J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2011/12/09/2012035247/justel

Titel
9 DECEMBER 2011. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan ouderenvoorzieningen [, lokale dienstencentra] en centra voor herstelverblijf moeten voldoen en tot bepaling van de procedure voor de uitreiking van het attest van naleving van die normen (Opschrift gewijzigd door AGF 2018-07-13/17, art. 4, 002; Inwerkingtreding: 01-10-2018)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-03-2012 en tekstbijwerking tot 28-09-2018) Zie wijziging(en)

Bron : VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 09-03-2012 nummer :   2012035247 bladzijde : 15036       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2011-12-09/17
Inwerkingtreding : 01-07-2012

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Definities
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Bepaling van de specifieke brandveiligheidsnormen
Art. 2
HOOFDSTUK 3. - Attesten
Art. 3-5
HOOFDSTUK 4. - Procedure voor het uitreiken van de attesten
Art. 6-10
HOOFDSTUK 5. - Procedure tot het aanvragen en verkrijgen van afwijkingen op brandveiligheidsnormen
Art. 11
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingsbepalingen
Art. 12-14
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
Art. 15-17, 17/1, 17/2, 18-19
BIJLAGEN.
Art. N1, N1/1, N2-N4

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Definities

  Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° ouderenvoorziening : een dagverzorgingscentrum, een centrum voor kortverblijf [1 , een groep van assistentiewoningen]1 of een woonzorgcentrum;
  2° centrum voor herstelverblijf : een thuiszorgvoorziening als vermeld in artikel 28 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009;
  3° voorziening : een ouderenvoorziening [1 , een lokaal dienstencentrum]1 of een centrum voor herstelverblijf;
  4° beheersinstantie : de persoon of de personen die een voorziening vertegenwoordigen en die de voorziening juridisch kunnen binden;
  5° agentschap : het intern verzelfstandigd agentschap Zorg en Gezondheid, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004;
  6° [1 lokaal dienstencentrum : een thuiszorgvoorziening als vermeld in artikel 16 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009]1;
  7° [1 hulpverleningszone : de bevoegde hulpverleningszone, vermeld in het koninklijk besluit van 2 februari 2009 tot vaststelling van de territoriale afbakening van de hulpverleningszones, of in voorkomend geval de Brusselse Hoofdstedelijke dienst voor brandweer en dringende medische hulp;]1
  [1 8° brandpreventieverslag: een brandpreventieverslag als vermeld in artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 19 december 2014 tot vastlegging van de organisatie van de brandpreventie in de hulpverleningszones.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-13/17, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>

  HOOFDSTUK 2. - Bepaling van de specifieke brandveiligheidsnormen

  Art. 2.Om de veiligheid van haar residenten, personeel en bezoekers te waarborgen, moet de voorziening aan specifieke brandveiligheidsnormen voldoen. De na te leven normen, hierna de brandveiligheidsnormen te noemen, zijn opgenomen in bijlage 1 [1 en bijlage 1/1]1, die bij dit besluit [1 zijn]1 gevoegd.
  Behalve met betrekking tot haar gebouwen die te beschouwen zijn als bestaande gebouwen in de zin van artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, moet de voorziening bovendien voldoen aan de normen van dat koninklijk besluit. Normen van dat koninklijk besluit primeren als ze strenger zijn dan normen als vermeld in het eerste lid.
  [1 De groepen van assistentiewoningen die te beschouwen zijn als bestaande gebouwen als vermeld in artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen, en waarvoor een eerste erkenning werd verleend als serviceflatgebouw of woningcomplex met dienstverlening voor de respectievelijke data, vermeld in artikel 1, derde lid, van het voormelde koninklijk besluit, moeten bovendien voldoen aan de bepalingen voor gebouwen van het type A die opgenomen zijn in de volgende Belgische normen, die uitgewerkt zijn door het Bureau voor Normalisatie: NBN S 21-201:1980 2e uitgave (Brandbeveiliging in de gebouwen: Terminologie), NBN S 21-202:1980 2e uitgave, NBN S 21-202/A1 :1984 1e uitgave (Brandbeveiliging: Hoge en middelhoge gebouwen: Algemene eisen) en NBN S 21-203:1980 2e uitgave (Brandbeveiliging in de gebouwen: Reactie bij brand van de materialen: Hoge en middelhoge gebouwen); de NBN-normen zijn terug te vinden via de website van het Bureau voor Normalisatie.
   De groepen van assistentiewoningen die te beschouwen zijn als bestaande gebouwen als vermeld in artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen, en waarvoor nog geen erkenning werd aangevraagd vóór de respectievelijke data, moeten bovendien voldoen aan de brandveiligheidsnormen, vermeld in de bijlagen bij het voormelde koninklijk besluit.]1
  
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-13/17, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>

  HOOFDSTUK 3. - Attesten

  Art. 3. Om erkend te worden of te blijven moet een voorziening het bewijs leveren dat in haar gebouwen voldoende veiligheidsmaatregelen werden genomen.
  De mate van inachtneming van de brandveiligheidsnormen wordt vastgesteld aan de hand van een attest A, B of C, waarvan de modellen opgenomen zijn in bijlagen 2, 3, en 4, die bij dit besluit zijn gevoegd.
  Een erkenning is alleen mogelijk op basis van een attest A of een attest B.
  Attest C leidt tot het inzetten van de procedure tot intrekking, respectievelijk weigering van de erkenning.
  Als geen geldig attest kan worden voorgelegd, wordt de procedure tot schorsing van de erkenning ingezet, respectievelijk wordt de erkenning geweigerd.
  De burgemeester reikt het attest uit volgens de procedure vermeld in hoofdstuk 4.

  Art. 4. Attest A vervalt van rechtswege na verloop van acht jaar na de datum van de ondertekening van het attest of bij de uitreiking van een nieuw attest voor dezelfde voorziening.
  De geldigheidsduur van attest B bedraagt bij aanvang één jaar.Het attest kan door de burgemeester tussentijds verlengd worden, maar de totale geldigheidsduur mag niet langer zijn dan acht jaar. Het vervalt van rechtswege na verloop van de geldigheidsduur of bij de uitreiking van een nieuw attest voor dezelfde voorziening.
  Tenzij de uitbating van de voorziening uiterlijk bij het verstrijken van de geldigheidsduur van het attest wordt stopgezet, dient de beheersinstantie uiterlijk drie maanden voor die geldigheidsduur verstreken is, een aanvraag in tot het verkrijgen van een nieuw attest volgens de procedure, vermeld onder hoofdstuk 4.
  Attest C vervalt alleen bij de uitreiking van een nieuw attest voor dezelfde voorziening.

  Art. 5. Met behoud van de toepassing van artikel 4 vervalt attest A of B van rechtswege zes maanden na de realisatie van ingrijpende wijzigingen aan of in de voorziening die de veiligheid rechtstreeks of onrechtstreeks kunnen beïnvloeden en betrekking hebben op :
  1° de inrichting, herinrichting, indeling of herindeling van ruimten die de functie hebben van gemeenschappelijke ruimte voor de bewoners of gebruikers van de voorziening;
  2° de indeling of herindeling van de individuele kamers voor de bewoners of gebruikers van de voorziening;
  3° de vluchtwegen en evacuatievoorzieningen;
  4° de technische installaties.

  HOOFDSTUK 4. - Procedure voor het uitreiken van de attesten

  Art. 6.De beheersinstantie van een voorziening dient een aanvraag in voor het verkrijgen van een attest bij de burgemeester van de gemeente waar de voorziening ligt. Ze vermeldt in die aanvraag duidelijk op welke voorziening de aanvraag betrekking heeft en ze geeft de opnamecapaciteit ervan aan.
  De burgemeester geeft aan de [1 hulpverleningszone]1 de opdracht om na te gaan in welke mate de voorziening aan de brandveiligheidsnormen voldoet.
  De [1 hulpverleningszone]1 voert daartoe een onderzoek uit, maakt daarvan een [1 brandpreventieverslag]1 op en bezorgt dat aan de burgemeester.
  Het [1 brandpreventieverslag]1 bevat, in voorkomend geval, een duidelijke opsomming van de niet-nageleefde brandveiligheidsnormen en geeft aan in welke mate de feitelijke toestand van de normen afwijkt. Als daardoor de veiligheid van residenten, personeel en bezoekers ernstig in het gedrang komt, moet dat in het [1 brandpreventieverslag]1 vermeld worden.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-13/17, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>

  Art. 7.Als uit het [1 brandpreventieverslag]1 blijkt dat de voorziening aan de brandveiligheidsnormen voldoet, reikt de burgemeester een attest A uit.
  De burgemeester bezorgt het attest met het bijbehorende verslag aan de beheersinstantie binnen drie maanden na de ontvangst van de aanvraag.
  De beheersinstantie bezorgt binnen tien werkdagen na de ontvangst ervan het attest met het bijbehorende verslag aan het agentschap.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-13/17, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>

  Art. 8.§ 1. Als uit het [1 brandpreventieverslag]1 blijkt dat de voorziening niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoet, maar dat de veiligheid van residenten, personeel en bezoekers niet ernstig in het gedrang komt, reikt de burgemeester een attest B uit waarvan de geldigheidsduur bij de aanvang één jaar bedraagt.
  De burgemeester bezorgt het attest met het bijbehorende [1 brandpreventieverslag]1 aan de beheersinstantie binnen drie maanden na de ontvangst van de aanvraag.
  De beheersinstantie bezorgt binnen tien werkdagen na de ontvangst ervan het attest met het bijbehorende [1 brandpreventieverslag]1 aan het agentschap.
  § 2. De voorziening beschikt over een termijn van maximaal zeven maanden na ontvangst van het [1 brandpreventieverslag]1 om een uitgewerkt stappenplan tot remediëring van de vastgestelde tekorten aan de burgemeester te bezorgen.
  Het stappenplan omvat minstens een duidelijke omschrijving van de mate waarin de vastgestelde tekorten verholpen zijn of verholpen zullen worden, met in dat laatste geval een opgave van de uitvoeringstermijn en de aan te wenden middelen. In het stappenplan vermeldt de beheersinstantie ook voor welke vastgestelde tekorten ze een aanvraag zal indienen om een afwijking van de geldende brandveiligheidsnormen te verkrijgen volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 5.
  § 3. De burgemeester bezorgt het stappenplan voor advies aan de [1 hulpverleningszone]1.
  De [1 hulpverleningszone]1 onderzoekt het ingediende stappenplan en spreekt zich uit over de effectiviteit ervan. De [1 hulpverleningszone]1 bezorgt haar advies aan de burgemeester.
  § 4. Als uit het advies, vermeld in paragraaf 3, blijkt dat de voorziening ondertussen aan de brandveiligheidsnormen voldoet, reikt de burgemeester een attest A uit.
  De burgemeester bezorgt het attest met het bijbehorende advies van de [1 hulpverleningszone]1 aan de beheersinstantie binnen twee maanden na de ontvangst van het stappenplan.
  Binnen tien werkdagen na de ontvangst ervan bezorgt de beheersinstantie beide documenten aan het agentschap.
  § 5. Als uit het advies blijkt dat het ingediende stappenplan voldoende garanties bevat om op termijn aan de brandveiligheidsnormen te voldoen, verlengt de burgemeester het bij aanvang uitgereikte attest B met [1 minstens een jaar,]1 voor zover de totale termijn van acht jaar, vermeld in artikel 4, niet overschreden wordt.
  De burgemeester bezorgt het verlengde attest B met het bijbehorende advies van de [1 hulpverleningszone]1 aan de beheersinstantie binnen twee maanden na de ontvangst van het stappenplan.
  Binnen tien werkdagen na de ontvangst ervan bezorgt de beheersinstantie beide documenten aan het agentschap.
  § 6. Als uit het advies van de [1 hulpverleningszone]1 blijkt dat het ingediende stappenplan onvoldoende garanties bevat om op termijn aan de brandveiligheidsnormen te voldoen, of als de voorziening binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, geen stappenplan aan de burgemeester heeft bezorgd, kan het bij aanvang uitgereikte attest B niet verlengd worden. De burgemeester deelt dit mee aan de beheersinstantie en aan het agentschap. In voorkomend geval wordt het advies van de [1 hulpverleningszone]1 bijgevoegd.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-13/17, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>

  Art. 9.Als uit het [1 brandpreventieverslag]1 blijkt dat de voorziening niet volledig aan de brandveiligheidsnormen voldoet én dat de veiligheid van residenten, personeel en bezoekers in ernstige mate in het gedrang komt, reikt de burgemeester een attest C uit.
  De burgemeester bezorgt het attest met het bijbehorende [1 brandpreventieverslag]1 aan de beheersinstantie binnen drie maanden na de ontvangst van de aanvraag.
  Tegelijkertijd bezorgt de burgemeester het attest met het bijbehorende [1 brandpreventieverslag]1 [1 ...]1 aan het agentschap.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-13/17, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>

  Art. 10.§ 1. Na de uitvoering van het stappenplan of uiterlijk vóór het aflopen van de geldigheidsduur van attest B voert de [1 hulpverleningszone]1 een nieuw onderzoek uit. Ze maakt daarvan een [1 brandpreventieverslag]1 op en bezorgt dat aan de burgemeester.
  § 2. Als uit dat [1 brandpreventieverslag]1 blijkt dat de voorziening ondertussen aan de brandveiligheidsnormen voldoet, reikt de burgemeester een attest A uit.
  De burgemeester bezorgt het attest met het bijbehorende [1 brandpreventieverslag]1 aan de beheersinstantie vóór het aflopen van de geldigheidsduur van attest B.
  De beheersinstantie bezorgt binnen tien werkdagen na de ontvangst ervan het attest met het bijbehorende [1 brandpreventieverslag]1 aan het agentschap.
  § 3. Als uit het [1 brandpreventieverslag]1 [1 ...]1 blijkt dat de voorziening geheel of gedeeltelijk nog dezelfde tekorten op de brandveiligheidsnormen vertoont, kan de burgemeester het attest B nogmaals [1 met minstens een jaar verlengen,]1 voor zover de totale termijn van acht jaar, vermeld in artikel 4, niet overschreden wordt.
  De burgemeester bezorgt het attest met het bijbehorende [1 brandpreventieverslag]1 aan de beheersinstantie vóór het aflopen van de geldigheidsduur van attest B.
  De beheersinstantie bezorgt binnen tien werkdagen na de ontvangst ervan het attest met het bijbehorende [1 brandpreventieverslag]1 aan het agentschap.
  § 4. Als uit het [1 brandpreventieverslag]1 [1 ...]1 blijkt dat de voorziening de vastgestelde tekorten verholpen heeft, maar intussen niet voldoet aan andere brandveiligheidsnormen, geldt de procedure, vermeld in artikel 8 of 9.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-13/17, art. 11, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>

  HOOFDSTUK 5. - Procedure tot het aanvragen en verkrijgen van afwijkingen op brandveiligheidsnormen

  Art. 11.[1 In dit artikel wordt verstaan onder :
   1° leidend ambtenaar: de leidend ambtenaar van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, vermeld in artikel 3 van het decreet van 2 juni 2006 tot omvorming van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden tot een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, en tot wijziging van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden;
   2° technische commissie voor de brandveiligheid : de technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot oprichting van een technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
   3° VIPA : het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, vermeld in artikel 3 van het decreet van 2 juni 2006 tot omvorming van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden tot een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, en tot wijziging van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden.
   Op gemotiveerde aanvraag van de beheersinstantie kan de leidend ambtenaar voor sommige brandveiligheidsnormen, vermeld in artikel 2, eerste, derde en vierde lid, waaraan volgens het brandpreventieverslag niet voldaan is, een afwijking toestaan.
   De aanvraag wordt ingediend bij het secretariaat van de technische commissie voor de brandveiligheid, bij voorkeur op elektronische wijze. Ze vermeldt duidelijk op welke normen ze betrekking heeft en bevat minstens :
   1° een ingevuld aanvraagformulier. Het VIPA stelt het model van het aanvraagformulier ter beschikking op zijn website;
   2° een motivatie voor de aanvraag van afwijking en een voorstel met de alternatieve maatregelen die een gelijkwaardig veiligheidsniveau kunnen garanderen;
   3° een beschrijving van het gebouw, aangevuld met overzichtsplannen;
   4° als de aanvraag betrekking heeft op een bestaande constructie : een brandpreventieverslag van de hulpverleningszone, in voorkomend geval aangevuld met het attest van de burgemeester, het stappenplan van de beheersinstantie en het advies van de hulpverleningszone over dat stappenplan;
   5° als de aanvraag betrekking heeft op een op te richten gebouw : een advies van de hulpverleningszone.
   Binnen vijftien dagen na de ontvangst van de aanvraag van afwijking bezorgt het secretariaat van de technische commissie voor de brandveiligheid een bewijs van ontvangst aan de aanvrager, met de vermelding of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is, en in voorkomend geval met de vermelding van de datum van ontvankelijkheid. De leidend ambtenaar beslist over de ontvankelijkheid. De ontvankelijkheid houdt in dat de aanvraag voldoet aan de formele vereisten, vermeld in het derde lid. De datum van ontvankelijkheid is de datum van de ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.
   Het secretariaat van de technische commissie voor de brandveiligheid bezorgt de beslissing van de leidend ambtenaar, samen met het advies van de technische commissie voor de brandveiligheid, aan de beheersinstantie van de voorziening en aan het agentschap, uiterlijk zes maanden na de datum van ontvankelijkheid van de aanvraag van afwijking.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-13/17, art. 12, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>

  HOOFDSTUK 6. - Wijzigingsbepalingen

  Art. 12. Artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 november 1987 tot intrekking van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 1985 houdende de veiligheidsnormen waaraan de serviceflatgebouwen, de woningcomplexen met dienstverlening en de rusthuizen moeten voldoen om te worden erkend, wordt opgeheven.

  Art. 13. In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 1989 houdende de specifieke veiligheidsaspecten waaraan de serviceflatgebouwen, de woningcomplexen met dienstverlening en de woonzorgcentra moeten voldoen om te worden erkend, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009, worden de woorden " de serviceflatgebouwen, de woningcomplexen met dienstverlening en de woonzorgcentra " vervangen door de woorden " de serviceflatgebouwen en de woningcomplexen met dienstverlening ".

  Art. 14. In artikel 1 van hetzelfde besluit wordt punt 1° opgeheven.

  HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen

  Art. 15. Het koninklijk besluit van 12 maart 1974 tot vaststelling van de veiligheidsnormen waaraan de rustoorden voor bejaarden moeten voldoen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2009, wordt opgeheven.

  Art. 16. Artikel 18 van de decreten inzake de voorzieningen voor ouderen, gecoördineerd op 18 december 1991, wordt opgeheven, alleen voor zover het betrekking heeft op de woonzorgcentra en de centra voor kortverblijf.

  Art. 17. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 88, § 1, § 2 en § 3, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009 gelden, voor de ouderenvoorzieningen die vóór 1 juli 2012 erkend zijn, of waarvoor vóór 1 juli 2012 een erkenningsaanvraag werd ingediend, de overgangsbepalingen, vermeld in paragraaf 2 tot en met 6.
  § 2. De erkenningsnormen met betrekking tot de brandveiligheid die vóór 1 juli 2012 van toepassing waren, blijven nog tot 30 juni 2013 gelden.
  § 3. In afwijking van paragraaf 2 kunnen met ingang van 1 juli 2012 geen afwijkingen meer gevraagd worden van de vóór die datum geldende brandveiligheidsnormen, en moet voor die aanvragen de procedure van artikel 11 nageleefd worden.
  § 4. De aanvragen tot afwijking van de brandveiligheidsnormen die vóór 1 juli 2012 ingediend zijn, worden afgehandeld volgens de regels die vóór die datum van toepassing waren.
  § 5. In afwijking van artikel 4, § 1, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers, is een aanvraag tot erkenning die ingediend wordt gedurende het overgangsjaar, vermeld in paragraaf 2, ontvankelijk zonder een nieuw bewijs dat de ouderenvoorziening aan de toepasselijke brandveiligheidreglementering voldoet.
  § 6. Het bewijs dat de ouderenvoorziening voldoet aan de nieuwe brandveiligheidreglementering moet uiterlijk op 30 juni 2013 bij het agentschap aankomen.

  Art. 17/1. [1 Voor de groepen van assistentiewoningen die vóór 1 oktober 2018 erkend zijn, of waarvoor vóór 1 oktober 2018 een erkenningsaanvraag is ingediend, gelden de overgangsbepalingen, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid.
   De erkenningsnormen voor de brandveiligheid die vóór 1 oktober 2018 van toepassing waren, blijven nog tot 1 oktober 2020 gelden.
   Met toepassing van artikel 4, § 1, eerste lid, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers is een erkenningsaanvraag die ingediend wordt gedurende de overgangsperiode, vermeld in het tweede lid, ontvankelijk op voorwaarde dat een bewijs wordt voorgelegd dat de groep van assistentiewoningen voldoet aan de toepasselijke erkenningsnormen voor de brandveiligheid, vermeld in het tweede lid.
   Het bewijs dat de groep van assistentiewoningen voldoet aan de nieuwe brandveiligheidsreglementering moet uiterlijk op 1 oktober 2020 bij het agentschap aankomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-13/17, art. 13, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>
  

  Art. 17/2. [1 Voor de lokale dienstencentra die vóór 1 oktober 2018 erkend zijn, of waarvoor vóór 1 oktober 2018 een erkenningsaanvraag is ingediend, moet het bewijs dat het lokaal dienstencentrum voldoet aan de nieuwe brandveiligheidsreglementering uiterlijk op 1 oktober 2020 bij het agentschap aankomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-13/17, art. 13, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>
  

  Art. 18. De volgende regelgevende teksten treden in werking op 1 juli 2012 :
  1° het artikel 2 van het decreet van 18 november 2011 tot wijziging van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, wat de medewerking van de lokale overheden bij de toepassing van sommige bepalingen van dat decreet betreft;
  2° dit besluit.

  Art. 19. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 1. - Normen voor de specifieke brandveiligheidsaspecten waaraan de ouderenvoorzieningen en de centra voor herstelverblijf moeten voldoen
  Bijlage vervangen door :
  <BVR 2018-07-13/17, art. 14, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>

  Art. N1/1. [1Bijlage 1/1.]1
   ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 28-09-2018, p. 74411 )
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-13/17, art. 15, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>

  Art. N2. Bijlage 2. - Verklaring over de brandveiligheid in residentiële woonzorgvoorzieningen. - Attest A
   (Attest niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-03-2012, p. 15051-15052)
   Bijlage vervangen door:
  <BVR 2018-07-13/17, art. 16, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>

  Art. N3. Bijlage 3. - Verklaring over de brandveiligheid in residentiële woonzorgvoorzieningen. - Attest B
   (Attest niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-03-2012, p. 15053-15054)
  Bijlage vervangen door:
  <BVR 2018-07-13/17, art. 17, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>

  Art. N4. Bijlage 4. - Verklaring over de brandveiligheid in residentiële woonzorgvoorzieningen. - Attest C
   (Attest niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-03-2012, p. 15055-15056)
  
  Bijlage vervangen door:
  <BVR 2018-07-13/17, art. 18, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2018>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 9 december 2011.
De Minister-President van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
J. VANDEURZEN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Vlaamse Regering,
   Gelet op het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, artikel 48, 86, eerste lid, 1°, en 87;
   Gelet op de decreten inzake voorzieningen voor ouderen, gecoördineerd op 18 december 1991;
   Gelet op het decreet van 20 maart 2009 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, artikel 3, 2° ;
   Gelet op het decreet van 18 november 2011 tot wijziging van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, wat de medewerking van de lokale overheden bij de toepassing van sommige bepalingen van dat decreet betreft;
   Gelet op het koninklijk besluit van 12 maart 1974 tot vaststelling van de veiligheidsnormen waaraan de rustoorden voor bejaarden moeten voldoen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 4 november 1987 tot intrekking van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 1985 houdende de veiligheidsnormen waaraan de serviceflatgebouwen, de woningcomplexen met dienstverlening en de rusthuizen moeten voldoen om te worden erkend;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 1989 houdende de specifieke veiligheidsaspecten waaraan de serviceflatgebouwen, de woningcomplexen met dienstverlening en de woonzorgcentra moeten voldoen om te worden erkend;
   Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 16 juli 2010;
   Gelet op advies 48.965/3 van de Raad van State, gegeven op 14 december 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende dat voldaan is aan de formaliteiten die voorgeschreven zijn bij Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften;
   Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 17-05-2019 GEPUBL. OP 09-09-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 11)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 13-07-2018 GEPUBL. OP 28-09-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : OPSCHRIFT; 1; 2; 6; 7; 8; 9; 10; 11; 17/1; 17/2; N1; N1/1; N2; N3; N4)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie