J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2012/07/17/2011205690/justel

Titel
17 JULI 2012. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, strekkende tot de toekenning van een voorlopige arbeidsvergunning in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart

Bron :
WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG
Publicatie : 31-08-2012 nummer :   2011205690 bladzijde : 53633   BEELD
Dossiernummer : 2012-07-17/10
Inwerkingtreding : 10-09-2012

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-13

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Dit besluit zet gedeeltelijk de bepalingen van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan om.

  Art. 2. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 6 februari 2003, 12 september 2007, 28 mei 2009 en 13 maart 2011, wordt aangevuld met een 18° en een 19°, luidend als volgt :
  "18° europese blauwe kaart : het verblijfsdocument voorzien bij artikel 1, 3° van de wet van 15 december 1980;
  19° dienst Vreemdelingenzaken : het bestuur dat belast is met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen."

  Art. 3. Artikel 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 6 februari 2003, 12 september 2007, 23 april 2008, 28 mei 2009, en 13 maart 2011 wordt aangevuld met een 34°, luidend als volgt :
  " 34° de buitenlandse onderdanen die houder zijn van een Europese blauwe kaart uitgereikt door de Dienst Vreemdelingenzaken."

  Art. 4. In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 december 2008, worden de woorden " , bij artikel 2, eerste lid, 34° " ingevoegd tussen de woorden " artikel 9 " en de woorden " en in artikel 38septies ".

  Art. 5. In artikel 9, eerste lid, 17°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 6 februari 2003 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 september 2007, worden de woorden " en 26° " vervangen door ", 26° en 34°;".

  Art. 6. In hoofdstuk IV van hetzelfde besluit wordt een afdeling 1bis ingevoegd, getiteld "De voorlopige arbeidsvergunning uitgereikt in het kader van het verkrijgen van de Europese blauwe kaart".

  Art. 7. In afdeling 1bis, ingevoegd bij artikel 6, wordt een artikel 15/1 ingevoegd dat luidt als volgt :
  " Art. 15/1. De voorlopige arbeidsvergunning toegekend in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart wordt toegekend aan de werkgevers die een buitenlandse werknemer willen tewerkstellen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  a) de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
  b) de buitenlandse werknemer dient een bruto jaarloon te ontvangen gelijk aan of hoger dan 49.995 EUR, dit bedrag wordt ieder jaar aangepast volgens artikel 131 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  c) de werknemer moet hogere beroepskwalificaties aantonen in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een onderwijsinstituut erkend als hogere onderwijsinstelling door de Staat waar in het instituut is gevestigd.
  Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels uitgereikt door een overheid waarbij het succesvol beëindigen wordt aangetoond van een postsecundair programma inzake hogere studies, dit betekent een geheel van lessen verstrekt door een onderwijsinstituut erkend als hoger onderwijsinstelling door de staat waar in het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies nodig voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd.
  In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een vraag voor een voorlopige arbeidsvergunning afwijzen :
  1°) wanneer het mogelijk is, onder de werknemers op de arbeidsmarkt, een werknemer te vinden die geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn te bekleden;
  2°) om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die een tekort aan gekwalificeerde werknemers kennen in het land van oorsprong;
  3°) indien de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd door zich niet te schikken naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of om werknemers te hebben tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden."

  Art. 8. In dezelfde afdeling 1bis wordt een artikel 15/2 ingevoegd dat luidt als volgt :
  " Art. 15/2 De artikelen 8, 10 en 14 zijn niet van toepassing in het geval van toekenning van een voorlopige arbeidsvergunning uitgereikt in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart.
  Bij afwijking op het voorgaande lid kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen bepalen waarvoor een onderzoek van de arbeidsmarkt noodzakelijk is."

  Art. 9. In dezelfde afdeling 1bis wordt een artikel 15/3, ingevoegd dat luidt als volgt :
  " Art. 15/3. De voorlopige arbeidsvergunning wordt in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart toegekend binnen de dertig dagen voor zover de betreffende toekenningvoorwaarden zijn vervuld.
  De werkgever bezorgt de werknemer een afschrift van deze voorlopige arbeidsvergunning in afwachting van de toekenning van de Europese blauwe kaart.
  De werknemer kan beginnen werken van zodra hij in het bezit is van het afschrift van deze voorlopige arbeidsvergunning en hij het verblijf aangevraagd heeft en wettig verblijft.
  De voorlopige arbeidsvergunning is niet langer geldig :
  - op de dag van de uitreiking aan de werknemer van de Europese blauwe kaart;
  - op de dag van de betekening aan de werknemer door de Dienst Vreemdelingenzaken van de beslissing tot weigering van de aanvraag voor een Europese blauwe kaart;
  - indien de werknemer binnen de negentig dagen te rekenen vanaf de dag van uitreiking van de voorlopige arbeidsvergunning geen aanvraag voor een Europese blauwe kaart heeft ingediend bij de Dienst Vreemdelingenzaken."

