J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2013/11/12/2013206324/justel

Titel
12 NOVEMBER 2013. - Koninklijk besluit inzake de tewerkstelling van gelegenheidswerknemers in de horecasector

Bron :
SOCIALE ZEKERHEID
Publicatie : 27-11-2013 nummer :   2013206324 bladzijde : 92156       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2013-11-12/06
Inwerkingtreding : 01-10-2013

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
Art. 1-5
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels
Art. 6-7
HOOFDSTUK 3. - Inwerkingtreding en uitvoering
Art. 8-9

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders

  Artikel 1. In artikel 8bis, § 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden de woorden "artikel 8quater" vervangen door de woorden "artikel 31ter".

  Art. 2. In artikel 17bis, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 september 2011, wordt het tweede lid opgeheven.

  Art. 3. In artikel 31bis van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 30 april 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 november 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) paragraaf 2 wordt opgeheven;
  b) in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "in §§ 1 en 2" vervangen door de woorden "in paragraaf 1";
  c) in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "vervat in §§ 1, 2 en 3" vervangen door de woorden "vervat in de paragrafen 1 en 3";
  d) in paragraaf 4 worden de woorden "het Paritair Comité voor het hotelbedrijf of" opgeheven.

  Art. 4. Artikel 31ter van hetzelfde besluit, opgeheven bij het koninklijk besluit van 17 november 2005 wordt hersteld als volgt :
  " Art. 31ter. Een werknemer die wordt tewerkgesteld bij een werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het Hotelbedrijf wordt, voor de toepassing van dit artikel, beschouwd als een gelegenheidswerknemer indien de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk sluiten van maximaal 2 opeenvolgende dagen.
  Voor de werknemer die in bovenvermeld statuut zijn eerste 50 dagen per jaar presteert en voor de werkgever of, indien de werkgever ressorteert onder het paritair comité voor de uitzendarbeid, de gebruiker die dat jaar zijn eerste 100 dagen gebruik maakt van gelegenheidswerknemers in deze sector, worden de bijdragen verschuldigd voor deze gelegenheidswerknemers ten aanzien van wie de werkgever gebruik maakt van artikel 5bis, § 3, 1° of 2°, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, hierna gelegenheidswerknemers genoemd, berekend op een forfait van respectievelijk 7,5 euro per begonnen uur zonder meer te kunnen bedragen dan 45 euro of 45 euro per dagblok.
  De bedragen in het vorige lid worden geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 32, § 4, en aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 32bis, § 1.
  De werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf dient, uitgezonderd indien hij een aangifte doet bedoeld in artikel 5bis, § 3, 1° van het voornoemde koninklijk besluit van 5 november 2002, een register voor werktijdregeling, bedoeld in artikel 4, § 3 van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, bij te houden waarin de gelegenheidswerknemers worden vermeld.
  Onverminderd de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, wanneer de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling gedaan is voor een dagblok, overeenkomstig artikel 5bis, § 3, 2° van het voornoemde koninklijk besluit van 5 november 2002, terwijl het register voor werktijdregeling, bedoeld in artikel 4, § 3, van voornoemd koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978, aangeeft, dat de werknemer meer uren heeft gepresteerd alsook wanneer de effectieve prestaties het aantal aangegeven uren overschrijden, worden de bijdragen verschuldigd voor de gelegenheidswerknemers berekend op het forfaitair dagblok van 45 euro, geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 32, § 4, en aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 32bis, § 1.
  De voor de gelegenheidswerknemers verschuldigde bijdragen worden berekend op de werkelijke lonen, zonder dat deze lager kunnen zijn dan de forfaitaire daglonen bedoeld in artikel 25 voor de functie die de werknemer bekleedt, wanneer het bovengenoemde artikel op hem van toepassing zou zijn geweest :
  1° wanneer de werkgever die er niet van vrijgesteld is, bij toepassing van het vierde lid, niet in het bezit is van het register voor werktijdregeling bedoeld in artikel 4, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 of het niet dagelijks bijhoudt;
  2° wanneer de werkgever nalaat dagelijks de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling te doen overeenkomstig artikel 5bis, § 3, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling. "
  De voor de gelegenheidswerknemer verschuldigde bijdragen worden berekend op het loon waarop de gelegenheidswerknemer recht zou hebben gehad indien hij was aangegeven conform artikel 25, onder de functie "Oberkelner(in) restaurant", met referentienummer 211B, zoals voorzien in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 april 2007 houdende uitvoering van artikel 25, § 1, eerste en tweede lid van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, indien het aan de werknemer toegekende contingent van 50 dagen, of het aan de werkgever toegekende contingent van 100 dagen wordt overschreden.

