J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Errata Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2012/07/23/2012204341/justel

Titel
23 JULI 2012. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering in het kader van de versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 2011 tot wijziging van de artikelen 27, 36, 36ter, 36quater, 36sexies, 40, 59quinquies, 59sexies, 63, 79, 92, 93, 94, 97, 124 en 131septies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering

Bron :
WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG
Publicatie : 30-07-2012 nummer :   2012204341 bladzijde : 45237       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2012-07-23/01
Inwerkingtreding : 01-11-2012

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :2011206471       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-34
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. In artikel 30 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juni 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°) het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepalingen :
  "Om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen moet de voltijdse werknemer een wachttijd doorlopen hebben die het hierna vermelde aantal arbeidsdagen omvat :
  1° 312 in de loop van de 21 maanden vóór de uitkerinsaanvraag, indien hij minder dan 36 jaar is;
  2° 468 in de loop van de 33 maanden vóór die aanvraag indien hij van 36 tot minder dan 50 jaar is;
  3° 624 in de loop van de 42 maanden vóór die aanvraag indien hij 50 jaar is of meer;";
  2°) het derde lid, 6°, wordt opgeheven.

  Art. 2. In artikel 37 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 april 1999, 10 juni 2001, 1 maart 2007 en 13 juli 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°) § 1, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Als de loon- en arbeidstijdgegevens op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de bijdragen voor sociale zekerheid, en als de ligging van de arbeidsprestaties en het ermee overeenstemmend loon binnen een kwartaal niet kan worden vastgesteld, worden de arbeidsprestaties en het ermee overeenstemmend loon die gelegen zijn in het kwartaal waarin een referteperiode aanvangt en/of waarin de referteperiode eindigt, geacht gelegen te zijn in de referteperiode.";
  2°) § 3 wordt opgeheven.

  Art. 3. Artikel 42, § 2, 8°, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 juni 2007, wordt opgeheven.

  Art. 4. In artikel 59bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 4 juli 2004 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 februari 2005 en 28 september 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°) § 1, 4°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 4 juli 2004, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "4° zich niet meer bevinden in de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, in voorkomend geval opnieuw vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 116, § 1, of verlengd overeenkomstig de bepalingen van artikel 116, § 2, eerste lid, 1°;";
  2°) § 1, 5° wordt opgeheven;
  3°) § 2 wordt opgeheven.

  Art. 5. Artikel 59bis/1, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2012 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 2. De opvolgingsprocedure bedoeld in dit artikel is niet toepasselijk op de jonge werknemer bedoeld in artikel 36, gedurende de periode tijdens dewelke hij vrijgesteld is van de verplichting om ingeschreven te zijn als werkzoekende en beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt, met toepassing van de artikelen 90, 91, 92, 93, 94, 96 of 97, § 2 of § 3.".

  Art. 6. Artikel 59sexies, § 6, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 4 juli 2004, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "In afwijking van het eerste lid, 3°, ontvangt de werkloze, die bewijst dat het netto belastbaar jaarinkomen van zijn gezin, zijn werkloosheidsuitkeringen niet meegerekend, niet hoger liggen dan 15.784,42 EUR, vermeerderd met 631,39 EUR per persoon ten laste, gedurende een periode van zes maanden, berekend van datum tot datum, de in artikel 114, § 3, 3° bedoelde uitkering en wordt hij, na het verstrijken van voornoemde periode, uitgesloten van het genot van uitkeringen."

  Art. 7. In artikel 59septies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 4 juli 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°) § 1, tweede lid, wordt opgeheven;
  2°) § 2 wordt opgeheven;
  3°) § 3, eerste lid, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 3. De commissie dient uitspraak te doen over het administratief beroep binnen twee maanden na ontvangst ervan, behalve indien de werkloze opgeroepen voor een zitting van de commissie, uitstel van het onderzoek van zijn beroep heeft verkregen naar een latere zitting, in welk geval de commissie over een bijkomende termijn van twee maanden beschikt om haar beslissing te nemen."

  Art. 8. Artikel 59nonies, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 4 juli 2004, wordt opgeheven.

  Art. 9. Artikel 78bis, § 1, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 december 1995 en vervangen bij het koninklijk besluit van 13 juni 2001, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De jonge werknemer kan geen inschakelings- of werkloosheidsuitkeringen als tijdelijk werkloze ingevolge de sluiting van de onderneming wegens jaarlijkse vakantie genieten zolang hij gerechtigd is op jeugdvakantie."

  Art. 10. In artikel 79 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 28 november 1996, en laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°) § 4, zesde lid, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "In afwijking van de vorige leden, mag de werkloze jonger dan 45 jaar die zich bevindt in de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, § 1, de werkloze die als deeltijdse werknemer tewerkgesteld is, de werkloze die het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of de aanvullende vergoeding van ontslagen bejaarde grensarbeiders geniet, geen activiteiten verrichten overeenkomstig dit artikel.";
  2°) § 4bis, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De werkloze die in toepassing van het eerste lid is vrijgesteld en die een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 pct. heeft, vastgesteld overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141, wordt bovendien vrijgesteld van de toepassing van de artikelen 51, § 1, tweede lid, 3° tot 6°, 56 en 58."
  3°) § 8, vijfde lid, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Voor de toepassing van de bepalingen van de artikelen 110 en 114, § 4, die betrekking hebben op het inkomen van de werkloze of van zijn gezinsleden, wordt abstractie gemaakt van het bedrag van de PWA-cheques dat aan de PWA-werknemer betaald wordt en van de daaraan verbonden vermindering van de uitkering zoals bedoeld in § 8."