  Art. 10. In dezelfde afdeling 1bis, wordt een artikel 15/4 ingevoegd, luidend als volgt :
  " Tijdens de eerste twee jaar van tewerkstelling van de werknemer gedekt door een voorlopige arbeidsvergunning of door de Europese blauwe kaart :
  1° is de werkgever ertoe gehouden de bevoegde overheid te verwittigen in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst;
  2° is elke wijziging van werkgever evenals elke wijziging van de arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 15/1 die gevolgen heeft voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart, onderworpen aan de voorafgaande toekenning door de bevoegde overheid van een voorlopige arbeidsvergunning;
  3° is de hernieuwing van de Europese blauwe kaart door de werknemer bij de Dienst Vreemdelingenzaken afhankelijk van de toekenning door de bevoegde overheid van een nieuwe voorlopige arbeidsvergunning aan de werkgever voor zover de voorwaarden vermeld onder artikel 15/1 zijn vervuld."

  Art. 11. In artikel 17 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 13 maart 2011, wordt het tweede streepje onder 6° en 7° telkens aangevuld met "en 34°".

  Art. 12. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het koninklijk besluit van 15 augustus 2012 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in het Belgisch Staatsblad wordt inwerking treedt.

  Art. 13. De Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.
  
  Gegeven te Brussel, 17 juli 2012.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Werk,
  Mevr. M. DE CONINCK
  

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, artikelen 4, § § 1,2 en 4, en 7,
   Gelet op het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers,
   Gelet op het advies van de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gegeven op 21 juni 2011,
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 23 juni 2011,
   Gelet op het akkoord van Onze Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 15 juli 2011,
   Gelet op het advies 50.184/1 van de Raad van State, gegeven op 20 september 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State,
   Op de voordracht van de Minister van Werk en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Het ontwerp van besluit dat we de eer hebben Zijne Majesteit ter ondertekening voor te leggen, heeft betrekking op de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 die de voorwaarden inzake toegang en verblijf bepaalt voor de onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan.
   Deze Richtlijn heeft betrekking op de uitreiking van een specifieke verblijfsvergunning voor hooggekwalificeerd personeel. Dit specifieke verblijfsdocument draagt de naam " Europese blauwe kaart ". Deze unieke verblijfsvergunning biedt de houder ervan de gelegenheid niet alleen toegang te krijgen tot het territorium en er te verblijven, maar ook om er te werken. Op dit verblijfsdocument moeten immers ook de voorwaarden inzake de toetreding tot de arbeidsmarkt worden vermeld.
   Op dit moment bestaat er binnen ons nationaal systeem geen dergelijk uniek document. Het verblijf wordt geregeld door de wet over het verblijf en beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken. De voorwaarden betreffende de toegang tot de arbeidsmarkt worden geregeld door de wet betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. Deze reglementering valt onder de federale bevoegdheid. De toepassing van deze reglementering, namelijk de uitreiking van arbeidskaarten, wordt krachtens de institutionele wet van 8 augustus 1980 geregeld door de gewestelijke overheden.
   De volledige omzetting van bovengenoemde Richtlijn is toegespitst op twee krachtlijnen :
   1. de verblijfsreglementering - uitreiking door de DVZ van een Europese blauwe kaart aan de werknemer;
   2. de reglementering betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers - uitreiking van de voorlopige arbeidsvergunning aan de werkgever.
   Het ontwerp van koninklijk besluit dat U wordt voorgelegd, heeft uitsluitend betrekking op de krachtlijn " werk ". Om de volledige procedure te begrijpen, is het dus noodzakelijk deze tekst te lezen samen met de teksten inzake "verblijf" (referentie : ........).
   Samengevat is het toegepaste mechanisme gebaseerd op de toekenning van een voorlopige arbeidsvergunning door de bevoegde overheid aan de werkgever die een hooggekwalificeerde werknemer wenst aan te werven in het kader van de verkrijging van een Europese blauwe kaart door deze werknemer.
   Zodra deze voorlopige arbeidsvergunning wordt toegekend aan de werkgever, reikt de Dienst Vreemdelingenzaken de werknemer een Europese blauwe kaart uit, indien aan alle voorwaarden inzake het verblijf werd voldaan.
   Behoudens uitdrukkelijk vermelde afwijking zijn alle bepalingen van bovengenoemde wet van 30 april 1999 en van bovengenoemd koninklijk besluit van 9 juni 1999 van toepassing. In het bijzonder de artikelen 34 en 35, § 1 die de voorwaarden bepalen voor de weigering en de intrekking van de arbeidsvergunningen, zijn van toepassing.
   In dit ontwerp bepaalt men de voorwaarden waaraan een hooggekwalificeerde buitenlandse werknemer moet voldoen om door een Belgische werkgever te worden aangeworven in het kader van de Europese blauwe kaart.
   Conform de bovengenoemde richtlijn gaat het om de volgende voorwaarden :
   - de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
   - de werkgever moet de werknemer een brutojaarloon betalen dat gelijk is aan of hoger dan 49.995 EUR (geïndexeerd bedrag), hetzij anderhalve keer het gemiddelde jaarlijks brutoloon;
   - de werknemer moet beschikken over een diploma hoger onderwijs.
   Teneinde elke onzekerheid weg te nemen dient benadrukt te worden dat de gedetacheerde werknemers uitgesloten zijn uit het toepassingsgebied van deze reglementering.
   De aangebrachte wijzigingen zijn gebaseerd op de volgende wettelijke bepalingen.
   Artikel 4, § 1 van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers biedt Zijne Majesteit de mogelijkheid om af te wijken van de verplichting die stelt dat de werkgever die een buitenlandse werknemer in dienst wil nemen voorafgaand de arbeidsvergunning moet verkrijgen van de bevoegde overheid.
   Artikel 4, § 2 van bovengenoemde wet van 30 april 1999 biedt Zijne Majesteit de mogelijkheid om af te wijken van de verplichting die stelt dat de arbeidsvergunning niet wordt toegekend wanneer de buitenlandse onderdaan België is binnengekomen met de bedoeling er te worden aangeworven vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft verkregen.
   Ten slotte biedt artikel 7, eerste lid, van bovengenoemde wet van 30 april 1999 Zijne Majesteit de gelegenheid om aan de hand van een in de Ministerraad overlegd besluit, bepaalde categorieën van buitenlandse werknemers vrij te stellen van de verplichting een arbeidskaart te verkrijgen.
   Parallel hiermee biedt artikel 7, tweede lid, van bovengenoemde wet van 30 april 1999 Zijne Majesteit de gelegenheid om aan de hand van een in de Ministerraad overlegd besluit, de werkgevers van deze categorieën van werknemers vrij te stellen van de verplichting een arbeidskaart te verkrijgen.
   Artikelsgewijze bespreking
   Art. 1. Dit artikel bepaalt dat het besluit de bepalingen van de Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 die de voorwaarden inzake toegang en verblijf bepaalt voor de onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, gedeeltelijk omzet.
   Art. 2. In dit artikel worden twee nieuwe definities toegevoegd aan de definities die reeds zijn bepaald in bovengenoemd koninklijk besluit van 9 juni 1999.