  Art. 5. In hetzelfde besluit wordt een artikel 41bis ingevoegd dat luidt als volgt :
  " Art. 41bis. De sociale rechten van de gelegenheidswerknemers, bedoeld in artikel 31ter, lid 2, van werkgevers die behoren tot het paritair comité voor het Hotelbedrijf of tot het paritair comité voor de uitzendarbeid, indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het Hotelbedrijf, die gelegenheidswerknemers, worden berekend op het forfaitaire loon voor prestaties die niet bestendig over zes dagen per week verdeeld zijn ongeacht het aantal dagen per week van het arbeidsstelsel waarop de gelegenheidswerknemer recht zou hebben gehad indien hij was aangegeven conform artikel 25, onder de functie "Kelner(in)", met referentienummer 206C, zoals voorzien in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 april 2007 houdende uitvoering van artikel 25, § 1, eerste en tweede lid van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
  Voor de berekening van de sociale rechten wordt dit forfaitaire loon aan de hand van de gepresteerde uren geproratiseerd op basis van 7,6 uren per dag. "

  HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels

  Art. 6. In artikel 5bis van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 en vervangen bij het koninklijk besluit van 30 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder gelegenheidswerknemers, de werknemers bedoeld bij artikel 8bis en artikel 31ter, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. ";
  b) paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
  " § 3. De werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, deelt, voor de gelegenheidswerknemers zoals bedoeld in artikel 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969, die hij tewerkstelt, per dag en tegelijkertijd met de gegevens opgesomd in artikel 4, de volgende gegevens mee :
  1° ofwel het tijdstip van het begin van de prestatie en het tijdstip van het einde van de prestatie;
  2° ofwel het tijdstip van het begin van de prestatie in het geval van een dagblok.
  Een dagblok stemt overeen met prestaties van 6 uur en meer.
  De werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid en die gelegenheidswerknemers tewerkstelt bij een gebruiker die ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf, moet het ondernemingsnummer en het Paritair Comité van de gebruiker vermelden. "

  Art. 7. Artikel 9octies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 30 april 2007, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 3. - Inwerkingtreding en uitvoering

  Art. 8. Dit koninklijk besluit heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2013.

  Art. 9. De Eerste Minister, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor Werk zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  
  Gegeven te Brussel, 12 november 2013.
  FILIP
  Van Koningswege :
  De Eerste Minister,
  E. DI RUPO
  De Minister van Sociale Zaken,
  Mevr. L. ONKELINX
  De Minister van Werk,
  Mevr. M. DE CONINCK
  De Staatssecretaris voor de Bestrijding van sociale en fiscale fraude,
  J. CROMBEZ

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, artikel 2;
   Gelet op de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, artikel 38;
   Gelet op het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, artikel 12ter, ingevoegd bij de wet van 24 december 2002;
   Gelet op het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
   Gelet op het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 22 maart 2013;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 28 maart 2013;
   Gelet op het advies nr. 1861 van de Nationale Arbeidsraad, gegeven op 16 juli 2013;
   Gelet op het advies 53.294/1 van de Raad van State, gegeven op 3 juni 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Eerste Minister, de Minister van Sociale Zaken, de Minister van Werk en de Staatssecretaris voor de bestrijding van sociale en fiscale fraude en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Erratum Tekst Begin

originele versie
2013022605
PUBLICATIE :
2013-12-09
bladzijde : 97466

Addendum



Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij ter ondertekening aan Uwe Majesteit voorleggen heeft tot doel wijzigingen aan te brengen in het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels met het oog op het invoeren van een nieuwe regeling voor de gelegenheidsarbeiders in de horeca.
   De bestaande regeling voor gelegenheidswerknemers in de horeca werd destijds ingevoerd om een betere sociale bescherming en meer werkzekerheid te bieden aan de werknemers met kortlopende contracten.
   De wijzigingen die vandaag worden doorgevoerd aan het bestaande systeem kaderen in dezelfde optiek, in die zin dat het aantal mogelijke forfaits wordt beperkt, wat de duidelijkheid van het systeem ten goede komt, zowel voor werkgevers als werknemers.
   Daarnaast wordt een contingent van dagen ingevoerd, waarbinnen de werknemer en de werkgever in het voordelige statuut kunnen werken.
   Wie daarna verder werkt in het statuut, kan dit doen, zij het onder minder voordelige voorwaarden.
   Dit heeft voor gevolg dat dit specifieke, voor de werknemer minder zekere statuut, minder sterk wordt aangemoedigd. Het doel hiervan is te voorkomen dat werknemers het hele jaar door in dit onzekere statuut worden tewerkgesteld, en geen uitzicht krijgen op een eventuele vaste betrekking.
   Het feit dat de voorgestelde regeling afwijkt van van de andere sector met occasionele arbeid, de land- en tuinbouw, is te wijten aan specificiteiten eigen aan de sector van de horeca.
   Het feit dat de horeca een aangifte systeem in uren heeft, naast een dagaangifte zoals ook in de land- en tuinbouw, is te verklaren door het feit dat een werkgever in de horeca soms te maken krijgt met grote groepen die occasioneel de zaak bezoeken, wat een meerwerk veroorzaakt van enkele uren, doch onvoldoende is voor een volledige arbeidsdag.
   In de land- en tuinbouw doen dergelijke situaties zich niet voor, aangezien men daar eerder werkt in de klassieke oogstperiodes, tijdens dewelke men een hele dag door werkt. Men heeft daar geen nood aan deze specifieke, zeer korte overeenkomsten.
   Het ontwerp voorziet dat het contigent van 50 dagen voorzien voor studentenarbeid kan worden gecombineerd met occasionele arbeid in de horeca en occasionele arbeid in de land- en tuinbouw door éénzelfde werknemer. Gelegenheidsarbeid in de horeca en occasionele arbeid in de land- en tuinbouw kan slechts ten belope van 65 dagen gecombineerd worden.
   Anderzijds kan men de voordelen van twee bijzondere statuten niet meer combineren. Zo zal een student die eerst 50 dagen werkt in de horeca solidariteitsbijdrage betalen op zijn reële loon of de normale forfaits in de horeca en zal hij voor die dagen geen gebruik kunnen maken van de voordeliger forfaits van de gelegenheidswerknemers, ook al werkt hij in gelijkaardige omstandigheden.
   Vervolgens voert het ontwerp een jaarlijks contingent in van 50 dagen voor werknemers die als gelegenheidswerknemer in de horeca worden tewerkgesteld. De werkgevers beschikken eveneens over een jaarlijks contingent van 100 dagen, gedurende welke ze gelegenheidswerknemers kunnen tewerkstellen en aangeven op basis van de door dit besluit ingestelde forfaitaire bedragen. Bovenop het contingent van 50 dagen kan een werknemer nog als gelegenheidswerknemer tewerkgesteld worden, maar dan is de werkgever de gewone werkgeversbijdragen verschuldigd op het reële loon. Ook kan een werkgever uit de horecasector bovenop het contingent van 100 dagen nog gelegenheidswerknemers in de zin van het arbeidsrecht tewerkstellen mits hij die als gewone werknemers aangeeft. Voor deze dagen kunnen ze dus geen gebruik maken van de forfaits van 7,5 euro per uur en 45 euro per dag.
   Een werknemer tewerkgesteld via een uitzendkantoor bij een gebruiker in de horeca wordt aangerekend op het contingent van de gebruiker.
   De bestaande definitie van een gelegenheidswerknemer in de horeca blijft onveranderd een werknemer met wie de werkgever een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk sluit van maximaal 2 opeenvolgende dagen.
   Voor de aangifte in Dimona heeft de werkgever de mogelijkheid om de gelegenheidswerknemer aan te geven, ofwel met het tijdstip van het begin van de prestatie en het tijdstip van het einde van de prestatie (aangifte per uur), ofwel met het tijdstip van het begin van de prestatie in het geval van een dagblok (dagaangifte).
   Voor beide wijzen van aangifte gelden specifieke forfaits. Het maximumforfait bedraagt 45 euro.
   Dit houdt een aanzienlijke vereenvoudiging van het bestaande systeem in, aangezien er nog slechts 2 basisforfaits overblijven.
   De eindbepaling van het ontwerp van koninklijk besluit stelt dat de nieuwe regelgeving in werking treedt op 1 oktober 2013. De arbeidsprestaties die de gelegenheidswerknemer in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 september 2013 heeft verricht, komen dus niet in aanmerking voor de toepassing van het ontwerp van regelgeving. Dit geldt ook voor het inzetten van een gelegenheidswerknemer door een bedrijf uit de horecasector.
   De gelegenheidswerknemer en het bedrijf uit de horecasector zullen die nieuwe contingenten volledig kunnen gebruiken in 2013, gedurende het 4e kwartaal. Die contingenten van 50 en 100 dagen gelden immers voor een burgerlijk jaar. Het betrokken aantal dagen zal dan ook niet worden geproratiseerd in 2013.
   Artikelsgewijze bespreking
   Artikel 1.
   Dit artikel heeft tot doel een cumulbeperking tussen contingenten van bijzondere statuten in de horeca, de landbouw en de tuinbouw te herstellen.
   Art. 2.
   Dit artikel heeft tot doel de bestaande cumulbeperking tussen het contingent van de studentenarbeid en dat van de land- en tuinbouw af te schaffen.
   Art. 3.
   Dit artikel heeft tot doel het bestaande statuut van gelegenheidsarbeid in de horeca te schrappen.
   Art. 4.
   Dit artikel heeft tot doel het nieuwe statuut van gelegenheidswerknemer in de horeca te definiëren.
   Hierbij wordt de bestaande basisdefinitie gehanteerd, maar wordt nu een jaarlijks contingent ingevoerd van 50 dagen per gelegenheidswerknemer en 100 dagen per werkgever uit de horeca.
   Dit artikel herneemt tevens de sancties uit de bestaande regeling voor occasionele arbeid in de horeca. Bovendien wordt een nieuwe sanctie ingevoerd voor de werkgever die een occasionele werknemer voor meer dagen dan de toegestane contingenten bij zich tewerkstelt en aangeeft onder de voordelige forfaits.
   Deze werkgever verliest voor die bijkomende dagen het recht op de voordelige forfaits en zal bijdragen dienen te betalen op basis van een hoger forfait.
   Art. 5.
   Dit artikel voorziet op welke basis de berekening van de sociale rechten van de gelegenheidswerknemers zal gebeuren.
   Art. 6.
   In dit artikel wordt geregeld welke gegevens op welke wijze moeten worden aangegeven in de Dimona-aangifte, naargelang de gekozen wijze van aangifte.
   De gekozen wijze van aangifte kan per dag en per werknemer vrij worden gekozen. De vroegere piste waarbij een werkgever uit de horeca met zijn eerste aangifte van een gelegenheidswerknemer een definitieve keuze maakte voor de toekomst voor al zijn gelegenheidswerknemers, wordt dus verlaten.
   Daarnaast wordt aan uitzendkantoren opgelegd dat zij bij aangifte van een gelegenheidswerknemer het ondernemingsnummer en het paritair comité van de gebruiker moet aangeven. Dit maakt het mogelijk een gepresteerde dag toe te rekenen aan de gebruiker uit de horeca, waardoor deze dag in mindering komt van zijn contingent van 100 dagen.
   Art. 7.
   Dit artikel heft artikel 8octies op. Dit artikel regelde dat een werkgever uit de horeca met zijn eerste aangifte van een gelegenheidswerknemer een definitieve keuze maakte voor de toekomst voor al zijn gelegenheidswerknemers. Deze piste wordt nu verlaten. De gekozen wijze van aangifte kan per dag en per werknemer vrij worden gekozen.
   Art. 8.
   Dit artikel regelt de inwerkingtreding.
   De Eerste Minister,
   E. DI RUPO
   De Minister van Sociale Zaken,
   Mevr. L. ONKELINX
   De Minister van Werk,
   Mevr. M. DE CONINCK
   De Staatssecretaris voor de bestrijding van sociale en fiscale fraude,
   J. CROMBEZ
   
   Advies van de Raad van State nr. 53.293/1 53.294/1 van 3 juni 2013 (ingevoegd bij Addendum, B.St. 09-12-2013, Ed. 2, p. 97466).
   Afdeling Wetgeving
   over
   - een voorontwerp van wet 'houdende diverse wijzigingen tot invoering van een nieuwe sociale en fiscale regeling voor de gelegenheidsarbeiders in de horeca' (53.293/1);
   - een ontwerp van koninklijk besluit 'tot wijziging van de artikelen 8bis, 17bis en 31bis, en tot herinvoering van artikel 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en tot wijziging van de artikelen 5bis, 6 en 9octies van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, met het oog op het invoeren van een nieuwe regeling voor de gelegenheidsarbeiders in de horeca' (53.294/1)
   Op 2 mei 2013 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Staatssecretaris voor de Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over:
   - een voorontwerp van wet 'houdende diverse wijzigingen tot invoering van een nieuwe sociale en fiscale regeling voor de gelegenheidsarbeiders in de horeca' (53.293/1);
   - een ontwerp van koninklijk besluit 'tot wijziging van de artikelen 8bis, 17bis en 31bis, en tot herinvoering van artikel 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en tot wijziging van de artikelen 5bis, 6 en 9octies van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, met het oog op het invoeren van een nieuwe regeling voor de gelegenheidsarbeiders in de horeca' (53.294/1).
   Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 23 en 30 mei 2013. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Wilfried VAN VAERENBERGH en Jeroen VAN NIEUWENHOVE, staatsraden, Marc RIGAUX, assessor, en Wim GEURTS, griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Wouter PAS, eerste auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wilfried VAN VAERENBERGH, staatsraad.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 3 juni 2013.
   STREKKING VAN DE ONTWERPEN
   1. De om advies voorgelegde ontwerpen van wet en van koninklijk besluit strekken ertoe het statuut van de gelegenheidswerknemers in de horecasector te hervormen.
   2.1. Het voorontwerp van wet (53.293/1) verruimt vooreerst de in artikel 2, § 1, 3°, van de wet van 27 juni 1969 'tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders' opgenomen machtiging aan de Koning om in bijzondere toepassingsmodaliteiten te voorzien inzake de sociale zekerheidsbijdragen voor zekere categorieën werknemers, door te bepalen dat ook in bijzondere toepassingsmodaliteiten kan worden voorzien voor de werkgevers en de gebruikers van deze werknemers, waarbij eveneens kan worden afgeweken van zekere bepalingen van die wet.
   Daarnaast wordt het koninklijk besluit van 5 november 2002 'tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de Sociale Zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels' (1) gewijzigd, met het oog op het ter beschikking stellen van een elektronische toepassing door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de gelegenheidswerknemers en werkgevers in de horecasector voor het opvragen van bepaalde gegevens.
   Ten slotte wordt het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gewijzigd teneinde te voorzien in een bijzonder belastingtarief voor de bezoldigingen betaald of toegekend aan gelegenheidswerknemers in de horecasector.
   2.2. Het ontwerp van koninklijk besluit (53.294/1) brengt wijzigingen aan in het koninklijk besluit van 28 november 1969 'tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders', met het oog op het aanpassen van de bijzondere toepassingsregels voor gelegenheidswerknemers in de horecasector en het opleggen van bepaalde verplichtingen in dat verband aan de werkgevers of de gebruikers van die werknemers.
   Daarnaast wordt ook het voornoemde koninklijk besluit van 5 november 2002 gewijzigd, teneinde de verplichtingen op het vlak van het bijhouden en het meedelen van bepaalde gegevens betreffende gelegenheidsarbeid in de horecasector aan te passen.
   2.3. De ontworpen regelingen treden in werking op 1 oktober 2013.
   RECHTSGROND VAN HET ONTWERP VAN BESLUIT
   3. Het ontwerp van koninklijk besluit heeft een gediversifieerde rechtsgrond.
   Hoofdstuk 1, dat wijzigingen bevat aan het koninklijk besluit van 28 november 1969, vindt rechtsgrond in artikel 2, § 1, 3°, van de wet van 27 juni 1969, zoals de in die bepaling opgenomen machtiging zal worden uitgebreid bij het voorliggende ontwerp van wet. Die uitbreiding van de machtiging is, wat de rechtsgrond betreft, evenwel enkel relevant voor de in het ontwerp van koninklijk besluit opgenomen bijzondere toepassingsregels ten aanzien van werkgevers en gebruikers. Onder voorbehoud dat de voornoemde machtiging door de wetgever op de ontworpen wijze wordt uitgebreid, vindt hoofdstuk 1 rechtsgrond in die bepaling.
   Hoofdstuk 2, dat wijzigingen bevat aan het koninklijk besluit van 5 november 2002, vindt rechtsgrond in artikel 12ter van dat besluit. Zoals door de gemachtigde wordt bevestigd, vindt hoofdstuk 2 geen rechtsgrond in de artikelen 9ter en 9quater van dat besluit. De verwijzing naar laatstgenoemde bepalingen dient dan ook te worden geschrapt in het vijfde lid van de aanhef van het ontwerp.(2)
   VORMVEREISTEN
   4. Uit artikel 19/1, § 1, van de wet van 5 mei 1997 'betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling' vloeit voort dat elk voorontwerp van wet, elk ontwerp van koninklijk besluit en elk voorstel van beslissing dat ter goedkeuring aan de Ministerraad moet worden voorgelegd, aanleiding moet geven tot een voorafgaand onderzoek met betrekking tot de noodzaak om een effectbeoordeling inzake duurzame ontwikkeling uit te voeren, tenzij het voorontwerp, het ontwerp of het voorstel hiervan is vrijgesteld.
   Die vrijstellingen zijn bepaald bij het koninklijk besluit van 20 september 2012 'houdende uitvoering van artikel 19/1, § 1, tweede lid, van hoofdstuk V/1 van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling'.
   De bij de adviesaanvraag gevoegde documenten doen er niet van blijken dat de voorliggende ontwerpen het voorwerp zijn geweest van een voorafgaand onderzoek in voornoemde zin.
   Het is zeer de vraag of de voorliggende ontwerpen kunnen worden ingepast in één van de vrijstellingscategorieën bepaald in artikel 2 van het voornoemde koninklijk besluit, op grond waarvan geen voorafgaand onderzoek in voormelde zin moet worden uitgevoerd.3 Indien dat niet het geval is, dient dergelijk onderzoek alsnog plaats te vinden. Wanneer uit dat onderzoek bovendien zou blijken dat een effectbeoordeling in de zin van artikel 19/2 van de voornoemde wet noodzakelijk is, en als gevolg van die effectbeoordeling wijzigingen zouden worden aangebracht in de tekst van de ontwerpen, zoals die thans om advies aan de Raad van State, afdeling Wetgeving, zijn voorgelegd, zullen deze wijzigingen eveneens om advies aan de afdeling Wetgeving moeten worden voorgelegd.
   TEKSTONDERZOEK
   ALGEMENE OPMERKINGEN
   5.1. Het koninklijk besluit van 5 november 2002, dat bij zowel het voorliggende ontwerp van wet als het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit wordt gewijzigd, bevat zowel wetskrachtige als louter uitvoeringsbepalingen. Die uitvoeringsbepalingen vinden bovendien rechtsgrond in sommige bepalingen van datzelfde besluit. Een dergelijke werkwijze, waarbij bepalingen met een verschillende rangorde in de normenhiërarchie in dezelfde tekst worden samengebracht, is niet bevorderlijk voor de rechtszekerheid. In het voorliggende geval klemt dit des te meer, nu moet worden vastgesteld dat ook op inhoudelijk vlak er weinig hiërarchisch verschil is tussen de wetskrachtige en de uitvoeringsbepalingen van dat besluit, aangezien ook de wetskrachtige bepalingen zeer gedetailleerd van aard zijn.
   Een en ander heeft tot gevolg dat in sommige bepalingen van het voorliggende ontwerp van wet wordt verwezen naar uitvoeringsbepalingen die het voorwerp zijn van het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit, terwijl de rechtsgrond voor die uitvoeringsbepalingen precies wordt geleverd door een nog tot stand te brengen bepaling die opgenomen is in het voorliggende ontwerp van wet. Al kan worden aangenomen, gelet op de verstrengeling van normen van verschillende rangorde in de huidige regeling, dat een dergelijke werkwijze thans onvermijdelijk is, verdient het niettemin vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid sterk aanbeveling om het koninklijk besluit van 5 november 2002 op dit punt aan een grondig onderzoek te onderwerpen en, in voorkomend geval, een wetgevend initiatief te nemen dat ertoe strekt de wetskrachtige en de uitvoeringsbepalingen van dat besluit onder te brengen in afzonderlijke teksten, waarbij met betrekking tot de huidige wetskrachtige bepalingen ook wordt nagegaan of ze niet beter worden geconcipieerd als uitvoeringsbepalingen, rekening houdende met de inhoud ervan.
   5.2.1. Tegelijk dient nagegaan te worden of de ruime machtigingen die thans aan de Koning worden verleend in artikel 2 van de wet van 27 juni 1969, en waarvan één ervan (artikel 2, § 1, 3° ) met het voorliggende ontwerp van wet nog wordt verruimd, niet op gespannen voet staan met artikel 23 van de Grondwet, dat immers een legaliteitsbeginsel bevat met betrekking tot onder meer de in dat artikel 2 bedoelde aangelegenheden. In dat verband kan mutatis mutandis worden verwezen naar advies 51.467/1 van de Raad van State, afdeling Wetgeving, gegeven op 21 juni 2012, over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 23 juli 2012 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering in het kader van de versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 2011 tot wijziging van de artikelen 27, 36, 36ter, 36quater, 36sexies, 40, 59quinquies, 59sexies, 63, 79, 92, 93, 94, 97, 124 en 131septies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering', waarin met betrekking tot een qua omvang vergelijkbare machtiging aan de Koning het volgende werd gesteld:
   "3.1. Rechtsgrond voor het ontwerp wordt in beginsel geboden door artikel 7, § 1, derde lid, i, van de besluitwet van 28 december 1944 `betreffende de Maatschappelijke Zekerheid der Arbeiders', naar luid waarvan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, tot taak heeft 'met behulp van de te dien einde opgerichte of nog op te richten organismen, aan de onvrijwillige werklozen en aan hun gezin de uitbetaling van de hun verschuldigde uitkeringen te verzekeren'.
   3.2.1. Hoewel de Raad van State, afdeling Wetgeving, genoemd artikel 7, § 1, derde lid, i, van de besluitwet van 28 december 1944 altijd heeft aangenomen als rechtsgrond voor de werkloosheidsreglementering, dient hij er niettemin op te wijzen dat de erin opgenomen ruime machtiging aan de Koning, die het vaststellen van de gehele werkloosheidsreglementering omvat, mogelijk op gespannen voet staat met het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet. Het recht op werkloosheidsuitkeringen maakt immers onmiskenbaar deel uit van het recht op sociale zekerheid zoals dat is gewaarborgd door artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet.
   3.2.2. In dat verband merkte de afdeling Wetgeving in advies 50.623/AV/3 van 17 en 24 januari 2012, over een voorontwerp van decreet 'houdende de Vlaamse sociale bescherming', het volgende op :
   `25. Op grond van artikel 23, tweede lid, van de Grondwet komt het aan de 'wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel toe om de economische, sociale en culturele rechten te waarborgen en de voorwaarden voor de uitoefening ervan te bepalen'. Zowel uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof als uit de adviespraktijk van de afdeling Wetgeving van de Raad van State blijkt dat artikel 23 van de Grondwet moet worden beschouwd als één van de bepalingen van de Grondwet 'die sommige aangelegenheden voorbehouden aan een wetgever'.(4-5)
   26. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt echter ook dat uit het gegeven dat artikel 23, tweede lid, van de Grondwet bepaalt dat de bevoegde wetgever 'de voorwaarden voor de uitoefening [bepaalt]' van de erin gewaarborgde rechten, niet kan worden afgeleid dat de bevoegde wetgever de uitvoerende macht niet zou mogen belasten met 'de nadere uitwerking' van de door hem georganiseerde of gewaarborgde (sociaal-economische grond)rechten (6) of van de vooraf door de wetgever zelf gemaakte 'keuzes' (7) of vastgestelde `beginselen' (8), 'grenzen' (9) of 'essentiële elementen'. (10) Bij de beoordeling of een machtiging aan de regering in aangelegenheden waarop artikel 23 van de Grondwet van toepassing is, niet te ver gaat, houdt het Grondwettelijk Hof in het bijzonder rekening met de aard van de geregelde aangelegenheid, zoals bijvoorbeeld het gegeven dat een omvattende regeling van de aangelegenheid door de wetgever 'de doeltreffendheid van het door hem vastgestelde beleid in het gedrang zou brengen' (11), het gegeven dat de betrokken 'maatregelen gemakkelijk (...) [kunnen] worden aangepast om tegemoet te komen aan de vereisten van de technische ontwikkeling', (12) het gegeven dat een algemene en abstracte bepaling onverenigbaar is met de keuze van de wetgever om een geboden hulp te laten variëren in functie van de behoeften van de betrokken gerechtigden,(13) het gegeven dat de regeling op 'relatief soepele wijze [moet] kunnen worden aangepast aan de evolutie van de noden en middelen'(14) in het betrokken beleidsdomein of de 'bijzonder technische en ingewikkelde'(15) aard van de regeling. In recentere arresten oordeelde het Hof zelfs dat een delegatie aanvaardbaar is voor zover de machtigingen betrekking hebben op 'de tenuitvoerlegging'(16) of op 'het aannemen'(17) van maatregelen `waarvan het onderwerp door de bevoegde wetgever is aangegeven'. Uit deze arresten blijkt desalniettemin dat de wetgever zich er bij het bepalen van het 'onderwerp' van een te waarborgen sociaal, economisch of cultureel grondrecht niet toe kan beperken het zonder meer aan de regering over te laten om de draagwijdte, de toekenningsvoorwaarden en het personele toepassingsgebied van deze rechten te bepalen.
   27. Het ontwerp bevat verschillende machtigingen aan de Vlaamse Regering. Het komt de Raad van State voor dat voor zover deze machtigingen het zonder meer aan de regering overlaten om wezenlijke elementen te bepalen inzake de draagwijdte van de te waarborgen sociale rechten (18), de voorwaarden voor hun toekenning (19) en het personele toepassingsgebied van de ontworpen regeling (20) het ontworpen decreet op gespannen voet staat met het in artikel 23, tweede lid, van de Grondwet opgenomen legaliteitsbeginsel. (21)
   Het komt aan de decreetgever toe in het decreet zelf een aantal regels op te nemen die de draagwijdte, de toekenningsvoorwaarden en het toepassingsgebied nader bepalen, of minstens bepalingen op te nemen - bijv. voorzien in criteria of procedures, minima of maxima bepalen, enz. - aan de hand waarvan deze regels door de regering verder kunnen worden ingevuld.'
   3.2.3. Hoewel de lering van advies 50.623/AV/3 ook kan worden betrokken op genoemd artikel 7, § 1, derde lid, i, van de besluitwet van 28 december 1944, en wellicht nog op andere onderdelen van dat lid, zal het uiteindelijk aan het Grondwettelijk Hof toekomen om uitsluitsel te geven over de overeenstemming van genoemde wetsbepaling met artikel 23, tweede lid, van de Grondwet."
   5.2.2. Toegepast op het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit zou dit tot gevolg kunnen hebben dat de essentiële aspecten van de regeling opgenomen in het ontworpen artikel 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 (artikel 4 van het ontwerp van koninklijk besluit) door de wetgever zelf moeten worden geregeld, waardoor meteen ook het probleem dat hierna met betrekking tot artikel 5 van het ontwerp van wet wordt opgeworpen, zou worden verholpen (opmerking 8).
   6. De voorliggende ontwerpen hebben tot doel om een specifieke regeling tot stand te brengen wat betreft de toepassing van de sociale zekerheid en de inkomstenbelastingen op de gelegenheidsarbeid in de horecasector. Op die wijze ontstaat een verschil in behandeling ten aanzien van werkgevers en werknemers die behoren tot andere sectoren waarvoor een regeling van gelegenheidsarbeid geldt, zoals bijvoorbeeld het tuinbouwbedrijf en de landbouw. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp en het verslag aan de Koning bij het ontwerp van koninklijk besluit bevatten geen verantwoording voor dit verschil in behandeling. In elk geval dient de ontworpen regeling in overeenstemming te zijn met het grondwettelijke beginsel van de gelijkheid en niet-discriminatie, hetgeen impliceert dat ervoor een verantwoording voorhanden is die voldoet aan de voorwaarden die op dat vlak door het Grondwettelijk Hof worden gesteld. Het verdient aanbeveling die verantwoording uiteen te zetten, naar gelang de ontworpen bepalingen, hetzij in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp, hetzij in het verslag aan de Koning bij het ontwerp van koninklijk besluit.
   BIJZONDERE OPMERKINGEN
   Ontwerp van wet (53.293/1)
   7. In de Franse tekst van het opschrift van het ontwerp schrijve men "social et fiscal" in plaats van "sociale et fiscale".
   Artikel 5
   8. Het ontworpen artikel 171, 1°, e, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voert een bijzonder belastingtarief in voor gelegenheidswerknemers waarop het ontworpen artikel 31ter, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 (artikel 4 van het ontwerp van koninklijk besluit) van toepassing is. Hieruit volgt dat het vaststellen van het toepassingsgebied van bedoeld belastingtarief volledig wordt overgelaten aan de Koning.
   Uit het legaliteitsbeginsel inzake belastingen, neergelegd in de artikelen 170, § 1, en 172, tweede lid, van de Grondwet, vloeit voort dat de wetgever zelf alle wezenlijke elementen dient vast te stellen aan de hand waarvan de belastingschuld van de belastingplichtigen kan worden bepaald, zoals de categorieën belastingplichtigen, de grondslag van de belasting, de aanslagvoet of het tarief, en de eventuele vrijstellingen en verminderingen. Daaruit volgt dat elke delegatie die betrekking heeft op het bepalen van één van de essentiële elementen van de belasting, in beginsel ongrondwettig is.
   Gelet hierop dient de categorie van gelegenheidswerknemers waarop het bijzonder belastingtarief van toepassing is, althans wat de wezenlijke elementen ervan betreft, door de wetgever zelf te worden bepaald. Mocht de wetgever het noodzakelijk achten om het aan de Koning over te laten om het toepassingsgebied van bedoeld belastingtarief te bepalen, dan kan zulks enkel op grondwettige wijze gebeuren mits de noodzaak om te delegeren vaststaat en de wetgever voorziet in een verplichting tot bekrachtiging van het desbetreffende koninklijk besluit binnen een relatief korte termijn die wordt vastgesteld in de machtigingswet, waarbij de ontstentenis van bekrachtiging binnen die termijn tot gevolg heeft dat het niet bekrachtigd koninklijk besluit geacht wordt geen uitwerking te hebben gehad.
   Ontwerp van koninklijk besluit (53.294/1)
   Opschrift
   9. Vanuit het oogpunt van de leesbaarheid is het weinig zinvol om in het opschrift de gehele inhoud van het ontworpen besluit te hernemen. Het kan volstaan te schrijven "Koninklijk besluit van [datum] inzake de tewerkstelling van gelegenheidswerknemers in de horecasector".
   Artikel 4
   10. In het ontworpen artikel 31ter, vijfde en zesde lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 kunnen de woorden "[o]nverminderd de toepassing van burgerlijke of strafsancties", die enkel tot doel hebben de toepassing van de desbetreffende bepalingen van de wet van 27 juni 1969 te bevestigen, beter worden weggelaten, nu eruit zou kunnen worden afgeleid dat de ontworpen regeling afbreuk zou kunnen doen aan die bepalingen, wat uiteraard niet het geval is.
   De Griffier
   Wim GEURTS
   De Voorzitter,
   Marnix VAN DAMME
   _______
   Nota's
   (1) Bekrachtigd bij de wet van 24 februari 2003.
   (2) Dat vijfde lid, dat een verwijzing naar een rechtsgrond biedende bepaling bevat, dient bovendien van plaats te wisselen met het derde lid van de aanhef, dat een verwijzing bevat naar een bij het ontworpen besluit te wijzigen besluit.
   (3) In dat verband moet worden opgemerkt dat het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit, overeenkomstig de rechtsgrond biedende bepalingen ervoor, in de Ministerraad is overlegd, al wordt van het vervullen van dit vereiste geen melding gemaakt in de aanhef van het ontwerp, wat dient te worden verholpen.
   (4) (voetnoot 37 van het geciteerde advies) Zie bijv. advies 41.413/1 van 19 oktober 2006 over een ontwerp dat heeft geleid tot het koninklijk besluit van 20 december 2006 tot invoering van de toekenningsvoorwaarden van een adoptieuitkering ten gunste van de zelfstandigen.
   (5) (voetnoot 38 van het geciteerde advies) Volgens het Grondwettelijk Hof heeft de Grondwet in artikel 23 een bevoegdheid toegekend aan de (formele) wetgever en voorzien in het optreden van een democratisch verkozen vergadering. Zo niet zou het Hof immers niet bevoegd zijn om delegatiebepalingen aan artikel 23 van de Grondwet te toetsen (Zie bijv. Grondwettelijk Hof nr. 73/2009, 5 mei 2009, B.3.4).
   (6) (voetnoot 39 van het geciteerde advies) Grondwettelijk Hof, nr. 43/2006, 15 maart 2006, B.21 (m.b.t. het recht op maatschappelijke dienstverlening); Grondwettelijk Hof, nr. 64/2008, 17 april 2008, B.32.1 (m.b.t. het recht op sociale zekerheid).
   (7) (voetnoot 40 van het geciteerde advies) Grondwettelijk Hof, nr. 147/2005, 28 september 2005, B.11.6.
   (8) (voetnoot 41 van het geciteerde advies) Grondwettelijk Hof, nr. 37/98, 1 april 1998, B.4.4; Grondwettelijk Hof, nr. 103/2006, 21 juni 2006, B.3.3.
   (9) (voetnoot 42 van het geciteerde advies) Grondwettelijk Hof, nr. 18/98, 18 februari 1998, B.6.
   (10) (voetnoot 43 van het geciteerde advies) Grondwettelijk Hof, nr. 189/2005, 14 december 2005, B.10.3; Grondwettelijk Hof, nr. 66/2007, 26 april 2007, B.10.7.
   (11) (voetnoot 44 van het geciteerde advies) Grondwettelijk Hof, nr. 189/2005, 14 december 2005, B.10.3.
   (12) (voetnoot 45 van het geciteerde advies) Grondwettelijk Hof, nr. 189/2005, 14 december 2005, B.10.3.
   (13) (voetnoot 46 van het geciteerde advies) Grondwettelijk Hof, nr. 43/2006, 15 maart 2006, B.21.
   (14) (voetnoot 47 van het geciteerde advies) Grondwettelijk Hof, nr. 103/2006, 21 juni 2006, B.3.6.
   (15) (voetnoot 48 van het geciteerde advies) Grondwettelijk Hof, nr. 64/2008, 17 april 2008, B.32.2.
   (16) (voetnoot 49 van het geciteerde advies) Grondwettelijk Hof, nr. 101/2008, 10 juli 2008, B.39; Grondwettelijk Hof, nr. 182/2008, 18 december 2008, B.6.3. Zie ook Grondwettelijk Hof, nr. 73/2009, 5 mei 2009, B.6.4.
   (17) (voetnoot 50 van het geciteerde advies) Grondwettelijk Hof, nr. 135/2010, 9 december 2010, B.15 (in casu betrof het een systeem van programmering van de bedden in de rustoorden en de rust- en verzorgingstehuizen); Grondwettelijk Hof, nr. 151/2010, 22 december 2010, B.4 (in casu werd het aan de regering overgelaten de grenswaarden voor emissie en immissie van geluidshinder, de methodes en de meetapparatuur te bepalen).
   (18) (voetnoot 51 van het geciteerde advies) Zo laat bijv. artikel 43, § 3, van het ontwerp het zonder meer aan de Vlaamse Regering over de hoogte van het bedrag van de "premie voor jongeren" te bepalen en laat artikel 46 van het ontwerp het zonder meer aan de Vlaamse Regering over de "grensbedragen voor de toepassing van de maximumfactuur" te betalen.
   (19) (voetnoot 52 van het geciteerde advies) Zo laat bijv. artikel 44, 2°, van het ontwerp het zonder meer aan de Vlaamse Regering over om de toekenningsvoorwaarde inzake preventieve gezinsondersteuning te bepalen (zie ook voor het belang van een nadere regeling daarvan, supra nr. 18) en laat artikel 32, § 1, van het ontwerp het zonder meer aan de Vlaamse Regering over om de leeftijd te bepalen vanaf wanneer jaarlijks de bijdrage moet worden bepaald.
   (20) (voetnoot 53 van het geciteerde advies) Zo maakt bijv. artikel 30, § 2, van het ontwerp het mogelijk dat de Vlaamse Regering het aantal gerechtigden in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad beperkt door de termijn te bepalen waarbinnen de inwoners van dat gebied zodra dat mogelijk is bij de zorgkas dienen aan te sluiten, zonder dat het ontwerp aangeeft op grond waarvan die termijnbepaling dient te gebeuren.
   (21) (voetnoot 54 van het geciteerde advies) Een gelijkaardige opmerking werd al gemaakt in advies 44.583/3 van 11 juni 2008 over een ontwerp dat heeft geleid tot het decreet van 19 december 2008 tot wijziging van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering. (Parl.St., Vl.Parl., 2007-2008, nr. 1810/1, p. 28) en in advies 39.536/VR/3 van 24 januari 2006 over een ontwerp dat heeft geleid tot het decreet van 15 december 2006 houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode (Parl.St., Vl.Parl., 2005-2006, nr. 824/1, p. 63).

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Erratum Franstalige versie