  Art. 11. In artikel 79bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 10 mei 1994, vervangen bij het koninklijk besluit van 27 januari 1997 en laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 februari 2010, wordt § 3, eerste lid, 1°, a, vijfde streepje, vervangen door de volgende bepaling :
  "- de werkloze is 50 jaar of ouder op 1 juli 2009 of heeft een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 pct. heeft, vastgesteld overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141."

  Art. 12. In artikel 80 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 juni 1992 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 mei 1993, 22 november 1995, 26 maart 1996 en 13 juni 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°) het 2° a) wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "a) één van de uitkeringen bepaald in artikel 114, § 3, 3° of § 4, 1°";
  2°) het 3° wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "3° niet sinds ten minste zes maanden zonder onderbreking tewerkgesteld zijn als voltijdse werknemer in de zin van artikel 28, § 1 of § 2, niet genieten van de vrijstelling bedoeld in artikel 79, § 4bis of in artikel 79ter, § 5, en geen als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende aantonen in de zin van artikel 114, § 2."

  Art. 13. Artikel 82, § 1, negende lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 november 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Het beroep wordt volledig en definitief gegrond verklaard indien blijkt dat de werkloze de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft of een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende kan aantonen in de zin van artikel 114, § 2, de dag van de ontvangst van de verwittiging."

  Art. 14. Artikel 89, § 2, eerste lid, 2°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 27 mei 2002 en gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 28 februari 2003 en 13 juli 2008, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "2° ofwel 38 jaar beroepsverleden als loontrekkende in de zin van artikel 119, 3°, bewijst. Voor de berekening van dit beroepsverleden worden gelijkgesteld met arbeidsdagen, de periodes bedoeld in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag;".

  Art. 15. In artikel 92, § 1, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 oktober 1992, 5 maart 2006 en 28 december 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°) het derde lid wordt opgeheven;
  2°) het vierde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De werkloze die inschakelingsuitkeringen geniet kan op zijn vraag vrijgesteld worden, indien hij voldoet aan de vereisten van het tweede lid en voor zover de opleiding aanvaard wordt door de directeur. Deze beslist inzonderheid met inachtneming van de leeftijd van de werkloze, de reeds gevolgde studies, zijn geschiktheden, zijn beroepsverleden, de duur van de werkloosheid, de aard van de opleiding en de mogelijkheden op de arbeidsmarkt die deze opleiding de werkloze kan bieden. De directeur kan daartoe het advies van de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling inwinnen."

  Art. 16. Artikel 97, § 1, 4°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 november 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "4° de werkloze bewijst op het tijdstip van de aanvraag, een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende in de zin van artikel 114, § 2;".

  Art. 17. Artikel 110, § 5, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 augustus 1996, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De Minister bepaalt na advies van het beheerscomité, hoe het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de werknemer met gezinslast bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, die niet langer vergoed wordt overeenkomstig de eerste vergoedingsperiode, wordt bepaald, indien de partner waarmee de werkloze samenwoont een inkomen geniet uit arbeid in loondienst en slechts na verloop van elke maand kan worden vastgesteld of het bedrag van dit inkomen het door de Minister vastgestelde grensbedrag al of niet overschrijdt."

  Art. 18. In artikel 111 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd het koninklijk besluit van 23 maart 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°) het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepalingen :
  "Het gemiddeld dagloon van de werknemer wordt in aanmerking genomen ten belope van één van de navermelde grensbedragen :
  1° grensbedrag A, gelijk aan 61,3913 euro per dag;
  2° grensbedrag B, gelijk aan 65,6959 euro per dag;
  3° grensbedrag C, gelijk aan 70,4878 euro per dag;
  4° grensbedrag AX, gelijk aan 60,6334 euro per dag; dit grensbedrag geldt voor de berekening van de uitkering van de werkloze die het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of de aanvullende vergoeding van ontslagen bejaarde grensarbeiders geniet en voor de berekening van de uitkering van de werknemer die jeugd- of seniorvakantie geniet;
  5° het grensbedrag AY, gelijk aan 60,0553 euro per dag.";
  2°) het derde lid wordt vervangen door de volgende bepalingen :
  "De in het tweede lid vermelde bedragen worden gekoppeld aan de spilindex 103,14 geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100), volgens de regels bepaald in artikel 113. Het vijfde cijfer na de komma wordt weggelaten en leidt tot een verhoging met één eenheid van het vorige cijfer indien het minstens 5 bereikt.".

  Art. 19. Artikel 114 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 september 2011, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 114. § 1. Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze wordt vastgesteld in functie van een percentage van het gemiddeld dagloon, de gezinscategorie waartoe de werkloze behoort, bedoeld in artikel 110, het toepasselijke grensbedrag bedoeld in artikel 111, de werkloosheidsduur en het beroepsverleden.
  De werkloosheidsduur wordt uitgedrukt in vergoedingsperiodes, die opgedeeld worden in fases, volgens de tabel gevoegd als bijlage bij deze paragraaf.
  Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering wordt in de deelfases 2.1 tot 2.4 van de tweede vergoedingsperiode berekend overeenkomstig de formule
  "basisbedrag - [n (basisbedrag - forfaitbedrag)/5)]".
  Voor de toepassing van het vorig lid geldt het volgende :
  1° het basisbedrag stemt overeen met het bedrag waarop de werknemer in de fase 2.0 van de tweede vergoedingsperiode aanspraak kan maken;
  2° de factor n is gelijk aan 1 tot 4, respectievelijk voor de deelfases 2.1 tot 2.4;
  3° het forfaitbedrag is gelijk aan het bedrag waarop de werknemer overeenkomstig § 3 in de derde vergoedingsperiode aanspraak kan maken;
  4° de afronding van het resultaat geschiedt hetzij naar de hogere, hetzij naar de lagere cent, naargelang het tiende gedeelte van een cent al dan niet 5 bereikt.
  § 2. De werknemer is gerechtigd op het uitkeringsbedrag voorzien voor de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode gedurende twee maanden.
  In afwijking van het eerste lid is de werknemer voor een onbepaalde duur gerechtigd op het uitkeringsbedrag voorzien voor de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode indien hij voor het einde van deze eerste fase :
  1° hetzij een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende heeft bereikt;
  2° hetzij een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 pct. heeft; het percentage van ongeschiktheid wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141;
  3° hetzij de maand bereikt van zijn 55e verjaardag.
  Het variabel aantal maanden van de fase 2.0 van de tweede vergoedingsperiode bedraagt twee maanden per jaar beroepsverleden als loontrekkende, met een maximum van 10 maanden, gelegen na elke nieuwe eerste vergoedingsperiode.
  Het variabel aantal maanden van de deelfases 2.1 tot 2.4 van de tweede vergoedingsperiode bedraagt twee maanden per jaar beroepsverleden als loontrekkende dat resteert na de toepassing van het derde lid, met een maximum van 24 maanden, gelegen na elke nieuwe eerste vergoedingsperiode.
  In afwijking van het derde en het vierde lid, is de werknemer evenwel voor een onbepaalde duur gerechtigd op het uitkeringsbedrag voorzien voor de fase of de deelfase van de tweede vergoedingsperiode die gold op het tijdstip waarop hij :
  1° hetzij een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende heeft bereikt;
  2° hetzij een blijvende graad van arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 pct. heeft; het percentage van ongeschiktheid wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141;
  3° hetzij de maand bereikt van zijn 55e verjaardag.
  Voor de toepassing van het tweede en het vijfde lid, wordt als een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende beschouwd, een beroepsverleden van :
  - 20 jaar indien het tijdstip van de aanvang van de tweede vergoedingsperiode gelegen is vóór 1 november 2013;
  - 21 jaar indien dit tijdstip gelegen is tussen 31 oktober 2013 en 1 november 2014;
  - 22 jaar indien dit tijdstip gelegen is tussen 31 oktober 2014 en 1 november 2015;
  - 23 jaar indien dit tijdstip gelegen is tussen 31 oktober 2015 en 1 november 2016;
  - 24 jaar indien dit tijdstip gelegen is tussen 31 oktober 2016 en 1 november 2017;
  - 25 jaar indien dit tijdstip gelegen is na 31 oktober 2017.
  In afwijking van het vorige lid wordt de werknemer geacht te beschikken over een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende indien hij voorheen reeds na het verstrijken van de eerste vergoedingsperiode beschikte over een als voldoende gekwalificeerd beroepsverleden als loontrekkende en hij na het bereiken van dit voldoende beroepsverleden ook effectief uitkeringen genoten heeft overeenkomstig de tweede vergoedingsperiode.
  § 3. In de derde vergoedingsperiode wordt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering bepaald op :
  1° het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voorzien bij artikel 115, § 1, voor de werknemer met gezinslast;
  2° het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voorzien bij artikel 115, § 1, voor alleenwonende werknemer;
  3° 14,39 euro per dag voor de samenwonende werknemer.
  § 4. Wanneer twee samenwonende echtgenoten in de loop van een kalendermaand slechts beschikken over uitkeringen als volledig werkloze in de zin van artikel 27, 4°, en het dagbedrag van elke uitkering het maximum dagbedrag van de uitkering overeenkomstig dit artikel voor de samenwonende werknemer tijdens de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode niet overschrijdt, wordt :
  1° elke werkloosheidsuitkering bedoeld in § 3, 3°, verhoogd met een toeslag van 4,50 euro;
  2° elke werkloosheidsuitkering die betrekking heeft op een deelfase 2.1 tot 2.4 van de tweede vergoedingsperiode, verhoogd tot 18,89 euro.
  § 5. In afwijking van de voorgaande paragrafen bedraagt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de werknemer die geniet van de vrijstelling voorzien in artikel 90 de 10,22 euro gedurende de eerste vierentwintig maanden van de vrijstelling en 8,30 euro vanaf de vijfentwintigste maand van vrijstelling. In afwijking van artikel 113 worden de in deze paragraaf vermelde bedragen niet geïndexeerd.
  § 6. Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de tijdelijk werkloze wordt vastgesteld op 70 pct. van het gemiddeld dagloon.
  Voor de werknemer met gezinslast en voor de alleenwonende werknemer, wordt dit bedrag verhoogd met een toeslag voor het verlies van een enig inkomen, vastgesteld op 5 pct. van het gemiddeld dagloon.
  De in deze paragraaf bedoelde uitkering wordt vastgesteld rekening houdend met het in artikel 111 bedoelde grensbedrag C.
  Voor de werknemer die de inkomensgarantie-uitkering geniet en tijdelijk werkloos wordt gesteld, is het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering gelijk aan het bedrag van de referte-uitkering vastgesteld krachtens artikel 131bis, § 2, derde lid of § 2bis, vijfde lid, gedeeld door 26.
  § 7. In afwijking van de paragrafen 1 tot 5 wordt voor de volledig werkloze die een werknemer was bedoeld in artikel 31, vierde lid, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering tijdens de periode van inschrijving in de tewerkstellingscel in toepassing van artikel 34 van de voormelde wet van 23 december 2005, doch beperkt tot de periode bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de voormelde wet van 23 december 2005, vastgesteld overeenkomstig § 6.
  § 8. Voor de vaststelling van de referte-uitkering vastgesteld krachtens artikel 131bis, § 2, derde lid, of § 2bis, vijfde lid, met het oog op de berekening van de inkomensgarantie-uitkering wordt :
  1° voor de werknemer met gezinslast en voor de alleenwonende werknemer die gerechtigd zijn op het dagbedrag voorzien voor de deelfases 2.1 tot 2.4 van de tweede vergoedingsperiode of voor de derde vergoedingsperiode, gebruik gemaakt van het dagbedrag voorzien voor de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode, vermenigvuldigd met 26;
  2° voor de samenwonende werknemers die gerechtigd zijn op het dagbedrag voorzien voor de deelfases 2.1 tot 2.4 van de tweede vergoedingsperiode, gebruik gemaakt van het dagbedrag voorzien voor de eerste fase van de tweede vergoedingsperiode, vermenigvuldigd met 26.".