   Eerst en vooral wordt het begrip " Europese blauwe kaart " bepaald (18°). Deze definitie verwijst naar het verblijfsdocument bedoeld in artikel 1, 3 van de wet van 15 december 1980.
   Vervolgens bepaalt 19° de "Dienst Vreemdelingenzaken" als het bestuur dat is belast met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
   Art. 3. In dit artikel wordt de lijst gewijzigd van de categorieën van buitenlandse onderdanen die worden vrijgesteld van de arbeidskaart.
   Er wordt een vrijstelling toegevoegd voor de buitenlandse onderdanen die houder zijn van een Europese blauwe kaart.
   In dit stadium moet het volgende worden toegelicht. Voordat de Europese blauwe kaart, en dus deze vrijstelling, wordt verkregen, moet een voorlopige arbeidsvergunning worden uitgereikt aan de werkgever (zie boven).
   Art. 4. In dit artikel wordt voor de buitenlandse werknemers die houder zijn van de Europese blauwe kaart inzake de verplichting die stelt dat de arbeidsvergunning slechts kan worden toegekend wanneer de buitenlandse werknemer voorafgaand het Belgische grondgebied is binnengekomen, een uitzondering gemaakt.
   Art. 5. Dit artikel bepaalt dat een arbeidskaart B kan worden toegekend aan de echtgenoot en de kinderen van de buitenlandse onderdanen die houder zijn van een Europese blauwe kaart.
   Art. 6. Artikel 6 voegt een afdeling 1bis in met de titel "de voorlopige arbeidsvergunning uitgereikt in het kader van het verkrijgen van de Europese blauwe kaart".
   Art. 7. Artikel 7 bepaalt de voorwaarden waaraan moet worden voldaan opdat een werkgever een voorlopige arbeidsvergunning kan bekomen in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart.
   Het gaat om de volgende voorwaarden :
   1. de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
   2. de werkgever moet de werknemer een brutojaarloon betalen dat gelijk is aan of hoger dan 49.995EUR (geïndexeerd bedrag), hetzij anderhalve keer het gemiddelde jaarlijks brutoloon;
   3. de werknemer moet beschikken over een diploma hoger onderwijs.
   Dit artikel voorziet eveneens de gevallen waarbij een voorlopige arbeidsvergunning kan geweigerd worden :
   - wanneer het mogelijk is binnen een redelijke termijn onder de werknemers op de arbeidsmarkt een werknemer te vinden die geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn te bekleden;
   - wanneer het gaat om een aanwerving in een sector waar er, in het land van herkomst, een tekort bestaat aan gekwalificeerde werknemers;
   - wanneer de werkgever reeds eerder gesanctioneerd werd wegens het laten presteren van niet-aangegeven arbeid of wegens het tewerkstellen van illegale vreemde werknemers.
   Art. 8. Dit artikel wijkt uitdrukkelijk af van drie verplichtingen die zijn bepaald in de artikelen 8, 10 en 14 van bovengenoemd koninklijk besluit van 9 juni 1999. De volgende drie verplichtingen zijn niet van toepassing op de toekenning van de voorlopige arbeidsvergunning die wordt uitgereikt in het kader van de Europese blauwe kaart :
   - men kan op de arbeidsmarkt onmogelijk een werknemer vinden die de bedoelde arbeidsplaats kan innemen;
   - er bestaat een internationale overeenkomst inzake immigratie tussen België en het land waarvan de werknemer onderdaan is;
   - de werknemer beschikt over een medisch getuigschrift dat bepaalt dat niets aangeeft dat de werknemer ongeschikt is voor het werk.
   Art. 9. Dit artikel bepaalt dat de voorlopige arbeidsvergunning binnen de dertig dagen moet worden uitgereikt.
   Zodra de werknemer in het bezit is van de kopie van deze voorlopige arbeidsvergunning, kan hij beginnen werken, voor zover hij zijn aanvraag tot wettelijk verblijf heeft gedaan of hij wettelijk in België verblijft.
   De voorlopige arbeidsvergunning verliest haar geldigheid :
   - hetzij op de dag waarop de " Europese blauwe kaart " wordt uitgereikt;
   - hetzij op de dag van de betekening van de beslissing de Europese blauwe kaart te weigeren door de Dienst Vreemdelingenzaken;
   - hetzij indien de werknemer binnen de 90 dagen geen Europese blauwe kaart heeft aangevraagd.
   Art. 10. Dit artikel bepaalt drie verplichtingen waaraan de werkgever moet voldoen tijdens de periode van twee jaar die volgen op de uitreiking van de voorlopige arbeidsvergunning of van de Europese blauwe kaart.
   Eerst en vooral moet de werkgever in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst de bevoegde overheid hierover inlichten.
   Vervolgens is elke wijziging van werkgever alsook elke wijziging van de tewerkstellingsvoorwaarden die gevolgen kan hebben voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart, onderworpen aan de voorafgaande toekenning van een voorlopige arbeidsvergunning door de bevoegde autoriteit.
   Ten slotte moet de werkgever twee maanden vóór het einde van de geldigheid van de Europese blauwe kaart een nieuwe voorlopige arbeidsvergunning aanvragen. De uitreiking van deze tweede voorlopige arbeidsvergunning is noodzakelijk opdat de werknemer de vernieuwing verkrijgt van zijn Europese blauwe kaart (waarvan de geldigheid na 13 maanden verstrijkt).
   Deze verplichtingen zijn bepaald in artikel 11, punt 2, van de Richtlijn 2009/50/EG.
   Art. 11. Dit artikel sluit de echtgenoten en kinderen van de buitenlandse werknemers die houder zijn van de Europese blauwe kaart, uit van de toekenning van arbeidskaart C.
   Deze bepaling moet worden gelezen in het kader van artikel 5 van dit besluit dat bepaalt dat de kinderen en de echtgenoten van de buitenlandse onderdanen die houder zijn een Europese blauwe kaart, recht hebben op een arbeidskaart B.
   Art. 12. Dit artikel bepaalt dat dit besluit in werking treedt op dezelfde dag als het koninklijk besluit van 15 augustus 2012 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
   Deze inwerkingtreding wordt verklaard door het feit dat de volledige procedure inzake de toekenning van de Europese blauwe kaart, een combinatie is van de bepalingen inzake "verblijf" en de bepalingen inzake "werk", zoals hierboven vermeld.
   De Minister van Werk,
   Mevr. M. DE CONINCK
   
   Advies 50.184/1 van 20 september 2011 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State
   De Raad van State, afdeling Wetgeving, eerste kamer, op 11 augustus 2011 door de Minister van Werk verzocht haar, binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 26 september 2011, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, strekkende tot de toekenning van een voorlopige arbeidsvergunning in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart', heeft het volgende advies gegeven :
   Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als zij te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van een verordening noodzakelijk is.
   * * *
   Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van het ontwerp, van de rechtsgrond, alsmede van de te vervullen vormvereisten.
   * * *
   STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP
   1. Het om advies voorgelegde ontwerp strekt tot het wijzigen van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
   Met de ontworpen wijzigingen wordt de gedeeltelijke omzetting in het interne recht beoogd van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan. De omzetting heeft uitsluitend betrekking op de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en betreft derhalve niet de verblijfsreglementering.
   Het ontwerp bevat een regeling van voorlopige arbeidsvergunning die wordt toegekend in het kader van de regeling van de Europese blauwe kaart, zoals die in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zal worden ingevoegd bij een wet die in ontwerpvorm het voorwerp heeft uitgemaakt van advies 50.205/2/V van 12 september 2011 van de Raad van State, afdeling Wetgeving.
   2.1. De ontworpen regeling kan worden geacht in hoofdzaak rechtsgrond te vinden in artikel 4, §§ 1, 2 en 4, van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. Deze bepalingen luiden als volgt :
   " § 1. De werkgever die een buitenlandse werknemer wenst tewerk te stellen moet vooraf een arbeidsvergunning hebben verkregen van de bevoegde overheid.
   De werkgever mag de diensten van deze werknemer enkel gebruiken binnen de perken van deze vergunning.
   De Koning kan, in de gevallen door hem bepaald, afwijken van het eerste lid.
   § 2. De arbeidsvergunning wordt niet toegekend wanneer de buitenlandse onderdaan België is binnengekomen om er te worden tewerkgesteld vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.
   De Koning kan, in de gevallen door hem bepaald, afwijken van het voorgaande lid.
   § 3. (...)
   § 4. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepalen op welke voorwaarden een voorlopige arbeidsvergunning kan worden toegekend aan een werkgever ".
   2.2. Wat meer specifiek de artikelen 3 en 11 van het ontwerp betreft, biedt artikel 7 van de voornoemde wet van 30 april 1999 rechtsgrond. Deze laatste bepaling luidt :
   " De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de categorieën van buitenlandse werknemers die Hij bepaalt, vrijstellen van de verplichting een arbeidskaart te verkrijgen.
   De werkgevers van de buitenlandse werknemers bedoeld in het voorgaande lid worden vrijgesteld van de verplichting een arbeidsvergunning te verkrijgen ".
   
   ONDERZOEK VAN DE TEKST
   Aanhef
   1. Rekening houdend met hetgeen over de rechtsgrond van de ontworpen regeling is opgemerkt, redigere men het eerste lid van de aanhef van het ontwerp als volgt :
   " Gelet op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, artikelen 4, §§ 1, 2 en 4, en 7; ".
   2. Het is niet nodig om de artikelen van het koninklijk besluit te vermelden waarop de ontworpen wijzigingen betrekking hebben. Men schrappe derhalve aan het einde van het tweede lid van de aanhef de zinsnede ", artikel 1, artikel 2, artikel 5, artikel 8, artikel 9, artikel 10, artikel 14 en artikel 17 ".
   3. Men passe de redactie van het lid van de aanhef waarin wordt verwezen naar het advies van de Raad van State aan als volgt :
   " Gelet op advies 50.184/1 van de Raad van State, gegeven op 20 september 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; ".
   Artikel 2
   1. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 bestaat slechts uit één lid. Artikel 2 van het ontwerp dient bijgevolg aan te vangen als volgt : " Artikel 1 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende ... ".
   2. In het ontworpen artikel 1, 18°, van het voornoemde koninklijk besluit wordt verwezen naar " artikel 1, 3°, van de wet van 15 december 1980 ". Deze laatste wetsbepaling wordt in de wet van 15 december 1980 ingevoegd bij het reeds genoemde ontwerp van wet waarover de Raad van State, afdeling Wetgeving, advies 50.205/2/V heeft uitgebracht. Het spreekt voor zich dat de betrokken invoeging in werking zal dienen te zijn getreden op het ogenblik waarop het ontworpen artikel 1, 18°, in werking treedt.
   Artikel 3
   In het ontworpen artikel 2, eerste lid, 34°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 wordt melding gemaakt van de buitenlandse onderdanen die houder zijn van een Europese blauwe kaart " uitgereikt door België ". De Europese blauwe kaart wordt door de Dienst Vreemdelingenzaken aan de werknemer uitgereikt nadat aan de betrokken werkgever een voorlopige arbeidsvergunning is toegekend en aan alle voorwaarden inzake het verblijf is voldaan. Aan het einde van het ontworpen artikel 2, eerste lid, 34°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 wordt dan ook beter geschreven " uitgereikt in België " of - nauwkeuriger - " uitgereikt door de Dienst Vreemdelingenzaken ".
   Artikel 5
   Artikel 5 van het ontwerp redigere als volgt : " In artikel 9, eerste lid, 17°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 6 februari 2003 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 september 2007, worden de woorden en 26°, ' vervangen door, 26° en 34°, ' ".
   Artikel 7
   1. In het ontworpen artikel 15/1, eerste lid, c), van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 is er een gebrek aan overeenstemming tussen de Nederlandse (moet beschikken over) en de Franse tekst (doit attester de). Deze discordantie moet worden weggewerkt.
   2. In het tweede lid van het ontworpen artikel 15/1, schrijve men " Voor de toepassing van het voorgaande lid worden als diploma's van het hoger onderwijs beschouwd alle diploma's, getuigschriften of ... ". Voorts dient de redactie van vooral de Nederlandse tekst van hetzelfde lid te worden herzien. In zowel de Nederlandse als de Franse tekst dient de vermelding " (...) " te vervallen.
   3. In tegenstelling tot wat het geval is in de Franse tekst van het ontworpen artikel 15/1, derde lid, 1°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999, wordt in de Nederlandse tekst van dat lid twee keer melding gemaakt van het vereiste van " een redelijke termijn ". Beide teksten zouden ook op dat punt met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht.
   Artikel 11
   Men late artikel 11 van het ontwerp aanvangen als volgt : " In artikel 17 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 13 maart 2001, wordt het tweede streepje onder 6° en 7° telkens... ".
   Artikel 12
   Indien het de bedoeling is om de datum van inwerkingtreding van de ontworpen regeling af te stemmen op die van de regeling welke, in ontwerpvorm, het voorwerp uitmaakte van advies 50.248/2/V dat de Raad van State, afdeling Wetgeving, op 8 september 2011 uitbracht (1), dient er uiteraard op te worden toegezien dat het correcte opschrift van het betrokken koninklijk besluit wordt vermeld. Daarenboven moet worden verwezen naar de datum van " inwerkingtreding " en niet naar die van de " bekendmaking " van het laatstgenoemde koninklijk besluit.
   
   De kamer was samengesteld uit
   de Heren M. Van Damme, kamervoorzitter,
   J. Baert,
   W. Van Vaerenbergh, staatsraden,
   M. Rigaux, assessor van de afdeling Wetgeving,
   Mevrouw A. Beckers, griffier.
   Het verslag werd uitgebracht door Mevr. G. Scheppers, auditeur.
   
   De griffier
   A. Beckers
   De voorzitter
   M. Van Damme
   ------
   (1) Ontwerp van koninklijk besluit " tot wijziging van de koninklijke besluiten van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2066 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebeid, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van 7 mei 2008 tot vaststelling van bepaalde uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebeid, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ".

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie