J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Errata Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
26 NOVEMBER 2010. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs

Bron :
MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 09-12-2010 nummer :   2010014256 bladzijde : 76304   BEELD
Dossiernummer : 2010-11-26/04
Inwerkingtreding : 01-10-2010

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-6

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. In artikel 24, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2006, worden de woorden " en in artikel 71, § 2 " ingevoegd tussen de woorden " tweede lid " en " verliest het rijbewijs ".

  Art. 2. In hetzelfde besluit wordt een titel IVbis ingevoegd die de artikelen 73/1 en 73/2 bevat, luidende :
  " TITEL IVbis. - " Bepalingen betreffende het rijbewijs waarvan, met toepassing van artikel 37/1 van de wet, de geldigheid is beperkt tot voertuigen die uitgerust zijn met een alcoholslot "
  Art. 73/1. § 1. Wanneer, bij toepassing van artikel 37/1 van de wet, de rechter de geldigheid van het rijbewijs beperkt tot motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, gaat de beperkte geldigheid van het rijbewijs in de dertigste dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 november 2010 betreffende de installatie van het alcoholslot en het omkaderingsprogramma.
  Indien de rechter evenwel tegelijkertijd en voor dezelfde categorieën van voertuigen veroordeelt tot het verval van het recht tot besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste een maand, gaat de beperkte geldigheid van het rijbewijs in op de dag dat de vervallenverklaarde bestuurder hersteld is in het recht tot sturen.
  § 2. De veroordeelde bestuurder is ertoe gehouden het rijbewijs waarvan hij houder is, bij de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken, te laten toekomen.
  Deze formaliteit moet vervuld worden binnen de dertig dagen na de dag van de kennisgeving bedoeld in § 1, lid 1, of op de dag van het herstel in het recht tot sturen in het geval bedoeld in § 1, tweede lid.
  Art. 73/2. § 1. De griffier bewaart het rijbewijs.
  De griffier reikt, bij de afgifte van het rijbewijs, een attest uit waarvan het model bepaald wordt door de Minister.
  § 2. De overheden bedoeld in artikel 7 reiken, bij het tonen van het attest bedoeld in § 1, een rijbewijs uit dat, naast de betrokken categorieën ook een codering vermeldt, bedoeld in bijlage 7, II, die het rijden met een alcoholslot verplicht.
  De griffier geeft het rijbewijs bedoeld in § 1 terug na het verstrijken van de periode voor dewelke de rechter de geldigheid van het rijbewijs heeft beperkt tot motorvoertuigen uitgerust met een alcoholslot.
  Het rijbewijs dat werd uitgereikt bij toepassing van § 2 moet worden afgegeven aan de griffier die het terugzendt naar de overheid bedoeld in artikel 7. "

  Art. 3. In het artikel 74 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de woorden " het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur " worden vervangen door de woorden " de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer ";
  b) de 3° wordt aangevuld met de woorden " en de maatregelen die de geldigheid van het rijbewijs beperken tot motorvoertuigen uitgerust met een alcoholslot ".

  Art. 4. In de bijlage 7, II, van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 5 september 2002 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 april 2006, 1 september 2006, 4 april 2007 en 16 juli 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " medische redenen " en de woorden " geldigheid van het rijbewijs " worden opgeheven;
  2° de woorden " 112 met alcolock " worden vervangen door de woorden " 112 met alcoholslot ".

  Art. 5. De Minister bevoegd voor Justitie en de Minister bevoegd voor het Wegverkeer zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

  Art. 6. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2010.
  
  Gegeven te Brussel, 26 november 2010.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Eerste Minister,
  Y. LETERME
  De Minister van Justitie,
  S. DE CLERCK
  De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
  E. SCHOUPPE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, artikel 1, eerste lid en artikel 26, vervangen bij de wet van 9 juli 1976;
   Gelet op het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs;
   Gelet op de betrokkenheid van de Gewestregeringen;
   Gelet op het advies nr. 21/2010 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, gegeven op 30 juni 2010;
   Gelet op het advies nr. 48.643/2/V van de Raad van State, gegeven op 26 augustus 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Eerste Minister, de Minister van Justitie en de Staatssecretaris voor Mobiliteit,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Errata Tekst Begin

BEELD
2011014017
PUBLICATIE :
2011-02-11
bladzijde : 10701

Erratum


BEELD
2011014117
PUBLICATIE :
2011-06-09
bladzijde : 33927

Addendum


Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Ik heb de eer Uwe Majesteit een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs ter ondertekening voor te leggen.
   Dit ontwerp beoogt de uitvoering mogelijk te maken van artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer. Dat artikel voorziet dat de rechter de geldigheid van het rijbewijs kan beperken tot voertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslotsysteem wanneer hij veroordeelt uit hoofde van bepaalde overtredingen op voornoemde wet.
   Om de maatregelen betreffende het alcoholslot te implementeren, wordt de datum van aanvang van de beperkte geldigheid van het rijbewijs in artikel 2 van het ontwerp bepaald.
   Dat artikel legt eveneens de procedure vast, met enerzijds de afgifte van het rijbewijs aan de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken en anderzijds de uitreiking van een rijbewijs dat enkel geldig is voor voertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslotsysteem aan de veroordeelde bestuurder.
   De veroordeelde moet zijn rijbewijs aan de griffier laten toekomen binnen de 30 dagen te rekenen vanaf de kennisgeving die door het openbaar ministerie werd gegeven of op de dag van het herstel in het recht tot sturen.
   De griffier overhandigt de veroordeelde een attest, op basis waarvan de gemeente hem een rijbewijs uitreikt dat naast de betrokken categorieën ook de code vermeldt, voorzien in bijlage 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998, zoals gewijzigd door artikel 4 van het ontwerp.
   Na het verstrijken van de periode voor dewelke de rechter de geldigheid van het rijbewijs heeft beperkt tot motorvoertuigen uitgerust met een alcoholslot, geeft de griffier het ingeleverde rijbewijs aan de veroordeelde terug.
   Artikel 3 van het ontwerp voorziet dat de maatregelen, die de geldigheid van het rijbewijs beperken tot de voertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, vermeld worden in het centraal bestand van de rijbewijzen.
   De afgifte aan de veroordeelde van een rijbewijs dat beperkt wordt door een code maakt controle van de bevoegde autoriteiten mogelijk.
   Dit is het voorwerp van het ontwerp van besluit dat aan Uwe Majesteit ter ondertekening wordt voorgelegd.
   Ik heb de eer te zijn,
   Sire,
   van Uwe Majesteit,
   De zeer eerbiedige
   en trouwe dienaars,
   De Eerste Minister,
   Y. LETERME
   De Minister van Justitie,
   S. DE CLERCK
   De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
   E. SCHOUPPE
   
   ADVIES 48.642/2/V, 48.643/2/V EN 48.644/2/V VAN 26 AUGUSTUS 2010 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE. (Ingevoegd bij erratum, B.St. 11-02-2011, p. 10706-10713)
   De Raad van State, afdeling Wetgeving, tweede vakantiekamer, op 30 juli 2010 door de Staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de Eerste Minister verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over :
   -een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de technische specificaties van de alcoholsloten bedoeld in artikel 61sexies van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer" (48.642/2/V);
   - een ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs" (48.643/2/V);
   - een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende het omkaderingsprogramma voor het alcoholslot" (48.644/2/V),
   heeft het volgende advies gegeven :
   Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als zij te oordelen heeft of het vaststellen of wijzigen van een verordening noodzakelijk is.
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten, haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat deze drie punten betreft, geven de ontwerpen aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   Opmerkingen die voor de drie ontwerpen gelden
   Voorafgaande opmerking
   De afdeling Wetgeving raadt de steller van de ontwerpen dringend aan om, voordat de ontworpen besluiten worden goedgekeurd, eerst contact op te nemen met de bevoegde diensten van de Europese Commissie om na te gaan of de activiteiten waarvoor het ontwerp een erkenning wil opleggen, of op zijn minst de activiteiten van de dienstencentra, binnen de werkingssfeer vallen van de artikelen 49 en volgende en 56 en volgende van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en van Richtlijn 2006/123/EG van het Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.
   Onder voorbehoud van die opmerking worden de drie ontworpen besluiten onderzocht.
   Voorafgaande vormvereisten
   1. Het staat aan de steller van de ontwerpen ervoor te zorgen dat is voldaan aan het voorafgaande vormvereiste dat wordt voorgeschreven bij artikel 6, § 4, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
   Indien het betrekken van de gewestregeringen bij het uitwerken van de onderzochte ontwerpen ertoe zou leiden dat een wezenlijk onderdeel van die ontwerpen wordt gewijzigd, dient de steller ervan ze bovendien opnieuw om advies voor te leggen aan de afdeling Wetgeving (1).
   2. De steller van de ontwerpen moet er ook op toezien dat de adviezen van de inspecteurs van Financiën en de akkoordbevinding van de staatssecretaris voor Begroting bij de dossiers van de adviesaanvragen 48.642/2/V en 48.644/2/V worden gevoegd.
   Onderzoek van het ontwerp waarop adviesaanvraag 48.642/2/V betrekking heeft
   Aanhef
   Tweede lid
   In het tweede lid van de aanhef moet worden verwezen naar de volgende bepalingen van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen die de grondslag van het ontworpen besluit vormen : het gaat om artikel 12, § 4, artikel 15, § 2, artikel 21, artikel 22, §§ 1, 2 en 3, en artikel 30, §§ 1, 2 en 3, en 5, 1°.
   Derde lid
   Op het verzoek om uit te leggen waarom in de aanhef van het ontwerp wordt verwezen naar het koninklijk besluit van 20 december 1972 houdende gedeeltelijke inwerkingtreding van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, meetstandaarden en meetwerktuigen, en tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten van hoofdstuk II van deze wet, over de meetwerktuigen heeft de gemachtigde van de staatssecretaris geantwoord dat dit besluit geen rechtsgrond verleent aan het ontwerp en niet door het ontwerp gewijzigd wordt. De gemachtigde is het ermee eens dat dit besluit, dat slechts van toepassing is voor zover het ontworpen besluit er niet van afwijkt, niet behoort te worden vermeld in de vorm van een lid dat begint met de woorden "Gelet op", maar vermeld kan worden in een lid dat begint met het woord "Overwegende".
   Achtste lid
   Aangezien het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer geen verplicht vormvereiste is, kan dit advies ook vermeld worden in een lid dat begint met het woord "Overwegende" (2).
   Algemene opmerkingen
   In verscheidene bepalingen van het ontwerp wordt verwezen naar genormaliseerde voorschriften, zoals de NBN-normen of, door vermelding ervan in de Aanbeveling van de Commissie van 21 december 1999 betreffende veilige en efficiënte informatie- en communicatiesystemen aan boord van voertuigen : Europese verklaring inzake beginselen voor de mens/machine-interface waarnaar in artikel 4 wordt verwezen, naar ISO-normen.
   Die normen worden niet officieel gepubliceerd, wat, aangezien ze door het ontwerp algemeen bindend worden verklaard, niet verenigbaar is met artikel 190 van de Grondwet.
   Zoals de Raad van State al heeft opgemerkt, moet men zich er evenwel
   "van bewust zijn dat door de rigoureuze toepassing van deze regels, die uit de Belgische wetgeving voortspruiten, kan blijken dat ze niet geschikt en niet echt realistisch zijn en tot impasses leiden. Bij wijze van voorbeeld kan melding worden gemaakt van het internationaal vervoersrecht, inzonderheid wat het luchtvervoer betreft, waarin zich een grote toename voordoet van supranationale regelingen die dikwijls gewijzigd worden en die niet alleen gelden voor de Staten maar ook voor de operatoren en andere rechtssubjecten, voor wie een passende informatieverstrekking uiteraard onontbeerlijk is, maar waarbij een bekendmaking volgens de klassieke regels van het huidige Belgisch recht niet echt realistisch is [...]" (3).
   Daarbij heeft de Raad van State ook de volgende bedenkingen gemaakt :
   "Nu de informatietechnieken het mogelijk maken een beveiligde toegang tot de gegevens te garanderen, inzonderheid via het internet, wordt aan de overheid voorgesteld na te denken over het uitvoeren van een zodanige aanpassing van de wettelijke bepalingen betreffende de bekendmaking van de in België geldende rechtsregels, zodat hoe dan ook de regels van afgeleid recht van internationale organisaties, vooral die welke bijzonder lang en van technische aard zijn en die frequent gewijzigd worden, op een andere wijze toegankelijk zouden zijn dan die welke bij de huidige wetgeving geregeld en opgelegd wordt, ook al hebben de vereisten inzake taalgebruik in de huidige wetgeving geen equivalent op supranationaal niveau (4) (5).
   Onder voorbehoud van de resultaten van de studie die best uitgevoerd zou worden, zullen de moeilijkheden van een dergelijke wetgeving er inzonderheid in bestaan de gevallen af te bakenen waarin dergelijke toegang is toegestaan en er zich van te kunnen vergewissen dat die gevallen waarin toegang is toegestaan duidelijk zijn aangegeven en dat die toegang beveiligd is.
   Het zou een goede zaak zijn mochten, ter gelegenheid van die denkoefening, andere moeilijkheden in verband met de toegankelijkheid van bepaalde rechtsregels onderzocht worden, bijvoorbeeld wanneer verwezen wordt naar technische normen, zoals ISO-normen, NBN-normen of andere normen opgesteld door groeperingen van privé-operatoren, welke kwestie des te acuter is daar voor de to egang tot de gedetailleerde omschrijving van die normen vaak moet worden betaald. [...]" (6).
   Dispositief
   Artikel 2
   1. De redactie van het tweede lid doet vermoeden dat alleen de invoer van alcoholsloten uit de staten die in die bepaling worden vermeld, toegestaan is.
   Op de vraag of de uitsluiting van invoer uit andere staten geen probleem doet rijzen in het licht van de geldende internationale overeenkomsten heeft de gemachtigde van de staatssecretaris het volgende geantwoord :
   "Selon le Service Métrologie du SPF Economie, on n'exclut aucun produit, pour autant que ce produit satisfasse aux prescriptions européennes ou équivalentes".
   De steller van het ontwerp moet de redactie van het tweede lid aanpassen aan de aldus uitgedrukte bedoeling.
   Deze opmerking geldt ook voor de artikelen 5, § 1, en 6, eerste lid, a), van het ontwerp.
   2. Op de vraag of de nieuwe test die zoals bepaald in artikel 2, tweede lid, 4°, "volgens een willekeurig interval tussen 15 en 45 minuten" wordt uitgevoerd, slechts één keer, dan wel herhaaldelijk tijdens de hele duur van de rit plaats heeft, heeft de gemachtigde van de staats- secretaris bevestigd dat de test daadwerkelijk tijdens de hele duur van de rit wordt herhaald. Die verduidelijking moet in de betrokken bepaling komen.
   Artikel 3
   Op de vraag wat onder "modelgoedkeuringen van beperkte strekking" in de zin van artikel 3, eerste lid, tweede zin, moet worden verstaan, heeft de gemachtigde van de Staatssecretaris verwezen naar artikel 5 van het voormelde koninklijk besluit van 20 december 1972. Het zou zinvol zijn in de tweede zin van artikel 3, eerste lid, te verduidelijken dat de woorden "modelgoedkeuringen van beperkte strekking" moeten worden begrepen in de zin van artikel 5.2 van het voormelde koninklijk besluit van 20 december 1972.
   Artikel 4
   De genoemde Aanbeveling van de Commissie van 21 december 1999 is geen communautaire rechtshandeling die rechtstreeks in het interne rechtsbestel geldt. Daaruit volgt dat de bepalingen waarnaar in artikel 4 wordt verwezen, moeten worden opgenomen in een regeling van intern recht, bijvoorbeeld in een bijlage bij het ontwerp, en artikel 4 moet dienovereenkomstig worden aangepast.
   Artikel 5
   1. Op de vraag of het woord "hij" in de zinsnede "voor zover hij in een lidstaat van (...) gevestigd is" slaat op de fabrikant dan wel op "zijn gevolmachtigde of elke aanvrager", heeft de gemachtigde van de staatssecretaris geantwoord dat de tweede interpretatie moet worden gevolgd.
   Het is wenselijk dat de bepaling in die zin wordt verduidelijkt.
   2. Op de vraag welk "testrapport" in artikel 5, § 2, eerste lid, wordt bedoeld, heeft de gemachtigde van de staatssecretaris geantwoord dat het gaat om de rapporten die worden opgesteld naar aanleiding van de voorafgaande proeven van modelgoedkeuring vermeld in artikel 5, § 1, tweede lid, en in artikel 6 van het ontwerp. Die verduidelijking moet in de tekst komen.
   3. In de Franse versie van paragraaf 2, tweede lid, van de tekst moet het woord "mode" worden ingevoegd tussen de woorden " permettre de vérifier et ajuster l'appareil en" en het woord "laboratoire".
   Artikel 6
   1. De gemachtigde van de staatssecretaris is het ermee eens dat het nuttig zou zijn om in het eerste lid, tussen de punten a) en b), het woord "of" in te voegen.
   2. Op de vraag of de instelling bedoeld in artikel 6, eerste lid, b), altijd een nationale autoriteit moet zijn, heeft de gemachtigde van de Staatssecretaris het volgende geantwoord :
   "L'organisme peut être une autorité nationale (mais pas obligatoirement), mais il faut toujours que ce soit un laboratoire accrédité (donc reconnu dans l'Etat même ou dans un autre Etat)".
   De betrokken bepaling moet in die zin worden verduidelijkt.
   3. Op de vraag welke autoriteit de "verificatie" vermeld in artikel 6, tweede lid, uitvoert, heeft de gemachtigde van de staatssecretaris geantwoord dat het krachtens artikel 5, § 1, om de dienst Metrologie gaat. Het zou nuttig zijn die precisering in de tekst op te nemen.
   De gemachtigde is het er ook mee eens dat moet worden gepreciseerd dat die verificatie alleen betrekking heeft op de instellingen bedoeld in artikel 6, eerste lid, a).
   Artikel 7
   In de Franse versie is het verkieslijk te schrijven : "L'organisme transmet au Service Métrologique les résultats des essais préalables d'approbation de modèle ainsi que les trois exemplaires de la documentation".
   In de Nederlandse versie schrijve men "De instelling" in plaats van "Het organisme". Deze opmerking geldt voor alle artikelen van het ontwerp.
   {art}Artikel 1{/art}1
   Het zou nuttig zijn, na de woorden "De proeven van eerste ijk, herijk en technische controle", de woorden "respectievelijk in de zin van de artikelen 18, 19 en 21 van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen" in te voegen.
   Artikel 15
   Wat het derde lid betreft, moet worden verduidelijkt dat het begrip "omkaderingsinstelling" slaat op de instelling bedoeld in artikel 4 van het ontwerp van koninklijk besluit betreffende het omkaderingsprogramma voor het alcoholslot dat eveneens in dit advies wordt behandeld (adviesaanvraag 48.644/2/V). De gemachtigde van de staatssecretaris heeft aangegeven dat die verduidelijking aan de tekst zou worden toegevoegd.
   Opschrift van hoofdstuk 4
   In de Nederlandse versie van het opschrift van hoofdstuk 4 schrijve men "Testprocedure die door de veroordeelde moet worden gevolgd". In de Franse versie van het opschrift van hoofdstuk 4 schrijve men "Procédure de test" in plaats van "Test de procédure".
   Artikel 17
   Het woord "gebruikershandleiding" kan beter worden vervangen door het woord "gebruiksaanwijzing", dat al voorkomt in artikel 4, tweede lid, van het ontwerp.
   In plaats van "(...) houdt de veroordeelde rekening met het volgende" zou het beter zijn te schrijven : "(...) moet de veroordeelde de procedure volgen die in dit hoofdstuk wordt beschreven".
   In te voegen opschrift
   Tussen de artikelen 21 en 22 moet een nieuw opschrift worden ingevoegd, luidende : "Hoofdstuk 5 - Slotbepalingen".
   Artikel 22
   Artikel 22 moet als volgt worden gesteld :
   "De Minister bevoegd voor Justitie, de Minister bevoegd voor Economie en de Minister bevoegd voor Wegverkeer zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit" (7).
   Bijlage 1
   De gemachtigde van de staatssecretaris is erop attent gemaakt dat punt 3.2.2., tweede lid, luidens hetwelk "De mondstukken (...) bij elke meting vervangen (moeten) worden", haaks staat op de tweede zin van artikel 18 van het dispositief, dat in de mogelijkheid voorziet om mondstukken onder bepaalde voorwaarden opnieuw te gebruiken.
   De gemachtigde is het ermee eens dat die opmerking gegrond is en heeft verklaard dat punt 3.2.2., tweede lid, van bijlage 1 zal worden aangepast aan de tweede zin van artikel 18.
   Onderzoek van het ontwerp waarop adviesaanvraag 48.643/2/V betrekking heeft
   Aanhef
   Eerste lid
   Artikel 61quinquies van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, verleent de Koning geen machtiging. Er is bijgevolg geen reden om die bepaling in de aanhef te vermelden.
   Zoals de gemachtigde van de staatssecretaris heeft aangegeven, zal de vermelding van die bepaling vervangen worden door de vermelding van de artikelen 1 en 26 van dezelfde wet.
   Nieuw vierde lid
   Aangezien over het ontwerp het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is ingewonnen, kan de vervulling van dit niet verplicht vormvereiste in de vorm van een overweging vermeld worden in een nieuw vierde lid (8).
   Dispositief
   Artikel 1
   In de Franse versie van de tekst schrijve men "et à l'article 71, § 2" in plaats van "et de l'article 71, § 2".
   Artikel 2
   Bij de redactie van de inleidende zin van artikel 2 is er geen rekening mee gehouden dat de artikelen 72 en 73 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, die volgen op de herstelde bepalingen, deel uitmaken van hoofdstuk 2 van titel IV van dat besluit.
   De inleidende zin van artikel 2 moet gesteld worden als volgt (9) :
   "Na titel IV van hetzelfde besluit wordt een titel IVbis ingevoegd, die de artikelen 73/1 en 73/2 omvat".
   In het corpus van de tekst moeten ook de woorden "Art. 71" en "Art. 72" vervangen worden door de woorden "Art. 73/1" en "Art. 73/2".
   Artikel 4
   In de inleidende zin van artikel 4 behoort "en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 april 2006, 1 september 2006, 4 mei 2007 en 16 juli 2009" te worden geschreven in plaats van "en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 april 2006, 1 september 2006 en 4 april 2007". De gemachtigde van de Staatssecretaris is het daarmee eens.
   Onderzoek van het ontwerp waarop adviesaanvraag 48.644/2/V betrekking heeft
   Opschrift
   Het opschrift moet zo worden aangevuld dat het onderwerp van het ontwerp nauwkeurig kan worden bepaald, rekening houdend gezien onder meer met artikel 8 ervan, dat betrekking heeft op de installatie van een alcoholslot.
   Aanhef
   Eerste lid
   Het zou nauwkeuriger zijn na de woorden "61quinquies " de woorden "§ 3," in te voegen.
   Bovendien moet het eerste lid aangevuld worden met de vermelding van de bepalingen van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, die de Koning machtigen de bepaling van artikel 3, 2°, van het ontwerp uit te vaardigen. De gemachtigde van de staatssecretaris is het daarmee eens.
   Dispositief
   Artikel 1
   In artikel 1 van het ontwerp wordt de strekking van het ontwerp niet nauwkeurig omschreven. Deze bepaling moet ofwel gepreciseerd worden, ofwel vervallen.
   Artikel 2
   1. De gemachtigde van de staatssecretaris is het ermee eens dat de bepalingen die betrekking hebben op het rijbewijs veeleer thuishoren in het ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs", dat de afdeling Wetgeving in dit advies behandelt onder adviesaanvraag 48.643/2/V.
   Dezelfde opmerking geldt voor artikel 6 van het ontwerp.
   2. In het vierde lid behoort in plaats van te verwijzen naar het "voorgaande lid" verwezen te worden naar de overeenstemmende bepaling van het voornoemde koninklijk besluit van 23 maart 1998.
   3. In het vijfde lid behoort gepreciseerd te worden dat het centraal bestand voor de rijbewijzen het bestand genoemd in artikel 74 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs is.
   Artikel 4
   1. In het tweede lid moet het zinsdeel "en voor de begeleiding van de bestuurder die is veroordeeld wegens artikel 37/1 van de wet" als overbodig geschrapt worden vermits de begeleiding van de bestuurder een vast onderdeel is van het "omkaderingsprogramma".
   Bijgevolg moeten in het derde lid ook de woorden "de begeleiding" vervangen worden door de woorden "de omkadering".
   2. Wat hetzelfde tweede lid betreft, is het ondenkbaar dat het besluit tot erkenning, schorsing en intrekking van de erkenning genomen kan worden door de FOD Mobiliteit en Vervoer. Besluiten van dat niveau kunnen alleen genomen worden door de minister bevoegd voor het wegverkeer.
   Deze opmerking geldt ook voor de rest van het ontwerp.
   3. In het vierde lid moet het woord "minstens" vervallen, aangezien dit aanleiding geeft tot rechtsonzekerheid doordat het de indruk wekt dat nog andere voorwaarden dan die waarin het besluit voorziet kunnen worden gesteld om de erkenning te krijgen, naar eigen goeddunken van de minister.
   4. De strekking van de onderdelen 3° en 4°, c) ("de integrale kwaliteitszorg") en d) ("een financieel plan") moet gepreciseerd worden.
   5. De tussenzin tussen 4°, d) en 5° van het vierde lid moet vervallen om overlapping met de inleidende zin van het vierde lid te voorkomen.
   6. In een koninklijk besluit hoort niet herinnerd te worden aan de toepassing van een wet. Het vierde lid, 5°, moet vervallen.
   Dezelfde opmerking geldt voor artikel 8, § 2, tweede lid, 4°.
   7.1. In het zesde lid behoort vermeld te worden dat de instelling niet alleen op de hoogte wordt gebracht van het voornemen om te schorsen of in te trekken, maar ook van de motieven die daaraan ten grondslag liggen.
   Bovendien schrijve men in de Franse versie van de tekst "aux dispositions du présent article" in plaats van "aux dispositions de cet arrêté".
   7.2. Meer in het algemeen merkt de Raad van State op dat de regeling inzake de schorsing van de erkenning slechts gedeeltelijk wordt vastgesteld bij het ontworpen besluit. Dit moet worden vervolledigd, onder meer wat de duur van de maatregel betreft.
   De opmerkingen gemaakt in 7.1. en 7.2. gelden ook voor artikel 8, § 2, derde lid.
   8. Het zou beter zijn in het zevende lid te bepalen dat ook de schorsing van de erkenning van de instelling in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
   Deze opmerking geldt ook voor artikel 8, § 2, vierde lid.
   Artikel 6
   Deze bepaling hoort thuis in het ontwerp van koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs", dat de afdeling Wetgeving in dit advies behandelt onder adviesaanvraag 48.643/2/V.
   Er wordt verwezen naar de tweede opmerking betreffende artikel 2.
   De nummering van de daaropvolgende artikelen moet dienovereenkomstig worden aangepast.
   Artikel 8
   1. In paragraaf 1, eerste lid, moet worden bepaald dat de verplichting eveneens geldt in geval van verandering van voertuig tijdens de duur van de straf.
   2. Paragraaf 1, vijfde lid, is strijdig met het beginsel van de wettelijkheid van de strafbare feiten dat vastgelegd is in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, een beginsel krachtens hetwelk strafbare feiten alleen bij wet kunnen worden omschreven. Deze bepaling dient te vervallen.
   3. In de Franse versie van de tekst schrijve men in paragraaf 2, tweede lid, 7°, "le centre de services" en niet "l'organisme".
   4. De aandacht van de gemachtigde van de staatssecretaris is gevestigd op de verplichtingen die de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen aan verzekeringsondernemingen oplegt. Ze is het ermee eens dat artikel 8, § 3, van het ontwerp dient te vervallen en dat artikel 11, eerste lid, van het ontwerp dienovereenkomstig moet worden aangepast.
   Artikel 9
   1. Uit artikel 9, § 1, van het ontwerp blijkt dat de dienstencentra beschikken over gecodeerde gegevens uit de registratie-eenheid van het alcoholslotsysteem.
   Nu is het zo dat luidens artikel 4, § 1, 5°, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens "persoonsgegevens (...) :
   5° in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer (dienen) te worden bewaard dan voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of verder worden verwerkt, noodzakelijk is. De Koning voorziet, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in passende waarborgen voor persoonsgegevens die, langer dan hiervoor bepaald, voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard. " .
   Krachtens artikel 1, § 1, van dezelfde wet
   "(wordt) voor de toepassing van deze wet (...) onder "persoonsgegevens" iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon verstaan, hierna "betrokkene" genoemd; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van één of meer specifieke element en die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit.".
   De onderzochte tekst bevat geen enkele beperking van de betrokken gegevens in de tijd.
   Aangezien deze alleen "gecodeerd" aan de omkaderingsinstellingen worden medegedeeld, is dit ontbreken van een beperking alleen aanvaardbaar indien deze "codes" zo opgevat zijn dat ze niet toestaan dat de betrokken persoon "geïdentificeerd of identificeerbaar" is.
   De steller van het ontwerp moet zich hiervan vergewissen (10). Indien dit niet het geval is, moet het ontwerp worden aangevuld om te voorzien in de beperking vereist bij artikel 4, § 1, 5°, van de voornoemde wet van 8 december 1992.
   2. Het zou dienstig kunnen zijn in paragraaf 1, eerste lid, te bepalen dat de veroordeelde bestuurder zijn voertuig aanbiedt "of door een derde laat aanbieden" volgens de nadere regels gespecificeerd in deze bepaling.
   3. De uitdrukking "Europees grondgebied" is vaag en moet worden verduidelijkt.
   4. Er moet worden gepreciseerd wat de "betalingen" zijn waarvan in paragraaf 1, zesde lid, 8°, melding wordt gemaakt.
   Artikel 13
   Artikel 13 moet als volgt worden gesteld (11) :
   "De minister bevoegd voor Justitie en de minister bevoegd voor Wegverkeer zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit".
   Slotopmerking
   De redactie van het ontwerp laat te wensen over en dient zorgvuldig te worden nagezien. Deze opmerking geldt zowel voor de Nederlandse als voor de Franse versie.
   De kamer was samengesteld uit :
   De heren :
   R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State;
   P. LEWALLE en P. VANDERNOOT, staatsraden;
   Mevr. A.-C. VAN GEERSDAELE, griffier.
   Het verslag werd uitgebracht door Mevr. W. VOGEL, eerste auditeur.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. LIENARDY, kamervoorzitter.
   De griffier,
   A.-C. Van Geersdaele.
   De eerste voorzitter,
   R. Andersen.
   -------
   Nota's
   (1) Zie in die zin advies 45.848/4 van 16 februari 2009 over een ontwerp dat ontstaan heeft gegeven aan het koninklijk besluit van 10 mei 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën C, C+E, D, D+E en de subcategorieën C1, C1+E, D1, D1+E.
   (2) Zie Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab Wetgevingstechniek, aanbeveling 35.
   (3) RvS, jaarverslag 2005-2006, nr. 20, www.raadvst-consetat.be, tab "De instelling" en tab "Jaarverslagen".
   (4) Voetnoot 16 van het voormelde verslag : Heel vaak zijn die technische normen alleen in het Engels gesteld.
   (5) Voetnoot 17 van het voormelde verslag : Voor een voorbeeld van moeilijkheden in verband met de verwijzing naar een uit een internationale overeenkomst afgeleid begrip dat niet bestaat in een van de landstalen, zie RvS (kortgeding), nv Heli Service Belgium, nr. 145.819 van 10 juni 2005.
   (6) Voormeld verslag, nr. 20.
   (7) Ibid., aanbeveling nr. 167 en formule F 4-7-2.
   (8) Ibid., aanbeveling 35.
   (9) Ibid., formules F 4-2-3-5 en F 4-2-11-2.
   (10) Zie de algemene opmerking onder de nrs. 26 en 27 van het voormelde advies 21/20 10 van 30 juni 2010 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
   (11) Ibid., formule F 4-7-2.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Errata Franstalige versie