  Art. 20. Artikel 115 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 24 januari 2002 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 juni 2007, 11 januari 2009 en, 26 september 2011, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
  "Art. 115. § 1. Het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering wordt, voor de werknemer niet bedoeld in artikel 114, § 5, gedurende de eerste en de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, vastgesteld op :
  1° 32,43 euro voor de werknemer met gezinslast;
  2° 27,24 euro voor de alleenwonende werknemer.
  § 2. Het minimum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering voor de samenwonende werknemer niet bedoeld in artikel 114, § 5, wordt :
  1° gedurende de eerste vergoedingsperiode en gedurende de fase 1 en de fase 2.0 van de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, vastgesteld op 20,42 euro;
  2° gedurende de deelfases 2.1 tot 2.4 van de tweede vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, vastgesteld op :
  a) het bedrag dat vastgesteld wordt voor de betreffende fase door de toepassing van de formule bedoeld in artikel 114, § 1, derde lid, op een basisbedrag van 20,42 euro;
  b) in het geval bedoeld in artikel 114, § 4, op 18,89 euro.".

  Art. 21. Artikel 116 van hetzelfde besluit, laatst vervangen bij het koninklijk besluit van 19 mei 2009, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
  "Art. 116. § 1. Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze wordt opnieuw vastgesteld vanaf de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, na een werkhervatting als voltijdse werknemer gedurende een periode van ten minste 12 maanden tijdens een referteperiode van 18 maanden.
  Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze wordt opnieuw vastgesteld vanaf de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, na een werkhervatting als deeltijdse werknemer met behoud van rechten wanneer de inkomensgarantie-uitkering niet is toegekend, gedurende een periode van :
  1° 24 maanden, tijdens een referteperiode van 33 maanden, wanneer de deeltijdse arbeidsregeling gemiddeld per week 18 uren bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatman;
  2° 36 maanden, tijdens een referteperiode van 45 maanden, wanneer de deeltijdse arbeidsregeling niet gemiddeld per week het aantal uren omvat voorzien in 1°, maar tenminste gemiddeld per week 12 uren omvat of ten minste het derde bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatman.
  Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze wordt opnieuw vastgesteld vanaf de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, na een werkhervatting als deeltijdse werknemer met behoud van rechten met inkomensgarantie-uitkering, gedurende een periode van 24 maanden, tijdens een referteperiode van 33 maanden, wanneer de deeltijdse arbeidsregeling gemiddeld per week 18 uren bedraagt of ten minste de helft bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de maatman.
  Het voordeel dat toegekend werd krachtens het vorige lid vervalt voor de periode tijdens dewelke de werknemer het werk hervat als deeltijdse werknemer bij dezelfde werkgever, indien de werkhervatting plaats vindt binnen de periode van 3 maanden te rekenen vanaf de aanvang van de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in het vorige lid.
  De nieuwe vaststelling van het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering bedoeld in deze paragraaf kan slechts plaats vinden ter gelegenheid van een uitkeringsaanvraag zoals bedoeld in artikel 133, § 1, 2°.
  Onverminderd het vorige lid, vangt in de gevallen voorzien in het tweede of in het derde lid, de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, evenwel slechts aan vanaf de eerste dag waarop de werknemer volledig uitkeringsgerechtigde werkloze voor alle dagen van de week wordt op het einde van zijn deeltijdse tewerkstelling.
  De referteperiodes bedoeld in deze paragraaf worden verlengd met de dagen waarvoor de werknemer onderbrekingsuitkeringen geniet.
  § 2. Onverminderd de toepassing van § 1, wordt de fase of de deelfase van de vergoedingsperiode die vastgesteld werd overeenkomstig artikel 114, verlengd indien deze onderbroken wordt door :
  1° de navermelde tewerkstellingen, indien de duur ervan ten minste drie maanden bedraagt :
  a) een tewerkstelling als voltijdse werknemer;
  b) een voltijdse tewerkstelling als minder-valide werkloze in toepassing van artikel 78;
  c) een periode van tewerkstelling als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, voor dewelke de inkomensgarantie-uitkering niet is toegekend;
  2° de navermelde gebeurtenissen, indien de ononderbroken duur ervan ten minste drie maanden bedraagt :
  a) een beroepsopleiding in de zin van artikel 27, 6°, met een wekelijks aantal uren dat overeenstemt met een voltijdse arbeidsregeling;
  b) samenwoonst in het buitenland met een Belg werkzaam in het kader van de stationering van de Belgische Strijdkrachten;
  3° de navermelde gebeurtenissen, indien de ononderbroken duur ervan ten minste zes maanden bedraagt :
  a) de uitoefening van een beroep dat niet valt onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid;
  b) het genot van de vrijstelling bedoeld in artikel 90 voor de werkloze die zich in een toestand bevindt die moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak;
  c) een hervatting van studies met volledig leerplan gedurende dewelke geen enkele uitkering is toegekend;
  4° de periode tijdens dewelke een werknemer onderbrekingsuitkeringen geniet omdat hij zijn beroepsloopbaan onderbreekt of zijn arbeidsprestaties vermindert, ongeacht de duur van die periode.
  In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt de fase of de deelfase verlengd met een aantal maanden dat bekomen wordt door het aantal dagen gelegen in de periode van tewerkstelling, met uitsluiting van de zondagen en verminderd met de dagen van onderbreking, te delen door 26, op voorwaarde dat dit resultaat ten minste drie eenheden bedraagt. Het bekomen resultaat wordt naar de lagere eenheid afgerond. In voorkomend geval worden de periodes van tewerkstelling die onmiddellijk voorafgaan aan, of volgen op, een periode waarvoor de werknemer onderbrekingsuitkeringen geniet, samengevoegd.
  In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4°, wordt de werkloosheidsperiode verlengd met de duur van de gebeurtenis. Bij de vaststelling van de duur van de gebeurtenis wordt slechts rekening gehouden met volledige maanden.
  § 3. [Onverminderd de toepassing van de §§ 1 en 2, is de werknemer die hoofdzakelijk tewerkgesteld in de hotelnijverheid, na verstrijken van de derde fase van de eerste vergoedingsperiode voor een periode van twaalf maanden gerechtigd op de daguitkering voorzien in deze derde fase, evenwel berekend in functie van het grensbedrag A bedoeld in artikel 111, indien hij aantoont dat hij in een referteperiode van achttien maanden voorafgaand aan het verstrijken van deze derde fase, 156 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen heeft verricht in het hotelbedrijf, waarvan 78 ononderbroken.] (ERRATUM, zie B.St. 24-10-2016, p. 71502)
  Het voordeel van het eerste lid wordt opnieuw toegekend voor twaalf maanden, aansluitend aan de voorheen toegekende periode van twaalf maanden, indien de werknemer aantoont dat hij in een referteperiode van achttien maanden die het verstrijken van het voorheen toegekende voordeel voorafgaat, opnieuw voldoet aan de vereisten van het eerste lid.
  § 4. Onverminderd de toepassing van § 1 en in afwijking van de §§ 2 en 3 wordt, voor de vaststelling van het dagbedrag van de uitkering van de werknemer die een voltijdse beroepsopleiding in de zin van artikel 27, 6°, volgt of die voltijds tewerkgesteld is als mindervalide werkloze in toepassing van artikel 78, gedurende de duur van deze gebeurtenis, rekening gehouden met de fase van de vergoedingsperiode waarin hij zich bevindt de eerste dag van die gebeurtenis.
  § 5. Onverminderd de toepassing van de §§ 1 en 2, is de werknemer die uitsluitend tewerkgesteld was met overeenkomsten van zeer korte duur, bij het verstrijken van de derde fase van de eerste vergoedingsperiode, voor een periode van twaalf maanden gerechtigd op de daguitkering voorzien voor deze derde fase, evenwel berekend in functie van het grensbedrag A bedoeld in artikel 111, indien hij aantoont dat hij in een referteperiode van twaalf maanden voorafgaand aan het verstrijken van deze derde fase, nog steeds uitsluitend tewerkgesteld was met overeenkomsten van zeer korte duur.
  De bepaling van het vorige lid geldt niet voor de werknemer tewerkgesteld in de hotelnijverheid.
  Het voordeel van het eerste lid wordt opnieuw toegekend voor twaalf maanden, indien de werknemer aantoont dat hij in een referteperiode van twaalf maanden die het verstrijken van het voorheen toegekende voordeel voorafgaat, nog steeds uitsluitend tewerkgesteld was met overeenkomsten van zeer korte duur.
  § 6. Voor de toepassing van de §§ 1 en 2 wordt de werkhervatting in een arbeidsregeling waarvan de factor Q meer bedraagt dan vier vijfden van de factor S, gelijkgesteld met een werkhervatting als voltijdse werknemer.
  § 7. De werknemer bedoeld in artikel 28, § 3, wordt beschouwd als een werknemer die zich bevindt in de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, § 1, doch het dagbedrag van zijn werkloosheidsuitkering wordt vastgesteld op 60 pct. van het gemiddeld dagloon."

  Art. 22. Artikel 117, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 november 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 117. Voor de toepassing van artikel 114 op de vrijwillig deeltijdse werknemer wordt er tevens rekening gehouden met de vergoedingsperiodes waarvoor hij voorheen werkloosheidsuitkeringen ontving volgens het uitkeringsstelsel voor voltijdse werknemers bedoeld in artikel 100. Deze bepaling geldt tot op het tijdstip waarop de werknemer in toepassing van artikel 116, § 1, als vrijwillig deeltijdse werknemer gerechtigd is op een nieuwe eerste vergoedingsperiode."

  Art. 23. Artikel 119, 4°, van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "4° wat wordt verstaan onder "periode van werkhervatting" voor de toepassing van artikel 116, § 1, onder "dagen van onderbreking van de tewerkstelling" voor de toepassing van artikel 116, § 2 en onder "arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen in het hotelbedrijf" voor de toepassing van artikel 116, § 3."

  Art. 24. Artikel 124, derde lid, van hetzelfde besluit wordt vervangen door het volgende lid :
  "In afwijking van het eerste lid, 1°, wordt het dagbedrag van de inschakelingsuitkering gedurende de eerste zestien maanden van werkloosheid, in voorkomend geval verlengd overeenkomstig de bepalingen van artikel 116, § 2, vastgesteld op 32,82 euro, indien de werknemer met gezinslast gedurende de beroepsinschakelingstijd, bedoeld in artikel 36, ten minste 78 arbeidsdagen in de zin van de artikelen 37 en 43 kan bewijzen."

  Art. 25. In artikel 126 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 9 november 1994, 22 december 1995 en 9 juli 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°) de inleidende zin van het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 126. Het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering bedoeld in artikel 114, wordt verhoogd met een anciënniteitstoeslag, indien de werkloze aan de volgende voorwaarden voldoet : ";
  2°) het eerste lid, 3°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "3° zich niet bevinden in de eerste vergoedingsperiode, bedoeld in artikel 114, § 1;";
  3°) het eerste lid, 5°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "5° 20 jaar beroepsverleden als loontrekkende bewijzen overeenkomstig hetgeen bepaald werd krachtens artikel 119, 3°;";
  4°) het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De werknemer die voorheen reeds de anciënniteitstoeslag genoot en na een werkhervatting aanspraak zou kunnen maken op een terugkeer naar de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode, is gerechtigd op de uitkering die geldt na de eerste twaalf maanden, met inbegrip van een anciënniteitstoeslag, indien hij voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid, behalve de voorwaarde voorzien in dat lid, 3°, en voor zover deze uitkering hoger is dan de uitkering overeenkomstig de eerste vergoedingsperiode waarop hij aanspraak zou kunnen maken."

  Art. 26. In artikel 127 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 19 juni 2007 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 januari 2009, 19 mei 2009, 23 maart 2011 en 26 september 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°) § 1 wordt vervangen door de volgende bepalingen :
  "Art. 127. § 1. Het bedrag van de anciënniteitstoeslag wordt vastgesteld :
  1° voor de werknemer met gezinslast, niet bedoeld in 7°en 8°, op 3,54 euro;
  2° voor de alleenwonende werknemer, niet bedoeld in 3°, 7° en 8° op 5 pct. van het gemiddeld dagloon;
  3° voor de alleenwonende werknemer, niet bedoeld in 2°, 7° en 8°, die de leeftijd van 55 jaar niet bereikt heeft op de laatste dag van de beschouwde maand, en vóór 1 juli 2012 reeds effectief een anciënniteitstoeslag genoot, op 0,8 pct. van het gemiddeld dagloon;
  4° voor de samenwonende werknemer, niet bedoeld in 7° en 8°, die op de laatste dag van de beschouwde maand de leeftijd van 58 jaar bereikt heeft, op 15 pct. van het gemiddeld dagloon;
  5° voor de samenwonende werknemer, niet bedoeld in 7° en 8°, die op de laatste dag van de beschouwde maand de leeftijd van 55 jaar bereikt heeft, doch de leeftijd van 58 jaar niet bereikt heeft, op 10 pct. van het gemiddeld dagloon;
  6° voor de samenwonende werknemer, niet bedoeld in 7° en 8°, die op de laatste dag van de beschouwde maand de leeftijd van 55 jaar niet bereikt heeft, en voor 1 juli 2012 reeds effectief een anciënniteitstoeslag genoot, op 5 pct. van het gemiddeld dagloon;
  7° voor de werknemer wiens dagbedrag overeenstemt met het bedrag van de deelfases 2.1 tot 2.4, bedoeld in artikel 114, op het verschil tussen dat bedrag en het bedrag dat bekomen wordt door toepassing van de formule bedoeld in artikel 114, § 1, derde lid, rekening houdend met :
  a) een basisbedrag gelijk aan het bedrag waarop de werknemer in de fase 2.0 van de tweede vergoedingsperiode aanspraak zou kunnen maken, met inbegrip van de anciënniteitstoeslag voor de leeftijd die de werknemer de laatste dag van de lopende maand bereikt heeft en rekening houdend met het minimumbedrag voorzien in § 2;
  b) het forfaitbedrag gelijk aan het bedrag waarop de werknemer overeenkomstig artikel 114, § 3 of § 4, in de derde vergoedingsperiode aanspraak kan maken, met inbegrip van de anciënniteitstoeslag, in voorkomend geval beperkt tot het in punt a) bedoelde basisbedrag;
  8° voor de werknemer wiens dagbedrag overeenstemt met het bedrag voorzien in artikel 114, § 3, op 2,84 euro, in voorkomend geval beperkt tot het verschil tussen het in punt 7°, a) bedoelde basisbedrag en het forfaitbedrag gelijk aan het bedrag waarop de werknemer overeenkomstig artikel 114, § 3 of § 4 in de derde vergoedingsperiode aanspraak kan maken.";
  2°) § 2, 1°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "1° voor de werknemer met gezinslast, bedoeld in § 1, 1°, op 33,99 euro;";
  3°) § 2, 6°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "6° voor de samenwonende werknemer bedoeld in § 1, 6°, op 23,10 euro."

  Art. 27. Artikel 128 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 128. Voor de toepassing van artikel 114, § 4, wordt geen rekening gehouden met het bedrag van de anciënniteitstoeslag."

  Art. 28. Artikel 131, eerste lid, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "3° de werkloze was op het tijdstip van de aanvang van de opleiding, in de zin van de artikelen 114 en 116 ten minste twaalf maanden werkloos."

  Art. 29. Artikel 131bis, § 3, 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 mei 1993 en vervangen bij het koninklijk besluit van 29 juni 2005, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "3° in toepassing van de § § 2 tot 2ter recht heeft op een uitkering waarvan het bedrag minstens gelijk is aan de helft van het bedrag bedoeld in artikel 114, § 3, 3°."

  Art. 30. Artikel 141 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De medische onderzoeken gebeuren door de geneesheren die door het beheerscomité voor het werkloosheidsbureau werden aangesteld.
  De directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau wijst de geneesheer aan die belast wordt met het medisch onderzoek van de werknemer. Het medisch onderzoek vindt ten vroegste plaats de tiende dag na de afgifte van de uitnodiging ter post.
  Indien de werknemer de dag van de oproeping belet is, mag hij vragen het onderzoek te verdagen tot een datum die niet later mag vallen dan vijftien dagen na deze welke eerst was vastgesteld. Behoudens gevallen van overmacht wordt het uitstel slechts eenmaal verleend.
  De werknemer mag zich laten bijstaan door zijn behandelende geneesheer.
  Indien de geneesheer een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 33 pct. vaststelt, geeft hij een advies omtrent de beroepen die de werknemer nog kan uitoefenen. De directeur maakt dit advies over aan de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling."

  Art. 31. Artikel 18, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 december 2011 tot wijziging van de artikelen 27, 36, 36ter, 36quater, 36sexies, 40, 59quinquies, 59sexies, 63, 79, 92, 93, 94, 97, 124 en 131septies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De in het vorige lid bedoelde wijzigingen gelden zonder dat de jonge werknemer opgeroepen moet worden om gehoord te worden en de toekenning van de uitkering voor een in de tijd beperkte duur wordt door de uitbetalingsinstelling meegedeeld aan de jonge werknemer overeenkomstig artikel 24, § 1, vierde lid, 1° van het voormeld koninklijk besluit."

  Art. 32. Dit besluit treedt in werking op 1 november 2012, met uitzondering van de artikelen 24 en 31 die uitwerking hebben vanaf 1 januari 2012.
  Voor de jonge werknemer die vóór 1 januari 2012 het recht op uitkeringen verwierf met toepassing van artikel 124, derde lid, van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991, treedt artikel 24 van dit besluit evenwel slechts in werking op 1 november 2012.

  Art. 33. § 1. In afwijking van artikel 19 bedraagt het percentage tijdens de eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114, § 1, van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991, indien de uitkeringsaanvraag, waarbij deze eerste fase een aanvang nam, gelegen is vóór 1 januari 2013, 60 pct.
  § 2. Vanaf de inwerkingtreding van dit besluit wordt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering, ook voor de werklozen die vóór 1 november 2012 een uitkeringsaanvraag hebben ingediend, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 114, § § 1 en 2, van het voormeld koninklijk besluit, zoals gewijzigd door onderhavig besluit.
  § 3. Bij de in § 2 bedoelde vaststelling wordt, voor de samenwonende werknemer, de duur van de vergoedingsperiodes en fases, gelegen na de eerste twaalf maanden, opnieuw vastgesteld rekening houdend met de periodes van twee maanden bedoeld in artikel 114, § § 1 en 2 van het voormeld besluit, zoals gewijzigd door onderhavig besluit.
  In afwijking van het eerste lid wordt de einddatum van de tweede vergoedingsperiode die werd vastgesteld overeenkomstig de voormalige bepalingen, behouden als vroegste ingangsdatum van de derde vergoedingsperiode, voor zover gelijktijdig voldaan wordt aan de navermelde voorwaarden :
  1° de werknemer is, na deze vaststelling, niet gerechtigd op een terugkeer naar de eerste vergoedingsperiode;
  2° de einddatum van de eerste vergoedingsperiode, in voorkomend geval verlengd overeenkomstig artikel 116, § 2, van het voormeld koninklijk besluit, is gelegen vóór 1 augustus 2012;
  3° de werknemer heeft :
  a) ofwel vóór de inwerkingtreding van dit besluit effectief werkloosheidsuitkeringen genoten als samenwonende werknemer overeenkomstig de tweede vergoedingsperiode;
  b) ofwel in de loop van de maanden mei, juni of juli 2012 effectief werkloosheidsuitkeringen genoten als samenwonende werknemer.
  Indien de periode die voorafgaat aan de einddatum van de tweede vergoedingsperiode die werd vastgesteld overeenkomstig de voormalige bepalingen, niet meer ingeschaald kan worden, aangezien de werknemer meer dan 36 maanden, in voorkomend geval verlengd overeenkomstig artikel 116, § 2, van het voormeld koninklijk besluit, werkloos is, dan wordt de werknemer gedurende de niet-inschaalbare periode verder vergoed overeenkomstig de laatste deelfase van de tweede vergoedingsperiode.
  § 4. Bij de in § 2 bedoelde vaststelling wordt, voor de werknemer met gezinslast en voor de alleenwonende werknemer, de duur van de vergoedingsperiodes gelegen na de periode van twaalf maanden berekend volgens artikel 114, § 2, van het voormeld koninklijk besluit, zoals gewijzigd door onderhavig besluit, herberekend alsof de werknemer op de datum van inwerkingtreding van dit besluit ten hoogste twaalf maanden werkloos is en wordt in voorkomend geval, voor de vaststelling van het variabel aantal maanden van de tweede vergoedingsperiode, abstractie gemaakt van het feit dat de werknemer voor de inwerkingtreding van dit besluit, als samenwonende werknemer reeds een verlenging van de tweede vergoedingsperiode ingevolge zijn beroepsverleden bekomen heeft.
  § 5. De beslissing waarbij het dagbedrag van de werkloze of van de deeltijdse werknemer die een inkomensgarantie-uitkering geniet, wordt aangepast aan de door dit besluit gewijzigde bepalingen, wordt genomen zonder de werknemer op te roepen om gehoord te worden. Deze beslissing wordt door de uitbetalingsinstelling meegedeeld aan de werkloze overeenkomstig artikel 24, § 1, vierde lid, 1°, van het voormeld koninklijk besluit.
  De beslissing bedoeld in het voorgaande lid die er toe leidt dat het dagbedrag van de uitkering lager ligt dan het voorheen vastgestelde bedrag, heeft evenwel slechts ten vroegste uitwerking vanaf de maandag volgend op de dag waarop de beslissing tot herziening medegedeeld wordt aan de uitbetalingsinstelling.
  § 6. De bepalingen van de artikelen 59bis, § 1, 5°, 59bis, § 2, 59septies, § 1, tweede lid, 59septies, § 2, 59septies, § 3, eerste lid en 59nonies, § 2, van het voormeld koninklijk besluit, zoals van kracht de dag voor de inwerkingtreding van onderhavig besluit, blijven evenwel van toepassing op de werkloze die voor deze inwerkingtreding een verwittingsbrief bedoeld in artikel 59ter van het voormeld koninklijk besluit ontving, gedurende de verdere duur van de lopende procedure.
  De bepalingen van artikel 59bis/1, § 2, van het voormeld koninklijk besluit, zoals van kracht de dag voor de inwerkingtreding van onderhavig besluit, blijven evenwel tot 30 juni 2013 van toepassing op de werkloze die voor deze inwerkingtreding een verwittingsbrief bedoeld in artikel 59ter/1 van het voormeld koninklijk besluit ontving.

  Art. 34. De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.
  
  Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 23 juli 2012.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Werk,
  Mevr. M. DE CONINCK

  BIJLAGE.

  Art. N. Bijlage bij artikel 114 § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering
  

  
vergoedingsperiode eerste periode tweede periode derde
  periode
 fase 1 fase 2 fase 3 fase 1 fase 2.0 deelfases 2.1 tot 2.4
  
duurtijd van de periode, uitgedrukt in maanden 3 3 6 2 of onbepaald (1) maximaal 10 of onbepaald (4) maximaal 4 deelfases van 6 maanden of onbepaald (5) onbepaald
werknemer met gezinslast : percentage en grensbedrag 65 pct. grens C 60 pct. grens C 60 pct. grens B 60 pct. grens A 60 pct. grens A (6) (7)
alleenwonende werknemer : percentage en grensbedrag 65 pct. grens C 60 pct. grens C 60 pct. grens B 55 pct. grens AY (2) grens A (3) 55 pct. grens AY (2) grens A (3) (6) (7)
samenwonende werknemer : percentage en grensbedrag 65 pct. grens C 60 pct. grens C 60 pct. grens B 40 pct. grens A 40 pct. grens A (6) (7)

(1) onbepaalde duurtijd, indien voldaan wordt aan § 2, tweede lid
  (2) indien niet gerechtigd op anciënniteitstoeslag
  (3) indien gerechtigd op anciënniteitstoeslag
  (4) de duurtijd waarop de werkloze aanspraak kan maken wordt bepaald in § 2, derde of vijfde lid
  (5) de duurtijd waarop de werkloze aanspraak kan maken wordt bepaald in § 2, vierde of vijfde lid
  (6) niet van toepassing - zie § 1, derde en vierde lid, § 2 en § 4
  (7) niet van toepassing - zie § 3 en § 4
  
  Gezien om te worden gevoegd bij ons besluit van 23 juli 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering in het kader van de versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 2011 tot wijziging van de artikelen 27, 36, 36ter, 36quater, 36sexies, 40, 59quinquies, 59sexies, 63, 79, 92, 93, 94, 97, 124 en 131septies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering :
  Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 23 juli 2012.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Werk,
  Mevr. M. DE CONINCK

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, inzonderheid op artikel 7, § 1, derde lid, i, vervangen bij de wet van 14 februari 1961;
   Gelet op het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
   Gelet op het koninklijk besluit van 28 december 2011 tot wijziging van de artikelen 27, 36, 36ter, 36quater, 36sexies, 40, 59quinquies, 59sexies, 63, 79, 92, 93, 94, 97, 124 en 131septies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
   Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, gegeven op 3 mei 2012;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 11 mei 2012;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 1 juni 2012;
   Gelet op advies 51.467/1 van de Raad van State, gegeven op 21 juni 2012, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister van Werk,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Errata Tekst Begin

originele versie
2016205247
PUBLICATIE :
2016-10-24
bladzijde : 71502

Erratum


originele versie
2016205634
PUBLICATIE :
2016-11-18
bladzijde : 71019

Erratum


Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Errata Franstalige versie