord is bevonden, moet de vermelding daarvan aangevuld worden met de datum van die akkoordbevinding; deze opmerking geldt ook voor de aanhefverwijzing waarin melding wordt gemaakt van het advies van de Inspecteur van Financiën.
   
   De griffier
   Colette Gigot
   De eerste voorzitter
   Robert Andersen
   
   Raad van State afdeling Wetgeving
   Advies 53.547/4 van 8 juli 2013 over een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B en van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs"
   Op 13 juni 2013 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B en van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs".
   Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 8 juli 2013 . De kamer was samengesteld uit Pierre Liénardy, kamervoorzitter, Jacques Jaumotte en Bernard Blero, staatsraden, en Colette Gigot, griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Yves Chauffoureaux, eerste auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre Liénardy.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 8 juli 2013.
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   Voorafgaande opmerking
   Het voorliggende ontwerp is reeds voor advies voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State en onderzocht in advies 47.770/4, dat verstrekt is op 17 februari 2010, en advies 52.121/4, dat verstrekt is op 24 oktober 2012 (1).
   Wanneer de afdeling Wetgeving een advies heeft gegeven, heeft ze de bevoegdheid opgebruikt die ze krachtens de wet heeft en het komt haar derhalve niet toe om zich opnieuw uit te spreken over reeds onderzochte bepalingen, ongeacht of ze herzien zijn teneinde rekening te houden met de opmerkingen die in het eerste advies gemaakt zijn, dan wel ongewijzigd blijven.
   Dat geldt niet wanneer overwogen wordt in de tekst volledig nieuwe bepalingen in te voegen waarvan de inhoud losstaat van de opmerkingen of voorstellen die door de afdeling Wetgeving zijn geformuleerd: in zo een geval moet de afdeling Wetgeving weer worden geraadpleegd, maar dan heeft het advies enkel betrekking op de nieuwe bepalingen.
   Wat het voorliggende ontwerp betreft, is dat het geval met de artikelen 11 en 13 (2) alsook, ten dele, met de artikelen 1 (ontworpen artikel 3, § 4), 5, 9 en 14, en met de bijlage.
   Voorafgaande vormvereisten
   De drie gewestregeringen dienen betrokken te worden bij het uitwerken van het ontwerp zoals het gewijzigd is ten opzichte van de voorgaande teksten.
   In het dossier gevoegd bij de adviesaanvraag bevinden zich evenwel alleen de afschriften van de brieven die aan de verschillende gewestregeringen zijn gericht en die net als de adviesaanvraag 10 juni 2013 zijn gedateerd.
   De steller van het ontwerp moet er bijgevolg voor zorgen dat dit voorafgaande vormvereiste naar behoren wordt vervuld.
   Onderzoek van het ontwerp
   Aanhef
   In het achtste lid dient behalve naar het onderhavige advies 53.547/4 verwezen te worden naar de twee voorgaande adviezen 47.770/4 en 52.121/4, die de afdeling Wetgeving van de Raad van State al over dit ontwerp gegeven heeft.
   Dispositief
   Artikel 5
   Artikel 7 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 "betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B", luidt momenteel als volgt:
   "Art. 7. Met uitzondering van gebrevetteerde rij-instructeurs mag niemand de houder van een voorlopig rijbewijs B tegen betaling begeleiden".
   Artikel 5 van het ontwerp beoogt meer bepaald het toepassingsveld van de uitzondering vervat in die bepaling te beperken tot enkel de gebrevetteerde rij-instructeurs "die in dienst zijn van verenigingen zonder winstoogmerk en daarvan het bewijs leveren".
   Gelet op de doelstellingen van die regeling, is het de afdeling Wetgeving van de Raad van State niet duidelijk wat het verschil in behandeling rechtvaardigt dat door die wijziging ontstaat ten nadele van de gebrevetteerde rij-instructeurs die het bewijs niet kunnen leveren dat ze in dienst zijn van een vereniging zonder winstoogmerk.
   Artikel 9
   Artikel 9 van het ontwerp strekt ertoe de eerste drie leden van artikel 45 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 te vervangen door een nieuwe tekst die nog slechts twee leden telt.
   Die bepaling dient te worden herzien zodat er rekening gehouden wordt met de vervanging van artikel 45 van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 bij artikel 13 van het koninklijk besluit van 3 april 2013 "tot wijziging van het voorlopig rijbewijs", dat in werking zal treden op 1 oktober 2013.
   Artikelen 13
   De "twee" artikelen 13 van het ontwerp strekken er respectievelijk toe artikel 17 en bijlage 2 van het koninklijk besluit van 3 april 2013 op te heffen.
   Gelet op het feit dat de bijlagen bij het koninklijk besluit van 3 april 2013 een andere nummering hebben dan de bijlagen bij het koninklijk besluit van 10 juli 2006 die ze beogen te vervangen, moeten in het koninklijk besluit van 3 april 2013 ofwel artikel 15 en bijlage 2 (met betrekking tot het model van het voorlopig rijbewijs "36 maanden" met begeleider), ofwel artikel 17 en bijlage 3 (met betrekking tot het model van het voorlopig rijbewijs "18 maanden" zonder begeleider) opgeheven worden.
   Aangezien het voorliggende ontwerp opnieuw de vervanging beoogt van bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 10 juli 2006, met betrekking tot het model van het voorlopig rijbewijs "36 maanden" met begeleider, laat het zich aanzien dat voor de eerste van die twee opties gekozen dient te worden.
   Artikel 14
   De steller van het ontwerp dient er voor de inwerkingtreding van het voorliggende ontwerp op te letten een datum te kiezen rekening houdend met de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen die bij het koninklijk besluit van 3 april 2013 al zijn aangebracht in het koninklijk besluit van 10 juli 2006, namelijk 1 oktober 2013.
   
   Bijlage
   1. Aangezien het voorliggende ontwerp slechts één bijlage heeft (ter vervanging van bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 10 juli 2006), is het niet nodig om die te nummeren als bijlage 1 bij het koninklijk besluit van [...] "tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B" en van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 "betreffende het rijbewijs".
   2. Bij de Franse en Nederlandse tekst van de bijlage bij het ontwerp is een Duitse versie gevoegd.
   Het zou meer in overeenstemming zijn met artikel 56, § 1, eerste lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, indien die Duitse versie van de bijlage bij het ontwerp zou vervallen.
   Daarentegen mag het nieuwe model van rijbewijs in het Duits zowel in de Franse als in de Nederlandse tekst van die bijlage worden opgenomen (3).
   Slotopmerking
   De hierboven gemaakte opmerkingen met betrekking tot de artikelen 9, 13 en 14, en tot de bijlage van het ontwerp, tonen aan welke moeilijkheden zich voordoen als gevolg van het naast elkaar bestaan van twee teksten tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 juli 2006.
   Om dit te verhelpen, zou kunnen worden overwogen de artikelen 13 tot 17 van het koninklijk besluit van 3 april 2013 - vóór hun inwerkingtreding die vastgesteld is op 1 oktober 2013 - alsook de bijlagen 1 en 2 erbij op te heffen, en de verschillende wijzigingen die zij aanbrengen in het koninklijk besluit van 10 juli 2006 in het thans voorliggende ontwerp op te nemen.
   
   De griffier
   Colette Gigot
   De voorzitter
   Pierre Liénardy
   
   ----------
   
   (1) Er kan worden opgemerkt dat de derde versie op sommige punten dichter aanleunt bij de eerste (advies 47.770/4) dan bij de tweede (advies 52.121/4).
   (2) Het onderzochte ontwerp telt twee artikelen 13. Die voorafgaande opmerking heeft betrekking op allebei.
   (3) Zie in dezelfde zin advies 48.914/4, dat op 8 december 2010 is gegeven over een ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 28 april 2011 "tot aanpassing van de rijbewijscategorieën, het rijbewijsmodel en de voorwaarden voor examinatoren, ingevolge Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs" en advies 51.236/4, dat op 7 mei 2012 is gegeven over een ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 3 juli 2012 "betreffende het rijbewijs in kaartmodel".

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie