J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 53 uitvoeringbesluiten 20 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State

Titel
19 NOVEMBER 2010. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene bepalingen over het energiebeleid (aangehaald als : Energiebesluit)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 08-12-2010 en tekstbijwerking tot 19-12-2013) Zie wijziging(en)

Bron : VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 08-12-2010 nummer :   2010035890 bladzijde : 74288   BEELD  BEELD 2  BEELD 3  BEELD 4  BEELD 5  BEELD 6
Dossiernummer : 2010-11-19/05
Inwerkingtreding : 01-01-2011

Inhoudstafel Tekst Begin

TITEL I. - Algemene bepalingen
Art. 1.1.1
TITEL II. - Het Vlaams Energieagentschap
HOOFDSTUK I. - Benaming, doel en taakstelling van het Vlaams Energieagentschap
Art. 2.1.1-2.1.5
HOOFDSTUK II. - Aansturing en leiding van het Vlaams Energieagentschap
Art. 2.2.1-2.2.3
HOOFDSTUK III. - Delegatie van beslissingsbevoegdheden
Art. 2.3.1
HOOFDSTUK IV. - Controle, opvolging en toezicht
Art. 2.4.1-2.4.6
TITEL III. - Organisatie van de elektriciteits- en gasmarkt
HOOFDSTUK I. - Het beheer van de distributienetten en het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in het Vlaamse Gewest
Afdeling I. - De voorwaarden waaraan de netbeheerder moet voldoen
Onderafdeling I. - De voorwaarden betreffende financiële en technische capaciteit
Art. 3.1.1-3.1.3
Onderafdeling II. - De voorwaarden betreffende de professionele betrouwbaarheid
Art. 3.1.4-3.1.7
Onderafdeling III. - De voorwaarden betreffende het eigendoms- of exploitatierecht op het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit
Art. 3.1.8
Onderafdeling IV. - De voorwaarden betreffende de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de netbeheerder ten aanzien van producenten, houders van een leveringsvergunning en tussenpersonen
Art. 3.1.9-3.1.20
Afdeling II. - De procedure tot aanwijzing van een netbeheerder
Onderafdeling I. - Algemene bepalingen
Art. 3.1.21-3.1.25
Onderafdeling II. - De voorwaardelijke aanwijzing als netbeheerder
Art. 3.1.26
Onderafdeling III. - Beëindiging van de aanwijzing als netbeheerder
Art. 3.1.27
Afdeling III. - De voorwaarden van en de procedure tot het verkrijgen van de toestemming om een beroep te doen op een werkmaatschappij
Art. 3.1.28-3.1.31
Afdeling IV. - Informatieverstrekking door de netbeheerder
Art. 3.1.32-3.1.34
Afdeling V. - Openbaredienstverplichtingen, opgelegd aan de netbeheerder
Onderafdeling I. - Nacht- en weekendtarief
Art. 3.1.35-3.1.38
Onderafdeling II. - Openbare verlichting
Art. 3.1.39-3.1.41
Afdeling VI. [1 Gebruik van het openbaar domein door de netbeheerder]1
Art. 3.1.42
HOOFDSTUK II. - Levering
Afdeling I. - De voorwaarden waaraan de houder van een leveringsvergunning moet voldoen
Onderafdeling I. - De voorwaarden betreffende financiële en technische capaciteit
Art. 3.2.1-3.2.3
Onderafdeling II. - De voorwaarden betreffende professionele betrouwbaarheid
Art. 3.2.4
Onderafdeling III. - De voorwaarden betreffende capaciteit om aan de behoeften van de klant te voldoen
Art. 3.2.5-3.2.6
Onderafdeling IV. - De voorwaarden betreffende de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de houder van een leveringsvergunning ten opzichte van de netbeheerders
Art. 3.2.7
Afdeling II. - De procedure tot toekenning van een leveringsvergunning
Art. 3.2.8-3.2.13
Afdeling III. - Opheffing van de leveringsvergunning
Art. 3.2.14
Afdeling IV. - Controlewijziging, fusie of splitsing
Art. 3.2.15
Afdeling V. - Informatieverstrekking door de houder van een leveringsvergunning
Art. 3.2.16-3.2.17
TITEL IV. - De jaarlijkse toekenning van een hoeveelheid gratis elektriciteit
Art. 4.1.1-4.1.4
TITEL V. - Sociale energiemaatregelen
HOOFDSTUK I. - Beschermingsmaatregelen bij wanbetaling ten opzichte van een leverancier
Art. 5.1.1-5.1.5
HOOFDSTUK II. - Beschermingsmaatregelen bij opzegging van het leveringscontract door de leverancier
Art. 5.2.1-5.2.3
HOOFDSTUK III. - Budgetmeter voor elektriciteit
Afdeling I. - Plaatsen, inschakelen en uitschakelen van de budgetmeter voor elektriciteit bij wanbetaling ten opzichte van de elektriciteitsdistributienetbeheerder
Art. 5.3.1-5.3.4
Afdeling II. - Minimale levering van elektriciteit
Art. 5.3.5-5.3.6
Afdeling III. - Het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit
Art. 5.3.7-5.3.8
Afdeling IV. - Uitschakelen en herinschakelen van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit
Art. 5.3.9-5.3.11
Afdeling V. - Schuldafbouw via de budgetmeter voor elektriciteit
Art. 5.3.12
Afdeling VI. - Het indienen van een verzoek tot afsluiting van de elektriciteitstoevoer bij wanbetaling
Art. 5.3.13-5.3.16
HOOFDSTUK IV. - Budgetmeter voor aardgas
Afdeling I. - Plaatsen, inschakelen en uitschakelen van de budgetmeter voor aardgas bij wanbetaling ten opzichte van de aardgasdistributienetbeheerder
Art. 5.4.1-5.4.5
Afdeling II. - Minimale levering van aardgas
Art. 5.4.6-5.4.10
Afdeling III. - Het opladen van de budgetmeter voor aardgas
Art. 5.4.11-5.4.12
Afdeling IV. - Schuldafbouw via de budgetmeter voor aardgas
Art. 5.4.13
Afdeling V. - Het indienen van een verzoek tot afsluiting van de aardgastoevoer bij wanbetaling ten opzichte van de aardgasdistributienetbeheerder als er geen budgetmeter voor aardgas is geplaatst
Art. 5.4.14-5.4.17
HOOFDSTUK V. - Afsluiten en heraansluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer
Afdeling I. - Afname van elektriciteit of aardgas zonder leveringscontract na een verhuizing
Art. 5.5.1-5.5.2
Afdeling II. - Fraude
Art. 5.5.3
Afdeling III. - Leegstaande woning
Art. 5.5.4
Afdeling IV. - Afsluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer als het leveringscontract van de huishoudelijke afnemer werd opgezegd om een andere reden dan wanbetaling
Art. 5.5.5
Afdeling V. - Afsluiten in de winterperiode
Art. 5.5.6
Afdeling VI. - Heraansluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer
Art. 5.5.7
Afdeling VII. - Uitwisseling van gegevens
Art. 5.5.8
Afdeling VIII. [1 - Afsluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer via een oplaadblokkade]1
Art. 5.5.9
HOOFDSTUK VI. - Overige sociale openbaredienstverplichtingen
Art. 5.6.1-5.6.4
HOOFDSTUK VII. - Sociale statistieken
Art. 5.7.1
TITEL VI. - Milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik
HOOFDSTUK I. - Groenestroomcertificaten
Afdeling I. - Definities
Art. 6.1.1
Afdeling II. - De aanvraag en toekenning van groenestroomcertificaten
Onderafdeling I. - De aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten
Art. 6.1.2
Onderafdeling II. - De voorwaarden voor toekenning van groenestroomcertificaten
Art. 6.1.3-6.1.6
Onderafdeling III. - De maandelijkse toekenning van groenestroomcertificaten
Art. 6.1.7-6.1.12, 6.1.12/1, 6.1.13
Afdeling III. - De registratie van groenestroomcertificaten
Art. 6.1.14
Afdeling IV. - Het gebruik van de groenestroomcertificaten
OnderafdelingI
Art. 6.1.15-6.1.16
Onderafdeling II.
Art. 6.1.17-6.1.22
Onderafdeling III. - De handel in groenestroomcertificaten
Art. 6.1.23-6.1.24
HOOFDSTUK II. - Warmtekrachtcertificaten
Afdeling I. - Definities
Art. 6.2.1
Afdeling II. - De aanvraag en toekenning van warmtekrachtcertificaten
Onderafdeling I. - De aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten
Art. 6.2.2
Onderafdeling II. - De voorwaarden voor toekenning van warmtekrachtcertificaten
Art. 6.2.3-6.2.6
Onderafdeling III. - De maandelijkse toekenning van warmtekrachtcertificaten
Art. 6.2.7-6.2.10
Afdeling III. - Registratie van warmtekrachtcertificaten
Art. 6.2.11
Afdeling IV. - Het gebruik van warmtekrachtcertificaten
Onderafdeling I Het gebruik van de warmtekrachtcertificaten in het kader van de certificatenverplichting
Art. 6.2.12
Onderafdeling II.
Art. 6.2.13-6.2.17
Onderafdeling III. - Handel in warmtekrachtcertificaten
Art. 6.2.18-6.2.19
Hoofdstuk II/1. [1 - Berekening van de onrendabele toppen en de bandingfactoren door het Vlaams Energieagentschap]1
Afdeling I. [1 - Gemeenschappelijke bepalingen]1
Art. 6.2/1.1
Afdeling II. [1 - Berekening van de onrendabele toppen en de bandingfactoren voor groenestroom- en warmtekrachtkoppeling voor projecten uit representatieve projectcategorieën met startdatum vanaf 1 januari 2013]1
Onderafdeling I. [1 - Berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor nieuwe groenestroomprojecten]1
Art. 6.2/1.2
Onderafdeling II. [1 - Berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor lopende groenestroomprojecten]1
Art. 6.2/1.3
Onderafdeling III. [1 - Berekening van de bandingfactoren voor kwalitatieve warmtekrachtkoppeling voor projecten
Art. 6.2/1.4
Onderafdeling IV. [1 - Rapport van het Vlaams Energieagentschap]1
Art. 6.2/1.5
Onderafdeling V. [1 - Vastlegging van de bandingfactoren]1
Art. 6.2/1.6
Afdeling II. [1 - Berekening van projectspecifieke onrendabele toppen en bandingfactoren voor projecten uit niet-representatieve projectcategorieën met startdatum vanaf 1 januari 2013]1
Art. 6.2/1.7
Afdeling III. [1 - Berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor groenestroomprojecten met startdatum voor 1 januari 2013]1
Art. 6.2/1.8
Hoofdstuk II/2. [1 - Rapport van de VREG betreffende de groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten]1
Art. 6.2/2.1
Hoofdstuk II/3. [1 - Garanties van oorsprong]1
Art. 6.2/3.1
Art. 6.2/3.2. [1 § 1.De artikelen 6.1.3, eerste lid, 6.1.4 tot en met 6.1.6. zijn van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de toekenning van garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen.
Art. 6.2/3.3. [1 § 1. Garanties van oorsprong worden toegekend voor de elektriciteit, geproduceerd in de productie-installatie waarvoor een aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong, vermeld in art. 6.2/3.1, werd goedgekeurd.
Art. 6.2/3.4. [1 De rapportering van de gegevens, vermeld in artikel 6.2/3.3, verloopt overeenkomstig artikel 6.1.9. voor wat de installaties betreft die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen en artikel 6.2.9 voor wat de installaties betreft die elektriciteit opwekken uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling.
Art. 6.2/3.5. [1 Volgende specificaties worden minstens geregistreerd in de centrale databank bij elke garantie van oorsprong :
Art. 6.2/3.6. [1 § 1. Bij de creatie van een garantie van oorsprong is de status van de garantie van oorsprong : "nog niet ingeleverd".
Art. 6.2/3.7. [1 De eigenaar van een garantie van oorsprong heeft toegang tot de centrale databank voor wat betreft de gegevens van de garanties van oorsprong waarvan hij eigenaar is.
Art. 6.2/3.8. [1 § 1. Garanties van oorsprong zijn vrij verhandelbaar.
Art. 6.2/3.9. [1 Als de status van een garantie van oorsprong bij de afloop van de termijn, vermeld in artikel 7.1./1.4 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, "nog niet ingeleverd" is, wordt deze gewijzigd in "vervallen".
Art. 6.2/3.10. [1 Een leverancier levert maandelijks per product, overeenkomstig artikel 7.1/1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, een aantal garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en een aantal garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in dat overeenkomt met respectievelijk de hoeveelheid elektriciteit die hij in de voorgaande maand heeft verkocht aan afnemers in het Vlaamse Gewest als elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, en de hoeveelheid elektriciteit die hij in de voorgaande maand heeft verkocht aan afnemers in het Vlaamse Gewest als elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling.
Art. 6.2/3.11. [1 Als een garantie van oorsprong wordt uitgevoerd buiten het Vlaamse Gewest, draagt de VREG op verzoek van de eigenaar van de garantie van oorsprong in kwestie de nodige gegevens van de garantie van oorsprong over aan de bevoegde instantie in het gewest of het land waarnaar de garantie van oorsprong werd uitgevoerd.
Art. 6.2/3.12. [1 Een garantie van oorsprong die afkomstig is uit een ander gewest of een land uit de Europese Economische Ruimte, kan in het Vlaamse Gewest worden ingevoerd indien de eigenaar ervan aan de VREG aantoont dat voldaan wordt aan de volgende voorwaarden :
Art. 6.2/3.13. [1 Levering van een hoeveelheid elektriciteit aan eindafnemers onder de benaming "elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen" of een gelijkwaardige benaming, of onder benaming "elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling", of een gelijkwaardige benaming, is enkel toegestaan mits inlevering bij de VREG van een overeenkomstig aantal garanties van oorsprong.]1
Art. 6.2/3.14. [1 § 1. Een leverancier van elektriciteit bezorgt maandelijks aan de VREG, een lijst van de afnemers die op het net van een netbeheerder of transmissienetbeheerder aangesloten zijn en die door de leverancier worden voorzien van elektriciteit, opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, met per afnemer vermelding van het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in de totale elektriciteitslevering aan deze afnemer.
Art. 6.2/3.15. [1 De VREG biedt op haar website aan afnemers van elektriciteit de mogelijkheid aan om te controleren of, en in welke mate, hun leverancier hun elektriciteit heeft geleverd die werd opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling. Daarbij wordt uitgegaan van de gegevens van de controle, vermeld in artikel 6.2/3.14.]1
HOOFDSTUK III. - Informatieverlening over oorsprong en milieugevolgen van geleverde elektriciteit
Art. 6.3.1-6.3.5
HOOFDSTUK IV. - Openbaredienstverplichtingen voor de leveranciers, distributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit ter stimulering van het rationeel energiegebruik en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen
Afdeling I. - [1 Openbaredienstverplichtingen voor de distributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit ter stimulering van het rationeel energiegebruik]1
Onderafdeling 1. [1 - Actieverplichtingen]1
Art. 6.4.1, 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2, 6.4.1/2, 6.4.1/3, 6.4.1/4, 6.4.1/5, 6.4.1/6, 6.4.1/7, 6.4.1/8, 6.4.1/9, 6.4.1/10, 6.4.1/11
Onderafdeling 2. - [1 Financiering]1
Art. 6.4.1/12
Afdeling II.
Art. 6.4.2-6.4.12
Afdeling III. - Actieverplichtingen voor de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit inzake het gebruik van hernieuwbare energiebronnen
Onderafdeling I. - Beperking van aansluitingskosten
Art. 6.4.13
Onderafdeling II. - Voorrang
Art. 6.4.14
Afdeling IV. - [1 Rapportering van de elektriciteitsdistributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit]1
Onderafdeling I. - REG-actieplan
Art. 6.4.15-6.4.16
Onderafdeling II.
Art. 6.4.17-6.4.18
Onderafdeling III.
Art. 6.4.19-6.4.20
Afdeling V. - Actieverplichtingen voor de aardgasdistributienetbeheerders
Art. 6.4.21-6.4.22
Afdeling VI. - Actieverplichtingen voor de leveranciers van elektriciteit
Art. 6.4.23-6.4.24, 6.4.24/1
Afdeling VII. - Actieverplichtingen voor de leveranciers van aardgas
Art. 6.4.25, 6.4.25/1
Afdeling VIII.
Art. 6.4.26
HOOFDSTUK V. - Energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen
Afdeling I. - Opmaak en inhoud van de energieplannen en energiestudies
Art. 6.5.1-6.5.4
Afdeling II. - Conformverklaring van energieplannen
Art. 6.5.5
Afdeling III. - Aanvaarding van energiedeskundigen
Art. 6.5.6
Afdeling IV. - Actualisering van het energieplan
Art. 6.5.7
Afdeling V. - Overzichtrapport van de overheid
Art. 6.5.8
TITEL VII. - Tegemoetkomingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en de toepassing van flexibiliteitsmechanismen
HOOFDSTUK I. [1 - Gemeenschappelijke bepalingen.]1
Art. 7.1.1-7.1.12
HOOFDSTUK II. - Steunprogramma's voor niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen
Afdeling I. - Toekenning van een subsidie voor de plaatsing van micro-WKK's en warmtepompen
Art. 7.2.1-7.2.6
Afdeling II. - Toekenning van subsidies aan sociale verhuurkantoren voor de uitvoering van energiebesparende investeringen in residentiële gebouwen
Art. 7.2.7-7.2.13
Afdeling III. - Toekenning van subsidies aan energieconsulentenprojecten
Onderafdeling I. - Toepassingsgebied
Art. 7.2.14
Onderafdeling II. - Algemene voorwaarden
Art. 7.2.15
Onderafdeling III. - Procedure
Art. 7.2.16-7.2.17
Onderafdeling IV. - Beoordelingscriteria
Art. 7.2.18-7.2.19
Onderafdeling V. - Uitbetaling van de subsidie
Art. 7.2.20
Afdeling IV. [1 - Rentesubsidie voor de leningen toegestaan aan de Lokale Entiteiten die een overeenkomst hebben gesloten met het Fonds ter reductie van de globale energiekost]1
Art. 7.2.21-7.2.22
HOOFDSTUK III. - Marktintroductieprogramma
Art. 7.3.1
HOOFDSTUK IV. [1 - Ondersteuning van nuttige groene warmte]1
Afdeling I. - [1 Algemene bepalingen]1
Art. 7.4.1
Afdeling II. - [1 De voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning]1
Art. 7.4.2
Afdeling III. - [1 Indienen en beoordelen van een steunaanvraag]1
Art. 7.4.3
Afdeling IV. - [1 Toekennen van de steun en controle]1
Art. 7.4.4
HOOFDSTUK V. [1 - Ondersteuning van restwarmte]1
Afdeling I. - [1 Algemene bepalingen]1
Art. 7.5.1
Afdeling II. - [1 De voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning]1
Art. 7.5.2
Afdeling III. - [1 Indienen en beoordelen van een steunaanvraag]1
Art. 7.5.3
Afdeling IV. - [1 Toekennen van de steun en controle]1
Art. 7.5.4
HOOFDSTUK VI. [1 - Ondersteuning van de injectie van biomethaan]1
Afdeling I. - [1 Algemene bepalingen]1
Art. 7.6.1
Afdeling II. - [1 De voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning]1
Art. 7.6.2
Afdeling III. - [1 Indienen en beoordelen van een steunaanvraag]1
Art. 7.6.3
Afdeling IV. - [1 Toekennen van de steun en controle]1
Art. 7.6.4
TITEL VIII. - Erkenning van energiedeskundigen
HOOFDSTUK I. - Erkenning als energiedeskundige type A, type B, type C en type D
Art. 8.1.1-8.1.2
HOOFDSTUK II. - Interne energiedeskundige voor publieke gebouwen
Art. 8.2.1
HOOFDSTUK III. [1 - Centraal examen voor energiedeskundigen]1
Afdeling I. [1 - Deelname aan het centraal examen voor energiedeskundigen]1
Art. 8.3.1
Afdeling II. [1 - Retributie voor de deelname aan het centraal examen voor energiedeskundigen]1
Art. 8.3.2. [1 § 1. Deelname aan het centraal examen, vermeld in artikel 8.1.1, eerste lid, 3°, is alleen toegestaan na de betaling van een retributie van 150 euro.
HOOFDSTUK IV. - [1 Opleidings- en exameninstellingen voor de certificering van aannemers en installateurs]1
Art. 8.4.1
HOOFDSTUK V. - [1 Certificering van aannemers en installateurs]1
Art. 8.5.1
TITEL IX. - Energieprestatie van gebouwen
HOOFDSTUK I. - Energieprestaties en binnenklimaat van gebouwen
Afdeling I. - Algemene bepalingen
Art. 9.1.1
Afdeling II. - EPB-eisen bij nieuwbouw
Onderafdeling I. - Thermische isolatie
Art. 9.1.2-9.1.5
Onderafdeling II. - Ventilatie
Art. 9.1.6-9.1.7
Onderafdeling III. - E-peil en oververhitting
Art. 9.1.8-9.1.12
Onderafdeling III/1. [1 - Netto-energiebehoefte voor verwarming]1
Art. 9.1.12/1
Onderafdeling III/2. [1 - Aandeel hernieuwbare energie]1
Art. 9.1.12/2, 9.1.12/3
Onderafdeling IV. - EPB-haalbaarheidsstudies voor alternatieve energiesystemen
Art. 9.1.13-9.1.14
Afdeling III. - [1 - EPB-eisen bij renovatie en functiewijziging]1
Onderafdeling I. [1 - Renovatie]1
Art. 9.1.15
Onderafdeling II. [1 - Functiewijziging met een beschermd volume dat groter is dan 800 m3]1
Art. 9.1.16-9.1.19
Afdeling IV. - Vrijstellingen en afwijkingen
Art. 9.1.20-9.1.30
Afdeling V. - Uitvoeringsmaatregelen
Art. 9.1.31-9.1.32
Afdeling VI. - Overgangs- en slotbepalingen
Art. 9.1.33
HOOFDSTUK II. - Energieprestatiecertificaten
Afdeling I. - Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen
Onderafdeling I. - Opmaak van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen
Art. 9.2.1-9.2.2
Onderafdeling II. - Overdracht van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur
Art. 9.2.3-9.2.5
Afdeling II. - Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen
Onderafdeling I. - Opmaak van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen
Art. 9.2.6-9.2.7
Onderafdeling II. - Overdracht van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur
Art. 9.2.8-9.2.10, 9.2.10/1
Afdeling III. - Het energieprestatiecertificaat bouw
Art. 9.2.11
Afdeling IV. - Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen
Onderafdeling I. - Opmaak van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen
Art. 9.2.12-9.2.13
Onderafdeling II. - Berekening van het kengetal publiek
Art. 9.2.14-9.2.16
HOOFDSTUK III. - De energieaudit residentieel
Art. 9.3.1-9.3.2
TITEL X. - Energiebeleidsrapportering
Art. 10.1.1-10.1.9
TITEL XI. - Toezicht en sancties
HOOFDSTUK I. - Toezicht door het Vlaams Energieagentschap
Afdeling I. - Controle op de gevolgde opleidingen van de energiedeskundigen type A, type B, type C, type D en de interne energiedeskundigen
Art. 11.1.1
Afdeling II. - Controle op de energiebeleidsrapportering
Art. 11.1.2
Afdeling IV. [1 Controle op de openbaredienstverplichtingen voor de distributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit ter stimulering van het rationeel energiegebruik]1
Art. 11.1.4
HOOFDSTUK II. - Administratieve sancties opgelegd door het Vlaams Energieagentschap
Afdeling I. - Schorsing of intrekking van de erkenning van energiedeskundigen
Art. 11.2.1-11.2.3
Afdeling II. - Sanctieprocedure bij niet - naleving van beleidsrapportering
Art. 11.2.4
Afdeling III. - Dwangbevel
Art. 11.2.5
Afdeling IV. - [1 Intrekking van de erkenning van een opleidings- en exameninstelling]1
Art. 11.2.6. [1 Het Vlaams Energieagentschap kan de erkenning van een opleidings- of exameninstelling, vermeld in artikel 8.4.1, intrekken in een van volgende gevallen :
Afdeling V. - [1 Intrekking van het certificaat van bekwaamheid en certificaat van bekwaamheid aspirant]1
Art. 11.2.7. [1 Wanneer het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat het werk van een met toepassing van artikel 8.5.1 gecertificeerde aannemer of installateur van onvoldoende kwaliteit getuigt, of wanneer een gecertificeerde aannemer of installateur de voorwaarden van de certificering, vermeld in artikel 8.5.1, § 3 en § 4, niet naleeft, dan kan het agentschap het hem toegekende certificaat van bekwaamheid of certificaat van bekwaamheid als aspirant intrekken. Het Vlaams Energieagentschap kan in dit kader een beroep doen op externe expertise.
TITEL XII. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen
HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling I. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning
Art. 12.1.1-12.1.3
Afdeling II. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1992 houdende instelling van een aanpassingspremie en een verbeteringspremie voor woningen
Art. 12.1.4
Afdeling III. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
Art. 12.1.5
Afdeling IV. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water, wat betreft elektriciteit en gas
Art. 12.1.6-12.1.8
Afdeling V. - Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie
Art. 12.1.9
Afdeling VI. - Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007 tot regeling van de vergoedingen van de bestuurders van de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid, en van de regeringsafgevaardigden die toezicht uitoefenen bij deze agentschappen
Art. 12.1.10
Afdeling VII. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2007 houdende vaststelling van de regels die de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding bepalen en van de fysische en financiële normen voor de schoolgebouwen, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding
Art. 12.1.11-12.1.12
Afdeling VIII. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten
Art. 12.1.13
Afdeling IX. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen
Art. 12.1.14-12.1.23
Afdeling X. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 betreffende de verzekering gewaarborgd wonen
Art. 12.1.24-12.1.27
Afdeling XI. - Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2009 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering
Art. 12.1.28
HOOFDSTUK II. - Opheffingsbepalingen
Art. 12.2.1
HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen
Art. 12.3.1-12.3.6
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen
Art. 12.4.1-12.4.4
BIJLAGEN.
Art. N1-N3, N3/1, N3/2, N3/3, N3/4, N4-N11

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen

  Artikel 1.1.1 § 1. De begrippen en definities, vermeld in het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid, zijn van toepassing op dit besluit.
  § 2. In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° aangesloten wooneenheid of residentieel gebouw : wooneenheid of residentieel gebouw, aangesloten op het distributienet;
  2° aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning : de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
  3° afrekeningsfactuur : de factuur voor de afrekening van een gemeten, geschatte of conventioneel overeengekomen verbruik over een bepaalde periode, met uitzondering van de facturen voor de betaling van voorschotten;
  [10 3° /1 Algemene Groepsvrijstellingsverordening : verordening EGnr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard, en alle latere wijzigingen;]10
  4° auditsoftware : de software die ter beschikking wordt gesteld door het Vlaams Energieagentschap aan de energiedeskundigen type B om een energieaudit residentieel uit te voeren, waarmee een fiscaal attest kan worden opgesteld en waarmee de berekende resultaten en de gegevens die aan de grondslag liggen van de energieaudit residentieel, kunnen worden doorgestuurd naar een databank die het Vlaams Energieagentschap heeft aangewezen;
  5° [4 ...]4
  6° [4 ...]4
  7° beschermde afnemer : huishoudelijke eindafnemer waarbij op het adres van de aansluiting minstens één persoon gedomicilieerd is die behoort tot de lijst van residentiële klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie, vermeld in artikel 4 van de Programmawet van 27 april 2007, in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 maart 2007 tot vaststelling van maximumprijzen voor de levering van aardgas aan de beschermde residentiële afnemers met een laag inkomen of in een kwetsbare positie en artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 maart 2007 tot vaststelling van maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan de beschermde residentiële afnemers met een laag inkomen of in een kwetsbare positie.;
  8° [4 ...]4
  9° biomassa : de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsook de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;
  [11 9° /1 biomethaan : biogas uit organisch-biologische stof waarvan de eigenschappen werden gewijzigd als gevolg van een fysische en/of chemische behandeling om het uitwisselbaar te maken met aardgas van het net of het aardgas gebruikt voor voertuigen;]11
  10° biotransportbrandstof : biomassa die wordt aangewend om een voertuig aan te drijven;
  11° bruikbare vloeroppervlakte : de som van de brutovloeroppervlakten van alle vloerniveaus binnen het beschermde volume van het gebouw, berekend volgens de door het Vlaams Energieagentschap vastgelegde specificaties;
  [10 11° /1 bruto thermisch vermogen : het door de constructeur in de technische specificaties van de installatie vermelde maximaal thermisch vermogen, met uitsluiting van het ingaand thermisch vermogen;]10
  12° certificaatgerechtigde : natuurlijke persoon of rechtspersoon die recht heeft op groenestroomcertificaten, overeenkomstig artikel 7.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, of op warmtekrachtcertificaten, overeenkomstig artikel 7.1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  13° certificatenverplichting : verplichting tot het inleveren van een aantal groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten, als vermeld in respectievelijk artikel 7.1.10 en 7.1.11 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  14° certificatiesoftware niet-residentieel : de software die ter beschikking wordt gesteld door het Vlaams Energieagentschap aan de energiedeskundigen type D voor de certificering van een of meer types van bestaande niet-residentiële gebouwen, waarmee het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen kan worden opgesteld en waarmee de berekende resultaten en de gegevens die aan de grondslag liggen van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen, kunnen worden doorgestuurd naar de [2 energieprestatiecertificatendatabank]2;
  15° certificatiesoftware residentieel : de software die ter beschikking wordt gesteld door het Vlaams Energieagentschap aan de energiedeskundigen type A voor de certificering van bestaande residentiële gebouwen, waarmee het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen kan worden opgesteld en waarmee de berekende resultaten en de gegevens die aan de grondslag liggen van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen, kunnen worden doorgestuurd naar de [2 energieprestatiecertificatendatabank]2;
  16° collectieve huisvesting : huisvesting waarbij verschillende personen buiten gezinsverband in hetzelfde residentiële gebouw zijn gedomicilieerd;
  17° dagmeter : elektriciteitsmeter waarmee het verbruik wordt gemeten tijdens de normale uren, zoals vastgelegd door de netbeheerder;
  18° datum van indienstneming : datum waarop een productie-installatie voor het eerst in dienst werd genomen of datum waarop een warmtekrachtinstallatie ingrijpend gewijzigd werd;
  19° de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen : de afdeling Milieuvergunningen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, zoals bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries;
  20° [4 ...]4
  21° dominerende aandeelhouder : elke natuurlijke of rechtspersoon die geen gemeente is en elke groep van personen die in onderling overleg optreden, die, rechtstreeks of onrechtstreeks, ten minste 10 procent bezitten van het kapitaal van de netbeheerder of van de stemrechten, verbonden aan de effecten die door hem zijn uitgegeven;
  22° EAN-code : code die bestaat uit 18 cijfers voor de unieke identificatie van een toegangspunt op het elektriciteits- of aardgasnet (European Article Numbering);
  23° economisch aantoonbare vraag : de vraag die de behoefte aan warmte of koeling niet overstijgt en waaraan anders onder marktvoorwaarden zou worden voldaan door andere processen van energieopwekking [10 ...]10 ;
  24° eenheidsprijs per kWh : de gewogen gemiddelde kWh marktprijs voor huishoudelijke afnemers in het Vlaamse Gewest op 1 januari van het jaar waarvoor de hoeveelheid gratis elektriciteit, vermeld in artikel 5.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wordt toegekend;
  25° elektrisch rendement : netto-elektriciteitsproductie, gedeeld door het totale brandstofverbruik, uitgedrukt op de onderste verbrandingswaarde;
  26° energieaudit : doorlichting van een gebouw, domein of infrastructuur, waarbij het besparingspotentieel wordt onderzocht. Een energieaudit gaat gepaard met een uitgebreid rapport met gedetailleerde gegevens over economisch verantwoorde maatregelen om geld en energie te besparen door efficiënter met energie om te gaan, zonder het comfortniveau te verlagen. Het rapport omvat :
  a) de huidige toestand van het gebouw en de installaties;
  b) het energieverbruik (elektriciteit en brandstof), uitgezet tegen algemene referentiewaarden;
  c) het huidige comfort van de gebruikers, uitgezet tegen het gewenste comfortniveau;
  d) concrete energiebesparende maatregelen;
  27° energieaudit residentieel : een met behulp van de auditsoftware uitgevoerde analyse van de energie-efficiëntie van een bestaand residentieel gebouw, waarbij in een gedetailleerd auditrapport energiebesparingsmaatregelen worden geïdentificeerd, gekwantificeerd en geprioriteerd in overleg met de aanvrager;
  28° energieconsulentenproject : een samenhangend geheel van activiteiten voor een specifieke doelgroep die gericht zijn op de bevordering van rationeel energiegebruik en -beheer via het voeren van campagnes en acties of informatieverzameling en -verstrekking inzake rationeel energiegebruik of de organisatie van vorming over rationeel energiegebruik;
  29° energiedeskundige type A : de natuurlijke persoon, onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandige, of de bezoldigde medewerker van een rechtspersoon, die het energieprestatiecertificaat voor residentiële gebouwen opmaakt;
  30° energiedeskundige type B : de natuurlijke persoon, onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandige, of de bezoldigde medewerker van een rechtspersoon, die de energieaudit voor residentiële gebouwen opmaakt;
  31° energiedeskundige type C : de natuurlijke persoon, onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandige, of de bezoldigde medewerker van een rechtspersoon, die energieadvies over publieke gebouwen verstrekt;
  32° energiedeskundige type D : de natuurlijke persoon, onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandige, of de bezoldigde medewerker van een rechtspersoon, die het energieprestatiecertificaat voor niet-residentiële gebouwen opmaakt;
  33° energiegebruik : het primaire elektriciteitsgebruik en het primaire energetische gebruik van energiedragers en niet het non-energetische gebruik van energiedragers in de vorm van als grondstof ingezette energiedragers;
  34° energie-intensieve inrichting : inrichting met een jaarlijks energiegebruik van ten minste 0,1 PJ;
  35° energieprestatiecertificaat bij de bouw : het certificaat waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de totale energie-efficiëntie van een nieuw gebouw, uitgedrukt in een of meer numerieke indicatoren;
  36° energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen : het certificaat waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de totale energie-efficiëntie van een bestaand niet-residentieel gebouw, uitgedrukt in een of meer numerieke indicatoren;
  37° energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen : het certificaat waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de totale energie-efficiëntie van een bestaand residentieel gebouw, uitgedrukt in één of meer numerieke indicatoren
  38° [6 energiescan : een doorlichting die, op basis van een bezoek ter plaatse, een eerste beeld geeft van de energiesituatie en het energiebesparingspotentieel op het vlak van gebouwschil, verwarming, sanitair warm water, verlichting, elektrische apparaten en gedrag, en waarbij tijdens het eerste bezoek de energiefactuur kan worden gescreend in functie van optimalisatie op basis van onder meer een leveranciersvergelijking, premies voor energiebesparende investeringen kunnen worden toegelicht en op de plaatsen waar dit zinvol wordt geacht, spaarlampen, een spaardouchekop, radiatorfolie, buisisolatie, tochtstrips, een timer voor een waterboiler, een stroomverdeeldoos met schakelaar kunnen worden geplaatst en radiatoren kunnen ontlucht worden, of een voortgangscontrolebezoek waarbij deze en andere energiebesparende maatregelen kunnen worden uitgevoerd;]6
  39° energiezorgsysteem : een systeem dat systematisch het energieverbruik in eigen beheer controleert en dat tot eenvoudige ingrepen leidt om onnodig energieverbruik te vermijden en het duurzame energiebeleid te versterken. De energieboekhouding vormt het geraamte van energiezorg. Een energieaudit van een of meer entiteiten kan ook een onderdeel zijn van een energiezorgsysteem voor zover de resultaten ervan leiden tot concrete besparingsmaatregelen met controleerbare effecten. Ook de effectieve besparingsmaatregelen vormen een onderdeel van een energiezorgsysteem;
  40° EPB-haalbaarheidsstudie : studie waaruit blijkt dat de technische, milieukundige en economische haalbaarheid van alternatieve energiesystemen voor de start van de bouw in aanmerking werd genomen;
  41° [9 feitelijke waarde : de broeikasgasemissiereductie die bereikt wordt met bepaalde of met alle stappen van een specifiek productieproces voor biobrandstof of vloeibare biomassa als berekend volgens de werkwijze in deel C van bijlage XI;]9
  42° [4 ...]4
  43° gebouw met een andere specifieke bestemming : gebouw dat niet valt onder residentieel gebouw, kantoorgebouw, schoolgebouw of industrieel gebouw. Daaronder vallen :
  a) ziekenhuizen;
  b) hotels en restaurants;
  c) sportvoorzieningen;
  d) groot- en kleinhandelsgebouwen;
  e) andere typen energieverbruikende gebouwen;
  44° gebouw : voor de toepassing van titel VIII en IX, elk gebouw in zijn geheel of delen ervan die zijn ontworpen of aangepast om afzonderlijk te worden gebruikt en waarvoor energie verbruikt wordt om ten behoeve van mensen een specifieke binnentemperatuur te bereiken;
  45° gebouwsite : een of meer gebouwen op dezelfde locatie die geheel of gedeeltelijk door een publieke organisatie worden gebruikt, en die minstens één gemeenschappelijke teller gebruiken;
  46° [4 ...]4
  47° gezondheidsvoorziening : een organisatie die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap en activiteiten uitoefent op het gebied van de zorgverstrekking, de gezondheidsopvoeding en de preventieve gezondheidszorg, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met uitzondering van de voorzieningen werkzaam op het vlak van de medisch verantwoorde sportbeoefening;
  48° huishoudelijke eindafnemer : ofwel elke natuurlijke persoon die elektriciteit afneemt om te voorzien in zijn behoeften of die van de personen die samen met hem in de woning in kwestie verblijven, behalve als het leveringscontract voor de levering van elektriciteit op het afnamepunt in kwestie werd gesloten door een rechtspersoon, ofwel de eigenaar van de woning in kwestie, behalve als het leveringscontract voor de levering van elektriciteit op het afnamepunt in kwestie werd gesloten door een rechtspersoon;
  49° industrieel gebouw : gebouw dat bestemd is voor de productie, de bewerking, de opslag of manipulatie van goederen;
  50° ingrijpende wijziging : wijziging van een warmtekrachtinstallatie, waarbij minstens voldaan is aan een van de volgende voorwaarden :
  a) de relatieve primaire energiebesparing, uitgedrukt in procenteenheden, stijgt met minstens 5 procenteenheden, waarbij de relatieve primaire energiebesparing wordt berekend op basis van de referentierendementen die voor de bestaande warmtekrachtinstallatie werden vastgelegd;
  b) de warmtekrachtinstallatie vervangt een warmtekrachtinstallatie die ouder is dan tien jaar voor motoren en twintig jaar voor turbines. Daarbij moet minstens de motor of de turbine vervangen worden door een nog niet gebruikte motor of turbine;
  c) het elektrisch of mechanisch vermogen neemt toe met minstens 25 %, terwijl de relatieve primaire energiebesparing ook toeneemt;
  51° inspectieprotocol niet-residentieel : het document dat het Vlaams Energieagentschap ter beschikking stelt aan de energiedeskundige type D en dat vastlegt op welke wijze de inspectie ter plaatse wordt uitgevoerd, alsook de manier waarop de energiedeskundige type D de gegevens op een uniforme manier moet meten en omzetten bij gebruik van de certificatiesoftware niet-residentieel;
  52° inspectieprotocol residentieel : het document dat het Vlaams Energieagentschap ter beschikking stelt aan de energiedeskundige type A en dat vastlegt op welke wijze de inspectie ter plaatse wordt uitgevoerd, alsook de manier waarop de energiedeskundige type A de gegevens op een uniforme manier moet meten en omzetten bij gebruik van de certificatiesoftware residentieel;
  53° Inspectieprotocol : inspectieprotocol residentieel of inspectieprotocol niet-residentieel;
  54° intern verzelfstandigd agentschap : een agentschap, vermeld in artikel 6 tot en met 9 van het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003;
  55° [1 inventaris van het bouwkundig erfgoed : de inventaris van het bouwkundig erfgoed, vermeld in artikel 3, § 1, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed;]1
  56° kantoorgebouw : gebouw dat bestemd is voor een dienstverleningsfunctie, waarin voornamelijk administratief werk wordt verricht, en waaronder ook de gebouwen vallen die bestemd zijn om te worden gebruikt voor de uitoefening van een vrij beroep als vermeld in de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen;
  57° kengetal niet-residentieel : de verhouding tussen enerzijds het primaire energieverbruik dat nodig is voor onder meer de verwarming, de sanitaire warmwatervoorziening, de koeling, de ventilatie en de ingebouwde lichtinstallatie van een niet-residentieel gebouw, en anderzijds de bruikbare vloeroppervlakte van het niet-residentiële gebouw, namelijk de som van de brutovloeroppervlakten van alle vloerniveaus binnen het beschermde volume van het niet-residentiële gebouw, zoals berekend volgens de door het Vlaams Energieagentschap vastgelegde specificaties;
  58° kengetal publiek : de verhouding tussen enerzijds het bijgehouden gemeten globaal energieverbruik voor de verwarming, de warmtapwatervoorziening, de koeling, de ventilatie, de verlichting van een publiek gebouw en andere energieverbruik, en anderzijds de bruikbare vloeroppervlakte van het publieke gebouw;
  59° kengetal residentieel : de verhouding tussen enerzijds het primair energieverbruik dat nodig is voor de verwarming, de sanitairwarmwatervoorziening, de koeling en de ventilatie van een residentieel gebouw, en anderzijds de bruikbare vloeroppervlakte van het residentiële gebouw, namelijk de som van de brutovloeroppervlakten van alle vloerniveaus binnen het beschermde volume van het residentiële gebouw, zoals berekend volgens de door het Vlaams Energieagentschap vastgelegde specificaties;
  60° klantenkantoor : elk permanent kantoor dat toegankelijk is voor de eindafnemers die bij een elektriciteitsdistributienetbeheerder zijn aangesloten, waar onder andere informatie verstrekt wordt over aansluitingsmogelijkheden, elektriciteitstarieven of tarieven voor het gebruik van het elektriciteitsdistributienet;
  61° kleinschalige warmtekrachtkoppeling : productie, afkomstig van warmtekrachtkoppelingseenheden met een geïnstalleerd vermogen van minder dan 1 MWe;
  62° korteomloophout : hout van snelgroeiende houtachtige gewassen, waarbij de bovengrondse biomassa periodiek tot maximaal acht jaar na de aanplanting of na de vorige oogst in haar totaliteit wordt geoogst;
  63° laagspanning : spanningsniveau van 1 000 V of lager;
  64° leesrecht : recht op toegang tot de centrale databank als vermeld in artikel 6.1.14 en 6.2.11, om gegevens over bepaalde groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten te consulteren;
  65° leveringsvergunning : vergunning voor de levering van elektriciteit of aardgas, als vermeld in artikel 4.3.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  [5 65/1° Lokale Entiteit: de entiteit, vermeld in artikel 2, 6°, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 6 juli 2009 tot vaststelling van het beheerscontract van het Fonds ter reductie van de globale energiekost;]5
  66° micro-WKK : warmtekrachtkoppelingseenheid met een maximumcapaciteit van minder dan 50 kWe
  67° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid;
  68° nachtmeter : elektriciteitsmeter waarmee het verbruik wordt gemeten tijdens de stille uren, zoals vastgelegd door de netbeheerder;
  69° nettoafname : de afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit, verminderd met de geïnjecteerde hoeveelheid elektriciteit op hetzelfde aansluitingspunt;
  70° netto-elektriciteitsproductie :
  a) voor de toepassing van titel VI, de geproduceerde elektriciteit, verminderd met de gemeten elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen die horen bij de productie-installatie. Als die utiliteitsvoorzieningen andere energiebronnen dan elektriciteit, mechanische energie of thermische energie gebruiken, wordt de equivalente elektriciteitsafname berekend door de VREG als de elektriciteit die in een referentie-installatie met dezelfde hoeveelheid energie kan worden opgewekt. Voorzieningen die nodig zijn om de brandstof voor de productie-installatie te produceren, uitgaande van dierlijke mest, afvalwater of organisch-biologische afvalstoffen, worden niet als utiliteitsvoorzieningen beschouwd op voorwaarde dat aan de VREG wordt aangetoond dat het energieverbruik van die voorzieningen ook noodzakelijk is als ze niet zouden worden aangewend voor energierecuperatie;
  b) voor de toepassing van titel X, de brutogeproduceerde elektriciteit, verminderd met de elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen die bij de productie-installatie horen;
  71° niet-huishoudelijke eindafnemer : elke eindafnemer die niet voldoet aan de definitie van huishoudelijke eindafnemer;
  72° niet-residentieel gebouw : alle gebouwen met uitzondering van residentiële gebouwen, alleenstaande gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 50 m2, tijdelijke gebouwen die in principe niet langer dan twee jaar worden gebruikt, gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten, industriepanden, werkplaatsen of niet voor bewoning bestemde gebouwen van een landbouwbedrijf;
  [10 72/1° nuttige groene warmte : thermische energie die voor ruimteverwarming of -koeling of als proceswarmte wordt aangewend, en die wordt geproduceerd uit organisch-biologische stof als vermeld in artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 6° of in de opsomming van de organisch-biologische stoffen onder artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 7° om aan een economisch aantoonbare vraag te voldoen;
   72/2° nuttige-groenewarmte-installatie : een installatie, gelegen in het Vlaamse Gewest die nuttige groene warmte opwekt en waarbij het geheel of een gedeelte van de in de installatie opgewekte warmte niet wordt gebruikt in een kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallatie of waarbij het geheel of een gedeelte van de in de installatie gebruikte warmte niet afkomstig is van een kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallatie;]10
  73° nuttige warmte : warmte die in een warmtekrachtinstallatie wordt geproduceerd om aan een economisch aantoonbare vraag te voldoen;
  74° onafhankelijke bestuurder : elke bestuurder die een natuurlijke persoon of een eenpersoonsvennootschap met een natuurlijke persoon als aandeelhouder is en die :
  a) geen goederen of diensten levert aan en geen significant vermogensbelang heeft in een vennootschap of vereniging die goederen of diensten levert aan de netbeheerder, zijn werkmaatschappij of aan met de netbeheerder verbonden of geassocieerde ondernemingen;
  b) geen lid is van het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder en die geen familiebanden tot en met de derde graad heeft met een lid van dat orgaan;
  c) geen enkele functie of activiteit uitoefent, al dan niet bezoldigd, voor een producent, een houder van een leveringsvergunning of een tussenpersoon of voor een dominerende aandeelhouder, en die zo'n functie of activiteit niet heeft uitgeoefend tijdens de twaalf maanden voor zijn benoeming als bestuurder van de netbeheerder;
  d) geen enkele andere, directe of indirecte, relatie onderhoudt met een van de personen, vermeld in punt c), of met daarmee verbonden of geassocieerde ondernemingen die, volgens de VREG, zijn oordeel kunnen beïnvloeden;
  75° onderste verbrandingswaarde : de hoeveelheid warmte die vrijkomt bij de volledige verbranding van een brandstof, zonder condensatie van de waterdamp in de verbrandingsgassen;
  76° onderwijsinstelling : alle scholen, internaten, centra voor volwassenenonderwijs en voor basiseducatie, centra voor leerlingenbegeleiding, hogescholen en universiteiten, die gefinancierd, gesubsidieerd of erkend zijn door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;
  77° openbare verlichting : de verlichting die gelegen is boven, onder, op of langs wegen, paden, pleinen, bruggen, tunnels en waterlopen, waarbij die wegen, paden, pleinen, bruggen, tunnels of waterlopen onder het beheer van een gemeente of een autonoom gemeentebedrijf vallen;
  78° organisch-biologische stoffen of afvalstoffen : organische stoffen of afvalstoffen van biologische oorsprong, meer bepaald stoffen die via natuurlijke biologische processen in een korte tijdspanne kunnen worden omgezet in elementaire chemische bouwstenen;
  79° personen die in onderling overleg optreden : alle natuurlijke of rechtspersonen waartussen een akkoord bestaat met als doel of gevolg dat ze een parallelle gedragslijn volgen voor de uitoefening van hun stemrechten binnen de netbeheerder;
  80° petroleumproducten : lpg, benzine, kerosine, lamppetroleum, gas- en dieselolie, zware stookolie, propaan en butaan;
  81° primaire energiebesparing : relatieve besparing ten opzichte van het normale verloop van het primaire energieverbruik als geen REG-actieplan wordt uitgevoerd;
  [10 81/1° proceswarmte : warmte of koude die voor een bepaald proces wordt opgewekt, behalve voor de opwekking van elektriciteit;]10
  82° promotor : een niet-commerciële instelling die een projectvoorstel indient, die het project coördineert en die de eindverantwoordelijkheid draagt van het project;
  83° publiek gebouw : gebouw dat vaak door het publiek wordt bezocht omdat er een publieke organisatie in is gevestigd;
  84° publieke organisatie : de federale overheid, inclusief de parastatalen, de Vlaamse overheid, inclusief de intern en extern verzelfstandigde agentschappen, de provinciale overheden, de gemeentelijke overheden, inclusief de O.C.M.W.'s, overheidsbedrijven en onderwijsinstellingen, welzijns- of gezondheidsvoorzieningen;
  85° referentie-installatie : installatie voor elektriciteitsproductie of voor warmteproductie, die gebruikmaakt van de best beschikbare technologie die algemeen toepasbaar is;
  86° relatieve primaire energiebesparing : verhouding tussen enerzijds de warmtekrachtbesparing, en anderzijds het energieverbruik van de referentie-installatie of de best beschikbare aandrijftechnologie om dezelfde hoeveelheid elektriciteit, mechanische energie of nuttige warmte op te wekken;
  87° residentieel gebouw : elk gebouw dat bestemd is voor individuele of collectieve bewoning;
  88° restafval : niet-selectief ingezameld afval;
  89° R-waarde : warmteweerstand van een constructieonderdeel;
  90° [4 ...]4
  91° schoolgebouw : gebouw dat bestemd is voor een onderwijsfunctie;
  92° schrijfrecht : recht op toegang tot de centrale databank, vermeld in artikel 6.1.14 en 6.2.11, om gegevens over bepaalde groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten te consulteren en die gegevens aan te passen;
  93° sensibilisering en algemene informatieverspreiding : actie die gericht is op de verspreiding van informatie over rationeel energiegebruik en de promotie ervan, door middel van onder meer brochures, publicaties en uitzendingen in de geschreven en audiovisuele pers, deelname aan beurzen en andere evenementen;
  94° site : de locatie van een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie of een verzameling kwalitatieve warmtekrachtinstallaties voor de productie van mechanische energie of elektriciteit, dan wel een installatie of verzameling installaties voor de productie van elektriciteit op basis van dezelfde hernieuwbare energiebron en dezelfde productiemethode, waarbij de geproduceerde elektriciteit ter plaatse verbruikt of geleverd wordt aan het distributienet, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of het transmissienet of aan directe lijnen via één aansluitingspunt en waarvoor de overeenstemmende warmtekrachtcertificaten of groenestroomcertificaten toekomen aan één certificaatgerechtigde;
  95° sociale maximumprijs voor aardgas : de aardgasprijs, vermeld in artikel 15/10, § 2 en § 3, 4° en 5°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
  96° sociale maximumprijs voor elektriciteit : de elektriciteitsprijs, vermeld in artikel 20, § 2 en § 3, 4°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt;
  97° specifiek energiegebruik : het energiegebruik per eenheid van product van een bepaalde kwaliteit;
  [9 97/2° standaardwaarde : een waarde die is afgeleid van een typische waarde middels toepassing van tevoren vastgestelde factoren en die, onder welomschreven voorwaarden, gebruikt mag worden in plaats van een feitelijke waarde;]9
  98° stedenbouwkundige vergunning : de stedenbouwkundige vergunning, vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  99° SVK : sociaal verhuurkantoor, erkend door de Vlaamse minister, bevoegd voor de huisvesting, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren;
  100° thermisch rendement : nuttige warmte, gedeeld door het totale brandstofverbruik, uitgedrukt op de onderste verbrandingswaarde;
  [9 100/1° typische waarde : een raming van de representatieve broeikasgasemissiereductie die kenmerkend is voor een bepaalde productieroute van biobrandstoffen of vloeibare biomassa;]9
  101° unieke code : een code die op een unieke wijze het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen of niet-residentiële gebouwen identificeert en onder andere een unieke identificatie van de ligging van het gebouw en van de energiedeskundige respectievelijk type A of type D bevat;
  102° utiliteitsvoorzieningen : voorzieningen die nodig zijn voor de goede werking van de warmtekrachtinstallatie of de installatie voor productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen, of die nodig zijn om de gebruikte energiebron voor de opwekking van elektriciteit of mechanische energie geschikt te maken;
  103° verhuur :
  a) de gewone huur, als het gaat over een verhuur over een periode van meer dan twee maanden, de onroerende leasing en de woninghuur van residentiële gebouwen;
  b) de gewone huur, als het gaat over een verhuur over een periode van meer dan twee maanden, de handelshuur, de onroerende leasing en de concessies van niet-residentiële gebouwen;
  104° verkoop : de zuivere verkoop van het geheel in volle eigendom van een residentieel gebouw dat niet door de burgemeester ongeschikt of onbewoonbaar is verklaard of van een niet-residentieel gebouw;
  105° vestigingseenheid : een plaats die geografisch gezien geïdentificeerd kan worden door een adres, waar ten minste een activiteit van de onderneming wordt uitgeoefend of vanwaaruit de activiteit wordt uitgeoefend, als vermeld in artikel 2, 6°, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse andere bepalingen;
  [9 105/1° VLAREL : het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;]9
  106° welzijnsvoorziening : een organisatie die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap en activiteiten uitoefent op het gebied van het gezin, het maatschappelijk welzijn, het onthaal en de integratie van inwijkelingen, de mindervaliden, de bejaarden, de jeugdbescherming en de sociale hulpverlening aan gedetineerden met het oog op hun sociale re-integratie, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
  107° werkdag : elke dag van de week, met uitzondering van zaterdag, zondag en de wettelijke feestdagen;
  108° Wonen-Vlaanderen : het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Wonen-Vlaanderen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Wonen-Vlaanderen;
  [4 108/1° woongebouw : wat hoofdstuk IV van titel VI betreft : elk residentieel gebouw dat bestemd is voor collectieve huisvesting;]4
  109° zelfopwekkingsinstallatie : een elektriciteitsopwekkingsinstallatie, zonder warmtebenuttiging, waarmee een natuurlijke of rechtspersoon elektriciteit produceert die hoofdzakelijk bestemd is voor eigen gebruik;
  [3 110° nieuwbouw : het optrekken van een nieuw gebouw of het optrekken van een groot nieuw deel aan een bestaand gebouw met een beschermd volume dat groter is dan 800 m3, of met minstens een wooneenheid, al dan niet voorafgegaan door sloopwerken, of het ontmantelen van een gebouw;
  111° ontmantelen : het verbouwen van een gebouw met een beschermd volume dat groter is dan 3 000 m3, waarbij de dragende structuur van het gebouw behouden blijft, maar waarbij de installaties om een specifiek binnenklimaat te realiseren en minstens 75% van de gevels worden vervangen;
  112° renovatie : het uitvoeren van aanpassingswerkzaamheden aan een bestaand gebouw, met inbegrip van het optrekken van een klein nieuw deel aan een bestaand gebouw, waarbij het nieuwe deel een beschermd volume heeft dat kleiner is dan of gelijk is aan 800 m3 en geen extra wooneenheden bevat, al dan niet voorafgegaan door sloopwerken;
  113° functiewijziging met een beschermd volume groter dan 800 m3 : het wijzigen van de functie van een bestaand gebouw of een deel ervan met een beschermd volume groter dan 800 m3.]3
  
  ----------
  (1)<BVR 2011-06-10/14, art. 63, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (2)<BVR 2011-05-20/14, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>
  (3)<BVR 2011-05-20/14, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (4)<BVR 2011-09-23/12, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (5)<BVR 2012-03-02/09, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 14-04-2012>
  (6)<BVR 2012-09-07/13, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>
  (7)<BVR 2012-12-21/02, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>
  (8)<BVR 2012-12-21/02, art. 1,5°, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (9)<BVR 2013-07-19/72, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 08-10-2013>
  (10)<BVR 2013-09-13/31, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 30-11-2013>
  (11)<BVR 2013-09-13/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  TITEL II. - Het Vlaams Energieagentschap

  HOOFDSTUK I. - Benaming, doel en taakstelling van het Vlaams Energieagentschap

  Art. 2.1.1. § 1. Binnen het Vlaams ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie wordt een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid opgericht, onder de benaming Vlaams Energieagentschap.
  Alle officiële akten, officiële aankondigingen of andere officiële stukken, uitgaande van het Vlaams Energieagentschap, moeten de benaming van het agentschap vermelden, met onmiddellijk daarvoor of daarna, de volgende leesbaar en voluit geschreven woorden : "intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid van de Vlaamse overheid". Die verplichting geldt niet voor informatieverstrekking om promotionele of voorlichtingsredenen.
  § 2. Het Vlaams Energieagentschap wordt opgericht voor de uitvoering van een op duurzaamheid gericht energiebeleid.
  § 3. Het Vlaams Energieagentschap behoort tot het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie.
  § 4. Het Vlaams Energieagentschap heeft een centrale zetel waarvan de vestigingsplaats wordt bepaald door de minister. Het hoofd van het agentschap kan beslissen om een of meerdere vestigingen buiten de centrale zetel op te richten.

  Art. 2.1.2. Het Vlaams Energieagentschap heeft als missie de uitvoering van een op duurzaamheid gericht energiebeleid door de beleidsinstrumenten op een kostenefficiënte en kwaliteitsvolle manier in te zetten.

  Art. 2.1.3. Het Vlaams Energieagentschap vervult de volgende taken :
  1° het bevorderen van de milieuvriendelijke energieproductie en het beheer van de daartoe bestemde middelen en fondsen;
  2° het bevorderen van het rationeel energiegebruik en het beheer van de daartoe bestemde middelen en fondsen;
  3° de toepassing van de regelgeving in verband met het beheer en de uitbouw van de distributienetten van elektriciteit, gas en warmte, en van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit;
  4° het voeren van eigen sensibiliserings- en communicatieacties over milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik en het coördineren van sensibiliserings- en communicatieacties over milieuvriendelijke energieproductie die aan derden worden uitbesteed;
  5° het uitvoeren, of laten uitvoeren, van analyses ter ondersteuning van de beleidsuitvoering inzake het duurzame energiebeleid;
  6° het verwerken van de uit de beleidsuitvoering verworven informatie om beleidsgerichte input aan het departement te leveren;
  7° het bijdragen tot de uitvoering van het Vlaams Klimaatbeleidsplan;
  8° alle andere beleidsuitvoerende taken betreffende het energiebeleid die bij decreet of door de Vlaamse Regering aan het agentschap worden toevertrouwd.

  Art. 2.1.4. De concretisering van de kwalitatieve en kwantitatieve wijze waarop het agentschap zijn taken moet vervullen, met strategische en operationele doelstellingen, beschreven aan de hand van meetbare criteria, wordt geregeld in de beheersovereenkomst, vermeld in artikel 2.2.2.

  Art. 2.1.5. Bij de uitoefening van zijn missie en taken treedt het agentschap op namens de rechtspersoon Vlaamse Gewest.

  HOOFDSTUK II. - Aansturing en leiding van het Vlaams Energieagentschap

  Art. 2.2.1. Het Vlaams Energieagentschap ressorteert onder het hiërarchische gezag van de minister.

  Art. 2.2.2. De minister stuurt het Vlaams Energieagentschap aan, vooral via de beheersovereenkomst.
  De beheersovereenkomst wordt, na onderhandeling, gesloten tussen de Vlaamse Regering, vertegenwoordigd door de minister, en het hoofd van het agentschap.
  De beheersovereenkomst, alsook elke verlenging, wijziging, schorsing of ontbinding ervan, wordt voorafgaandelijk aan de Vlaamse Regering ter goedkeuring voorgelegd, op voorstel van de minister.

  Art. 2.2.3. Het hoofd van het agentschap is belast met de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van het Vlaams Energieagentschap.

  HOOFDSTUK III. - Delegatie van beslissingsbevoegdheden

  Art. 2.3.1. Naast de delegatie van beslissingsbevoegdheden voor de aangelegenheden die zijn vastgelegd in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid, worden aan het hoofd van het agentschap de volgende specifieke delegaties verleend :
  1° de delegatie tot de toekenning van attesten, vermeld in artikel 49 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, inzonderheid met betrekking tot de investeringsaftrek voor activa, zoals bedoeld in artikel 69, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  2° de delegatie tot de ondertekening van wegovereenkomsten als vermeld in het koninklijk besluit van 26 november 1973 tot vaststelling van de door de Staat, provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de houders van concessie van elektriciteitsvoorziening te volgen regelen.

  HOOFDSTUK IV. - Controle, opvolging en toezicht

  Art. 2.4.1. De minister is verantwoordelijk voor de opvolging van en het toezicht op het Vlaams Energieagentschap.

  Art. 2.4.2. Het Vlaams Energieagentschap is belast met de interne controle van zijn bedrijfsprocessen en activiteiten.

  Art. 2.4.3.[1 Audit Vlaanderen]1 evalueert de interne controlesystemen van het Vlaams Energieagentschap en kan in voorkomend geval [1 forensische audits]1 instellen.
  ----------
  (1)<BVR 2013-10-18/26, art. 37, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 2.4.4. De daartoe aangewezen diensten van het beleidsdomein Financiën en Begroting, zijn bevoegd voor de financiële controle en de certificering van de rekeningen.

  Art. 2.4.5. De informatieverstrekking en de rapportering door het Vlaams Energieagentschap omvatten ten minste :
  1° een jaarlijks ondernemingsplan en een operationeel plan op middellange en lange termijn;
  2° een periodiek rapport over het gebruik van de verleende delegaties;
  3° een jaarlijks rapport, alsook een eindrapport, over de uitvoering van de beheersovereenkomst, op basis van beleids- en beheersrelevante indicatoren en kengetallen.

  Art. 2.4.6. De minister kan, in het kader van de opvolging en de uitoefening van het toezicht, op ieder ogenblik aan het hoofd van het agentschap informatie, rapportering en verantwoording vragen over bepaalde aangelegenheden, zowel op geaggregeerd niveau als op niveau van individuele onderwerpen en dossiers.

  TITEL III. - Organisatie van de elektriciteits- en gasmarkt

  HOOFDSTUK I. - Het beheer van de distributienetten en het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in het Vlaamse Gewest

  Afdeling I. - De voorwaarden waaraan de netbeheerder moet voldoen

  Onderafdeling I. - De voorwaarden betreffende financiële en technische capaciteit

  Art. 3.1.1. De netbeheerder beschikt over voldoende financiële en technische capaciteit om de activiteiten als netbeheerder uit te oefenen.

  Art. 3.1.2. De financiële capaciteit kan onder meer aangetoond worden met de volgende documenten :
  1° passende bankverklaringen;
  2° balansen, uittreksels uit de balansen of jaarrekeningen, als de wetgeving van het land waar de netbeheerder gevestigd is de bekendmaking van de balansen voorschrijft;
  3° een verklaring over de omzet van de laatste drie boekjaren.

  Art. 3.1.3. De technische capaciteit kan onder meer aangetoond worden door de volgende documenten :
  1° een lijst met de relevante studie- en beroepskwalificaties van de personeelsleden;
  2° een lijst met de belangrijkste activiteiten in de laatste drie jaar;
  3° een verklaring die de vermelding bevat van de werktuigen, het materiaal en de technische uitrusting waarover de netbeheerder beschikt voor het beheer van het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit;
  4° een verklaring die de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting en de omvang van het kader weergeeft tijdens de laatste drie jaar;
  5° een verklaring waarin de technici of de technische diensten vermeld worden die, al dan niet deel uitmakend van de netbeheerder, ter beschikking staan van de netbeheerder voor het beheer van het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

  Onderafdeling II. - De voorwaarden betreffende de professionele betrouwbaarheid

  Art. 3.1.4. De netbeheerder geeft blijk van voldoende professionele betrouwbaarheid om de activiteiten als netbeheerder uit te oefenen.

  Art. 3.1.5. Er wordt geen blijk gegeven van professionele betrouwbaarheid door degene :
  1° die in staat van faillissement of van vereffening verkeert, die zijn werkzaamheden heeft gestaakt of die in een overeenstemmende toestand verkeert als gevolg van een soortgelijke procedure die bestaat in de wetgevingen en reglementeringen van de lidstaten van de Europese Unie;
  2° die aangifte heeft gedaan van zijn faillissement, voor wie een procedure van vereffening aanhangig is, of die het voorwerp is van een soortgelijke procedure die bestaat in de wetgevingen en reglementeringen van de lidstaten van de Europese Unie.

  Art. 3.1.6. De VREG kan beslissen dat er geen blijk van professionele betrouwbaarheid wordt gegeven door degene :
  1° die zelf, of waarvan een bestuurs- of directielid, bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is geweest voor een misdrijf dat zijn professionele integriteit aantast;
  2° die bij zijn beroepsuitoefening een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de VREG aannemelijk kan maken;
  3° die niet voldaan heeft aan de verplichtingen inzake de betaling van de bijdragen voor de sociale zekerheid die op hem rusten overeenkomstig de Belgische wetgeving of de wetgeving van het land waar hij gevestigd is;
  4° die niet voldaan heeft aan de verplichtingen inzake de betaling van belastingen die op hem rusten overeenkomstig de Belgische wetgeving of de wetgeving van het land waar hij gevestigd is;
  5° die zich schuldig heeft gemaakt aan het afleggen van valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen die op grond van het Aardgasdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan verstrekt moeten worden;
  6° die een gerechtelijk akkoord heeft verkregen, voor wie een procedure van gerechtelijk akkoord aanhangig is, of die het voorwerp is van een soortgelijke procedure die bestaat in de wetgevingen en reglementeringen van de lidstaten van de Europese Unie.

  Art. 3.1.7. Het bewijs dat iemand zich niet bevindt in een van de gevallen, vermeld in artikel 3.1.5 of 3.1.6, kan, onder meer, geleverd worden door de volgende stukken :
  1° voor artikel 3.1.5,1° : een bewijs van niet-faillissement en een bewijs van inschrijving, of evenwaardige documenten, uitgereikt door een gerechtelijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong, waaruit blijkt dat aan de gestelde eisen is voldaan;
  2° voor artikel 3.1.5, 2°, en artikel 3.1.6, 1° en 6° : een uittreksel uit het strafregister of een evenwaardig document, uitgereikt door een gerechtelijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong of herkomst, waaruit blijkt dat aan de gestelde eisen is voldaan;
  3° voor artikel 3.1.6, 3° en 4° : een getuigschrift, uitgereikt door de bevoegde overheidsinstantie van het land in kwestie.
  Als een van de documenten of getuigschriften, vermeld in het eerste lid, niet uitgereikt wordt in het land in kwestie, kan het vervangen worden door een verklaring onder eed of een plechtige verklaring van de betrokkene voor een gerechtelijke of overheidsinstantie, voor een notaris of voor een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst.

  Onderafdeling III. - De voorwaarden betreffende het eigendoms- of exploitatierecht op het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit

  Art. 3.1.8. De netbeheerder beschikt over de volle eigendom op, of het exploitatierecht van, het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit waarvoor hij de aanvraag ingediend heeft.

  Onderafdeling IV. - De voorwaarden betreffende de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de netbeheerder ten aanzien van producenten, houders van een leveringsvergunning en tussenpersonen

  Art. 3.1.9. De voorwaarden die in deze onderafdeling worden opgelegd betreffende de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de netbeheerder ten aanzien van invoerders van buitenlands aardgas, producenten, houders van een leveringsvergunning en tussenpersonen, gelden niet voor netbeheerders voor de productie en leveringsactiviteiten die zij uitoefenen op grond van artikel 4.1.7 en 4.1.22 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, op grond van het technische reglement, vermeld in artikel 11 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, en op grond van de gedragscode, vermeld in artikel 15/5undecies van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.

  Art. 3.1.10. De netbeheerder en de werkmaatschappijen mogen geen andere activiteiten ondernemen inzake productie en levering van aardgas of elektriciteit dan de activiteiten, vermeld in artikel 4.1.20 en 4.1.22 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, in het technische reglement, vermeld in artikel 11 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en in de gedragscode, vermeld in artikel 15/5undecies van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.

  Art. 3.1.11. De netbeheerder zorgt met eigen personeel en middelen of via een werkmaatschappij voor de voorbereiding van de beslissingen met betrekking tot de volgende, voor het netbeheer strategische en vertrouwelijke aangelegenheden :
  1° de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit;
  2° de toegang tot het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, de aansluitingsvoorwaarden, de technische voorwaarden en de tarieven;
  3° het aflezen van de verbruiksmeters en het databeheer van de verbruiksgegevens van de in aanmerking komende klanten;
  4° de boekhouding met betrekking tot het netbeheer;
  5° de uitbesteding van de werkzaamheden.
  De netbeheerder en de werkmaatschappijen, kunnen geen beroep doen op producenten, invoerders van buitenlands aardgas, houders van een leveringsvergunning of tussenpersonen of met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen, voor de uitvoering van de beslissingen met betrekking tot de volgende, voor het netbeheer strategische en vertrouwelijke aangelegenheden :
  1° contacten met de in aanmerking komende afnemers over de toegang tot het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, de aansluitingsvoorwaarden, de technische voorwaarden en de tarieven;
  2° het aflezen van de verbruiksmeters en het databeheer van de verbruiksgegevens van de in aanmerking komende afnemers;
  3° de boekhouding met betrekking tot het netbeheer.
  In voorkomend geval adviseert de VREG de Vlaamse Regering om te bepalen welke aanvullende aangelegenheden als strategisch en vertrouwelijk moeten worden beschouwd in de zin van het eerste of tweede lid.

  Art. 3.1.12. Producenten, invoerders van buitenlands aardgas, houders van een leveringsvergunning, tussenpersonen of de met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen bezitten alleen of gezamenlijk ten hoogste 30 % van het kapitaal van de netbeheerder en de werkmaatschappij.

  Art. 3.1.13. De netbeheerder en de werkmaatschappijen houden geen rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan, in welke vorm ook, in producenten, invoerders van buitenlands aardgas, houders van een leveringsvergunning, tussenpersonen of in de met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen.

  Art. 3.1.14. De netbeheerder en de werkmaatschappijen bevoordelen geen enkele producent, invoerder van buitenlands aardgas, houder van een leveringsvergunning, tussenpersoon of met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen boven andere ondernemingen en kennen geen voordelen toe die verder gaan dan in het normale handelsverkeer gebruikelijk is.
  Het is de netbeheerder en de werkmaatschappijen in ieder geval verboden :
  1° een onderneming goederen of diensten te verstrekken tegen een vergoeding die lager is dan de redelijkerwijze daaraan toe te rekenen kosten, verhoogd met een redelijke winstmarge;
  2° van een onderneming goederen of diensten aan te kopen tegen een vergoeding die hoger is dan de redelijkerwijze daaraan toe te rekenen kosten, verhoogd met een redelijke winstmarge;
  3° rechtstreeks of onrechtstreeks een onderneming inzicht te verstrekken in de informatie, vermeld in artikel 3.1.19;
  4° een onderneming toe te staan de naam en het beeldmerk van de netbeheerder te gebruiken.

  Art. 3.1.15. § 1. Als de gemeenten rechtstreeks of onrechtstreeks meer dan 25 % van het kapitaal bezitten van een distributienetbeheerder die een distributienet beheert op een spanningsniveau, lager dan 20 kV, bepalen de statuten van die distributienetbeheerder met betrekking tot de samenstelling van het bestuursorgaan dat het minstens voor 70 % samengesteld is uit bestuurders die voorgedragen worden door de gemeenten-aandeelhouders. Het bestuursorgaan is minstens voor de helft samengesteld uit onafhankelijke bestuurders.
  In alle andere gevallen bepalen de statuten van de netbeheerder met betrekking tot de samenstelling van het bestuursorgaan dat het minstens voor de helft samengesteld is uit onafhankelijke bestuurders.
  § 2. Als de netbeheerder die beantwoordt aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een beroep doet op een werkmaatschappij, moet het bestuursorgaan van de werkmaatschappij minstens voor 70 % samengesteld zijn uit onafhankelijke bestuurders.
  § 3. Als de netbeheerder die beantwoordt aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een beroep doet op een werkmaatschappij, moet het orgaan, vermeld in artikel 3.1.28, tweede lid, volledig samengesteld zijn uit bestuurders die voorgedragen zijn door de gemeenten-aandeelhouders van de distributienetbeheerder. In alle andere gevallen moet het dat orgaan volledig samengesteld zijn uit onafhankelijke bestuurders.

  Art. 3.1.16. De bestuurders die voorgedragen worden door de gemeenten-aandeelhouders, mogen geen enkele functie of activiteit uitoefenen, al dan niet bezoldigd, voor een producent, een invoerder van buitenlands aardgas, een houder van een leveringsvergunning of een tussenpersoon.

  Art. 3.1.17.Met betrekking tot de werking van het bestuursorgaan van een netbeheerder bepalen de statuten ervan minstens dat :
  1° bij het bestuursorgaan een corporategovernancecomité wordt opgericht dat uitsluitend is samengesteld uit onafhankelijke bestuurders en dat onder meer belast is met de volgende taken :
  a) op verzoek van elke onafhankelijke bestuurder of van het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder, elk belangenconflict onderzoeken tussen de netbeheerder enerzijds, en een gemeente-aandeelhouder, een dominerende aandeelhouder, met een dominerende aandeelhouder verbonden of geassocieerde ondernemingen, of de werkmaatschappijen anderzijds, en daarover jaarlijks verslag uitbrengen aan het bestuursorgaan;
  b) zich uitspreken over de gevallen van onverenigbaarheid wat betreft de personeelsleden van de netbeheerder of van de werkmaatschappijen;
  c) binnen de netbeheerder en binnen de werkmaatschappijen toezien op de naleving van de bepalingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan, de doeltreffendheid ervan evalueren ten aanzien van de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het beheer van het distributienet en elk jaar daarover verslag uitbrengen aan het bestuursorgaan;
  d) de rekeningen onderzoeken en de controle van het budget waarnemen;
  e) de auditwerkzaamheden controleren;
  f) de betrouwbaarheid van de financiële informatie evalueren;
  g) de interne controle organiseren en daarop toezicht uitoefenen;
  2° het bestuursorgaan verplicht is het advies van het corporategovernancecomité te vragen voor het een beslissing neemt over de aanstelling, het ontslag en de bezoldiging van de leden van het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder en van de werkmaatschappijen;
  3° het comité de bevoegdheid heeft een onderzoek in te stellen in elke aangelegenheid die onder zijn bevoegdheid valt en daarom toegang heeft tot alle informatie, met uitzondering van de persoonlijke en commerciële gegevens over de netgebruikers, ook als die zich bevindt bij de werkmaatschappijen;
  4° het comité over de mogelijkheid beschikt om, op verzoek van ten minste een derde van de leden, het advies van externe en onafhankelijke deskundigen in te winnen op kosten van de netbeheerder;
  5° het comité, op verzoek van ten minste een derde van de leden, het recht heeft een vergadering van de raad van bestuur samen te roepen, overeenkomstig de oproepingsformaliteiten, bepaald in de statuten.
  [1 In afwijking van het eerste lid hoeft er door de netbeheerder geen corporategovernancecomité te worden opgericht wanneer zijn bestuursorgaan louter bestaat uit onafhankelijke bestuurders. De statuten van de netbeheerder bepalen evenwel dat van zodra niet-onafhankelijke bestuurders toetreden tot het bestuursorgaan onmiddellijk moet worden overgegaan tot de oprichting van een corporategovernancecomité, als vermeld in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-03-30/05, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 04-05-2012>

  Art. 3.1.18. Met betrekking tot de besluitvorming binnen het bestuursorgaan van de netbeheerder bepalen de statuten minstens dat :
  1° met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen over de vereiste aanwezigheid van bestuurders, de instemming of aanwezigheid van een of meer bestuurders niet als voorwaarde kan worden gesteld voor de rechtsgeldige totstandkoming van beslissingen waarvoor in het bestuursorgaan van de netbeheerder een meerderheid bestaat;
  2° met behoud van de toepassing van de bepalingen van punt 1°, de beslissingen van het bestuursorgaan die betrekking hebben op de aangelegenheden, vermeld in artikel 3.1.11, eerste lid, de instemming van een meerderheid van de onafhankelijke bestuurders vereisen.
  Met betrekking tot de besluitvorming binnen het bestuursorgaan van de werkmaatschappijen bepalen de statuten van die werkmaatschappijen minstens dat, met behoud van de toeapssing van de wettelijke bepalingen over de vereiste aanwezigheid van bestuurders, de instemming of aanwezigheid van een of meer bestuurders niet als voorwaarde kan worden gesteld voor de rechtsgeldige totstandkoming van beslissingen waarvoor in het bestuursorgaan van de werkmaatschappijen een meerderheid bestaat.

  Art. 3.1.19. Met behoud van de toepassing van de bevoegdheden van het bestuursorgaan van de netbeheerder nemen de netbeheerder en de werkmaatschappijen de maatregelen die nodig zijn om de toegang tot de persoonlijke en commerciële gegevens over de netgebruikers en tot de verwerking van die gegevens te beperken tot de leden van het orgaan, belast met de dagelijkse leiding van de netbeheerder, en tot de personeelsleden die die informatie nodig hebben om hun taken uit te oefenen.

  Art. 3.1.20. De leden van het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder of van een werkmaatschappij, en de personeelsleden van de netbeheerder of van een werkmaatschappij mogen geen enkele functie of activiteit uitoefenen, al dan niet bezoldigd, voor een producent, een invoerder van buitenlands aardgas, een houder van een leveringsvergunning, een tussenpersoon of met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen uitoefenen als die functie of activiteit niet voor een netbeheerder is, of het lidmaatschap van het bestuursorgaan van een van de voornoemde personen betreft.

  Afdeling II. - De procedure tot aanwijzing van een netbeheerder

  Onderafdeling I. - Algemene bepalingen

  Art. 3.1.21. Het opstarten van de procedure tot aanwijzing van een of meer netbeheerders wordt door de VREG bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad met een aankondiging.
  De aankondiging vermeldt onder meer :
  1° de naam, het adres, het telefoon- en faxnummer van de VREG;
  2° de termijn waarin de aanvragen tot aanwijzing als netbeheerder ingediend moeten worden;
  3° de stukken die nodig zijn om na te gaan of de kandidaat-netbeheerder :
  a) over een voldoende technische en financiële capaciteit beschikt;
  b) voldoet aan de voorwaarden betreffende professionele betrouwbaarheid;
  c) over de volle eigendom of een exploitatierecht over het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit beschikt of zal beschikken op het ogenblik van zijn aanwijzing;
  d) voldoet aan de voorwaarden betreffende beheersmatige en juridische onafhankelijkheid ten aanzien van producenten, invoerders van buitenlands aardgas, houders van een leveringsvergunning en tussenpersonen;
  4° de wijze waarop het dossier van de kandidaat-netbeheerders samengesteld moet zijn.
  Met behoud van de toepassing van de bepalingen in lid 2, 3°, bevat het dossier minstens :
  1° een schriftelijk en door de gemeente of groep van gemeenten ondertekend voorstel tot aanwijzing, als de kandidaat-netbeheerder, overeenkomstig artikel 4.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, voorgesteld wordt door een gemeente of een groep van gemeenten;
  2° een gedetailleerde omschrijving van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft.

  Art. 3.1.22. De aanvraag tot aanwijzing als netbeheerder wordt gericht aan de VREG, en wordt ingediend met een aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.

  Art. 3.1.23. De VREG gaat na of de aanvraag volledig is.
  Als de aanvraag niet volledig is, brengt de VREG binnen een maand na de ontvangst van de aanvraag de kandidaat-netbeheerder daarvan per aangetekende brief op de hoogte. Daarbij worden de redenen vermeld waarom de aanvraag niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de kandidaat-netbeheerder, op straffe van verval van de aanvraag, het dossier kan vervolledigen.

  Art. 3.1.24. De VREG gaat op grond van de inlichtingen over de eigen situatie van iedere kandidaat-netbeheerder en van de inlichtingen en documenten waarover ze beschikt na of de kandidaat-netbeheerder voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.1.1 tot en met 3.1.20 en aan de openbaredienstverplichtingen, opgelegd op grond van artikel 4.1.20, 4.1.21 en 4.1.22 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.
  Als de kandidaat-netbeheerder niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, brengt de VREG binnen drie maanden na de ontvangst van de volledige aanvraag de kandidaat-netbeheerder daarvan per aangetekende brief op de hoogte. Daarbij worden de redenen vermeld waarom niet aan de voorwaarden werd voldaan, en de termijn waarin de kandidaat-netbeheerder, op straffe van verval van de aanvraag, aan die voorwaarden kan voldoen.
  In afwijking van het tweede lid kan de VREG de kandidaat-aardgasdistributienetbeheerder in het gebied van de gemeente Baarle-Hertog, dat volledig omgeven is door Nederlands grondgebied, aanwijzen als netbeheerder, zelfs als niet voldaan is aan alle voorwaarden, vermeld in het eerste lid, als daarvoor een technische of financiële noodzaak bestaat. De aanwijzingsbeslissing bepaalt de voorwaarden, vermeld in het eerste lid waaraan voldaan moet worden.

  Art. 3.1.25. De naam en het adres van de netbeheerder, de gebiedsomschrijving, alsook de datum van de aanvang van de periode waarvoor de netbeheerder aangewezen is, worden door de VREG bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

  Onderafdeling II. - De voorwaardelijke aanwijzing als netbeheerder

  Art. 3.1.26. De VREG kan in een gemotiveerde beslissing overgaan tot aanwijzing van een kandidaat als netbeheerder hoewel die niet voldoet aan alle voorwaarden van dit besluit.
  Van die mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan alleen gebruikgemaakt worden als voor het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in kwestie geen enkele kandidaat voldoet aan alle voorwaarden, in dit besluit vermeld, en als de kandidaat, vermeld in het eerste lid, voldoet aan de voorwaarden, vermeld in titel III, hoofdstuk I, afdeling I, onderafdelingen I, II en III.
  Als de met toepassing van dit artikel aangestelde netbeheerder niet binnen een jaar na zijn aanwijzing aan alle voorwaarden van dit besluit voldoet, beslist de VREG tot beëindiging van zijn aanwijzing.

  Onderafdeling III. - Beëindiging van de aanwijzing als netbeheerder

  Art. 3.1.27. Als de aanwijzing van een netbeheerder wordt beëindigd met toepassing van artikel 4.1.4 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wijst de VREG een nieuwe netbeheerder aan overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 3.1.21 tot en met 3.1.25 of, in voorkomend geval, overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 3.1.26. De aanwijzing heeft betrekking op de resterende duurtijd van de aanwijzing die beëindigd werd.

  Afdeling III. - De voorwaarden van en de procedure tot het verkrijgen van de toestemming om een beroep te doen op een werkmaatschappij

  Art. 3.1.28.Als de netbeheerder een beroep doet op een werkmaatschappij, mag geen afbreuk worden gedaan aan de onafhankelijkheid van de netbeheerder en moet de netbeheerder daarvan de garanties geven als vermeld in artikel 3.1.10 tot en met 3.1.15 en artikel 3.1.17 tot en met 3.1.20.
  De werkmaatschappij van de netbeheerder voorziet in alle gevallen minstens in de oprichting van een orgaan dat bevoegd is voor de voorbereiding van de beslissingen over de voor het netbeheer strategische en vertrouwelijke aangelegenheden, vermeld in 3.1.11.
  [1 In afwijking van het tweede lid hoeft er door de werkmaatschappij van de netbeheerder geen orgaan bevoegd voor de voorbereiding van de beslissingen over de voor het netbeheer strategische en vertrouwelijke aangelegenheden, vermeld in artikel 3.1.11, te worden opgericht wanneer zijn bestuursorgaan louter bestaat uit onafhankelijke bestuurders. De statuten van de werkmaatschappij bepalen evenwel dat van zodra niet-onafhankelijke bestuurders toetreden tot het bestuursorgaan, onmiddellijk moet worden overgegaan tot oprichting van een orgaan, als vermeld in het tweede lid.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 3.1.29. Binnen een maand nadat in het ter zake bevoegde bestuursorgaan van de netbeheerder beslist wordt om een beroep te doen op een werkmaatschappij, vraagt de netbeheerder de toestemming van de VREG daarvoor aan per aangetekende brief. In deze brief geeft de netbeheerder aan hoelang hij een beroep wil doen op deze werkmaatschappij.

  Art. 3.1.30. Nadat de VREG de aanvraag, vermeld in 3.1.29, ontvangen heeft, meldt ze aan de netbeheerder welke stukken bezorgd moeten worden om na te gaan of de werkmaatschappij voldoet aan de vereisten vermeld in artikel 3.1.10 tot en met 3.1.20, en binnen welke termijn die stukken bezorgd moeten worden.
  De netbeheerder dient het aanvraagdossier per aangetekende brief in of geeft het tegen ontvangstbewijs af bij de VREG.
  De VREG gaat na of het aanvraagdossier volledig is. Als het aanvraagdossier niet volledig is, brengt de VREG de netbeheerder per aangetekende brief op de hoogte binnen een maand na ontvangst van het aanvraagdossier. Daarbij worden de redenen vermeld waarom het aanvraagdossier niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de netbeheerder, op straffe van verval van de aanvraag, het dossier kan vervolledigen.

  Art. 3.1.31. Na de ontvangst van een volledig aanvraagdossier gaat de VREG op grond van de inlichtingen over de eigen situatie van de werkmaatschappij in kwestie of op grond van de inlichtingen en documenten waarover ze beschikt, na of de werkmaatschappij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.1.10 tot en met 3.1.20. In voorkomend geval geeft ze de netbeheerder de toestemming om een beroep te doen op de werkmaatschappij binnen drie maanden na de ontvangst van het volledige aanvraagdossier.
  Als de werkmaatschappij niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, brengt de VREG de netbeheerder daarvan per aangetekende brief op de hoogte binnen drie maanden na de ontvangst van het volledige dossier. Daarbij worden de redenen vermeld waarom niet aan de voorwaarden werd voldaan alsook de termijn waarin de netbeheerder, op straffe van verval van de aanvraag, aan die voorwaarden moet voldoen.
  Als de werkmaatschappij in kwestie nog niet opgericht is op het ogenblik van de kennisgeving, vermeld in artikel 3.1.29, vangt de termijn van drie maanden, vermeld in het tweede lid, pas aan op het ogenblik waarop de VREG in kennis gesteld werd van de datum van de oprichting van de werkmaatschappij en hiervan de nodige bewijsstukken ontvangen heeft. In dat geval moet de netbeheerder de VREG ter gelegenheid van de kennisgeving van de oprichting ook in het bezit stellen van alle stukken die ze nodig heeft om na te gaan of de werkmaatschappij voldoet aan de gestelde eisen. De VREG bepaalt welke stukken ze daarvoor nodig heeft.
  De VREG maakt haar beslissing waarmee de toestemming verleend wordt aan de netbeheerder om een beroep te doen op de werkmaatschappij, alsook de naam en het adres van de netbeheerder en de werkmaatschappij in kwestie bekend in het Belgisch Staatsblad.

  Afdeling IV. - Informatieverstrekking door de netbeheerder

  Art. 3.1.32. Het bestuursorgaan van de netbeheerder bezorgt jaarlijks, op een door de VREG te bepalen datum, aan de VREG een verslag over de wijze waarop voldaan is aan de voorwaarden van afdeling I, of, voor de netbeheerders die aangewezen zijn conform artikel 3.1.24, derde lid, aan de voorwaarden van de aanwijzingsbeslissing.
  Met betrekking tot de vertrouwelijke en strategische aangelegenheden, vermeld in artikel 3.1.11, worden in het verslag gegevens aangereikt over de wijze waarop derden bij de besluitvorming en de uitvoering van de beslissingen van de netbeheerder betrokken werden, wie die derden zijn, welke de aard en de omvang was van de aan hen toevertrouwde opdrachten en welke vergoedingen daarvoor werden betaald.
  Met betrekking tot de persoonlijke en commerciële gegevens, vermeld in artikel 3.1.19, bevat het verslag minstens :
  1° een gedetailleerde classificatie van de informatie die als vertrouwelijk wordt behandeld;
  2° een opsomming van de categorieën van personeelsleden die tot die vertrouwelijke informatie toegang hebben, alsook de aspecten van die informatie waartoe ze toegang hebben;
  3° een overzicht van de procedures en voorzorgsmaatregelen die de vertrouwelijkheid van die informatie waarborgen.

  Art. 3.1.33. Het bestuursorgaan van de netbeheerder bezorgt jaarlijks aan de VREG de goedgekeurde jaarrekening van de netbeheerder, met een bijgevoegde toelichting waaruit onder meer blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.1.12 en 3.1.13.

  Art. 3.1.34. Met behoud van de toepassing van de verplichtingen, vermeld in artikel 3.1.32 en 3.1.33, bezorgt het bestuursorgaan van de netbeheerder aan de VREG de volgende informatie :
  1° elke wijziging van de statuten van de netbeheerder zoals ze bij de aanvraag tot aanwijzing zijn gevoegd, alsook de notulen van de vergadering van het orgaan dat tot de statutenwijziging beslist heeft;
  2° elke wijziging van het aandeelhouderschap van de netbeheerder;
  3° elke wijziging in de samenstelling van het bestuursorgaan van de netbeheerder;
  4° elke andere belangrijke wijziging die gevolgen kan hebben voor de wijze waarop de netbeheerder voldoet aan de voorwaarden van dit hoofdstuk.
  Met behoud van de toepassing van de verplichtingen, vermeld in artikel 3.1.32 en 3.1.33, kan de VREG voor de informatie die de netbeheerders moeten verstrekken, vermeld in het eerste lid en in artikel 3.1.32 en 3.1.33, zich ook wenden tot de werkmaatschappijen, zonder dat het informatieverstrekkingsrecht en de informatieverstrekkingsplicht van de netbeheerder zelf daardoor kunnen worden aangetast.

  Afdeling V. - Openbaredienstverplichtingen, opgelegd aan de netbeheerder

  Onderafdeling I. - Nacht- en weekendtarief

  Art. 3.1.35. Iedere elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zorgt ervoor dat elke afnemer op laagspanning de mogelijkheid heeft om een elektriciteitstarief op basis van een dag- en een nachtmeter te genieten en investeert daartoe in de apparatuur die nodig is voor de sturing van meetinrichtingen en voedingscircuits met het oog op de toepassing van verschillende tariefperiodes.
  De installatie- en onderhoudskosten van een dag- en een nachtmeter bij de afnemer worden gedragen door de afnemer.

  Art. 3.1.36. In overeenstemming met het technisch reglement distributie elektriciteit bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de tijdstippen waarop de omschakeling plaatsvindt van de dagmeter naar de nachtmeter, en omgekeerd.
  De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zorgt ervoor dat het elektriciteitsverbruik van elke afnemer op laagspanning met een dag- en een nachtmeter gedurende het hele weekend, van zaterdagmorgen tot zondagavond, geregistreerd wordt op de nachtmeter.

  Art. 3.1.37. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit informeert de afnemers op laagspanning over de kosten die gepaard gaan met de installatie van een meetinstallatie met een dag- en een nachtmeter over de mogelijkheden en voordelen van een elektriciteitstarief op basis van een dag- en een nachtmeter.

  Art. 3.1.38. De kosten voor de investeringen, vermeld in artikel 3.1.35, eerste lid, en 3.1.36, en de kosten voor de informatievoorziening, vermeld in 3.1.37, worden beschouwd als kosten ten gevolge van de openbaredienstverplichtingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

  Onderafdeling II. - Openbare verlichting

  Art. 3.1.39. Iedere elektriciteitsdistributienetbeheerder die de netten tot 15.000 volt beheert, draagt zorg voor de exploitatie van de openbare verlichting in het geografische gebied van de netbeheerder, vermeld in artikel 1.1.3, 32° van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

  Art. 3.1.40.De werkzaamheden die worden verstaan onder exploitatie, vermeld in artikel 3.1.39, zijn :
  1° de werkzaamheden voor het onderhoud van de elektriciteitskabels, de verlichtingspalen, de palen, ankers, buizen, steunen, moffen, kasten en andere benodigdheden ter ondersteuning of ter bescherming van de verlichtingsinfrastructuur, de verlichtingsarmaturen en de lampen, de schakelaars, de meet-, regel- en communicatieapparatuur en de eventuele transformatoren;
  2° de organisatie en de bemanning van een meldpunt voor defecte, gestoorde of storende openbare verlichting;
  3° het opstellen van de aanbestedingsdossiers voor de aankoop van de openbareverlichtingsinfrastructuur en van de vervangstukken;
  4° het verlenen van bijstand aan de betreffende gemeenten bij het opstellen van hun aanbestedingsdossier voor de energieaankoop voor de openbare verlichting;
  5° het vijfjaarlijks uitvoeren of laten uitvoeren van een energieaudit met betrekking tot de openbare verlichting in het geografische gebied van de netbeheerder;
  6° [1 ...]1
  7° het sensibiliseren van de gemeenten die gelegen zijn in het geografische gebied van de netbeheerder, op het vlak van de lichthinder van openbare verlichting.
  De vijfjaarlijkse audit, vermeld in het eerste lid, 5°, werd voor de eerste maal uitgevoerd in 2005. Het rapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een energieaudit, wordt telkens vóór 1 juni bezorgd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid. De minister legt vast welke gegevens in het rapport moeten worden opgenomen.
  ----------
  (1)<BVR 2011-09-23/12, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 3.1.41. De kosten voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 3.1.40, eerste lid, 1° tot en met 7°, worden beschouwd als kosten tengevolge van de openbaredienstverplichtingen van de netbeheerder.
  Alle andere kosten en in het bijzonder de kosten voor de plaatsing of de uitbreiding van de openbare verlichting, de kosten van de vervangstukken inclusief lampen, de kosten voor de energielevering, de aansluitkosten van het verlichtingsnet op het distributienet en de transport- en distributiekosten van de benodigde elektrische energie vallen niet onder de kosten, vermeld in het eerste lid.

  Afdeling VI. [1 Gebruik van het openbaar domein door de netbeheerder]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-10-12/11, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 3.1.42. [1 Voor de netbeheerder een aanvraag tot het verkrijgen van een domeintoelating, vermeld in artikel 4.1.27 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, indient, pleegt hij voor complexe dossiers vooraf overleg met de betrokken domeinbeheerders.
   De minister kan nadere regels vastleggen betreffende de vorm en inhoud van het overleg, vermeld in het eerste lid.
   Als complexe dossiers, vermeld in het eerste lid, worden minstens de volgende types van werkzaamheden beschouwd :
   1° het kruisen van bevaarbare waterlopen en kanalen door middel van ondergrondse lijnen of leidingen;
   2° het aanleggen van langsleidingen langs de oevers van bevaarbare waterlopen en kanalen;
   3° het dwarsen van gewestwegen en autosnelwegen door middel van ondergrondse lijnen of leidingen;
   4° het aanleggen van ondergrondse leidingen of lijnen binnen de strook van dertig meter naast autosnelwegen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-10-12/11, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  HOOFDSTUK II. - Levering

  Afdeling I. - De voorwaarden waaraan de houder van een leveringsvergunning moet voldoen

  Onderafdeling I. - De voorwaarden betreffende financiële en technische capaciteit

  Art. 3.2.1. De houder van een leveringsvergunning beschikt over voldoende financiële en technische capaciteit om de levering van elektriciteit of aardgas aan zijn klanten te verzekeren.

  Art. 3.2.2. De financiële capaciteit kan, onder meer, aangetoond worden door de documenten, vermeld in artikel 3.1.2.

  Art. 3.2.3. De technische capaciteit kan onder meer aangetoond worden met de volgende documenten :
  1° een lijst met de relevante studie- en beroepskwalificaties van de personeelsleden;
  2° een lijst met de belangrijkste activiteiten in de laatste drie jaar;
  3° een verklaring over de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting en over de omvang van het personeelskader weergeeft tijdens de laatste drie jaar.

  Onderafdeling II. - De voorwaarden betreffende professionele betrouwbaarheid

  Art. 3.2.4. De houder van een leveringsvergunning geeft blijk van voldoende professionele betrouwbaarheid om de levering van elektriciteit of aardgas aan zijn klanten te verzekeren als vermeld in artikel 3.1.5 tot en met 3.1.7.

  Onderafdeling III. - De voorwaarden betreffende capaciteit om aan de behoeften van de klant te voldoen

  Art. 3.2.5. De houder van een leveringsvergunning beschikt over voldoende capaciteit om aan de behoeften van zijn klanten te voldoen bij de levering van elektriciteit of aardgas.

  Art. 3.2.6. De capaciteit om aan de behoeften van zijn klanten te voldoen voor de levering van elektriciteit kan onder meer aangetoond worden met de volgende documenten :
  1° een beschrijving van de hoeveelheid elektriciteit die zelf opgewekt wordt of aangekocht wordt bij derden, alsook de productiewijze en de productieplaats;
  2° een beschrijving van de hoeveelheid en de aard van de geleverde elektriciteit;
  3° een beschrijving van de manier waarop het evenwicht tussen geproduceerde en geleverde elektriciteit gerealiseerd wordt.
  De capaciteit om aan de behoeften van zijn klanten te voldoen voor de levering van aardgas kan onder meer aangetoond worden met de volgende documenten :
  1° een beschrijving van de hoeveelheid aardgas die zelf ingevoerd wordt of aangekocht wordt bij derden, alsook de oorsprong van het aardgas;
  2° een beschrijving van de hoeveelheid en de aard van het geleverde aardgas;
  3° een beschrijving van de manier waarop het evenwicht tussen het ingevoerde of gekochte aardgas en het geleverde aardgas gerealiseerd wordt.

  Onderafdeling IV. - De voorwaarden betreffende de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de houder van een leveringsvergunning ten opzichte van de netbeheerders

  Art. 3.2.7. De houder van een leveringsvergunning voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.1.12, 3.1.13, 3.1.14 en 3.1.20.

  Afdeling II. - De procedure tot toekenning van een leveringsvergunning

  Art. 3.2.8. De aanvraag tot toekenning van een leveringsvergunning wordt gericht aan de VREG. De aanvraag wordt ingediend per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.
  De aanvrager bezorgt daarbij een dossier waarin hij aantoont dat hij voldoet aan de voorwaarden van dit hoofdstuk.

  Art. 3.2.9. De VREG gaat na of de aanvraag volledig is.
  Als de aanvraag niet volledig is, brengt de VREG, binnen een maand na ontvangst van de aanvraag, de aanvrager daarvan per aangetekende brief op de hoogte. Daarbij worden de redenen vermeld waarom de aanvraag niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, het dossier kan vervolledigen.

  Art. 3.2.10. De VREG gaat op grond van de inlichtingen over de eigen situatie van iedere aanvrager en van de inlichtingen en documenten waarover ze beschikt, na of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden, vermeld Titel III, Hoofdstuk II, afdeling I, en aan de openbaredienstverplichtingen opgelegd op grond van artikel 4.3.2. van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

  Art. 3.2.11. Als de aanvrager voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.2.10, brengt de VREG, binnen twee maanden na de ontvangst van het volledige dossier, de aanvrager per aangetekende brief op de hoogte van haar beslissing tot toekenning van de leveringsvergunning.
  Als de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.2.10, brengt de VREG binnen twee maanden na de ontvangst van het volledige dossier de aanvrager op de hoogte van de beslissing om geen leveringsvergunning toe te kennen. Daarbij worden de redenen vermeld waarom niet aan de voorwaarden werd voldaan en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, alsnog aan die voorwaarden kan voldoen.

  Art. 3.2.12. Een leveringsvergunning wordt toegekend voor onbepaalde termijn.

  Art. 3.2.13. De beslissing tot toekenning van een leveringsvergunning wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met vermelding van de naam en het adres van de houder van een leveringsvergunning.

  Afdeling III. - Opheffing van de leveringsvergunning

  Art. 3.2.14. Als de VREG van oordeel is dat een houder van een leveringsvergunning niet meer aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoet, brengt ze de houder van de leveringsvergunning daarvan per aangetekende brief op de hoogte. daarbij worden de redenen vermeld waarom niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan.
  Als de houder van een leveringsvergunning niet de nodige handelingen stelt in door de VREG te bepalen termijn, om aan de voorwaarden van dit hoofdstuk te voldoen, zal de VREG, op voorwaarde dat de houder van de leveringsvergunning werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, de leveringsvergunning opheffen.
  De gemotiveerde beslissing van de VREG om de leveringsvergunning op te heffen, wordt per aangetekende brief bekendgemaakt aan de aanvrager. Die beslissing en de datum waarop de opheffing ingaat, worden door de VREG ook bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

  Afdeling IV. - Controlewijziging, fusie of splitsing

  Art. 3.2.15. De houder van een leveringsvergunning meldt iedere controlewijziging, fusie of splitsing waarbij hij betrokken is, onmiddellijk aan de VREG. Hij kan daarbij een aanvraag indienen tot behoud van de leveringsvergunning.
  De leveringsvergunning kan behouden blijven, als de houder van een leveringsvergunning aan de voorwaarden van afdeling I blijft voldoen.
  Als de houder van een leveringvergunning niet meer aan de voorwaarden van Titel III, Hoofdstuk II, afdeling I voldoet, zal de VREG de procedure instellen, vermeld in artikel 3.2.14.
  De VREG brengt de houder van een leveringsvergunning, binnen een maand na ontvangst van de aanvraag tot behoud, op de hoogte van haar beslissing tot behoud van de leveringsvergunning of het instellen van de procedure, vermeld in artikel 3.2.14.

  Afdeling V. - Informatieverstrekking door de houder van een leveringsvergunning

  Art. 3.2.16. De houder van een leveringsvergunning bezorgt de VREG jaarlijks, op een door de VREG te bepalen datum, een verslag over de wijze waarop aan de voorwaarden van dit besluit is voldaan.

  Art. 3.2.17. Met behoud van de toepassing van de verplichting, vermeld in artikel 3.2.16, bezorgt de houder van een leveringsvergunning de volgende informatie onmiddellijk aan de VREG :
  1° elke wijziging van de statuten van de houder van een leveringsvergunning, alsook de notulen van de vergadering van het orgaan dat tot de statutenwijziging beslist heeft;
  2° elke andere belangrijke wijziging die gevolgen kan hebben voor de wijze waarop de houder van een leveringsvergunning voldoet aan de voorwaarden van dit besluit.

  TITEL IV. - De jaarlijkse toekenning van een hoeveelheid gratis elektriciteit

  Art. 4.1.1. § 1. De leverancier die op 1 april van een bepaald jaar elektriciteit levert aan een huishoudelijke afnemer, vermeldt uiterlijk op de eerste afrekeningsfactuur die hij na 1 mei van dat jaar aan de betrokken afnemer voorlegt, onder de benaming " korting gratis elektriciteit ", de hoeveelheid elektriciteit, vermeld in artikel 5.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. Hij vermenigvuldigt die hoeveelheid met de eenheidsprijs per kWh en trekt dat bedrag vervolgens af van het normaal te betalen bedrag.
  De eenheidsprijs per kWh wordt jaarlijks door de VREG berekend voor 1 maart van het jaar in kwestie, gepubliceerd op haar website en onmiddellijk ook bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  § 2. Als het verbruik van de afgelopen twaalf maanden lager is dan de hoeveelheid elektriciteit, vermeld in paragraaf 1, wordt de te vermelden hoeveelheid elektriciteit, vermeld in paragraaf 1, beperkt tot het door de meetinstallatie van de aansluiting op het distributienet gemeten nettoverbruik tussen afname en eventuele injectie op het distributienet van de afgelopen twaalf maanden.
  Als de leverancier niet op de hoogte is van het verbruik van de laatste twaalf maanden, vraagt hij dat op bij de netbeheerder. De netbeheerder beschikt over een periode van twintig werkdagen om die gegevens te verstrekken.
  Voor de afnemers waarvan geen verbruiksgegevens van de laatste twaalf maanden bekend zijn, wordt het verbruik lineair geëxtrapoleerd op basis van het aantal maanden waarop het door de netbeheerder meegedeelde verbruik betrekking heeft.
  § 3. Als een huishoudelijke afnemer geen of onvoldoende gratis elektriciteit heeft ontvangen overeenkomstig de bepalingen, vermeld in paragraaf 1, meldt hij dat aan de betrokken leverancier. Die bezorgt aan de huishoudelijke afnemer een document waarin hij moet aangeven hoeveel aantal personen op 1 januari van het jaar in kwestie gedomicilieerd waren op het adres van de aansluiting in kwestie. De huishoudelijke afnemer stuurt dat document ingevuld en ondertekend terug naar de leverancier. De leverancier stuurt binnen een maand na de ontvangst van die verklaring een creditnota ter waarde van de onterecht niet-toegekende of onvoldoende toegekende gratis elektriciteit, overeenkomstig de principes, vermeld in paragraaf 1, of verrekent het bedrag op een factuur die binnen een maand na de ontvangst van die verklaring aan de afnemer wordt gericht.
  § 4. Indien een huishoudelijke afnemer verhuisd is in de periode tussen 1 januari en 1 april van het jaar in kwestie, zal de leverancier met wie hij een leveringscontract heeft op 1 april van het betrokken jaar, op basis van het aantal gedomicilieerde personen in de woning waar hij gedomicilieerd was op 1 januari van het betrokken jaar, gratis elektriciteit toekennen conform de paragrafen 1, 2 en 3.

  Art. 4.1.2. § 1. De leverancier wordt door de netbeheerder vergoed voor de bedragen die hij met toepassing van artikel 4.1.1, § 1, heeft afgetrokken of zal aftrekken van de facturen van de huishoudelijke afnemers die op het net van de betrokken netbeheerder zijn aangesloten, en factureert die bedragen aan de betrokken netbeheerder.
  De VREG stelt in overleg met de betrokken sector de nadere regels vast voor de praktische uitvoering van het eerste lid.
  § 2. De gratis elektriciteit die de leverancier of de netbeheerder moet leveren ter uitvoering van andere wetten en decreten, wordt vergoed op basis van de regels, vermeld in de desbetreffende wetten en decreten.

  Art. 4.1.3. De netbeheerder verstrekt jaarlijks voor 15 april aan de leverancier die elektriciteit levert via zijn distributienet, de gegevens over het aantal inwoners die op 1 januari van het betreffende jaar gedomicilieerd zijn op het adres van het leveringspunt van de afnemers die door de betreffende leverancier op 1 april worden bevoorraad. De VREG bepaalt de wijze waarop en de vorm waarin de netbeheerder de gegevens verstrekt aan de leverancier.

  Art. 4.1.4. De VREG bepaalt de nadere technische toepassingsvoorwaarden van deze titel.

  TITEL V. - Sociale energiemaatregelen

  HOOFDSTUK I. - Beschermingsmaatregelen bij wanbetaling ten opzichte van een leverancier

  Art. 5.1.1. Als de huishoudelijke afnemer na het verstrijken van de uiterste datum voor betaling, vermeld op de factuur of het betalingsverzoek, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na ontvangst van de factuur of het betalingsverzoek, niet heeft betaald, stuurt de leverancier een herinneringsbrief. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.
  In de herinneringsbrief vermeldt de leverancier de procedure voor ingebrekestelling, vermeld in artikel 5.1.2.

  Art. 5.1.2. Als de huishoudelijke afnemer na het verstrijken van de uiterste datum voor het treffen van een regeling voor de betaling van de openstaande rekeningen, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief, nog geen regeling heeft getroffen voor de betaling van de openstaande rekeningen, stelt de leverancier met een aangetekende brief de huishoudelijke afnemer in gebreke.

  Art. 5.1.3. § 1. De leverancier vermeldt zowel in de herinneringsbrief als in de ingebrekestelling :
  1° de naam en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst;
  2° de mogelijkheden om in geval van betalingsmoeilijkheden een regeling te treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen. Die mogelijkheden zijn :
  a) de uitwerking van een afbetalingsplan met de leverancier;
  b) de uitwerking van een afbetalingsplan via het OCMW;
  c) de uitwerking van een afbetalingsplan via een erkende instelling voor schuldbemiddeling;
  3° de mogelijkheid die hij heeft om het leveringscontract voor elektriciteit of aardgas op te zeggen en de gevolgen daarvan;
  4° de procedure voor de levering van elektriciteit en aardgas door de distributienetbeheerder, de plaatsing van de budgetmeter voor elektriciteit en voor aardgas en de procedure voor minimale levering van elektriciteit, vermeld in artikel 5.3.1 tot en met 5.4.17;
  5° de procedure voor de afsluiting van de toevoer van elektriciteit of aardgas en de uitschakeling van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit, vermeld in artikel 5.3.1 tot en met 5.4.17;
  6° de voordelen voor beschermde afnemers, vermeld in artikel 5.1.4.
  § 2. Als de huishoudelijke afnemer ervoor kiest om een afbetalingsplan uit te werken via het OCMW of via een erkende instelling voor schuldbemiddeling, stuurt de leverancier het dossier onmiddellijk voor verder onderzoek door naar het OCMW van de woonplaats van de huishoudelijke afnemer of naar de door de huishoudelijke afnemer aangewezen erkende instelling voor schuldbemiddeling.
  De huishoudelijke afnemer deelt uiterlijk binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling zijn keuze schriftelijk mee aan de leverancier.
  § 3. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling.

  Art. 5.1.4. De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de herinneringsbrief en ingebrekestelling aan een beschermde afnemer, vallen ten laste van de leverancier.
  De minister kan nadere regels vastleggen voor de indieningsprocedure en de vorm en inhoud van de bewijsstukken, waaruit blijkt dat de huishoudelijke afnemer een beschermde afnemer is.

  Art. 5.1.5. De eventuele nalatigheidsinterest die door de leverancier wordt aangerekend, mag niet meer bedragen dan de wettelijke interest.

  HOOFDSTUK II. - Beschermingsmaatregelen bij opzegging van het leveringscontract door de leverancier

  Art. 5.2.1. § 1. Een leverancier kan een contract voor de levering van elektriciteit of aardgas alleen opzeggen als hij een opzeggingstermijn van ten minste zestig kalenderdagen in acht neemt.
  § 2. In geval van wanbetaling kan een leverancier pas overgaan tot opzegging van het leveringscontract met een huishoudelijke afnemer in de volgende gevallen :
  1° de huishoudelijke afnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling niet schriftelijk meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen;
  2° de huishoudelijke afnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen nadat hij schriftelijk heeft meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen, geen van de volgende acties ondernomen :
  a) zijn vervallen factuur betaald;
  b) een afbetalingsplan aanvaard;
  3° de huishoudelijke afnemer komt, na de aanvaarding van een afbetalingsplan, zijn afbetalingsverplichtingen niet na.

  Art. 5.2.2.§ 1. Als de leverancier een leveringscontract met een huishoudelijke afnemer opzegt, brengt de leverancier via een opzeggingsbrief de huishoudelijke afnemer op de hoogte van de datum van het einde van de opzeggingstermijn en van het feit dat de klant een nieuw leveringscontract moet sluiten dat ingaat op het einde van de opzeggingstermijn, uiterlijk binnen acht kalenderdagen voor het einde van de opzeggingstermijn. In de opzeggingsbrief vermeldt de leverancier ook de gevolgen als de huishoudelijke afnemer geen nieuw leveringscontract sluit dat ingaat op de datum van het einde van de opzeggingstermijn.
  § 2. De leverancier brengt de distributienetbeheerder minstens zestig kalenderdagen voor het einde van de opzeggingstermijn op de hoogte van de opzegging van het leveringscontract.
  § 3. Uiterlijk binnen tien kalenderdagen na de ontvangst van het bericht, vermeld in paragraaf 2, brengt de distributienetbeheerder op zijn beurt de huishoudelijke afnemer schriftelijk op de hoogte van de datum van het einde van de opzeggingstermijn en van het feit dat de klant een nieuwe leverancier moet zoeken uiterlijk acht kalenderdagen voor het einde van de opzeggingstermijn. In die brief vermeldt de distributienetbeheerder ook de gevolgen als de huishoudelijke afnemer geen nieuw leveringscontract sluit, dat ingaat op de datum van het einde van de opzeggingstermijn. [1 De distributienetbeheerder vermeldt in die brief, voor zover deze gericht is aan niet-beschermde afnemers, ook de indicatieve totale kosten op jaarbasis voor elektriciteit en/of gas van een gezin met een gemiddeld verbruik aangerekend tegen zowel het tarief van de distributienetbeheerder als tegen het laagste tarief van de commerciële leveranciers.]1
  § 4. De minister kan nadere regels bepalen voor de manier waarop de informatie uitgewisseld wordt tussen de leverancier en de huishoudelijke afnemer, tussen de leverancier en de distributienetbeheerder, en tussen de distributienetbeheerder en de huishoudelijke afnemer.
  § 5. De minister kan nadere regels vastleggen voor de vorm en de inhoud van respectievelijk de opzeggingsbrief, vermeld in paragraaf 1, en de brief, vermeld in paragraaf 3.
  
  ----------
  (1)<BVR 2012-09-07/13, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-02-2013 (zie MB 2013-01-18/02, art. 1)>

  Art. 5.2.3. § 1. Als een leveringscontract met een huishoudelijke afnemer werd opgezegd en die afnemer uiterlijk acht kalenderdagen voor het einde van de opzeggingstermijn geen leveringscontract met een nieuwe leverancier heeft gesloten, dat ingaat vanaf het einde van de opzeggingstermijn, wordt de huishoudelijke afnemer vanaf de afloop van de opzeggingstermijn verder van elektriciteit of van aardgas beleverd door zijn distributienetbeheerder.
  § 2. De meteropname vindt plaats uiterlijk dertig kalenderdagen na het einde van de opzeggingstermijn van het leveringscontract. Op basis van die meteropname maakt de distributienetbeheerder afhankelijk van het profiel van de betreffende afnemer een schatting van de meterstand op het einde van de opzeggingstermijn. De geschatte meterstand wordt onmiddellijk doorgegeven aan de betrokken leverancier voor de opmaak van een eindafrekening. De leverancier bezorgt de huishoudelijke afnemer uiterlijk binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van de metergegevens een eindafrekening.

  HOOFDSTUK III. - Budgetmeter voor elektriciteit

  Afdeling I. - Plaatsen, inschakelen en uitschakelen van de budgetmeter voor elektriciteit bij wanbetaling ten opzichte van de elektriciteitsdistributienetbeheerder

  Art. 5.3.1. [1 § 1. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit bezorgt de huishoudelijke elektriciteitsafnemer maandelijks voor de levering van elektriciteit een factuur die vervalt vijftien dagen na de verzending. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.
   Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald na het verstrijken van de betalingstermijn, stuurt de elektriciteitsnetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de factuur voor elektriciteit een betalingsherinnering met vermelding van het niet betaalde vervallen factuurbedrag, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.
   § 2. De betalingsherinnering, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, vermeldt ook dat als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer binnen een termijn van eenentwintig dagen na de verzending van de betalingsherinnering zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit binnen 60 kalenderdagen na het verstrijken van die termijn van eenentwintig dagen een budgetmeter voor elektriciteit zal plaatsen of inschakelen.
   Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer zijn openstaande rekeningen niet betaald blijkt te hebben vijftien dagen na verzending van de betalingsherinnering, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de betalingsherinnering, een ingebrekestelling met een overzicht van de niet betaalde vervallen factuurbedragen, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.
   De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de betalingsherinnering en de ingebrekestelling.
   De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de betalingsherinnering en de ingebrekestelling aan een beschermde afnemer vallen ten laste van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.
   § 3. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit plaatst of schakelt de budgetmeter voor elektriciteit in binnen zestig kalenderdagen als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer binnen eenentwintig kalenderdagen na de verzending van de betalingsherinnering, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, op voorwaarde dat hij normale toegang heeft tot de ruimte waarin de budgetmeter voor elektriciteit zal worden opgesteld of staat opgesteld.
   De minister kan de verdere werkwijze voor de plaatsing van de budgetmeter voor elektriciteit vastleggen.
   De elektriciteitsafnemer wordt zonder enige beperking beleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Bij wanbetaling volgen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de procedure, vermeld in artikel 5.3.13 tot en met 5.3.16.]1
  § 4. Als het technisch gezien niet mogelijk is om een budgetmeter voor elektriciteit bij de betreffende huishoudelijke elektriciteitsafnemer te plaatsen, wordt een autonome stroombegrenzer geplaatst in plaats van een budgetmeter voor elektriciteit. Bij wanbetaling volgen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de procedure, vermeld in artikel 5.3.13 tot en met 5.3.16.
  § 5. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer geen normale toegang geeft tot de ruimte waarover hij het gebruiks- of eigendomsrecht heeft en waarin de elektriciteitsmeter is opgesteld, voor de plaatsing, de controle of meteropname van de meter, inclusief de budgetmeter voor elektriciteit en de autonome stroombegrenzer, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een verzoek tot afsluiting van de elektriciteitstoevoer indienen bij de lokale adviescommissie.
  § 6. De budgetmeter voor elektriciteit wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zodanig ingesteld dat een hulpkrediet voor een bedrag dat overeenkomt met de waarde van 200 kWh tegen de sociale maximumprijs voor elektriciteit, ter beschikking wordt gesteld van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer.
  § 7. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit stelt bij de plaatsing of inschakeling van de budgetmeter voor elektriciteit minstens de volgende informatie ter beschikking van de betrokken huishoudelijke elektriciteitsafnemer :
  1° een gebruikshandleiding;
  2° een telefoonnummer voor het melden van problemen en voor noodgevallen;
  3° een lijst met de plaats en de toegankelijkheid van de dichtstbijzijnde oplaadmogelijkheden;
  4° gedetailleerde informatie en instructies over de gegevens die van de budgetmeter voor elektriciteit kunnen worden afgelezen;
  5° het toegepaste elektriciteitstarief;
  6° de minimale levering van elektriciteit die ter beschikking wordt gesteld, en de manier waarop het elektriciteitsverbruik dat verbonden is aan de minimale levering, wordt verrekend bij het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit;
  7° het ter beschikking gestelde hulpkrediet en de manier waarop het hulpkrediet wordt verrekend bij het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit;
  8° de beoordeling van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit om vast te stellen dat de huishoudelijke elektriciteitsafnemer al dan niet op de minimale levering van elektriciteit is overgeschakeld als hij gedurende een periode van zestig kalenderdagen zijn budgetmeter voor elektriciteit niet oplaadt, en de mogelijke gevolgen daarvan.
  § 8. Op vraag van het OCMW bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit het OCMW een lijst met geplaatste actieve budgetmeters voor elektriciteit uit de gemeente waarin het OCMW actief is.
  ----------
  (1)<BVR 2013-11-29/03, art. 8, 021; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 5.3.2. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer zijn openstaande rekeningen bij zijn elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit heeft betaald en een contract voor de levering van elektriciteit heeft geloten met een leverancier, wordt de huishoudelijke elektriciteitsafnemer verder van elektriciteit beleverd door zijn leverancier.
  In dat geval gaat de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit over tot uitschakeling van de budgetmeter voor elektriciteit of wegneming van de autonome stroombegrenzer, daar waar een ingeschakelde budgetmeter of een autonome begrenzer aanwezig is.

  Art. 5.3.3. § 1. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer bij wie een budgetmeter voor elektriciteit werd geplaatst, verhuist, wordt van de budgetmeter voor elektriciteit op het oude adres als volgt uitgeschakeld :
  1° door de nieuwe huishoudelijke elektriciteitsafnemer zelf door middel van een specifiek daarvoor bedoelde kaart of te volgen procedure of een combinatie van beide. Die kaart en procedure worden hem toegestuurd per post binnen twee werkdagen na de aanvraag of worden hem ter beschikking gesteld in de klantenkantoren van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, waarbij de kaart en procedure op zijn vroegst bezorgd kunnen worden vanaf de verhuisdatum;
  2° door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, na afspraak met de nieuwe huishoudelijke elektriciteitsafnemer die kan eisen dat de afspraak plaatsvindt binnen vijf werkdagen na de melding van de verhuizing door de nieuwe bewoner, waarbij de afspraak op zijn vroegst kan plaatsvinden vanaf de verhuisdatum.
  Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer bij wie een autonome stroombegrenzer werd geplaatst, verhuist, wordt de autonome stroombegrenzer weggenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, na afspraak met de nieuwe huishoudelijke elektriciteitsafnemer die kan eisen dat de afspraak plaatsvindt binnen vijf werkdagen na de melding van de verhuizing door de nieuwe bewoner, waarbij de afspraak op zijn vroegst kan plaatsvinden vanaf de verhuisdatum.
  § 2. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit het nieuwe adres kent van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer die verhuist en die over een budgetmeter voor elektriciteit of over een autonome stroombegrenzer beschikt op zijn oude adres, of op verzoek van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer die verhuist en die over een budgetmeter voor elektriciteit of over een autonome stroombegrenzer beschikt, plaatst de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een budgetmeter voor elektriciteit, schakelt hij een budgetmeter voor elektriciteit in of plaatst hij een autonome stroombegrenzer op het nieuwe adres, naargelang van het geval.

  Art. 5.3.4. De kosten die verbonden zijn aan de budgetmeter voor elektriciteit, met inbegrip van de plaatsing, de inschakeling en de uitschakeling van de budgetmeter voor elektriciteit, en de kosten die verbonden zijn aan de autonome stroombegrenzer, met inbegrip van de plaatsing en het wegnemen van de autonome stroombegrenzer, vallen altijd ten laste van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.
  De kosten die verbonden zijn aan het wegnemen van de budgetmeter voor elektriciteit, vallen altijd ten laste van de aanvrager van het wegnemen van een budgetmeter.

  Afdeling II. - Minimale levering van elektriciteit

  Art. 5.3.5. De huishoudelijke elektriciteitsafnemer kan overschakelen op de minimale levering van elektriciteit zodra het bedrag waarmee de budgetmeter voor elektriciteit werd opgeladen, alsook het hulpkrediet waarmee die uitgerust is, opgebruikt zijn.

  Art. 5.3.6. De minimale levering van elektriciteit wordt vastgesteld op een vermogen dat overeenstemt met tien ampère onder eenmaal 230 volt.
  Het elektriciteitsverbruik dat verbonden is aan de minimale levering van elektriciteit, valt ten laste van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer.

  Afdeling III. - Het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit

  Art. 5.3.7. Iedere elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zorgt binnen zijn distributienetgebied voor de terbeschikkingstelling van een systeem voor het opladen van budgetmeters voor elektriciteit.
  Voor de betaling van de opladingen worden verschillende betalingsmogelijkheden aan de huishoudelijke elektriciteitsafnemer aangeboden. De minister kan de betalingsmogelijkheden nader bepalen.
  De minister kan technische vereisten vaststellen waaraan het systeem voor het opladen van de budgetmeters voor elektriciteit moet voldoen.

  Art. 5.3.8. In iedere gemeente waar een budgetmeter voor elektriciteit in gebruik is, is minstens één oplaadmogelijkheid aanwezig. Afhankelijk van de behoeften, kan de minister aanvullende vereisten opleggen voor de organisatie van oplaadmogelijkheden.

  Afdeling IV. - Uitschakelen en herinschakelen van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit

  Art. 5.3.9.§ 1. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit vaststelt dat een huishoudelijke elektriciteitsafnemer gedurende een periode van zestig kalenderdagen zijn budgetmeter voor elektriciteit niet oplaadt, maakt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een inschatting van het verbruik na de laatste oplading en beoordeelt hij of de betreffende elektriciteitsafnemer op de minimale levering van elektriciteit is overgeschakeld.
  § 2. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit vermoedt dat de betreffende elektriciteitsafnemer op de minimale levering van elektriciteit is overgeschakeld, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit op basis van de beoordeling, vermeld in paragraaf 1, een brief naar de huishoudelijke elektriciteitsafnemer met de vraag om binnen vijftien kalenderdagen contact op te nemen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit vermeldt de naam, het adres en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst.
  § 3. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer niet reageert op die brief, vermeld in paragraaf 2, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de huishoudelijke elektriciteitsafnemer een [1 ...]1 brief met de vraag om binnen vijftien kalenderdagen contact op te nemen.
  § 4. De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de brieven, vermeld in paragrafen 2 en 3, zijn ten laste van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.
  § 5. Als na het contact tussen de huishoudelijke elektriciteitsafnemer met de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit blijkt dat de huishoudelijke elektriciteitsafnemer overgeschakeld is op de minimale levering van elektriciteit, dient de huishoudelijke elektriciteitsafnemer met de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een regeling te treffen voor de betaling van het elektriciteitsverbruik uit het verleden voor zover de elektriciteit werd verbruikt vanaf 1 juli 2003 en geleverd werd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.
  ----------
  (1)<BVR 2013-11-29/03, art. 9, 021; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 5.3.10.§ 1. Als geen regeling getroffen wordt binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de [1 ...]1 brief [1 , zoals vermeld in artikel 5.3.9, § 3,]1 en op voorwaarde dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een normale toegang heeft tot de budgetmeter voor elektriciteit, wordt de huishoudelijke elektriciteitsafnemer niet afgesloten. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan een verzoek tot uitschakeling van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit indienen bij de lokale adviescommissie. Daarbij zal de huishoudelijke elektriciteitsafnemer alleen elektriciteit kunnen verbruiken als de budgetmeter voor elektriciteit opgeladen is.
  De minister kan de verdere werkwijze, onder meer de manier waarop contact opgenomen wordt met de huishoudelijke elektriciteitsafnemer, vastleggen voor de uitschakeling van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit.
  § 2. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer geen normale toegang geeft tot de ruimte waarin de budgetmeter voor elektriciteit is opgesteld, om de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit uit te schakelen, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een verzoek tot afsluiting indienen bij de lokale adviescommissie.
  [1 § 3. Als de huishoudelijke afnemer met een budgetmeter voor elektriciteit met uitgeschakelde stroombegrenzer in de periode van november tot en met maart gedurende een periode van dertig kalenderdagen zijn budgetmeter voor elektriciteit niet oplaadt, beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van het bekende oplaadgedrag en verbruikspatroon uit het verleden het risico dat de huishoudelijke afnemer in kwestie loopt op onderbreking van de elektriciteitslevering, nadat het hulpkrediet voor elektriciteit is verbruikt.
   Ingeval de elektriciteitsdistributienetbeheerder de kans reëel acht dat de huishoudelijke afnemer binnen een termijn van tien dagen zonder elektriciteitslevering valt, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van de beoordeling, vermeld in het eerste lid, een brief naar de huishoudelijke afnemer met de vraag om de budgetmeter binnen tien kalenderdagen op te laden of, als dat niet lukt of er volgens de huishoudelijke afnemer geen noodzaak toe is, binnen de tien kalenderdagen contact op te nemen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder vermeldt de naam, het adres en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst.
   De elektriciteitsdistributienetbeheerder bezorgt het OCMW wekelijks een lijst van huishoudelijke afnemers die op basis van deze beoordeling een risico lopen op onderbreking van de elektriciteitslevering, met uitzondering van diegenen die gemeld hebben dat daar geen noodzaak toe is, en van de huishoudelijke afnemers die binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen contact hebben opgenomen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder.]1
  ----------
  (1)<BVR 2013-11-29/03, art. 10, 021; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 5.3.11. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit schakelt de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit op verzoek van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer opnieuw in als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer 50 % van de openstaande rekeningen bij zijn elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit betaald heeft. Op verzoek van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer of zijn aangestelde en na overleg met de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan vroeger overgegaan worden tot de herinschakeling van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit als daarvoor specifieke redenen zijn.
  De stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit wordt opnieuw ingeschakeld vijf werkdagen na de aanvraag van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer.
  De minister kan nadere regels vastleggen om de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit vroeger in te schakelen.

  Afdeling V. - Schuldafbouw via de budgetmeter voor elektriciteit

  Art. 5.3.12.§ 1. Voor niet-betaald elektriciteitsverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit voor een bedrag vanaf 750 euro, geleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of door een andere elektriciteitsdistributienetbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, voordat een budgetmeter voor elektriciteit geplaatst is, zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een dossier indienen bij de lokale adviescommissie. Het dossier zal niet worden ingediend als met de klant een afspraak tot stand kwam om de betaling van de schuld te regelen.
  Ingeval er voor dezelfde huishoudelijke afnemer gelijktijdig met de schuld, vermeld in het eerste lid, ook schulden voor niet-betaald aardgasverbruik en kosten gerelateerd aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas bestaan en voor zover dat aardgas wordt geleverd door dezelfde netbeheerder of door een netbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, tevens optredend als aardgasdistributienetbeheerder, voordat een budgetmeter voor aardgas geplaatst werd, zal deze voor een bedrag van de gezamenlijke schuld voor dit aardgas- en elektriciteitsverbruik vanaf 1 000 euro, een dossier indienen bij de lokale adviescommissie. Het dossier zal niet worden ingediend als met de klant een afspraak tot stand kwam om de betaling van de schuld te regelen.
  § 2. Voor niet-betaald elektriciteitsverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit tot een bedrag van 750 euro, geleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of door een andere elektriciteitsdistributienetbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, voordat een budgetmeter voor elektriciteit geplaatst is, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in de budgetmeter voor elektriciteit een afbetalingsplan activeren dat de schuld afbouwt met 5 euro per week.
  De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit brengt de huishoudelijke afnemer minstens dertig kalenderdagen voor het begin van dit afbetalingsplan per brief op de hoogte. In de brief vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit dat de huishoudelijke afnemer de mogelijkheid heeft om tot vijf dagen voor het vastgestelde begin van het afbetalingsplan contact kan opnemen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit om een andere regeling voor de betaling van de schulden uit te werken.
  § 3. Ook als de huishoudelijke afnemer de budgetmeter voor elektriciteit niet tijdig of onvoldoende oplaadt en het verbruikskrediet in de budgetmeter voor elektriciteit negatief wordt, loopt het afbetalingsplan voor 5 euro per week verder.
  Bij het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit kan dan een gedeelte van het opgeladen bedrag gebruikt worden voor de betaling van niet-betaald elektriciteitsverbruik en van de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit, zoals geregeld werd via het geactiveerde afbetalingsplan, vermeld in paragraaf 2 en voor zover dat van toepassing is, voor het verbruikte deel van het hulpkrediet, vermeld in [2 artikel 5.3.1]2, § 6, en voor het verbruik van de minimale levering, vermeld in [2 artikel 5.3.5 en 5.3.6]2.
  Het gedeelte van het opgeladen bedrag, vermeld in het tweede lid, bedraagt 35 % voor opladingen tot en met een oplaadbedrag van 50 euro. Voor oplaadbedragen die groter zijn dan 50 euro, kan het gedeelte boven dat bedrag integraal gebruikt worden voor de schuldafbouw.
  [1 § 4. De distributienetbeheerders bezorgen de huishoudelijke afnemers die ze beleveren minstens jaarlijks een transparant overzicht van de totale schulden voor niet-betaald elektriciteitsverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit die ze bij de distributienetbeheerder hebben.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-09-07/13, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>
  (2)<BVR 2013-11-29/03, art. 11, 021; Inwerkingtreding : 29-12-2013>

  Afdeling VI. - Het indienen van een verzoek tot afsluiting van de elektriciteitstoevoer bij wanbetaling

  Art. 5.3.13.Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit verder blijft leveren via de gewone elektriciteitsmeter of als bij de huishoudelijke elektriciteitsafnemer een autonome stroombegrenzer werd geplaatst omdat het technisch niet mogelijk is om een budgetmeter voor elektriciteit te plaatsen als vermeld in artikel 5.3.1, § 5, en als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer na het verstrijken van de uiterste datum voor betaling, vermeld op de elektriciteitsfactuur, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de factuur, niet betaald heeft, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een herinneringsbrief. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de verzending ervan.
  In de herinneringsbrief vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de procedure voor ingebrekestelling, vermeld in artikel 5.3.14.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 5.3.13. [1 Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit verder blijft leveren via de gewone elektriciteitsmeter of als bij de huishoudelijke elektriciteitsafnemer een autonome stroombegrenzer werd geplaatst omdat het technisch niet mogelijk is om een budgetmeter voor elektriciteit te plaatsen als vermeld in artikel 5.3.1, § 4, bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit de huishoudelijke elektriciteitsafnemer maandelijks voor de levering van elektriciteit een factuur die vervalt vijftien dagen na de verzending. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.
   Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald na het verstrijken van de betalingstermijn, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de factuur een betalingsherinnering met vermelding van het niet betaalde vervallen factuurbedrag, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.]1

  ----------
  (1)<BVR 2013-11-29/03, art. 12, 021; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 5.3.14.Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer vijftien kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief, vermeld in artikel 5.3.13, nog geen regeling heeft getroffen voor de betaling van de openstaande facturen, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de huishoudelijke elektriciteitsafnemer in gebreke met een aangetekende brief.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 5.3.14. [1 Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer zijn openstaande rekeningen niet betaald blijkt te hebben vijftien dagen na verzending van de betalingsherinnering, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de betalingsherinnering een ingebrekestelling met een overzicht van de niet betaalde vervallen factuurbedragen, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.]1
  ----------
  (1)<BVR 2013-11-29/03, art. 13, 021; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 5.3.15. § 1. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit vermelden zowel in de herinneringsbrief als in de ingebrekestelling :
  1° de naam en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst;
  2° de mogelijkheden om in geval van betalingsmoeilijkheden een regeling te treffen voor de betaling van de openstaande facturen.
  Die mogelijkheden zijn :
  a) de uitwerking van een afbetalingsplan met de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
  b) de uitwerking van een afbetalingsplan via het OCMW;
  c) de uitwerking van een afbetalingsplan via een erkende instelling voor schuldbemiddeling;
  3° de mogelijkheid die hij heeft om een verzoek tot afsluiting in te dienen bij de lokale adviescommissie.
  § 2. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling.
  § 3. De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de herinneringsbrieven en ingebrekestellingen aan beschermde afnemers, vallen ten laste van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

  Art. 5.3.16. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan bij wanbetaling pas overgaan tot het indienen van een verzoek tot afsluiting van de elektriciteitstoevoer bij de lokale adviescommissie in de volgende gevallen :
  1° de huishoudelijke elektriciteitsafnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling niet schriftelijk meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande facturen;
  2° de huishoudelijke elektriciteitsafnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen nadat hij schriftelijk heeft meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen geen van de volgende acties ondernomen :
  a) zijn vervallen factuur betaald;
  b) een afbetalingsplan aanvaard;
  3° de huishoudelijke elektriciteitsafnemer komt, na de aanvaarding van een afbetalingsplan, zijn afbetalingsverplichtingen niet na.

  HOOFDSTUK IV. - Budgetmeter voor aardgas

  Afdeling I. - Plaatsen, inschakelen en uitschakelen van de budgetmeter voor aardgas bij wanbetaling ten opzichte van de aardgasdistributienetbeheerder

  Art. 5.4.1.§ 1. Als de huishoudelijke aardgasafnemer na het verstrijken van de uiterste datum voor betaling, vermeld op de factuur, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de factuur, niet heeft betaald, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder een herinneringsbrief. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.
  Als de huishoudelijke aardgasafnemer vijftien kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, stelt de aardgasdistributienetbeheerder met een aangetekende brief de huishoudelijke aardgasafnemer in gebreke.
  De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling.
  De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling aan een beschermde afnemer, vallen ten laste van de aardgasdistributienetbeheerder.
  § 2. De aardgasdistributienetbeheerder plaatst de budgetmeter voor aardgas of schakelt de budgetmeter voor aardgas in binnen zestig kalenderdagen als de huishoudelijke aardgasafnemer binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, op voorwaarde dat hij normale toegang heeft tot de ruimte waarin de budgetmeter voor aardgas zal worden opgesteld of staat opgesteld.
  De minister kan de verdere werkwijze voor de plaatsing van de budgetmeter voor aardgas vastleggen.
  § 3. De aardgasdistributienetbeheerder voor het gebied van de gemeente Baarle-Hertog, dat volledig is omgeven door Nederlands grondgebied, is ertoe gehouden om, als de leverancier het contract voor de levering van aardgas aan de huishoudelijke afnemer heeft opgezegd en als de huishoudelijke afnemer uiterlijk acht kalenderdagen voor het einde van de opzegtermijn, overeenkomstig artikel 5.2.1, geen nieuwe leverancier heeft gevonden, een budgetmeter te plaatsen bij de huishoudelijke afnemer, op voorwaarde dat de aardgasdistributienetbeheerder normale toegang heeft tot de woning.
  § 4. Als het technisch gezien niet mogelijk is om een budgetmeter voor aardgas bij de betreffende huishoudelijke aardgasafnemer te plaatsen, levert de aardgasdistributienetbeheerder verder via de gewone aardgasmeter. Bij wanbetaling volgt de aardgasdistributienetbeheerder de procedure, vermeld in artikel 5.4.14 tot en met 5.4.17.
  § 5. Als de huishoudelijke aardgasafnemer geen normale toegang geeft tot de ruimte waarover hij het gebruiks- of eigendomsrecht heeft en waarin de aardgasmeter is opgesteld, voor de plaatsing, de controle of meteropname van de meter, inclusief de budgetmeter voor aardgas, kan de aardgasdistributienetbeheerder een verzoek tot afsluiting van de aardgastoevoer indienen bij de lokale adviescommissie.
  § 6. De budgetmeter voor aardgas wordt door de aardgasdistributienetbeheerder zodanig ingesteld dat een hulpkrediet voor een bedrag dat overeenkomt met de waarde van 1 000 kWh tegen de sociale maximumprijs voor aardgas, ter beschikking wordt gesteld van de huishoudelijke aardgasafnemer.
  § 7. De aardgasdistributienetbeheerder stelt bij de plaatsing of inschakeling van de budgetmeter voor aardgas minstens de volgende informatie ter beschikking van de betrokken huishoudelijke aardgasafnemer :
  1° een gebruikshandleiding;
  2° een telefoonnummer voor het melden van problemen en voor noodgevallen;
  3° een lijst met de plaats en de toegankelijkheid van de dichtstbijzijnde oplaadmogelijkheden;
  4° gedetailleerde informatie en instructies over de gegevens die van de budgetmeter voor aardgas kunnen worden afgelezen;
  5° het toegepaste aardgastarief;
  6° het ter beschikking gestelde hulpkrediet en de manier waarop het hulpkrediet wordt verrekend bij het opladen van de budgetmeter voor aardgas.
  § 8. Op vraag van het OCMW bezorgt de aardgasdistributienetbeheerder het OCMW een lijst met geplaatste actieve budgetmeters voor aardgas uit de gemeente waarin het OCMW actief is.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 5.4.1. [1 § 1. De aardgasdistributienetbeheerder bezorgt de huishoudelijke aardgasafnemer maandelijks voor de levering van aardgas een factuur die vervalt vijftien dagen na de verzending. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.
   Als de huishoudelijke aardgasafnemer zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald na het verstrijken van de betalingstermijn, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de factuur voor aardgas een betalingsherinnering met vermelding van het niet betaalde vervallen factuurbedrag, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.
   § 2. De betalingsherinnering, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, vermeldt ook dat als de huishoudelijke aardgasafnemer binnen een termijn van eenentwintig dagen na de verzending van de betalingsherinnering zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, de aardgasdistributienetbeheerder binnen 60 kalenderdagen na het verstrijken van die termijn van eenentwintig dagen een budgetmeter voor aardgas zal plaatsen of inschakelen.
   Als de huishoudelijke aardgasafnemer zijn openstaande rekeningen niet betaald blijkt te hebben vijftien dagen na verzending van de betalingsherinnering, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de betalingsherinnering, een ingebrekestelling met een overzicht van de niet betaalde vervallen factuurbedragen, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.
   De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling.
   De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling aan een beschermde afnemer vallen ten laste van de aardgasdistributienetbeheerder.
   § 3. De aardgasdistributienetbeheerder plaatst de budgetmeter voor aardgas of schakelt de budgetmeter voor aardgas in binnen zestig kalenderdagen als de huishoudelijke aardgasafnemer binnen eenentwintig kalenderdagen na de verzending van de betalingsherinnering, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, op voorwaarde dat hij normale toegang heeft tot de ruimte waarin de budgetmeter voor aardgas zal worden opgesteld of staat opgesteld.
   In afwijking van het eerste lid, is de aardgasdistributienetbeheerder voor het gebied van de gemeente Baarle-Hertog, dat volledig is omgeven door Nederlands grondgebied, ertoe gehouden om, als de leverancier het contract voor de levering van aardgas aan de huishoudelijke afnemer heeft opgezegd en als de huishoudelijke afnemer uiterlijk acht kalenderdagen voor het einde van de opzegtermijn, overeenkomstig artikel 5.2.1, geen nieuwe leverancier heeft gevonden, een budgetmeter te plaatsen bij de huishoudelijke afnemer, op voorwaarde dat de aardgasdistributienetbeheerder normale toegang heeft tot de woning.
   De minister kan de verdere werkwijze voor de plaatsing van de budgetmeter voor aardgas vastleggen.
   De aardgasafnemer wordt zonder enige beperking beleverd door de aardgasdistributienetbeheerder. Bij wanbetaling volgt de aardgasdistributienetbeheerder de procedure, vermeld in artikel 5.4.14 tot en met 5.4.17.]1
  § 4. Als het technisch gezien niet mogelijk is om een budgetmeter voor aardgas bij de betreffende huishoudelijke aardgasafnemer te plaatsen, levert de aardgasdistributienetbeheerder verder via de gewone aardgasmeter. Bij wanbetaling volgt de aardgasdistributienetbeheerder de procedure, vermeld in artikel 5.4.14 tot en met 5.4.17.
  § 5. Als de huishoudelijke aardgasafnemer geen normale toegang geeft tot de ruimte waarover hij het gebruiks- of eigendomsrecht heeft en waarin de aardgasmeter is opgesteld, voor de plaatsing, de controle of meteropname van de meter, inclusief de budgetmeter voor aardgas, kan de aardgasdistributienetbeheerder een verzoek tot afsluiting van de aardgastoevoer indienen bij de lokale adviescommissie.
  § 6. De budgetmeter voor aardgas wordt door de aardgasdistributienetbeheerder zodanig ingesteld dat een hulpkrediet voor een bedrag dat overeenkomt met de waarde van 1 000 kWh tegen de sociale maximumprijs voor aardgas, ter beschikking wordt gesteld van de huishoudelijke aardgasafnemer.
  § 7. De aardgasdistributienetbeheerder stelt bij de plaatsing of inschakeling van de budgetmeter voor aardgas minstens de volgende informatie ter beschikking van de betrokken huishoudelijke aardgasafnemer :
  1° een gebruikshandleiding;
  2° een telefoonnummer voor het melden van problemen en voor noodgevallen;
  3° een lijst met de plaats en de toegankelijkheid van de dichtstbijzijnde oplaadmogelijkheden;
  4° gedetailleerde informatie en instructies over de gegevens die van de budgetmeter voor aardgas kunnen worden afgelezen;
  5° het toegepaste aardgastarief;
  6° het ter beschikking gestelde hulpkrediet en de manier waarop het hulpkrediet wordt verrekend bij het opladen van de budgetmeter voor aardgas.
  § 8. Op vraag van het OCMW bezorgt de aardgasdistributienetbeheerder het OCMW een lijst met geplaatste actieve budgetmeters voor aardgas uit de gemeente waarin het OCMW actief is.

  ----------
  (1)<BVR 2013-11-29/03, art. 14, 021; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 5.4.2. Als de huishoudelijke afnemer in de periode van november tot en met maart gedurende een periode van dertig kalenderdagen zijn budgetmeter voor aardgas niet oplaadt, beoordeelt de aardgasdistributienetbeheerder op basis van het bekende oplaadgedrag en verbruikspatroon uit het verleden het risico dat de huishoudelijke afnemer in kwestie loopt op onderbreking van de aardgaslevering, nadat het hulpkrediet voor aardgas is verbruikt.
  Ingeval de aardgasdistributienetbeheerder de kans reëel acht dat de huishoudelijke afnemer binnen een termijn van tien dagen zonder aardgaslevering valt, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder op basis van de beoordeling, vermeld in het eerste lid, een brief naar de huishoudelijke afnemer met de vraag om de budgetmeter binnen tien kalenderdagen op te laden of, als dat niet lukt of er volgens de huishoudelijke afnemer geen noodzaak toe is, binnen de tien kalenderdagen contact op te nemen. De aardgasdistributienetbeheerder vermeldt de naam, het adres en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst.
  De aardgasdistributienetbeheerder bezorgt het OCMW wekelijks een lijst van huishoudelijke afnemers die binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, niet opladen, met uitzondering van diegenen die gemeld hebben dat daar geen noodzaak toe is, en van de huishoudelijke afnemers die binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen contact hebben opgenomen met de aardgasdistributienetbeheerder.

  Art. 5.4.3. De aardgasdistributienetbeheerder schakelt de budgetmeter voor aardgas uit als de huishoudelijke aardgasafnemer zijn openstaande rekeningen bij zijn aardgasdistributienetbeheerder heeft betaald en een contract voor de levering van aardgas heeft gesloten met een leverancier. Vanaf dat moment wordt de huishoudelijke aardgasafnemer verder van aardgas beleverd door zijn leverancier.

  Art. 5.4.4. § 1. Als de huishoudelijke aardgasafnemer bij wie een budgetmeter voor aardgas werd geplaatst, verhuist, wordt de budgetmeter voor aardgas op het oude adres als volgt uitgeschakeld :
  1° door de nieuwe huishoudelijke aardgasafnemer zelf door middel van een specifiek daarvoor bedoelde kaart of te volgen procedure of een combinatie van beide. Die kaart en procedure worden hem toegestuurd per post binnen twee werkdagen na de aanvraag of worden hem ter beschikking gesteld in de klantenkantoren, waarbij de kaart en procedure op zijn vroegst bezorgd kunnen worden vanaf de verhuisdatum;
  2° door de aardgasdistributienetbeheerder na afspraak met de nieuwe huishoudelijke aardgasafnemer die kan eisen dat de afspraak plaatsvindt binnen vijf werkdagen na de melding van de verhuizing door de nieuwe bewoner, waarbij de afspraak op zijn vroegst kan plaatsvinden vanaf de verhuisdatum.
  § 2. Als de aardgasdistributienetbeheerder het nieuwe adres van de oude huishoudelijke aardgasafnemer die verhuist en die over een budgetmeter voor aardgas beschikt, kent, of op verzoek van de oude huishoudelijke aardgasafnemer die verhuist en die over een budgetmeter voor aardgas beschikt, plaatst de aardgasdistributienetbeheerder een budgetmeter voor aardgas of schakelt hij er een in op het nieuwe adres.

  Art. 5.4.5. De kosten die verbonden zijn aan de budgetmeter voor aardgas, met inbegrip van de plaatsing en de inschakeling en uitschakeling van de budgetmeter voor aardgas, vallen altijd ten laste van de aardgasdistributienetbeheerder.
  De kosten die verbonden zijn aan het wegnemen van de budgetmeter voor aardgas, vallen altijd ten laste van de aanvrager van het wegnemen van de budgetmeter.

  Afdeling II. - Minimale levering van aardgas

  Art. 5.4.6. De huishoudelijke afnemer bij wie een budgetmeter voor aardgas werd geïnstalleerd, kan het OCMW ervan op de hoogte brengen dat hij niet beschikt over voldoende middelen om de budgetmeter voor aardgas op te laden waardoor de aardgaslevering tijdens de winterperiode onderbroken dreigt te worden.

  Art. 5.4.7.Het OCMW kan er voor opteren gebruik te maken van een systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter.
  Het OCMW dat opteert voor het systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter, stelt voor de huishoudelijke afnemer, vermeld in artikel 5.4.2 en 5.4.6, op basis van een sociaal vooronderzoek binnen de termijn bepaald in de OCMW-wet vast of er een reëel probleem van energiearmoede bestaat waardoor de huishoudelijke afnemer niet over voldoende middelen beschikt om zijn budgetmeter voor aardgas tijdens de winterperiode voldoende op te laden.
  Als er een reëel probleem van energiearmoede, zoals vermeld in het tweede lid, bestaat, kan het OCMW op basis van een tabel, vastgesteld door de minister, de kost bepalen van de hoeveelheid aardgas, die de huishoudelijke afnemer per veertien kalenderdagen nodig heeft om tot het einde van de winterperiode te beschikken over een minimale verwarming van de woning.
  
  (NOTA : voor de tabel, vermeld in artikel 5.4.7, zie MB 2011-10-20/04, Bijlage 1, aangebracht bij MB 2011-10-20/04, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-12-2011)

  Art. 5.4.8. Het OCMW dat opteert voor het systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter, kan het bedrag dat overeenkomt met de kost, bedoeld in artikel 5.4.7, derde lid, per periode van veertien kalenderdagen ter beschikking stellen van de huishoudelijke afnemer tot maximaal het einde van de winterperiode inclusief de mogelijke verlenging ervan door de minister, vermeld in artikel 5.5.6.
  Het OCMW kan aan het ter beschikking stellen van het bedrag, vermeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden op het vlak van :
  1° schuldbegeleiding en schuldafbouw;
  2° het nemen van maatregelen om het verbruik van energie door de huishoudelijke afnemer te verminderen;
  3° het verplicht opladen van de budgetmeter buiten de winterperiode.

  Art. 5.4.9. Het OCMW dat opteert voor het systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter, zoals beschreven in artikel 5.4.7 en 5.4.8, kan het bedrag, vermeld in artikel 5.4.8, eerste lid, dat via de oplading van de budgetmeterkaart door het OCMW ter beschikking wordt gesteld voor maximum 70 % recupereren bij de aardgasdistributienetbeheerder. Het resterende percentage kan het OCMW ofwel terugvorderen bij de huishoudelijke afnemer via een afbetalingsplan, ofwel kwijtschelden.
  De recuperatie door het OCMW bij de aardgasdistributienetbeheerder van maximaal 70 % van de gemaakte kosten, bedoeld in het eerste lid, is een openbaredienstverplichting van de aardgasdistributienetbeheerder zoals bedoeld in artikel 4.1.22 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

  Art. 5.4.10.Het OCMW dat opteert voor het systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter, zoals beschreven in artikel 5.4.7 tot 5.4.9, kan de gemaakte kosten die overeenstemmen met de hoeveelheid aardgas die het toekent via de oplading van de budgetmeterkaart, vermeld in artikel 5.4.8, voor voor maximum 70 % recupereren bij de aardgasdistributienetbeheerder [1 tot uiterlijk drie maanden na het einde van de winterperiode inclusief de mogelijke verlenging ervan door de minister, vermeld in artikel 5.5.6.]1. Het resterende percentage kan het OCMW na de winterperiode ofwel terugvorderen bij de huishoudelijke aardgasafnemer via een afbetalingsplan, ofwel kwijtschelden.
  ----------
  (1)<BVR 2013-11-29/03, art. 15, 021; Inwerkingtreding : 29-12-2013>

  Afdeling III. - Het opladen van de budgetmeter voor aardgas

  Art. 5.4.11. Iedere aardgasdistributienetbeheerder zorgt binnen zijn distributienetgebied voor de terbeschikkingstelling van een systeem voor het opladen van budgetmeters voor aardgas.
  Voor de betaling van de opladingen worden verschillende betalingsmogelijkheden aan de huishoudelijke aardgasafnemer aangeboden. De minister kan de betalingsmogelijkheden nader bepalen.
  De minister kan technische vereisten vaststellen waaraan het systeem voor het opladen van de budgetmeters voor aardgas moet voldoen.

  Art. 5.4.12. In iedere gemeente waar een budgetmeter voor aardgas in gebruik is, is minstens een oplaadmogelijkheid aanwezig. Afhankelijk van de behoeften kan de minister aanvullende vereisten opleggen voor de organisatie van oplaadmogelijkheden.

  Afdeling IV. - Schuldafbouw via de budgetmeter voor aardgas

  Art. 5.4.13.§ 1. Voor niet-betaald aardgasverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas voor een bedrag vanaf 750 euro, geleverd door de aardgasdistributienetbeheerder of door een andere aardgasdistributienetbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, voordat een budgetmeter voor aardgas geplaatst is, zal de aardgasdistributienetbeheerder een dossier indienen bij de lokale adviescommissie. Het dossier zal niet worden ingediend als met de klant een afspraak tot stand kwam om de betaling van de schuld te regelen.
  Ingeval er voor eenzelfde huishoudelijke afnemer gelijktijdig met de schuld, vermeld in het eerste lid, ook schulden voor niet-betaald elektriciteitsverbruik en kosten gerelateerd aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit bestaan, voor zover geleverd door dezelfde aardgasdistributienetbeheerder, of door een netbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, tevens optredend als netbeheerder, voordat een budgetmeter voor elektriciteit geplaatst werd, zal deze voor een bedrag voor de gezamenlijke schuld voor dit aardgas- en elektriciteitsverbruik vanaf 1 000 euro, een dossier indienen bij de lokale adviescommissie. Het dossier zal niet worden ingediend als met de klant een afspraak tot stand kwam om de betaling van de schuld te regelen.
  § 2. Voor niet-betaald aardgasverbruik en kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas tot een bedrag van 750 euro, geleverd door de aardgasdistributienetbeheerder of een andere netbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, voordat een budgetmeter voor aardgas geplaatst is, kan de aardgasdistributienetbeheerder in de budgetmeter voor aardgas een afbetalingsplan activeren dat de schuld afbouwt met 5 euro per week.
  De aardgasdistributienetbeheerder brengt de huishoudelijke afnemer minstens dertig kalenderdagen voor het begin van dit afbetalingsplan per brief op de hoogte. In de brief, gestandaardiseerd voor het hele Vlaamse Gewest, vermeldt de aardgasdistributienetbeheerder dat de huishoudelijke afnemer de mogelijkheid heeft om tot vijf dagen voor het vastgestelde begin van het afbetalingsplan contact kan opnemen met de aardgasdistributienetbeheerder om een andere regeling voor de betaling van de schulden uit te werken.
  § 3. Ook als de huishoudelijke afnemer de budgetmeter voor aardgas niet tijdig of onvoldoende oplaadt en het verbruikskrediet in de budgetmeter voor aardgas negatief wordt, loopt het afbetalingsplan voor 5 euro per week verder.
  Bij het opladen van de budgetmeter voor aardgas kan dan een gedeelte van het opgeladen bedrag gebruikt worden voor de betaling van niet-betaald aardgasverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas, zoals geregeld werd via het geactiveerde afbetalingsplan, vermeld in paragraaf 2, en, voor zover dat van toepassing is, voor het verbruikte deel van het hulpkrediet, vermeld in [2 artikel 5.4.1, § 6]2.
  Het gedeelte van het opgeladen bedrag, vermeld in het tweede lid, bedraagt 35 % voor opladingen tot en met een oplaadbedrag van 50 euro. Voor oplaadbedragen die groter zijn dan 50 euro, kan het gedeelte boven dat bedrag integraal gebruikt worden voor de schuldafbouw.
  [1 § 4. De distributienetbeheerders bezorgen de huishoudelijke afnemers die ze beleveren minstens jaarlijks een transparant overzicht van de totale schulden voor niet-betaald aardgasverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas die ze bij de distributienetbeheerder hebben.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-09-07/13, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>
  (2)<BVR 2013-11-29/03, art. 16, 021; Inwerkingtreding : 29-12-2013>

  Afdeling V. - Het indienen van een verzoek tot afsluiting van de aardgastoevoer bij wanbetaling ten opzichte van de aardgasdistributienetbeheerder als er geen budgetmeter voor aardgas is geplaatst

  Art. 5.4.14.Als de aardgasdistributienetbeheerder verder blijft leveren via de gewone aardgasmeter en als de huishoudelijke aardgasafnemer na het verstrijken van de uiterste datum voor betaling, vermeld op de aardgasfactuur, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de factuur, niet betaald heeft, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder een herinneringsbrief. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de verzending ervan.
  In de herinneringsbrief vermeldt de aardgasdistributienetbeheerder de procedure voor ingebrekestelling, vermeld in artikel 5.4.15.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 5.4.14. [1 Als de aardgasdistributienetbeheerder verder blijft leveren via de gewone aardgasmeter bezorgt de aardgasdistributienetbeheerder de huishoudelijke aardgasafnemer maandelijks voor de levering van aardgas een factuur die vervalt vijftien dagen na de verzending. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.
   Als de huishoudelijke aardgasafnemer zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald na het verstrijken van de betalingstermijn, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de factuur een betalingsherinnering met vermelding van het niet betaalde vervallen factuurbedrag, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.]1

  ----------
  (1)<BVR 2013-11-29/03, art. 17, 021; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 5.4.15.Als de huishoudelijke aardgasafnemer vijftien kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief, vermeld in artikel 5.4.14, nog geen regeling heeft getroffen voor de betaling van de openstaande facturen, stelt de aardgasdistributienetbeheerder de huishoudelijke aardgasafnemer in gebreke met een aangetekende brief.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 5.4.15. [1 Als de huishoudelijke aardgasafnemer zijn openstaande rekeningen niet betaald blijkt te hebben vijftien dagen na verzending van de betalingsherinnering, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder ten vroegste eenentwintig dagen na de verzending van de betalingsherinnering een ingebrekestelling met een overzicht van de niet betaalde vervallen factuurbedragen, en dit bij voorkeur samen met de volgende maandelijkse factuur.]1
  ----------
  (1)<BVR 2013-11-29/03, art. 18, 021; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 5.4.16. § 1. De aardgasdistributienetbeheerder vermeldt zowel in de herinneringsbrief als in de ingebrekestelling :
  1° de naam en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst;
  2° de mogelijkheden om in geval van betalingsmoeilijkheden een regeling te treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen.
  Die mogelijkheden zijn :
  a) de uitwerking van een afbetalingsplan met de aardgasdistributienetbeheerder;
  b) de uitwerking van een afbetalingsplan via het OCMW;
  c) de uitwerking van een afbetalingsplan via een erkende instelling voor schuldbemiddeling;
  3° de mogelijkheid die hij heeft om een verzoek tot afsluiting in te dienen bij de lokale adviescommissie.
  § 2. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling.
  § 3. De kosten die verbonden zijn aan het versturen van herinneringsbrieven en ingebrekestellingen aan beschermde afnemers, vallen ten laste van de aardgasdistributienetbeheerder.

  Art. 5.4.17. De aardgasdistributienetbeheerder kan bij wanbetaling pas overgaan tot het indienen van een verzoek tot afsluiting van de aardgastoevoer bij de lokale adviescommissie in de volgende gevallen :
  1° de huishoudelijke aardgasafnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling niet schriftelijk meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen;
  2° de huishoudelijke aardgasafnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen nadat hij schriftelijk heeft meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen geen van de volgende acties ondernomen :
  a) zijn vervallen factuur betaald;
  b) een afbetalingsplan aanvaard;
  3° de huishoudelijke aardgasafnemer komt, na de aanvaarding van een afbetalingsplan, zijn afbetalingsverplichtingen niet na.

  HOOFDSTUK V. - Afsluiten en heraansluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer

  Afdeling I. - Afname van elektriciteit of aardgas zonder leveringscontract na een verhuizing

  Art. 5.5.1. (het eerste oud art. 5.5.2 wordt vervangen door art. 5.5.1, zie BVR 2012-09-07/13, art. 5; 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012) § 1. Nadat een huishoudelijke afnemer zijn leverancier heeft ingelicht over zijn verhuizing en als die leverancier geen bericht van klant- en leverancierswissel heeft ontvangen van de leverancier van de nieuwe bewoner, meldt de leverancier uiterlijk binnen dertig kalenderdagen aan de distributienetbeheerder dat hij zijn levering op het oude adres van de huishoudelijke afnemer wil stopzetten uiterlijk binnen dertig kalenderdagen.
  Vanaf de verhuisdatum van de oude bewoner vallen alle kosten die vanaf die datum veroorzaakt worden door de levering van elektriciteit of aardgas, ten laste van de nieuwe bewoner of van de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner.
  § 2. De netbeheerder brengt op zijn beurt de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, schriftelijk op de hoogte van zijn plicht om zo snel mogelijk en uiterlijk binnen tien kalenderdagen na de ontvangst van de brief een van de volgende acties te ondernemen :
  1° zijn huidige leverancier te verwittigen van zijn verhuizing;
  2° een leveringscontract te sluiten met een nieuwe leverancier;
  3° de elektriciteits- of aardgastoevoer te laten afsluiten door middel van verzegeling.
  De netbeheerder meldt ook de gevolgen, vermeld in artikel 5.5.2, als de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, niet reageert op de brief. De brief wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.
  § 3. Als de nieuwe bewoner of de eigenaar niet reageert op de brief, vermeld in paragraaf 2, gaat de netbeheerder binnen vijftien kalenderdagen ter plaatse om een regularisatiedocument te laten ondertekenen. De netbeheerder brengt in dat geval de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, op de hoogte van de gevolgen, vermeld in artikel 5.5.2, als hij het document niet ondertekent.
  Het regularisatiedocument biedt aan de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, drie mogelijkheden :
  1° als de nieuwe bewoner over een geldig leveringscontract beschikt op zijn oude adres, maar zijn leverancier nog niet verwittigd heeft van zijn verhuizing, dan geeft hij de naam van zijn huidige leverancier door;
  2° als de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, nog niet over een geldig leveringscontract beschikt, wijst hij de laatst bekende leverancier van de vorige bewoner aan als zijn leverancier vanaf de verhuisdatum. Die leverancier belevert dan de betreffende huishoudelijke afnemer. Als hij een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen in acht neemt, kan de huishoudelijke afnemer overstappen naar een andere leverancier zonder dat hem een verbrekingsvergoeding wordt aangerekend;
  3° de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, laat de elektriciteits- of aardgastoevoer afsluiten door middel van verzegeling.
  De netbeheerder stuurt, indien nodig, het ingevulde en ondertekende regularisatiedocument binnen vijf werkdagen door naar de betreffende leverancier, die binnen vijf werkdagen de toestand van de betreffende huishoudelijke afnemer regulariseert.
  De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van het verhuisformulier en het regularisatiedocument.
  § 4. Als de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, niet thuis is op het ogenblik van het bezoek van de netbeheerder, laat die een document achter, waarin gevraagd wordt om binnen vijftien kalenderdagen een afspraak te maken voor een nieuw bezoek om de situatie te regelen.

  Art. 5.5.2. Als de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, weigert om het regularisatiedocument in te vullen en te ondertekenen, of als de nieuwe bewoner of de eigenaar niet reageert op de brieven of de documenten, vermeld in artikel 5.5.1, mag de netbeheerder de elektriciteits- of aardgastoevoer afsluiten, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 4°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009.
  De leverancier levert gedurende maximaal dertig kalenderdagen na de melding dat hij de levering op het oude adres van de huishoudelijke afnemer wil stopzetten, verder aan de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner. Na die termijn levert de netbeheerder verder in afwachting van een regularisatie van de situatie of een afsluiting van de elektriciteits- of aardgastoevoer.

  Afdeling II. - Fraude

  Art. 5.5.3. Als de netbeheerder objectief vaststelt dat de huishoudelijke afnemer fraude pleegt, neemt hij de nodige maatregelen om een einde te stellen aan die fraude door de installatie te laten aanpassen conform het technisch reglement. Als de huishoudelijke afnemer zich verzet tegen de poging van de netbeheerder om een einde te stellen aan de fraude, is de netbeheerder gemachtigd om onmiddellijk over te gaan tot de afsluiting van de elektriciteits- of aardgastoevoer, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 3°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009.
  De kosten die de netbeheerder heeft gemaakt om de fraude ongedaan te maken en de kosten voor de onrechtmatig afgenomen elektriciteit of het onrechtmatig afgenomen aardgas, vallen ten laste van de betreffende huishoudelijke afnemer.

  Afdeling III. - Leegstaande woning

  Art. 5.5.4. § 1. Als de netbeheerder na een bezoek van een personeelslid of een aangestelde een vermoeden heeft van leegstand van een aangesloten wooneenheid of residentieel gebouw, zoekt de distributienetbeheerder de identiteit van de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw op via het kadaster.
  De netbeheerder verstuurt een brief naar de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw met het verzoek om binnen vijftien kalenderdagen contact op te nemen met de netbeheerder om kenbaar te maken of de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw al dan niet bewoond is.
  Als de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw reageert en bevestigt dat de wooneenheid of het residentiële gebouw leegstaat, wordt de eigenaar verzocht om binnen dertig kalenderdagen een leveringscontract te sluiten, dat met onmiddellijke ingang start, of de elektriciteits- of aardgastoevoer te laten afsluiten door middel van verzegeling.
  Als de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw niet reageert, stuurt de distributienetbeheerder opnieuw een personeelslid of een aangestelde ter plaatste om nogmaals te verifiëren of er al dan niet een vermoeden is van bewoning.
  De minister kan nadere regels vastleggen om te bepalen of er al dan niet een vermoeden van bewoning is en voor de vorm en de inhoud van de brief, vermeld in het tweede lid.
  § 2. Tenzij de eigenaar de elektriciteits- of aardgastoevoer heeft laten afsluiten door middel van verzegeling, mag de netbeheerder in de volgende gevallen overgaan tot de afsluiting van de elektriciteits- of aardgastoevoer, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 2°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 :
  1° als de eigenaar bevestigt dat een aangesloten wooneenheid of residentieel gebouw leegstaat, en als hij binnen dertig kalenderdagen geen leveringscontract heeft gesloten dat met onmiddellijke ingang start;
  2° als de eigenaar niet gereageerd heeft op de brief, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, en als de controle, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, heeft plaatsgevonden en het vermoeden van leegstand heeft bevestigd.

  Afdeling IV. - Afsluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer als het leveringscontract van de huishoudelijke afnemer werd opgezegd om een andere reden dan wanbetaling

  Art. 5.5.5. § 1. Als het leveringscontract van een huishoudelijke afnemer werd opgezegd om een andere reden dan wanbetaling, dient de betreffende huishoudelijke afnemer een contract met een leverancier te sluiten binnen een periode van negentig kalenderdagen, te rekenen vanaf het moment dat de betreffende afnemer door de netbeheerder wordt beleverd. De netbeheerder brengt de betreffende huishoudelijke afnemer daarvan schriftelijk op de hoogte binnen dertig kalenderdagen na het einde van de opzeggingstermijn van het vorige leveringscontract.
  § 2. Als de huishoudelijke afnemer geen nieuw leveringscontract sluit dat uiterlijk ingaat op het einde van de periode, vermeld in paragraaf 1, mag de netbeheerder een verzoek tot afsluiting indienen bij de lokale adviescommissie.

  Afdeling V. - Afsluiten in de winterperiode

  Art. 5.5.6. Bij de huishoudelijke afnemer kan in de gevallen, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7°en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, de toevoer van elektriciteit of aardgas niet worden afgesloten tijdens de periode van 1 december tot 1 maart. De minister kan die periode afhankelijk van de weersomstandigheden verlengen.

  Afdeling VI. - Heraansluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer

  Art. 5.5.7.§ 1. De netbeheerder sluit de toevoer van elektriciteit of aardgas van een huishoudelijke afnemer opnieuw aan als aan minstens een van de volgende voorwaarden voldaan is :
  1° na het beëindigen van een situatie, als vermeld in 6.1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  2° na een beslissing tot heraansluiting van de lokale adviescommissie, overeenkomstig de procedure, vermeld in hoofdstuk III, afdeling III, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water;
  3° op verzoek van de huishoudelijke afnemer op voorwaarde dat de huishoudelijke afnemer over een geldig leveringscontract beschikt voor de levering van elektriciteit en gas, met uitzondering van de afsluitingen om de redenen, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 1° en 3°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en op voorwaarde dat de huishoudelijke afnemer geen schulden meer heeft bij de netbeheerder;
  [1 4° nadat de distributienetbeheerder of de VREG vaststelt dat de toevoer van elektriciteit of aardgas onterecht is afgesloten.]1
  In de gevallen, vermeld in [1 het eerste lid, 1°, 2° en 4°]1, levert de netbeheerder elektriciteit of aardgas als de betreffende huishoudelijke afnemer niet over een geldig leveringscontract voor elektriciteit of aardgas beschikt.
  § 2. [1 De heraansluiting van de elektriciteits- of aardgastoevoer vindt plaats binnen :
   1° vijf werkdagen na de aanvraag van de huishoudelijke afnemer in de gevallen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 3°;
   2° vijf werkdagen na de beslissing van de lokale adviescommissie in het geval, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°;
   3° 24 uur in het geval, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°.]1
  § 3. De kosten van de heraansluiting vallen altijd ten laste van de huishoudelijke afnemer die aan de oorzaak ligt van de afsluiting.
  [1 § 4. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, 4° en paragraaf 2, 3°, zijn van overeenkomstige toepassing op niet-huishoudelijke afnemers.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-09-07/13, art. 6, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>

  Afdeling VII. - Uitwisseling van gegevens

  Art. 5.5.8.[1 De distributienetbeheerders bezorgen aan het OCMW wekelijks de gegevens van de huishoudelijke afnemers die recent zijn afgesloten of heraangesloten, opgesplitst naar elektriciteit en aardgas.
   De distributienetbeheerders bezorgen aan het OCMW jaarlijks tegen 1 oktober een lijst van alle huishoudelijke toegangspunten die afgesloten zijn, opgesplitst naar elektriciteit en aardgas.
   De distributienetbeheerders bezorgen aan het OCMW wekelijks een lijst van geplande afsluitingen van huishoudelijke afnemers waarvoor ze vaststelden dat ze een voorwaardelijke beslissing van de lokale adviescommissie tot afsluiting niet respecteren, opgesplitst naar elektriciteit en aardgas.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-09-07/13, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>

  Afdeling VIII. [1 - Afsluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer via een oplaadblokkade]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-09-07/13, art. 8, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>

  Art. 5.5.9. [1 De distributienetbeheerder kan, als alternatief voor een fysieke afsluiting ter plaatse, de toevoer van elektriciteit of aardgas voor toegangspunten met een budgetmeter, alleen vanop afstand afsluiten via een oplaadblokkade in de gevallen, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, eerste lid, 2° tot en met 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-09-07/13, art. 8, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>

  HOOFDSTUK VI. - Overige sociale openbaredienstverplichtingen

  Art. 5.6.1.Elke leverancier is ertoe gehouden :
  1° aan alle huishoudelijke elektriciteitsafnemers een jaarlijkse totale afrekeningsfactuur voor de verkoop en het vervoer van elektriciteit te bezorgen, op voorwaarde dat de leverancier over de nodige meetgegevens beschikt;
  2° aan alle huishoudelijke aardgasafnemers een jaarlijkse totale afrekeningsfactuur voor de verkoop en het vervoer van aardgas te bezorgen, op voorwaarde dat de leverancier over de nodige meetgegevens beschikt;
  3° begrijpbare facturen, herinneringsbrieven en ingebrekestellingen te sturen;
  4° verschillende betalingsmogelijkheden aan de huishoudelijke afnemer aan te bieden, waaronder in ieder geval betalingen per maand of per kwartaal, en waaronder betalingen via overschrijving en domiciliëring;
  5° kosteloos de factuur zowel naar een derde partij, aangewezen door de huishoudelijke afnemer, als naar de afnemer zelf te sturen;
  6° aan alle huishoudelijke afnemers de mogelijkheid te bieden om telefonisch of via een ander communicatiemiddel uitleg te vragen over de factuur;
  7° [1 aan alle huishoudelijke afnemers de mogelijkheid te geven om inlichtingen te vragen en klachten in te dienen over de levering en facturatie van elektriciteit of aardgas en deze te registreren en hierover te rapporteren aan de VREG conform de methode bepaald door de VREG, in het kader van de uitvoering van zijn opdracht zoals bepaald in artikel 3.1.3, 1°, d), van het Energiedecreet;]1
  8° een leveringscontract te bezorgen, behalve als het leveringen van de standaardleverancier betreft, waarin minstens de volgende gegevens zijn opgenomen :
  a) de identiteit en het adres van de leverancier en de distributienetbeheerder;
  b) de geleverde diensten en de bijbehorende prijs;
  c) de duur van het contract;
  d) de voorwaarden voor verlenging en beëindiging van het contract;
  e) het bestaan van het recht op opzegging;
  f) de methode voor het indienen van een klacht bij de leverancier;
  g) de methode voor het inleiden van procedures voor de beslechting van geschillen met de leverancier;
  [1 9° te voorzien in een tijdens de kantooruren bereikbaar rechtstreeks telefoonnummer en e-mailadres dat voorbehouden is voor OCMW-medewerkers, sociale huisvestingsmaatschappijen en Centra voor Algemeen Welzijnswerk voor informatievragen in het kader van de begeleiding van klanten van de leverancier;
   10° geen enkele huishoudelijke afnemer te weigeren als klant, tenzij op basis van de volgende weigeringsgronden :
   a) de leverancier beperkt zich tot een geografisch omlijnde afzetmarkt;
   b) de afnemer is aangesloten op een distributienetgebied waar de leverancier nog niet levert;
   c) de leverancier levert alleen aan bepaalde segmenten van afnemers;
   d) de leverancier is actief als coöperatieve vennootschap en levert alleen aan vennoten;
   e) de huishoudelijke afnemer, of één van diens op hetzelfde adres gedomicilieerde gezinsleden, heeft nog openstaande schulden bij de leverancier.]1
  [1 Onverminderd het eerste lid, 10°, kan de minister bijkomende weigeringsgronden bepalen.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-09-07/13, art. 9, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>

  Art. 5.6.2.Elke distributienetbeheerder is ertoe gehouden :
  1° speciale voorzieningen te treffen voor de ondubbelzinnige identificatie van personen die handelen in naam van de distributienetbeheerder en die zich bij de huishoudelijke afnemer aanbieden;
  2° de meteropname minstens tweejaarlijks ter plaatse te laten uitvoeren door een personeelslid of aangestelde van de distributienetbeheerder, of via afstandsmeting;
  3° op verzoek de meter zonder meerkosten te plaatsen op of te verplaatsen naar een goed toegankelijke, veilige en technisch en economisch verantwoorde plaats;
  [1 4° te voorzien in een procedure van klachtenbehandeling waarover gerapporteerd wordt aan de VREG conform de methode bepaald door de VREG, in het kader van de uitvoering van zijn opdracht zoals bepaald in artikel 3.1.3., 1°, e), van het Energiedecreet.]1
  De huishoudelijke afnemer of de eigenaar is verplicht om het personeelslid van de distributienetbeheerder of zijn aangestelde voor de meteropname, vermeld in het eerste lid, toegang te geven tot de ruimte waarin de meter, waarover de distributienetbeheerder het gebruiks- of eigendomsrecht heeft, is opgesteld, op voorwaarde dat het personeelslid of zijn aangestelde zich voldoende kan legitimeren.
  ----------
  (1)<BVR 2012-09-07/13, art. 10, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>

  Art. 5.6.3. [1 De distributienetbeheerder bezorgt jaarlijks aan de niet-beschermde klanten die hij belevert en die schuldenvrij zijn, een overzicht van de indicatieve kostprijs op jaarbasis die leveranciers aanrekenen met inbegrip van de kostprijs die de distributienetbeheerder aanrekent.
   De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van dat indicatieve overzicht.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-09-07/13, art. 11, 012; Inwerkingtreding : 01-07-2013 (zie MB 2013-01-18/02, art. 2)>
  

  Art. 5.6.4.
  <Opgeheven bij BVR 2012-09-07/13, art. 12, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>

  HOOFDSTUK VII. - Sociale statistieken

  Art. 5.7.1.Jaarlijks worden voor 31 maart minstens de volgende gegevens over het vorige kalenderjaar ter beschikking gesteld aan de VREG :
  1° door de leverancier, [1 indien van toepassing]1 opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers :
  a) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat de sociale maximumprijs voor elektriciteit geniet op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
  b) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat de sociale maximumprijs voor aardgas geniet op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
  c) het aantal huishoudelijke afnemers naar wie minstens één ingebrekestelling werd gestuurd;
  d) [1 het aantal betalingsplannen en het gemiddelde betalingsbedrag per maand, opgesplitst naar :
   1) betalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar in een eerste aflossing werd voorzien;
   2) betalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar minstens één aflossing moest gebeuren, ongeacht in welk kalenderjaar het afbetalingsplan werd opgestart;]1
  e) het aantal afbetalingsplannen dat minstens één keer niet of te laat betaald werd;
  f) [1 de gemiddelde uitstaande schuld bij het afsluiten van de betalingsplannen, van de betalingsplannen die in het betreffende kalenderjaar zijn opgestart;]1
  g) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar een OCMW;
  h) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar een erkende instelling voor schuldbemiddeling;
  i) [1 het aantal huishoudelijke afnemers waarvan het leveringscontract werd opgezegd, opgesplitst naar elektriciteit en gas;]1
  j) [1 het aantal huishoudelijke afnemers waarvan het leveringscontract werd opgezegd in het kader van wanbetaling, opgesplitst naar elektriciteit en gas;]1
  k) [1 het aantal huishoudelijke afnemers waarvan de opzegging van het leveringscontract werd geannuleerd, opgesplitst naar elektriciteit en gas; ]1
  [1 l) het aantal huishoudelijke afnemers waarvan de opzeg van het leveringscontract in het kader van wanbetaling werd geannuleerd, opgesplitst naar elektriciteit en gas;]1
  2° door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, telkens opgesplitst per gemeente en in beschermde en niet-beschermde afnemers :
  a) het aantal afsluitingen van de elektriciteitstoevoer tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de reden van de afsluiting, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  b) het aantal afsluitingen van de elektriciteitstoevoer tijdens het voorbije kalenderjaar zonder een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de reden van de afsluiting, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  c) het aantal heraansluitingen van de elektriciteitstoevoer van afgesloten huishoudelijke elektriciteitsafnemers op hetzelfde toegangspunt tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie en opgesplitst volgens de termijn waarin de heraansluiting werd uitgevoerd :
  1) in minder dan zeven kalenderdagen;
  2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;
  3) in meer dan dertig kalenderdagen;
  d) het aantal heraansluitingen van de elektriciteitstoevoer van afgesloten huishoudelijke elektriciteitsafnemers op hetzelfde toegangspunt tijdens het voorbije kalenderjaar, zonder een advies van de lokale adviescommissie en opgesplitst volgens de termijn waarin de heraansluiting werd uitgevoerd :
  1) in minder dan zeven kalenderdagen;
  2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;
  3) in meer dan dertig kalenderdagen;
  e) het totale aantal afgesloten huishoudelijke elektriciteitsafnemers op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
  f) het aantal geplaatste budgetmeters voor elektriciteit tijdens het voorbije kalenderjaar;
  g) het aantal budgetmeters voor elektriciteit dat tijdens het voorbije kalenderjaar werd uitgeschakeld, opgesplitst volgens de reden van uitschakeling :
  1) verhuizing;
  2) het sluiten van een leveringscontract met een leverancier;
  h) het aantal uitgeschakelde budgetmeters voor elektriciteit dat tijdens het voorbije kalenderjaar opnieuw werd ingeschakeld;
  i) het aantal actieve budgetmeters voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzerfunctie werd uitgeschakeld tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een beslissing van de lokale adviescommissie;
  j) het aantal actieve budgetmeters voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzerfunctie opnieuw werd ingeschakeld tijdens het voorbije kalenderjaar, zonder een beslissing van de lokale adviescommissie;
  k) het totale aantal actieve budgetmeters voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzerfunctie was ingeschakeld op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
  l) het totale aantal actieve budgetmeters voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzerfunctie was uitgeschakeld op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
  [1 m) het aantal heraansluitingen van de elektriciteitstoevoer na de verhuizing van een afgesloten afnemer;]1
  [3 n) het aantal in het kader van artikel 5.3.10, § 3 aan het OCMW gerapporteerde gezinnen die in de periode november tot en met maart minstens 1 keer gedurende een periode van dertig kalenderdagen hun budgetmeter voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzer werd uitgeschakeld niet oplaadden en die het risico lopen op onderbreking van de elektriciteitslevering.]3
  3° door de elektriciteitsdistributienetbeheerder :
  a) het totale aantal geplaatste budgetmeters voor elektriciteit op 31 december van het voorbije kalenderjaar per gemeente;
  b) het aantal oplaadmogelijkheden voor de budgetmeters voor elektriciteit per gemeente;
  c) het aantal geplaatste autonome stroombegrenzers tijdens het voorbije kalenderjaar, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  d) het aantal uitgeschakelde autonome stroombegrenzers tijdens het voorbije kalenderjaar, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  e) het totale aantal autonome stroombegrenzers op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
  f) het totale aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat in de loop van het voorbije kalenderjaar door de elektriciteitsdistributienetbeheerder uitsluitend werd beleverd via de elektriciteitsmeter, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  g) het totale aantal huishoudelijke afnemers dat op 31 december van het voorbije kalenderjaar door de elektriciteitsdistributienetbeheerder werd beleverd via de elektriciteitsmeter, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  h) het totale aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat in de loop van het voorbije kalenderjaar opnieuw door een leverancier werd beleverd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst op basis van de termijn waarin ze door de elektriciteitsdistributienetbeheerder werden beleverd :
  1) minder dan twee maanden;
  2) van twee tot en met zes maanden;
  3) langer dan zes maanden;
  [3 4) na verhuis van de vorige afnemer;]3
  i) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat beleverd werd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder op 31 december van het voorbije kalenderjaar en dat recht heeft op de sociale maximumprijs voor elektriciteit;
  j) het totale aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat beleverd werd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder op 31 december van het voorbije kalenderjaar, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  k) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers waarvan het leveringscontract werd opgezegd door de leverancier, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  l) het aantal annuleringen van opgezegde leveringscontracten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  m) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat voor het einde van de opzeggingstermijn van het leveringscontract een nieuw leveringscontract heeft gesloten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  n) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers naar wie minstens één ingebrekestelling [2 in het kader van wanbetaling]2 werd gestuurd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  o) [1 het aantal betalingsplannen en het gemiddelde betalingsbedrag per maand, opgesplitst naar :
   1) betalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar in een eerste aflossing werd voorzien, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
   2) betalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar minstens één aflossing moest gebeuren, ongeacht in welk kalenderjaar het afbetalingsplan werd opgestart, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;]1
  p) het aantal afbetalingsplannen dat minstens één keer niet of te laat betaald werd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  q) de gemiddelde uitstaande schuld op het moment dat het afbetalingsplan werd gesloten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  r) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de reden waarom het dossier werd doorgestuurd, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  s) het aantal dossiers dat behandeld werd op de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst naar de reden van de behandeling, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  t) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers waarvoor een dossier tot afsluiting werd behandeld op de lokale adviescommissie en dat aanwezig of vertegenwoordigd was;
  u) het aantal beslissingen van de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst per soort beslissing :
  1) positief advies;
  2) negatief advies;
  3) voorwaardelijk advies;
  v) het aantal zittingen van de lokale adviescommissie en het aantal behandelde dossiers gedurende het voorbije kalenderjaar, opgesplitst per gemeente;
  [1 w) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar de lokale adviescommissie met het verzoek tot uitschakeling van de stroombegrenzerfunctie (10 ampère) in de budgetmeter;
   x) het aantal dossiers dat werd behandeld op de lokale adviescommissie met het verzoek tot uitschakeling van de stroombegrenzerfunctie (10 ampère) in de budgetmeter;
   y) het aantal huishoudelijke afnemers waarvoor een dossier tot uitschakeling van de stroombegrenzer werd behandeld op de lokale adviescommissie en dat aanwezig of vertegenwoordigd was;
   z) het aantal beslissingen van de lokale adviescommissie over het verzoek om uitschakeling van de stroombegrenzer, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst per soort beslissing :
   1) advies in het nadeel van de klant;
   2) advies in het voordeel van de klant;
   3) voorwaardelijk advies;]1
  [3 aa) het aantal lopende afbetalingsplannen waarvoor minstens één aflossing moest gebeuren, ongeacht het kalenderjaar waarin ze werden opgestart, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;]3
  4° door de aardgasdistributienetbeheerder, opgesplitst per gemeente en telkens in beschermde en niet-beschermde afnemers :
  a) het aantal afsluitingen van de aardgastoevoer tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de reden van afsluiting, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, [1 eerste lid, 5°, 7° en 8°,]1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  b) het aantal afsluitingen van de aardgastoevoer tijdens het voorbije kalenderjaar zonder een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de reden van afsluiting, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, [1 eerste lid, 1°, 2°, 3° en 4°,]1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  c) het aantal heraansluitingen van de aardgastoevoer van afgesloten huishoudelijke aardgasafnemers op hetzelfde toegangspunt tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de termijn waarbinnen de heraansluiting werd uitgevoerd :
  1) in minder dan zeven kalenderdagen;
  2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;
  3) in meer dan dertig kalenderdagen;
  d) het aantal heraansluitingen van de aardgastoevoer van afgesloten huishoudelijke aardgasafnemers op hetzelfde toegangspunt tijdens het voorbije kalenderjaar, zonder een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de termijn waarbinnen de heraansluiting werd uitgevoerd :
  1) in minder dan zeven kalenderdagen;
  2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;
  3) in meer dan dertig kalenderdagen;
  e) het totale aantal afgesloten huishoudelijke aardgasafnemers op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
  f) het aantal geplaatste budgetmeters voor aardgas tijdens het voorbije kalenderjaar;
  g) het aantal budgetmeters voor aardgas dat tijdens het voorbije kalenderjaar werd uitgeschakeld, opgesplitst volgens de reden van uitschakeling :
  1) verhuis;
  2) het sluiten van een leveringscontract met een leverancier;
  h) het aantal uitgeschakelde budgetmeters voor aardgas dat tijdens het voorbije kalenderjaar opnieuw werd ingeschakeld;
  i) het totale aantal actieve budgetmeters voor aardgas op 31 december van het voorbije kalenderjaar;
  j) het aantal huishoudelijke afnemers waarvoor het OCMW een aanvraag tot recuperatie in het kader van [1 artikel 5.4.9]1 van dit besluit heeft ingediend bij de netbeheerder, opgesplitst naar de categorieën zoals bepaald in de indicatieve tabel op basis van de parameters;
  k) het gemiddelde bedrag dat aan deze klanten toegekend werd in het kader van [1 artikel 5.4.8]1 van dit besluit;
  l) het gemiddelde bedrag dat door de netbeheerders werd terugbetaald in het kader van artikel 5.4.9 van dit besluit;
  [1 m) het aantal heraansluitingen van de aardgastoevoer na de verhuizing van een afgesloten afnemer;]1
  [3 n) het aantal in het kader van artikel 5.4.2 aan het OCMW gerapporteerde gezinnen die in de periode november tot en met maart minstens 1 keer gedurende een periode van dertig kalenderdagen hun budgetmeter voor aardgas niet oplaadden en die het risico lopen op onderbreking van de aardgaslevering;]3
  5° door de aardgasdistributienetbeheerder :
  a) het totale aantal geplaatste budgetmeters voor aardgas op 31 december van het voorbije kalenderjaar per gemeente;
  b) het aantal oplaadmogelijkheden voor de budgetmeters voor aardgas per gemeente;
  c) het totale aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat in de loop van het voorbije kalenderjaar door de aardgasdistributienetbeheerder uitsluitend werd beleverd via de aardgasmeter, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  d) het totale aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat op 31 december van het voorbije kalenderjaar door de aardgasdistributienetbeheerder werd beleverd via de aardgasmeter, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  e) het totale aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat in de loop van het voorbije kalenderjaar opnieuw door een leverancier werd beleverd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de termijn waarin ze door de aardgasdistributienetbeheerder werden beleverd :
  1) minder dan twee maanden;
  2) van twee tot en met zes maanden;
  3) langer dan zes maanden;
  [3 4) na verhuis van de vorige afnemer;]3
  f) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat beleverd werd door de aardgasdistributienetbeheerder op 31 december van het vorige kalenderjaar en dat recht heeft op de sociale maximumprijs voor aardgas;
  g) het totale aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat beleverd werd door de aardgasdistributienetbeheerder op 31 december van het vorige kalenderjaar, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  h) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers waarvan het leveringscontract werd opgezegd door de leverancier, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  i) het aantal annuleringen van opgezegde leveringscontracten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  j) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat voor het einde van de opzeggingstermijn van het leveringscontract een nieuw leveringscontract heeft gesloten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  k) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers naar wie minstens één ingebrekestelling [1 in het kader van wanbetaling]1 werd gestuurd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  l) [1 het aantal betalingsplannen en het gemiddelde betalingsbedrag per maand, opgesplitst naar;
   1) betalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar in een eerste aflossing werd voorzien, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
   2) betalingsplannen waarvoor in het betreffende kalenderjaar minstens één aflossing moest gebeuren, ongeacht in welk kalenderjaar het afbetalingsplan werd opgestart, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;]1
  m) het aantal afbetalingsplannen dat minstens één keer niet of te laat werd betaald;
  n) de gemiddelde uitstaande schuld op het moment dat het afbetalingsplan werd gesloten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;
  o) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de reden waarom het dossier werd doorgestuurd, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, [1 eerste lid, 5°, 7° en 8°,]1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  p) het aantal dossiers dat behandeld werd op de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de reden van de behandeling, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8° van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  q) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers waarvoor een dossier tot afsluiting werd behandeld op de lokale adviescommissie, en dat aanwezig of vertegenwoordigd was;
  r) het aantal beslissingen van de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst per soort beslissing :
  1) positief advies;
  2) negatief advies;
  3) voorwaardelijk advies;
  s) het aantal zittingen van de lokale adviescommissie en het aantal behandelde dossiers gedurende het voorbije kalenderjaar, opgesplitst per gemeente;
  [3 t) het aantal lopende afbetalingsplannen waarvoor minstens één aflossing moest gebeuren, ongeacht het kalenderjaar waarin ze werden opgestart, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers.]3
  De VREG stelt die gegevens jaarlijks voor 31 mei ter beschikking van de minister.
  De minister kan de lijst met opgevraagde gegevens verder aanvullen en uitbreiden.
  ----------
  (1)<BVR 2012-09-07/13, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>
  (2)<BVR 2012-09-07/13, art. 14, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>
  (3)<BVR 2013-11-29/03, art. 19, 021; Inwerkingtreding : 29-12-2013>

  TITEL VI. - Milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik

  HOOFDSTUK I. - Groenestroomcertificaten

  Afdeling I. - Definities

  Art. 6.1.1. De begrippen en definities, vermeld in de onderstaande decreten, besluiten en reglementen, zijn van toepassing voor dit hoofdstuk :
  1° het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen;
  2° het Mestdecreet van 22 december 2006;
  3° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (Vlarea);
  4° de technische reglementen.

  Afdeling II. - De aanvraag en toekenning van groenestroomcertificaten

  Onderafdeling I. - De aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten

  Art. 6.1.2.§ 1. Een aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten wordt ingediend door een aanvraagdossier op te sturen naar de VREG. Het aanvraagdossier bestaat uit een correct en volledig ingevuld aanvraagformulier, waarvan het model wordt bepaald door de VREG, en de in het aanvraagformulier aangeduide documenten ter staving van de aanvraag. [1 Als het aanvraagdossier niet volledig is, brengt de VREG binnen twee maanden na de ontvangst van de aanvraag de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte. In die brief worden de redenen vermeld waarom de aanvraag niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, het aanvraagdossier kan vervolledigen. Die termijn kan op eenvoudig verzoek van de aanvrager verlengd worden tot maximaal drie jaar.
   Voor een productie-installatie die nog niet in werking is, kan de aanvrager een principe-aanvraag indienen bij de VREG aan de hand van een ingevuld aanvraagformulier, waarvan het model wordt bepaald door de VREG. Als er minstens duidelijkheid bestaat over de gebruikte hernieuwbare energiebron en de productie van elektriciteit, neemt de VREG een principebeslissing met betrekking tot de toekenning van groenestroomcertificaten aan de productie-installatie in kwestie. In de principebeslissing geeft de VREG op basis van de meegedeelde gegevens een verduidelijking over de uit te voeren metingen, en over de bepaling van de maandelijks opgewekte elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, zoals bedoeld in artikel 6.1.7, tweede lid en in artikel 12.3.2, § 1, eerste lid. De aanvrager kan zich beroepen op een principebeslissing van de VREG gedurende de periode waarin de startdatum gerelateerd aan de principe-aanvraag van toepassing is, voor zover hiermee niet wordt ingegaan tegen de van toepassing zijnde wetgeving. Evenwel zal het aantal certificaten slechts bepaald worden bij definitieve goedkeuring op basis van de meest recente gegevens van de installatie.]1
  Als aanvraagdossier niet volledig is, brengt de VREG binnen twee maanden na de ontvangst van de aanvraag de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte. In die brief worden de redenen vermeld waarom de aanvraag niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, het aanvraagdossier kan vervolledigen. Die termijn kan op eenvoudig verzoek van de aanvrager verlengd worden tot maximaal drie jaar. Als het aanvraagdossier betrekking heeft op een installatie die nog niet in werking is, geeft de VREG in die brief op basis van de meegedeelde gegevens een verduidelijking over de uit te voeren metingen en de bepaling van het aantal toe te kennen groenestroomcertificaten.
  § 2. [1 De VREG beslist binnen twee maand na de ontvangst van het volledige aanvraagdossier of de elektriciteit, opgewekt door de betrokken productie-installatie, voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 7.1.1, § 2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, artikel 6.1.3 en 6.1.4 van dit besluit, en op welke wijze de hoeveelheid toe te kennen groenestroomcertificaten zal worden berekend, overeenkomstig artikel 6.1.8 tot en met 6.1.13 van dit besluit, met inbegrip van de metingen die daarvoor nodig zijn. Hierbij wordt verwezen naar de projectcategorie die van toepassing is en waarvoor de bandingfactor door het Vlaams Energieagentschap wordt bepaald.]1
  § 3. Binnen vijf werkdagen nadat de VREG de beslissing, vermeld in paragraaf 2, heeft genomen, wordt de aanvrager daarvan op de hoogte gebracht. Als de elektriciteit opgewekt wordt uit afvalstoffen, wordt de beslissing ook overgemaakt aan de OVAM.
  [1 § 4. In afwijking van § 1 kan de VREG bepalen dat een aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten voor een installatie die elektriciteit opwekt uit zonne-energie wordt ingediend bij de beheerder van het net waarop de installatie is aangesloten. De paragrafen 1, 2 en 3 en de artikelen 6.1.3 tot en met 6.1.6 zijn van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de behandeling van deze aanvraag door de netbeheerder.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Onderafdeling II. - De voorwaarden voor toekenning van groenestroomcertificaten

  Art. 6.1.3. Groenestroomcertificaten worden toegekend voor de elektriciteit, opgewekt in installaties die uitsluitend gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen,
  alsook voor de elektriciteit die is opgewekt met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties die ook met conventionele energiebronnen werken, met inbegrip van hernieuwbare elektriciteit voor accumulatiesystemen en met uitzondering van elektriciteit die afkomstig is van dergelijke systemen.
  Productie-installaties voor zonne-energie die na 1 januari 2010 in dienst worden genomen en die geïnstalleerd worden op residentiële gebouwen waarvan het dak of de zoldervloer binnen het beschermd volume van het gebouw volledig geïsoleerd is, komen in aanmerking voor de toekenning van groenestroomcertificaten die kunnen worden gebruikt voor de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.10 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, voor zover de totale isolatie van het dak en de zoldervloer een warmteweerstand Rd heeft van ten minste 3 m2K/W. De minister kan nadere regels bepalen voor de toepassing van deze verplichting en voor de bepaling van het beschermde volume dat betrekking heeft op de residentiële gebouwen om toch in aanmerking te komen.

  Art. 6.1.4.§ 1. [1 Voor installaties met een elektrisch nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen van meer dan 200 kW, kunnen alleen groenestroomcertificaten toegekend worden als bij de aanvraag tot toekenning van certificaten een keuringsverslag van de productie-installatie aan de VREG wordt voorgelegd. Dat keuringsverslag dient opgesteld te zijn door een keuringsinstantie met een accreditatie volgens NBN EN ISO/IEC 17020.]1
  Het keuringsverslag bevestigt dat de elektriciteit, geproduceerd door de productie-installatie in kwestie, opgewekt wordt uit een hernieuwbare energiebron. Het bevestigt ook dat de meting van de geproduceerde elektriciteit voldoet aan de nationale en internationale normen en voorschriften, en dat voor alle andere metingen die noodzakelijk zijn voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroomcertificaten, een ijkcertificaat kan worden voorgelegd, uitgereikt door een bevoegde instantie.
  [1 Installaties met een elektrisch nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen van meer dan 1 MW, kunnen alleen groenestroomcertificaten blijven krijgen na de voorlegging van een nieuw keuringsverslag om de twee jaar.]1
  De VREG kan op elk moment controleren of de vaststellingen, die opgenomen zijn in een keuringsverslag, overeenkomen met de werkelijkheid.
  [1 De VREG kan een model voor dit keuringsverslag vastleggen waarvan de vorm verschillend kan zijn naargelang de gebruikte energiebron en technologie.]1
  § 2. De VREG kan een productie-installatie die elektriciteit opwekt uit een hernieuwbare energiebron, op elk moment controleren om na te gaan of de elektriciteit wel opgewekt wordt uit een hernieuwbare energiebron en of de meting van de geproduceerde elektriciteit en andere metingen die noodzakelijk zijn om de productie uit hernieuwbare energiebronnen te bepalen, overeenstemmen met de werkelijkheid.
  [1 § 3. De verplichting, vermeld in § 1, is niet van toepassing voor installaties die elektriciteit opwekken uit zonne-energie.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.1.5.De certificaatgerechtigde meldt aan de VREG onmiddellijk :
  1° alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden voor de toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in de artikelen 6.1.3 en 6.1.4;
  2° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het aantal toe te kennen groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 6.1.8 tot en met 6.1.13;
  3° iedere wijziging met betrekking tot de natuurlijke of rechtspersoon waaraan de groenestroomcertificaten toegekend moeten worden, zoals vermeld in artikel 7.1.1.van het Energiedecreet van 8 mei 2009.
  Bij wijzigingen als vermeld in het eerste lid, 1°, kan de VREG haar beslissing als vermeld in artikel 6.1.2, § 2, herroepen. Vanaf de herroeping van haar beslissing worden geen groenestroomcertificaten meer toegekend voor de elektriciteit, opgewekt in de productie-installatie in kwestie.
  Bij wijzigingen als vermeld in het eerste lid, 2°, kan de VREG haar beslissing, vermeld in artikel 6.1.2, § 2, wijzigen.
  [1 De certificaatgerechtigde voor een productie-installatie met een elektrisch nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen van meer dan 1 MW, legt een nieuw keuringsverslag voor als vermeld in artikel 6.1.4, bij de melding van een wijziging als vermeld in het eerste lid, 2°.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.1.6. Met behoud van de toepassing van artikel 6.1.4, § 2, wordt de netbeheerder gemachtigd om op verzoek van de VREG via een controle ter plaatse van de productie-installatie en de meterstanden na te gaan of aan de voorwaarden tot toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 6.1.3 tot en met 6.1.5, is voldaan.
  Als de netbeheerder de toegang tot de installatie wordt geweigerd of indien de netbeheerder vaststelt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, meldt deze dit onmiddellijk aan de VREG. De netbeheerder schorst vervolgens de uitbetaling van de minimumsteun voor de groenestroomcertificaten uitgegeven voor elektriciteit opgewekt in de betrokken installatie totdat de VREG deze vrijgeeft.
  Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.1.3 tot en met 6.1.5, trekt de VREG de nog niet verhandelde en de in het kader van de certificatenverplichting of minimumsteun nog niet gebruikte groenestroomcertificaten in kwestie in. Als de VREG vaststelt dat een aantal van de onterecht toegekende groenestroomcertificaten toch al werden verhandeld of werden gebruikt voor de minimumsteun of voor de certificatenverplichting, compenseert de VREG voor de productie-installatie in kwestie evenredig het aantal groenestroomcertificaten dat nog toegekend zal worden conform artikel 6.1.3, met het aantal gebruikte groenestroomcertificaten dat niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 6.1.3 tot 6.1.5.

  Onderafdeling III. - De maandelijkse toekenning van groenestroomcertificaten

  Art. 6.1.7.De groenestroomcertificaten worden maandelijks toegekend voor de elektriciteit, geproduceerd in een productie-installatie waarvoor een aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten werd goedgekeurd.
  [1 Het aantal groenestroomcertificaten dat maandelijks door de VREG wordt toegekend aan een installatie, wordt berekend door de opgewekte elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, uitgedrukt in MWh, te vermenigvuldigen met de voor die installatie vastgestelde bandingfactoren dit vervolgens op te tellen bij het eventuele overschot van de voorgaande maand. Het resultaat wordt naar beneden afgerond tot een geheel getal. Dit geheel getal is het aantal groenestroomcertificaten dat wordt toegekend. Het overschot, in MWh, bekomen door de afronding naar beneden van het resultaat van deze berekening tot een geheel aantal MWh, wordt overgedragen naar de volgende maand.]1
  De eerste groenestroomcertificaten worden toegekend op basis van de elektriciteit die is geproduceerd vanaf de datum van het volledige keuringsverslag, vermeld in artikel 6.1.4. [1 Aan installaties met een elektrisch nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen dat kleiner is of gelijk aan 200 kW, worden groenestroomcertificaten toegekend voor de elektriciteit die werd geproduceerd vanaf de datum van het verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van de technische installaties, vermeld in het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, op voorwaarde dat de VREG de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten aan deze installaties ontvangt binnen een jaar na de datum van het verslag]1. Als de VREG de aanvraag niet binnen die termijn ontvangt, worden de groenestroomcertificaten toegekend voor de elektriciteit die werd geproduceerd vanaf de datum van de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten.
  [1 In afwijking van het vorige lid, worden, voor wat betreft de installaties die elektriciteit produceren uit zonne-energie, de eerste groenestroomcertificaten toegekend op basis van de elektriciteit die is geproduceerd vanaf de meterstand vermeld in het volledige verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van de technische installaties, vermeld in het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, behoudens voor wat betreft de installaties die elektriciteit produceren uit zonne-energie, met een maximaal vermogen van de omvormer groter dan 10 kW, die hun eerste groenestroomcertificaten toegekend krijgen op basis van de elektriciteit die is geproduceerd vanaf de plaatsing van de productiemeter door de netbeheerder.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.1.8. Het aantal toe te kennen certificaten wordt berekend op basis van de gegevens, vermeld in artikel 6.1.9 tot en met 6.1.13, die aan de VREG worden meegedeeld.

  Art. 6.1.9. § 1. Voor installaties die per jaar meer dan 10 000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, meet de netbeheerder of transmissienetbeheerder van het net waarop de productie-installatie is aangesloten, maandelijks per site de opgewekte elektriciteit.
  De netbeheerder of transmissienetbeheerder brengt de VREG maandelijks op de hoogte van die meetgegevens.
  De VREG kan, op eigen initiatief of op verzoek van de certificaatgerechtigde, beslissen om de meting, vermeld in het eerste lid, over te laten aan de certificaatgerechtigde. In dat geval brengt de certificaatgerechtigde de VREG maandelijks op de hoogte van de meetgegevens met betrekking tot de opgewekte elektriciteit.
  De VREG kan beslissen om de meting van de opgewekte elektriciteit aan te vullen met of te vervangen door andere metingen om de nettohoeveelheid geproduceerde elektriciteit te bepalen.
  § 2. Voor installaties die per jaar minder dan 10 000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, meet de certificaatgerechtigde de in de productie-installatie opgewekte elektriciteit.
  De certificaatgerechtigde brengt de VREG op de hoogte van de meetgegevens met betrekking tot de opgewekte elektriciteit telkens als de productie-installatie 1 000 kWh heeft opgewekt uit een hernieuwbare energiebron
  § 3. In afwijking van paragraaf 2 kan de VREG, voor installaties die per jaar minder dan 10 000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, beslissen dat de geproduceerde elektriciteit niet hoeft te worden gemeten. In die gevallen wordt de opgewekte hoeveelheid elektriciteit geschat door de VREG.
  § 4. De VREG kan nadere regels vastleggen voor de manier waarop de metingen, vermeld in paragrafen 1 en 2, worden uitgevoerd en meegedeeld worden aan de VREG.

  Art. 6.1.10. Voor productie-installaties die elektriciteit opwekken uit afvalstoffen, die al dan niet samen met andere energiebronnen worden verwerkt, bepaalt de OVAM de hoeveelheid energie die in aanmerking komt voor het verkrijgen van groenestroomcertificaten. Daarbij wordt de elektriciteitsproductie uit het organisch-biologische deel van restafval met ingang van 1 juli 2009 gelijkgesteld met 47,78 % van de totale elektriciteitsproductie uit restafval. Om de drie jaar en met ingang van 2012 evalueert de Vlaamse Regering het betreffende aandeel.
  De VREG stuurt voor die productie-installaties een kopie van het aanvraagdossier, vermeld in artikel 6.1.2, of een kopie van de wijzigingen, vermeld in artikel 6.1.5, naar de OVAM. De OVAM deelt haar beslissing mee aan de VREG binnen een maand na de ontvangst van een kopie van het aanvraagdossier of de wijzigingen. De VREG kan alleen na akkoord van de OVAM afwijken van de beslissing.

  Art. 6.1.11. Voor hybride productie-installaties die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen en conventionele energiebronnen, kent de VREG groenestroomcertificaten toe voor de opgewekte elektriciteit, verminderd met de hoeveelheid elektriciteit die opgewekt wordt uit conventionele energiebronnen.

  Art. 6.1.12.Voor productie-installaties die in het Vlaamse Gewest elektriciteit opwekken uit biomassa die ingevoerd wordt in België, kent de VREG groenestroomcertificaten toe voor de opgewekte hoeveelheid elektriciteit, verminderd met het elektriciteitsverbruik of het equivalente elektriciteitsverbruik voor het transport van de ingevoerde biomassa tot aan de grens van het Vlaamse Gewest.
  [1 De VREG brengt de elektriciteitsafname of het equivalente elektriciteitsverbruik van het transport niet in mindering van de elektriciteit geproduceerd uit dierlijk afval, voor zover de certificaatgerechtigde aantoont dat het transport betreft dat voortvloeit uit een wettelijke verplichting voor het transport van dierlijk afval.]1
  Als voor het transport, vermeld in het eerste lid, andere energiebronnen dan elektriciteit gebruikt worden, wordt het equivalente elektriciteitsverbruik berekend door de VREG als de elektriciteit die in een referentie-installatie met dezelfde hoeveelheid energie opgewekt kan worden.
  De VREG brengt de equivalente elektriciteitsafname voor niet-elektrisch transport niet in mindering van de geproduceerde elektriciteit, voor zover de certificaatgerechtigde aantoont dat voor het transport brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt.
  Voor productie-installaties als vermeld in het eerste lid, waarvan bij het transport van de biomassa andere energiebronnen dan elektriciteit gebruikt worden en waarvan de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten goedgekeurd werd voor 1 juni 2007, zal de VREG de beslissing tot toekenning van groenestroomcertificaten aan de installatie in kwestie zo aanpassen dat vanaf 1 juni 2007 bij de bepaling van het maandelijks aantal toe te kennen groenestroomcertificaten rekening gehouden wordt met de regeling, vermeld in het tweede lid.
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.1.12/1.[1 § 1. Voor productie-installaties die elektriciteit opwekken uit biomassa wordt een massabalanssysteem gehanteerd dat :
   1° toelaat leveringen van grondstoffen of biomassastromen met verschillende kenmerken te mengen;
   2° vereist dat informatie over de kenmerken en omvang van de leveringen, vermeld in punt 1°, aan het mengsel toegewezen blijven; en
   3° ervoor zorgt dat de som van alle leveringen die uit het mengsel zijn gehaald dezelfde kenmerken heeft, in dezelfde hoeveelheden, als de som van alle leveringen die aan het mengsel werden toegevoegd.
   Aan de hand van dit massabalanssysteem wordt aan de VREG aangetoond :
   1° dat de in de installatie gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria van toepassing op die biomassa, zoals bedoeld in artikel 6.1.16, § 1/1;
   2° het elektriciteitsverbruik of het equivalente elektriciteitsverbruik van de utiliteitsvoorzieningen die nodig zijn om die biomassa voor elektriciteitsopwekking geschikt te maken, zoals bedoeld in artikel 6.1.13, § 2; en
   3° het elektriciteitsverbruik of het equivalente elektriciteitsverbruik voor het transport van die biomassa, zoals bedoeld in artikel 6.1.12. "
   § 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, werkt nadere regels uit voor de manier waarop op onafhankelijke wijze moet worden geauditeerd dat aan de duurzaamheidscriteria vermeld in artikel 6.1.16, § 1/1, is voldaan.
   Tijdens die audits wordt minstens controle uitgevoerd op de volgende aspecten :
   1° de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en fraudebestendigheid van de door de marktpartijen gebruikte systemen;
   2° de frequentie en methode van de monsterneming;
   3° de accuraatheid van de gegevens.
   Het auditverslag rapporteert over de mate waarin is voldaan aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in artikel 6.1.16, § 1/1. Tevens bevat het auditverslag passende en relevante informatie over maatregelen ter bescherming van bodem, water en lucht, voor herstel van aangetast land, en ter voorkoming van overmatig watergebruik in gebieden waar water schaars is.]1
  [2 § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2, is automatisch voldaan aan de informatie over maatregelen ter bescherming van bodem, water en lucht, vermeld in § 2, derde lid, en aan die duurzaamheidscriteria, vermeld in artikel 6.1.16, § 1/1, waarvoor bewijsmiddelen of gegevens worden ingediend die zijn verkregen overeenkomstig een overeenkomst of systeem waarvoor door de Europese Commissie conform artikel 18, lid 4 van de richtlijn 2009/28/EG een besluit is genomen.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-04-08/15, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 23-05-2011>
  (2)<BVR 2013-07-19/72, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 08-10-2013>

  Art. 6.1.13. § 1. Groenestroomcertificaten worden toegekend zowel voor de hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie die op de site wordt verbruikt, als voor de hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie die aan het transmissienet, het distributienet, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of aan directe lijnen geleverd wordt.
  § 2. Groenestroomcertificaten worden toegekend voor de hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie, gemeten vóór de eventuele transformatie naar netspanning.
  De hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie is de geproduceerde elektriciteit, verminderd met de gemeten elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen die horen bij de productie-installatie of die nodig zijn om de gebruikte hernieuwbare energiebron voor elektriciteitsopwekking geschikt te maken.
  Als die utiliteitsvoorzieningen andere energiebronnen dan elektriciteit gebruiken, wordt hun equivalente elektriciteitsafname berekend door de VREG als de elektriciteit die in een referentie-installatie met dezelfde hoeveelheid energie opgewekt kan worden.
  Als uit de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten blijkt dat die elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname klein is in verhouding tot de geproduceerde elektriciteit, kan de VREG beslissen om de netto-elektriciteitsproductie op basis van een raming te berekenen uit de totale elektriciteitsproductie.
  De VREG brengt de elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen niet in mindering van de elektriciteit, geproduceerd uit mest, afval of afvalwater, voor zover de certificaatgerechtigde aantoont dat een overeenkomstig energieverbruik ook vereist is bij de toepassing van de best beschikbare techniek voor de verwerking of noodzakelijke behandeling van mest, afval of afvalwater.
  De VREG brengt de equivalente elektriciteitsafname van de niet-elektrische utiliteitsvoorzieningen niet in mindering van de geproduceerde elektriciteit voor zover de certificaatgerechtigde aantoont dat de utiliteitsvoorzieningen met brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen worden gevoed.
  Voor productie-installaties waarvan de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten goedgekeurd werd voor 1 juni 2007, moet de certificaatgerechtigde voor 1 december 2007 aan de VREG in voorkomend geval schriftelijk het bewijs voorleggen dat voor de niet-elektrische utiliteitsvoorzieningen brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen aangewend worden. De VREG zal op basis daarvan de beslissing tot toekenning van groenestroomcertificaten aan de installatie in kwestie zo aanpassen dat vanaf 1 juni 2007 bij de bepaling van het maandelijkse aantal toe te kennen groenestroomcertificaten rekening gehouden wordt met de regeling, vermeld in het tweede lid.
  De VREG kan een uniforme aanpak voorstellen per hernieuwbare energiebron om de netto-elektriciteitsproductie te berekenen en om het gebruik van brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen aan te tonen.

  Afdeling III. - De registratie van groenestroomcertificaten

  Art. 6.1.14.§ 1. De VREG registreert de gegevens van de toegekende groenestroomcertificaten in een centrale databank. Die registratie waarborgt de echtheid van de groenestroomcertificaten.
  § 2. Voor elk groenestroomcertificaat worden minstens de volgende gegevens geregistreerd :
  1° de gegevens van de eigenaar van het groenestroomcertificaat;
  2° het registratienummer van het groenestroomcertificaat;
  3° de gegevens van de productie-installatie,[1 waaronder de identiteit, de locatie, het type productie-installatie, het nominaal vermogen, de datum van indienstname, of en in welke mate de productie-installatie investeringssteun heeft gekregen, of en in welke mate de energiehoeveelheid op enige andere manier steun heeft gekregen uit een nationale steunregeling, en het type steunregeling]1;
  4° het productiejaar en de maand van productie;
  5° de gebruikte hernieuwbare energiebron, waarbij voor biomassa de aard van de biologisch afbreekbare fractie wordt omschreven;
  6° de vermelding of het groenestroomcertificaat aanvaardbaar of niet aanvaardbaar is voor het voldoen aan de certificatenverplichting, vermeld in artikel 6.1.16;
  7° [2 als het groenestroomcertificaat aanvaardbaar is, de vermelding of het groenestroomcertificaat al of niet nog kan worden ingeleverd in het kader van de certificatenverplichting]2;
  8° [2 ...]2
  [1 9° de datum en het land van aanmaak van het groenestroomcertificaat.]1
  § 3. [2 De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2, 6°, is :
   1° "aanvaardbaar" : als het groenestroomcertificaat aanvaardbaar is voor de certificatenverplichting, overeenkomstig artikel 7.1.5, § 4 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.1.16;
   2° "niet aanvaardbaar" : als het groenestroomcertificaat niet aanvaardbaar is voor de certificatenverplichting, overeenkomstig artikel 7.1.5, § 4 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 of niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.1.16.]2
  § 4. De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2, 7°, is :
  1° "ingeleverd" : als het groenestroomcertificaat al werd voorgelegd om te voldoen aan de certificatenverplichting, overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 6.1.15;
  2° "nog niet ingeleverd" : als het groenestroomcertificaat nog niet voorgelegd werd om te voldoen aan de certificatenverplichting, overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 6.1.15;
  3° "niet van toepassing " : als de vermelding " niet aanvaardbaar " is, als vermeld in paragraaf 2, 6°,
  § 5. [2 ...]2
  § 6. [2 ...]2
  § 7. [2 ...]2
  § 8. De eigenaar van een groenestroomcertificaat heeft leesrecht in de centrale databank voor de gegevens van de groenestroomcertificaten waarvan hij eigenaar is.
  [2 De eigenaar van een groenestroomcertificaat kan een groenestroomcertificaat met de vermelding, bedoeld in paragraaf 2, 7° "nog niet ingeleverd", in de centrale databank overdragen aan een andere eigenaar of inleveren om te voldoen aan de certificatenverplichting, overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 6.1.15. De VREG kan nadere regels bepalen op welke manier een overdracht of inlevering van een groenestroomcertificaat verloopt.
   Een groenestroomcertificaat kan niet aangewend worden als garantie van oorsprong.]2
  § 9. [2 Als een groenestroomcertificaat bij de afloop van de termijn, vermeld in artikel 7.1.5., § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, de vermelding, bedoeld in paragraaf 2, 7° "nog niet ingeleverd" heeft, wordt deze vermelding gewijzigd in "vervallen.]2
  [2 § 10. In de centrale databank wordt per installatie de van toepassing zijnde minimumsteun en de looptijd van het recht op minimumsteun, evenals het beginpunt van deze looptijd, vermeld.
   Voor wat betreft de installaties die elektriciteit opwekken uit zonne-energie, wordt de hoogte en de looptijd van het recht op minimumsteun, vermeld in artikel 7.1.6., § 1, vierde tot en met achtste lid, van het Energiedecreet, bepaald op basis van de datum van het volledige AREI-keuringsverslag, behoudens in de gevallen waarin een andersluidende regeling geldt.
   Voor wat betreft installaties die elektriciteit opwekken uit zonne-energie start de looptijd van het recht op minimumsteun, zoals vermeld in artikel 7.1.6., § 1, achtste lid, van het Energiedecreet, op de datum van het volledige verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van de technische installaties, vermeld in het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, behoudens voor wat betreft de installaties die elektriciteit produceren uit zonne-energie, met een maximaal vermogen van de omvormers groter dan 10 kW, waarbij de looptijd start op de datum van de plaatsing van de productiemeter door de netbeheerder.]2
  ----------
  (1)<BVR 2011-04-08/15, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2011>
  (2)<BVR 2012-12-21/02, art. 8, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Afdeling IV. - Het gebruik van de groenestroomcertificaten

  OnderafdelingI
  Het gebruik van de groenestroomcertificaten in het kader van de certificatenverplichting

  Art. 6.1.15.[1 De VREG bepaalt de procedure voor de inlevering van groenestroomcertificaten om te voldoen aan de certificatenverplichting.
   Indien de inlevering van groenestroomcertificaten gebeurt door grote verbruikers of gegroepeerde verbruikers zoals bepaald in artikel 7.1.10, § 3, 5° van het Energiedecreet van 8 mei 2009, melden zij dat ze zelf wensen in te leveren voor de inleveringsronde eindigend op 31 maart van jaar n, ofwel vóór 1 oktober van jaar n-2 aan de betrokken leverancier ofwel bij het afsluiten van een nieuw leveringscontract. Indien de groenestroomcertificaten voor de inleveringsronde eindigend op 31 maart van jaar n echter niet ingeleverd worden zoals gemeld voor 1 oktober van jaar n-2, kan de leverancier de boete voor te weinig ingeleverde groenestroomcertificaten zoals bepaald in artikel 13.3.5, § 1, 1°, verhalen op de verbruiker. De leverancier kan aan het zelf inleveren van groenestroomcertificaten geen bijkomende voorwaarden koppelen. Tevens melden deze grote verbruikers of gegroepeerde verbruikers aan de VREG voor welke afnamepunten zij als netgebruiker geregistreerd stonden, voor welke periode zij als netgebruiker geregistreerd stonden op deze afnamepunten en wat de afnames zijn op deze afnamepunten voor de periode waarin de betrokken verbruiker geregistreerd stond als netgebruiker op het afnamepunt, evenals het aantal groenestroomcertificaten dat ze zelf wensen in te leveren.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 9, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.1.16.§ 1. Voor het voldoen aan de certificatenverplichting aanvaardt de VREG alleen de groenestroomcertificaten die worden toegekend voor elektriciteit, opgewekt door middel van :
  1° zonne-energie;
  2° windenergie;
  3° waterkracht kleiner dan 10 MW;
  4° getijdenenergie en golfslagenergie;
  5° aardwarmte;
  6° biogas dat voortkomt uit de vergisting van organisch-biologische stoffen [1 , die in het geval van vloeibare biomassa, voldoen aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in paragraaf 1/1]1 :
  a) in vergistingsinstallaties;
  b) in stortplaatsen;
  7° energie opgewekt uit volgende organisch-biologisch stoffen [1 , die in het geval van vloeibare biomassa, voldoen aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in paragraaf 1/1]1 :
  a) producten, bestaande uit plantaardige materialen of delen daarvan van landbouw of bosbouw, met uitzondering van de houtstromen die niet behoren tot b), c), e) of f) en die gebruikt worden in een installatie waarvoor de stedenbouwkundige aanvraag en de milieuvergunningsaanvraag werden ingediend na 1 juni 2007;
  b) korteomloophout;
  c) houtstromen die niet gebruikt worden als industriële grondstof;
  d) dierlijke mest;
  e) organisch-biologische afvalstoffen die selectief ingezameld werden en niet in aanmerking komen voor materiaalrecyclage of worden verwerkt conform de bepalingen van het van toepassing zijnde sectorale uitvoeringsplan;
  f) organisch-biologische afvalstoffen die gesorteerd worden uit restafval en niet in aanmerking komen voor materiaalrecyclage of worden verwerkt conform de bepalingen van het sectorale uitvoeringsplan dat van toepassing is;
  g) [2 het organisch-biologische deel van restafval, op voorwaarde dat de verwerkingsinstallatie in kwestie door energierecuperatie een primaire energiebesparing realiseert ten opzichte van een verwerkingsinstallatie zonder energierecuperatie, en deze primaire energiebesparing minstens 35% van de energie-inhoud van de afvalstoffen verwerkt in de installatie bedraagt]2.
  Voor de bijstook tot 60 % van biomassa in een kolencentrale met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW, is slechts een op de twee groenestroomcertificaten die uitgereikt zijn voor de productie vanaf 1 januari 2010, aanvaardbaar voor de certificatenverplichting. Het respectieve percentage wordt berekend op de afzonderlijke elektriciteitsproductie-eenheden waar producten met de GN-codes 2701, 2702, 2703 of 2704, vermeld in de EG-verordening nr. 2031/2001 van de Europese commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van EEG-verordening nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, als brandstof worden en werden gebruikt. De VREG bepaalt de berekening van het percentage bijstook, rekening houdend met het feit dat de hoeveelheid van de bijstook van biomassa voor een productie-eenheid om bedrijfstechnische redenen kan schommelen.
  [1 § 1/1. Groenestroomcertificaten, toegekend voor elektriciteit, die is opgewekt uit vloeibare biomassa, zijn slechts aanvaardbaar voor de certificatenverplichting als de vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in paragraaf 1/2 tot en met paragraaf 1/6.
   Vloeibare biomassa die vervaardigd is uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeft alleen aan de duurzaamheidscriteria, vermeld in paragraaf 1/2 te voldoen.
   § 1/2. De broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van vloeibare biomassa bedraagt minstens 35 %. Met ingang van 1 januari 2017 bedraagt de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van vloeibare biomassa, minstens 50 %. Die broeikasgasemissiereductie bedraagt vanaf 1 januari 2018 minstens 60 % voor vloeibare biomassa die is geproduceerd in installaties waarvan de productie op of na 1 januari 2017 is gestart.
   In geval van vloeibare biomassa die geproduceerd is in installaties die op 23 januari 2008 operationeel waren, is het eerste lid van toepassing met ingang van 1 april 2013.
   De broeikasgasemissiereductie door het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa wordt op een van de onderstaande manieren berekend :
   1° als een standaardwaarde voor de broeikasgasemissiereductie met betrekking tot de productieketen is vastgesteld in deel A of B van bijlage XI en indien de el-waarde voor die biobrandstoffen of vloeibare biomassa, berekend overeenkomstig punt 7 van deel C van de bijlage XI gelijk is aan of lager is dan nul, wordt die standaardwaarde gebruikt;
  [3 de feitelijke waarde]3 de werkelijke waarde, berekend overeenkomstig de in bijlage XI, deel C, vastgestelde methode, wordt gebruikt;
   3° er wordt een waarde gebruikt die wordt berekend als de som van de factoren van de formule in punt 1 van deel C van bijlage XI, waarbij gedesaggregeerde standaardwaarden in bijlage XI, deel D of E kunnen worden gebruikt voor een aantal factoren, en de feitelijke waarden, berekend volgens de methode van bijlage XI, deel C, voor alle andere factoren.
   De standaardwaarden voor biobrandstoffen, vermeld in bijlage XI, deel A, en de gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa, vermeld in bijlage XI, deel D, mogen alleen worden gebruikt als de grondstoffen aan een van de onderstaande voorwaarden voldoen :
   1° ze worden geteeld buiten de Gemeenschap; of
   2° ze worden geteeld in de Gemeenschap in gebieden die voorkomen op de lijsten vermeld in artikel 19, tweede lid, van de Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG;
   3° het gaat om afval of residuen, die geen landbouw-, aquacultuur- of visserijresiduen, zijn.
   Voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die niet onder het vierde lid, punt 1°, 2° of 3° vallen, worden feitelijke waarden voor teelt gebruikt.
   De Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, kan de methode daarvoor verder uitwerken.
   § 1/3. De vloeibare biomassa mag niet geproduceerd zijn uit grondstoffen, verkregen van land met een grote biodiversiteit, dat is land dat in of na januari 2008 een van de hieronder vermelde statussen had, ongeacht of het die status nog steeds heeft :
   1° oerbos en andere beboste gronden, meer bepaald bos en andere beboste gronden met inheemse soorten, waar geen duidelijk zichtbare tekenen van menselijke activiteiten zijn en de ecologische processen niet in significante mate zijn verstoord;
   2° gebieden die aan een van de onderstaande voorwaarden voldoen :
   a) ze zijn bij wet of door de relevante bevoegde autoriteiten voor natuurbeschermingsdoeleinden aangewezen;
   b) ze zijn aangewezen voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten die bij internationale overeenkomst zijn erkend of opgenomen zijn op lijsten van intergouvernementele organisaties of van de International Union for the Conservation of Nature. Daarbij geldt als voorwaarde dat die gebieden erkend zijn door de Europese Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 18, vierde lid, tweede alinea van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG, tenzij wordt aangetoond dat de productie van de grondstof in kwestie geen invloed heeft op die natuurbeschermingsdoeleinden;
   3° graslanden met grote biodiversiteit die aan een van de onderstaande voorwaarden voldoen :
   a) het gaat om grasland dat natuurlijk is, dat is grasland dat zonder menselijk ingrijpen grasland zou blijven en dat zijn natuurlijke soortensamenstelling en ecologische kenmerken en processen behoudt;
   b) het gaat om grasland dat niet-natuurlijk is, dat is grasland dat zonder menselijk ingrijpen zou ophouden graslanden te zijn en dat rijk is aan soorten en niet is aangetast, tenzij is aangetoond dat de oogst van de grondstoffen noodzakelijk is voor het behoud van de status van grasland.
   De graslanden met grote biodiversiteit moeten bovendien ook aan de criteria en geografische grenzen voldoen die de Europese Commissie in voorkomend geval vaststelt met toepassing van artikel 17, lid 3, c) juncto artikel 25, lid 4 van de Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging van en intrekking van de Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG.
   § 1/4. De vloeibare biomassa mag niet geproduceerd zijn uit grondstoffen verkregen van land met hoge koolstofvoorraden, dat is land dat in januari 2008 een van de hieronder vermelde statussen had, maar dat die status niet langer heeft :
   1° waterrijke gebieden, dat is land dat permanent of tijdens een groot gedeelte van het jaar onder water staat of verzadigd is met water;
   2° permanent beboste gebieden, dat zijn gebieden van meer dan een hectare met bomen van hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van meer dan 30 %, of bomen die deze drempels ter plaatse kunnen bereiken;
   3° gebieden van meer dan een hectare met bomen van hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van 10 tot 30 %, of bomen die deze drempels ter plaatse kunnen bereiken, tenzij aangetoond wordt dat de koolstofvoorraden die voor en na omschakeling aanwezig waren, van een zodanige omvang zijn dat bij toepassing van de methode, vastgesteld in bijlage XI, deel C, aan de voorwaarden van paragraaf 1/2 van dit artikel zou zijn voldaan.
   De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op land dat, op het tijdstip dat de grondstof werd verkregen, dezelfde status had als in januari 2008.
   § 1/5. De vloeibare biomassa mag niet geproduceerd zijn uit grondstoffen, verkregen van land dat in januari 2008 veengebied was, tenzij aangetoond wordt dat de teelt en het oogsten van die grondstoffen geen ontwatering van een voorheen niet-ontwaterde bodem met zich brengt.
   § 1/6. Landbouwgrondstoffen die in de Gemeenschap worden geteeld en gebruikt voor de productie van vloeibare biomassa, worden verkregen overeenkomstig de eisen en normen, vermeld onder het opschrift "Milieu" in deel A en in punt 9 van bijlage II bij verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, alsmede overeenkomstig de minimumeisen voor goede landbouw- en milieuconditie, vastgesteld in artikel 6, eerste lid, van die verordening.]1
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 ...]2
  ----------
  (1)<BVR 2011-04-08/15, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 23-05-2011>
  (2)<BVR 2012-12-21/02, art. 10, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (3)<BVR 2013-07-19/72, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 08-10-2013>

  Onderafdeling II.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 11, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.1.17.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 11, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.1.18.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 11, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.1.19.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 11, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.1.20.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 11, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.1.21.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 11, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.1.22.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 11, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Onderafdeling III. - De handel in groenestroomcertificaten

  Art. 6.1.23. § 1. Groenestroomcertificaten zijn vrij verhandelbaar.
  § 2. Binnen vijf werkdagen na de verkoop van een groenestroomcertificaat bezorgt de verkoper de VREG de gegevens over de verhandelde groenestroomcertificaten, de nieuwe eigenaar, de verkoopprijs en de datum van de verkoop.
  De VREG bevestigt de registratie van de gegevens, vermeld in het eerste lid, binnen tien werkdagen aan de nieuwe eigenaar.

  Art. 6.1.24.[1 De VREG publiceert maandelijks de gemiddelde prijs van de verhandelde groenestroomcertificaten.]1
  De VREG publiceert maandelijks het aantal toegekende groenestroomcertificaten, opgesplitst per hernieuwbare energiebron.
  De VREG biedt op een algemeen toegankelijke manier de mogelijkheid om het aanbod van en de vraag naar groenestroomcertificaten bekend te maken.
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 12, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  HOOFDSTUK II. - Warmtekrachtcertificaten

  Afdeling I. - Definities

  Art. 6.2.1. De begrippen en definities, vermeld in de technische reglementen, zijn ook van toepassing op dit hoofdstuk.

  Afdeling II. - De aanvraag en toekenning van warmtekrachtcertificaten

  Onderafdeling I. - De aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten

  Art. 6.2.2.§ 1. Een aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten wordt ingediend door een aanvraagdossier op te sturen naar de VREG.
  Een aanvraagdossier bestaat uit :
  1° een correct en volledig ingevuld aanvraagformulier, waarvan het model wordt bepaald door de VREG en waarvan de vorm verschillend kan zijn naargelang van de gebruikte energiebron;
  2° voor een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat kleiner is dan of gelijk is aan 200 kW : technische bewijsstukken ter staving van de berekening van de warmtekrachtbesparing;
  3° voor een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen, groter dan 200 kW : de meetresultaten van de metingen die met behulp van de meetapparatuur, vermeld in 6.2.5, § 1, werden verricht, met een bijgevoegde berekeningsnota van de warmtekrachtbesparing;
  4° [1 voor een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen van meer dan 200 kW : een keuringsverslag van een volgens NBN EN ISO/IEC 17020 geaccrediteerde keuringsinstantie, waarin de geaccrediteerde keuringsinstantie bevestigt dat de metingen die met behulp van de meetapparatuur, vermeld in 6.2.5, § 1, werden verricht, voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.2.5, § 1. Het keuringsverslag vermeldt ook de meterstand, de datum van indienstname en de gebruikte energiebron;]1
  5° voor een warmtekrachtinstallatie waarin afvalstoffen worden aangewend : een correct en volledig ingevuld inlichtingenformulier, waarvan het model wordt bepaald door de OVAM, met betrekking tot de verwerking van de afvalstoffen.
  [1 Als het aanvraagdossier niet volledig is, brengt de VREG binnen twee maanden na de ontvangst van de aanvraag de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte. In die brief worden de redenen vermeld waarom de aanvraag niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, het aanvraagdossier kan vervolledigen. Die termijn kan op eenvoudig verzoek van de aanvrager verlengd worden tot maximaal drie jaar.
   Voor een warmtekrachtinstallatie die nog niet in werking is of ingrijpend wordt gewijzigd, kan de aanvrager een principe-aanvraag indienen bij de VREG aan de hand van een ingevuld aanvraagformulier, waarvan het model wordt bepaald door de VREG. Als er minstens duidelijkheid bestaat over het brandstofverbruik, de warmteproductie en -benutting en de productie van elektriciteit of mechanische energie, neemt de VREG een principebeslissing met betrekking tot de toekenning van warmte-krachtcertificaten aan de warmtekrachtinstallatie in kwestie. In de principebeslissing geeft de VREG op basis van de meegedeelde gegevens een verduidelijking over de uit te voeren metingen, en over de bepaling van de maandelijks gerealiseerde primaire energiebesparing, zoals bedoeld in artikel 6.2.7, tweede lid en in artikel 12.3.3, eerste lid. De aanvrager kan zich beroepen op een principebeslissing van de VREG gedurende de periode waarin de startdatum gerelateerd aan de principe-aanvraag van toepassing is, voor zover hiermee niet wordt ingegaan tegen de van toepassing zijnde wetgeving.]1
  § 2. De VREG beslist binnen een maand na de volledigverklaring van het aanvraagdossier of de warmtekrachtbesparing, gerealiseerd door de warmtekrachtinstallatie in kwestie, voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.3, en op welke wijze de hoeveelheid toe te kennen warmtekrachtcertificaten zal worden berekend, overeenkomstig artikel 6.2.8 tot en met 6.2.10, met inbegrip van de metingen die daarvoor nodig zijn.
  § 3. Binnen vijf werkdagen nadat de VREG de beslissing, vermeld in paragraaf 2, heeft genomen, wordt de aanvrager daarvan op de hoogte gebracht. Als de warmtekrachtinstallatie gebruikmaakt van afvalstoffen, wordt de beslissing ook bezorgd aan de OVAM.
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 13, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Onderafdeling II. - De voorwaarden voor toekenning van warmtekrachtcertificaten

  Art. 6.2.3. De VREG kent alleen warmtekrachtcertificaten toe voor de warmtekrachtbesparing die gerealiseerd werd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie die gelegen is in het Vlaamse Gewest, die voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd. De minister legt de referentierendementen vast die nodig zijn voor de toepassing van bijlage I.
  De certificaatgerechtigde voor een warmtekrachtinstallatie met een nominaal elektrisch of mechanisch vermogen van meer dan 1 MW legt om de twee jaar een nieuw keuringsverslag voor.
  De VREG kan een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie op ieder moment controleren om na te gaan of de meting van het energieverbruik en van de geproduceerde elektriciteit, warmte en mechanische energie en andere metingen die noodzakelijk zijn om het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten en de productie van elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling te bepalen, overeenstemmen met de werkelijkheid.

  Art. 6.2.4. § 1. De totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte, de nettoproductie aan mechanische energie en het brandstof- of energieverbruik van een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat kleiner is dan of gelijk is aan 200 kW, worden berekend op basis van de nominale waarden, vermeld op de technische bewijsstukken, die bij de aanvraag gevoegd zijn.
  § 2. De totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte, de nettoproductie aan mechanische energie en het brandstof- of energieverbruik van een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat groter is dan 200 kW, wordt gemeten met behulp van de meetapparatuur, vermeld in artikel 6.2.5, § 1.
  Voor de controle of een warmtekrachtinstallatie voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd, worden de totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte en het brandstof- of energieverbruik berekend op basis van het gemiddelde van de metingen tijdens een periode van 365 opeenvolgende dagen die eindigt tijdens de maand, voor de maand waarin het aanvraagdossier bij de VREG wordt ingediend, of voor de maand waarin een controle wordt uitgevoerd.
  Voor de controle of een warmtekrachtinstallatie voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd, worden de totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte en het brandstof- of energieverbruik van een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch nominaal vermogen dat groter is dan 200 kW, die minder dan 365 dagen in dienst is, berekend op basis van de nominale waarden, vermeld op de technische bewijsstukken die bij de aanvraag gevoegd zijn.
  § 3. Als blijkt dat de gemeten elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen klein is in verhouding tot de totale hoeveelheid geproduceerde elektriciteit, kan de VREG beslissen om voor de bepaling van het elektrisch rendement van de warmtekrachtinstallatie de netto-elektriciteitsproductie op basis van een raming te berekenen uit de totale elektriciteitsproductie.
  Als blijkt dat de gemeten warmteafname of de equivalente warmteafname van de utiliteitsvoorzieningen klein is in verhouding tot de totale hoeveelheid geproduceerde warmte, kan de VREG beslissen om voor de bepaling van het thermisch rendement van de warmtekrachtinstallatie de nettowarmteproductie op basis van een raming te berekenen uit de totale warmteproductie.
  Als blijkt dat de gemeten afname van mechanische energie of de equivalente afname van mechanische energie van de utiliteitsvoorzieningen klein is in verhouding tot de totale hoeveelheid geproduceerde mechanische energie, kan de VREG beslissen om voor de bepaling van het mechanisch rendement van de warmtekrachtinstallatie de nettoproductie van mechanische energie op basis van een raming te berekenen uit de totale productie van mechanische energie.

  Art. 6.2.5.§ 1. Warmtekrachtinstallaties met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat groter is dan 200 kW, zijn voorzien van de nodige meetapparatuur om permanent de totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte, de nettoproductie aan mechanische energie en het brandstof- of energieverbruik te meten.
  Warmtekrachtinstallaties met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat kleiner is dan of gelijk is aan 200 kW, zijn voorzien van de nodige meetapparatuur om permanent de netto-elektriciteitsproductie te meten.
  [1 De nuttige warmte wordt zo kort mogelijk bij de plaats van de nuttige aanwending ervan gemeten. Als er een noodkoeler in het circuit is opgesteld, wordt de meting uitgevoerd voorbij de noodkoeler. Als er bij warmtekrachtinstallaties met een startdatum vanaf 1 januari 2013 een buffervat in het circuit is opgesteld, wordt de meting uitgevoerd voorbij het buffervat.]1
  § 2. De meetapparatuur, vermeld in paragraaf 1, de meetopstelling en de toegepaste meetprocedures voldoen aan de ter zake geldende internationale en nationale normen.
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 14, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.2.6. De certificaatgerechtigde meldt aan de VREG onmiddellijk :
  1° alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat hij niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.3;
  2° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.8 tot en met 6.2.10;
  3° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op de wijze waarop een warmtekrachtinstallatie voldoet aan de voorwaarden om erkend te worden als kwalitatieve warmtekrachtinstallatie;
  4° alle wijzigingen met betrekking tot de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de warmtekrachtcertificaten moeten worden toegekend, als vermeld in artikel 6.2.7, § 2.
  Bij wijzigingen als vermeld in het eerste lid, 1°, kan de VREG haar beslissing, vermeld in artikel 6.2.2, § 2, herroepen. Vanaf de herroeping van haar beslissing worden geen warmtekrachtcertificaten meer toegekend voor de warmtekrachtbesparing die gerealiseerd is in de warmtekrachtinstallatie in kwestie.
  Bij wijzigingen als vermeld in het eerste lid, 2°, kan de VREG haar beslissing, vermeld in artikel 6.2.2, § 2, wijzigen. De certificaatgerechtigde voor een warmtekrachtinstallatie met een nominaal elektrisch of mechanisch vermogen van meer dan 1 MW legt een nieuw keuringsverslag voor als vermeld in artikel 6.2.2, § 1, tweede lid, 4°, bij de melding van een wijziging als vermeld in het eerste lid, 2°.
  Als de VREG gegronde argumenten heeft om geen warmtekrachtcertificaten meer toe te kennen aan de certificaatgerechtigde, kan de VREG haar oorspronkelijke beslissing wijzigen of herroepen, al dan niet met terugwerkende kracht tot het ogenblik waarop het recht op de toekenning van warmtekrachtcertificaten moet ophouden.

  Onderafdeling III. - De maandelijkse toekenning van warmtekrachtcertificaten

  Art. 6.2.7.De warmtekrachtcertificaten worden maandelijks toegekend voor de warmtekrachtbesparing die gerealiseerd is in een warmtekrachtinstallatie waarvoor een aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten werd goedgekeurd.
  [1 Het aantal warmtekrachtcertificaten dat maandelijks door de VREG wordt toegekend, wordt berekend doorde primaire energiebesparing, uitgedrukt in MWh en gerealiseerd door gebruik te maken van een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie ten opzichte van referentie-installaties, te vermenigvuldigen met de voor die installatie vastgestelde bandingfactor en dit vervolgens op te tellen bij het eventuele overschot van de voorgaande maand. Het resultaat wordt naar beneden afgerond tot een geheel getal. Dit geheel getal is het aantal warmtekrachtcertificaten dat wordt toegekend. Het overschot, in MWh, bekomen door de afronding naar beneden van het resultaat van deze berekening tot een geheel aantal MWh, wordt overgedragen naar de volgende maand.
   De eerste warmtekrachtcertificaten worden toegekend op basis van de warmtekrachtbesparing die is gerealiseerd vanaf de datum van het volledige keuringsverslag. Aan warmtekrachtinstallaties met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat kleiner is of gelijk aan 200 kW, worden warmtekrachtcertificaten toegekend voor de warmtekrachtbesparing die werd gerealiseerd vanaf de datum van het verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van de technische installaties, vermeld in het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, op voorwaarde dat de VREG de aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten aan deze installaties ontvangt binnen een jaar na de datum van het verslag. Als de VREG de aanvraag niet binnen die termijn ontvangt, worden de warmtekrachtcertificaten toegekend voor de elektriciteit die werd geproduceerd vanaf de datum van de aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 15, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.2.8. Het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten wordt berekend op basis van de gegevens die aan de VREG worden meegedeeld, vermeld in artikel 6.2.9 en 6.2.10.

  Art. 6.2.9. § 1. Voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties meten de netbeheerders, de beheerder van het transmissienet en de beheerder van het vervoernet waarop de warmtekrachtinstallatie is aangesloten, maandelijks per site de opgewekte elektriciteit en de verbruikte hoeveelheid aardgas als dat van toepassing is.
  De beheerders van het betreffende net brengen de VREG maandelijks op de hoogte van die meetgegevens.
  De VREG kan, op eigen initiatief of op verzoek van de certificaatgerechtigde, beslissen om de meting, vermeld in het eerste lid, over te laten aan de certificaatgerechtigde. In dat geval brengt de certificaatgerechtigde de VREG maandelijks op de hoogte van de meetgegevens over de opgewekte elektriciteit of de verbruikte hoeveelheid aardgas als dat van toepassing is.
  De certificaatgerechtigde voert per site de metingen uit, vermeld in artikel 6.2.5, § 1. De certificaatgerechtigde brengt de VREG maandelijks op de hoogte van die meetgegevens.
  De VREG kan beslissen om die metingen aan te vullen met of te vervangen door andere metingen om de warmtekrachtbesparing te bepalen.
  § 2. De VREG kan nadere regels vaststellen voor de manier waarop de metingen, vermeld in paragraaf 1, uitgevoerd moeten worden, en voor de manier waarop de meetgegevens bezorgd moeten worden aan de VREG.

  Art. 6.2.10.§ 1. De warmtekrachtbesparing die gerealiseerd wordt door een warmtekrachtinstallatie voor elektriciteitsproductie, wordt berekend als de primaire energiebesparing die wordt gerealiseerd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie in plaats van een referentie-installatie die dezelfde nettohoeveelheid elektriciteit en nuttige warmte zou opwekken als die warmtekrachtinstallatie.
  Voor de berekening van de warmtekrachtbesparing door een warmtekrachtinstallatie met elektriciteitsproductie, wordt uitgegaan van de netto-elektriciteitsproductie die op de locatie zelf verbruikt wordt of die geleverd wordt aan het distributienet, aan het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, aan het transmissienet of aan directe lijnen. Die netto-elektriciteitsproductie wordt gemeten voor de eventuele transformatie naar netspanning.
  § 2. De warmtekrachtbesparing die gerealiseerd wordt door een warmtekrachtinstallatie voor de rechtstreekse mechanische aandrijving van machines, wordt berekend als de primaire energiebesparing die wordt gerealiseerd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie in plaats van de best beschikbare aandrijftechnologie en referentie-installatie die dezelfde aandrijving en dezelfde hoeveelheid nuttige warmte zouden leveren als die warmtekrachtinstallatie.
  De aanvrager toont aan de VREG de correctheid van de berekening van die primaire energiebesparing aan.
  § 3. Voor de berekening van de warmtekrachtbesparing wordt uitgegaan van de nuttige warmte die gebruikt wordt als warmtebron en die niet voor de verdere productie van elektriciteit of mechanische energie wordt aangewend. Als blijkt dat de nuttige warmte slechts voor een klein deel gebruikt wordt voor de verdere productie van elektriciteit of mechanische energie, kan de VREG beslissen om voor de bepaling van de nuttige warmte, en voor de bepaling van de productie van elektriciteit en mechanische energie een vereenvoudigde berekeningsmethode toe te laten.
  § 4. Als een warmtekrachtinstallatie wordt gebruikt voor de productie van CO2, wordt de gemeten hoeveelheid geproduceerde benutte warmte met 10 % verhoogd voor de berekening van de warmtekrachtbesparing.
  § 5. Voor sites waar al beschikbare warmte gebruikt wordt, berekent de VREG de warmtekrachtbesparing niet op basis van het vermeden primaire energieverbruik van een referentie-installatie, maar op basis van het vermeden primaire energieverbruik van de warmteproducent dat noodzakelijk is voor de productie van dezelfde nuttige warmte, op voorwaarde dat de primaire energiebesparing van de nieuwe installatie ten opzichte van de warmteproducent kleiner is dan de primaire energiebesparing ten opzichte van een referentie-installatie. Om de hoeveelheid al beschikbare warmte te bepalen, wordt uitgegaan van het verbruik van beschikbare warmte tijdens de 365 dagen voor de certificatenaanvraag.
  [1 In afwijking van het eerste lid beschouwt de VREG voor sites waar al beschikbare warmte gebruikt wordt, het gedeelte van deze beschikbare warmte dat volgens metingen na de indienstneming van de nieuwe kwalitatieve warmtekrachtinstallatie verder voor de invulling van een economisch aantoonbare vraag wordt aangewend, niet als beschikbare warmte.]1
  § 6. Voor nieuwe warmtekrachtinstallaties worden de warmtekrachtbesparing en het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten vanaf de ingebruikname gedurende tien jaar berekend op basis van de voorwaarden tot toekenning en aanvaarding van warmtekrachtcertificaten, de berekeningsmethode, het thermisch of elektrisch rendement van een referentie-installatie en het rendement van de best beschikbare aandrijftechnologie, die werden vastgelegd bij de aanvraag van warmtekrachtcertificaten.
  § 7. Het thermisch rendement van de referentie-installatie wordt gelijkgesteld aan 90 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van heet water, 93 % in het geval van een warmtekrachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van hete lucht voor droogtoepassingen, 85 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van stoom of in de vorm van nog niet vermelde media, en 500 % als referentieperformantiecoëfficiënt in het geval van een warmtekrachtinstallatie die koude produceert. Voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van biogas, wordt het thermisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan 70 %.
  § 8. Het elektrisch rendement van de referentie-installatie wordt voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van fossiele energiebronnen gelijkgesteld aan 55 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die aangesloten is op een spanningsnet met een nominale spanning die hoger is dan 15 kV, en 50 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die aangesloten is op een spanningsnet met een nominale spanning die lager is dan of gelijk is aan 15 kV.
  Voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, wordt het elektrisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan 42 % bij de toepassing van biogas, 42,7 % bij de toepassing van vloeibare biobrandstoffen, 34 % bij de toepassing van hout of houtafval, en 25 % bij de toepassing van andere vaste biomassastromen.
  Voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van verschillende fossiele of hernieuwbare energiebronnen wordt het elektrisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan het op basis van de energie-input gewogen gemiddelde van de elektrische rendementen van de referentie-installatie dat bepaald is overeenkomstig het eerste en het tweede lid.
  Het rendement van de best beschikbare aandrijftechnologie wordt gelijkgesteld aan 52 %.
  § 9. De Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, past na advies van de VREG de referentierendementen, vermeld in paragraaf 7 en 8, aan de stand van de techniek aan en legt extra referentierendementen vast als dat nodig is voor de berekening van de warmtekrachtbesparing. Hij houdt daarbij rekening met de werkelijk gemeten rendementen van de referentie-installaties, de best beschikbare aandrijftechnologie en andere referentietechnologieën, enerzijds onafhankelijk van de gebruikte energiebron voor fossiele energiebronnen, en anderzijds voor hernieuwbare energiebronnen.
  § 10. De VREG kan nadere regels opleggen betreffende de beoordeling of voldaan wordt aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, en betreffende de bepaling van de warmtekrachtbesparing voor types van complexe warmtekrachtinstallaties. De VREG publiceert die nadere regels op haar website.
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 16, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Afdeling III. - Registratie van warmtekrachtcertificaten

  Art. 6.2.11.§ 1. De VREG registreert de gegevens van de toegekende warmtekrachtcertificaten in een centrale databank. Die registratie waarborgt de echtheid van de warmtekrachtcertificaten.
  § 2. Voor elk warmtekrachtcertificaat worden minstens de volgende gegevens geregistreerd :
  1° de gegevens van de eigenaar van het warmtekrachtcertificaat;
  2° het productiejaar en de productiemaand;
  3° de productieplaats;
  4° de technologie, vermeld in bijlage III, die bij dit besluit is gevoegd;
  5° nominaal vermogen;
  6° datum van indienstneming van de warmtekrachtinstallatie;
  7° het registratienummer;
  8° de steun, ontvangen voor de warmtekrachtinstallatie;
  9° de brandstof- of energiebron, en de onderste verbrandings- of energiewaarde van de brandstof- of energiebron;
  10° [1 ...]1
  11° de referentierendementen die van toepassing zijn voor de berekening van de warmtekrachtbesparing, vastgelegd met toepassing van artikel 6.2.10;
  12° de besparing op primaire energie, berekend overeenkomstig bijlage I en op basis van de rendementsreferentiewaarden die worden vastgelegd door de minister met toepassing van artikel 6.2.3;
  13° de vermelding of het warmtekrachtcertificaat aanvaardbaar of niet aanvaardbaar is om te voldoen aan de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.11 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  14° [1 als het warmtekrachtcertificaat aanvaardbaar is, de vermelding of het warmtekrachtcertificaat al of niet nog kan worden ingeleverd in het kader van de certificatenverplichting]1;
  15° [1 ...]1
  16° de toepassing van de warmte die samen met de elektriciteit is gegenereerd.
  § 3. De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2, 13°, is :
  1° " aanvaardbaar " : als het warmtekrachtcertificaat voldoet aan de voorwaarden van [1 artikel 6.2.12]1 [1 ...]1;
  2° " niet aanvaardbaar " : als het warmtekrachtcertificaat niet voldoet aan de voorwaarden van [1 artikel 6.2.12]1 [1 ...]1;
  § 4. De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2,14°, is :
  1° " ingeleverd " : als het warmtekrachtcertificaat al werd voorgelegd om te voldoen aan de certificatenverplichting, [1 volgens de procedure, vermeld in artikel 6.2.12]1;
  2° " nog niet ingeleverd " : als het warmtekrachtcertificaat nog niet werd voorgelegd om te voldoen aan de certificatenverplichting, vermeld in artikel 6.2.12, § 1;
  3° " niet van toepassing " : als de vermelding, vermeld in paragraaf 2, 13°, " niet aanvaardbaar " is.
  § 5. [1 ...]1
  § 6. [1 ...]1
  § 7. [1 ...]1
  § 8. De eigenaar van een warmtekrachtcertificaat heeft leesrecht in de centrale databank wat betreft de gegevens van de warmtekrachtcertificaten waarvan hij eigenaar is.
  [1 De eigenaar van een warmtekrachtcertificaat kan het warmtekrachtcertificaat met de vermelding, bedoeld in paragraaf 2, 14° "nog niet ingeleverd", in de centrale databank overdragen aan een andere eigenaar of inleveren om te voldoen aan de certificatenverplichting, overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 6.2.12. De VREG kan nadere regels bepalen op welke manier een overdracht of inlevering van een warmtekrachtcertificaat verloopt.
   Een warmtekrachtcertificaat kan niet aangewend worden als garantie van oorsprong.]1
  § 9. [1 Als een warmtekrachtcertificaat bij de afloop van de termijn, vermeld in artikel 7.1.5, § 3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, de vermelding, bedoeld in paragraaf 2, 14° "nog niet ingeleverd" heeft, wordt deze vermelding gewijzigd in "vervallen".]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 17, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Afdeling IV. - Het gebruik van warmtekrachtcertificaten

  Onderafdeling I Het gebruik van de warmtekrachtcertificaten in het kader van de certificatenverplichting

  Art. 6.2.12.[1 Om te voldoen aan de certificatenverplichting, aanvaardt de VREG alleen de warmtekrachtcertificaten die toegekend werden voor de warmtekrachtbesparing die gerealiseerd werd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie in het Vlaamse Gewest die voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vastgelegd ter uitvoering van artikel 7.1.2, § 4, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en die voor het eerst in dienst werd genomen of ingrijpend gewijzigd werd na 1 januari 2002.
   De VREG bepaalt de procedure voor de inlevering van warmtekrachtcertificaten om te voldoen aan de certificatenverplichting.
   Zodra een warmtekrachtcertificaat wordt ingeleverd om te voldoen aan de certificatenverplichting, is het niet meer verhandelbaar.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 18, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Onderafdeling II.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 19, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.2.13.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 19, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.2.14.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 19, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.2.15.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 19, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.2.16.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 19, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.2.17.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 19, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Onderafdeling III. - Handel in warmtekrachtcertificaten

  Art. 6.2.18. § 1. Warmtekrachtcertificaten zijn vrij verhandelbaar.
  § 2. Binnen vijf werkdagen na de verkoop van warmtekrachtcertificaten deelt de verkoper aan de VREG de gegevens mee over de verhandelde warmtekrachtcertificaten, de nieuwe eigenaar, de verkoopprijs en de datum van verkoop.
  De VREG bevestigt de registratie van de gegevens, vermeld in het eerste lid, binnen tien werkdagen aan de nieuwe eigenaar.

  Art. 6.2.19.[1 De VREG publiceert maandelijks de gemiddelde prijs van de verhandelde warmtekrachtcertificaten.
   De VREG publiceert maandelijks het aantal toegekende warmtekrachtcertificaten.
   De VREG biedt op een algemeen toegankelijke manier de mogelijkheid om het aanbod van en de vraag naar warmtekrachtcertificaten bekend te maken.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 20, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Hoofdstuk II/1. [1 - Berekening van de onrendabele toppen en de bandingfactoren door het Vlaams Energieagentschap]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Afdeling I. [1 - Gemeenschappelijke bepalingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. 6.2/1.1. [1 Het Vlaams Energieagentschap gaat voor de toepassing van de aftopping van de bandingfactoren, vermeld in artikel 7.1.4/1, § 4, vierde en vijfde lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 uit van een onrendabele top berekend met een beleidsperiode, termijn van de banklening en afschrijvingstermijn van 10 jaar. Indien de bandingfactor die op deze manier berekend is hoger ligt dan de maximaal toegelaten bandingfactor, wordt de bandingfactor, die berekend is volgens dit hoofdstuk, vermenigvuldigd met de maximaal toegelaten bandingfactor en gedeeld door de bandingfactor berekend met een beleidsperiode, termijn van de banklening en afschrijvingstermijn van 10 jaar.
   De maximaal toegelaten bandingfactor bedraagt voor nieuwe projecten met startdatum in 2013 1. De maximaal toegelaten bandingfactor wordt voor nieuwe projecten met startdatum vanaf 2014 jaarlijks door de minister vastgelegd. De aldus [jaarlijks] bepaalde maximaal toegelaten bandingfactor blijft [voor installaties met staartdatum in het betreffende jaar] geldig gedurende de volledige periode waarbinnen de installatie certificaten ontvangt. De maximaal toegelaten bandingfactor voor nieuwe projecten vanaf 2014 wordt bepaald in het kader van het vastleggen van de bandingfactoren, zoals vermeld in artikel 6.2/1.6, op basis van het rapport van het Vlaams Energieagentschap en op basis van de verhouding tussen het aantal beschikbare certificaten en het aantal in te leveren certificaten bij de vorige inleveringsronde. (ERR. B.ST 18.01.2013, p. 2194)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Afdeling II. [1 - Berekening van de onrendabele toppen en de bandingfactoren voor groenestroom- en warmtekrachtkoppeling voor projecten uit representatieve projectcategorieën met startdatum vanaf 1 januari 2013]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Onderafdeling I. [1 - Berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor nieuwe groenestroomprojecten]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. 6.2/1.2. [1 Het Vlaams Energieagentschap berekent voor nieuwe projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 de onrendabele toppen en bandingfactoren op basis van de meest kostenefficiënte en performante type-installaties voor de volgende representatieve projectcategorieën :
   1° zonne-energie :
   a) Nieuwe installaties met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) tot en met 10 kW;
   b) nieuwe installaties met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 10 kW tot en met 250 kW;
   c) nieuwe installaties met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan250 kW tot en met 750 kW;
   2° nieuwe installaties met betrekking tot windenergie op land, met een maximaal vermogen per turbine tot en met 4 MWe;
   3° nieuwe biogasinstallaties met een maximaal vermogen tot en met 5 MWe :
   a) voor de vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen;
   b) voor GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie;
   c) recuperatie van stortgas;
   d) voor vergisting van rioolwaterzuiveringsslib;
   e) overige vergisters.;
   4° nieuwe biogasinstallaties met een maximaal vermogen groter dan 5 MWe tot en met 20 MWe :
   a) voor de vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen;
   b) voor GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie;
   c) recuperatie van stortgas;
   d) voor vergisting van rioolwaterzuiveringsslib;
   e) overige vergisters.;
   5° nieuwe installaties voor de verbranding van vaste biomassa met een maximaal vermogen tot en met 20 MWe;
   6° nieuwe installaties voor de verbranding van vloeibare biomassa met een maximaal vermogen tot en met 20 MWe;
   7° nieuwe installaties voor de verbranding van biomassa-afval met een maximaal vermogen tot en met 20 MWe;
   8° nieuwe installaties voor de verbranding van huishoudelijk of bedrijfsafval met een maximaal vermogen tot en met 20 MWe.
   Het Vlaams Energieagentschap gebruikt voor haar berekening de berekeningsmethodiek en de parameters, zoals bepaald in bijlage III/1.
   Een aanvraag om bijkomende representatieve projectcategorieën toe te voegen, kan ingediend worden bij het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap stelt daarvoor een aanvraagformulier ter beschikking.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Onderafdeling II. [1 - Berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor lopende groenestroomprojecten]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. 6.2/1.3. [1 Het Vlaams Energieagentschap herberekent voor lopende projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 de onrendabele toppenen bandingfactoren, vermeld in artikel 6.2/1.2.
   Het Vlaams Energieagentschap gebruikt voor haar berekening de berekeningsmethodiek en de parameters, zoals bepaald in bijlage III/1. Daarbij wordt enkel geactualiseerd in functie van de opbrengst elektriciteit voor projecten zonder brandstofkosten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Onderafdeling III. [1 - Berekening van de bandingfactoren voor kwalitatieve warmtekrachtkoppeling voor projecten
   met startdatum vanaf 1 januari 2013]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. 6.2/1.4. [1 Het Vlaams Energieagentschap berekent voor nieuwe projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 de onrendabele toppen en bandingfactoren op basis van de meest kostenefficiënte en performante type-installaties voor de volgende representatieve projectcategorieën :
   1° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, voor zover ze niet behoren tot 5°, met een bruto nominaal vermogen tot en met 10 kWe :
   a. Nieuwe installaties;
   b. Ingrijpende wijzigingen;
   2° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, voor zover ze niet behoren tot 5°, met een bruto nominaal vermogen groter dan 10 kWe tot en met 200 kWe :
   a. Nieuwe installaties;
   b. Ingrijpende wijzigingen;
   3° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, voor zover ze niet behoren tot 5°, met een bruto nominaal vermogen groter dan 200 kWe tot en met 1 MWe :
   a. Nieuwe installaties;
   b. Ingrijpende wijzigingen;
   4° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, voor zover ze niet behoren tot 5°, met een motor met een bruto nominaal vermogen groter dan 1 MWe tot en met 5 MWe :
   a. Nieuwe installaties;
   b. Ingrijpende wijzigingen;
   5° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties op biogas met een maximaal bruto nominaal vermogen tot en met 5 MWe :
   a. Nieuwe installaties;
   b. Ingrijpende wijzigingen;
   Telkens bijkomend opgesplitst in subcategorieën voor 1) de vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen; 2) voor GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie; 3) voor recuperatie van stortgas; 4) voor vergisting van rioolwaterzuiveringsslib, 5) overige vergisters.
   6° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties op biogas met een maximaal bruto nominaal vermogen groter dan 5 MWe tot en met 20 MWe :
   a. Nieuwe installaties;
   b. Ingrijpende wijzigingen;
   Telkens bijkomend opgesplitst in subcategorieën voor 1) de vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen; 2) voor GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie; 3) voor recuperatie van stortgas; 4) voor vergisting van rioolwaterzuiveringsslib, 5) overige vergisters.
   7° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties met een bruto nominaal vermogen groter dan 1 tot en met 20 MWe met turbines op
   a) gas :
   1) Nieuwe installaties;
   2) Ingrijpende wijzigingen
   b) stoom :
   1) Nieuwe installaties;
   2) Ingrijpende wijzigingen
   c) beide :
   1) Nieuwe installaties;
   2) Ingrijpende wijzigingen
   8° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties met eenbruto nominaal vermogen groter dan 20 tot en met 50 MWe met turbines op
   a) gas :
   1) Nieuwe installaties;
   2) Ingrijpende wijzigingen
   b) stoom :
   1) Nieuwe installaties;
   2) Ingrijpende wijzigingen
   c) beide :
   1) Nieuwe installaties;
   2) Ingrijpende wijzigingen
   Het Vlaams Energieagentschap gebruikt voor haar berekening de berekeningsmethodiek en de parameters, zoals bepaald in bijlage III/2.
   Voor projecten die ook groenestroomcertificaten ontvangen, wordt eerst de onrendabele top en bandingfactor voor de toekenning van warmtekrachtcertificaten berekend zonder steun via de groenestroomcertificaten. Indien de onrendabele top niet volledig gedekt wordt door de toekenning van warmtekrachtcertificaten, wordt vervolgens de onrendabele top en bandingfactor voor de toekenning van groenestroomcertificaten berekend.
   Een aanvraag om bijkomende representatieve projectcategorieën toe te voegen, kan ingediend worden bij het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap stelt daarvoor een aanvraagformulier ter beschikking.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Onderafdeling IV. [1 - Rapport van het Vlaams Energieagentschap]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. 6.2/1.5. [1 § 1. Het Vlaams Energieagentschap maakt op basis van de berekeningen, vermeld in artikel 6.2/1.2, 6.2/1.3 en 6.2/1.4, een ontwerprapport op voor de vastlegging van de onrendabele toppen en de bandingfactor voor nieuwe en lopende projecten.
   Onder de voorwaarden, vermeld in artikel 7.1.10, § 4 en artikel 7.1.11, § 3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 bevat het ontwerprapport, vermeld in het eerste lid, tevens een evaluatie van het quotumpad en de productiedoelstellingen.
   § 2. Het Vlaams Energieagentschap zorgt er voor dat alvorens zij haar definitief rapport, aan de minister en de Vlaamse Regering mededeelt, zij hierover een stakeholdersoverleg organiseert. Het Vlaams Energieagentschap kan iedere instantie of organisatie raadplegen, waarvan zij het advies nuttig acht en zal in elk geval een brede consultatie organiseren van de betrokken sectoren. Zij zorgt er tevens voor dat het ontwerp via de website van het Vlaams Energieagentschap kan worden geconsulteerd en geeft een gemotiveerd en objectief onderbouwd antwoord op de ontvangen opmerkingen.
   Bij de bekendmaking wordt duidelijk aangegeven dat de door het Vlaams Energieagentschap in het kader van het eerste lid aangeschreven instanties of organisaties binnen een door het Vlaams Energieagentschap gestelde termijn eventuele opmerkingen kunnen bezorgen aan het Vlaams Energieagentschap op de wijze, vermeld bij de bekendmaking.
   Na beëindiging van de termijn, vermeld in het tweede lid, beschikt het Vlaams Energieagentschap over een termijn van een maand om haar definitief rapport mede te delen aan de Vlaamse Regering en de minister. Het Vlaams Energieagentschap maakt haar definitief rapport bekend via haar website.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Onderafdeling V. [1 - Vastlegging van de bandingfactoren]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. 6.2/1.6. [1 De minister valideert bij ministerieel besluit de in het rapport van het Vlaams Energieagentschap, vermeld in artikel 6.2/1.5, § 2, derde lid, vervatte bandingfactoren. Als de minister wenst af te wijken van de in het rapport opgenomen bandingfactoren, dan legt zij aan de Vlaamse Regering een gemotiveerd voorstel tot beslissing voor.
   De aangepaste bandingfactoren voor nieuwe projecten worden van toepassing vanaf 1 januari volgende op de bekendmaking van de beslissing van de minister of de Vlaamse Regering in het Belgisch Staatsblad.Voor nieuwe projecten die gebruikmaken van zonne-energie worden de aangepaste bandingfactoren van toepassing 2 maanden na de bekendmaking van de beslissing van de minister of de Vlaamse Regering in het Belgisch Staatsblad. De geactualiseerde bandingfactoren voor lopende projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 zijn van toepassing één maand na de publicatie van het definitief rapport van het Vlaams Energieagentschap.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Afdeling II. [1 - Berekening van projectspecifieke onrendabele toppen en bandingfactoren voor projecten uit niet-representatieve projectcategorieën met startdatum vanaf 1 januari 2013]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. 6.2/1.7. [1 § 1. Voor nieuwe projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 wordt voor de volgende categorieën door het Vlaams Energieagentschap een projectspecifieke onrendabele top en een projectspecifieke bandingfactor berekend voor groenestroomcertificaten en/of warmtekrachtcertificaten op basis van de meest kostenefficiënte en performante installaties :
   1° installaties voor zonne-energie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 750 kW;
   2° windenergie op land, met een vermogen per turbine groter dan 4 MWe;
   3° groenestroominstallaties, voor zover ze niet tot 1° en 2° of tot de vastgelegde representatieve projectcategorieën, vermeld in artikel 6.2/1.2, behoren en een minimaal vermogen hebben van meer dan 20 MWe;
   4° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties voor zover ze een minimaal vermogen hebben van meer dan 50 MWe;
   5° een productie-installatie met startdatum voor 1 januari 2013 die reeds groenestroomcertificaten ontvangt en die wordt omgebouwd tot een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie met startdatum vanaf 1 januari 2013.
   Het Vlaams Energieagentschap gebruikt voor haar berekening de berekeningsmethodiek en de parameters, zoals bepaald in bijlage III/3.
   De eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen dient hiertoe bij het Vlaams Energieagentschap een principe-aanvraag in.
   Op eenvoudig verzoek van het Vlaams Energieagentschap stelt de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen binnen een door het Vlaams Energieagentschap gestelde termijn alle noodzakelijke informatie ter beschikking van het agentschap.
   Het Vlaams Energieagentschap neemt binnen de 6 weken na ontvangst van de informatie bedoeld in het vorige lid een principebeslissing over een voorlopige bandingfactor en legt de berekening van de voorlopige bandingfactor ter goedkeuring voor aan de minister. De minister valideert bij ministerieel besluit de in het voorstel van het Vlaams Energieagentschap vervatte berekening en voorlopige bandingfactor binnen de 30 dagen, en legt dit ministerieel besluit voorafgaand aan de ondertekening als mededeling voor aan de Vlaamse Regering. Als de minister wenst af te wijken van dit voorstel, dan legt zij aan de Vlaamse Regering een gemotiveerd voorstel tot beslissing voor. De beslissing van de minister of van de Vlaamse Regering wordt vervolgens betekend aan de aanvrager en aan de VREG.
   § 2. Projecten die na het toekennen van de voorlopige bandingfactor, vermeld in § 1, vijfde lid, niet aan de volgende voorwaarden voldoen verliezen hun recht op steun volgens deze voorlopige bandingfactor :
   1° indien nodig, uiterlijk binnen een jaar na de datum van de principebeslissing een bewijs van de start van de procedure tot het bekomen van een milieueffectrapport, als vermeld in titel IV van het DABM, of een ontvankelijk verklaarde aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een stedenbouwkundige vergunning voorleggen;
   2° uiterlijk binnen twee jaar na de datum van de principebeslissing voor de verdere duur van de periode van steuntoekenning beschikken over de vereiste milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen in eerste aanleg of in beroep.
   De steunaanvrager dient binnen een maand na het verkrijgen van de laatste vergunning een definitieve aanvraag in bij het Vlaams Energieagentschap. Op eenvoudig verzoek van het Vlaams Energieagentschap stelt de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen hiervoor binnen een door het Vlaams Energieagentschap gestelde termijn alle noodzakelijke informatie ter beschikking van het agentschap.
   Het Vlaams Energieagentschap actualiseert vervolgens op basis van de actuele energie- en brandstofprijzen en definitieve gegevens van de installatie binnen de 30 dagen haar berekeningen volgens de gevalideerde berekeningsmethode en legt de berekende definitieve bandingfactor ter goedkeuring voor aan de minister. De minister valideert bij ministerieel besluit de in het voorstel van het Vlaams Energieagentschap vervatte berekening en definitieve bandingfactor binnen de 30 dagen, en legt dit ministerieel besluit als mededeling voor aan de Vlaamse Regering. Als de minister wenst af te wijken van dit voorstel, dan legt zij aan de Vlaamse Regering een gemotiveerd voorstel tot beslissing voor. De beslissing van de minister of van de Vlaamse Regering wordt vervolgens betekend aan de aanvrager en aan de VREG.
   Als het project echter geen milieu- of stedenbouwkundige vergunningen nodig heeft kan de aanvrager onmiddellijk een definitieve aanvraag indienen om een definitieve bandingfactor te verkrijgen volgens de procedure vermeld in § 1.
   De definitieve bandingfactor blijft voor een nieuw project geldig voor zover de startdatum niet later is dan één maand na de betekening van de beslissing. Op eenvoudig verzoek van de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, maakt het Vlaams Energieagentschap het aanvraagdossier, vermeld in het tweede lid, over aan de VREG, waar dit als een principe-aanvraag tot toekenning van certificaten wordt ontvangen. Wanneer de bandingfactor voor het project niet langer geldig is, dient een nieuwe principe-aanvraag, vermeld, in § 1, te worden ingediend.
   § 3. Het Vlaams Energieagentschap maakt twee maal per jaar een marktanalyserapport op dat voor 30 juni en 31 december aan de minister en de Vlaamse Regering wordt bezorgd en dat minstens de volgende informatie bevat :
   1° de geraamde specifieke onrendabele toppen voor de projectspecifieke installaties waarvoor sinds het vorige rapport een principebeslissing, vermeld in § 1, vierde lid, werd genomen;
   2° de impact van het toekennen van certificaten aan de projectspecifieke installaties, waarvoor sinds het vorige rapport een principebeslissing, vermeld in § 1, vierde lid, werd genomen, op de certificatenmarkt en op de verwachte marktprijs voor een groenestroomcertificaat of warmtekrachtcertificaat;
   3° de impact op de meest recente prognose voor de groenestroomproductie, de primaire energiebesparing en de quotadoelstellingen die hierop zijn gebaseerd.
   Het marktanalyserapport, vermeld in het eerste lid, wordt door het Vlaams Energieagentschap tevens geactualiseerd naar aanleiding van de definitieve bandingfactoren, vermeld in § 2, derde lid, die sinds het vorige rapport werden vastgesteld.
   § 4. De minister kan nadere regels vaststellen betreffende de vorm en inhoud van de principe-aanvraag en de definitieve aanvraag.
   § 5. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap de categorieën, vermeld in § 1, eerste lid, aanvullen.
   § 6. Voor lopende groenestroomprojecten wordt de bandingfactor, vermeld in § 2, derde lid, geactualiseerd conform de berekeningsmethodiek en parameters, vermeld in artikel 6.2/1.2, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Afdeling III. [1 - Berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor groenestroomprojecten met startdatum voor 1 januari 2013]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. 6.2/1.8. [1 Het Vlaams Energieagentschap berekent de onrendabele toppen en bandingfactoren voor projecten met startdatum voor 1 januari 2013 waarvoor bijkomende groenestroomcertificaten worden aangevraagd overeenkomstig artikel 7.1.1 § 1, vierde of vijfde lid van het Energiedecreet.
   Het Vlaams Energieagentschap gebruikt in het kader van haar berekening de berekeningsmethodiek en de parameters, zoals bepaald in bijlage III/4.
   Op eenvoudig verzoek van het Vlaams Energieagentschap stelt de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen binnen een door het Vlaams Energieagentschap gestelde termijn alle noodzakelijke informatie ter beschikking van het agentschap.
   Het Vlaams Energieagentschap stelt binnen de maand nadat het dossier volledig is voor deze installatie een bandingfactor vast en maakt vervolgens haar vaststelling over aan de VREG.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Hoofdstuk II/2. [1 - Rapport van de VREG betreffende de groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 22, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.2/2.1. [1 De VREG zorgt er voor dat alvorens zij haar rapport, vermeld in artikel 3.1.3, eerste lid, 4°, d) en f) van het Energiedecreet van 8 mei 2009 mededeelt, zij hierover een overleg met de betrokken leveranciers organiseert. Zij geeft een gemotiveerd en objectief onderbouwd antwoord op de ontvangen opmerkingen.
   Bij de bekendmaking wordt duidelijk aangegeven dat de door de VREG in het kader van het eerste lid aangeschreven leveranciers binnen een door de VREG gestelde termijn eventuele opmerkingen kunnen bezorgen aan de VREG op de wijze, vermeld bij de bekendmaking.
   Na beëindiging van de termijn, vermeld in het tweede lid, beschikt de VREG over een termijn van een maand om haar definitief rapport openbaar te maken. De VREG maakt haar definitief rapport bekend via haar website.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 22, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Hoofdstuk II/3. [1 - Garanties van oorsprong]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.2/3.1. [1 § 1. Een aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong wordt ingediend door een aanvraagdossier te bezorgen aan de VREG. Het aanvraagdossier bestaat uit een correct en volledig ingevuld aanvraagformulier, waarvan het model wordt bepaald door de VREG, en de in het aanvraagformulier aangeduide documenten ter staving van de aanvraag.
   In afwijking van het vorig lid moet geen aparte aanvraag worden ingediend, wanneer een aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 6.1.2, of een aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.2., werd ingediend. De aanvraag, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt geacht deel uit te maken van de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 6.1.2, of de aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.2.
   § 2. De bepalingen in verband met de behandeling van de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 6.1.2, zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen.
   De bepalingen in verband met de behandeling van de aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.2, zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.2. [1 § 1.De artikelen 6.1.3, eerste lid, 6.1.4 tot en met 6.1.6. zijn van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de toekenning van garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen.
   § 2. De artikelen 6.2.3. tot en met 6.2.6. zijn van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de toekenning van garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.3. [1 § 1. Garanties van oorsprong worden toegekend voor de elektriciteit, geproduceerd in de productie-installatie waarvoor een aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong, vermeld in art. 6.2/3.1, werd goedgekeurd.
   § 2. De garanties van oorsprong worden maandelijks toegekend per schijf van 1000 kWh opgewekte elektriciteit. Het resterende aantal kWh wordt overgedragen naar de volgende maand.
   Voor iedere 1000 kWh elektriciteit die is opgewekt in het Vlaamse Gewest kan een garantie van oorsprong worden aangevraagd bij de VREG. Er wordt niet meer dan 1 garantie van oorsprong uitgereikt voor eenzelfde 1000 kWh elektriciteitsproductie, ongeacht de energiebron of technologie.
   § 3. De opgewekte elektriciteit, vermeld in § 2, is de hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie.
   De hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie is de geproduceerde elektriciteit, verminderd met de gemeten elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen die horen bij de productie-installatie.
   Als die utiliteitsvoorzieningen andere energiebronnen dan elektriciteit gebruiken, wordt hun equivalente elektriciteitsafname berekend door de VREG als de elektriciteit die in een referentie-installatie met dezelfde hoeveelheid energie opgewekt kan worden.
   Als uit de aanvraag tot toekenning van garanties van oorsprong blijkt dat die elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname klein is in verhouding tot de geproduceerde elektriciteit, kan de VREG beslissen om de netto-elektriciteitsproductie op basis van een raming te berekenen uit de totale elektriciteitsproductie.
   § 4. De start van de toekenning van garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen verloopt op dezelfde wijze als de start van de toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 6.1.7, derde lid.
   De start van de toekenning van garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling verloopt op dezelfde wijze als de start van de toekenning van warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.7, derde lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.4. [1 De rapportering van de gegevens, vermeld in artikel 6.2/3.3, verloopt overeenkomstig artikel 6.1.9. voor wat de installaties betreft die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen en artikel 6.2.9 voor wat de installaties betreft die elektriciteit opwekken uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling.
   De rapportering, bedoeld in het vorig lid, wordt daarbij aangevuld met de rapportering van de hoeveelheid elektriciteit die door de productie-installatie in kwestie wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, en op het distributienet, plaatselijk vervoernet van elektriciteit of transmissienet wordt geïnjecteerd. Deze gegevens worden gemeten en aan de VREG bezorgd door de distributienetbeheerder of door de transmissienetbeheerder van het net waarop de installatie is aangesloten.
   Als het gaat om een productie-installatie met een elektrisch nominaal vermogen groter dan 10 kW, worden de gegevens, vermeld in het tweede lid, maandelijks bezorgd.
   Als het gaat om een productie-installatie met een elektrisch nominaal vermogen tot en met 10 kW, worden de gegevens, vermeld in het tweede lid, minstens jaarlijks bezorgd. Als de meetinstallatie aangepast is conform artikel V.2.4.2 van het technisch Reglement Distributie Elektriciteit, wordt er geacht geen geïnjecteerde nettohoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling te zijn.
   De VREG kan nadere regels vastleggen voor de manier waarop de metingen, vermeld in het tweede lid uitgevoerd moeten worden, en voor de manier waarop de gegevens aan de VREG bezorgd moeten worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.5. [1 Volgende specificaties worden minstens geregistreerd in de centrale databank bij elke garantie van oorsprong :
   1° de gegevens van de eigenaar van de garantie van oorsprong;
   2° het registratienummer van de garantie van oorsprong;
   3° het productiejaar en de productiemaand;
   4° de productieplaats;
   5° het type productie-installatie
   6° het nominaal vermogen;
   7° de datum van indienstneming van de installatie;
   8° de datum en het land van aanmaak van de garantie van oorsprong;
   9° de steun ontvangen voor de installatie;
   10° voor wat betreft de garanties van oorsprong, toegekend voor elektriciteit geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen : de gebruikte hernieuwbare energiebron, waarbij voor biomassa de aard van de biologisch afbreekbare fractie wordt omschreven;
   11° voor wat betreft de garanties van oorsprong, toegekend voor elektriciteit geproduceerd uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling :
   a) de technologie, vermeld in bijlage III, die bij dit besluit is gevoegd;
   b) de brandstof- of energiebron, en de onderste verbrandings- of energiewaarde van de brandstof- of energiebron;
   12° de status van de garantie van oorsprong : nog niet ingeleverd, ter plaatse gebruikt, ingeleverd, uitgevoerd of vervallen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.6. [1 § 1. Bij de creatie van een garantie van oorsprong is de status van de garantie van oorsprong : "nog niet ingeleverd".
   § 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt bij een aantal garanties van oorsprong dat overeenstemt met de hoeveelheid elektriciteit die op de site van de productie-installatie in kwestie of op het privédistributienet, dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 4.7.1, § 2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, waarop de productie-installatie aangesloten is, wordt verbruikt of op een directe lijn wordt geïnjecteerd, de status "ter plaatse gebruikt" aangebracht door de VREG op basis van het verschil tussen de opgewekte elektriciteit, vermeld in artikel 6.2/3.3, § 3, en de gegevens, bedoeld in artikel 6.2/3.4, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.7. [1 De eigenaar van een garantie van oorsprong heeft toegang tot de centrale databank voor wat betreft de gegevens van de garanties van oorsprong waarvan hij eigenaar is.
   De eigenaar van een garantie van oorsprong met als status "nog niet ingeleverd", kan deze garanties van oorsprong in de centrale databank overdragen naar een ander lid van de certificatendatabank of inleveren, zoals vermeld in artikel 7.1/1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.
   De VREG kan nadere regels bepalen op welke manier een overdracht, inlevering of in- of uitvoer van een garantie van oorsprong verloopt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.8. [1 § 1. Garanties van oorsprong zijn vrij verhandelbaar.
   § 2. Binnen vijf werkdagen na de verkoop van een garantie van oorsprong bezorgt de verkoper de VREG de gegevens over de verhandelde garanties van oorsprong, de nieuwe eigenaar, de verkoopprijs en de datum van de verkoop.
   § 3. De VREG publiceert maandelijks :
   1° de gemiddelde prijs van de in de centrale databank verhandelde garanties van oorsprong, op basis van de gegevens bedoeld in § 2;
   2° het aantal toegekende garanties van oorsprong, per technologie;
   3° het aantal in- en uitgevoerde garanties van oorsprong, ingedeeld in landen van bestemming of oorsprong en technologie.
   § 4. De VREG biedt op een algemeen toegankelijke manier de mogelijkheid om het aanbod van en de vraag naar garanties van oorsprong bekend te maken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.9. [1 Als de status van een garantie van oorsprong bij de afloop van de termijn, vermeld in artikel 7.1./1.4 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, "nog niet ingeleverd" is, wordt deze gewijzigd in "vervallen".
   De garantie van oorsprong kan enkel worden gebruikt ter staving van elektriciteitslevering in de periode, vermeld in artikel 7.1./1.4 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. Als de status van een garantie van oorsprong "ingeleverd" is, voor een periode die deze termijn overschreden heeft, doch deze inlevering is nog niet gevalideerd doordat de inlevering van de betreffende garantie van oorsprong een overschot aan ingeleverde garanties van oorsprong betreft ter staving van leveringen in een vorige leveringsmaand, wordt de status van de garanties van oorsprong gewijzigd in "vervallen".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.10. [1 Een leverancier levert maandelijks per product, overeenkomstig artikel 7.1/1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, een aantal garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en een aantal garanties van oorsprong voor elektriciteit opgewekt uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in dat overeenkomt met respectievelijk de hoeveelheid elektriciteit die hij in de voorgaande maand heeft verkocht aan afnemers in het Vlaamse Gewest als elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, en de hoeveelheid elektriciteit die hij in de voorgaande maand heeft verkocht aan afnemers in het Vlaamse Gewest als elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling.
   Enkel garanties van oorsprong met als status "nog niet ingeleverd" kunnen worden ingeleverd, zoals vermeld in het vorig lid. Bij inlevering van de garantie van oorsprong in het kader van artikel 7.1/1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wordt de status van de garantie van oorsprong gewijzigd van "nog niet ingeleverd" in "ingeleverd".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.11. [1 Als een garantie van oorsprong wordt uitgevoerd buiten het Vlaamse Gewest, draagt de VREG op verzoek van de eigenaar van de garantie van oorsprong in kwestie de nodige gegevens van de garantie van oorsprong over aan de bevoegde instantie in het gewest of het land waarnaar de garantie van oorsprong werd uitgevoerd.
   Enkel garanties van oorsprong met als status "nog niet ingeleverd" kunnen worden uitgevoerd, zoals vermeld in het vorig lid. De status van de garantie van oorsprong wordt daarbij gewijzigd van "nog niet ingeleverd" naar "uitgevoerd".]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.12. [1 Een garantie van oorsprong die afkomstig is uit een ander gewest of een land uit de Europese Economische Ruimte, kan in het Vlaamse Gewest worden ingevoerd indien de eigenaar ervan aan de VREG aantoont dat voldaan wordt aan de volgende voorwaarden :
   1° de garantie van oorsprong voor elektriciteit geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen vermeldt minstens de volgende gegevens :
   a) de energiebron waarmee de elektriciteit is geproduceerd en de begin- en einddatum van de productie;
   b) de vermelding dat de garantie van oorsprong betrekking heeft op elektriciteit;
   c) de identiteit, de locatie, het type en de capaciteit van de installatie waar de elektriciteit is geproduceerd;
   d) of en in welke mate de installatie investeringssteun heeft gekregen, of en in welke mate de energie-hoeveelheid op enige andere manier steun heeft gekregen uit een nationale steunregeling, en het type steunregeling;
   e) de datum waarop de installatie operationeel is geworden;
   f) de datum en het land van afgifte en een uniek identificatienummer;
   2° de garantie van oorsprong voor elektriciteit geproduceerd uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling vermeldt minstens de volgende gegevens :
   a) de onderste verbrandings- of energiewaarde van de brandstof- of energiebron;
   b) de gegevens van de warmtekrachtinstallatie, waaronder de productieplaats;
   c) de datum van productie van de overeenstemmende hoeveelheid elektriciteit;
   d) een identificatie van de instantie die de garantie van oorsprong heeft uitgereikt;
   e) de hoeveelheid elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling waarop de garantie van oorsprong betrekking heeft, berekend overeenkomstig de bepalingen opgenomen in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd;
   f) de besparing op primaire energie, berekend overeenkomstig de bepalingen opgenomen in bijlage I die bij dit besluit is gevoegd;
   g) de toepassing van de warmte die samen met de elektriciteit is gegenereerd;
   3° de garantie van oorsprong is uitgereikt voor netto-elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling;
   4° de garantie van oorsprong is het enige bewijs dat voor de betreffende hoeveelheid elektriciteit werd uitgereikt en dat aantoont dat een producent in een daarin aangegeven jaar een daarin aangegeven hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh, heeft opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en geleverd heeft als elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen of een daarin aangegeven hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh, heeft opgewekt in een kwalitatieve warmtekrachtcentrale en geleverd heeft als elektriciteit uit kwalitatieve warmtekracht, zoals vermeld in artikel 7.1/1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
   5° de hoeveelheid elektriciteit waarop de garantie van oorsprong betrekking heeft, is nog niet verkocht of gebruikt onder de benaming elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, elektriciteit uit kwalitatieve warmtekracht of een gelijkwaardige benaming;
   6° de garantie van oorsprong wordt elektronisch overgedragen vanuit het ander gewest of land naar de centrale databank van de VREG, via een systeem dat de betrouwbaarheid en de uniciteit van de garantie van oorsprong garandeert.
   Na de elektronische overdracht van de nodige gegevens van de garantie van oorsprong aan de VREG door de bevoegde instantie van het andere gewest of het andere land, en nadat in het andere gewest of land de garantie van oorsprong definitief onbruikbaar is gemaakt, wordt de garantie van oorsprong beschikbaar gesteld in de centrale databank met als status "nog niet ingeleverd", tenzij meer dan twaalf maanden verstreken zijn sinds het einde van de productieperiode van de desbetreffende hoeveelheid energie, in welk geval de status "vervallen" is.
   De VREG bepaalt via welk formaat, welk medium en welke procedure die garanties van oorsprong kunnen worden ingevoerd uit een ander gewest of een ander land.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.13. [1 Levering van een hoeveelheid elektriciteit aan eindafnemers onder de benaming "elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen" of een gelijkwaardige benaming, of onder benaming "elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling", of een gelijkwaardige benaming, is enkel toegestaan mits inlevering bij de VREG van een overeenkomstig aantal garanties van oorsprong.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.14. [1 § 1. Een leverancier van elektriciteit bezorgt maandelijks aan de VREG, een lijst van de afnemers die op het net van een netbeheerder of transmissienetbeheerder aangesloten zijn en die door de leverancier worden voorzien van elektriciteit, opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, met per afnemer vermelding van het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in de totale elektriciteitslevering aan deze afnemer.
   De VREG kan nadere regels vastleggen voor de wijze waarop de leverancier de gegevens, vermeld in het eerste lid, moet bezorgen.
   § 2. De netbeheerders en de transmissienetbeheerder melden maandelijks aan de VREG en aan de betrokken leverancier de geaggregeerde afnamegegevens van de afnemers, vermeld in paragraaf 1, opgesplitst naargelang het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in de totale elektriciteitslevering aan die afnemers.
   De VREG kan nadere regels vastleggen betreffende de manier waarop deze metingen dienen te gebeuren en de meetgegevens ervan dienen te worden bezorgd aan de VREG.
   § 3. De VREG controleert maandelijks, op basis van de gegevens, vermeld in paragraaf 2, of een leverancier het correcte aantal garanties van oorsprong heeft ingeleverd, zoals vermeld in artikel 6.2/3.10 van het Energiebesluit.
   Als de leverancier te veel garanties van oorsprong heeft ingeleverd wordt het overschot overgedragen naar de volgende maand als deze garanties van oorsprong in die maand nog niet vervallen.
   Als de leverancier onvoldoende garanties van oorsprong heeft ingeleverd, brengt de VREG de betrokken leverancier daarvan op de hoogte. De leverancier kan dan alsnog binnen tien werkdagen extra garanties van oorsprong inleveren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

   Art. 6.2/3.15. [1 De VREG biedt op haar website aan afnemers van elektriciteit de mogelijkheid aan om te controleren of, en in welke mate, hun leverancier hun elektriciteit heeft geleverd die werd opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling. Daarbij wordt uitgegaan van de gegevens van de controle, vermeld in artikel 6.2/3.14.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 23, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  HOOFDSTUK III. - Informatieverlening over oorsprong en milieugevolgen van geleverde elektriciteit

  Art. 6.3.1. Bij de vermelding, vermeld in artikel 7.4.1, eerste lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wordt de oorsprong van de elektriciteit opgegeven onder volgende categorieën :
  1° elektriciteit, geproduceerd met hernieuwbare energiebronnen;
  2° elektriciteit, geproduceerd in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties;
  3° elektriciteit, geproduceerd met fossiele brandstoffen;
  4° elektriciteit, geproduceerd in nucleaire centrales;
  5° elektriciteit, waarvan de oorsprong onbekend is.
  De indeling van elektriciteit in de categorie " elektriciteit, waarvan de oorsprong onbekend is ", is alleen toegestaan voor een fractie die kleiner is dan 5 % of als de leverancier gemotiveerd kan aantonen dat de oorsprong niet achterhaald kan worden. De leverancier vraagt daarvoor de goedkeuring van de VREG.

  Art. 6.3.2.Het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen als vermeld in 6.3.1, eerste lid, 1°, wordt vanaf 1 maart van het lopende jaar bepaald op basis van de verhouding van het aantal groenestroomcertificaten, uitgedrukt in MWh, dat door de leverancier voor leveringen in het voorgaande kalenderjaar werd gebruikt als garantie van oorsprong [1 als vermeld in artikel 7.1/1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009]1, ten opzichte van de hoeveelheid via het distributienet, plaatselijk vervoernet van elektriciteit of transmissienet geleverde elektriciteit aan afnemers in het Vlaamse Gewest door de betrokken leverancier. Die verhouding wordt bepaald zowel voor het totaal van zijn leveringen als voor zijn leveringen van het aangeboden product aan de betrokken afnemers.
  Het aandeel elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling als vermeld in 6.3.1, eerste lid, 2°, wordt vanaf 1 maart van het lopende jaar bepaald op basis van de verhouding van de hoeveelheid elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, vermeld op de warmtekrachtcertificaten, die door de leverancier voor leveringen in het voorgaande kalenderjaar werd gebruikt als garantie van oorsprong [1 als vermeld in artikel 7.1/1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009]1, ten opzichte van de hoeveelheid geleverde elektriciteit aan afnemers in het Vlaamse Gewest door de betrokken leverancier. Die verhouding wordt bepaald zowel voor het totaal van zijn leveringen als voor zijn leveringen van het aangeboden product aan de betrokken afnemers.
  Het aandeel elektriciteit uit de andere energiebronnen als vermeld in artikel 6.3.1, eerste lid, 3° tot en met 5°, wordt vanaf 1 maart van het lopende jaar bepaald als (1 - het aandeel elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling en hernieuwbare energiebronnen als vermeld in het eerste en tweede lid). Dat aandeel wordt verdeeld over de andere energiebronnen, vermeld in artikel 6.3.1, eerste lid, 3° tot en met 5°, op basis van het aandeel van die andere energiebronnen dan de hernieuwbare energie of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in de totale brandstofmix van het productiepark in het voorgaande kalenderjaar van de leverancier of van de elektriciteitsproducenten waarmee de leverancier rechtstreekse of onrechtstreekse overeenkomsten had gesloten om zijn leveringen van het voorgaande kalenderjaar te dekken.
  Voor elektriciteit die is verkregen via invoer of via elektriciteitsuitwisseling op een elektriciteitsbeurs, kunnen de door de betrokken invoerder of elektriciteitsbeurs verstrekte geaggregeerde cijfers worden gebruikt voor de bepaling van het aandeel elektriciteit uit de andere energiebronnen, vermeld in artikel 6.3.1, eerste lid, 3° tot en met 5°.
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 24, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.3.3. De VREG kan nadere regels vastleggen voor de bepaling van de brandstofmix van het geheel van de leveringen van een leverancier, namelijk de som van de leveringen via het distributienet, plaatselijk vervoernet van elektriciteit en transmissienet enerzijds, en de rechtstreekse leveringen anderzijds.

  Art. 6.3.4. De VREG gaat na of de informatie die door de leverancier wordt gegeven bij de toepassing van dit artikel correct is. De leverancier dient jaarlijks voor 1 maart een rapport in bij de VREG over de oorsprong van de geleverde elektriciteit tijdens het voorgaande kalenderjaar. De VREG stelt dat rapport ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap. Het syntheseverslag wordt gepubliceerd op de website van de VREG, samen met de door de leveranciers gehanteerde percentages betreffende de oorsprong van de door hen geleverde elektriciteit, vermeld in artikel 7.4.1, eerste lid, 1°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

  Art. 6.3.5. De minister kan nadere regels vastleggen voor de praktische uitvoering en de rapportering in het kader van dit hoofdstuk.
  Zo bepaalt de minister onder meer de vorm van de vermeldingen en de referentiebronnen waarnaar moet worden verwezen als vermeld in artikel 7.4.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

  HOOFDSTUK IV. - Openbaredienstverplichtingen voor de leveranciers, distributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit ter stimulering van het rationeel energiegebruik en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen

  Afdeling I. - [1 Openbaredienstverplichtingen voor de distributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit ter stimulering van het rationeel energiegebruik]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Onderafdeling 1. [1 - Actieverplichtingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.1.[1 Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder verleent [2 ...]2 de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5. De beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit verleent investeringssteun [2 ...]2 zoals vermeld in artikel 6.4.1/5. § 3.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<BVR 2013-11-29/03, art. 20, 021; Inwerkingtreding : 29-12-2013>

  Art. 6.4.1/1.[1 Aan [4 investeerders in]4 van woningen, wooneenheden of woongebouwen die voor 1 januari 2006 werden aangesloten op het elektriciteitsdistributienet, worden de volgende premies verleend voor energiebesparende werkzaamheden in de betreffende woningen of gebouwen :
  1° een premie van 6 euro per vierkante meter nieuw geplaatste dak- of zoldervloerisolatie, op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 3,5 m2K/W bedraagt en de werkzaamheden worden uitgevoerd door een aannemer [4 ...]4;
  2° een premie van 3 euro per vierkante meter nieuw geplaatste dak- of zoldervloerisolatie, op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 3,5 m2K/W bedraagt en de werkzaamheden niet worden uitgevoerd door een aannemer [4 ...]4;
  3° een premie van 6 euro per vierkante meter nieuw geplaatste spouwmuurisolatie in een buitenmuur [4 ...]4;
  4° een premie van 15 euro per vierkante meter nieuw geplaatste isolatie aan de buitenzijde van een buitenmuur [4 ...]4;
  5° een premie van 12 euro per vierkante meter nieuw geplaatste glasoppervlakte ter vervanging van enkele beglazing, op voorwaarde dat de nieuw geplaatste beglazing een warmtedoorgangscoëficiënt U heeft van maximaal 1,1 W/m2K [4 ...]4;
  6° een premie van 15 euro per vierkante meter nieuw geplaatste glasoppervlakte ter vervanging van enkele of dubbele beglazing, op voorwaarde dat de nieuw geplaatste beglazing een warmtedoorgangscoëfficiënt heeft van maximaal 0,8 W/m2K [4 ...]4;
  7° een premie van 6 euro per vierkante meter nieuw geplaatste vloerisolatie op volle grond of nieuw geplaatste isolatie op het plafond van een kelder of verluchte ruimte onder een verwarmde ruimte, op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 1,2 m2K/W bedraagt [4 ...]4;
  8° [3 [4 ...]4;]3
  9° [4 ...]4.
  De hoogte van de premie, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt verhoogd met 1 euro/m2 als de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minstens 4 m2K/W bedraagt, en nogmaals met 1 euro/m2 als de warmteweerstand Rd minstens 4,5 m2K/W bedraagt [4 ...]4.
  De hoogte van de premie, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt verhoogd met 0,50 euro/m2 als de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minstens 4 m2K/W bedraagt, en nogmaals met 0,50 euro/m2 als de warmteweerstand Rd minstens 4,5 m2K/W bedraagt [4 ...]4.
  De premiebedragen, vermeld in het eerste lid, 3° [4 tot en met 7°]4, kunnen alleen worden toegekend als de werkzaamheden worden uitgevoerd door een aannemer.
  [4 ...]4.
  De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de werkzaamheden, producten en installaties, vermeld in het eerste lid, of de uitvoerders respectievelijk plaatsers van deze werkzaamheden, producten en installaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de premies.
  [4 ...]4.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<BVR 2012-03-16/05, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (3)<BVR 2012-12-21/02, art. 25, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (4)<BVR 2013-11-29/03, art. 21, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 6.4.1/1/1. [1 Aan investeerders in woningen, wooneenheden of woongebouwen die voor 1 januari 2014 werden aangesloten op het elektriciteitsdistributienet, worden de volgende premies verleend voor energiebesparende werkzaamheden in de betreffende woningen, wooneenheden of woongebouwen :
   1° een premie van 550 euro per vierkante meter apertuuroppervlakte van nieuw geplaatste thermische zonnecollectoren die voor de productie van sanitair warm water worden gebruikt, tot maximaal 2.750 euro per woning of wooneenheid en begrensd tot 50% van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen;
   2° een premie voor de plaatsing van een nieuwe warmtepomp, tot maximaal 1.700 euro per woning of wooneenheid.
   De premiebedragen, vermeld in dit lid, kunnen alleen worden toegekend als de werkzaamheden worden uitgevoerd door een aannemer.
   Als de plaatsing van de warmtepomp, vermeld in het eerste lid, 2°, het gevolg is van de vervanging van de bestaande elektrische weerstandsverwarming door de betreffende warmtepomp, wordt de premie evenals het maximum, vermeld in het eerste lid, 2°, verdubbeld als het betreffende gebouw al sinds 1 januari 2006 op het elektriciteitsdistributienet is aangesloten met toepassing van uitsluitend nachttarief.
   De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de werkzaamheden, producten en installaties, vermeld in het eerste lid, of de uitvoerders respectievelijk plaatsers van deze werkzaamheden, producten en installaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de premies.
   De minister stelt de hoogte van de premie, vermeld in het eerste lid, 2°, vast aan de hand van de technische prestaties en het geïnstalleerde vermogen van de warmtepomp.
   Aan investeerders in woningen, wooneenheden of woongebouwen die na 1 januari 2014 werden aangesloten op het elektriciteitsdistributienet, maar die kunnen aantonen dat de aanvraag tot het verkrijgen van hun stedenbouwkundige vergunning dateert van voor 1 januari 2014, worden dezelfde premies verleend als vermeld in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-11-29/03, art. 22, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 6.4.1/1/2. [1 Aan investeerders in woningen, wooneenheden of woongebouwen die voor 1 januari 2006 werden aangesloten op het elektriciteitsdistributienet, wordt een gecombineerde premie verleend voor de gelijktijdig uitgevoerde investeringen in muurisolatie van bestaande buitenmuren en de vervanging van bestaande beglazing inclusief raamwerk in de betreffende woningen, wooneenheden of woongebouwen.
   De premie bedraagt, voor wat de investering in muurisolatie van bestaande buitenmuren betreft, 6 euro per vierkante meter nieuw geplaatste spouwmuurisolatie in een bestaande buitenmuur of 15 euro per vierkante meter nieuw geplaatste isolatie aan de buitenzijde van een bestaande buitenmuur.
   De premie bedraagt, voor wat de investering in de vervanging van bestaande beglazing inclusief raamwerk betreft, 48 euro per vierkante meter nieuw geplaatste glasoppervlakte ter vervanging van enkele beglazing met een maximum van 1680 euro op voorwaarde dat de nieuw geplaatste beglazing een warmtedoorgangscoëfficiënt heeft van maximaal 1,1 W/m2K of 60 euro per vierkante meter nieuw geplaatste glasoppervlakte ter vervanging van enkele of dubbele beglazing met een maximum van 2100 euro op voorwaarde dat de nieuw geplaatste beglazing een warmtedoorgangscoëfficiënt heeft van maximaal 0,8 W/m2K. De warmtedoorgangscoëfficiënt van het geheel van beglazing en raamprofiel mag in beide gevallen maximaal 1,7 W/m2K bedragen.
   Om als gelijktijdig uitgevoerd te worden beschouwd en aldus in aanmerking te komen voor de gecombineerde premie vermeld in dit artikel, mogen de eindfacturen van de investeringen in enerzijds muurisolatie en anderzijds beglazing niet meer dan 12 maanden uit elkaar liggen. Bovendien geldt de gecombineerde premie enkel indien alle enkele of gewoon dubbele beglazing met een U-waarde van 2,9 W/m2K of slechter in de van muurisolatie voorziene gevels of geveldelen wordt vervangen.
   De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de werkzaamheden, producten en installaties, vermeld in dit artikel, of de uitvoerders respectievelijk plaatsers van deze werkzaamheden, producten en installaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de gecombineerde premie.
   De gecombineerde premie vermeld in dit artikel wordt enkel toegekend indien de plaatsing van de muurisolatie en de vervanging van de beglazing inclusief raamwerk pas worden aangevat vanaf 1 januari 2014.
   De gecombineerde premie vermeld in dit artikel kan, voor wat dezelfde investeringen betreft, niet worden gecumuleerd met de premies vermeld in artikel 6.4.1/1, eerste lid, 3°, 4°, 5° en 6°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-11-29/03, art. 22, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 6.4.1/2.[1 Bij woongebouwen in gedwongen mede-eigendom komen de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1 en 6.4.1/1/2, toe aan :
   1° de vereniging van mede-eigenaars, voor werkzaamheden aan de gemeenschappelijke delen, waarbij de in artikel 6.4.1/1/1 en artikel 6.4.1/1/2 vermelde maximumpremies per wooneenheid vermenigvuldigd worden met het aantal wooneenheden;
   2° de individuele investeerder, voor werkzaamheden aan de private delen.
   In afwijking van het eerste lid, 2°, kan de vereniging van mede-eigenaars in geval van een gezamenlijke investering en een gezamenlijke factuur en het schriftelijke akkoord van alle individuele investeerders, in hun naam en voor hun rekening, de premie-aanvraag indienen.]1
  ----------
  (1)<BVR 2013-11-29/03, art. 23, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 6.4.1/3.[1 [2 Aan de aangifteplichtige van een nieuwe woning of wooneenheid met E-peileis wordt een premie verleend op basis van het E-peil en de datum van de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning volgens de volgende criteria :
   1° voor woningen :
  

  
datum van de aanvraag tot het verkrijgen van
   de stedenbouwkundige vergunning
E-peil Premie
voor 1 januari 2010 meer dan 60 tot en met 80 400 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 80
 meer dan 40 tot en met 60 1000 euro, verhoogd met 40 euro per E-peilpunt beter dan 60
  
 40 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 meer dan 40 tot en met 60 1000 euro, verhoogd met 40 euro per E-peilpunt beter dan 60
 40 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 meer dan 40 tot en met 50 1400 euro, verhoogd met 40 euro per E-peilpunt beter dan 50
 40 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt beter dan 40
  
vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 40 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 30 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt beter dan 30
vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 20 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt beter dan 20
vanaf 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020 10 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt beter dan 10
vanaf 1 januari 2021 0 of lager 1800 euro, verhoogd met 50 euro per E-peilpunt onder E0

2° voor wooneenheden :
  

  
datum van de aanvraag tot het verkrijgen van
   de stedenbouwkundige vergunning
E-peil Premie
voor 1 januari 2010 meer dan 60 tot en met 80 200 euro, verhoogd met 10 euro per E-peilpunt beter dan 80
 meer dan 40 tot en met 60 400 euro, verhoogd met 20 euro per E-peilpunt beter dan 60
  
 40 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 meer dan 40 tot en met 60 400 euro, verhoogd met 20 euro per E-peilpunt beter dan 60
 40 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 meer dan 40 tot en met 50 600 euro, verhoogd met 20 euro per E-peilpunt beter dan 50
 40 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 40
  
vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 40 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 40
vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 30 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 30
vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 20 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 20
vanaf 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020 10 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt beter dan 10
vanaf 1 januari 2021 0 of lager 800 euro, verhoogd met 30 euro per E-peilpunt onder E0

]2
  [2 Als de nieuwe woning of wooneenheid het gevolg is van een volledige afbraak en heropbouw van één of meerdere bestaande woningen of wooneenheden, worden de premies vermeld in het eerste lid verdubbeld.]2
  Voor woningen en wooneenheden waarvoor een stedenbouwkundige vergunning is aangevraagd voor 1 januari 2012, wordt de premie, vermeld in het eerste lid, verhoogd met 300 euro als er ook een nieuwe zonneboiler [2 met eindfactuurdatum voor 1 januari 2014]2 is geplaatst. De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de zonneboiler of de aannemer die de zonneboiler plaatst moet voldoen om in aanmerking te komen voor de verhoging.
  De premies zijn niet cumuleerbaar met de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<BVR 2013-11-29/03, art. 24, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 6.4.1/4.[1 § 1. [3 Voor beschermde afnemers worden de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1, met 50% verhoogd. Voor beschermde afnemers worden de premies, evenals de maxima, vermeld in artikel 6.4.1/1/1 en artikel 6.4.1/1/2, met 50% verhoogd. Voor beschermde afnemers worden de premies, vermeld in artikel 6.4.1/3, met 20% verhoogd.
   In afwijking van het eerste lid, worden deze verhogingen niet toegepast voor de gevallen vermeld in artikel 6.4.1/2, eerste lid, 1° en tweede lid.]3
  § 2. Aan elke beschermde afnemer die erom verzoekt, biedt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een kortingsbon aan ter waarde van 150 euro voor de aankoop van een nieuwe energiezuinige koelkast of een nieuwe energiezuinige wasmachine.
  Het Vlaams Energieagentschap bepaalt, rekening houdend met de Europese energielabels die aan koelkasten en wasmachines worden toegekend, het minimale kwaliteitslabel waaraan de betreffende toestellen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de kortingsbon.
  § 3. De elektriciteitsdistributienetbeheerder verleent aan elke beschermde afnemer een premie ter waarde van 800 euro voor de plaatsing van een nieuwe individuele condenserende gasgestookte of oliegestookte centraleverwarmingsketel ter vervanging van een oudere verwarmingsinstallatie in een bestaande woning, wooneenheid of woongebouw die voor 1 januari 2006 werden aangesloten op het elektriciteitsdistributienet. De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de nieuwe individuele centraleverwarmingsketels of de plaatsers van deze ketels moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de premie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<BVR 2012-12-21/02, art. 26, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (3)<BVR 2013-11-29/03, art. 25, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 6.4.1/5.[1 § 1. [3 Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder verleent aan investeerders in andere gebouwen dan woningen, wooneenheden of woongebouwen die zijn aangesloten op het elektriciteitsdistributienet, de volgende premies voor energiebesparende werkzaamheden in de betreffende gebouwen :
   1° een premie van 6 euro per vierkante meter nieuw geplaatste dak- of zoldervloerisolatie, op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 3,5 m2K/W bedraagt en de werkzaamheden worden uitgevoerd door een aannemer;
   2° een premie van 3 euro per vierkante meter nieuw geplaatste dak- of zoldervloerisolatie, op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 3,5 m2K/W bedraagt en de werkzaamheden niet worden uitgevoerd door een aannemer;
   3° een premie van 6 euro per vierkante meter nieuw geplaatste spouwmuurisolatie in een buitenmuur;
   4° een premie van 15 euro per vierkante meter nieuw geplaatste isolatie aan de buitenzijde van een buitenmuur;
   5° een premie van 12 euro per vierkante meter nieuw geplaatste glasoppervlakte ter vervanging van enkele beglazing, op voorwaarde dat de nieuw geplaatste beglazing een warmtedoorgangscoëfficiënt U heeft van maximaal 1,1 W/m2K;
   6° een premie van 15 euro per vierkante meter nieuw geplaatste glasoppervlakte ter vervanging van enkele of dubbele beglazing, op voorwaarde dat de nieuw geplaatste beglazing een warmtedoorgangscoëfficiënt heeft van maximaal 0,8 W/m2K;
   7° een premie van 6 euro per vierkante meter nieuw geplaatste vloerisolatie op volle grond of nieuw geplaatste isolatie op het plafond van een kelder of verluchte ruimte onder een verwarmde ruimte, op voorwaarde dat de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minimaal 1,2 m2K/W bedraagt;
   8° een premie van 200 euro per vierkante meter apertuuroppervlakte van nieuw geplaatste thermische zonnecollectoren die voor de productie van sanitair warm water worden gebruikt, tot maximaal 10.000 euro per geplaatste installatie en begrensd tot 50% van de investeringskosten, vermeld op de betreffende facturen;
   9° een premie voor de plaatsing van een nieuwe warmtepomp, tot maximaal 60.000 euro;
   10° een premie van maximaal 20.000 euro voor de energiezuinige aanpassing van de verlichting.]3
  De hoogte van de premie, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt verhoogd met 1 euro/m2 als de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minstens 4 m2K/W bedraagt, en nogmaals met 1 euro/m2 als de warmteweerstand Rd minstens 4,5 m2K/W bedraagt [3 ...]3.
  De hoogte van de premie, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt verhoogd met 0,50 euro/m2 als de warmteweerstand Rd van de nieuw aangebrachte isolatielaag minstens 4 m2K/W bedraagt, en nogmaals met 0,50 euro/m2 als de warmteweerstand Rd minstens 4,5 m2K/W bedraagt [3 ...]3.
  [3 De premiebedragen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 7° evenals 10°, kunnen alleen worden toegekend als het gebouw aangesloten werd op het elektriciteitsdistributienet voor 1 januari 2006. De premiebedragen, vermeld in het eerste lid, 8° en 9°, kunnen alleen worden toegekend als het gebouw aangesloten werd op het elektriciteitsdistributienet voor 1 januari 2014. De premiebedragen, vermeld in het eerste lid, 8° en 9°, kunnen ook worden toegekend als het gebouw aangesloten werd vanaf 1 januari 2014 als aangetoond kan worden dat de aanvraag tot het verkrijgen van hun stedenbouwkundige vergunning dateert van voor 1 januari 2014. De premiebedragen, vermeld in het eerste lid, 3° tot en met 10°, kunnen alleen worden toegekend als de werkzaamheden worden uitgevoerd door een aannemer.]3
  De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de werkzaamheden, producten en installaties, vermeld in het eerste lid, of de uitvoerders respectievelijk plaatsers van deze werkzaamheden, producten en installaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de premies.
  De minister stelt de hoogte van de premie, vermeld in het eerste lid, 9° tot en met 10°, vast aan de hand van de technische prestaties en het geïnstalleerde vermogen van de installatie.
  § 2. [3 Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder verleent aan investeerders in andere gebouwen dan woningen, wooneenheden of woongebouwen die op datum van de premie-aanvraag minstens 5 jaar oud zijn, een premie als een uitgevoerde energiestudie of energieaudit aantoont dat een investering in het gebouw een belangrijke energiebesparing oplevert in vergelijking met de bestaande situatie en als die investering ook daadwerkelijk is uitgevoerd.
   De premie bedraagt 0,035 euro per bespaarde kWh primaire energie, zoals berekend in de energiestudie of energieaudit, tot maximaal 25.000 euro per project en per jaar, als de terugverdientermijn van de investering langer is dan twee jaar. In geval van nieuwe installaties of uitbreidingen worden alleen de meerkosten en de meerbesparing ten opzichte van de standaardinvestering in rekening gebracht. De elektriciteitsdistributienetbeheerder voert een administratieve controle uit op de energiestudies of de energieaudits die bij een premieaanvraag zijn gevoegd. Het Vlaams Energieagentschap voert steekproefsgewijs inhoudelijke en technische controles uit op de energiestudies of de energieaudits die bij een premieaanvraag zijn gevoegd. De elektriciteitsdistributienetbeheerder houdt bij het verdere beheer van de premieaanvraag, tot zes maanden na de indiening ervan, rekening met de opmerkingen die het Vlaams Energieagentschap gemaakt heeft naar aanleiding van een controle. Als na controle blijkt dat de bespaarde hoeveelheid primaire energie verkeerd is berekend in de energiestudie of in de energieaudit, wordt de steun berekend op basis van de gecorrigeerde hoeveelheid primaire energiebesparing. Als na controle blijkt dat de terugverdientermijn kleiner is dan of gelijk is aan twee jaar, wordt de premie tot 0 euro teruggebracht.]3
  Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vastleggen over de manier waarop [3 ...]3, de terugverdientermijn en de primaire energiebesparing in de energiestudie of energieaudit moeten worden berekend.
  De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de werkzaamheden, producten en installaties of de uitvoerders respectievelijk plaatsers van deze werkzaamheden, producten en installaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de investeringssteun.
  De premie kan niet worden toegekend voor de maatregelen, vermeld in paragraaf 1 en kan niet worden gecumuleerd met andere premies of groenestroomcertificaten, warmtekrachtcertificaten of groenewarmtecertificaten van de Vlaamse overheid voor dezelfde investering. Cumulatie met waarborgen verleend door de Vlaamse overheid of ecologiesteun voor dezelfde investering is wel toegelaten.
  § 3. [3 De beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit verleent aan investeerders in andere gebouwen dan woningen, wooneenheden of woongebouwen, die zijn aangesloten op het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, investeringssteun voor energiebesparende werkzaamheden in de betreffende gebouwen.]3
  De investeringssteun kan alleen worden toegekend als een uitgevoerde energiestudie of energieaudit aantoont dat een investering in het gebouw een belangrijke energiebesparing oplevert in vergelijking met de bestaande situatie, een terugverdientermijn heeft die langer is dan twee jaar en de investering ook daadwerkelijk werd uitgevoerd.
  De investeringssteun is afhankelijk van de berekende terugverdientermijn in de door de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit goedgekeurde energiestudie of energieaudit, waarbij ingeval van nieuwe installaties of uitbreidingen enkel de meerkost en de meerbesparing ten opzichte van de standaardinvestering wordt in rekening gebracht, met een totaal jaarlijks maximum van 200.000 euro per eindafnemer en per site. De afnemer die eigenaar, vruchtgebruiker, huurder of verhuurder is van andere gebouwen dan woningen, wooneenheden of woongebouwen, die zijn aangesloten op het plaatselijk vervoernet van elektriciteit moet de energiestudie of energieaudit, alvorens de investering uit te voeren, ter goedkeuring voorleggen aan de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Indien na controle blijkt dat de bespaarde hoeveelheid primaire energie of de terugverdientermijn verkeerd werd berekend in de energiestudie of energieaudit, wordt de steun toegekend op basis van de gecorrigeerde hoeveelheid primaire energiebesparing en de gecorrigeerde terugverdientermijn. Indien na controle blijkt dat de terugverdientermijn kleiner is dan of gelijk aan twee jaar, wordt de premie niet toegekend. De minister kan de hoogte van de investeringssteun nader bepalen in functie van de goedgekeurde terugverdientermijn.
  De investeringssteun kan niet worden gecumuleerd met andere premies of groenestroomcertificaten, warmtekrachtcertificaten of groenewarmtecertificaten van de Vlaamse overheid voor dezelfde investering. Cumulatie met waarborgen verleend door de Vlaamse overheid of ecologiesteun voor dezelfde investering is wel toegelaten.
  De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan de werkzaamheden, producten en installaties, vermeld in het eerste lid, of de uitvoerders respectievelijk plaatsers van deze werkzaamheden, producten en installaties moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de investeringssteun.
  § 4. In afwijking van paragraaf 1, 2 en 3 wordt de premie niet verleend aan een afnemer die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering een energiebeleidsovereenkomst definitief heeft goedgekeurd, die de afnemer niet heeft ondertekend of die hij niet naleeft.
  § 5. [3 ...]3 ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<BVR 2012-12-21/02, art. 27, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (3)<BVR 2013-11-29/03, art. 26, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 6.4.1/6.[1 [2 De premies, vermeld in artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/1/2, 6.4.1/4 en 6.4.1/5, kunnen nooit hoger zijn dan het factuurbedrag. De datum van de laatste factuur bepaalt de premiebedragen en premievoorwaarden die van toepassing zijn. De premies, vermeld in artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/1, 6.4.1/4 en 6.4.1/5, § 1, kunnen alleen worden uitbetaald voor facturen die zijn gedateerd in de periode van één jaar die voorafgaat aan de datum van de indiening van de aanvraag, waarvan de eindfactuurdatum niet voor 1 januari 2012 ligt of in geval van artikel 6.4.1/1/1 niet voor 1 januari 2014 ligt. De gecombineerde premie vermeld in artikel 6.4.1/1/2 kan alleen worden uitbetaald voor dossiers waarvan de eindfactuur van de laatst uitgevoerde investering gedateerd is in de periode van één jaar die voorafgaat aan de datum van de indiening van de aanvraag. Bovendien moeten, voor de gecombineerde premie vermeld in artikel 6.4.1/1/2, alle ingediende eindfacturen een factuurdatum hebben die niet voor 1 januari 2014 ligt. In geval van een premie als vermeld in artikel 6.4.1/5, § 2, en artikel 6.4.1/5, § 3, wordt de premie pas uitbetaald als de facturen voor de uitgevoerde investeringen die zijn aangegeven in de energiestudie of energieaudit, worden voorgelegd. Deze facturen moeten gedateerd zijn na de datum van uitvoering van de energieaudit of energiestudie en mogen daarenboven maximaal één jaar oud zijn op de datum van de indiening van de factuur, waarbij de factuurdatum evenmin voor 1 januari 2012 ligt.]2
  De aanvraag van de premie, vermeld in artikel 6.4.1/3, wordt ingediend binnen twaalf maanden na de datum van het energieprestatiecertificaat bij de bouw. De premie kan per woning of wooneenheid slechts één keer worden aangevraagd.
  [2 De kortingsbonnen vermeld in artikel 6.4.1/4, § 2, kunnen per uitvoeringsadres maar een keer gedurende een periode van 12 maanden worden aangevraagd per type investering. Bijkomende aanvragen binnen diezelfde periode komen in geen geval in aanmerking voor de kortingsbonnen vermeld in artikel 6.4.1/4, § 2.]2 ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<BVR 2013-11-29/03, art. 27, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 6.4.1/7. [1 Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder biedt op verzoek van een lokaal bestuur ondersteuning bij de planning en implementatie van het beleid op vlak van rationeel energiegebruik van deze lokale besturen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder werkt daarvoor zelfstandig een aanbod uit voor de lokale besturen. Die openbaredienstverplichting bestaat uit :
  1° de voortgangscontrole van de energieboekhouding die het lokale bestuur bijhoudt, waaronder wordt verstaan :
  a) de maandelijkse terugkoppeling van abnormaal verbruik;
  b) de jaarlijkse uitreiking van een rapport met aanbevelingen en vergelijkingen met vergelijkbare gebouwen;
  c) het voorzien in de nodige opleiding voor de gebruikers;
  d) het voorzien in het jaarlijkse onderhoud van de energieboekhoudingssoftware;
  e) de ondersteuning van de gebruikers via een hulplijn;
  2° de ondersteuning van de uitvoering van energieaudits, waaronder wordt verstaan :
  a) een financiële ondersteuning;
  b) een ondersteuning bij het opstellen van lastenboeken;
  c) een ondersteuning bij de interpretatie van auditresultaten;
  3° de begeleiding van de energiezorgsystemen van het lokale bestuur, waaronder wordt verstaan;
  a) de voortgangscontrole van de energieboekhouding, vermeld in 1°;
  b) de ondersteuning van de uitvoering van energieaudits, vermeld in 2°;
  c) organisatorische ondersteuning bij de uitvoering van de energiebesparende investeringen die uit het energiezorgsysteem voortkomen;
  4° het aanbieden van formules van derdepartijfinanciering of andere financieringsmechanismen voor de uitvoering van energiebesparende investeringen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.1/8.[1 De elektriciteitsdistributienetbeheerder laat in 2012 een energiescan uitvoeren per tweehonderd huishoudelijke toegangspunten op het elektriciteitsdistributienet op 1 oktober 2006 als vermeld in bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd. In 2013 laat de elektriciteitsdistributienetbeheerder een energiescan uitvoeren per vierhonderd huishoudelijke toegangspunten op het elektriciteitsdistributienet op 1 oktober 2006 als vermeld in bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd.
  Zowel in 2012 en 2013 als daarna, laat de elektriciteitsdistributienetbeheerder een energiescan uitvoeren in de woning van een van onderstaande afnemers die hierom verzoekt :
  1° een beschermde afnemer;
  2° een afnemer voor wie de elektriciteitsdistributienetbeheerder dan wel de aardgasdistributienetbeheerder een verzoek tot afsluiting van de elektriciteits- dan wel aardgastoevoer bij de lokale adviescommissie indiende met toepassing van artikel 5.3.16 dan wel 5.4.17;
  3° [3 een afnemer met een actieve budgetmeter voor elektriciteit of aardgas;]3
  4° een afnemer die tot de doelgroep van de meest behoeftigen van het Fonds ter reductie van de globale energiekost behoort, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 2 juni 2006 houdende de definitie van de doelgroep van de meest behoeftigen van het Fonds ter reductie van de globale energiekost;
  5° een afnemer die een woning, of woongebouw van een sociale huisvestingsmaatschappij of sociaal verhuurkantoor bewoont.
  [3 6° natuurlijke personen die op basis van hun geregistreerde huurovereenkomst met een looptijd van minstens één jaar een huurprijs van maximaal 450 euro per maand betalen voor de betreffende woning of wooneenheid. Dit bedrag wordt vermeerderd met 50 euro per maand indien het een woning of wooneenheid betreft die gelegen is in een grootstad of een centrumstad, zoals vastgelegd in artikel 4 van het decreet tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van het Vlaams Stedenfonds van 13 december 2002 of die gelegen is in een gemeente die behoort tot het werkgebied van het Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid in Vlaams-Brabant, conform art. 1,
   16°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2011 betreffende de werking en het beheer van het Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant en tot wijziging van diverse besluiten tot uitvoering van de Vlaamse Wooncode.]3
  Het Vlaams Energieagentschap kan nadere bepalingen vastleggen inzake de te ondernemen initiatieven die moeten worden genomen teneinde de prioritaire doelgroep vermeld in het vorige lid te bereiken.
  [2 ...]2
  Elke gemeente bepaalt door wie de energiescans worden uitgevoerd. De energiescans kunnen worden uitgevoerd door gemeentepersoneel, door personeel van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, of door derden. De elektriciteitsdistributienetbeheerder zorgt onder meer voor de aankoop van het materiaal voor de uitvoering van de maatregelen van de energiescan, voor de opleiding van de personen die de energiescans uitvoeren, voor de verdere ondersteuning van die personen en voor de terbeschikkingstelling van de software die gebruikt moet worden bij de uitvoering van de energiescans.
  Het Vlaams Energieagentschap legt de minimumvereisten vast waaraan een energiescan moet voldoen.
  Dit artikel is niet van toepassing op elektriciteitsdistributienetbeheerders die minder dan 2500 eindafnemers hebben.]1
  [3 Teneinde een goede praktische uitvoering van de aan de elektriciteitsdistributienetbeheerders in dit artikel opgelegde openbaredienstverplichtingen te garanderen, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of diens werkmaatschappij gegevens over de in aanmerking komende afnemers, zoals bepaald in punt 1 tot en met 3 van het tweede lid, verstrekken aan een uitvoerder van energiescans.
   Onverminderd de toepassing van de Wet van 8 december 1992 voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, sluit de elektriciteitsdistributienetbeheerder of diens werkmaatschappij voorafgaandelijk aan de verstrekking van deze gegevens met de uitvoerder van de energiescans een schriftelijke overeenkomst waarmee deze laatste zich ertoe verbindt de verstrekte gegevens enkel te gebruiken met als doel het aanbieden van een energiescan en de uitvoering van dak- of zoldervloerisolatie, vermeld in artikel 6.4.1/9.
   De gegevensverstrekking gebeurt bij middel van een minstens elke drie maanden te actualiseren lijst die maximaal volgende gegevens bevat over de afnemers, vermeld in het zevende lid, uit het werkingsgebied van de uitvoerder van energiescans : naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres, datum en type van eventueel eerder uitgevoerde energiescans, categorie afnemer, huurder of eigenaar.]3
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<BVR 2012-09-07/13, art. 14, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>
  (3)<BVR 2013-11-29/03, art. 28, 021; Inwerkingtreding : 29-12-2013>

  Art. 6.4.1/9.[1 De elektriciteitsdistributienetbeheerder ondersteunt, rekening houdend met de middelen ingeschreven op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en de met toepassing van het tweede lid door de minister vastgelegde gefaseerde aanpak, de planning en de uitvoering van dak- of zoldervloerisolatie in [3 woningen, wooneenheden of woongebouwen]3 die door volgende categorieën van afnemers worden gehuurd :
  1° een beschermde afnemer;
  2° een afnemer voor wie de elektriciteitsdistributienetbeheerder dan wel de aardgasdistributienetbeheerder een verzoek tot afsluiting van de elektriciteits- dan wel aardgastoevoer bij de lokale adviescommissie indiende met toepassing van artikel 5.3.16 dan wel 5.4.17;
  3° [2 een afnemer met een actieve budgetmeter voor elektriciteit of aardgas;]2
  4° een afnemer die tot de doelgroep van de meest behoeftigen van het Fonds ter reductie van de globale energiekost behoort, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 2 juni 2006 houdende de definitie van de doelgroep van de meest behoeftigen van het Fonds ter reductie van de globale energiekost;
  [2 5° een afnemer die een [3 woning, wooneenheid of woongebouw]3 verhuurd door een sociaal verhuurkantoor bewoont;]2
  [3 6° natuurlijke personen die op basis van hun geregistreerde huurovereenkomst met een looptijd van minstens één jaar een huurprijs van maximaal 450 euro per maand betalen voor de betreffende woning of wooneenheid. Dit bedrag wordt vermeerderd met 50 euro per maand indien het een woning of wooneenheid betreft die gelegen is in een grootstad of een centrumstad, zoals vastgelegd in artikel 4 van het decreet tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van het Vlaams Stedenfonds van 13 december 2002 of die gelegen is in een gemeente die behoort tot het werkgebied van het Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid conform art. 1, 16°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2011 betreffende de werking en het beheer van het Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant en tot wijziging van diverse besluiten tot uitvoering van de Vlaamse Wooncode.]3
  De openbaredienstverplichting bestaat uit een volledige trajectbegeleiding inclusief financiële ondersteuning voor de realisatie van dak- of zoldervloerisolatie. De woning, wooneenheid of het woongebouw moet voor 1 januari 2006 zijn aangesloten op het elektriciteitsdistributienet. De minister kan nadere regels bepalen inzake de gefaseerde aanpak van de doelgroep, de te zetten stappen in de trajectbegeleiding evenals inzake de financiële ondersteuning.]1
  [3 In afwijking van het eerste lid komen sociale huisvestingsmaatschappijen niet in aanmerking.]3
  [3 In afwijking van het eerste lid komen wooneenheden die niet op de hoogste verdieping onder het dak of onder een onbewoonde zolder van een woongebouw gelegen zijn niet in aanmerking voor de ondersteuning.]3
  [3 In afwijking van het eerste lid, 6°, komen huurders die direct of indirect eigenaar of mede-eigenaar zijn van de woning, de wooneenheid of het woongebouw en huurders die de woning of wooneenheid huren van een bloed- of aanverwant tot in de tweede graad niet in aanmerking voor de ondersteuning.]3
  [3 Dit artikel is niet van toepassing op elektriciteitsdistributienetbeheerders die minder dan 2500 eindafnemers hebben.]3
  [3 Teneinde een goede praktische uitvoering van de aan de elektriciteitsdistributienetbeheerders in dit artikel opgelegde openbaredienstverplichtingen te garanderen, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of diens werkmaatschappij gegevens over de in aanmerking komende afnemers, zoals bepaald in punt 1 tot en met 3 van het eerste lid, verstrekken aan een projectpromotor waarmee hij voor de planning en uitvoering van de dak- of zoldervloerisolatie en de begeleiding van de huurder en de verhuurder voor een bepaald werkingsgebied een samenwerkingsovereenkomst sloot.
   Onverminderd de toepassing van de Wet van 8 december 1992 voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, sluit de elektriciteitsdistributienetbeheerder of diens werkmaatschappij voorafgaandelijk aan de verstrekking van deze gegevens met de projectpromotor, vermeld in het vorige lid, een schriftelijke overeenkomst waarmee deze laatste zich ertoe verbindt de verstrekte gegevens enkel te gebruiken met als doel het aanbieden van trajectbegeleiding inclusief financiële ondersteuning voor de realisatie van dak- of zoldervloerisolatie.
   De gegevensverstrekking gebeurt bij middel van een minstens elke drie maanden te actualiseren lijst die maximaal volgende gegevens bevat over de afnemers, vermeld in het zevende lid, die in het werkingsgebied van de projectpromotor een woning huren zonder dakisolatie : naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres, datum en type van eventueel eerder uitgevoerde energiescans, categorie afnemer. In het geval er in een bepaald werkingsgebied meerdere projectpromotoren actief zijn, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of diens werkmaatschappij beslissen om het aantal in aanmerking komende afnemers uit de lijst over het aantal projectpromotoren te spreiden.]3
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<BVR 2012-09-07/13, art. 15, 012; Inwerkingtreding : 26-10-2012>
  (3)<BVR 2013-11-29/03, art. 29, 021; Inwerkingtreding : 29-12-2013>

  Art. 6.4.1/10. [1 § 1. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder is verplicht om via sensibilisering en algemene informatieverspreiding de aandacht te vestigen op rationeel energiegebruik. Die sensibilisering verschaft de nodige informatie, zo veel mogelijk afgestemd op de doelgroep, over de energiebesparingsmogelijkheden en de eventuele financiële ondersteuning door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.
  In elk geval organiseert de elektriciteitsdistributienetbeheerder voor de doelgroep beschermde afnemers afgestemde informatiesessies over rationeel energiegebruik.
  § 2. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder biedt op verzoek de volgende REG-activiteiten aan :
  1° de verspreiding van informatiebrochures die de Vlaamse overheid aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter beschikking stelt;
  2° een individueel REG-advies voor huishoudelijke eindafnemers.
  De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt daarvoor per klantenkantoor tijdens de kantooruren een REG-adviseur ter beschikking. De elektriciteitsdistributienetbeheerder wijst ook een REG-adviseur aan die als centraal aanspreekpunt voor de overheid fungeert.
  § 3. De elektriciteitsdistributienetbeheerders kunnen voor de uitvoering van de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, samenwerken met een of meer externe organisaties.
  § 4. De elektriciteitsdistributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit stellen een keer per jaar, op schriftelijk verzoek van een niet-huishoudelijke eindafnemer, alle beschikbare afnamegegevens van de laatste drie jaar binnen twintig werkdagen gratis ter beschikking van de betrokken eindafnemer of van een derde die de eindafnemer heeft aangewezen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.1/11. [1 Voor elk van de acties, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5, stelt het Vlaams Energieagentschap aan de netbeheerders een sjabloon ter beschikking van de aanvraagformulieren die moeten worden gebruikt om de financiële tegemoetkomingen te verkrijgen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Onderafdeling 2. - [1 Financiering]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.1/12.[1 § 1. De kosten voor de actieverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5, artikel 6.4.1/7 en artikel 6.4.1/10, waaronder de kosten van de actieverplichtingen die de vergoedingen vermeld in paragraaf 2, 3 en 4 overschrijden, [2 met uitzondering van de kosten waarvoor andere vergoedingen vanwege de Vlaamse overheid voor diezelfde actieverplichtingen werden ontvangen]2 zijn een financiële openbaredienstverplichting voor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.
  § 2. In afwijking van § 1 wordt voor de uitvoering van de actieverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/4 [2 met uitzondering van de kosten waarvoor andere vergoedingen vanwege de Vlaamse overheid voor diezelfde actieverplichtingen werden ontvangen]2 aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder een vergoeding toegekend.
  De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de vergoeding per elektriciteitsdistributienetbeheerder, vermeld in het eerste lid, door de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor dat jaar beschikbare middelen, te vermenigvuldigen met het aandeel van de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder in het geheel van huishoudelijke toegangspunten op het elektriciteitsdistributienet op 1 oktober 2006 als vermeld in bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd.
  [2 Indien de reële premie-uitgaven voor de actieverplichtingen vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/4, verminderd met de premie-uitgaven waarvoor andere vergoedingen vanwege de Vlaamse overheid voor diezelfde actieverplichtingen werden ontvangen, van een bepaalde elektriciteitsdistributienetbeheerder lager zijn dan de vergoeding berekend met toepassing van het tweede lid, wordt de vergoeding beperkt tot de reële premie-uitgaven verminderd met de premie-uitgaven waarvoor andere vergoedingen vanwege de Vlaamse overheid voor diezelfde actieverplichtingen werden ontvangen. Het bekomen saldo op het door de minister bepaalde totale bedrag aan vergoedingen, wordt als vergoeding herverdeeld naar de elektriciteitsdistributienetbeheerders waarvoor de reële premie-uitgaven voor de actieverplichtingen vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/4, verminderd met de premie-uitgaven waarvoor andere vergoedingen vanwege de Vlaamse overheid voor diezelfde actieverplichtingen werden ontvangen, de vergoeding berekend met toepassing van het tweede lid overschrijden. De minister bepaalt de manier waarop deze herverdeling gebeurt.]2
  § 3. Er wordt voor de uitvoering van de actieverplichting, vermeld in artikel 6.4.1/8, binnen de perken van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare middelen, aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder een forfaitaire vergoeding toegekend van maximaal 200 euro per uitgevoerde energiescan.
  § 4. Er wordt voor de uitvoering van de actieverplichting, vermeld in artikel 6.4.1/9, binnen de perken van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare middelen, aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder een vergoeding toegekend. De minister bepaalt de manier waarop de vergoeding wordt berekend, evenals de hoogte van de vergoeding.
  § 5. Het Vlaams Energieagentschap is belast met de uitbetaling van de vergoedingen, vermeld in paragrafen 2, 3 en 4. De minister kan nadere regels vastleggen voor de uitbetalingsprocedure.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<BVR 2013-11-29/03, art. 30, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Afdeling II.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.2.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.3.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.4.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.5.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.6.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.7.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.8.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.9.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.10.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.11.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.12.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Afdeling III. - Actieverplichtingen voor de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit inzake het gebruik van hernieuwbare energiebronnen

  Onderafdeling I. - Beperking van aansluitingskosten

  Art. 6.4.13.§ 1. De aanvrager van de aansluiting draagt de noodzakelijke kosten voor de aansluiting op het elektriciteitsdistributienet of op het plaatselijk vervoernet van elektriciteit van een installatie voor de productie van hernieuwbare energie op het meest aangewezen aansluitingspunt.
  Onafhankelijk van het uiteindelijk bepaalde aansluitingspunt blijven de kosten voor de aanvrager in elk geval beperkt tot de aansluitingskosten, berekend voor het geval dat de aansluiting gemaakt zou worden op het dichtstbijzijnde punt van het bestaande net op een spanning van minder dan 1 kV als het aansluitingsvermogen kleiner is dan 250 kVA, op een spanning groter dan of gelijk aan 1 kV en kleiner dan 30 kV als het aansluitingsvermogen groter is dan of gelijk is aan 250 kVA en kleiner is dan 25 MVA, op een spanningsniveau van 30 kV of meer als het aansluitingsvermogen 25 MVA of meer bedraagt. Het verschil tussen de te betalen aansluitingskosten en de werkelijke aansluitingskosten, wordt gedragen door de netbeheerder op wiens net de aansluiting gerealiseerd wordt. De kosten die hierdoor ten laste gelegd worden van de netbeheerder, worden beschouwd als kosten tengevolge van de openbaredienstverplichtingen van de netbeheerder als netbeheerder.
  [1 Voor windenergieprojecten die een nieuwe offerte voor netaansluiting aanvragen na 19 oktober 2012 worden de kosten die ten laste gelegd worden van de netbeheerder, beperkt tot een maximum van 56.000 &#65533;/MW. Eventuele kosten boven dit plafond zijn in afwijking van het vorige lid, eveneens ten laste van de aanvrager. Het plafond wordt voor het eerst in 2014 en vervolgens om de twee jaar geëvalueerd rekening houdend met de indicatieve subdoelstellingen voor windenergie, zoals bepaald in uitvoering van het Energiedecreet, artikel 7.1.10, § 2, laatste lid.
   De netbeheerder geeft de aanvrager volledig inzicht in de ligging van het meest aangewezen aansluitingspunt, de berekening van de vermelde kosten en de uitvoeringstermijn van de aansluiting.]1
  § 2. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit dragen alle overige kosten voor de uitbouw van respectievelijk het distributienet en het plaatselijk vervoernet van elektriciteit voor de opname en het transport van de teruggeleverde energie bij een nieuwe aansluiting van een productie-installatie van elektriciteit uit een hernieuwbare energiebron.
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 28, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Onderafdeling II. - Voorrang

  Art. 6.4.14. De netbeheerders en de transmissienetbeheerder verlenen voorrang aan de installatie van de meetapparatuur voor de metingen, vermeld in artikel 6.1.9, § 1, en aan de realisatie van meetapparatuur en aansluitingen van productie-installaties die hernieuwbare energiebronnnen en/of het principe van warmtekrachtkoppeling gebruiken, boven de realisatie van alle andere meetapparatuur en aansluitingen.

  Afdeling IV. - [1 Rapportering van de elektriciteitsdistributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-09-23/12, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Onderafdeling I. - REG-actieplan

  Art. 6.4.15.[1 § 1. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit legt jaarlijks voor 1 mei aan het Vlaams Energieagentschap een ontwerp-REG-rapport voor over de uitvoering van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5 en artikel 6.4.1/7 tot en met 6.4.1/10, van het voorgaande kalenderjaar. De minister legt vast welke gegevens in dat ontwerp-REG-rapport opgenomen worden.
   Het Vlaams Energieagentschap kan alle inlichtingen en gegevens opvragen die nodig zijn voor de uitvoering van de controle.
   § 2. Het Vlaams Energieagentschap beoordeelt voor 1 oktober het ingediende ontwerp-REG-rapport, vermeld in paragraaf 1, en stelt vast of de actieverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5 en artikel 6.4.1/7 tot en met 6.4.1/10, al dan niet door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zijn nageleefd.
   Als het Vlaams Energieagentschap binnen die termijn geen beslissing meedeelt, wordt het ontwerp-REG-rapport goedgekeurd.
   Als de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit het oneens is met de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, kan hij binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving de minister met een aangetekende brief op de hoogte brengen van zijn tegenargumenten. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bij het verstrijken van die termijn geen tegenargumenten heeft geformuleerd, wordt de beslissing als definitief beschouwd.
   De minister neemt binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving van de tegenargumenten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een definitieve beslissing over de onderwerpen waarvoor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit tegenargumenten heeft geformuleerd. De door de minister genomen beslissingen worden toegepast. Als de minister binnen de termijn van dertig kalenderdagen geen beslissing neemt, worden de tegenargumenten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit goedgekeurd.
   De minister legt jaarlijks per mededeling aan de Vlaamse Regering een samenvattend rapport voor aangaande de uitvoering van de actieverplichtingen door de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in het voorgaande kalenderjaar.
   § 3. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder of elke beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit legt per premiecategorie, vermeld in artikel 6.4.1/1 tot en met 6.4.1/5, een overzicht voor van het aantal premies of kortingsbonnen die hij het vorige trimester heeft uitbetaald, evenals van het aantal scans, vermeld in artikel 6.4.1/8 en het aantal uitgevoerde dak- of zoldervloerisolatiedossiers vermeld in artikel 6.4.1/9, die hij in het vorige trimester heeft laten uitvoeren.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-09-23/12, art. 10, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.16.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Onderafdeling II.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.17.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.18.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Onderafdeling III.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.19.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.20.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Afdeling V. - Actieverplichtingen voor de aardgasdistributienetbeheerders

  Art. 6.4.21. De aardgasdistributienetbeheerder stelt een keer per jaar op schriftelijk verzoek van een niet-huishoudelijke eindafnemer van aardgas alle beschikbare afnamegegevens voor de laatste drie jaar gratis binnen twintig werkdagen ter beschikking van de betrokken eindafnemer of van een derde die de eindafnemer heeft aangewezen.

  Art. 6.4.22. De aardgasdistributienetbeheerder brengt de op het aardgasdistributienet aansluitbaar geworden eindafnemers op de hoogte van de mogelijkheid en de voorwaarden tot aansluiting op het aardgasdistributienet.

  Afdeling VI. - Actieverplichtingen voor de leveranciers van elektriciteit

  Art. 6.4.23. § 1. Op elke factuur die gebaseerd is op nieuwe afnamegegevens of op een begeleidend document of, voor niet-huishoudelijke eindafnemers van elektriciteit, op een beveiligde internettoepassing waarnaar op de factuur wordt verwezen, wordt door de leverancier het jaarlijkse elektriciteitsverbruik tijdens de laatste drie jaar op een overzichtelijke manier weergegeven.
  Als de facturen, vermeld in het eerste lid, frequenter dan jaarlijks worden voorgelegd en daartoe afnamegegevens over een kortere afrekeningsperiode worden gebruikt, worden de gegevens van de laatste drie jaar ook per afrekeningsperiode gegeven. De vermelde gegevens per afrekeningsperiode worden zodanig genormaliseerd dat ze altijd onderling vergelijkbaar zijn en betrekking hebben op hetzelfde aantal verbruiksdagen.
  Als de factuur, vermeld in het eerste lid, betrekking heeft op meer dan acht en minder dan veertien maanden en de gegevens van de laatste twaalf maanden niet bekend zijn, worden de gegevens, vermeld in het eerste lid, voor de afnemer op laagspanning genormaliseerd naar twaalf maanden, volgens het profiel van de betrokken eindafnemer, vastgelegd door de VREG.
  De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden opgemaakt per meetpunt en voor de totale meetinstallatie waarvoor een afrekening wordt voorgelegd. Voor meetinstallaties die een onderscheid maken in gebruiksperiode, namelijk daggebruik, nachtgebruik of exclusief nachtgebruik, wordt elke teller als een meetpunt beschouwd.
  § 2. Als de leverancier niet over de gegevens, vermeld in paragraaf 1, beschikt, vraagt hij die op bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Behoudens schriftelijk verzet van de eindafnemer verschaffen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, op eenvoudig verzoek van de leverancier, de nodige informatie aan de leverancier. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit beschikken over een periode van twintig werkdagen om die gegevens ter beschikking te stellen.
  § 3. De minister kan voorwaarden vastleggen voor de vorm waarin de gegevens, vermeld in paragrafen 1 en 2, worden verstrekt.

  Art. 6.4.24.
  <Opgeheven bij BVR 2012-12-21/02, art. 29, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.4.24/1. [1 De leverancier van elektriciteit bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder informatie aangaande de beschermde afnemers binnen zijn werkingsgebied.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 13, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Afdeling VII. - Actieverplichtingen voor de leveranciers van aardgas

  Art. 6.4.25. § 1. Op elke factuur die gebaseerd is op nieuwe afnamegegevens of op een begeleidend document of, voor niet-huishoudelijke eindafnemers van aardgas op een beveiligde internettoepassing waarnaar op de factuur wordt verwezen, wordt door de leverancier het jaarlijkse aardgasverbruik tijdens de laatste drie jaar op een overzichtelijke manier weergegeven.
  Als de facturen, vermeld in het eerste lid, frequenter dan jaarlijks worden voorgelegd en daartoe afnamegegevens over een kortere afrekeningsperiode worden gebruikt, worden de gegevens van die laatste drie jaar ook per afrekeningsperiode gegeven.
  Als de factuur, vermeld in het eerste lid, betrekking heeft op meer dan acht en minder dan veertien maanden en de gegevens van de laatste twaalf maanden niet bekend zijn, worden de gegevens, vermeld in het eerste lid, omgerekend naar twaalf maanden, volgens het profiel van de betrokken eindafnemer, vastgelegd door de VREG.
  De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden opgemaakt per meetpunt en voor de totale meetinstallatie waarvoor een afrekening wordt voorgelegd.
  § 2. Als de leverancier niet over de gegevens, vermeld in paragraaf 1, beschikt, vraagt hij die op bij de aardgasdistributienetbeheerder. Behoudens schriftelijk verzet van de eindafnemer verschaft de aardgasdistributienetbeheerder, op eenvoudig verzoek van de leverancier, de nodige informatie aan de leverancier. De aardgasdistributienetbeheerder beschikt over een periode van twintig werkdagen om die gegevens ter beschikking te stellen.
  § 3. De minister kan voorwaarden vastleggen voor de vorm waarin de gegevens, vermeld in paragrafen 1 en 2, worden verstrekt.

  Art. 6.4.25/1. [1 De leverancier van aardgas bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder informatie aangaande de beschermde afnemers binnen zijn werkingsgebied.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-09-23/12, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Afdeling VIII.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 15, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 6.4.26.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 15, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  HOOFDSTUK V. - Energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen

  Afdeling I. - Opmaak en inhoud van de energieplannen en energiestudies

  Art. 6.5.1. Het energieplan en de energiestudie worden opgesteld door aanvaarde energiedeskundige(n), op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van de exploitant. De exploitant stelt de energiedeskundige(n) alle nodige informatie ter beschikking en verleent de nodige medewerking.

  Art. 6.5.2. Een energieplan dat goedgekeurd is in het kader van een energiebeleidsovereenkomst, geldt als conform verklaard energieplan voor de toepassing van dit hoofdstuk.

  Art. 6.5.3. Een energieplan, goedgekeurd in het kader van een energiebeleidsovereenkomst waarin de nieuwe inrichting of de belangrijke wijzigingen aan een inrichting, waarop dit hoofdstuk van toepassing is, zijn opgenomen, geldt als energiestudie voor de toepassing van dit hoofdstuk. De exploitant voegt een kopie van het energieplan bij de vergunningsaanvraag overeenkomstig titel I, hoofdstuk III, artikel 5 van het VLAREM.

  Art. 6.5.4. § 1. Het energieplan bevat tenminste de volgende elementen :
  1° een technische beschrijving van de inrichting;
  2° het gemeten jaarlijkse energiegebruik;
  3° de naam en het adres van de energiedeskundige(n) betrokken bij het opstellen van het energieplan;
  4° de resultaten van een analyse van het specifieke energiegebruik van de inrichting en de identificatie van mogelijke maatregelen om dat specifieke energiegebruik te verminderen;
  5° een oplijsting van de maatregelen, vermeld in 4°;
  6° de volgende elementen voor elk van de bedoelde maatregelen, vermeld in 4°en 5° ;
  a) een technische beschrijving;
  b) de investeringskost;
  c) de jaarlijkse exploitatiekost;
  d) de verwachte energiebesparing;
  e) de jaarlijkse financiële opbrengst door de energiebesparing;
  f) de terugverdientijd;
  g) de interne rentevoet na belastingen;
  7° een lijst van alle maatregelen die overeenkomstig de gegevens vermeld in 6°, een interne rentevoet van minstens 15 % na belastingen hebben;
  8° een chronologisch stappenplan met timing tot implementatie van alle maatregelen, vermeld in 7°, volgens de tijdslimieten, vermeld in titel II, hoofdstuk 4.9, artikel 4.9.2, van het VLAREM;
  9° als het een energieplan betreft dat in het kader van een aanvraag tot hervergunning wordt opgesteld, zal het chronologische stappenplan zodanig worden opgesteld dat alle maatregelen, vermeld in 7°, uitgevoerd worden binnen een termijn van drie jaar.
  § 2. De energiestudie bevat minstens de volgende elementen :
  1° het verwachte jaarlijkse energiegebruik;
  2° de naam en het adres van de energiedeskundige(n) betrokken bij het opstellen van de energiestudie;
  3° een situering van de energie-efficiëntie van de inrichting of onderdeel ervan op basis van een vergelijking met gelijkaardige inrichtingen of onderdelen van inrichtingen die op de markt beschikbaar zijn;
  4° op basis van de situering, vermeld in 3°, een motivering dat de in bedrijf te stellen inrichting de meest energie-efficiënte inrichting is die economisch haalbaar is. De exploitant moet aantonen dat energie-efficiëntereinstallaties die beschikbaar zijn op de markt of dat maatregelen die extra genomen kunnen worden om de energie-efficiëntie van de inrichting te verhogen, een interne rentevoet hebben van minder dan 15 % na belastingen. De exploitant neemt daarvoor in de energiestudie een vergelijkende tabel op waarin voor al de beschikbare energie-efficiëntere installaties en voor de mogelijke extra investeringen ter verbetering van de energie-efficiëntie de volgende gegevens zijn opgenomen :
  a) een beknopte technische beschrijving;
  b) de investeringskost;
  c) de voorziene jaarlijkse exploitatiekosten;
  d) de verwachte energiebesparing ten opzichte van de vooropgestelde installatie;
  e) de jaarlijkse financiële opbrengst door de energiebesparing;
  f) de terugverdientijd;
  g) de interne rentevoet na belastingen.

  Afdeling II. - Conformverklaring van energieplannen

  Art. 6.5.5. § 1. Een energieplan wordt per aangetekende brief voor conformverklaring ingediend bij het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap neemt een beslissing over de conformiteit van het energieplan. Het kan zich bij die taak laten bijstaan door externe experten.
  § 2. Een energieplan is conform als het aan de volgende vereisten voldoet :
  1° het energieplan is ondertekend en gedateerd door de exploitant en een of meer door het Vlaams Energieagentschap aanvaarde energiedeskundigen;
  2° het energieplan is opgesteld volgens de structuur vermeld in artikel 6.5.4;
  3° het energieplan voldoet inhoudelijk aan de bepalingen, vermeld in artikel 6.5.4.
  § 3. Het Vlaams Energieagentschap kan bij onvolledigheid van het dossier en binnen twintig dagen na de dag van de ontvangst van het dossier de exploitant per aangetekende brief vragen om het aan te vullen. De exploitant is verplicht om de informatie zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twintig dagen na de ontvangst van de aangetekende brief aan het Vlaams Energieagentschap te bezorgen.
  § 4. Het Vlaams Energieagentschap bezorgt, per aangetekende brief, zijn gemotiveerde beslissing over de conformiteit van het volledige energieplan aan de exploitant binnen veertig dagen na de dag van de ontvangst van het volledige energieplan. Het Vlaams Energieagentschap kan de termijn voor de beslissing over de conformiteit, bij wijze van een gemotiveerde beslissing, eenmaal verlengen met maximaal dertig dagen. Het brengt de exploitant, per aangetekende brief, op de hoogte van de verlenging van de behandelingstermijn.
  § 5. Als het Vlaams Energieagentschap binnen de termijn, vermeld in paragraaf 4, geen beslissing heeft genomen, wordt het ingediende energieplan als conform beschouwd.
  § 6. De exploitant kan binnen twintig dagen na de dag van de ontvangst van de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, met een aangetekende brief, bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, een gemotiveerd beroep indienen tegen de beslissing, vermeld in paragraaf 4.
  § 7. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu vraagt over het beroep advies aan de gewestelijke milieuvergunningscommissie, vermeld in titel I, hoofdstuk VII, artikel 26, van het VLAREM. Het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie volgt de procedure, vermeld in titel I, hoofdstuk VII, van het VLAREM.
  Bij de beoordeling van het beroep binnen de gewestelijke milieuvergunningscommissie hebben de volgende organen en deskundigen stemrecht :
  1° de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen;
  2° het Vlaams Energieagentschap;
  3° de Vlaamse Milieumaatschappij;
  4° twee externe deskundigen die op grond van hun bijzondere wetenschappelijke of technische bekwaamheid zijn aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu.
  § 8. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu doet binnen drie maanden na de dag van de ontvangst van het beroep een uitspraak, bezorgt die aan het Vlaams Energieagentschap, en per aangetekende brief aan de exploitant.
  § 9. Als de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu binnen een termijn van drie maanden na de dag van de ontvangst van het beroep geen uitspraak heeft gedaan, wordt het betreffende energieplan als conform beschouwd.

  Afdeling III. - Aanvaarding van energiedeskundigen

  Art. 6.5.6. § 1. Het Vlaams Energieagentschap is bevoegd voor het aanvaarden van energiedeskundigen.
  § 2. De energiedeskundigen voldoen minstens aan de volgende vereisten :
  1° ze mogen geen deel uitmaken van het bedrijfspersoneel van de inrichting waarvoor ze een energieplan of een energiestudie opstellen;
  2° ze bezitten een grondige technische en bedrijfseconomische kennis van de te onderzoeken inrichting.
  § 3. De minister kan de verdere procedure voor de aanvaarding van de energiedeskundigen vastleggen.

  Afdeling IV. - Actualisering van het energieplan

  Art. 6.5.7. § 1. De conformiteit van het energieplan geldt voor een periode van vier jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het Vlaams Energieagentschap het conform heeft verklaard.
  § 2. De exploitant bezorgt minstens drie maanden voor de conformiteit van het lopende energieplan vervalt, aan het Vlaams Energieagentschap een aanvraag tot conformverklaring van een geactualiseerd energieplan.
  § 3. Het geactualiseerde energieplan voldoet aan de vereisten van artikel 6.5.4, § 1, en wordt aangevuld met de volgende onderdelen :
  1° een overzicht van de uitvoering van de maatregelen uit het vorige energieplan met de vermelding van hun effecten op het vlak van energiegebruik en CO2-emissies;
  2° een lijst met eventuele wijzigingen aan het vorige energieplan.
  Gegevens die al werden opgenomen in het vorige conform verklaarde energieplan en in de tussentijd niet gewijzigd zijn, hoeven niet herhaald te worden in het geactualiseerde energieplan. Een verwijzing naar die gegevens in het geactualiseerd energieplan volstaat.
  § 4. Het Vlaams Energieagentschap neemt een beslissing over de conformiteit van het energieplan volgens de bepalingen in artikel 6.5.1, 6.5.4 en 6.5.5. Vanaf de datum van de conformverklaring vervangt het geactualiseerde energieplan het vorige energieplan.

  Afdeling V. - Overzichtrapport van de overheid

  Art. 6.5.8. § 1. Het Vlaams Energieagentschap maakt jaarlijks een overzichtsrapport over de uitvoering van dit hoofdstuk.
  § 2. Het overzichtsrapport bevat volgende elementen :
  1° het totale aantal beoordeelde energieplannen en energiestudies tijdens het vorige kalenderjaar;
  2° een overzicht van het aantal conform verklaarde energieplannen en energiestudies;
  3° de verwachte totale energiebesparing als gevolg van de energiestudies;
  4° op basis van de geactualiseerde energieplannen een overzicht van de al uitgevoerde maatregelen uit de vorige energieplannen met de vermelding van hun effecten op vlak van energiegebruik en CO2-emissies;
  5° een algemene evaluatie van de uitvoering van dit hoofdstuk.

  TITEL VII. - Tegemoetkomingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en de toepassing van flexibiliteitsmechanismen

  HOOFDSTUK I. [1 - Gemeenschappelijke bepalingen.]1
  ----------
  (1)<Opnieuw opgenomen bij BVR 2013-09-13/31, art. 4, 017; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.1.1.[1 In overeenstemming met artikel 8.7.2. § 2, derde lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009 worden de maximumpercentages voor tegemoetkomingen aan ondernemingen in artikel 8.7.2, § 2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 aangepast aan de Europese kaderregeling voor staatssteun ten behoeve van het milieu die werd vervangen door de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor het milieu (Publicatieblad van 1 april 2008, C 82) .
   In afwijking van artikel 8.7.2, § 2, eerste en tweede lid van het Energiedecreet, kunnen de tegemoetkomingen voor hernieuwbare energie, energiebesparing en warmtekrachtkoppeling-installaties die ter uitvoering van titel VIII van het Energiedecreet van 8 mei 2009 worden toegekend aan kleine ondernemingen maximaal 80 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. Als de onderneming een middelgrote onderneming is kunnen die tegemoetkomingen maximaal 70 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. Als de onderneming een grote onderneming is kunnen die tegemoetkomingen maximaal 60 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. In het geval van een inschrijvingsprocedure kunnen de tegemoetkomingen maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.
   In afwijking van artikel 8.7.2, § 2, eerste en tweede lid van het Energiedecreet, kunnen de tegemoetkomingen voor stadsverwarming met conventionele energiebronnen die ter uitvoering van titel VIII van het Energiedecreet van 8 mei 2009 worden toegekend aan kleine ondernemingen maximaal 70 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. Als de onderneming een middelgrote onderneming is kunnen die tegemoetkomingen maximaal 60 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. Als de onderneming een grote onderneming is kunnen die tegemoetkomingen maximaal 50 % van de in aanmerking komende kosten bedragen. In het geval van een inschrijvingsprocedure kunnen de tegemoetkomingen maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.]1
  ----------
  (1)<Opnieuw opgenomen bij BVR 2013-09-13/31, art. 4, 017; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.1.2.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 7.1.3.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 7.1.4.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 7.1.5.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 7.1.6.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 7.1.7.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 7.1.8.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 7.1.9.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 7.1.10.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 7.1.11.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 7.1.12.
  <Opgeheven bij BVR 2011-09-23/12, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  HOOFDSTUK II. - Steunprogramma's voor niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen

  Afdeling I. - Toekenning van een subsidie voor de plaatsing van micro-WKK's en warmtepompen

  Art. 7.2.1. Een subsidie voor de plaatsing van micro-WKK of warmtepompen wordt toegekend aan niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen.
  Tot een maximumsteunbedrag van 200.000 euro per kalenderjaar voor alle aanvragers samen en als de kredieten van het Energiefonds zover strekken, wordt een subsidie toegekend van 20 % van de kosten van de projecten voor de plaatsing van micro-WKK of warmtepompen.
  Het Vlaams Energieagentschap maakt bekend binnen welke periode de aanvragen ingediend kunnen worden.

  Art. 7.2.2. Als micro-WKK worden de warmtekrachtinstallaties beschouwd met een maximumcapaciteit van 50 kilowatt nominaal elektrisch vermogen.
  Bij micro-WKK wordt de subsidie alleen toegekend voor warmtekrachtinstallaties die voldoen aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in artikel 6.2.1.tot en met 6.2.19.
  De plaatsing van warmtepompen komt alleen in aanmerking voor subsidiëring als de warmtepomp niet gebruikt kan worden voor koeling en indien voor de vermelde categorieën de coëfficiënt of performance (COP), gemeten volgens EN14511, EN255 of CETIAT, onder de vermelde condities hoger is dan of gelijk is aan :
  1° 4,0 voor bodem/water warmtepompen (brontemperatuur 0, afgiftetemperatuur 35);
  2° 4,5 voor water/water warmtepompen (brontemperatuur 10, afgiftetemperatuur 35);
  3° 3,6 voor lucht/water warmtepompen (brontemperatuur 7, afgiftetemperatuur 35);
  4° 3,4 voor lucht/lucht warmtepompen (brontemperatuur 7, afgiftetemperatuur 20);
  5° 3 voor directverdamping/water warmtepompen (brontemperatuur -5, afgiftetemperatuur 35);
  6° 4 voor directverdamping/directcondensatie warmtepompen (brontemperatuur -5, afgiftetemperatuur 35).
  Ook warmtepompen die warmte onttrekken aan ventilatielucht, of warmtepompen voor de productie van sanitair warm water komen in aanmerking voor subsidiëring.
  Alleen installaties die geplaatst worden in wettelijk vergunde gebouwen die volledig op het grondgebied van het Vlaamse Gewest liggen, komen in aanmerking voor subsidiëring.

  Art. 7.2.3. De begunstigden van de subsidie moeten beschikken over een eigendomstitel, een geregistreerd huurcontract, erfpacht, recht van opstal of een gelijkwaardig document met betrekking tot het betreffende gebouw.

  Art. 7.2.4. De subsidieaanvraag wordt ingediend bij het Vlaams Energieagentschap door middel van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld aanvraagformulier. De projectkosten worden aangetoond door middel van facturen. Alleen facturen die dateren van na de subsidieaanvraag komen in aanmerking.
  Het Vlaams Energieagentschap rangschikt de aanvragen in volgorde van indienen.
  De projecten die het eerst gerangschikt staan, worden gesubsidieerd tot het maximumsteunbedrag van 200.000 euro voor het betreffende kalenderjaar bereikt is. De resterende aanvragen worden doorgeschoven naar de volgende indieningsronde en daar opnieuw gerangschikt, samen met de nieuwe aanvragen.

  Art. 7.2.5. De subsidie kan tot maximaal 100 % van de kosten van het project worden gecumuleerd met andere steun.

  Art. 7.2.6. De begunstigde van de subsidie vermeldt in de mondelinge en schriftelijke communicatie over het project altijd dat het is opgezet met de steun van de Vlaamse overheid

  Afdeling II. - Toekenning van subsidies aan sociale verhuurkantoren voor de uitvoering van energiebesparende investeringen in residentiële gebouwen

  Art. 7.2.7.
  <Opgeheven bij BVR 2012-09-07/13, art. 16, 012; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 7.2.8.
  <Opgeheven bij BVR 2012-09-07/13, art. 16, 012; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 7.2.9.
  <Opgeheven bij BVR 2012-09-07/13, art. 16, 012; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 7.2.10.
  <Opgeheven bij BVR 2012-09-07/13, art. 16, 012; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 7.2.11.
  <Opgeheven bij BVR 2012-09-07/13, art. 16, 012; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 7.2.12.
  <Opgeheven bij BVR 2012-09-07/13, art. 16, 012; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 7.2.13.
  <Opgeheven bij BVR 2012-09-07/13, art. 16, 012; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Afdeling III. - Toekenning van subsidies aan energieconsulentenprojecten

  Onderafdeling I. - Toepassingsgebied

  Art. 7.2.14. Binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen of de middelen die door de minister daartoe, na beslissing van de Vlaamse Regering, in het Energiefonds worden gereserveerd, kan overeenkomstig deze afdeling aan niet-commerciële instellingen steun worden verleend voor energieconsulentenprojecten in het Vlaamse Gewest.
  Ook samenwerkingsverbanden van verschillende niet-commerciële instellingen komen in aanmerking voor steun.

  Onderafdeling II. - Algemene voorwaarden

  Art. 7.2.15. De steun voor een energieconsulentenproject wordt toegekend in de vorm van een subsidie. De subsidie bedraagt per project maximaal 175.000 euro op jaarbasis.
  § 2. Alleen personeels-, werkings- en investeringskosten die direct en uitsluitend verbonden zijn aan het project, komen in aanmerking voor subsidiëring.
  Personeelskosten kunnen aanvaard worden voor maximaal 2 VTE op jaarbasis. De aanvaarde personeelskosten worden gesubsidieerd voor 100 %. De subsidie voor de werkings- en investeringskosten bedraagt forfaitair 15 % van de subsidie voor de aanvaarde personeelskosten.
  § 3. Een energieconsulentenproject heeft een duur van maximaal drie jaar.

  Onderafdeling III. - Procedure

  Art. 7.2.16. De subsidieaanvraag wordt ingediend na een oproep die bekend wordt gemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  De oproep bevat minstens de volgende elementen :
  1° de te bereiken doelgroepen;
  2° de budgettaire enveloppe;
  3° de activiteiten waarvoor minimaal resultaatsverbintenissen moeten worden behaald;
  4° de minimale rapporteringsvereisten;
  5° de uiterste indieningsdatum;
  6° de beoordelingscriteria en de weging ervan;
  7° de beoordelingsprocedure en de wijze van jurering;
  8° de minimumscore die behaald moet worden.
  De promotoren dienen de aanvraag tot het verkrijgen van de subsidie in met de documenten die daarvoor ter beschikking worden gesteld op de website van het Vlaams Energieagentschap

  Art. 7.2.17. Het Vlaams Energieagentschap beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvragen aan de hand van volgende criteria :
  1° de promotor is een niet-commerciële instelling;
  2° de aanvraag werd ingediend op de daarvoor voorziene formulieren;
  3° de aanvraag is volledig en correct ingevuld;
  4° de aanvraag werd tijdig ingediend.
  De promotor van wie het aanvraagdossier ontvankelijk is, wordt daarvan binnen een week na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht.
  De promotor van wie het aanvraagdossier niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen een week na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om alsnog binnen een termijn van tien dagen vanaf de datum van de kennisgeving de aanvraag te vervolledigen.

  Onderafdeling IV. - Beoordelingscriteria

  Art. 7.2.18. De ontvankelijke subsidieaanvragen worden door het Vlaams Energieagentschap individueel getoetst aan de criteria, vermeld in artikel 7.2.19.

  Art. 7.2.19. § 1. De volgende criteria worden bij de beoordeling van de subsidieaanvraag gehanteerd :
  1° de mate waarin het project inspeelt op de beleidsaccenten in de oproep;
  2° de deskundigheid en opgedane kennis van de promotor met betrekking tot het thema van de oproep;
  3° de mate waarin de promotor via zijn huidige werking één of meer van de doelgroepen, vermeld in de oproep, bereikt en activeert;
  4° de gevraagde subsidie voor het energieconsulentenproject.
  § 2. Het Vlaams Energieagentschap maakt een rangschikking op van alle aanvragen met per aanvraag een gemotiveerd advies.
  § 3. Tot de budgettaire enveloppe voor de oproep opgebruikt is, sluit de minister met de best gerangschikte promotoren van wie de subsidieaanvraag minstens de minimumscore behaalde een subsidieovereenkomst. Vooraleer de subsidieovereenkomsten worden ondertekend, worden ze per mededeling voorgelegd aan de Vlaamse Regering.
  De subsidieovereenkomst bevat minstens de volgende elementen :
  1° begunstigde;
  2° toegekend steunbedrag;
  3° resultaatsverbintenis;
  4° looptijd;
  5° uitbetalingsvoorwaarden;
  6° toezicht en controle;
  7° rapporteringsvoorwaarden;
  8° mogelijkheid tot het vervroegd stopzetten van het project indien uit de opvolging zou blijken dat de uitvoering ervan niet voldoet aan de bepalingen van de subsidieovereenkomst.
  De minister bezorgt een gemotiveerde beslissing aan de promotoren die vanwege de rangschikking van hun aanvraag niet in aanmerking komen voor een subsidie.

  Onderafdeling V. - Uitbetaling van de subsidie

  Art. 7.2.20. De subsidie wordt als volgt uitbetaald :
  1° een eerste schijf van 40 % van de subsidie wordt uitbetaald na ondertekening van de subsidieovereenkomst en na indiening van een schuldvordering bij het Vlaams Energieagentschap;
  2° een tweede schijf van 25 % wordt uitbetaald na :
  a) indiening van een schuldvordering;
  b) ontvangst door het Vlaams Energieagentschap van een vorderingsverslag nadat een derde van de projecttermijn verlopen is. Dat vorderingsverslag bevat een gedetailleerd overzicht van de realisatie van de resultaatsverbintenis;
  3° een derde schijf van 25 % wordt uitbetaald na :
  a) indiening van een schuldvordering;
  b) ontvangst door het Vlaams Energieagentschap van een vorderingsverslag nadat twee derde van de projecttermijn verlopen is. Dat vorderingsverslag bevat een gedetailleerd overzicht van de realisatie van de resultaatsverbintenis;
  4° het saldo wordt uitbetaald nadat de looptijd, vermeld in artikel 7.2.19, § 3, 4° is verstreken en na :
  a) indiening van een schuldvordering bij het Vlaams Energieagentschap;
  b) indiening van een verklaring op erewoord van eer van de promotor dat de ingediende kosten niet gesubsidieerd werden of zullen worden door andere subsidieverstrekkers;
  c) goedkeuring door het Vlaams Energieagentschap van het eindverslag, met inbegrip van het financiële verslag.

  Afdeling IV. [1 - Rentesubsidie voor de leningen toegestaan aan de Lokale Entiteiten die een overeenkomst hebben gesloten met het Fonds ter reductie van de globale energiekost]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-03-02/09, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 14-04-2012>

  Art. 7.2.21.[1 Er wordt aan Lokale Entiteiten een tegemoetkoming verleend in de vorm van een rentesubsidie op de leningen die door het Fonds ter reductie van de globale energiekost aan de Lokale Entiteiten worden toegekend.
   [2 De rentesubsidie wordt alleen verleend voor de leningen die door het Fonds ter reductie van de globale energiekost aan de Lokale Entiteiten worden toegekend en die als doel hebben om leningen toe te staan van Lokale Entiteiten aan een van de volgende personen :
   1° natuurlijke personen die behoren tot de doelgroep, vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 2 juni 2006 houdende de definitie van de doelgroep van de meest behoeftigen van het Fonds ter reductie van de globale energiekost;
   2° natuurlijke personen die een of meer woningen verhuren aan een SVK, die op zijn beurt de betreffende woning of woningen doorverhuurt aan een natuurlijk persoon die behoort tot de doelgroep, vermeld in artikel 1 van het voormelde koninklijk besluit en die de betreffende woning ook bewoont.
   In afwijking van het eerste lid, wordt geen rentesubsidie verleend voor de leningen die worden toegekend voor de financiering van fotovoltaïsche zonnepanelen.
   In het geval het eerste lid, 2°, wordt toegepast, legt het Fonds ter reductie van de globale energiekost bij haar schuldvordering, bedoeld in artikel 7.2.22, tweede lid, een document voor waarin de eigenaar van de betrokken woning of woningen het engagement aangaat om deze minstens nog gedurende de looptijd van de lening via een sociaal verhuurkantoor te verhuren.]2
   De rentesubsidie is gelijk aan het interestpercentage dat is vastgelegd in de overeenkomst die tussen het Fonds ter reductie van de globale energiekost en de Lokale Entiteit wordt gesloten.
   Lokale Entiteiten die de rentesubsidie willen genieten, mogen echter het interestpercentage, vermeld in het derde lid, niet doorrekenen in de leningen die ze verstrekken aan natuurlijke personen die behoren tot de doelgroep en waarvoor de rentesubsidie, vermeld in het tweede lid, kan worden verkregen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-03-02/09, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 14-04-2012>
  (2)<BVR 2012-09-07/09, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 19-10-2012>

  Art. 7.2.22.[1 De rentesubsidie wordt trimesterieel aan het Fonds ter reductie van de globale energiekost betaald, op voorwaarde dat het Fonds ter reductie van de globale energiekost aantoont dat door de Lokale Entiteit aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.2.21, [2 tweede, derde, vierde en zesde lid]2, is voldaan.
   Na elk trimester legt het Fonds ter reductie van de globale energiekost een schuldvordering voor aan het Vlaams Energieagentschap, dat nagaat of aan alle bepalingen van deze afdeling is voldaan. Als aan alle voorwaarden is voldaan, betaalt het Vlaams Energieagentschap het verschuldigde bedrag uit.
   De minister kan nadere regels bepalen voor de aanvraag-, terugvorderings- en uitbetalingsprocedure van de rentesubsidie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-03-02/09, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 14-04-2012>
  (2)<BVR 2012-09-07/09, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 19-10-2012>

  HOOFDSTUK III. - Marktintroductieprogramma

  Art. 7.3.1.§ 1. Binnen de grenzen van de daartoe op de begroting uitgetrokken kredieten, en onder de door de minister bepaalde voorwaarden, worden tegemoetkomingen die tot 50 % van de kosten ervan kunnen dekken toegekend voor demonstratieprojecten inzake rationeel energieverbruik die een nieuwe verwezenlijking in Vlaanderen betekenen en commercialisering- en rendabiliteitsvooruitzichten bieden.
  § 2. Binnen de grenzen van de daartoe op de begroting uitgetrokken kredieten, en onder de door de minister bepaalde voorwaarden, worden tegemoetkomingen toegekend voor de ontwikkeling van nieuwe procedés of producten die bijzonder belangrijk zijn voor de sectoren die veel energie verbruiken.
  § 3. De natuurlijke personen of rechtspersonen die van een in paragraaf 1 en 2 vermelde aanmoedigingsmaatregel hebben genoten, mogen in geen geval een nieuwe tegemoetkoming voor hetzelfde type van investering aanvragen.
  § 4. [1 De minister kan de hoogte van de steunintensiteit, vermeld in § 1 en 2, bepalen. De minister bepaalt de nadere regels betreffende het indienen en het onderzoek van de aanvragen tot het verkrijgen van een subsidie en de nadere regels betreffende de uitvoering, de uitbetaling, de opvolging en de controle van de toegekende subsidies.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-09-23/12, art. 19, 005; Inwerkingtreding : 31-10-2011>

  HOOFDSTUK IV. [1 - Ondersteuning van nuttige groene warmte]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/31, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Afdeling I. - [1 Algemene bepalingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/31, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.4.1. [1 § 1. Onder de voorwaarden vermeld in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening en in dit besluit wordt steun toegekend aan nuttige-groenewarmte-installaties met een bruto thermisch vermogen van meer dan 1 MW gelegen in het Vlaamse gewest voor zover er voor die installatie geen groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten werden toegekend of kunnen worden toegekend.
  De steun bedraagt maximaal 1 miljoen EUR per investeringsproject. De Vlaamse Regering kan hiervan afwijken indien rekening houdend met dit maximum het voorziene budget niet volledig benut zou worden.
  De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale steun op basis van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor dat jaar ingeschreven middelen.
  § 2. De steun wordt toegekend in de vorm van een investeringssubsidie en toegewezen via een call-systeem.
  De minister lanceert minstens om de zes maanden een call.
  De minister bepaalt per call het maximale steunbedrag waarvoor projecten kunnen geselecteerd worden. De call wordt voorafgaandelijk als mededeling aan de Vlaamse Regering voorgelegd.
  § 3. Per call kan hoogstens één steunaanvraag per installatie worden ingediend.
  § 4. Wanneer door een uitbreiding van een steungerechtigde nuttige-groenewarmte-installatie een bijkomende capaciteit voor de productie van nuttige groene warmte van meer dan 1 MW wordt bekomen, kan deze uitbreiding, mits deze voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 7.4.2, in aanmerking komen als nieuwe nuttige-groenewarmte-installatie. De nuttige groene warmte geleverd door deze nieuwe nuttige-groenewarmte-installatie moet gemeten worden met behulp van meetapparatuur die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 7.4.2, § 2.
  § 5. Het steunmechanisme en de steunhoogte worden in 2015, en vervolgens om de twee jaar, geëvalueerd voor wat betreft nieuw in te dienen steunaanvragen.
  § 6. Projecten die niet in aanmerking komen voor de toekenning van de steun omwille van een uitputting van het door de minister bepaalde maximale steunbedrag, vermeld in paragraaf 2, kunnen altijd bij een volgende call een nieuwe principeaanvraag als vermeld in artikel 7.4.3, indienen. Zij kunnen daarbij de reeds ingediende principeaanvraag herbevestigen, indien de gegevens nog actueel zijn. In dat geval blijft als indientijdstip het tijdstip behouden waarop de eerste principeaanvraag ontvankelijk werd verklaard.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/31, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Afdeling II. - [1 De voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/31, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.4.2. [1 § 1. In afwijking van artikel 7.4.1, § 1, eerste lid wordt de steun niet verleend aan een aanvrager die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering een energiebeleidsovereenkomst definitief heeft goedgekeurd, en die de aanvrager niet heeft ondertekend of die hij niet naleeft.
  Warmte die wordt toegepast voor het aandrijven van een absorptiekoelmachine wordt in geen geval beschouwd als nuttige groene warmte.
  Er kan geen steun worden toegekend aan nuttige-groenewarmte-installaties die gebruik maken van directe luchtverwarming voor de verwarming van gebouwen, die geen woon- of kantoorgebouwen zijn.
  De steun wordt alleen toegekend aan installaties waarvoor de uitgaven gerelateerd aan de bouw of aan de vernieuwing van de installatie dateren van na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap, met betrekking tot de toekenning van steun aan de installatie in kwestie volgens 7.4.3, § 2 of aan bestaande installaties die een nieuwe principeaanvraag indienen volgens artikel 7.4.3, § 4, tweede lid. Ook als ze dateren van voor de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap worden uitgaven gerelateerd aan ontwerp, engineering, of vergunningsaanvragen wel beschouwd als in aanmerking komende kosten, maar enkel voor zover ze dateren van na de principeaanvraag. De minister kan, afhankelijk van de gebruikte productietechnologie, nadere regels vastleggen om te bepalen of een installatie als vernieuwd beschouwd kan worden.
  Indien de aanvraag gebeurt door een grote onderneming dient de aanvrager aan te tonen dat aan één of meer van de volgende criteria is voldaan :
  a) een wezenlijke toename van de omvang van het project of de activiteit als gevolg van de steun;
  b) een wezenlijke toename van de reikwijdte van het project of de activiteit als gevolg van de steun;
  c) een wezenlijke toename van de totale uitgaven van de begunstigde voor het project of de activiteit als gevolg van de steun;
  d) een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het betrokken project of de betrokken activiteit wordt voltooid.
  De minister kan nadere regels vastleggen om te bepalen of een aanvraag aan deze criteria voldoet.
  De steun wordt in geval van projecten waarbij biomassa verbrand wordt alleen toegekend voor projecten waarvoor de milieuvergunning is aangevraagd na 1 juli 2012.
  De steun wordt alleen toegekend indien de in de installatie gebruikte vaste biomassa niet afkomstig is uit bepaalde gebieden die ook met betrekking tot vloeibare biomassa uitgesloten zijn, zoals bedoeld in artikel 6.1.16, § 1/3, § 1/4, 1° en § 1/5.
  § 2. De aanvrager die van de steun wil genieten, voorziet zijn installatie van de nodige meetapparatuur om permanent de nuttige groene warmte te meten, tenzij anders bepaald door het Vlaams Energieagentschap. De nuttige groene warmte wordt zo kort mogelijk bij de plaats van nuttige aanwending gemeten. Als er een noodkoeler of buffervat in het circuit is opgesteld, wordt de meting uitgevoerd voorbij de noodkoeler en het buffervat.
  De meetapparatuur, vermeld in het eerste lid, de meetopstelling en de toegepaste meetprocedures voldoen aan de terzake geldende internationale en nationale normen. Voor alle meetinstrumenten kan een geldig ijkcertificaat worden voorgelegd, uitgereikt door een bevoegde instantie.
  Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vastleggen betreffende de manier waarop deze metingen uitgevoerd moeten worden.
  § 3. In het geval de aanvrager een onderneming is, wordt de grootte van de onderneming, bepaald in de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen, vastgesteld op basis van een verklaring op erewoord van de onderneming en op basis van de gegevens van de jaaromzet, het balanstotaal en het aantal werkzame personen.
  De gegevens voor de berekening van de jaaromzet, het balanstotaal en het aantal werkzame personen worden vastgesteld op basis van de laatste jaarrekening die bij de Nationale Bank van België is neergelegd voor de indieningsdatum van de steunaanvraag, en die beschikbaar is via een centrale databank.
  Om de omzet te berekenen, wordt een boekjaar van meer of minder dan twaalf maanden herberekend tot een periode van twaalf maanden.
  Voor ondernemingen die geen jaarrekening moeten opmaken, worden de gegevens voor de berekening van de jaaromzet vastgesteld op basis van de laatste aangifte bij de directe belastingen voor de indieningsdatum van de steunaanvraag. De gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen worden in dat geval vastgesteld aan de hand van het aantal werknemers die in de onderneming waren tewerkgesteld gedurende de laatste vier kwartalen die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan attesteren voor de indieningsdatum van de steunaanvraag.
  Bij recent opgerichte ondernemingen, waarvan de eerste jaarrekening nog niet is neergelegd en de eerste fiscale aangifte nog niet is uitgevoerd, worden de gegevens vastgesteld op basis van een financieel plan van het eerste productiejaar.
  § 4. De aanvrager mag op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen achterstallige schulden hebben bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en geen procedure op basis van Europees of nationaal recht hebben lopen waarbij een toegekende steun wordt teruggevorderd.
  § 5. De aanvrager is verantwoordelijk voor de naleving van de voorwaarden van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/31, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Afdeling III. - [1 Indienen en beoordelen van een steunaanvraag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/31, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.4.3. [1 § 1. Binnen de opengestelde termijn van de call dient de aanvrager een principeaanvraag in. De principeaanvraag wordt ingediend aan de hand van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier.
  De principeaanvraag zal minstens volgende gegevens bevatten :
  1° bruto thermisch vermogen;
  2° investeringskost van de installatie;
  3° thermisch rendement;
  4° financiële steun waarop beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen;
  5° aangevraagde steun, uitgedrukt in euro en als percentage van de in aanmerking komende kosten;
  6° berekening van de extra investeringskosten van de installatie ten opzichte van de investeringskosten van een referentie-installatie en een beschrijving van de referentie-installatie.
  Het Vlaams Energieagentschap beoordeelt de ontvankelijkheid van de principeaanvragen aan de hand van volgende criteria :
  1° de principeaanvraag werd ingediend op de daarvoor voorziene formulieren;
  2° de principeaanvraag is volledig en correct ingevuld.
  De aanvrager van wie de principe-aanvraag ontvankelijk is, wordt daarvan binnen twee maanden na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht.
  De aanvrager van wie de principe-aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen twee maanden na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe principe-aanvraag in te dienen bij een volgende call.
  § 2. Het Vlaams Energieagentschap onderzoekt of de projecten waarop de ontvankelijke principe-aanvragen betrekking hebben voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.4.1, § 4 en in artikel 7.4.2.
  § 3. Het Vlaams Energieagentschap rangschikt de ingediende projecten op basis van de aangevraagde steun. De aangevraagde steun, zoals bedoeld in § 1, tweede lid, 5°, wordt samen met andere financiële steun zoals bedoeld in § 1, tweede lid, 4°, uitgedrukt in een totaal steunpercentage van de in aanmerking komende kosten. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat andere ondersteuningsmaatregelen volledig benut worden. Projecten met een lager totaal steunpercentage worden beter gerangschikt. Projecten met éénzelfde totaal steunpercentage worden gerangschikt op indientijdstip, waarbij een vroeger indientijdstip beter gerangschikt wordt. De best gerangschikte projecten worden gesteund tot het budget, bedoeld in artikel 7.4.1, § 2, derde lid, opgebruikt is.
  De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om het totale steunpercentage te berekenen.
  Het totaal van de uit te betalen steun voor een installatie, inclusief andere financiële ondersteuningsmaatregelen, zal niet hoger zijn dan
  1° 65 % van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen;
  2° 55 % van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen;
  3° 45 % van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen;
  4° 65 % van de in aanmerking komende kosten voor andere aanvragers.
  Projecten waarbij de aangevraagde steun hoger ligt, komen echter niet in aanmerking voor ondersteuning.
  De in aanmerking komende kosten zijn de extra investeringskosten van de installatie ten opzichte van de investeringskosten van een referentieinstallatie zonder de exploitatiekosten en -baten in rekening te nemen. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om deze extra investeringskosten te berekenen en kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap vastleggen wat de referentieinstallatie is. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap ook verder verduidelijken voor welke delen van een installatie of van projecten conform het Energiebesluit geen groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten werden toegekend of kunnen worden toegekend, en die dus kunnen beschouwd worden voor het bepalen van de in aanmerking komende kosten.
  Investeringen die in aanmerking komen voor ondersteuning in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, of het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 2012 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor strategische ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, eveneens rekening houdend met de verdere uitvoeringsbepalingen bij deze besluiten, komen niet in aanmerking voor de steun volgens artikel 7.4.1, § 1.
  Het Vlaams Energieagentschap controleert of de opgegeven in aanmerking komende kosten waarheidsgetrouw zijn op basis van actuele gegevens uit onafhankelijke studies.
  Het Vlaams Energieagentschap betekent aan de aanvrager zijn principebeslissing betreffende de al dan niet toekenning van de steun.
  Het Vlaams Energieagentschap houdt een databank bij van alle voor ondersteuning goedgekeurde projecten met de maximaal toe te kennen steun.
  Het uit te betalen steunbedrag wordt bepaald door toepassing van het steunpercentage, aangevraagd in het kader van dit besluit, zoals vermeld in § 1, tweede lid, 5°, op de werkelijke in aanmerking komende kosten gestaafd door facturen. Indien de werkelijk bekomen steun uit andere ondersteuningsmaatregelen hoger ligt dan opgegeven in de aanvraag volgens § 1, tweede lid, 4°, wordt de uit te betalen steun in dezelfde mate verminderd, of wordt de reeds uitbetaalde steun in dezelfde mate teruggevorderd. De aanvrager deelt elk verschil tussen de financiële steun waarop beroep wordt gedaan zoals opgegeven in de aanvraag volgens § 1, tweede lid, 4°, en de werkelijk bekomen steun onmiddellijk mee aan het Vlaams Energieagentschap.
  § 4. Projecten die na het toekennen van de principebeslissing, vermeld in § 3, zesde lid, niet aan de volgende voorwaarden voldoen verliezen hun recht op steun :
  1° uiterlijk binnen een jaar na de datum van de principebeslissing een bewijs van de start van de procedure tot het bekomen van een milieueffectrapport, als vermeld in titel IV van het DABM, of een aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning kunnen voorleggen;
  2° uiterlijk binnen twee jaar na de datum van de principebeslissingen gedurende 10 jaar na de datum van ingebruikname beschikken over de vereiste milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen;
  3° uiterlijk binnen de vier jaar na de datum van de principebeslissing in gebruik genomen zijn.
  Indien aan bovenstaande voorwaarden niet wordt voldaan, zal reeds toegekende steun worden teruggevorderd en kan steeds een nieuwe principe-aanvraag, vermeld in paragraaf 1, ingediend worden.
  § 5. Nadat een volledig keuringsverslag zoals vermeld in artikel 7.4.4, § 1 werd opgesteld, dient de aanvrager een definitieve steunaanvraag in bij het Vlaams Energieagentschap. De definitieve steunaanvraag wordt ingediend aan de hand van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier en omvat minstens volgende informatie :
  1° het volledige keuringsverslag, vermeld in artikel 7.4.4, § 1;
  2° een technische beschrijving van de installatie as built;
  3° een energiestroomschema van de installatie as built, met minstens de aanduiding van alle meetinstrumenten en eventuele aanwezige warmtekracht- of groenestroominstallaties;
  4° een bewijs dat de installatie tegemoet komt aan een economisch aantoonbare vraag;
  5° een beschrijving van de energiebronnen die aangewend zullen worden;
  6° een kopie van de verleende milieu- en stedenbouwkundige vergunningen.
  Als uit de definitieve steunaanvraag blijkt dat de installatie as built afwijkt ten opzichte van het door de principebeslissing gevatte dossier, kan het Vlaams Energieagentschap in zijn definitieve beslissing tot toekenning van steun afwijken van de principebeslissing met uitzondering van het maximaal toegekende steunbedrag uit de principebeslissing.
  Het Vlaams Energieagentschap betekent zijn definitieve beslissing tot toekenning van de steun aan de aanvrager.
  Het Vlaams Energieagentschap houdt in een databank de definitieve beslissing tot toekenning van de steun bij.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/31, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Afdeling IV. - [1 Toekennen van de steun en controle]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/31, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.4.4. [1 § 1. De geaccrediteerde keuringsinstantie bevestigt in het volledige keuringsverslag dat de metingen die met behulp van de meetapparatuur, vermeld in artikel 7.4.2, § 2, zijn verricht, voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.4.2, § 2. Het keuringsverslag vermeldt ook alle meterstanden, de datum van ingebruikname en de gebruikte energiebron. Het keuringsverslag wordt door de aanvrager binnen de maand bezorgd aan het Vlaams Energieagentschap.
  De aanvrager deelt vanaf de ingebruikname jaarlijks de geproduceerde nuttige groene warmte mee aan het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap bepaalt op welke wijze deze gegevens worden overgemaakt.
  De aanvrager houdt vanaf de ingebruikname een register bij met betrekking tot de in de nuttige-groenewarmte-installatie gebruikte brandstof. Dit register wordt ten minste de werkdag na nieuwe aanvoer aangevuld met de meest recente gegevens. Indien het uitsluitend afvalstoffen betreft, wordt het afvalstoffenregister aanvaard dat bijgehouden moet worden overeenkomstig artikel 7.2.1.4. van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Het Vlaams Energieagentschap bepaalt de vorm van het register, evenals welke gegevens erin opgenomen moeten worden en de wijze waarop het register aan het Vlaams Energieagentschap wordt overgemaakt. Het register wordt jaarlijks in digitale vorm overgemaakt aan het Vlaams Energieagentschap.
  § 2. Voor productie-installaties die nuttige groene warmte opwekken uit biomassa wordt een massabalanssysteem gehanteerd dat :
  1° toelaat leveringen van grondstoffen of biomassastromen met verschillende kenmerken te mengen;
  2° vereist dat informatie over de kenmerken en omvang van de leveringen, vermeld in punt 1°, aan het mengsel toegewezen blijven;
  3° ervoor zorgt dat de som van alle leveringen die uit het mengsel zijn gehaald dezelfde kenmerken heeft, in dezelfde hoeveelheden, als de som van alle leveringen die aan het mengsel werden toegevoegd.
  Aan de hand van dit massabalanssysteem wordt aan het Vlaams Energieagentschap aangetoond dat de in de installatie gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria van toepassing op die biomassa, zoals bedoeld in artikel 6.1.16, § 1/1 tot § 1/6.
  Aan de hand van dit massabalanssysteem wordt aan het Vlaams Energieagentschap eveneens aangetoond dat de in de installatie gebruikte vaste biomassa niet afkomstig is uit bepaalde gebieden die ook met betrekking tot vloeibare biomassa uitgesloten zijn, zoals bedoeld in artikel 6.1.16, § 1/3, § 1/4, 1° en § 1/5.
  Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vastleggen betreffende de manier waarop deze bepalingen uitgevoerd moeten worden. Het Vlaams Energieagentschap past daarbij duurzaamheidssystemen en berekeningsmethodes toe die door de Europese Commissie werden aanvaard.
  § 3. De steun wordt uitbetaald in drie schijven :
  1° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
  a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
  b) de bouw of de vernieuwing van de installatie is gestart;
  2° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
  a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
  b) de investeringen voor de bouw of de vernieuwing van de installatie is voor 60 % uitgevoerd;
  3° 40 % na de definitieve beslissing van het Vlaams Energieagentschap en op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
  a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
  b) de onderneming heeft geen achterstallige schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of in het kader van subsidiemaatregelen in toepassing van het decreet. Als er achterstallige schulden zijn, wordt de uitbetaling opgeschort tot de onderneming het bewijs levert dat deze schulden werden aangezuiverd.
  c) de installatie voldoet aan alle voorwaarden vermeld in dit besluit.
  § 4. De subsidie wordt teruggevorderd binnen tien jaar na de ingebruikname van de installatie in geval van :
  1° faillissement, vereffening, boedelafstand, ontbinding, vrijwillige of gerechtelijke verkoop, sluiting in het kader van een sociaaleconomische herstructureringsoperatie met tewerkstellingsafbouw tot gevolg, als die feiten zich voordoen binnen vijf jaar na de beëindiging van de investeringen;
  2° niet-naleving van de wettelijke informatie- en raadplegingsprocedures bij collectief ontslag binnen vijf jaar na de beëindiging van de investeringen;
  3° niet doorgeven van de geproduceerde groene warmte aan het Vlaams Energieagentschap;
  4° minder dan 95 % van de brandstof gebruikt sinds de ingebruikname is organisch-biologische stof als vermeld in artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 6° of in de opsomming van de organisch-biologische stoffen onder artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 7° ;
  5° minder dan 95 % van de brandstof gebruikt sinds de ingebruikname voldoet aan de vereisten bedoeld in artikel 7.4.2, § 1, laatste lid met betrekking tot de herkomst van vaste biomassa;
  6° fraude met de opneming van de meetgegevens of het invullen van het brandstofregister;
  7° niet-naleving van de overige voorwaarden in dit besluit.
  § 5. Het Vlaams Energieagentschap kan via een controle ter plaatse van de installatie, de meterstanden en het register nagaan en controleren of aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun, vermeld in deze afdeling, is voldaan.
  Als aan het Vlaams Energieagentschap de toegang tot de installatie wordt geweigerd, als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, of als fraude bij de opneming van de meetgegevens of het invullen van het brandstofregister wordt vastgesteld, kan het Vlaams Energieagentschap beslissen om de steun niet toe te kennen of beslissen om de steun terug te vorderen binnen 10 jaar na de ingebruikname van de installatie.
  De steungerechtigde meldt aan het Vlaams Energieagentschap onmiddellijk :
  1° alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden voor toekenning van de steun;
  2° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het bedrag van de toe te kennen steun;
  3° iedere wijziging met betrekking tot de natuurlijke persoon of rechtspersoon waaraan de steun toegekend moet worden.
  Bij elke melding van een wijziging, vermeld in het derde lid, 2°, legt de steungerechtigde een nieuw keuringsverslag voor als vermeld in artikel 7.4.4, § 1. Bij dergelijke wijzigingen kan het Vlaams Energieagentschap zijn beslissing tot toekenning van steun wijzigen. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/31, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  HOOFDSTUK V. [1 - Ondersteuning van restwarmte]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/33, art. 1, 019; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Afdeling I. - [1 Algemene bepalingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/33, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.5.1. [1 § 1. Onder de voorwaarden vermeld in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening en in dit besluit wordt steun toegekend aan installaties voor de benutting van restwarmte die aan een economisch aantoonbare vraag voldoet, gelegen in het Vlaamse gewest, waarvoor geen groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten werden toegekend of kunnen worden toegekend, en waarvoor geen steun voor de productie van nuttige groene warmte als bedoeld in artikel 7.4.1 werd toegekend of kan worden toegekend.
  De steun bedraagt maximaal 1 miljoen EUR per investeringsproject. De Vlaamse Regering kan hiervan afwijken indien rekening houdend met dit maximum het voorziene budget niet volledig benut zou worden.
  De minister bepaalt het maximale bedrag van de totale steun op basis van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor dat jaar ingeschreven middelen.
  § 2. De steun wordt toegekend in de vorm van een investeringssubsidie en toegewezen via een call-systeem.
  De minister lanceert minstens om de zes maanden een call.
  De minister bepaalt per call het maximale steunbedrag waarvoor projecten kunnen geselecteerd worden. De call wordt voorafgaandelijk als mededeling aan de Vlaamse Regering voorgelegd.
  § 3. Per call kan hoogstens één steunaanvraag per installatie worden ingediend.
  § 4. Het steunmechanisme en de steunhoogte worden in 2015, en vervolgens om de twee jaar, geëvalueerd voor wat betreft nieuw in te dienen steunaanvragen.
  § 5. Projecten die niet in aanmerking komen voor de toekenning van de steun omwille van een uitputting van het door de minister bepaalde maximale steunbedrag, vermeld in paragraaf 2, kunnen altijd bij een volgende call een nieuwe principeaanvraag als vermeld in artikel 7.5.3, indienen. Zij kunnen daarbij de reeds ingediende principeaanvraag herbevestigen, indien de gegevens nog actueel zijn. In dat geval blijft als indientijdstip het tijdstip behouden waarop de eerste principeaanvraag ontvankelijk werd verklaard.
  § 6. De minister kan nadere voorwaarden bepalen waaraan de restwarmteprojecten moeten voldoen om in aanmerking te komen, voor de steun, vermeld in de eerste paragraaf, eerste lid, en kan de hoogte van de steun koppelen aan deze voorwaarden.
  De te ondersteunen restwarmteprojecten voldoen minstens aan de volgende voorwaarden :
  1° wat de oorsprong van de restwarmte betreft, dient het te gaan om proceswarmte, die vrijkomt uit een proces dat niet tot doel heeft warmte, elektriciteit of mechanische energie te produceren, en dat niet stuurbaar is in functie van de warmtevraag;
  2° wat de locatie van de benutting van restwarmte betreft, dient het te gaan om ofwel :
  a) benutting van restwarmte buiten de bedrijfsvestiging waar de warmte gegenereerd wordt;
  b) benutting van restwarmte binnen de bedrijfsvestiging waar de warmte gegenereerd wordt. Voor zover het gaat om maatregelen voor de benutting van restwarmte binnen bedrijven die kunnen toetreden tot het benchmarkingconvenant of het auditconvenant, komen de maatregelen enkel in aanmerking indien het bedrijf voor deze vestiging is toegetreden tot de convenant en de convenant naleeft, en voor zover het bedrijf niet verplicht is om deze maatregel uit te voeren om te voldoen aan de verplichtingen van deze convenanten;
  3° wat de toepassing van de restwarmte betreft, dient het te gaan om een toepassing die niet tot gevolg heeft dat de benutting van reeds beschikbare restwarmte wordt verminderd, en die niet kan leiden tot het toekennen van groenestroom- of warmtekrachtcertificaten en dient het tevens te gaan om ofwel :
  a) bijkomende benutting van restwarmte voor het invullen van de energiebehoefte van een ander proces, zoals bijvoorbeeld droogprocessen en de productie van gedemineraliseerd water;
  b) bijkomende benutting van restwarmte voor het op temperatuur houden van opgeslagen stoffen;
  c) bijkomende benutting van restwarmte voor de verwarming van woon- of kantoorgebouwen;
  d) bijkomende benutting van restwarmte voor de verwarming van gebouwen, andere dan woon- of kantoorgebouwen, met uitzondering van verwarming van deze gebouwen door middel van directe luchtverwarming;
  e) bijkomende benutting van restwarmte voor de productie van koude waarbij de nuttige restwarmte wordt bepaald als de nuttig geproduceerde koude gedeeld door een referentieperformantiecoëfficient van 250 %.
  Voor restwarmteprojecten, vermeld in het vorige lid, 2°, b), wordt de steunhoogte beperkt tot de steun die, na advies van het Verificatiebureau, noodzakelijk is om de rendabiliteit te bereiken die vereist is voor verplichte maatregelen uit het respectievelijke convenant waarbij het bedrijf aangesloten is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/33, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Afdeling II. - [1 De voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/33, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.5.2. [1 § 1. De steun wordt alleen toegekend aan installaties waarvoor de uitgaven gerelateerd aan de bouw of aan de vernieuwing van de installatie dateren van na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap, met betrekking tot de toekenning van steun aan de installatie in kwestie volgens 7.5.3, § 2, of aan bestaande installaties die een nieuwe principeaanvraag indienen volgens artikel 7.5.3, § 4, tweede lid. Ook als ze dateren van voor de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap worden uitgaven gerelateerd aan ontwerp, engineering, of vergunningsaanvragen wel beschouwd als in aanmerking komende kosten, maar enkel voor zover ze dateren van na de principeaanvraag. De minister kan, afhankelijk van de gebruikte technologie, nadere regels vastleggen om te bepalen of een installatie als vernieuwd beschouwd kan worden.
  Indien de aanvraag gebeurt door een grote onderneming dient de aanvrager aan te tonen dat aan één of meer van de volgende criteria is voldaan :
  a) een wezenlijke toename van de omvang van het project of de activiteit als gevolg van de steun;
  b) een wezenlijke toename van de reikwijdte van het project of de activiteit als gevolg van de steun;
  c) een wezenlijke toename van de totale uitgaven van de begunstigde voor het project of de activiteit als gevolg van de steun;
  d) een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het betrokken project of de betrokken activiteit wordt voltooid.
  De minister kan nadere regels vastleggen om te bepalen of een aanvraag aan deze criteria voldoet.
  § 2. De aanvrager die van de steun wil genieten, voorziet zijn installatie van de nodige meetapparatuur om permanent de benutte restwarmte te meten, tenzij anders bepaald door het Vlaams Energieagentschap. De benutte restwarmte wordt zo kort mogelijk bij de plaats van nuttige aanwending gemeten. Als er een noodkoeler of buffervat in het circuit is opgesteld, wordt de meting uitgevoerd voorbij de noodkoeler en het buffervat.
  De meetapparatuur, vermeld in het eerste lid, de meetopstelling en de toegepaste meetprocedures voldoen aan de terzake geldende internationale en nationale normen. Voor alle meetinstrumenten kan een geldig ijkcertificaat worden voorgelegd, uitgereikt door een bevoegde instantie.
  Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vastleggen betreffende de manier waarop deze metingen uitgevoerd moeten worden.
  § 3. In het geval de aanvrager een onderneming is, wordt de grootte van de onderneming, bepaald in de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen, vastgesteld op basis van een verklaring op erewoord van de onderneming en op basis van de gegevens van de jaaromzet, het balanstotaal en het aantal werkzame personen.
  De gegevens voor de berekening van de jaaromzet, het balanstotaal en het aantal werkzame personen worden vastgesteld op basis van de laatste jaarrekening die bij de Nationale Bank van België is neergelegd voor de indieningsdatum van de steunaanvraag, en die beschikbaar is via een centrale databank.
  Om de omzet te berekenen, wordt een boekjaar van meer of minder dan twaalf maanden herberekend tot een periode van twaalf maanden.
  Voor ondernemingen die geen jaarrekening moeten opmaken, worden de gegevens voor de berekening van de jaaromzet vastgesteld op basis van de laatste aangifte bij de directe belastingen voor de indieningsdatum van de steunaanvraag. De gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen worden in dat geval vastgesteld aan de hand van het aantal werknemers die in de onderneming waren tewerkgesteld gedurende de laatste vier kwartalen die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan attesteren voor de indieningsdatum van de steunaanvraag.
  Bij recent opgerichte ondernemingen, waarvan de eerste jaarrekening nog niet is neergelegd en de eerste fiscale aangifte nog niet is uitgevoerd, worden de gegevens vastgesteld op basis van een financieel plan van het eerste productiejaar.
  § 4. De aanvrager mag op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen achterstallige schulden hebben bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en geen procedure op basis van Europees of nationaal recht hebben lopen waarbij een toegekende steun wordt teruggevorderd.
  § 5. De aanvrager is verantwoordelijk voor de naleving van de voorwaarden van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/33, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Afdeling III. - [1 Indienen en beoordelen van een steunaanvraag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/33, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.5.3. [1 § 1. Binnen de opengestelde termijn van de call dient de aanvrager een principeaanvraag in. De principeaanvraag wordt ingediend aan de hand van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier.
  De principeaanvraag zal minstens volgende gegevens bevatten :
  1° het nuttig bruikbare totale gerecupereerde thermische vermogen;
  2° de investeringskost van de installatie;
  3° financiële steun waarop beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen;
  4° aangevraagde steun, uitgedrukt in euro en als percentage van de in aanmerking komende kosten;
  5° berekening van de extra investeringskosten van de installatie ten opzichte van de investeringskosten van een referentie-installatie en een beschrijving van de referentie-installatie.
  Het Vlaams Energieagentschap beoordeelt de ontvankelijkheid van de principeaanvragen aan de hand van volgende criteria :
  1° de principeaanvraag werd ingediend op de daarvoor voorziene formulieren;
  2° de principeaanvraag is volledig en correct ingevuld.
  De aanvrager van wie de principe-aanvraag ontvankelijk is, wordt daarvan binnen twee maanden na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht.
  De aanvrager van wie de principe-aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen twee maanden na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe principe-aanvraag in te dienen bij een volgende call.
  § 2. Het Vlaams Energieagentschap onderzoekt of de projecten waarop de ontvankelijke principe-aanvragen betrekking hebben voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.5.2.
  § 3. Het Vlaams Energieagentschap rangschikt de ingediende projecten op basis van de aangevraagde steun. De aangevraagde steun, zoals bedoeld in § 1, tweede lid, 4°, wordt samen met andere financiële steun zoals bedoeld in § 1, tweede lid, 3°, uitgedrukt in een totaal steunpercentage van de in aanmerking komende kosten. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat andere ondersteuningsmaatregelen volledig benut worden. Projecten met een lager totaal steunpercentage worden beter gerangschikt. Projecten met éénzelfde totaal steunpercentage worden gerangschikt op indientijdstip, waarbij een vroeger indientijdstip beter gerangschikt wordt. De best gerangschikte projecten worden gesteund tot het budget, bedoeld in artikel 7.5.1, § 2, derde lid, opgebruikt is.
  De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om het totale steunpercentage te berekenen.
  Het totaal van de uit te betalen steun voor een installatie, inclusief andere financiële ondersteuningsmaatregelen, zal niet hoger zijn dan :
  1° 40 % van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen;
  2° 30 % van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen;
  3° 20 % van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen;
  4° 40 % van de in aanmerking komende kosten voor andere aanvragers.
  Projecten waarbij de aangevraagde steun hoger ligt, komen echter niet in aanmerking voor ondersteuning.
  De in aanmerking komende kosten zijn de extra investeringskosten van de installatie ten opzichte van de investeringskosten van een referentieinstallatie zonder de exploitatiekosten en -baten in rekening te nemen. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om deze extra investeringskosten te berekenen en kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap vastleggen wat de referentieinstallatie is. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap ook verder verduidelijken voor welke delen van een installatie of van projecten conform het Energiebesluit geen groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten werden toegekend of kunnen worden toegekend, en die dus kunnen beschouwd worden voor het bepalen van de in aanmerking komende kosten.
  Investeringen die in aanmerking komen voor ondersteuning in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, of het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 2012 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor strategische ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, eveneens rekening houdend met de verdere uitvoeringsbepalingen bij deze besluiten, komen niet in aanmerking voor de steun volgens artikel 7.5.1, § 1.
  Het Vlaams Energieagentschap controleert of de opgegeven in aanmerking komende kosten waarheidsgetrouw zijn op basis van actuele gegevens uit onafhankelijke studies.
  Het Vlaams Energieagentschap betekent aan de aanvrager zijn principebeslissing betreffende de al dan niet toekenning van de steun.
  Het Vlaams Energieagentschap houdt een databank bij van alle voor ondersteuning goedgekeurde projecten met de maximaal toe te kennen steun.
  Het uit te betalen steunbedrag wordt bepaald door toepassing van het steunpercentage, aangevraagd in het kader van dit besluit, zoals vermeld in § 1, tweede lid, 4°, op de werkelijke in aanmerking komende kosten gestaafd door facturen. Indien de werkelijk bekomen steun uit andere ondersteuningsmaatregelen hoger ligt dan opgegeven in de aanvraag volgens § 1, tweede lid, 3°, wordt de uit te betalen steun in dezelfde mate verminderd, of wordt de reeds uitbetaalde steun in dezelfde mate teruggevorderd. De aanvrager deelt elk verschil tussen de financiële steun waarop beroep wordt gedaan zoals opgegeven in de aanvraag volgens § 1, tweede lid, 3°, en de werkelijk bekomen steun onmiddellijk mee aan het Vlaams Energieagentschap.
  § 4. Projecten die na het toekennen van de principebeslissing, vermeld in § 3, zesde lid, niet aan de volgende voorwaarden voldoen verliezen hun recht op steun :
  1° uiterlijk binnen een jaar na de datum van de principebeslissing een bewijs van de start van de procedure tot het bekomen van een milieueffectrapport, als vermeld in titel IV van het DABM, of een aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning kunnen voorleggen;
  2° uiterlijk binnen twee jaar na de datum van de principebeslissingen gedurende 10 jaar na de datum van ingebruikname, beschikken over de vereiste milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen;
  3° uiterlijk binnen de vier jaar na de datum van de principebeslissing in gebruik genomen zijn.
  Indien aan bovenstaande voorwaarden niet wordt voldaan, zal reeds toegekende steun worden teruggevorderd en kan steeds een nieuwe principe-aanvraag, vermeld in paragraaf 1, ingediend worden.
  § 5. Nadat een volledig keuringsverslag zoals vermeld in artikel 7.5.4, § 1 werd opgesteld, dient de aanvrager een definitieve steunaanvraag in bij het Vlaams Energieagentschap. De definitieve steunaanvraag wordt ingediend aan de hand van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier en omvat minstens volgende informatie :
  1° het volledige keuringsverslag, vermeld in artikel 7.5.4, § 1;
  2° een technische beschrijving van de installatie as built;
  3° een energiestroomschema van de installatie as built, met minstens de aanduiding van alle meetinstrumenten en eventuele aanwezige warmtekracht- of groenestroominstallaties die energie uitwisselen met de installatie waarvoor steun voor de benutting van restwarmte wordt aangevraagd;
  4° een bewijs dat de installatie tegemoet komt aan een economisch aantoonbare vraag;
  5° een beschrijving van de energiebronnen die aangewend zullen worden;
  6° een kopie van de verleende milieu- en stedenbouwkundige vergunningen.
  Als uit de definitieve steunaanvraag blijkt dat de installatie as built afwijkt ten opzichte van het door de principebeslissing gevatte dossier, kan het Vlaams Energieagentschap in zijn definitieve beslissing tot toekenning van steun afwijken van de principebeslissing met uitzondering van het maximaal toegekende steunbedrag uit de principebeslissing.
  Het Vlaams Energieagentschap betekent zijn definitieve beslissing tot toekenning van de steun aan de aanvrager.
  Het Vlaams Energieagentschap houdt in een databank de definitieve beslissing tot toekenning van de steun bij.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/33, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Afdeling IV. - [1 Toekennen van de steun en controle]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/33, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.5.4. [1 § 1. De geaccrediteerde keuringsinstantie bevestigt in het volledige keuringsverslag dat de metingen die met behulp van de meetapparatuur, vermeld in artikel 7.5.2, § 2, zijn verricht, voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.5.2, § 2. Het keuringsverslag vermeldt ook alle meterstanden en de datum van ingebruikname en de gebruikte energiebron. Het keuringsverslag wordt door de aanvrager binnen de maand bezorgd aan het Vlaams Energieagentschap.
  De aanvrager deelt vanaf de ingebruikname jaarlijks de benutte restwarmte mee aan het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap bepaalt op welke wijze deze gegevens worden overgemaakt.
  § 2. De steun wordt uitbetaald in drie schijven :
  1° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
  a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
  b) de bouw of de vernieuwing van de installatie is gestart;
  2° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
  a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
  b) de investeringen voor de bouw of de vernieuwing van de installatie is voor 60 % uitgevoerd;
  3° 40 % na de definitieve beslissing van het Vlaams Energieagentschap en op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
  a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
  b) de onderneming heeft geen achterstallige schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of in het kader van subsidiemaatregelen in toepassing van het decreet. Als er achterstallige schulden zijn, wordt de uitbetaling opgeschort tot de onderneming het bewijs levert dat deze schulden werden aangezuiverd.
  c) de installatie voldoet aan alle voorwaarden vermeld in dit besluit.
  § 3. De subsidie wordt teruggevorderd binnen tien jaar na de ingebruikname van de installatie in geval van :
  1° faillissement, vereffening, boedelafstand, ontbinding, vrijwillige of gerechtelijke verkoop, sluiting in het kader van een sociaaleconomische herstructureringsoperatie met tewerkstellingsafbouw tot gevolg, als die feiten zich voordoen binnen vijf jaar na de beëindiging van de investeringen;
  2° niet-naleving van de wettelijke informatie- en raadplegingsprocedures bij collectief ontslag binnen vijf jaar na de beëindiging van de investeringen;
  3° niet doorgeven van de benutte restwarmte aan het Vlaams Energieagentschap;
  4° fraude met de opneming van de meetgegevens;
  5° niet-naleving van de voorwaarden in dit besluit.
  § 4. Het Vlaams Energieagentschap kan via een controle ter plaatse van de installatie de meterstanden nagaan en controleren of aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun, vermeld in deze afdeling, is voldaan.
  Als aan het Vlaams Energieagentschap de toegang tot de installatie wordt geweigerd, als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, of als fraude bij de opneming van de meetgegevens wordt vastgesteld, kan Vlaams Energieagentschap beslissen om de steun niet toe te kennen of beslissen om de steun terug te vorderen binnen 10 jaar na de ingebruikname van de installatie.
  De steungerechtigde meldt aan het Vlaams Energieagentschap onmiddellijk :
  1° alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden voor toekenning van de steun;
  2° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het bedrag van de toe te kennen steun;
  3° iedere wijziging met betrekking tot de natuurlijke persoon of rechtspersoon waaraan de steun toegekend moet worden.
  Bij elke melding van een wijziging, vermeld in het derde lid, 2°, legt de steungerechtigde een nieuw keuringsverslag voor als vermeld in artikel 7.5.4, § 1. Bij dergelijke wijzigingen kan het Vlaams Energieagentschap zijn beslissing tot toekenning van steun wijzigen. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/33, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  HOOFDSTUK VI. [1 - Ondersteuning van de injectie van biomethaan]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/32, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Afdeling I. - [1 Algemene bepalingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/32, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.6.1. [1 § 1. Onder de voorwaarden vermeld in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening en in dit besluit wordt steun toegekend aan installaties gelegen in het Vlaamse gewest voor de productie en de injectie van biomethaan in het aardgasdistributienet of het vervoernet, voor zover er voor die installatie geen groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten werden toegekend of kunnen worden toegekend.
  De steun bedraagt maximaal 1 miljoen EUR per investeringsproject. De Vlaamse Regering kan hiervan afwijken indien rekening houdend met dit maximum het voorziene budget niet volledig benut zou worden.
  De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale steun op basis van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor dat jaar ingeschreven middelen.
  § 2. De steun wordt toegekend in de vorm van een investeringssubsidie en toegewezen via een call-systeem.
  De minister lanceert minstens om de zes maanden een call.
  De minister bepaalt per call het maximale steunbedrag waarvoor projecten kunnen geselecteerd worden. De call wordt voorafgaandelijk als mededeling aan de Vlaamse Regering voorgelegd.
  § 3. Per call kan hoogstens één steunaanvraag per installatie worden ingediend.
  § 4. Het steunmechanisme en de steunhoogte worden in 2015, en vervolgens om de twee jaar, geëvalueerd voor wat betreft nieuw in te dienen steunaanvragen.
  § 5. Projecten die niet in aanmerking komen voor de toekenning van de steun omwille van een uitputting van het door de minister bepaalde maximale steunbedrag, vermeld in paragraaf 2, kunnen altijd bij een volgende call een nieuwe principeaanvraag als vermeld in artikel 7.6.3, indienen. Zij kunnen daarbij de reeds ingediende principeaanvraag herbevestigen, indien de gegevens nog actueel zijn. In dat geval blijft als indientijdstip het tijdstip behouden waarop de eerste principeaanvraag ontvankelijk werd verklaard.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/32, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Afdeling II. - [1 De voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/32, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.6.2. [1 § 1. In afwijking van artikel 7.6.1, § 1, eerste lid wordt de steun niet verleend aan een aanvrager die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering een energiebeleidsovereenkomst definitief heeft goedgekeurd, en die de aanvrager niet heeft ondertekend of die hij niet naleeft.
  De steun wordt alleen toegekend aan installaties waarvoor de uitgaven gerelateerd aan de bouw of aan de vernieuwing van de installatie dateren van na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap, met betrekking tot de toekenning van steun aan de installatie in kwestie volgens 7.6.3, § 2 of aan bestaande installaties die een nieuwe principeaanvraag indienen volgens artikel 7.6.3, § 4, tweede lid. Ook als ze dateren van voor de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap worden uitgaven gerelateerd aan ontwerp, engineering, of vergunningsaanvragen wel beschouwd als in aanmerking komende kosten, maar enkel voor zover ze dateren van na de principeaanvraag. De minister kan, afhankelijk van de gebruikte productietechnologie, nadere regels vastleggen om te bepalen of een installatie als vernieuwd beschouwd kan worden.
  Indien de aanvraag gebeurt door een grote onderneming dient de aanvrager aan te tonen dat aan één of meer van de volgende criteria is voldaan :
  a) een wezenlijke toename van de omvang van het project of de activiteit als gevolg van de steun;
  b) een wezenlijke toename van de reikwijdte van het project of de activiteit als gevolg van de steun;
  c) een wezenlijke toename van de totale uitgaven van de begunstigde voor het project of de activiteit als gevolg van de steun;
  d) een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het betrokken project of de betrokken activiteit wordt voltooid.
  De minister kan nadere regels vastleggen om te bepalen of een aanvraag aan deze criteria voldoet.
  § 2. De aanvrager die van de steun wil genieten, voorziet zijn installatie van de nodige meetapparatuur om permanent de biomethaaninjectie te meten, tenzij anders bepaald door het Vlaams Energieagentschap.
  De meetapparatuur, vermeld in het eerste lid, de meetopstelling en de toegepaste meetprocedures voldoen aan de terzake geldende internationale en nationale normen. Voor alle meetinstrumenten kan een geldig ijkcertificaat worden voorgelegd, uitgereikt door een bevoegde instantie.
  Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vastleggen betreffende de manier waarop deze metingen uitgevoerd moeten worden.
  § 3. In het geval de aanvrager een onderneming is, wordt de grootte van de onderneming, bepaald in de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen, vastgesteld op basis van een verklaring op erewoord van de onderneming en op basis van de gegevens van de jaaromzet, het balanstotaal en het aantal werkzame personen.
  De gegevens voor de berekening van de jaaromzet, het balanstotaal en het aantal werkzame personen worden vastgesteld op basis van de laatste jaarrekening die bij de Nationale Bank van België is neergelegd voor de indieningsdatum van de steunaanvraag, en die beschikbaar is via een centrale databank.
  Om de omzet te berekenen, wordt een boekjaar van meer of minder dan twaalf maanden herberekend tot een periode van twaalf maanden.
  Voor ondernemingen die geen jaarrekening moeten opmaken, worden de gegevens voor de berekening van de jaaromzet vastgesteld op basis van de laatste aangifte bij de directe belastingen voor de indieningsdatum van de steunaanvraag. De gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen worden in dat geval vastgesteld aan de hand van het aantal werknemers die in de onderneming waren tewerkgesteld gedurende de laatste vier kwartalen die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan attesteren voor de indieningsdatum van de steunaanvraag.
  Bij recent opgerichte ondernemingen, waarvan de eerste jaarrekening nog niet is neergelegd en de eerste fiscale aangifte nog niet is uitgevoerd, worden de gegevens vastgesteld op basis van een financieel plan van het eerste productiejaar.
  § 4. De aanvrager mag op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen achterstallige schulden hebben bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en geen procedure op basis van Europees of nationaal recht hebben lopen waarbij een toegekende steun wordt teruggevorderd.
  § 5. De aanvrager is verantwoordelijk voor de naleving van de voorwaarden van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/32, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Afdeling III. - [1 Indienen en beoordelen van een steunaanvraag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/32, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.6.3. [1 § 1. Binnen de opengestelde termijn van de call dient de aanvrager een principeaanvraag in. De principeaanvraag wordt ingediend aan de hand van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier.
  De principeaanvraag zal minstens volgende gegevens bevatten :
  1° investeringskost van de installatie;
  2° financiële steun waarop beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen;
  3° aangevraagde steun, uitgedrukt in euro en als percentage van de in aanmerking komende kosten;
  4° berekening van de extra investeringskosten van de installatie ten opzichte van de investeringskosten van een referentie-installatie en een beschrijving van de referentie-installatie.
  Het Vlaams Energieagentschap beoordeelt de ontvankelijkheid van de principeaanvragen aan de hand van volgende criteria :
  1° de principeaanvraag werd ingediend op de daarvoor voorziene formulieren;
  2° de principeaanvraag is volledig en correct ingevuld.
  De aanvrager van wie de principe-aanvraag ontvankelijk is, wordt daarvan binnen twee maanden na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht.
  De aanvrager van wie de principe-aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen twee maanden na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe principe-aanvraag in te dienen bij een volgende call.
  § 2. Het Vlaams Energieagentschap onderzoekt of de projecten waarop de ontvankelijke principe-aanvragen betrekking hebben voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.6.2.
  § 3. Het Vlaams Energieagentschap rangschikt de ingediende projecten op basis van de aangevraagde steun. De aangevraagde steun, zoals bedoeld in § 1, tweede lid, 3°, wordt samen met andere financiële steun zoals bedoeld in § 1, tweede lid, 2°, uitgedrukt in een totaal steunpercentage van de in aanmerking komende kosten. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat andere ondersteuningsmaatregelen volledig benut worden. Projecten met een lager totaal steunpercentage worden beter gerangschikt. Projecten met éénzelfde totaal steunpercentage worden gerangschikt op indientijdstip, waarbij een vroeger indientijdstip beter gerangschikt wordt. De best gerangschikte projecten worden gesteund tot het budget, bedoeld in artikel 7.6.1, § 2, derde lid, opgebruikt is.
  De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om het totale steunpercentage te berekenen.
  Het totaal van de uit te betalen steun voor een installatie, inclusief andere financiële ondersteuningsmaatregelen, zal niet hoger zijn dan
  1° 65 % van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen;
  2° 55 % van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen;
  3° 45 % van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen;
  4° 65 % van de in aanmerking komende kosten voor andere aanvragers.
  Projecten waarbij de aangevraagde steun hoger ligt, komen echter niet in aanmerking voor ondersteuning.
  De in aanmerking komende kosten zijn de extra investeringskosten van de installatie ten opzichte van de investeringskosten van een referentieinstallatie zonder de exploitatiekosten en -baten in rekening te nemen. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om deze extra investeringskosten te berekenen en kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap vastleggen wat de referentieinstallatie is. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap ook verder verduidelijken voor welke delen van een installatie of van projecten conform het Energiebesluit geen groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten werden toegekend of kunnen worden toegekend, en die dus kunnen beschouwd worden voor het bepalen van de in aanmerking komende kosten.
  Investeringen die in aanmerking komen voor ondersteuning in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, of het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 2012 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor strategische ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, eveneens rekening houdend met de verdere uitvoeringsbepalingen bij deze besluiten, komen niet in aanmerking voor de steun volgens artikel 7.6.1, § 1.
  Het Vlaams Energieagentschap controleert of de opgegeven in aanmerking komende kosten waarheidsgetrouw zijn op basis van actuele gegevens uit onafhankelijke studies.
  Het Vlaams Energieagentschap betekent aan de aanvrager zijn principebeslissing betreffende de al dan niet toekenning van de steun.
  Het Vlaams Energieagentschap houdt een databank bij van alle voor ondersteuning goedgekeurde projecten met de maximaal toe te kennen steun.
  Het uit te betalen steunbedrag wordt bepaald door toepassing van het steunpercentage, aangevraagd in het kader van dit besluit, zoals vermeld in § 1, tweede lid, 3°, op de werkelijke in aanmerking komende kosten gestaafd door facturen. Indien de werkelijk bekomen steun uit andere ondersteuningsmaatregelen hoger ligt dan opgegeven in de aanvraag volgens § 1, tweede lid, 2°, wordt de uit te betalen steun in dezelfde mate verminderd, of wordt de reeds uitbetaalde steun in dezelfde mate teruggevorderd. De aanvrager deelt elk verschil tussen de financiële steun waarop beroep wordt gedaan zoals opgegeven in de aanvraag volgens § 1, tweede lid, 2°, en de werkelijk bekomen steun onmiddellijk mee aan het Vlaams Energieagentschap.
  § 4. Projecten die na het toekennen van de principebeslissing, vermeld in § 3, zesde lid, niet aan de volgende voorwaarden voldoen verliezen hun recht op steun :
  1° uiterlijk binnen een jaar na de datum van de principebeslissing een bewijs van de start van de procedure tot het bekomen van een milieueffectrapport, als vermeld in titel IV van het DABM, of een aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning kunnen voorleggen;
  2° uiterlijk binnen twee jaar na de datum van de principebeslissingen gedurende 10 jaar na de datum van ingebruikname beschikken over de vereiste milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen;
  3° uiterlijk binnen de vier jaar na de datum van de principebeslissing in gebruik genomen zijn.
  Indien aan bovenstaande voorwaarden niet wordt voldaan, zal reeds toegekende steun worden teruggevorderd en kan steeds een nieuwe principe-aanvraag, vermeld in paragraaf 1, ingediend worden.
  § 5. Nadat een volledig keuringsverslag zoals vermeld in artikel 7.6.4, § 1 werd opgesteld, dient de aanvrager een definitieve steunaanvraag in bij het Vlaams Energieagentschap. De definitieve steunaanvraag wordt ingediend aan de hand van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier en omvat minstens volgende informatie :
  1° het volledige keuringsverslag, vermeld in artikel 7.6.4, § 1;
  2° een technische beschrijving van de installatie as built;
  3° een energiestroomschema van de installatie as built, met minstens de aanduiding van alle meetinstrumenten en eventuele aanwezige warmtekracht- of groenestroominstallaties;
  4° een beschrijving van de energiebronnen die aangewend zullen worden;
  5° een kopie van de verleende milieu- en stedenbouwkundige vergunningen.
  Als uit de definitieve steunaanvraag blijkt dat de installatie as built afwijkt ten opzichte van het door de principebeslissing gevatte dossier, kan het Vlaams Energieagentschap in zijn definitieve beslissing tot toekenning van steun afwijken van de principebeslissing met uitzondering van het maximaal toegekende steunbedrag uit de principebeslissing.
  Het Vlaams Energieagentschap betekent zijn definitieve beslissing tot toekenning van de steun aan de aanvrager.
  Het Vlaams Energieagentschap houdt in een databank de definitieve beslissing tot toekenning van de steun bij.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/32, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Afdeling IV. - [1 Toekennen van de steun en controle]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/32, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  Art. 7.6.4. [1 § 1. De geaccrediteerde keuringsinstantie bevestigt in het volledige keuringsverslag dat de metingen die met behulp van de meetapparatuur, vermeld in artikel 7.6.2, § 2, zijn verricht, voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.6.2, § 2. Het keuringsverslag vermeldt ook alle meterstanden, de datum van ingebruikname en de gebruikte energiebron. Het keuringsverslag wordt door de aanvrager binnen de maand bezorgd aan het Vlaams Energieagentschap.
  De aanvrager deelt vanaf de ingebruikname jaarlijks de geïnjecteerde hoeveelheid biomethaangas mee aan het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap bepaalt op welke wijze deze gegevens worden overgemaakt.
  De aanvrager houdt vanaf de ingebruikname een register bij met betrekking tot de voor productie van biomethaan gebruikte brandstof. Dit register wordt ten minste de werkdag na nieuwe aanvoer aangevuld met de meest recente gegevens. Indien het uitsluitend afvalstoffen betreft, wordt het afvalstoffenregister aanvaard dat bijgehouden moet worden overeenkomstig artikel 7.2.1.4. van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Het Vlaams Energieagentschap bepaalt de vorm van het register, evenals welke gegevens erin opgenomen moeten worden en de wijze waarop het register aan het Vlaams Energieagentschap wordt overgemaakt. Het register wordt jaarlijks in digitale vorm overgemaakt aan het Vlaams Energieagentschap.
  § 2. De exploitant hanteert een massabalanssysteem dat :
  1° toelaat leveringen van grondstoffen of biomassastromen met verschillende kenmerken te mengen;
  2° vereist dat informatie over de kenmerken en omvang van de leveringen, vermeld in punt 1°, aan het mengsel toegewezen blijven;
  3° ervoor zorgt dat de som van alle leveringen die uit het mengsel zijn gehaald dezelfde kenmerken heeft, in dezelfde hoeveelheden, als de som van alle leveringen die aan het mengsel werden toegevoegd.
  Aan de hand van dit massabalanssysteem wordt aan het Vlaams Energieagentschap aangetoond dat de in de installatie gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria van toepassing op die biomassa, zoals bedoeld in artikel 6.1.16, § 1/1.
  § 3. De steun wordt uitbetaald in drie schijven :
  1° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
  a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
  b) de bouw of de vernieuwing van de installatie is gestart;
  2° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
  a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
  b) de investeringen voor de bouw of de vernieuwing van de installatie is voor 60 % uitgevoerd;
  3° 40 % na de definitieve beslissing van het Vlaams Energieagentschap en op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult :
  a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;
  b) de onderneming heeft geen achterstallige schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of in het kader van subsidiemaatregelen in toepassing van het decreet. Als er achterstallige schulden zijn, wordt de uitbetaling opgeschort tot de onderneming het bewijs levert dat deze schulden werden aangezuiverd.
  c) de installatie voldoet aan alle voorwaarden vermeld in dit besluit.
  § 4. De subsidie wordt teruggevorderd binnen tien jaar na de ingebruikname van de installatie in geval van :
  1° faillissement, vereffening, boedelafstand, ontbinding, vrijwillige of gerechtelijke verkoop, sluiting in het kader van een sociaaleconomische herstructureringsoperatie met tewerkstellingsafbouw tot gevolg, als die feiten zich voordoen binnen vijf jaar na de beëindiging van de investeringen;
  2° niet-naleving van de wettelijke informatie- en raadplegingsprocedures bij collectief ontslag binnen vijf jaar na de beëindiging van de investeringen;
  3° niet doorgeven van de geïnjecteerde hoeveelheid biomethaan aan het Vlaams Energieagentschap;
  4° fraude met de opneming van de meetgegevens of het invullen van het brandstofregister;
  5° niet-naleving van de voorwaarden in dit besluit.
  § 5. Het Vlaams Energieagentschap kan via een controle ter plaatse van de installatie, de meterstanden en het register nagaan en controleren of aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun, vermeld in deze afdeling, is voldaan.
  Als aan het Vlaams Energieagentschap de toegang tot de installatie wordt geweigerd, als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, of als fraude bij de opneming van de meetgegevens of het invullen van het brandstofregister wordt vastgesteld, kan Vlaams Energieagentschap beslissen om de steun niet toe te kennen of beslissen om de steun terug te vorderen binnen 10 jaar na de ingebruikname van de installatie.
  De steungerechtigde meldt aan het Vlaams Energieagentschap onmiddellijk :
  1° alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden voor toekenning van de steun;
  2° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het bedrag van de toe te kennen steun;
  3° iedere wijziging met betrekking tot de natuurlijke persoon of rechtspersoon waaraan de steun toegekend moet worden.
  Bij elke melding van een wijziging, vermeld in het derde lid, 2°, legt de steungerechtigde een nieuw keuringsverslag voor als vermeld in artikel 7.6.4, § 1. Bij dergelijke wijzigingen kan het Vlaams Energieagentschap zijn beslissing tot toekenning van steun wijzigen. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-09-13/32, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 30-11-2013>

  TITEL VIII. - Erkenning van energiedeskundigen
  
  DROIT FUTUR
  
  [1 TITEL VIII. Erkenning van energiedeskundigen, opleidings- en exameninstellingen en de certificering van aannemers en installateurs]1
  ----------
  (1)<BVR 2013-07-19/72, art. 4, 016; Inwerkingtreding : onbepaald>

  HOOFDSTUK I. - Erkenning als energiedeskundige type A, type B, type C en type D

  Art. 8.1.1.Om door het Vlaamse Gewest erkend te kunnen worden als respectievelijk energiedeskundige type A, type B, type C of type D, voldoet de kandidaat-energiedeskundige aan de volgende voorwaarden :
  1° houder zijn van een door het Vlaams Energieagentschap erkend getuigschrift betreffende een opleiding tot energiedeskundige type A, type B, type C of type D;
  2° zich ertoe verbinden de verklaring op erewoord voor energiedeskundige type A, type B, type C of type D na te leven;
  [1 3° geslaagd zijn voor een door het Vlaams Energieagentschap georganiseerd examen.]1
  De minister legt de voorwaarden vast waaraan de opleidingen, vermeld in het eerste lid, 1°, voldoen om voor erkenning in aanmerking te komen. Die voorwaarden hebben voor type A en type D minstens betrekking op de toepassing van de certificatiesoftware en het inspectieprotocol. Voor energiedeskundigen die al erkend zijn als type A, type B, type C of type D, kan de minister voorzien in een vrijstelling voor bepaalde opleidingsonderdelen van een ander type van opleiding tot energiedeskundige.
  De minister kan nadere regels vastleggen voor de inhoud van de verklaring op erewoord, vermeld in het eerste lid, 2°. Die verklaring op erewoord heeft minstens betrekking op de onafhankelijke wijze van handelen van de energiedeskundige ten aanzien van opdrachtgevers, het vermijden van commerciële belangenvermenging en het naleven van een discretieplicht.
  [1 De minister kan nadere regels vastleggen betreffende de vorm en de inhoud van de examens, vermeld in het eerste lid, 3°.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Art. 8.1.2. § 1. De kandidaat-energiedeskundige type A, type B, type C en type D registreert zich online op de door het Vlaams Energieagentschap aangewezen website. Voor kandidaat-energiedeskundigen die niet kunnen beschikken over een elektronische identiteitskaart of een federaal token, kan de minister een alternatieve procedure vaststellen. Het Vlaams Energieagentschap kent de kandidaat-energiedeskundige die voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, een erkenningsnummer toe. De kandidaat-energiedeskundige type A ontvangt ook de meest recente versie van de certificatiesoftware residentieel en het bijbehorende inspectieprotocol residentieel.
  De kandidaat-energiedeskundige type B ontvangt de meest recente versie van de auditsoftware en het bijbehorende handboek.
  De kandidaat-energiedeskundige type D ontvangt de meest recente versie van de certificatiesoftware niet-residentieel en het bijbehorende inspectieprotocol niet-residentieel.
  § 2. De energiedeskundige brengt het Vlaams Energieagentschap onmiddellijk op de hoogte van wijzigingen in de gegevens die betrekking hebben op de erkenning.
  § 3. Het Vlaams Energieagentschap maakt op zijn website de lijst met erkende energiedeskundigen openbaar.

  HOOFDSTUK II. - Interne energiedeskundige voor publieke gebouwen

  Art. 8.2.1. § 1. De interne energiedeskundige voor publieke gebouwen is een persoon die binnen de publieke organisatie van de gebruiker van het publieke gebouw een functie bekleedt met betrekking tot het aspect energiezorg en die minstens twee jaar relevante beroepservaring in die functie kan aantonen, of die een door het Vlaams Energieagentschap erkende opleiding als vermeld in artikel 8.1.1, heeft gevolgd. De minister kan nadere regels vastleggen betreffende de inhoud van de relevante ervaring.
  § 2. De interne energiedeskundige voor publieke gebouwen kan alleen optreden voor de publieke organisatie waarvoor hij werkt. De interne energiedeskundige voor publieke gebouwen meldt elektronisch zijn aanstelling aan het Vlaams Energieagentschap, alsook voor welke publieke organisatie hij zal optreden. Het Vlaams Energieagentschap kent aan de interne energiedeskundige voor publieke gebouwen een registratienummer toe.

  HOOFDSTUK III. [1 - Centraal examen voor energiedeskundigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-04-27/14, art. 1, 010; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Afdeling I. [1 - Deelname aan het centraal examen voor energiedeskundigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-04-27/14, art. 1, 010; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 8.3.1. [1 § 1. Kandidaat-energiedeskundigen die houder zijn van een getuigschrift, vermeld in artikel 8.1.1, eerste lid, 1°, dat niet ouder is dan zes maanden, of geschorste energiedeskundigen, kunnen deelnemen aan het centraal examen, vermeld in artikel 8.1.1, eerste lid, 3°, dat wordt georganiseerd voor het type van energiedeskundige waarvoor het getuigschrift geldig is.
   De kandidaat-energiedeskundigen en de geschorste energiedeskundigen kunnen zich voor het centraal examen inschrijven via een webapplicatie die het Vlaams Energieagentschap ter beschikking stelt. Het examen waarvoor de kandidaat-energiedeskundige zich wil inschrijven moet echter plaatsvinden voor de termijn, vermeld in het eerste lid, verstreken is. Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vaststellen voor de manier waarop ze zich kunnen inschrijven.
   § 2. Deelnemers aan het centraal examen moeten de volgende bewijsstukken voorleggen :
   1° het bewijs van hun elektronische inschrijving voor het examen;
   2° het bewijs van de tijdige betaling van de verschuldigde retributie, vermeld in artikel 8.3.2;
   3° het bewijs van hun identiteit.
   § 3. Een kandidaat-energiedeskundige of een geschorste energiedeskundige die de bewijsstukken, vermeld in paragraaf 2, niet kan voorleggen, kan niet aan het centraal examen deelnemen.
   § 4. Om te slagen op het centraal examen dienen de kandidaat-energiedeskundigen of geschorste energiedeskundigen minstens 60 percent te halen op het hele examen en minstens 50 percent voor elk onderdeel van het examen, zoals vastgelegd door de minister conform artikel 8.1.1, § 1, vierde lid.
   § 5. Kandidaat-energiedeskundigen of geschorste energiedeskundigen die niet voor het centraal examen slagen, kunnen zich maar eenmaal opnieuw inschrijven voor een nieuw examen, op voorwaarde dat ze nog steeds voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1. Als ze voor dat nieuwe examen niet slagen, kunnen ze pas opnieuw deelnemen aan een volgend examen nadat ze de opleiding, vermeld in artikel 8.1.1, eerste lid, 1°, opnieuw gevolgd hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-04-27/14, art. 1, 010; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Afdeling II. [1 - Retributie voor de deelname aan het centraal examen voor energiedeskundigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-04-27/14, art. 1, 010; Inwerkingtreding : onbepaald>

   Art. 8.3.2. [1 § 1. Deelname aan het centraal examen, vermeld in artikel 8.1.1, eerste lid, 3°, is alleen toegestaan na de betaling van een retributie van 150 euro.
   § 2. De kandidaat-energiedeskundigen en geschorste energiedeskundigen die aan het centraal examen willen deelnemen, storten de verschuldigde retributie op het bij de elektronische inschrijving meegedeelde rekeningnummer van het Energiefonds, met vermelding van de datum van het examen en het inschrijvingsnummer.
   Om te kunnen deelnemen aan het centraal examen moet de retributie uiterlijk veertien dagen voor de datum van het examen betaald zijn.
   De retributie is hoofdelijk verschuldigd per deelname aan het centraal examen. Ingeval kandidaat-energiedeskundigen of geschorste energiedeskundigen door omstandigheden niet kunnen deelnemen aan het centraal examen waarvoor ze zijn ingeschreven, wordt de retributie niet terugbetaald. Ze kunnen zich wel eenmaal herinschrijven voor een volgend examen zonder opnieuw retributie te betalen op voorwaarde dat ze nog steeds voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8.3.1, § 1. Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vaststellen voor de manier waarop hij zich kan herinschrijven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-04-27/14, art. 1, 010; Inwerkingtreding : onbepaald>

  HOOFDSTUK IV. - [1 Opleidings- en exameninstellingen voor de certificering van aannemers en installateurs]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-07-19/72, art. 5, 016; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 8.4.1. [1 § 1. Om door het Vlaams Energieagentschap te worden erkend als opleidingsinstelling voor een of meer types van opleidingen die aanleiding kunnen geven tot certificaten van bekwaamheid, als vermeld in artikel 8.5.1, moet een instelling aan de volgende voorwaarden voldoen :
   1° beschikken over rechtspersoonlijkheid;
   2° beschikken over bevoegd onderwijzend personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht en waarbij elk lid van het onderwijzend personeel zelf houder is van een geldig en toepasselijk getuigschrift, behaald in een ander opleidings- of exameninstelling dan waar het lid onderricht geeft of jureert;
   3° beschikken over de nodige faciliteiten en materialen om de opleiding te kunnen geven.
   § 2. Om door het Vlaams Energieagentschap te worden erkend als exameninstelling voor een of meer types van getuigschriften die aanleiding kunnen geven tot certificaten van bekwaamheid, als vermeld in artikel 8.5.1, moet een instelling aan de volgende voorwaarden voldoen :
   1° een examen organiseren over de gedoceerde materie;
   2° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
   a) de jury bestaat uit minstens drie specialisten in de onderwezen vakken;
   b) minstens één jurylid is onafhankelijk van de instelling die het examen organiseert;
   3° beschikken over de nodige faciliteiten en materialen om het examen te kunnen aanbieden.
   § 3. De minister kan nadere regels bepalen betreffende de kwaliteitsvereisten of inhoud van de opleidingen en examens, vermeld in paragraaf 1 en 2.
   § 4. De aanvraag voor erkenning als opleidings- of exameninstelling wordt met een aangetekende zending ingediend bij het Vlaams Energieagentschap. Deze aanvraag bevat minstens de volgende gegevens :
   1° de gegevens van de aanvrager, namelijk de officiële naam, adres, telefoon- en telefaxnummer;
   2° in geval van aanvraag tot erkenning van een opleidingsinstelling het gedetailleerde programma van de lessen en een gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop de opleidingen zullen worden georganiseerd;
   3° in geval van aanvraag tot erkenning van een exameninstelling het gedetailleerde programma van de examens en een gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop de examens zullen worden georganiseerd;
   4° een beschrijving van de beschikbare faciliteiten en materialen.
   Het Vlaams Energieagentschap stelt via haar website een aanvraagformulier ter beschikking. De aanvrager is ertoe gehouden alle door het Vlaams Energieagentschap in het kader van haar onderzoek gevraagde aanvullende inlichtingen en documenten binnen de gestelde termijn te verstrekken.
   Het Vlaams Energieagentschap onderzoekt de aanvraag en doet bij besluit van het hoofd van het agentschap uitspraak over de aanvraag.
   § 5. Aan het Vlaams Energieagentschap worden alle opgevraagde inlichtingen betreffende de opleidingen en examens meegedeeld en worden alle opgevraagde documenten ter beschikking gesteld. Het Vlaams Energieagentschap mag steeds van rechtswege de opleidingen en de examens bijwonen of hiervoor een bevoegde persoon/organisatie aanduiden.
   § 6. Instructies vanwege het Vlaams Energieagentschap met betrekking tot de opleidingen en examens moeten opgevolgd worden.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-07-19/72, art. 5, 016; Inwerkingtreding : onbepaald>

   HOOFDSTUK V. - [1 Certificering van aannemers en installateurs]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-07-19/72, art. 5, 016; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 8.5.1. [1 § 1. Om de kwaliteit te garanderen van aannemers en installateurs wordt er op vrijwillige basis respectievelijk een certificaat van bekwaamheid en een certificaat van bekwaamheid als aspirant ingevoerd voor de volgende categorieën van werken :
   1° de installatie van fotovoltaïsche zonne-energiesystemen tot maximaal 10 kW AC-vermogen van de omvormer, inclusief de integratie in en op dakbedekkingen;
   2° de installatie van thermische zonne-energiesystemen voor de productie van sanitair warm water, inclusief de integratie in en op dakbedekkingen, tot een thermisch vermogen van maximaal 50 kW;
   3° de installatie van thermische zonne-energiesystemen aangaande de gecombineerde productie van sanitair warm water en verwarming, inclusief de integratie in en op dakbedekkingen, tot een thermisch vermogen van maximaal 50kW;
   4° de installatie van een biomassakachel voor gedecentraliseerde verwarming, tot een thermisch vermogen van maximaal 100 kW;
   5° de installatie van een biomassaketel aangaande de productie van sanitair warm water of verwarming, tot een thermisch vermogen van maximaal 100 kW;
   6° de installatie van warmtepompen, met uitzondering van ondiepe geothermische systemen, als vermeld in 7°, tot een thermisch vermogen van maximaal 50 kW;
   7° de installatie van systemen voor de warmteterugwinning door ondiepe geothermische systemen, tot een thermisch vermogen van maximaal 50 kW, met dien verstande dat boringen zoals vermeld in artikel 6, 7°, van het VLAREL worden uitgevoerd door een erkend boorbedrijf.
   § 2. Het certificaat van bekwaamheid en het certificaat van bekwaamheid als aspirant, vermeld in paragraaf 1, mogen alleen worden uitgereikt door een organisatie die daartoe door de minister is gemachtigd.
   De certificaten die overeenkomstig de criteria van de richtlijn 2009/28/EG werden uitgevaardigd door een door een ander gewest of een andere Europese lidstaat daarvoor gemachtigde instantie, zijn gelijkwaardig aan een certificaat van bekwaamheid dat werd afgeleverd door de instantie, vermeld in het eerste lid.
   § 3. Het certificaat van bekwaamheid kan alleen op individuele basis worden toegekend aan een natuurlijke persoon. Om te worden gecertificeerd voldoet de aanvrager die het certificaat wil verkrijgen aan de volgende voorwaarden :
   1° voor die categorie de opleiding gevolgd hebben bij een door het Vlaams Energieagentschap erkende opleidingsinstelling;
   2° beschikken over een getuigschrift waaruit blijkt dat hij voor die categorie geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 8.4.1, § 2, 1°, en dat niet ouder is dan zes maanden;
   3° voor de categorie waarvoor de aanvraag tot het verkrijgen van het certificaat van bekwaamheid wordt gedaan, beschikken over minstens drie jaar relevante beroepservaring;
   4° wanneer toepasselijk, voldoen aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 29 januari 2007 betreffende de beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van zelfstandige activiteiten van het bouwvak en van de elektrotechniek, alsook van de algemene aanneming;
   5° voor de categorieën waar het koninklijk besluit, vermeld in 4°, geen voorwaarden stelt, voldoen aan de door de minister vastgestelde voorwaarden betreffende basisopleiding of beroepsopleiding voor een basisberoep.
   De minister kan nadere regels bepalen betreffende de inhoud van de beroepservaring, vermeld in het eerste lid, 3°.
   § 4. Het certificaat van bekwaamheid als aspirant kan alleen op individuele basis worden toegekend aan een natuurlijke persoon. Om te worden gecertificeerd voldoet de aanvrager die het certificaat wil bekomen aan de volgende voorwaarden :
   1° voor die categorie de opleiding gevolgd hebben bij een door het Vlaams Energieagentschap erkende opleidingsinstelling;
   2° beschikken over een getuigschrift waaruit blijkt dat hij voor die categorie geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 8.4.1, § 2, 1°, en dat niet ouder is dan zes maanden;
   3° wanneer toepasselijk, voldoen aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 29 januari 2007 betreffende de beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van zelfstandige activiteiten van het bouwvak en van de elektrotechniek, alsook van de algemene aanneming.
   4° voor de categorieën waar het koninklijk besluit, vermeld in 3°, geen voorwaarden stelt, voldoen aan de door de minister vastgestelde voorwaarden betreffende basisopleiding of beroepsopleiding voor een basisberoep.
   De natuurlijke persoon die een certificaat van bekwaamheid als aspirant heeft toegekend gekregen, kan een certificaat van bekwaamheid verkrijgen indien er binnen de geldigheidsperiode vermeld in paragraaf 7 voldaan is aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 3.
   § 5. Om te mogen deelnemen aan het examen, vermeld in artikel 8.4.1, § 2, 1°, moet de kandidaat meer dan 60 % aanwezig zijn tijdens de verplichte opleidingsmodules.
   De minister kan bepalen welke opleidingsmodules in elk geval verplicht te volgen zijn.
   Om te slagen op het examen, vermeld in artikel 8.4.1, § 2, 1°, moet de kandidaat op elk deel van het examen een score van minstens 60 % halen, en mogen er geen zware fouten zijn gemaakt op de vereiste basiscompetenties, waarbij de fout aanleiding kan geven tot het niet correct of inefficiënt functioneren van de installatie of een risico inhoudt voor de installateur of de gebruiker.
   De erkende exameninstelling verstrekt de geslaagde kandidaat een getuigschrift.
   Kandidaten die niet voor het examen slagen, kunnen zich voor die categorie maar eenmaal opnieuw inschrijven voor een nieuw examen, op voorwaarde dat ze nog steeds voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 3 of 4. Kandidaten die niet slagen voor een deel van het examen, hebben de mogelijkheid enkel dit deel te hernemen. Als ze voor dat nieuwe examen niet slagen, kunnen ze pas opnieuw deelnemen aan een volgend examen nadat ze voor die categorie de opleiding, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1° of paragraaf 4, eerste lid, 1° opnieuw gevolgd hebben.
   § 6. De minister kan nadere regels bepalen betreffende de vorm en inhoud van het certificaat van bekwaamheid.
   § 7. Het certificaat van bekwaamheid is vijf jaar geldig. Om door de instantie, vermeld in paragraaf 2, met vijf jaar te worden verlengd, moet de aanvrager bewijzen dat hij voor het verstrijken van de geldigheid van het certificaat voldoende bijscholing heeft gevolgd. De minister kan nadere regels bepalen betreffende de inhoud van die bijscholing.
   Wanneer de aanvrager aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid voldoet, neemt de instantie, vermeld in paragraaf 2, binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de aanvraag de beslissing tot verlenging. Wanneer die instantie binnen die termijn echter geen beslissing heeft genomen wordt het certificaat van bekwaamheid automatisch met vijf jaar verlengd.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-07-19/72, art. 5, 016; Inwerkingtreding : onbepaald>

  TITEL IX. - Energieprestatie van gebouwen

  HOOFDSTUK I. - Energieprestaties en binnenklimaat van gebouwen

  Afdeling I. - Algemene bepalingen

  Art. 9.1.1.Dit hoofdstuk van toepassing op gebouwen waarvoor energie verbruikt wordt om ten behoeve van mensen een specifieke binnentemperatuur te bereiken, en waarvoor een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning wordt ingediend. Dit hoofdstuk is ook van toepassing op de gebouwen waarvoor de verplichting tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning vervangen werd door de melding.
  [1 Indien gedurende of voor de start van de werken een wijziging van een bestaande stedenbouwkundige vergunning wordt gevraagd en het voorwerp van deze aanvraag betreft een uitbreiding van het gebouw met subdossiers, dan zijn op die subdossiers de EPB-eisen van toepassing die gelden op het moment van de aanvraag tot het verkrijgen van de wijzigende stedenbouwkundige vergunning. Indien echter voor het hele gebouw, inclusief de aangevraagde wijzigingen, een volledig nieuwe stedenbouwkundige vergunning wordt verleend, dan zijn de EPB-eisen die gelden op het moment van deze laatste aanvraag van toepassing.
   In afwijking van het tweede lid gelden de EPB-eisen die van toepassing waren op het moment van de oorspronkelijke aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning indien de aangevraagde wijziging van de bestaande stedenbouwkundige vergunning geen uitbreiding van het gebouw met subdossiers bevat.
   In afwijking van het eerste lid, het tweede en het derde lid, worden gebouwen waarvoor de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning een regularisatie van een bouwmisdrijf betreft, onderworpen aan de EPB-eisen die van toepassing waren op het moment dat de werken, die het voorwerp uitmaken van de aanvraag, gestart werden.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Afdeling II. - EPB-eisen bij nieuwbouw

  Onderafdeling I. - Thermische isolatie

  Art. 9.1.2.Nieuw op te richten woon-, kantoor- en schoolgebouwen en gebouwen met een andere specifieke bestemming voldoen aan elk van de volgende eisen :
  1° [1 voor het gebouw als geheel mag het peil van globale warmte-isolatie niet meer bedragen dan :
   a) K45, als de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt voor 1 januari 2012;
   b) K40, als de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2012;]1
  2° de constructieonderdelen voldoen aan de maximale warmtedoorgangscoëfficiënt of aan de minimale warmteweerstand, vermeld in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd.
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Art. 9.1.3.Nieuw op te richten industriële gebouwen voldoen aan een van de volgende eisen :
  1° voor het gebouw als geheel bedraagt het peil van de globale warmte-isolatie niet meer dan K55;
  2° de constructieonderdelen voldoen aan de maximale warmtedoorgangscoëfficiënt of aan de minimale warmteweerstand, vermeld in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd.
  [1 Nieuw op te richten industriële gebouwen waarvoor de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2012, voldoen aan elk van de volgende eisen :
   1° voor het gebouw als geheel mag het peil van globale warmte-isolatie niet meer bedragen dan K40;
   2° de constructieonderdelen voldoen aan de maximale warmtedoorgangscoëfficiënt of aan de minimale warmteweerstand zoals vastgelegd in bijlage VII bij dit besluit.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Art. 9.1.4. In afwijking van de bepalingen van artikel 9.1.2 gelden voor nieuw op te richten kantoorgebouwen de eisen voor nieuw op te richten industriële gebouwen als het kantoorgebouw aan elk van de volgende voorwaarden voldoet :
  1° het heeft een beschermd volume kleiner dan 800 m3
  2° het maakt deel uit van een industrieel gebouw;
  3° alle kantoordelen samen omvatten ten hoogste 40 % van het totale beschermde volume van de delen kantoor en industrie samen.

  Art. 9.1.5. De invloed van bouwknopen op het specifieke warmteverlies door transmissie wordt bepaald overeenkomstig bijlage VIII, die bij dit besluit is gevoegd.

  Onderafdeling II. - Ventilatie

  Art. 9.1.6. Nieuw op te richten residentiële gebouwen beschikken over ventilatievoorzieningen als vermeld in bijlage IX, die bij dit besluit is gevoegd.

  Art. 9.1.7. Nieuw op te richten kantoorgebouwen, schoolgebouwen, gebouwen met een andere specifieke bestemming en industriële gebouwen beschikken over ventilatievoorzieningen als vermeld in bijlage X, die bij dit besluit is gevoegd.

  Onderafdeling III. - E-peil en oververhitting

  Art. 9.1.8. Het peil van primair energieverbruik van residentiële gebouwen wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd.
  De referentiewaarde om het E-peil, vermeld in het eerste lid, te bepalen, wordt berekend op basis van de volgende waarden van de constanten, vermeld in hoofdstuk 6 van bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd :
  1° a1 = 115;
  2° a2 = 70;
  3° a3 = 105.

  Art. 9.1.9.Het peil van primair energieverbruik van kantoor- en schoolgebouwen wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van bijlage VI, die bij dit besluit is gevoegd.
  De referentiewaarde om het E-peil, vermeld in het eerste lid, te bepalen, wordt berekend op basis van de volgende waarden van de constanten, vermeld in hoofdstuk 4 van bijlage VI, die bij dit besluit is gevoegd :
  1° b1 = 105;
  2° b2 = 175;
  3° b3 = 50;
  4° b4 = 35;
  5° b5 = 0,7.
  Als een kantoorgebouw een beschermd volume heeft dat niet groter is dan [1 800 m3]1; en deel uitmaakt van een residentieel gebouw, hoeft in afwijking van het eerste lid voor het kantoorgedeelte op zich geen apart E-peil bepaald te worden. In dat geval wordt het kantoorgedeelte als onderdeel van het residentiële gebouw beschouwd en mag een gezamenlijk E-peil worden bepaald volgens de regels van artikel 9.1.8 die gelden voor residentiële gebouwen.
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Art. 9.1.10. Voor de bepaling van het E-peil gelden de volgende conversiefactoren naar primaire energie (fp) :
  1° fossiele brandstoffen : fp = 1;
  2° elektriciteit : fp = 2,5;
  3° door middel van warmtekrachtkoppeling zelfopgewekte elektriciteit : fp = 1,8;
  4° biomassa : fp = 1.

  Art. 9.1.11.§ 1. [1 Het E-peil van nieuw op te richten woongebouwen bedraagt niet meer dan :
   1° E100, als de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt voor 1 januari 2010;
   2° E80, als de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2010;
   3° E70, als de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2012;
   4° E60, als de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2014.
   Het E-peil van nieuw op te richten kantoor- en schoolgebouwen bedraagt niet meer dan :
   1° E100, als de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt voor 1 januari 2012;
   2° E70, als de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2012;
   3° E60, als de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2014.]1
  § 2. Elke wooneenheid van nieuw op te richten residentiële gebouwen dient afzonderlijk te voldoen aan de E-peileis, vermeld in paragraaf 1.
  § 3. In afwijking van de bepalingen van paragraaf 1 gelden voor een kantoorgebouw geen eisen op het vlak van het E-peil als het aan elk van de volgende voorwaarden voldoet :
  1° het heeft een beschermd volume dat kleiner is dan 800 m3
  2° het maakt deel uit van een gebouw met een andere specifieke bestemming of van een industrieel gebouw;
  3° alle kantoordelen samen omvatten ten hoogste 40 % van het totale beschermde volume van de delen kantoor en industrie samen of van de delen kantoor en andere specifieke bestemming samen.
  [2 § 4. Als niet voldaan wordt aan de verplichting, vermeld in artikel 9.1.12/2 en 9.1.12/3, wordt voor nieuw op te richten kantoor-, school- en woongebouwen waarvoor de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2014, het E-peil, vermeld in paragraaf 1, verstrengd met 10 percent.
   In afwijking van het eerste lid geldt die verstrenging voor nieuw op te richten kantoor- en schoolgebouwen van publieke organisaties waarvoor de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2013.]2
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>
  (2)<BVR 2012-09-28/05, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 16-11-2012>

  Art. 9.1.12. Elke wooneenheid van nieuw op te richten residentiële gebouwen moet afzonderlijk voldoen aan de eis met betrekking tot de beperking van het risico op oververhitting, vermeld in hoofdstuk 8 van bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd.

  Onderafdeling III/1. [1 - Netto-energiebehoefte voor verwarming]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-05-20/14, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Art. 9.1.12/1. [1 § 1. De netto-energiebehoefte voor verwarming van nieuw op te richten woongebouwen waarvoor de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2012, mag niet hoger zijn dan 70 kWh/m2 per jaar.
  
  § 2. Elke wooneenheid van nieuw op te richten woongebouwen dient afzonderlijk aan de eis op het vlak van de netto-energiebehoefte voor verwarming, vermeld in paragraaf 1, te voldoen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-05-20/14, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Onderafdeling III/2. [1 - Aandeel hernieuwbare energie]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-09-28/05, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 16-11-2012>

  Art. 9.1.12/2.[1 In nieuw op te richten woongebouwen waarvoor de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2014, moet minstens een van de volgende systemen toegepast worden :
   1° een thermisch zonne-energiesysteem dat voldoet aan de volgende voorwaarden :
   a) de collectoren hebben een oriëntatie gelegen tussen het oosten en het westen, via het zuiden, en een helling tussen 0 en 70° ten opzichte van de horizon;
   b) de apertuuroppervlakte van de collectoren bedraagt minstens 0,02 m2 per m2 per m2 bruikbare vloeroppervlakte van de wooneenheid;
   c) het thermisch zonne-energiesysteem moet minstens aangesloten zijn op een tappunt voor warm tapwater;
   2° een fotovoltaïsch zonne-energiesysteem dat voldoet aan de volgende voorwaarden :
   a) de panelen hebben een oriëntatie gelegen tussen het oosten en het westen, via het zuiden, en een helling tussen 0 en 70° ten opzichte van de horizon;
   b) het systeem produceert minstens 7 kWh/jaar energie, zoals berekend in de energieprestatieregelgeving, per m2 bruikbare vloeroppervlakte van de wooneenheid en minstens 10 kWh/jaar energie, zoals berekend in de energieprestatieregelgeving, per m2 bruikbare vloeroppervlakte van de wooneenheid als de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2016;
   3° een biomassaketel, biomassakachel of een gebouwgebonden kwalitatieve WKK op biomassa voor verwarming, die voldoet aan de volgende voorwaarden :
   a) de biomassaketel, biomassakachel of een gebouwgebonden kwalitatieve WKK op biomassa voor verwarming is als enige of als hoofdverwarmingssysteem geïnstalleerd (minstens 85 % van de bruto-energiebehoefte voor ruimteverwarming van de wooneenheid wordt ermee afgedekt).
   b) de biomassaketel of biomassakachel heeft een opwekkingsrendement van minstens 85 %, bepaald volgens het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 tot regeling van de minimale eisen van rendement en emissieniveaus van verontreinigende stoffen voor verwarmingsapparaten, en voldoet tevens aan de voorwaarden inzake rendement en emissieniveaus, vastgelegd door hetzelfde koninklijk besluit, fase III. Bij de aangifte wordt een verklaring van overeenstemming gevoegd, zoals bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit;
   4° een warmtepomp die :
   a) als enige of als hoofdverwarmingssysteem is geïnstalleerd (minstens 85 % van de bruto-energiebehoefte voor ruimteverwarming van de wooneenheid wordt ermee afgedekt);
   b) een seizoensprestatiefactor, zoals berekend in de energieprestatieregelgeving, heeft die groter is dan 4;
   5° aansluiting op stadsverwarming of -koeling die minstens voor 45 % uit hernieuwbare energiebronnen wordt geproduceerd;
   6° participatie ten belope van minstens 20 euro per m2 per m2 bruikbare vloeroppervlakte in een project voor de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen in de provincie waar het gebouw zich bevindt of in een aanpalende gemeente. De participatie dient te gebeuren in een organisatie die specifiek dat project als doel heeft. Het project moet beschikken over een stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning indien noodzakelijk, beiden toegekend na 1 januari 2014, en moet gerealiseerd worden binnen drie jaar na het bekomen van de laatste van de vergunningen. Bij de aangifte wordt het bewijs van de participatie voorgelegd door middel van een overeenkomst tussen participant en projectuitvoerder. De participatie-overeenkomst bevat een verbod om de participatie gedurende de eerste 10 jaar van uitbating onder enige vorm te vervreemden, en kan slechts één maal ingediend worden om te voldoen aan dit besluit. De overeenkomst beschikt over een uniek nummer en wordt geregistreerd door de projectuitvoerder, die de lijst van participanten en participatienummers ter beschikking stelt van het Vlaams Energieagentschap. Het project produceert minstens 7 kWh/jaar energie per m2 per m2 bruikbare vloeroppervlakte, opgeteld voor de gebouwen van alle participanten die deze maatregel nemen om te voldoen aan dit besluit. Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vastleggen voor de uitvoering en controle van deze maatregel.
   In afwijking van het eerste lid, kan voor nieuw op te richten woongebouwen van meer dan één wooneenheid, waarvoor de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2014, ook voldaan worden indien ze minimaal 10 kWh/jaar energie per m2 per m2 bruikbare vloeroppervlakte van de wooneenheid halen uit hernieuwbare energiebronnen door middel van een of meerdere van de systemen, vermeld in het eerste lid. Systemen, geïnstalleerd in dergelijke gebouwen, moeten niet voldoen aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid, 1°, b, 2°, b, 3°, a en 4°, a. Het energieverbruik uit hernieuwbare energiebronnen wordt in dit geval berekend overeenkomstig de bepalingen van bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-09-28/05, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 16-11-2012>

  Art. 9.1.12/3.[1 § 1. Nieuw op te richten kantoor- en schoolgebouwen waarvoor de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2014, halen minimaal 10 kWh/jaar energie per m2 per m2 bruikbare vloeroppervlakte uit hernieuwbare energiebronnen door middel van een of meerdere van de systemen, vermeld in artikel 9.1.12/2. Systemen, geïnstalleerd in dergelijke gebouwen, moeten niet voldoen aan de voorwaarden vermeld in 9.1.12/2, 1°, b en c, 2°, b, 3°, a en 4°, a.
   De hoeveelheid energie uit hernieuwbare energiebronnen wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van bijlage VI, die bij dit besluit is gevoegd.
   § 2. In afwijking van § 1 geldt de verplichting voor nieuw op te richten kantoor- en schoolgebouwen van publieke organisaties waarvoor de melding gedaan wordt, of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2013.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-09-28/05, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 16-11-2012>

  Onderafdeling IV. - EPB-haalbaarheidsstudies voor alternatieve energiesystemen

  Art. 9.1.13.Bij nieuw op te richten gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1000 m2, dient de bouwheer uiterlijk één maand na de indiening van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning [1 of na de melding]1 een EPB-haalbaarheidsstudie in bij het Vlaams Energieagentschap.
  [2 Voor nieuw op te richten gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte kleiner dan 1000 m2 geldt de algemene haalbaarheidsstudie die voor het hele Vlaamse Gewest wordt opgesteld. De minister legt die algemene haalbaarheidsstudie vast.]2
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>
  (2)<BVR 2012-09-28/05, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 16-11-2012>

  Art. 9.1.14. De minister legt de technologieën vast waarvoor een EPB-haalbaarheidsstudie moet worden opgesteld. Die heeft betrekking op de technische, milieutechnische en economische haalbaarheid van alternatieve systemen, zoals gedecentraliseerde systemen voor energievoorziening op basis van hernieuwbare energiebronnen, warmtekrachtkoppeling, stads/blokverwarming of -koeling indien beschikbaar, en warmtepompen onder bepaalde voorwaarden.
  De EPB-haalbaarheidsstudie bepaalt voor elk van de alternatieve systemen :
  1° het aangewezen te installeren vermogen van het alternatieve systeem;
  2° de investeringskosten zonder overheidssteun;
  3° de investeringskosten met overheidssteun;
  4° de meerinvesteringen ten opzichte van een klassiek systeem, rekening houdend met de overheidssteun;
  5° de besparingen of meeruitgaven qua energieverbruik en exploitatie ten gevolge van het alternatieve systeem ten opzichte van een klassiek systeem;
  6° de eenvoudige terugverdientijd;
  7° of de bouwheer van plan is, rekening houdend met de resultaten van de EPB-haalbaarheidsstudie, de technologie toe te passen.
  De eenvoudige terugverdientijd, vermeld in 6°, wordt berekend als de meerinvesteringen, vermeld in 4°, gedeeld door de besparingen vermeld in 5°, als die positief zijn.
  De minister bepaalt de nadere regels voor de indiening van de EPB-haalbaarheidsstudie.

  Afdeling III. - [1 - EPB-eisen bij renovatie en functiewijziging]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Onderafdeling I. [1 - Renovatie]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-05-20/14, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 9.1.15.[1 Bij de renovatie van een gebouw gelden de volgende EPB-eisen :
   1° de nieuwe, vernieuwde en verbouwde constructieonderdelen voldoen aan de maximale warmtedoorgangscoëfficiënt of aan de minimale warmteweerstand zoals vastgelegd in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd;
   2° het nieuw gebouwde toegevoegde deel, voldoet aan de eisen voor nieuwe gebouwen met dezelfde bestemming, vermeld in artikel 9.1.6 en artikel 9.1.7. Als een nieuw gebouwde residentiële ruimte alleen met bestaande ruimten in verbinding staat via bestaande verticale scheidingsconstructies waaraan niets vervangen, vernieuwd of verbouwd wordt, dan hoeft in die ruimte niet voldaan te worden aan :
   a) de luchtafvoereisen, als de nieuw gebouwde residentiële ruimte een woonkamer, slaapkamer, studeerkamer, speelkamer of analoge ruimte is;
   b) de luchttoevoereisen, als de nieuw gebouwde residentiële ruimte een keuken, toilet, wasplaats, badkamer, droogplaats of analoge ruimte is;
   3° in de bestaande ruimten van woongebouwen waar vensters worden vervangen of toegevoegd, moet worden voldaan aan de luchttoevoereisen, vermeld in bijlage IX, die bij dit besluit is gevoegd. Die eis geldt niet voor keukens, toiletten, wasplaatsen, badkamers, droogplaatsen en analoge ruimten. In die bestaande ruimten van kantoor- en schoolgebouwen en gebouwen met een andere specifieke bestemming waar vensters worden vervangen of toegevoegd, moet worden voldaan aan de luchttoevoereisen, vermeld in bijlage X, die bij dit besluit is gevoegd.
  Op andere functiewijzigingen zijn de eisen op het vlak van renovatie, vermeld in artikel 9.1.15, van toepassing.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Onderafdeling II. [1 - Functiewijziging met een beschermd volume dat groter is dan 800 m3]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-05-20/14, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 9.1.16.[1 Bij een functiewijziging van een gebouw waarbij na de functiewijziging in tegenstelling tot voordien energie verbruikt wordt om ten behoeve van mensen een specifieke binnentemperatuur te verkrijgen of bij een functiewijziging van een industrieel gebouw naar woon-, kantoor- of schoolgebouw gelden, als het beschermd volume van de functiewijziging groter is dan 800 m3, de volgende EPB-eisen :
  1° het peil van globale warmte-isolatie mag niet hoger zijn dan K65;
  2° de ventilatie-eisen voor nieuwe gebouwen met dezelfde bestemming, vermeld in artikel 9.1.6 en 9.1.7;
  3° de nieuwe, vernieuwde en verbouwde constructieonderdelen voldoen aan de maximale warmtedoorgangscoëfficiënt of aan de minimale warmteweerstand zoals vastgelegd in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd.
  Op andere functiewijzigingen zijn de eisen op het vlak van renovatie, vermeld in artikel 9.1.15, van toepassing.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 9.1.17.
  <Opgeheven bij BVR 2011-05-20/14, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 9.1.18.
  <Opgeheven bij BVR 2011-05-20/14, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 9.1.19.
  <Opgeheven bij BVR 2011-05-20/14, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Afdeling IV. - Vrijstellingen en afwijkingen

  Art. 9.1.20. Als bij de indiening van de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor een gebouw met beschermd volume kleiner dan 3 000 m3 de tussenkomst van een architect niet vereist is, zijn de EPB-eisen van dit hoofdstuk niet van toepassing.

  Art. 9.1.21. De EPB-eisen zijn niet van toepassing voor gebouwen waarvoor een tijdelijke vergunning, met toepassing van artikel 4.6.1, in fine, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 verleend wordt en voor zover de totale duur van die tijdelijke vergunning twee jaar niet overschrijdt.

  Art. 9.1.22. De EPB-eisen zijn niet van toepassing op alleenstaande gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 50 m2.

  Art. 9.1.23.[1 Voor beschermde monumenten en bestaande gebouwen die deel uitmaken van een beschermd landschap, stads- of dorpsgezicht, zijn de volgende eisen van toepassing :
  
  1° bij herbouw en uitbreiding, de eisen, vermeld in de artikelen 9.1.15 en 9.1.16;
  
  2° bij verbouwing, de maximale U-waarden en minimale R-waarden, vermeld in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd, wat betreft de daken en vloeren.
  
  In afwijking van het eerste lid, 2° kan van die eisen worden afgeweken, voor zover de toepassing van die eisen het karakter of aanzicht van het gebouw op onaanvaardbare wijze zou veranderen.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 12, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Art. 9.1.24. Gebouwen die opgenomen zijn in de inventaris van het bouwkundige erfgoed, of delen van die gebouwen worden vrijgesteld van de volgende eisen, vermeld in artikel 9.1.17 :
  1° het voldoen aan de maximale warmtedoorgangscoëfficiënt of aan de minimale warmteweerstand, vermeld in bijlage VII die bij dit besluit is gevoegd, voor de gevelonderdelen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg;.
  2° de luchttoevoereisen, vermeld in bijlage IX die bij dit besluit is gevoegd, in geval van residentiële gebouwen, en de luchttoevoereisen, vermeld in bijlage X, die bij dit besluit is gevoegd, in geval van kantoor- en schoolgebouwen, gebouwen met een andere specifieke bestemming in de ruimten van woon-, kantoor- en schoolgebouwen en gebouwen met een andere specifieke bestemming waar alleen ramen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, worden vervangen.

  Art. 9.1.25. Bij een functiewijziging van gebouwen die opgenomen zijn in de inventaris van het bouwkundige erfgoed, of delen van die gebouwen, gelden in afwijking van artikel 9.1.19 de volgende eisen :
  1° de gevelonderdelen die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, voldoen aan de maximale warmtedoorgangscoëfficiënt of aan de minimale warmteweerstand, vermeld in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd;
  2° in de ruimten van woon-, kantoor- en schoolgebouwen en gebouwen met een andere specifieke bestemming waar ramen die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, worden vervangen, moet worden voldaan aan :
  a) de luchttoevoereisen, vermeld in bijlage IX, die bij dit besluit is gevoegd, in geval van residentiële gebouwen,
  b) de luchttoevoereisen, vermeld in bijlage X, die bij dit besluit is gevoegd, in geval van kantoor- en schoolgebouwen en gebouwen met een andere specifieke bestemming.

  Art. 9.1.26. Gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten en die niet vallen onder de toepassing van artikel 9.1.23, kunnen vrijgesteld worden van een of meer van de EPB-eisen, vermeld in artikel dit hoofdstuk.

  Art. 9.1.27. § 1. Bestaande gebouwen en nieuwe gebouwen die om technische, functionele of economische redenen de EPB-eisen niet kunnen behalen, kunnen vrijgesteld worden van een of meer van de EPB-eisen, vermeld in dit hoofdstuk.
  In afwijking van het eerste lid kunnen nieuwe gebouwen, gebouwen die herbouwd worden na volledige afbraak, en het nieuw gebouwde toegevoegde deel van een gebouw dat uitgebreid wordt met een of meer wooneenheden of met een bijkomend beschermd volume dat groter is dan 800 m3, niet worden vrijgesteld van de E-peileisen, vermeld in dit hoofdstuk.
  § 2. Industriële gebouwen waarin industriële processen plaatsvinden die zelf warmte produceren en waarvoor om die reden in koeling of in een geforceerde ventilatie moet worden voorzien om een aanvaardbaar binnenklimaat te creëren, kunnen vrijgesteld worden van een of meer van de EPB-eisen, vermeld in dit hoofdstuk.

  Art. 9.1.28. § 1. Voor bestaande gebouwen en nieuwe gebouwen die om technische, functionele of economische redenen de EPB-eisen niet kunnen behalen, kan een afwijking aangevraagd worden voor bepaalde onderdelen van het gebouw.
  In afwijking van het eerste lid kan voor nieuwe gebouwen, gebouwen die herbouwd worden na volledige afbraak, en het nieuw gebouwde toegevoegde deel van een gebouw dat uitgebreid wordt met een of meer wooneenheden of met een bijkomend beschermd volume dat groter is dan 800 m3, geen afwijking worden aangevraagd voor de E-peileisen, vermeld in dit hoofdstuk.
  § 2. Voor industriële gebouwen waarin industriële processen plaatsvinden die zelf warmte produceren en waarvoor om die reden in koeling of in een geforceerde ventilatie moet worden voorzien om een aanvaardbaar binnenklimaat te creëren, kan een afwijking aangevraagd worden voor bepaalde onderdelen van het gebouw.

  Art. 9.1.29. Voor gebouwen die gebruikmaken van innovatieve bouwconcepten of technologieën waarop de berekeningswijzen, vermeld in de bijlagen bij dit hoofdstuk, niet kunnen worden toegepast, kan een afwijking aangevraagd worden om te worden beoordeeld door middel van een alternatieve berekeningswijze, voor zover aangetoond kan worden dat de prestatieniveaus van het gebouw minstens gelijkwaardig zijn aan de eisen, vermeld in dit hoofdstuk.

  Art. 9.1.30.[1 § 1. De vrijstellingen, vermeld in artikel 9.1.23, eerste lid en artikel 9.1.24, en de afwijking, vermeld in artikel 9.1.25, worden voor het aanvatten van de werken en de handelingen gemeld aan het Vlaams Energieagentschap.
   § 2. Individuele vrijstellingen, vermeld in artikel 9.1.26 en in artikel 9.1.27, en individuele afwijkingen, vermeld in artikel 9.1.23, tweede lid en in artikel 9.1.28, worden uiterlijk drie maanden na de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning door de aangifteplichtige bij het Vlaams Energieagentschap aangevraagd.
   § 3. De minister kan, op voorstel van het Vlaams Energieagentschap, de individuele vrijstellingen, vermeld in artikel 9.1.26 en 9.1.27, en de individuele afwijkingen, vermeld in artikel 9.1.23, tweede lid, en artikel 9.1.28, toestaan.
   § 4. In afwijking van § 2 en § 3 kan de minister, na advies van het Vlaams Energieagentschap, algemene vrijstellingen en afwijkingen, vermeld in artikel 9.1.23, tweede lid, en artikel 9.1.26 tot en met 9.1.29, bepalen.]1Afdeling V. - Uitvoeringsmaatregelen

  Art. 9.1.31. De minister bepaalt nadere regels voor de vorm en de inhoud en de wijze van indienen van de EPB-aangifte, de EPB-haalbaarheidsstudie en de startverklaring.

  Art. 9.1.32. De minister bepaalt welke gegevens van de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning en van de stedenbouwkundige vergunning door de gemeente in de energieprestatiedatabank moeten worden opgenomen, en bepaalt de minimale voorwaarden waaraan de energieprestatiedatabank moet voldoen.
  De minister legt tevens vast in welke vorm die gegevens uitgewisseld worden en bepaalt de nadere regels met betrekking tot het toekennen van een energieprestatiedossiernummer.

  Afdeling VI. - Overgangs- en slotbepalingen

  Art. 9.1.33. In afwijking van artikel 9.1.5 mag de invloed van bouwknopen op het specifieke warmteverlies door transmissie voorlopig buiten beschouwing gelaten worden. De minister bepaalt het tijdstip vanaf wanneer deze invloed wel in beschouwing dient te worden genomen.

  HOOFDSTUK II. - Energieprestatiecertificaten

  Afdeling I. - Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen

  Onderafdeling I. - Opmaak van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen

  Art. 9.2.1. § 1. Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen wordt opgemaakt door een energiedeskundige type A en bevat minstens de volgende gegevens :
  1° de datum van opmaak van het energieprestatiecertificaat;
  2° de identificatie van de energiedeskundige;
  3° de gebouwspecifieke gegevens, zoals het adres en de bestemming;
  4° de uitdrukking van de energieprestatie van het gebouw aan de hand van het kengetal residentieel met aanduiding van referentiewaarden;
  5° de unieke code;
  6° de aanbevelingen voor de kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie van het gebouw.
  De minister bepaalt nadere regels voor de vorm en de inhoud van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.
  § 2. Een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen heeft betrekking op een enkele wooneenheid. Voor elke wooneenheid mogen gebouwdelen met een niet-residentiële bestemming ander dan industrie en met een beschermd volume van minder dan 800 m3 worden opgenomen in het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen, voor zover het aandeel van de residentiële gebouwdelen van de wooneenheid groter is dan het aandeel van de niet-residentiële gebouwdelen.
  § 3. De minister kan besluiten dat voor de certificering van bepaalde residentiële gebouwen, zoals appartementen en sociale woningen, gegevens van gelijksoortige gebouwen kunnen worden hergebruikt. De minister kan nadere regels vastleggen met betrekking tot het hergebruik van die gegevens. Het ministerieel besluit wordt vooraf aan de Vlaamse Regering meegedeeld.
  § 4. Voor de opmaak van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen gebruikt de energiedeskundige type A de certificatiesoftware residentieel. Voor energiedeskundigen die niet kunnen beschikken over een elektronische identiteitskaart of een federaal token, kan de minister een alternatieve procedure vaststellen.
  Bij de verzameling van de nodige gegevens en de invoering van die gegevens in de certificatiesoftware residentieel volgt de energiedeskundige type A het inspectieprotocol residentieel.
  § 5. Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen heeft een geldigheidsduur van tien jaar. Die periode vangt aan op de datum van de opmaak van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.

  Art. 9.2.2.§ 1. Een energiedeskundige type A heeft alleen toegang tot de [1 energieprestatiecertificatendatabank]1 voor de gebouwen die hij zelf heeft gecertificeerd. Als de energiedeskundige type A een werknemer is van een rechtspersoon, heeft hij toegang tot alle gebouwen waarvoor de rechtspersoon als energiedeskundige optreedt. De minister kan nadere regels vaststellen voor die toegang.
  § 2. Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen, dat uit de [1 energieprestatiecertificatendatabank]1 kan worden afgedrukt, wordt door de energiedeskundige type A ter beschikking gesteld van de aanvrager van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Onderafdeling II. - Overdracht van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur

  Art. 9.2.3.§ 1. Een eigenaar die een residentieel gebouw te koop wil aanbieden, moet over een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen beschikken.
  De eigenaar moet op eenvoudig verzoek van een kandidaat-koper hem een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen kunnen voorleggen. Bij de verkoop van een residentieel gebouw draagt de eigenaar aan de koper een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen over.
  § 2. Iedereen die een onderhandse akte voor de verkoop van een residentieel gebouw opmaakt, moet vermelden of er voor het gebouw een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bestaat en of het ter kennis werd gebracht van de koper.
  § 3. In alle authentieke akten voor de verkoop van residentiële gebouwen neemt de instrumenterende ambtenaar in de verklaring van de koper en de verkoper of hun gemandateerden op of de koper voor het verlijden van de authentieke akte op de hoogte is gebracht van het bestaan en de inhoud van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen. De instrumenterende ambtenaar vermeldt in de authentieke akte of het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen aan de koper ter beschikking werd gesteld en neemt de datum en de unieke code van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen in de authentieke akte op.
  In het kader van de uitoefening van zijn functie als instrumenterende ambtenaar bij de verkoop van residentiële gebouwen heeft de instrumenterende ambtenaar leesrecht in de [1 energieprestatiecertificatendatabank]1.
  Als de instrumenterende ambtenaar bij het verlijden van de authentieke akte vaststelt dat er voor het bewuste residentiële gebouw geen geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen beschikbaar is, brengt hij het Vlaams Energieagentschap daarvan onmiddellijk op de hoogte.
  § 4. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 3 hoeft bij een onteigening, afgehandeld door het Aankoopcomité [1 of de dienst Vastgoedakten binnen het departement Financiën en Begroting]1, geen energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen beschikbaar te zijn.
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 24, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Art. 9.2.4. Een eigenaar die een residentieel gebouw te huur wil aanbieden, moet over een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen beschikken.
  De eigenaar moet op eenvoudig verzoek van een kandidaat-huurder een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen kunnen voorleggen. Bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst verstrekt de eigenaar van het gebouw de huurder een kopie van een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.

  Art. 9.2.5. In afwijking van artikel 9.2.3, § 1, eerste lid, en artikel 9.2.4, eerste lid, kan de eigenaar van een residentieel gebouw of wooneenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het hele gebouw of de hele wooneenheid, dat energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, tweede lid, § 2 en § 3, en artikel 9.2.4, tweede lid.

  Afdeling II. - Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen

  Onderafdeling I. - Opmaak van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen

  Art. 9.2.6. § 1. Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen wordt opgemaakt door een energiedeskundige type D en bevat minstens de volgende gegevens :
  1° de datum van opmaak van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen;
  2° de identificatie van de energiedeskundige;
  3° de gebouwspecifieke gegevens, zoals het adres en de bestemming;
  4° de uitdrukking van de energieprestatie van het gebouw aan de hand van het kengetal niet-residentieel met vermelding van referentiewaarden;
  5° de unieke code;
  6° de aanbevelingen voor de kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie van het gebouw.
  De minister bepaalt nadere regels voor de vorm en de inhoud van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.
  § 2. Voor elk niet-residentieel gebouw mogen gebouwdelen met een residentiële bestemming waarvan het beschermde volume 800 m3 of kleiner is, worden opgenomen in het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen, voor zover het aandeel niet-residentiële gebouwdelen van het gebouw groter is dan of gelijk is aan het aandeel residentiële gebouwdelen.
  § 3. De energiedeskundige type D maakt het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen op met de certificatiesoftware niet-residentieel. Voor energiedeskundigen die niet kunnen beschikken over een elektronische identiteitskaart of een federaal token, kan de minister een alternatieve procedure vaststellen.
  Om de nodige gegevens te verzamelen per type niet-residentieel gebouw en om die gegevens in te voeren in de certificatiesoftware niet-residentieel, volgt de energiedeskundige type D het inspectieprotocol niet-residentieel.
  De minister bepaalt voor welk type van niet-residentiële gebouwen de certificatiesoftware niet-residentieel kan worden gebruikt.
  § 4. Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen heeft een geldigheidsduur van tien jaar. Die periode vangt aan op de datum van de opmaak van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.

  Art. 9.2.7.Een energiedeskundige type D heeft alleen toegang tot de [1 energieprestatiecertificatendatabank]1 voor de gebouwen die hij zelf heeft gecertificeerd. Als de energiedeskundige type D een werknemer is van een rechtspersoon, heeft hij toegang tot alle gebouwen waarvoor de rechtspersoon als energiedeskundige optreedt. De minister kan nadere regels vaststellen voor die toegang.
  Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen, dat uit de [1 energieprestatiecertificatendatabank]1 kan worden afgedrukt, wordt door de energiedeskundige type D ter beschikking gesteld van de aanvrager van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Onderafdeling II. - Overdracht van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur

  Art. 9.2.8.§ 1. Een eigenaar die een niet-residentieel gebouw te koop wil aanbieden, moet over een energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen beschikken.
  De eigenaar moet op eenvoudig verzoek van een kandidaat-koper hem een geldig energieprestatiecertificaat niet - residentiële gebouwen kunnen voorleggen. Bij de verkoop van een niet-residentieel gebouw draagt de eigenaar aan de koper een geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen over.
  § 2. Iedereen die een onderhandse akte voor de verkoop van een niet-residentieel gebouw opmaakt, moet vermelden of er voor het gebouw een geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen bestaat en of het ter kennis werd gebracht van de koper.
  § 3. In alle authentieke akten voor de verkoop van niet-residentiële gebouwen neemt de instrumenterende ambtenaar in de verklaring van de koper en de verkoper of hun gemandateerden op of de koper voor het verlijden van de authentieke akte op de hoogte is gebracht van het bestaan en de inhoud van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen. De instrumenterende ambtenaar vermeldt in de authentieke akte of het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen aan de koper ter beschikking werd gesteld en neemt de datum en de unieke code van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen in de authentieke akte op.
  In het kader van de uitoefening van zijn functie als instrumenterende ambtenaar bij de verkoop van niet-residentiële gebouwen heeft de instrumenterende ambtenaar leesrecht in de [1 energieprestatiecertificatendatabank]1.
  Als de instrumenterende ambtenaar bij het verlijden van de authentieke akte vaststelt dat er voor het bewuste niet-residentiële gebouw geen geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen beschikbaar is, brengt hij het Vlaams Energieagentschap daarvan onmiddellijk op de hoogte.
  § 4. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 3, hoeft bij een onteigening, afgehandeld door het Aankoopcomité [1 of de dienst Vastgoedakten binnen het departement Financiën en Begroting]1, geen energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen beschikbaar te zijn.
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 26, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Art. 9.2.9. Een eigenaar die een niet-residentieel gebouw te huur wil aanbieden, moet over een energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen beschikken.
  De eigenaar moet op eenvoudig verzoek van een kandidaat-huurder hem een geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen kunnen voorleggen. Bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst verstrekt de eigenaar van het gebouw de huurder een kopie van een geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.

  Art. 9.2.10. In afwijking van artikel 9.2.3, § 1, eerste lid, en artikel 9.2.4, eerste lid, kan de eigenaar van een niet-residentieel gebouw die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het hele gebouw, dat energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, tweede lid, § 2 en § 3, en in artikel 9.2.4, tweede lid.

  Art. 9.2.10/1. [1 De minister bepaalt per type niet-residentieel gebouw de datum vanaf wanneer een energieprestatiecertificaat beschikbaar dient te zijn om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 9.2.8 en 9.2.9.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-05-20/14, art. 27, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Afdeling III. - Het energieprestatiecertificaat bouw

  Art. 9.2.11. § 1. In de gevallen waarin aan het gebouw eisen worden opgelegd betreffende het E-peil, verstrekt de verslaggever de aangifteplichtige gelijktijdig met de EPB-aangifte een energieprestatiecertificaat bouw dat, overeenkomstig artikel 11.2.1, § 1, tweede en derde lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, de volgende onderdelen bevat :
  1° de datum van de ingebruikneming van het gebouw;
  2° het resultaat van de berekening van de energieprestatie van het gebouw, vermeld in de EPB-aangifte;
  3° referentiewaarden met betrekking tot geldende minimumeisen en benchmarks, of een verwijzing ernaar;
  4° eventuele aanbevelingen voor de kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gebouw.
  § 2. Het energieprestatiecertificaat bouw wordt opgemaakt op basis van software die ter beschikking wordt gesteld door de administratie.
  De minister bepaalt de nadere regels tot vaststelling van de vorm en de inhoud van het energieprestatiecertificaat bouw.
  § 3. Als de aangifteplichtige op het ogenblik van de aflevering van het energieprestatiecertificaat bouw niet de eigenaar is van het gebouw in kwestie, bezorgt hij het energieprestatiecertificaat bouw aan de eigenaar van het gebouw.
  § 4. Het energieprestatiecertificaat bouw heeft een geldigheidsduur van tien jaar, die aanvangt op de datum van de ingebruikneming van het gebouw.
  § 5. Als bij de controle, vermeld in artikel 13.1.4 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, blijkt dat de EPB-aangifte niet met de werkelijkheid overeenstemt, vervalt het energieprestatiecertificaat bouw in kwestie. Als een nieuwe EPB-aangifte wordt ingediend, wordt ook een nieuw energieprestatiecertificaat bouw verstrekt.

  Afdeling IV. - Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen

  Onderafdeling I. - Opmaak van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen

  Art. 9.2.12.§ 1. [2 De gebruiker van een publiek gebouw beschikt voor elk afzonderlijk publiek gebouw met een bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1 000 m2 of voor elke gebouwsite met minstens één gebouw met een bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1 000 m2 over een energieprestatiecertificaat publieke gebouwen. Publieke gebouwen die door een publieke organisatie in gebruik worden genomen, beschikken uiterlijk vijftien maanden na de ingebruikname ervan over een energieprestatiecertificaat publieke gebouwen.
   Vanaf 1 januari 2013 wordt de oppervlaktegrens, vermeld in het eerste lid, verlaagd tot 500 m2 en vanaf 1 januari 2015 tot 250 m2.]2
  § 2. De gebruiker van een publiek gebouw wijst voor de opmaak van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen een energiedeskundige voor publieke gebouwen aan.
  De volgende personen komen in aanmerking als energiedeskundige voor een publiek gebouw :
  1° een energiedeskundige type C;
  2° een interne energiedeskundige voor publieke gebouwen.
  Bij de aanwijzing van een energiedeskundige voor publieke gebouwen om een energieprestatiecertificaat publieke gebouwen op te stellen, garandeert de gebruiker van een publiek gebouw formeel dat de energiedeskundige voor publieke gebouwen op een onafhankelijke wijze zijn opdracht kan uitvoeren.
  Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen bevat de volgende gegevens :
  1° de datum van de opmaak van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen;
  2° de uitdrukking van de energieprestatie van het gebouw aan de hand van het kengetal publiek;
  3° de referentiewaarden met betrekking tot de geldende minimumeisen en de benchmarks, of een verwijzing ernaar;
  4° de aanbevelingen voor de kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie van het gebouw, die minstens betrekking hebben op :
  a) de thermische kenmerken van het gebouw;
  b) de verwarmingsinstallatie en de warmtevoorziening;
  c) de installatie voor ventilatie;
  d) het gebruik van passieve zonne-energie en zonnewering;
  e) de koelinstallatie;
  f) de ingebouwde lichtinstallatie;
  g) het gebruikersgedrag;
  h) het energiezorgsysteem indien beschikbaar.
  § 3. Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen wordt opgemaakt op basis van een webapplicatie die door het Vlaams Energieagentschap wordt beheerd. Nadat de energiedeskundige voor publieke gebouwen de noodzakelijke gegevens via de webapplicatie elektronisch heeft ingediend, bezorgt het Vlaams Energieagentschap de energiedeskundige voor publieke gebouwen een elektronische versie van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen. De energiedeskundige voor publieke gebouwen drukt het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen af, ondertekent het en bezorgt het aan de gebruiker.
  De minister bepaalt welke gegevens via de webapplicatie elektronisch aan het Vlaams Energieagentschap worden bezorgd. Die gegevens worden bijgehouden in de [1 energieprestatiecertificatendatabank]1 en hebben minstens betrekking op :
  1° het type gebouw;
  2° de bestemming;
  3° het adres;
  4° het bouwjaar, alsook de eventuele verbouwjaren;
  5° de bruikbare vloeroppervlakte van het gebouw of van de gebouwen op de gebouwsite;
  6° het kengetal publiek van het gebouw of de gebouwsite;
  7° de identificatie van de energiedeskundige voor publieke gebouwen;
  8° de aanbevelingen, vermeld in paragraaf 2, vierde lid, 4°, aan de hand van een evaluatielijst;
  9° [1 ...]1
  Voor energiedeskundigen voor publieke gebouwen die niet kunnen beschikken over een elektronische identiteitskaart of een federaal token, stelt de minister een alternatieve procedure vast.
  § 4. De minister bepaalt nadere regels voor de vorm en de inhoud van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen. De minister kan ook nadere regels vastleggen met betrekking tot het gebruik en de toegankelijkheid van de [1 energieprestatiecertificatendatabank]1.
  § 5. Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen heeft een geldigheidsduur van tien jaar, die aanvangt op de datum van de opmaak van het certificaat.
  De energiedeskundige voor publieke gebouwen houdt tijdens de geldigheidsduur van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen de berekeningen van de bruikbare vloeroppervlakte, de meetgegevens en de normalisatieberekening bij en stelt die op eenvoudig verzoek aan het Vlaams Energieagentschap ter beschikking.
  § 6. Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen wordt door de gebruiker van het publieke gebouw opgehangen op een voor het publiek zichtbare plaats in het gebouw waarop het betrekking heeft.
  § 7. Als een publiek gebouw waarvoor een nog geldig energieprestatiecertificaat publieke gebouwen bestaat, een andere gebruiker krijgt, vervalt het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen in kwestie. Als de nieuwe gebruiker een publieke organisatie is, beschikt deze binnen vijftien maanden na de ingebruikname van het publieke gebouw over een energieprestatiecertificaat publieke gebouwen.
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 28, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>
  (2)<BVR 2012-04-27/14, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 14-06-2012>

  Art. 9.2.13.§ 1. Een energiedeskundige type C heeft alleen toegang tot de [1 energieprestatiecertificatendatabank]1 voor de gebouwen die hij zelf heeft gecertificeerd. Als de energiedeskundige type C een werknemer is van een rechtspersoon, heeft hij toegang tot alle gebouwen waarvoor de rechtspersoon als energiedeskundige optreedt. De minister kan nadere regels vaststellen voor die toegang.
  § 2. Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen, dat uit de [1 energieprestatiecertificatendatabank]1 kan worden afgedrukt, wordt door de energiedeskundige type C ter beschikking gesteld van de aanvrager van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen.
  ----------
  (1)<BVR 2011-05-20/14, art. 29, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Onderafdeling II. - Berekening van het kengetal publiek

  Art. 9.2.14. § 1. De gebruikers van publieke gebouwen houden voor de berekening van het kengetal publiek, vermeld in artikel 9.2.12, § 2, vierde lid, 2°, de volgende gegevens bij :
  1° het aantal tellers voor elektriciteit, aardgas en, indien beschikbaar, de EAN-nummers ervan;
  2° het aantal tellers voor stookolie;
  3° de bruikbare vloeroppervlakte van het gebouw, berekend volgens artikel 1.1.1, § 2, 11°;
  4° de jaarlijkse hoeveelheid verbruikte elektriciteit, aardgas, stookolie en andere brandstoffen.
  De minister kan voor de bepaling van het kengetal publiek nadere regels vaststellen betreffende het bij te houden gemeten globaal energieverbruik van minstens de energie die nodig is voor de verwarming, warmtapwatervoorziening, koeling, ventilatie en verlichting.
  § 2. De hoeveelheid verbruikte elektriciteit, aardgas, stookolie en andere brandstoffen kan worden berekend op basis van de factuurgegevens, een verwerking van telemetrische opnamegegevens of de registratie van de tellers. Het stookolieverbruik wordt bijgehouden aan de hand van een stookoliedebietmeter.
  § 3. De elektriciteits- en aardgasmeters, alsook de plaatsing ervan, voldoen aan de technische reglementen van de VREG. De minister kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het gebruik van de tellers in het kader van de berekening van het kengetal en de minimale vereisten voor de stookoliedebietmeters.

  Art. 9.2.15. Om de gegevens over het geregistreerde energieverbruik te kunnen vergelijken, wordt een normalisatie doorgevoerd aan de hand van :
  1° de interpolatie van de gegevens over het gemeten energieverbruik;
  2° de omrekening van het verbruik naar kilowattuur met vastgestelde conversiefactoren;
  3° de uitschakeling van klimatologische omstandigheden door graaddagen te verrekenen;
  4° de omrekening naar primair energieverbruik.
  De gegevens, vermeld in het eerste lid, hebben betrekking op een periode van één jaar.
  Het kengetal publiek, vermeld in artikel 9.2.12, § 2, vierde lid, 2°, wordt berekend op basis van het genormaliseerde energieverbruik en de bruikbare vloeroppervlakte van het gebouw. Als, gedurende de periode dat het energieverbruik in rekening wordt gebracht voor de opmaak van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen, de bruikbare vloeroppervlakte van een gebouw wijzigt, worden de gegevens die betrekking hebben op de veranderde oppervlakte, geëxtrapoleerd over de respectieve periode.

  Art. 9.2.16. De gebruiker van een publiek gebouw stelt alle gegevens die nodig zijn om het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen op te stellen, ter beschikking van de energiedeskundige voor publieke gebouwen.

  HOOFDSTUK III. - De energieaudit residentieel

  Art. 9.3.1. Om een energieaudit residentieel uit te voeren gebruikt de energiedeskundige type B de auditsoftware.
  De minister bepaalt voor welke gebouwen de auditsoftware kan worden gebruikt ter uitvoering van een energieaudit door een erkende energiedeskundige type B.
  De minister kan beslissen dat gegevens die al verzameld werden in het kader van de opmaak van het energieprestatiecertificaat, kunnen worden hergebruikt bij de uitvoering van een energieaudit residentieel. De minister kan nadere regels vastleggen voor het hergebruik van die gegevens.

  Art. 9.3.2. De energieaudit residentieel wordt door de energiedeskundige type B toegelicht aan en ter beschikking gesteld van de aanvrager.
  Na de uitvoering van een energieaudit residentieel brengt de energiedeskundige type B op de factuur of op de ereloonnota de volgende vermelding aan : "Door het Vlaamse Gewest erkende energiedeskundige met erkenningsnummer (in te vullen door de energiedeskundige)".
  Het fiscaal attest dat de auditsoftware aflevert en dat in het kader van de personenbelasting als bewijs voor de belastingvermindering voor de uitgaven van een energieaudit residentieel in een woning kan worden gebruikt, wordt als bijlage bij de factuur of de ereloonnota gevoegd.

  TITEL X. - Energiebeleidsrapportering

  Art. 10.1.1.§ 1. Elke beheerder van een aardgasdistributienet stelt jaarlijks voor 1 mei de sectoriële afnamegegevens tijdens het voorgaande kalenderjaar van alle eindafnemers die op zijn net zijn aangesloten, ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap, alsook het aantal eindafnemers per 31 december van het voorgaande kalenderjaar.
  § 2. Elke beheerder van een elektriciteitsdistributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit stelt voor 1 mei van elk jaar de volgende gegevens ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap :
  1° het aantal afnamepunten per 31 december van het voorgaande kalenderjaar en de afgenomen gemeten netto- en brutohoeveelheid elektriciteit per sector tijdens het voorgaande kalenderjaar;
  2° de totale hoeveelheid gemeten elektriciteit die tijdens het voorgaande kalenderjaar geïnjecteerd is op het elektriciteitsdistributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit door alle productie-installaties die aangesloten zijn op dat net;
  3° de totale hoeveelheid gemeten elektriciteit die tijdens het voorgaande kalenderjaar door het elektriciteitsdistributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit geïnjecteerd is op alle andere netten;
  4° de totale hoeveelheid gemeten elektriciteit die tijdens het voorgaande kalenderjaar door het elektriciteitsdistributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit afgenomen is van alle andere netten.
  § 3. Elke beheerder van een transmissienet stelt voor 1 mei van elk jaar de volgende gegevens ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap :
  1° de totale hoeveelheid gemeten elektriciteit die tijdens het voorgaande kalenderjaar geïnjecteerd is op het transmissienet door alle productie-installaties die aangesloten zijn op dat net;
  2° de totale hoeveelheid gemeten elektriciteit die tijdens het voorgaande kalenderjaar door het transmissienet geïnjecteerd is op alle andere netten;
  3° de totale hoeveelheid gemeten elektriciteit die tijdens het voorgaande kalenderjaar door het transmissienet afgenomen is van alle andere netten.
  § 4. Elke beheerder van een transmissienet of vervoernet bezorgt aan het Vlaams Energieagentschap voor 1 mei van elk jaar een lijst met voor elk afnamepunt, per 31 december van het voorgaande kalenderjaar, de volgende gegevens :
  1° de naam van de afnemer;
  2° het adres van het afnamepunt en, in voorkomend geval, de EAN-code van het afnamepunt;
  3° de sector van het afnamepunt;
  4° voor elektriciteit : de gemeten bruto- en nettoafname tijdens het voorgaande kalenderjaar;
  5° voor aardgas : de gemeten afname tijdens het voorgaande kalenderjaar.
  [1 § 5. Elke beheerder van een elektriciteitsdistributienet, de beheerder van een gesloten distributienet, de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit en de beheerder van het transmissienet bezorgt voor 10januari van elk jaar aan het Vlaams Energieagentschap een lijst van hernieuwbare-energie-installaties en warmtekrachtinstallaties, aangesloten op diens net en bij de vermelde beheerders aangemeld, met voor elk injectie- of afnamepunt, per 31 december van het voorgaande kalenderjaar, de volgende gegevens :
   1° de naam van de injecteerder of afnemer;
   2° het adres van het afname- en injectiepunt en in voorkomend geval, de EAN-code per afname- en injectiepunt.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 30, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 10.1.2. Elke leverancier van petroleumproducten, steenkool en biotransportbrandstoffen aan eindafnemers stelt jaarlijks voor 1 mei de sectoriële afnamegegevens van het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap, alsook het aantal eindafnemers per 31 december van het voorgaande kalenderjaar. Voor de transportsector kan de minister de rapporteringsverplichting beperken tot elke leverancier die levert aan rechtstreekse doorverkopers aan eindafnemers. De minister kan per sector een jaarlijkse afnamehoeveelheid bepalen waaronder de rapporteringsverplichting niet geldt.

  Art. 10.1.3.Voor elke warmtekrachtinstallatie stelt de exploitant jaarlijks voor [1 1 februari de gegevens inzake de toekenning van certificaten voor de installatie,]1 de technische kenmerken van de installatie, het brandstofverbruik per type brandstof, de bruto- en netto-elektriciteitsproductie en de warmteproductie tijdens het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap, alsook het opgestelde elektrisch en thermisch vermogen en de sectoren waartoe de eigenaars van de warmte en de elektriciteit behoren op 31 december van het voorgaande kalenderjaar. De minister bepaalt de technische kenmerken van de installaties waarover gegevens verstrekt moeten worden.
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 31, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 10.1.4.Voor elke hernieuwbare-energie-installatie stelt de exploitant jaarlijks vóór [1 1 februari de gegevens inzake de toekenning van certificaten voor de installatie,]1 de technische kenmerken van de installatie, de bruto- en netto-elektriciteitsproductie en de warmteproductie tijdens het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap, alsook de hernieuwbare energiebron, het opgestelde elektrisch en thermisch vermogen en de sectoren waartoe de eigenaars van de warmte en de elektriciteit behoren op 31 december van het voorgaande kalenderjaar. De minister bepaalt de technische kenmerken van de hernieuwbare-energie-installaties waarvoor gegevens verstrekt moeten worden.
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 32, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 10.1.5.Voor elke zelfopwekkingsinstallatie stelt de producent jaarlijks vóór [1 1 februari]1 de technische kenmerken van de installatie, het brandstofverbruik per type brandstof en de bruto- en netto-elektriciteitsproductie tijdens het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap, alsook het opgestelde elektrisch vermogen en de sector waartoe de producent behoort op 31 december van het voorgaande kalenderjaar. De minister bepaalt de technische kenmerken van de installaties waarover gegevens verstrekt moeten worden.
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 33, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 10.1.6. Elke onderneming die een warmtekrachtinstallatie, een hernieuwbare-energie-installatie of een zelfopwekkingsinstallatie exploiteert en die de geproduceerde energie zelf geheel of gedeeltelijk verbruikt, bezorgt jaarlijks voor 1 mei aan het Vlaams Energieagentschap de hoeveelheid elektriciteit en de hoeveelheid brandstof per type die tijdens het voorgaande kalenderjaar werden verbruikt op de vestigingseenheid. De minister bepaalt de ingangsdatum van deze verplichting per categorie van exploitanten.

  Art. 10.1.7. De minister bepaalt de sectorbenaming en -indeling, de eenheden, de vorm en de structuur waaronder de gegevens, vermeld in artikel 10.1.1 tot en met 10.1.5, ter beschikking gesteld moeten worden.

  Art. 10.1.8. De minister bepaalt de rapporteringswijze van de gegevens, vermeld in artikel 10.1.1 tot en met 10.1.5.

  Art. 10.1.9. De gerapporteerde gegevens geven de werkelijkheid op een objectieve en onafhankelijke wijze weer. De minister legt de eisen vast inzake accuraatheid, volledigheid en consistentie. Als het Vlaams Energieagentschap anomalieën of belangrijke incoherenties vaststelt in de gerapporteerde gegevens, vermeld in artikel 10.1.1 tot en met 10.1.5, kan het de rapporteringsplichtige verdere informatie vragen over de betreffende afzonderlijke gegevens en over de berekeningsmethode waarop samengevoegde gegevens gebaseerd zijn.

  TITEL XI. - Toezicht en sancties

  HOOFDSTUK I. - Toezicht door het Vlaams Energieagentschap

  Afdeling I. - Controle op de gevolgde opleidingen van de energiedeskundigen type A, type B, type C, type D en de interne energiedeskundigen
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Afdeling I. [1 Controle op de gevolgde opleidingen van de energiedeskundigen type A, type B, type C, type D en de interne energiedeskundigen, op de erkende opleidings- en exameninstellingen en op de certificaten van bekwaamheid. ]1
  ----------
  (1)<BVR 2013-07-19/72, art. 6, 016; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 11.1.1. § 1. De ambtenaren van het Vlaams Energieagentschap worden aangesteld om de nodige controles met betrekking tot de energieaudit residentieel, de energiedeskundigen type A, type B, type C en type D, en de interne energiedeskundigen uit te voeren, en om overtredingen van de bepalingen van titel X van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en titel VIII van dit besluit op te sporen.
  § 2. Het Vlaams Energieagentschap kan op elk moment nagaan of een energiedeskundige type A, type B, type C of type D, of een interne energiedeskundige voldoet aan de opleidingsvoorwaarde, vermeld in artikel 8.1.1 voor type A, type B, type C en type D, en in artikel 8.2.1 voor de interne energiedeskundige. De opleidingsinstellingen die een opleiding aanbieden die leidt tot een door het Vlaams Energieagentschap erkend getuigschrift betreffende een opleiding tot energiedeskundige type A, type B, type C of type D, bezorgen het Vlaams Energieagentschap uiterlijk een week na afloop van de opleidingen elektronisch een lijst met de afgeleverde getuigschriften.

  Afdeling II. - Controle op de energiebeleidsrapportering

  Art. 11.1.2. De ambtenaren van het Vlaams Energieagentschap zijn bevoegd voor de controle op de naleving van de verplichtingen, vermeld in titel X.

  Afdeling IV. [1 Controle op de openbaredienstverplichtingen voor de distributienetbeheerders of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit ter stimulering van het rationeel energiegebruik]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-11-29/03, art. 31, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 11.1.4. [1 De personeelsleden van het Vlaams Energieagentschap worden aangesteld om de nodige controles met betrekking tot de openbaredienstverplichtingen, vermeld in titel VI, hoofdstuk IV, afdeling I, uit te voeren, alsook om de overtredingen van de bepalingen, vermeld in titel VI, hoofdstuk IV, afdeling I, op te sporen.
   Het Vlaams Energieagentschap kan op elk moment bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit alle inlichtingen en gegevens, inclusief individuele premiedossiers, opvragen die nodig zijn voor de uitvoering van de controle.
   Met een schriftelijke en voorafgaande toestemming van de bewoner van een woning, wooneenheid of woongebouw of, in voorkomend geval, van de gebruiker van een ander gebouw dan een woning, wooneenheid of woongebouw kunnen de personeelsleden van het Vlaams Energieagentschap ter plaatse nagaan of aan de voorwaarden tot het verkrijgen van een premie, kortingbon of energiescan is voldaan.
   Personeelsleden van het Vlaams Energieagentschap kunnen andere hen ter beschikking staande officiële documenten en gegevensbronnen, zoals de energieprestatiedatabank en de energieprestatiecertificaten zelf, consulteren om na te gaan of vermeldingen in premie-aanvraagdossiers correct zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-11-29/03, art. 31, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  HOOFDSTUK II. - Administratieve sancties opgelegd door het Vlaams Energieagentschap

  Afdeling I. - Schorsing of intrekking van de erkenning van energiedeskundigen

  Art. 11.2.1.§ 1. Als inbreuken op de regelgeving worden vastgesteld of als blijk wordt gegeven van kennelijke onbekwaamheid, kan het Vlaams Energieagentschap de erkenning als energiedeskundige type A, type B of type D, of het erkenningsnummer of het registratienummer van energiedeskundige type C of een interne energiedeskundige schorsen of intrekken. Het Vlaams Energieagentschap brengt de erkende energiedeskundige per aangetekende brief op de hoogte van zijn voornemen. De betrokken energiedeskundige kan vragen om gehoord te worden, waarna het Vlaams Energieagentschap zijn beslissing per aangetekende brief aan de energiedeskundige bezorgt.
  [1 Gedurende de periode dat de energiedeskundige door het Vlaams Energieagentschap geschorst is, wordt hem de toegang tot de energieprestatiecertificatendatabank, de certificatiesoftware residentieel of de certificatiesoftware niet-residentieel ontzegd en heeft de geschorste energiedeskundige enkel leesrecht in de energieprestatiecertificatendatabank wat betreft de door hem opgemaakte energieprestatiecertificaten. Als het Vlaams Energieagentschap beslist om een energiedeskundige te schorsen wegens kennelijke onbekwaamheid of inbreuken op de regelgeving betreffende de opmaak van het energieprestatiecertificaat, krijgt die energiedeskundige pas weer toegang tot de energieprestatiecertificatendatabank en de certificatiesoftware residentieel of de certificatiesoftware niet-residentieel als hij na het uitzitten van de schorsing slaagt voor het centraal examen, vermeld in artikel 8.1.1, eerste lid, 3°.
   Als het Vlaams Energieagentschap beslist om de erkenning in te trekken wordt de energiedeskundige de toegang tot de energieprestatiecertificatendatabank, de certificatiesoftware residentieel of de certificatiesoftware niet-residentieel definitief ontzegd. Hij behoudt evenwel leesrecht in de energieprestatiecertificatendatabank wat betreft de door hem opgemaakte energieprestatiecertificaten.]1
  § 2. Binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de betekening van de beslissing van het Vlaams Energieagentschap kan de betrokken energiedeskundige beroep aantekenen bij de minister. De energiedeskundige kan vragen om gehoord te worden.
  De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag waarop het beroep is ontvangen. De beslissing wordt per aangetekende brief aan de energiedeskundige of de interne enerigiedeskundige meegedeeld.
  Als de minister of zijn gemachtigde zijn beslissing niet heeft betekend binnen de termijnen, vermeld in het tweede lid, wordt ervan uitgegaan dat het beroep werd ingewilligd.
  ----------
  (1)<BVR 2012-04-27/14, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 14-06-2012>

  Art. 11.2.2.Het Vlaams Energieagentschap voert steekproefsgewijze controles uit op de kwaliteit van de verstrekte energieprestatiecertificaten en energieaudits residentieel. De eigenaar en de energiedeskundige van het residentiële gebouw of van het niet-residentiële gebouw, de gebruiker van het publieke gebouw en de energiedeskundige voor publieke gebouwen stellen alle gegevens die daarvoor noodzakelijk zijn, op het eerste verzoek ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap.
  [1 Bij inbreuken op de regelgeving of als het uitgereikte energieprestatiecertificaat van onvoldoende kwaliteit getuigt, kan het Vlaams Energieagentschap het energieprestatiecertificaat in kwestie intrekken. Het Vlaams Energieagentschap brengt de eigenaar of de gebruiker van het gebouw waarvoor het energieprestatiecertificaat werd opgemaakt van zijn beslissing op de hoogte.]1
  ----------
  (1)<BVR 2012-04-27/14, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 14-06-2012>

  Art. 11.2.3. Ter garantie van het vereiste niveau van deskundigheid dat nodig is voor de uitvoering van de energieaudit residentieel en de opmaak van een energiecertificaat residentiële gebouwen, niet-residentiële gebouwen en publieke gebouwen, kan het Vlaams Energieagentschap, onder de voorwaarden die de minister bepaalt, de erkende energiedeskundigen en de interne energiedeskundige verplichten een aanvullende opleiding te volgen met betrekking tot de theoretische en praktische kennis van het gebruik van de auditsoftware, de certificatiesoftware of het inspectieprotocol.

  Afdeling II. - Sanctieprocedure bij niet - naleving van beleidsrapportering

  Art. 11.2.4. Het hoofd van het Vlaams Energieagentschap beslist tot het opleggen van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 13.4.2, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, bepaalt de hoogte van die geldboete, en stelt de rapporteringsplichtige daarvan in kennis binnen zestig dagen nadat de overtreding is vastgesteld.
  Het hoofd van het Vlaams Energieagentschap beslist tot het opleggen van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 13.4.2, § 2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en stelt de rapporteringsplichtige daarvan in kennis voor 1 juni van het lopende kalenderjaar.
  Als de betrokkene niet akkoord gaat met de administratieve geldboete, vermeld in artikel 13.4.2, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, kan hij, conform artikel 13.4.4, § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, het hoofd van het Vlaams Energieagentschap daarvan op de hoogte brengen.
  Het hoofd van het Vlaams Energieagentschap beslist over de gemotiveerde verzoeken tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 13.4.4, § 2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

  Afdeling III. - Dwangbevel

  Art. 11.2.5. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën, wijst de ambtenaren aan die bevoegd zijn om het dwangbevel vermeld in artikel 13.4.4, § 7, en in artikel 13.4.8, § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

  Afdeling IV. - [1 Intrekking van de erkenning van een opleidings- en exameninstelling]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-07-19/72, art. 7, 016; Inwerkingtreding : onbepaald>

   Art. 11.2.6. [1 Het Vlaams Energieagentschap kan de erkenning van een opleidings- of exameninstelling, vermeld in artikel 8.4.1, intrekken in een van volgende gevallen :
   1° als de opleidings- of exameninstelling niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden;
   2° als de verplichtingen, vermeld in artikel 8.4.1 niet nagekomen worden.
   De beslissing tot intrekking van de erkenning wordt met redenen omkleed en wordt slechts genomen nadat de organisator van de opleiding of het examen werd gehoord. De beslissing tot intrekking van de erkenning wordt bij besluit van het hoofd van het Vlaams Energieagentschap vastgelegd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-07-19/72, art. 7, 016; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Afdeling V. - [1 Intrekking van het certificaat van bekwaamheid en certificaat van bekwaamheid aspirant]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-07-19/72, art. 7, 016; Inwerkingtreding : onbepaald>

   Art. 11.2.7. [1 Wanneer het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat het werk van een met toepassing van artikel 8.5.1 gecertificeerde aannemer of installateur van onvoldoende kwaliteit getuigt, of wanneer een gecertificeerde aannemer of installateur de voorwaarden van de certificering, vermeld in artikel 8.5.1, § 3 en § 4, niet naleeft, dan kan het agentschap het hem toegekende certificaat van bekwaamheid of certificaat van bekwaamheid als aspirant intrekken. Het Vlaams Energieagentschap kan in dit kader een beroep doen op externe expertise.
   Wanneer het Vlaams Energieagentschap het certificaat van bekwaamheid of het certificaat van bekwaamheid als aspirant heeft ingetrokken, kan die aannemer of installateur voor die categorie waarvoor zijn certificaat werd ingetrokken enkel een nieuw certificaat van bekwaamheid of certificaat van bekwaamheid als aspirant krijgen nadat hij de opleiding, vermeld in artikel 8.5.1, § 3, eerste lid, 1°, of § 4, eerste lid 1, 1° heeft gevolgd en geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 8.4.1, § 2, 1°.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-07-19/72, art. 7, 016; Inwerkingtreding : onbepaald>

  TITEL XII. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen

  HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen

  Afdeling I. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning

  Art. 12.1.1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 34° worden de woorden " artikel 3 van het besluit inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen " vervangen door de woorden " artikel 6.5.4 van het Energiebesluit ";
  2° in punt 35° worden de woorden " artikel 3 van het besluit inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen " vervangen door de woorden " artikel 6.5.4 van het Energiebesluit ".

  Art. 12.1.2. In artikel 5, § 8, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " hoofdstuk I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2004 inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen " worden vervangen door de woorden " artikel 6.5.1 tot en met 6.5.8 van het Energiebesluit ";
  2° de woorden " hoofdstuk I en II van het besluit van de Vlaamse Regering inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen " worden vervangen door de woorden artikel 6.5.1 tot en met 6.5.8 van het Energiebesluit ".

  Art. 12.1.3. In artikel 21, § 10, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 worden de woorden " hoofdstuk I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen " vervangen door de woorden " artikel 6.5.1 tot en met 6.5.8 van het Energiebesluit ".

  Afdeling II. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1992 houdende instelling van een aanpassingspremie en een verbeteringspremie voor woningen

  Art. 12.1.4. In artikel 13bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1992 houdende instelling van een aanpassingspremie en een verbeteringspremie voor woningen, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010, worden de woorden " artikel 8/2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 inzake de openbaredienstverplichtingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik " telkens vervangen door de woorden " artikel 6.4.10, tweede lid, van het Energiebesluit ".

  Afdeling III. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne

  Art. 12.1.5. In artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de definities energieplanning, vervangen door wat volgt :
  - " energieplan " : een energieplan overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.4 van het Energiebesluit;
  - " geactualiseerd energieplan " : een geactualiseerd energieplan overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.7 van het Energiebesluit;
  - " energiestudie " : een energiestudie overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.4 van het Energiebesluit;
  - " energiegebruik " : het primaire elektriciteitsgebruik en het primaire energetische gebruik van energiedragers en niet het non-energetische gebruik van energiedragers in de vorm van als grondstof ingezette energiedragers ".

  Afdeling IV. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water, wat betreft elektriciteit en gas

  Art. 12.1.6. In artikel 3, 1° van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water, wat betreft elektriciteit en gas, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt a), worden de woorden " respectievelijk artikel 18quater, § 1, eerste lid, 5°, 6°, 7°, 8° en 9°, van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en in artikel 17ter, § 1, eerste lid, 5°, 6°, 7° en 8°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de organisatie van de gasmarkt " vervangen door de woorden " artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8,° van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ";
  2° in punt b), worden de woorden " artikel 18quater, § 1, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° en 9°, van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt of in artikel 17ter, § 1, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° en 8°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de organisatie van de gasmarkt " vervangen door de woorden " artikel 6.1.2, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Art. 12.1.7. In artikel 7, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 2009, worden de woorden " artikel 18quater, § 1, eerste lid, 1° tot en met 9°, van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt of vermeld in artikel 17ter, § 1, eerste lid, 1° tot en met 8°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de organisatie van de gasmarkt " vervangen door de woorden " artikel 6.1.2, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Art. 12.1.8. In artikel 8, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 2009, worden de woorden " artikel 18quater, § 1, eerste lid, 1° tot en met 9°, van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt of in artikel 17ter, § 1, eerste lid, 1° tot en met 8°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de organisatie van de gasmarkt " vervangen door de woorden " artikel 6.1.2, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Afdeling V. - Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie

  Art. 12.1.9. In artikel 27, § 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, vervangen bij besluit van de Vlaamse regering van 24 april 2009, wordt de woorden "Reguleringsinstantie voor " vervangen door de woorden "Regulator van".

  Afdeling VI. - Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007 tot regeling van de vergoedingen van de bestuurders van de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid, en van de regeringsafgevaardigden die toezicht uitoefenen bij deze agentschappen

  Art. 12.1.10. In artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007 tot regeling van de vergoedingen van de bestuurders van de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid, en van de regeringsafgevaardigden die toezicht uitoefenen bij deze agentschappen wordt het woord "Reguleringsinstantie" vervangen door het woord "Regulator".

  Afdeling VII. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2007 houdende vaststelling van de regels die de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding bepalen en van de fysische en financiële normen voor de schoolgebouwen, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding

  Art. 12.1.11. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2007 houdende vaststelling van de regels die de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding bepalen en van de fysische en financiële normen voor de schoolgebouwen, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding wordt punt 12° vervangen door wat volgt :
  " 12° Energiedecreet : het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid. ".

  Art. 12.1.12. In artikel 33 van hetzelfde besluit worden de woorden " het decreet van 22 december 2006 houdende eisen en handhavingsmaatregelen op het vlak van energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen en tot invoering van een energieprestatiecertificaat en tot wijziging van artikel 22 van het REG-decreet " vervangen door de woorden " titel XI van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Afdeling VIII. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten

  Art. 12.1.13. In artikel 6, § 3, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten worden de woorden " decreet van 22 december 2006 houdende eisen en handhavingsmaatregelen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen en tot invoering van een energieprestatiecertificaat en tot wijziging van artikel 22 van het REG-decreet " vervangen door de woorden " Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Afdeling IX. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen

  Art. 12.1.14. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, wordt punt 15° vervangen door wat volgt :
  " 15° Energiedecreet : het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid; ".

  Art. 12.1.15. In artikel 27/2, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de woorden " artikel 20ter, § 1, van het REG-decreet " vervangen door de woorden " artikel 9.1.3, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Art. 12.1.16. In artikel 27/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden " artikel 20ter, § 2, van het REG-decreet " vervangen door de woorden " artikel 9.1.3, § 2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ";
  2° in paragraaf 2, 2°, worden de woorden " artikel 20ter, § 2, a) of b) van het REG-decreet " vervangen door de woorden " artikel 9.1.3, § 2, a) of b), van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ";
  3° in paragraaf 2, 3°, worden de woorden " artikel 20ter, § 2, b) van het REG-decreet " telkens vervangen door de woorden " artikel 9.1.3, § 2, b), van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ";
  4° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden " artikel 20ter, § 2, a) of b) van het REG-decreet " telkens vervangen door de woorden " artikel 9.1.3, § 2, a) of b), van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Art. 12.1.17. In artikel 27/6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de woorden " artikel 20ter, § 6, tweede lid van het REG-decreet " vervangen door de woorden artikel 9.1.3, § 6, tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Art. 12.1.18. In artikel 27/7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden " artikel 20ter, § 6, van het REG-decreet " vervangen door de woorden " artikel 9.1.3, § 6, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ";
  2° in paragraaf 4 worden de woorden artikel 26bis, § 1, van het REG-decreet " vervangen door de woorden " artikel 13.5.2, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Art. 12.1.19. In artikel 27/8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de woorden " artikel 26bis, § 1 van het REG-decreet " vervangen door de woorden " artikel 13.5.2, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Art. 12.1.20. In artikel 31 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " artikel 26, eerste lid, van het REG-decreet " worden telkens vervangen door de woorden " artikel 13.5.1, eerste lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ";
  2° de woorden " artikel 28, § 4, van het REG-decreet " worden vervangen door de woorden " artikel 13.5.4, §, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ";

  Art. 12.1.21. In artikel 31/1, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " artikel 26bis, eerste lid, van het REG-decreet " worden vervangen door de woorden " artikel 13.5.1, eerste lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ";
  2° de woorden " artikel 26bis, § 1, tweede lid van het REG-decreet " worden telkens vervangen door de woorden " artikel 13.5.2, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Art. 12.1.22. In artikel 31/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden " artikel 26bis, § 2 van het REG-decreet " worden vervangen door de woorden " artikel 13.5.2, § 2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ";
  2° in paragraaf 3 worden de woorden " artikel 20ter, § 7 van het REG-decreet " worden telkens vervangen door de woorden " artikel 9.1.3, § 7, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Art. 12.1.23. In artikel 32/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de woorden " artikel 20ter, § 7 van het REG-decreet " telkens vervangen door de woorden " artikel 9.1.3, § 7, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Afdeling X. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 betreffende de verzekering gewaarborgd wonen

  Art. 12.1.24. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 betreffende de verzekering gewaarborgd wonen wordt punt 14° vervangen door wat volgt :
  " 14° Energiedecreet : het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid. "

  Art. 12.1.25. In artikel 3, tweede lid, 10°, van hetzelfde besluit worden de woorden " artikel 3, 13°, van het EPB-decreet " vervangen door de woorden " artikel 1.1.3, 99°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Art. 12.1.26. In artikel 6, § 1, 6°, b), van hetzelfde besluit worden de woorden " artikel 10 van het EPB-decreet " vervangen door de woorden " artikel 11.1.7 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Art. 12.1.27. In artikel 9, § 1, vierde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " artikel 3, 13°, van het EPB-decreet " vervangen door de woorden " artikel 1.1.3, 99°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ".

  Afdeling XI. - Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2009 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering

  Art. 12.1.28. In artikel 3, 7°, k van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2009 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2010, wordt de woorden "Reguleringsinstantie voor" vervangen door de woorden "Regulator van".

  HOOFDSTUK II. - Opheffingsbepalingen

  Art. 12.2.1. § 1. De volgende regelingen worden opgeheven :
  1° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de distributienetbeheerders voor elektriciteit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 januari 2002 en 6 juli 2007;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de elektriciteitsvoorziening aan bepaalde afnemers;
  3° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 houdende nadere regeling van de voorwaarden om als afnemer in de zin van artikel 12 van het Elektriciteitsdecreet in aanmerking te komen;
  4° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de leveringsvergunningen voor elektriciteit;
  5° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2001 houdende het gratis vervoer en de gratis levering van een hoeveelheid elektriciteit als sociale openbaredienstverplichting, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2002;
  6° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2002 houdende de organisatie van de aardgasmarkt, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007;
  7° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2003 houdende bepaling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt;
  8° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2003 tot vaststelling van de nadere regels voor de toekenning en de verrekening van gratis elektriciteit voor huishoudelijke afnemers, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008;
  9° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009;
  10° het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 tot vaststelling van de openbaredienstverplichting, opgelegd aan de netbeheerders met betrekking tot de openbare verlichting;
  11° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap het Vlaams Energieagentschap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 en 15 juli 2005;
  12° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende de algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008;
  13° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 betreffende het rapporteren van afname- en productiegegevens door de beheerders van de aardgas- en elektriciteitsnetten, de brandstofleveranciers, de exploitanten van warmtekracht-, hernieuwbare energie en zelfopwekkingsinstallaties, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 maart 2006 en 24 april 2009;
  14° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 maart 2005 tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 2009;
  15° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 november 2005 tot vaststelling van de openbaredienstverplichting, opgelegd aan de netbeheerders met betrekking tot het ter beschikking stellen van de mogelijkheid voor afnemers op laagspanning om te kunnen genieten van een elektriciteitstarief op basis van een dag- en een nachtmeter;
  16° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2006 ter bevordering van de elektriciteitsopwekking in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties;
  17° het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 inzake de openbaredienstverplichtingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 januari 2008, 19 december 2008, 13 maart 2009, 18 september 2009 en 5 februari 2010;
  18° het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2007 betreffende de invoering van het energieprestatie-certificaat voor publieke gebouwen;
  19° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2008 houdende de invoering van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur en de uitvoering van de energieaudit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 5 december 2008 en 18 september 2009;
  20° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 tot toekenning van premies voor het uitvoeren van energiebesparende investeringen in woongebouwen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 18 september 2009 en 5 februari 2010;
  21° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende de toekenning van een subsidie voor de plaatsing van microwarmtekrachtinstallaties en warmtepompen door niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen;
  22° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2008 houdende de invoering van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur;
  23° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2008 tot toekenning van subsidies aan sociale verhuurkantoren voor het uitvoeren van energiebesparende investeringen in woongebouwen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2009;
  24° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 2009 betreffende de sociale openbaredienstverplichtingen in de vrijgemaakte elektriciteits- en aardgasmarkt;
  25° het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2010 tot toekenning van steun aan energieconsulentenprojecten.
  § 2. De volgende regelingen worden opgeheven voor de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest :
  1° het koninklijk besluit van 27 augustus 1925 op de elektriciteitsvoorziening - verklaring van openbaar nut, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 november 1973;
  2° het koninklijk besluit van 4 december 1933 tot regeling van het innen der rechten wegens gebruik van het openbaar domein voor elektrische leidingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2001 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2002;
  3° het koninklijk besluit van 15 maart 1966 tot heffing van retributies voor de bezetting van het openbaar of privaat domein van de Staat, de provinciën of de gemeenten door installaties voor gasvervoer door middel van leidingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 november 1984, 11 december 2001 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2002;
  4° het koninklijk besluit van 26 oktober 1967 betreffende de inrichting en de werking van het Vast-Electrotechnisch Comité en van de vaste afdelingen van dit comité, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 november 1975;
  5° het koninklijk besluit van 26 november 1973 betreffende de wegvergunningen bedoeld bij de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 juni 1978 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2002;
  6° het koninklijk besluit van 26 november 1973 tot vaststelling van de door de Staat, de provinciën, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de houders van een concessie van elektriciteitsvoorziening te volgen regelen voor het benutten van een weg die geen deel uitmaakt, naargelang het geval, van hun eigen openbaar domein, van dat van de gemeenten aangesloten bij de vereniging van gemeenten, of dat van de concessieverlenende gemeente of van de gemeenten, aangesloten bij de concessieverlenende vereniging van gemeenten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 juni 1978 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2002;
  7° het koninklijk besluit van 10 februari 1983 houdende aanmoedigingsmaatregelen voor het rationeel energieverbruik, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 december 1992, 16 juni 1998, 16 april 2004, 15 juli 2005 en 29 mei 2009.

  HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen

  Art. 12.3.1.In afwijking van artikel 5.4.1 tot en met 5.4.17 en van artikel 5.6.4, start op 1 juli 2009 een overgangsperiode van drie jaar waarin de aardgasdistributienetbeheerder een actieplan uitvoert, waarbij hij prioriteiten bepaalt voor de plaatsing van budgetmeters voor aardgas bij huishoudelijke aardgasafnemers die door de aardgasdistributienetbeheerder worden beleverd via de gewone aardgasmeter.
  Het ontwerp van actieplan, waarin de prioriteiten en de fasering worden toegelicht, wordt negentig dagen na de inwerkingtreding van dit artikel ter goedkeuring voorgelegd aan het Vlaams Energieagentschap.
  Het Vlaams Energieagentschap deelt binnen zestig kalenderdagen na de ontvangst van het ontwerp van actieplan een gemotiveerde beslissing over het ontwerp van actieplan mee aan de aardgasdistributienetbeheerder. Als het Vlaams Energieagentschap binnen die termijn geen beslissing meedeelt, is het ontwerp van actieplan goedgekeurd.
  Als het Vlaams Energieagentschap het nodig acht, kan het extra gegevens opvragen bij de betrokken aardgasdistributienetbeheerder. Het Vlaams Energieagentschap vraagt daarbij alle ontbrekende gegevens samen op. De goedkeuringstermijn voor het ontwerp van actieplan wordt in dat geval opgeschort tot de ontvangst van de gevraagde informatie. De aardgasdistributienetbeheerder bezorgt de ontbrekende informatie binnen vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek.
  Als de betrokken aardgasdistributienetbeheerder het oneens is met de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, kan hij binnen twintig kalenderdagen na de ontvangst van de beslissing de minister met een aangetekende brief op de hoogte brengen van zijn tegenargumenten. Als de aardgasdistributienetbeheerder bij het verstrijken van die termijn geen tegenargumenten heeft geformuleerd, is de beslissing definitief.
  De minister neemt binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van de tegenargumenten van de aardgasdistributienetbeheerder een definitieve beslissing over de onderwerpen waarvoor de aardgasdistributienetbeheerder tegenargumenten heeft geformuleerd. De door de minister genomen beslissing wordt toegepast bij de uitvoering van het actieplan. Als de minister binnen de termijn van dertig kalenderdagen geen beslissing neemt, wordt het actieplan, zoals beargumenteerd door de aardgasdistributienetbeheerder, als goedgekeurd beschouwd.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  [1 Art. 12.3.1.In afwijking van artikel 8.4.1, § 1, eerste lid, 2° moet het onderwijzend personeel van een erkende opleidingsinstelling pas vanaf 1 september 2014 beschikken over een geldig en toepasselijk getuigschrift, behaald in een andere erkende exameninstelling.
   Het onderwijzend personeel van een erkende opleidingsinstelling is niet verplicht te beschikken over een geldig en een toepasselijk getuigschrift indien :
   1° er in het Vlaamse Gewest geen andere exameninstellingen zijn die het examen voor die categorie aanbieden;
   2° het onderwijzend personeel enkel instaat voor het onderricht van een specifiek onderdeel van de opleiding.
   De minister kan nadere regels bepalen betreffende de inhoud van de specifieke onderdelen, vermeld in het tweede lid, 2°, waarvoor het onderwijzend personeel van een erkende opleidingsinstelling vrijgesteld is van de verplichting te beschikken over een geldig en een toepasselijk getuigschrift.]1

  ----------
  (1)<BVR 2013-07-19/72, art. 8, 016; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 12.3.2.[1 § 1. In afwijking van artikel 6.1.7, tweede lid en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, tweede lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009, worden voor installaties met een startdatum voor 1 januari 2013 de groenestroomcertificaten maandelijks toegekend per schijf van 1000 kWh opgewekte elektriciteit. Het resterende aantal kWh wordt overgedragen naar de volgende maand.
   In afwijking van het eerste lid wordt deze periode verlengd wanneer aan de voorwaarden van artikel 7.1.1, § 1 derde lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009 is voldaan. Het Vlaams Energieagentschap bepaalt in dat geval de periode nodig om het aantal groenestroomcertificaten te ontvangen dat overeenkomt met het aantal groenestroomcertificaten toe te kennen volgens het aantal vollasturen dat voor de betreffende projectcategorie en overeenstemmend met het initieel geïnstalleerde nominaal vermogen uit hernieuwbare energiebronnen werd gehanteerd voor de berekening van de onrendabele top. Indien het betreffende project niet behoort tot een categorie waarvoor reeds een onrendabele top werd berekend, bepaalt het Vlaams Energieagentschap het referentie aantal vollasturen op basis van het aantal werkelijke vollasturen van de installaties behorend tot die categorietijdens de voorgaande 5 kalenderjaren.
   § 2. Onder de voorwaarden, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, vierde lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009 kan een eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen [2 ...]2, bij het Vlaams Energieagentschap tweemaal een aanvraag indienen tot verlenging van de periode, vermeld in § 1, met maximaal vijf jaar per aanvraag. Hij bewijst daarbij voor elke bijkomende termijn dat aan alle voorwaarden, vermeld in artikel 7.1.1, § 1, vierde lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009, is voldaan. De bijkomende investeringen komen enkel in aanmerking voor zover de uitgaven gebeurd zijn voor 1 januari 2013.
   Het aantal groenestroomcertificaten dat maandelijks door de VREG wordt toegekend wordt berekend door de vermenigvuldiging van de opgewekte elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, uitgedrukt in MWh, en de conform artikel 6.2/1.7 voor die installatie vastgestelde bandingfactor, en dit vervolgens op te tellen bij het eventuele overschot van de voorgaande maand. Het resultaat wordt naar beneden afgerond tot een geheel getal. Dit geheel getal is het aantal groenestroomcertificaten dat wordt toegekend. Het overschot, in MWh, bekomen door de afronding van het resultaat van deze berekening tot een geheel aantal MWh, wordt overgedragen naar de volgende maand.
   § 3. De minister kan nadere regels bepalen betreffende de vorm en inhoud van de aanvraag tot verlenging van de termijn, vermeld in § 1 en § 2, door een eigenaar van een productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 34, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>
  (2)<BVR 2013-07-19/72, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 08-10-2013>

  Art. 12.3.3. [1 In afwijking van artikel 6.2.7, tweede lid en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 7.1.2, § 1, tweede lid van het Energiedecreet van 8 mei 2009, worden voor installaties of een ingrijpende wijziging met een startdatum voor 1 januari 2013 de warmtekrachtcertificaten maandelijks toegekend per schijf van 1000 kWh primaire energiebesparing, gerealiseerd door gebruik te maken van een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie ten opzichte van referentie-installaties. Het resterende aantal kWh primaire energiebesparing wordt overgedragen naar de volgende maand.
   Voor de productiemaanden die meer dan vier jaar na de indienstneming of ingrijpende wijziging van de warmtekrachtinstallatie vallen, worden voor X % van de warmtekrachtbesparing in de betreffende maand certificaten toegekend die aanvaardbaar zijn voor de certificatenverplichting, en voor (100-X)% van de warmtekrachtbesparing certificaten die niet aanvaardbaar zijn voor de certificatenverplichting.
   X wordt berekend volgens de volgende formule : X = 100 * (RPE - 0,2 (T-48)) / RPE,
   waarbij :
   1° RPE : de relatieve primaire energiebesparing, uitgedrukt in procenteenheden, en berekend op basis van de meest recente gegevens die bekend zijn bij de aanvraag of die bekend zijn na een controle;
   2° T : de periode tussen de datum van indienstneming en de productiemaand, vermeld op het warmtekrachtcertificaat, uitgedrukt in maanden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 34, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. 12.3.4. [1 De eerste bandingfactoren voor de representatieve categorieën, vermeld in artikel 6.2/1.2. en 6.2/1.4, zijn allen [conform de procedure vermeld in artikel 6.2/1.5 en 6.2/1.6 ]voor het eerst vastgesteld op uiterlijk 1 april 2013 en treden in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. ". (ERR. B.ST 18.01.2013, p. 2194)
   [In afwijking van het eerste lid wordt zolang er voor [een project behorend tot de representatieve [project]categorieën, [met uitzonderlijke projectcategorieën voor zonne-energie, geen bandingfactor van topepassing is,een aanvraag ingediend woorden voor een specifieke] bandingfactor[,] conform de procedure [,] vermeld in artikel [6.2/1.7.][Zolang er voor een project behorend tot de representative projectcategorieën voor zonne-energie, vermeld in artikel 6.2/1.2, eerste lid, 1° geen bandingfactor van toepassing is die bepaald werd volgens de procedure, vermeld in artikel 6.2 /1.5 en 6.2/1.6 bedraagt de bandingactor 0,1 "]. (ERR. B.ST 18.01.2013, p. 2194)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 34, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. 12.3.5. [1 In afwijking van artikel 8.5.1, § 3, eerste lid, 1° en § 4, eerste lid, 1° kan tot 1 september 2014 een kandidaat deelnemen aan het examen, vermeld in artikel 8.5.1, voor zover hij voor de relevante categorie beschikt over een getuigschrift van een gelijkwaardige opleiding gegeven door een andere opleidingsinstelling dan de opleidingsinstellingen, vermeld in artikel 8.4.1, § 1.
   De minister kan nadere regels bepalen betreffende welke types van opleiding als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-07-19/72, art. 10, 016; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 12.3.6. [1 Investeerders in woningen, wooneenheden, woongebouwen of andere gebouwen die werden aangesloten op het elektriciteitsdistributienet vanaf 1 januari 2006, komen toch in aanmerking voor de premies, vermeld in artikel 6.4.1/1, 6.4.1/1/2 en 6.4.1/5, § 1, eerste lid, 1° tot en met 7° evenals 10°, als ze kunnen aantonen dat de aanvraag tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning plaatsvond voor 1 januari 2006.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-11-29/03, art. 32, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen

  Art. 12.4.1. Het Energiedecreet van 8 mei 2009, behoudens titel XIV en artikel 15.2.1, 1°, treedt in werking.

  Art. 12.4.2. Dit besluit wordt aangehaald als : het Energiebesluit van 19 november 2010.

  Art. 12.4.3. Dit besluit, behoudens artikel 10.1.2 en artikel 10.1.6 waarvan de datum van inwerkingtreding wordt bepaald door de minister, treedt in werking op 1 januari 2011.

  Art. 12.4.4. De Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
  

  BIJLAGEN.

  Art. N1.Bijlage I. - Methodologie voor de bepaling van het rendement van het warmtekrachtkoppelingsproces
  De waarden die gebruikt worden voor de berekening van het rendement van warmtekrachtkoppeling en de besparingen op primaire energie worden bepaald op basis van de verwachte of werkelijke werking van de eenheid onder normale gebruiksomstandigheden.
  a) Kwalitatieve warmtekrachtkoppeling.
  Voor de toepassing van dit besluit moet kwalitatieve warmtekrachtkoppeling aan de volgende criteria voldoen :
  - Warmtekrachtkoppelingsproductie, afkomstig van warmtekrachtkoppelingseenheden, levert een besparing van primaire energie op van ten minste 10 %, berekend overeenkomstig punt b), ten opzichte van de referenties voor de gescheiden productie van warmte en elektriciteit;
  - de productie, afkomstig van kleinschalige en microwarmtekrachtkoppelingseenheden die een besparing van primaire energie opleveren, wordt aangemerkt als kwalitatieve warmtekrachtkoppeling.
  b) Berekeningen van de besparing op primaire energie.
  De relatieve primaire energiebesparing wordt met de volgende formule berekend :
  [1 RPE]1 = [1 - 1/Wη/Ref Wη + Eη/Ref Eη] x 100 %
  waarin :
  [1 RPE]1 de relatieve besparing op primaire energie is;
  Wη het warmterendement van het proces is, gedefinieerd als de jaarlijkse opbrengst aan nuttige warmte, gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt om de som van de jaarlijkse opbrengst aan warmte, elektriciteit of mechanische energie te produceren;
  Ref Wη de rendementsreferentiewaarde voor gescheiden warmteproductie is;
  Eη het elektriciteitsrendement van het proces is, gedefinieerd als de jaarlijkse netto-opbrengst aan elektriciteit of mechanische energie, gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt om de som van de jaarlijkse opbrengst aan warmte, elektriciteit of mechanische energie te produceren. Als een warmtekrachtkoppelingseenheid mechanische energie genereert, kan de elektriciteit uit een warmtekrachtinstallatie op jaarbasis worden verhoogd met een aanvullend element dat staat voor de hoeveelheid elektriciteit die gelijk is aan die van mechanische energie. Dat aanvullende element schept geen recht om het hiervoor toegekende warmtekrachtcertificaat overeenkomstig artikel 6.2.13 als garantie van oorsprong te gebruiken;
  Ref Eη de rendementsreferentiewaarde voor gescheiden elektriciteitsproductie of gescheiden productie van mechanische energie is.
  
  Gewijzigd bij :
  <BVR 2011-04-08/15, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2011 (Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-05-2011, p. 29130)>
  ----------
  (1)<BVR 2012-12-21/02, art. 35, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. N2. Bijlage II. - Berekening van elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling
  De waarden die worden gebruikt voor de berekening van elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling moeten worden bepaald op basis van de verwachte of werkelijke werking van de eenheid onder normale gebruiksomstandigheden.
  a) De elektriciteitsproductie uit warmtekrachtkoppeling wordt gelijkgesteld aan de totale elektriciteitsproductie van de eenheid op jaarbasis, gemeten op de aansluiting op de hoofdgeneratoren :
  i) in warmtekrachtkoppelingseenheden van de in bijlage III genoemde typen b), d), e), f), g) en h) met een totaal rendement op jaarbasis van ten minste 75 %;
  ii) in warmtekrachtkoppelingseenheden van de in bijlage III genoemde typen a) en c) met een totaal rendement op jaarbasis van ten minste 80 %.
  b) In warmtekrachtkoppelingseenheden met een totaal rendement op jaarbasis van minder dan de onder a), i), genoemde waarde (warmtekrachtkoppelingseenheden van de in bijlage III genoemde typen b), d), e), f), g) en h) of met een totaal rendement op jaarbasis van minder dan de onder a), ii), genoemde waarde (warmtekrachtkoppelingseenheden van de in bijlage III genoemde typen a) en c) wordt de warmtekrachtkoppeling berekend volgens de volgende formule :
  EWKK = WWKK.C
  waarin :
  EWKK de hoeveelheid elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling is, in elk geval beperkt tot de totale elektriciteitsproductie, geproduceerd door de warmtekrachtkoppelingseenheid;
  C de elektriciteit-warmteratio is;
  WWKK de hoeveelheid nuttige warmte uit warmtekrachtkoppeling is (voor dit doel berekend als de totale warmteproductie minus de warmte die is geproduceerd in aparte ketels of door aftap van directe stroom van de stoomgenerator voor de turbine).
  De elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling moet worden berekend op basis van de werkelijke elektriciteit-warmteratio. Als de werkelijke elektriciteit-warmteratio van een warmtekrachtkoppelingseenheid onbekend is, kunnen, met name voor statistische doeleinden, de volgende standaardwaarden worden gebruikt voor eenheden van de in bijlage III genoemde typen a), b), c), d) en e), mits de berekende elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling minder is dan of gelijk is aan de totale elektriciteitsproductie van de eenheid :
  

  
  
  
Type eenheid Standaard elektriciteit-warmteratio (C)
  
Stoom- en gasturbine met warmteterugwinning 0,95
  
Tegendrukstoomturbine 0,45
  
Aftap-condensatiestoomturbine 0,45
  
Gasturbine met warmteterugwinning 0,55
  
Interne verbrandingsmotor 0,75


  c) Als een deel van de energie-inhoud van de brandstofinvoer in het warmtekrachtkoppelingsproces wordt teruggewonnen in de vorm van chemicaliën en wordt gerecycleerd, kan dat deel op de brandstofinvoer in mindering worden gebracht voordat het totale rendement, bedoeld onder a) en b), wordt berekend.

  Art. N3. Bijlage III. - Technologieën voor warmtekrachtkoppeling waarop het besluit betrekking heeft
  a) Stoom- en gasturbine met warmteterugwinning
  b) Tegendrukstoomturbine
  c) Aftap-condensatiestoomturbine
  d) Gasturbine met warmteterugwinning
  e) Interne verbrandingsmotor
  f) Microturbine
  g) Stirlingmotor
  h) Brandstofcel
  i) Stoommachine
  j) Organische Rankinecyclus
  k) Alle overige typen technologie en alle combinaties daarvan die onder de definitie van warmtekrachtkoppeling vallen

  Art. N3/1.[1 Bijlage III/1. - Berekeningswijze onrendabele top voor groene stroom voor projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 die vallen in de representatieve projectcategorieën
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 31-12-2012, p. 88620-88633)]1
  
  Gewijzigd door :
  
  <BVR 2013-07-19/72, art. 11, 016; Inwerkingtreding : 08-10-2013>
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 36, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. N3/2.[1 Bijlage III/2. - Berekeningswijze onrendabele top voor warmtekrachtkoppeling voor projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 die vallen in de representatieve projectcategorieën
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 31-12-2012, p. 88634-88645)]1
  
  Gewijzigd door :
  
  <BVR 2013-07-19/72, art. 12, 016; Inwerkingtreding : 08-10-2013>
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 36, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. N3/3.[1 Bijlage III/3. - Berekeningswijze onrendabele top voor relevante technologieën en projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 binnen niet-representatieve projectcategorieën
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 31-12-2012, p. 88646-88659)]1
  
  Gewijzigd door :
  
  <BVR 2013-07-19/72, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 08-10-2013>
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 36, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. N3/4.[1 Bijlage III/4. - Berekeningswijze onrendabele top voor groenestroomprojecten met startdatum voor 1 januari 2013
   (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 31-12-2012, p. 88660-88672)]1
  
  Gewijzigd door :
  
  <BVR 2013-07-19/72, art. 14, 016; Inwerkingtreding : 08-10-2013>
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-12-21/02, art. 36, 015; Inwerkingtreding : 31-12-2012>

  Art. N4. Bijlage IV. - Aantal huishoudelijke toegangspunten op het elektriciteitsdistributienet per 1 oktober 2006
  ELEKTRICITEITSNETBEHEERDER
  Totaal
  - AGEM : 2.902
  - Gaselwest : 329.531
  - Imea : 251.072
  - Imewo : 439.384
  - INTER-ENERGA : 325.324
  - Intergem : 244.124
  - IVEG : 67.361
  - Iveka : 296.342
  - Iverlek : 420.634
  - PBE : 69.879
  - Sibelgas : 49.020
  - WVEM : 117.944
  - Eindtotaal : 2.613.517

  Art. N5.Bijlage V. - Bepalingsmethode van het peil van primair energieverbruik van woongebouwen
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 08-12-2010, p. 74357-74457)
  
  Gewijzigd bij :
  <BVR 2011-05-20/14, art. 17, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>
  <BVR 2012-09-28/05, art. 5,1°-5,5°, 013; Inwerkingtreding : onbepaald>
  <BVR 2012-09-28/05, art. 5,6°, 013; Inwerkingtreding : 16-11-2012>
  <BVR 2013-07-19/72, art. 15, 016; Inwerkingtreding : 01-11-2013>
  
  Vervangen door :
  
  <BVR 2013-07-19/72, art. 17, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. N6.Bijlage VI. - Bepalingsmethode van het peil van primair energieverbruik van kantoor- en schoolgebouwen
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 08-12-2010, p. 74458-74520)
  
  Gewijzigd bij :
  <BVR 2011-05-20/14, art. 18, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>
  <BVR 2012-09-28/05, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 16-11-2012>
  <BVR 2013-07-19/72, art. 16, 016; Inwerkingtreding : 01-11-2013>
  
  Vervangen door :
  
  <BVR 2013-07-19/72, art. 18, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. N7.Bijlage VII. - Maximaal toelaatbare U - waarden of minimaal te realiseren R - waarden
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 08-12-2010, p. 74521-74522)
  
  Gewijzigd bij :
  <BVR 2011-05-20/14, art. 14, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Art. N8. Bijlage VIII. - Behandeling van bouwknopen
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 08-12-2010, p. 74523-74540)

  Art. N9.Bijlage IX. - Ventilatievoorzieningen in woongebouwen
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 08-12-2010, p. 74541-74542)
  
  Gewijzigd bij :
  <BVR 2011-05-20/14, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Art. N10.Bijlage X. - Ventilatievoorzieningen in niet-residentiële gebouwen : bepalingsmethode en eisen
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 08-12-2010, p. 74543-74551)
  
  Gewijzigd bij :
  <BVR 2011-05-20/14, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 08-09-2011>

  Art. N11.[1 Bijlage XI. - Regels voor het berekenen van het effect van biobrandstoffen, vloeibare biomassa en hun fossiele alternatieven op de broeikasgasemissie
   A. Typische waarden en standaardwaarden voor biobrandstoffen die geproduceerd zijn zonder netto koolstofemissies door veranderingen in het landgebruik
  

  
  
  
Keten voor de productie van biobrandstoffenTypische broeikasgas-emissiereductiesStandaard-
   broeikasgas-emissiereducties
  
Suikerbietethanol61 %52 %
  
Graanethanol (procesbrandstof niet gespecificeerd)32 %16 %
  
Graanethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie)32 %16 %
  
Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)45 %34 %
  
Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)53 %47 %
  
Graanethanol (stro als procesbrandstof in WKK-installatie)69 %69 %
  
Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)56 %49 %
  
Suikerrietethanol71 %71 %
  
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ethyl-tertiair-butylether (ETBE)Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
  
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van amyl-tertiair-ethylether (TAEE)Gelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
  
Biodiesel uit koolzaad45 %38 %
  
Biodiesel uit zonnebloemen58 %51 %
  
Biodiesel uit sojabonen40 %31 %
  
Biodiesel uit palmolie (proces niet gespecificeerd)36 %19 %
  
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)62 %56 %
  
Biodiesel uit plantaardige of dierlijke (*) afvalolie88 %83 %
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad51 %47 %
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen65 %62 %
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces niet gespecificeerd)40 %26 %
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)68 %65 %
  
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad58 %57 %
  
Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas80 %73 %
  
Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas84 %81 %
  
Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas86 %82 %


   (*) Niet inbegrepen dierlijke olie vervaardigd van dierlijke bijproducten die zijn ingedeeld als categorie 3-materiaal overeenkomstig verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten.
   B. Geraamde typische waarden en standaardwaarden voor toekomstige biobrandstoffen die in januari 2008 niet of alleen in verwaarloosbare hoeveelheden op de markt waren, voor zover ze zijn geproduceerd zonder netto koolstofemissies door veranderingen in landgebruik
  

  
  
  
Keten voor de productie van biobrandstoffenTypische broeikasgas-emissiereductiesStandaard-
   broeikasgas-emissiereducties
  
Ethanol uit graanstro87 %85 %
  
Ethanol uit afvalhout80 %74 %
  
Ethanol uit geteeld hout76 %70 %
  
Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout95 %95 %
  
Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout93 %93 %
  
Dimethylether (DME) uit afvalhout95 %95 %
  
DME uit geteeld hout92 %92 %
  
Methanol uit afvalhout94 %94 %
  
Methanol uit geteeld hout91 %91 %
  
Het gedeelte methyl-tertiair-butylether (MTBE) uit hernieuwbare bronnenGelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie


   C. Methode
   1. Broeikasgasemissies door de productie en het gebruik van brandstoffen, biobrandstoffen en vloeibare biomassa voor vervoer worden als volgt berekend :
   E = eec + el + ep + etd + eu - esca - eccs - eccr - eee,
   waarbij
  

  
  
  
E= de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de brandstof;
  
eec= emissies ten gevolge van de teelt of het ontginnen van grondstoffen;
  
el= de op jaarbasis berekende emissies van wijzigingen in koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik;
  
ep= emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten;
  
etd= emissies ten gevolge van vervoer en distributie;
  
eu= emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof;
  
esca= emissiereductie door koolstofaccumulatie in de bodem als gevolg van beter landbouwbeheer;
  
eccs= emissiereductie door het afvangen en geologisch opslaan van koolstof;
  
eccr= emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof;
  
eee= emissiereductie door extra elektriciteit door warmtekrachtkoppeling.


   Met de emissies ten gevolge van de productie van machines en apparatuur wordt geen rekening gehouden.
   2. Broeikasgasemissies ten gevolge van brandstoffen (E) worden uitgedrukt in gram CO2-equivalent per MJ brandstof (gCO2eq/MJ).
   3. In afwijking van punt 2 mogen voor transportbrandstoffen de waarden die berekend worden in termen van gCO2eq/MJ, worden aangepast om rekening te houden met de verschillen tussen brandstoffen op het vlak van nuttig verricht werk, uitgedrukt in km/MJ. Dergelijke aanpassingen worden alleen gedaan als de verschillen in nuttig verricht werk worden aangetoond.
   4. Broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa worden als volgt berekend :
   SAVING = (EF - EB)/EF,
   waarbij
  

  
  
  
EB= de totale emissies ten gevolge van het gebruik van de biobrandstof of vloeibare biomassa;
  
EF= de totale emissies ten gevolge van het gebruik van het fossiele alternatief.


   5. Met het oog op de toepassing van punt 1, worden de broeikasgassen CO2, N2O en CH4 in aanmerking genomen. Met het oog op de berekening van de CO2-equivalentie worden de volgende waarden toegekend aan die gassen :
   CO2 : 1
   N2O : 296
   CH4 : 23.
   6. Emissies door de teelt of het ontginnen van grondstoffen, eec, komen onder meer vrij door het proces van ontginnen of teelt zelf, door het verzamelen van de grondstoffen, door afval en lekken, en door de productie van chemische stoffen of producten die worden gebruikt voor het ontginnen of de teelt. Met het afvangen van CO2 bij de teelt van grondstoffen wordt geen rekening gehouden. Gecertificeerde broeikasgasbesparingen door het affakkelen in olieproductie-installaties overal ter wereld worden afgetrokken. Ramingen van de emissies ten gevolge van teelt kunnen worden afgeleid uit het gebruik van gemiddelden voor kleinere geografische gebieden dan die welke gebruikt worden bij de berekening van de standaardwaarden, als een alternatief voor het gebruik van feitelijke waarden.
   7. Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik, el, worden berekend door de totale emissies te delen door 20 jaar. Voor de berekening van die emissies wordt de volgende regel toegepast :
   el = (CSR - CSA) x 3,664 x 1/20 x 1/P - eB (1),
   waarbij
  

  
  
  
El= op jaarbasis berekende broeikasgasemissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik (gemeten als massa CO2-equivalent per eenheid energie uit biobrandstoffen);
  
CSR= de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als massa koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee tijdstippen : in januari 2008 of 20 jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;
  
CSA= de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijke landgebruik (gemeten als massa koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Als de vorming van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, is de aan CSA toegekende waarde de geraamde voorraad per landeenheid na twintig jaar of op het ogenblik waarop het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is;
  
P= de productiviteit van het gewas (meten als energie van de biobrandstof of vloeibare biomassa per landeenheid per jaar); en
  
eB= bonus van 29 gCO2eq/MJ voor biobrandstof of vloeibare biomassa als de biomassa afkomstig is van hersteld aangetast land, waarbij aan de voorwaarden, vermeld in punt 8, is voldaan.


   (1) Het resultaat van de deling van het moleculaire gewicht van CO2 (44,010 g/mol) door het moleculaire gewicht van koolstof (12,011 g/mol) is 3,664.
   8. De bonus van 29 gCO2eq/MJ wordt toegekend als wordt bewezen dat het land tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
   a) in januari 2008 werd het niet voor landbouwdoeleinden of andere doeleinden gebruikt;
   b) het behoort tot een van de volgende categorieën :
   i) het is ernstig aangetast, ook als het gaat om land dat voorheen voor landbouwdoeleinden werd gebruikt;
   ii) het is vervuild.
   De bonus van 29 gCO2eq/MJ geldt voor een periode van tien jaar, vanaf de datum dat het land naar landbouwgebruik wordt omgeschakeld, op voorwaarde dat ten aanzien van het land, vermeld in punt i) gezorgd wordt voor een gestage groei van de koolstofvoorraad en een aanzienlijke vermindering van de erosieverschijnselen, en dat voor het land, vermeld in punt ii) de bodemvervuiling wordt teruggedrongen.
   9. De categorieën, vermeld in punt 8, onder b), worden als volgt gedefinieerd :
   a) onder "ernstig aangetast land" wordt verstaan, gronden die gedurende een lange tijdspanne significant verzilt zijn of die een significant laag gehalte aan organische stoffen bevatten en die aan ernstige erosie lijden;
   b) onder "ernstig vervuild land" wordt verstaan, gronden die wegens hun vervuiling niet geschikt zijn voor de teelt van levensmiddelen of diervoeders.
   Die gronden omvatten ook land waarover de Commissie een besluit heeft genomen overeenkomstig de artikel 18, vierde lid, alinea 4.
   10. De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2009 richtsnoeren op voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond op basis van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale inventarislijsten van broeikasgassen - deel 4. Die richtsnoeren dienen als basis voor de berekening van koolstofvoorraden in de grond voor de toepassing van deze Richtlijn.
   11. Emissies ten gevolge van verwerkende activiteiten, ep, omvatten de emissies van de verwerking zelf, van afval en lekken, en van de productie van chemische stoffen of producten die bij de verwerking worden gebruikt.
   Bij het berekenen van het verbruik aan elektriciteit die niet in de brandstofproductie-installatie is geproduceerd, wordt de intensiteit van de broeikasgasemissie ten gevolge van de productie en distributie van die elektriciteit geacht gelijk te zijn aan de gemiddelde intensiteit van de emissies ten gevolge van de productie en distributie van elektriciteit in een bepaald gebied. In afwijking van deze regel mogen producenten een gemiddelde waarde hanteren voor de elektriciteit die wordt geproduceerd door een individuele installatie voor elektriciteitsproductie, als die installatie niet is aangesloten op het elektriciteitsnet.
   12. De emissies ten gevolge van vervoer en distributie, etd, omvatten de emissies ten gevolge van het vervoer en de opslag van grondstoffen en halfafgewerkte materialen, en van de opslag en distributie van afgewerkte materialen. De emissies ten gevolge van vervoer en distributie waarmee op basis van punt 6 rekening moet worden gehouden, vallen niet onder dit punt.
   13. De emissies ten gevolge van de gebruikte brandstof, eu, worden geacht nul te zijn voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa.
   14. Met betrekking tot de emissiereducties door het afvangen en geologisch opslaan van koolstof, eccs, die nog niet zijn meegerekend in ep, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang en opslag van uitgestoten CO2 die het directe gevolg is van de ontginning, het vervoer, de verwerking en de distributie van brandstof.
   15. Met betrekking tot de emissiereductie door het afvangen en vervangen van koolstof, eccr, wordt alleen rekening gehouden met emissies die vermeden worden door de afvang van uitgestoten CO2 waarvan de koolstof afkomstig is van biomassa en die gebruikt wordt om de in commerciële producten en diensten gebruikte CO2 uit fossiele brandstoffen te vervangen.
   16. Met betrekking tot de emissiereductie door extra elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling, eee, wordt rekening gehouden met de extra elektriciteit van brandstofproductie-installaties die gebruikmaken van warmtekrachtkoppeling, behalve als de voor de warmtekrachtkoppeling gebruikte brandstoffen andere bijproducten zijn dan residuen van landbouwgewassen. Bij het berekenen van de extra elektriciteit wordt de omvang van de warmtekracht-koppelingsinstallatie geacht te volstaan om minstens de warmte te leveren die nodig is om de brandstof te produceren. De broeikasgasemissiereductie ten gevolge van die extra elektriciteit wordt geacht gelijk te zijn aan de hoeveelheid broeikasgas die zou worden uitgestoten als een gelijke hoeveelheid elektriciteit werd opgewekt in een centrale die gebruik maakt van dezelfde brandstof als de warmtekrachtkoppelingsinstallatie.
   17. Als een proces voor de productie van brandstof niet alleen de brandstof waarvoor de emissies worden berekend oplevert, maar ook één of meer andere producten ("bijproducten"), worden de broeikasgasemissies verdeeld tussen de brandstof of het tussenproduct ervan en de bijproducten, in verhouding tot hun energie-inhoud (de calorische onderwaarde in het geval van andere bijproducten dan elektriciteit).
   18. Met het oog op de berekening, vermeld in punt 17, zijn de te verdelen emissies eec + el + de fracties van ep, etd en eee die ontstaan tot en met de stap van het proces waarin een bijproduct wordt geproduceerd. Als een toewijzing aan bijproducten heeft plaatsgevonden in een eerdere stap van het proces van de cyclus, wordt daarvoor de emissiefractie gebruikt die in de laatste stap is toegewezen aan het tussenproduct in plaats van de totale emissies.
   In het geval van biobrandstoffen en vloeibare biomassa wordt met het oog op die berekening rekening gehouden met alle bijproducten, inclusief elektriciteit, die niet onder punt 16 vallen, behalve residuen van landbouwproducten zoals stro, bagasse, vliezen, kolven en notendoppen. Bijproducten met een negatieve energie-inhoud worden met het oog op die berekening geacht een energie-inhoud nul te hebben.
   Afval, residuen van landbouwproducten zoals stro, bagasse, vliezen, kolven en notendoppen, en residuen van verwerking, met inbegrip van ruwe glycerine (niet-geraffineerde glycerine), worden geacht tijdens hun levenscyclus geen broeikasgasemissies te veroorzaken totdat ze worden verzameld.
   In het geval van brandstoffen die in raffinaderijen worden geproduceerd, is de raffinaderij de analyse-eenheid met het oog op de berekening, vermeld in punt 17.
   19. Met het oog op de berekening, vermeld in punt 4, wordt voor biobrandstoffen de laatste beschikbare gemiddelde werkelijke emissie van het fossiele deel van in de Gemeenschap verbruikte benzine en diesel, zoals gerapporteerd krachtens Richtlijn 98/70/EG, gebruikt voor de vergelijking met fossiele brandstof (EF). Als die gegevens niet beschikbaar zijn, wordt de waarde 83,8 gCO2eq/MJ gebruikt.
   Met het oog op de berekening, vermeld in punt 4, wordt voor vloeibare biomassa voor elektriciteitsproductie de waarde 91 gCO2eq/MJ gebruikt voor de vergelijking met fossiele brandstof.
   Met het oog op de berekening, vermeld in punt 4, wordt voor vloeibare biomassa voor warmteopwekking de waarde 77 gCO2eq/MJ gebruikt voor de vergelijking met fossiele brandstof.
   Met het oog op de berekening, vermeld in punt 4, wordt voor vloeibare biomassa voor warmtekrachtkoppeling de waarde 85 gCO2eq/MJ gebruikt voor de vergelijking met fossiele brandstof.
   D. Gedesaggregeerde standaardwaarden voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa
   Gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt : "eec", zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage
  

  
  
  
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaTypische broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)Standaard-
   broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)
  
Suikerbietethanol1212
  
Graanethanol2323
  
Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap2020
  
Suikerrietethanol1414
  
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
  
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
  
Biodiesel uit koolzaad2929
  
Biodiesel uit zonnebloemen1818
  
Biodiesel uit sojabonen1919
  
Biodiesel uit palmolie1414
  
Biodiesel uit plantaardige of dierlijke (*) afvalolie00
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad3030
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen1818
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie1515
  
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad3030
  
Biogas uit huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas00
  
Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas00
  
Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas00


   (*) Niet inbegrepen dierlijke olie vervaardigd van dierlijke bijproducten die zijn ingedeeld als categorie 3-materiaal overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002.
   Gedesaggregeerde standaardwaarden voor verwerking (inclusief extra elektriciteit) : "ep - eee", zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage
  

  
  
  
Traject voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaTypische broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)Standaard-
   broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)
  
Suikerbietethanol1926
  
Graanethanol (procesbrandstof niet gespecificeerd)3245
  
Graanethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie)3245
  
Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)2130
  
Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)1419
  
Graanethanol (stro als procesbrandstof in WKK-installatie)11
  
Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)1521
  
Suikerrietethanol11
  
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
  
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
  
Biodiesel uit koolzaad1622
  
Biodiesel uit zonnebloemen1622
  
Biodiesel uit sojabonen1826
  
Biodiesel uit palmolie (proces niet gespecificeerd)3549
  
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)1318
  
Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie913
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad1013
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen1013
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces niet gespecificeerd)3042
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)79
  
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad45
  
Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas1420
  
Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas811
  
Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas811


   Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie : "etd", zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage
  

  
  
  
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaTypische broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)Standaard-
   broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)
  
Suikerbietethanol22
  
Graanethanol22
  
Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap22
  
Suikerrietethanol99
  
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
  
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
  
Biodiesel uit koolzaad11
  
Biodiesel uit zonnebloemen11
  
Biodiesel uit sojabonen1313
  
Biodiesel uit palmolie55
  
Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie11
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad11
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen11
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie55
  
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad11
  
Biogas uit huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas33
  
Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas55
  
Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas44


   Totaal voor teelt, verwerking, vervoer en distributie
  

  
  
  
Keten voor de productie van biobrandstoffen en andere vloeibare biomassaTypische broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)Standaard-
   broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)
  
Suikerbietethanol3340
  
Graanethanol (procesbrandstof niet gespecificeerd)5770
  
Graanethanol (bruinkool als procesbrandstof in WKK-installatie)5770
  
Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in conventionele boiler)4655
  
Graanethanol (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)3944
  
Graanethanol (stro als procesbrandstof in WKK-installatie)2626
  
Maïsethanol, geproduceerd in de Gemeenschap (aardgas als procesbrandstof in WKK-installatie)3743
  
Suikerrietethanol2424
  
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van ETBEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
  
Het gedeelte hernieuwbare bronnen van TAEEGelijk aan de gebruikte keten voor ethanolproductie
  
Biodiesel uit koolzaad4652
  
Biodiesel uit zonnebloemen3541
  
Biodiesel uit sojabonen5058
  
Biodiesel uit palmolie (proces niet gespecificeerd)5468
  
Biodiesel uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)3237
  
Biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie1014
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit koolzaad4144
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit zonnebloemen2932
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces niet gespecificeerd)5062
  
Waterstofbehandelde plantaardige olie uit palmolie (proces met afvang van methaanemissies in oliefabriek)2729
  
Zuivere plantaardige olie uit koolzaad3536
  
Biogas uit organisch huishoudelijk afval, in de vorm van samengeperst gas1723
  
Biogas uit natte mest, in de vorm van samengeperst gas1316
  
Biogas uit droge mest, in de vorm van samengeperst gas1215


   E. Geraamde gedesaggregeerde standaardwaarden voor toekomstige biobrandstoffen en vloeibare biomassa die in januari 2008 niet of alleen in verwaarloosbare hoeveelheden op de markt waren
   Gedesaggregeerde standaardwaarden voor de teelt : "eec", zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage
  

  
  
  
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaTypische broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)Standaard-
   broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)
  
Ethanol uit graanstro33
  
Ethanol uit afvalhout11
  
Ethanol uit geteeld hout66
  
Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout11
  
Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout44
  
DME uit afvalhout11
  
DME uit geteeld hout55
  
Methanol uit afvalhout11
  
Methanol uit geteeld hout55
  
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnenGelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie


   Gedesaggregeerde standaardwaarden voor verwerking (inclusief extra elektriciteit) : "ep - eee", zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage
  

  
  
  
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaTypische broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)Standaard-
   broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)
  
Ethanol uit graanstro57
  
Ethanol uit hout1217
  
Fischer-Tropsch diesel uit hout00
  
DME uit hout00
  
Methanol uit hout00
  
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnenGelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie


   Gedesaggregeerde standaardwaarden voor vervoer en distributie : "etd", zoals gedefinieerd in deel C van deze bijlage
  

  
  
  
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaTypische broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)Standaard-
   broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)
  
Ethanol uit graanstro22
  
Ethanol uit afvalhout44
  
Ethanol uit geteeld hout22
  
Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout33
  
Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout22
  
DME uit afvalhout44
  
DME uit geteeld hout22
  
Methanol uit afvalhout44
  
Methanol uit geteeld hout22
  
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnenGelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie


   Totaal voor teelt, verwerking, vervoer en distributie
  

  
  
  
Keten voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassaTypische broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)Standaard-
   broeikasgasemissies (gCO2eq/MJ)
  
Ethanol uit graanstro1113
  
Ethanol uit afvalhout1722
  
Ethanol uit geteeld hout2025
  
Fischer-Tropsch diesel uit afvalhout44
  
Fischer-Tropsch diesel uit geteeld hout66
  
DME uit afvalhout55
  
DME uit geteeld hout77
  
Methanol uit afvalhout55
  
Methanol uit geteeld hout77
  
Het gedeelte MTBE uit hernieuwbare bronnenGelijk aan de gebruikte keten voor methanolproductie

]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-04-08/15, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 23-05-2011>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 19 november 2010.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie,
F. VAN DEN BOSSCHE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Vlaamse Regering,
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, artikel 6, § 1, VII, h), artikel 20 en artikel 87, § 1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;
   Gelet op de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, artikel 57, § 4, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008;
   Gelet op het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003, artikel 6, § 2 en artikel 7, derde lid;
   Gelet op het Energiedecreet van 8 mei 2009;
   Gelet op het koninklijk besluit van 27 augustus 1925 op de elektriciteitsvoorziening - Verklaring van openbaar nut;
   Gelet op het koninklijk besluit van 4 december 1933 tot regeling van het innen der rechten wegens gebruik van het openbaar domein voor elektrische leidingen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 15 maart 1966 tot heffing van retributies voor de bezetting van het openbaar of privaat domein van de Staat, de provinciën of de gemeenten door installaties voor gasvervoer door middel van leidingen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 26 oktober 1967 betreffende de inrichting en de werking van het Vast-Electrotechnisch Comité en van de vaste afdelingen van dit comité;
   Gelet op het koninklijk besluit van 26 november 1973 betreffende de wegvergunningen bedoeld bij de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening;
   Gelet op het koninklijk besluit van 26 november 1973 tot vaststelling van de door de Staat, de provinciën, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de houders van een concessie van elektriciteitsvoorziening te volgen regelen voor het benutten van een weg die geen deel uitmaakt, naar gelang het geval, van hun eigen openbaar domein, van dat van de gemeenten aangesloten bij de vereniging van gemeenten, of dat van de concessieverlenende gemeente of van de gemeenten aangesloten bij de concessieverlenende vereniging van gemeenten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 10 februari 1983 houdende aanmoedigingsmaatregelen voor het rationeel energieverbruik;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1992 houdende instelling van een aanpassingspremie en een verbeteringspremie voor woningen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de leveringsvergunningen voor elektriciteit;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de distributienetbeheerders voor elektriciteit;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de elektriciteitsvoorziening aan bepaalde afnemers;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 houdende nadere regeling van de voorwaarden om als afnemer in de zin van artikel 12 van het Elektriciteitsdecreet in aanmerking te komen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2001 houdende het gratis vervoer en de gratis levering van een hoeveelheid elektriciteit als sociale openbaredienstverplichting;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2002 houdende de organisatie van de aardgasmarkt;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2003 houdende bepaling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2003 tot vaststelling van de nadere regels voor de toekenning en de verrekening van gratis elektriciteit voor huishoudelijke afnemers;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 tot vaststelling van de openbaredienstverplichting, opgelegd aan de netbeheerders met betrekking tot de openbare verlichting;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap het Vlaams Energieagentschap;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende de algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 betreffende het rapporteren van afname- en productiegegevens door de beheerders van de aardgas- en elektriciteitsnetten, de brandstofleveranciers, de exploitanten van warmtekracht-, hernieuwbare energie en zelfopwekkingsinstallaties;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 11 maart 2005 tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 november 2005 tot vaststelling van de openbaredienstverplichting, opgelegd aan de netbeheerders met betrekking tot het ter beschikking stellen van de mogelijkheid voor afnemers op laagspanning om te kunnen genieten van een elektriciteitstarief op basis van een dag- en een nachtmeter;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2006 ter bevordering van de elektriciteitsopwekking in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 inzake de openbaredienstverplichtingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2009;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2007 betreffende de invoering van het energieprestatiecertificaat voor publieke gebouwen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2007 houdende vaststelling van de regels die de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding bepalen en van de fysische en financiële normen voor de schoolgebouwen, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2008 houdende de invoering van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur en de uitvoering van de energieaudit;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 tot toekenning van premies voor het uitvoeren van energiebesparende investeringen in woongebouwen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 betreffende de verzekering gewaarborgd wonen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende de toekenning van een subsidie voor de plaatsing van microwarmtekrachtinstallaties en warmtepompen door niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2008 houdende de invoering van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2008 tot toekenning van subsidies aan sociale verhuurkantoren voor het uitvoeren van energiebesparende investeringen in woongebouwen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 2009 betreffende de sociale openbaredienstverplichtingen in de vrijgemaakte elektriciteits- en aardgasmarkt;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2010 tot toekenning van steun aan energieconsulentenprojecten;
   Overwegende dat Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen de lidstaten oplegt een verbeterde energieprestatie van gebouwen te stimuleren via het vaststellen van een berekeningsmethodiek, het vaststellen van eisen met betrekking tot de energieprestaties voor zowel nieuwe als bestaande gebouwen en het invoeren van energieprestatiecertificatensystemen voor gebouwen die worden verkocht of verhuurd;
   Overwegende dat Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot wijziging van Richtlijn 92/42/EEG een definitie van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling invoert, bepaalt dat alle lidstaten een systeem van garanties van oorsprong moeten invoeren, de lidstaten tevens oplegt regelmatig te rapporteren over het potentieel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, en de ontwikkeling van het aandeel warmtekrachtkoppeling in de elektriciteitsproductie oplegt;
   Overwegende dat Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad de lidstaten de algemene doelstelling oplegt om de energie-efficiëntie bij de eindgebruikers te bevorderen door voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling en bevordering van een markt voor energiediensten en door de verplichting op te leggen om via actieplannen daarover regelmatig en uitgebreid aan de Europese Commissie te rapporteren;
   Overwegende dat Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG de lidstaten oplegt een nationaal actieplan hernieuwbare energie uit te werken en uit te voeren dat de realisatie van de bindende hernieuwbare energiedoelstelling voor 2020 mogelijk moet maken;
   Overwegende dat Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG bijkomende maatregelen vooropstelt voor een verdere liberalisering van de elektriciteitsmarkt, zoals op het vlak van toegang van nieuwe leveranciers, de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening, nieuwe regels voor de ontvlechting van verschillende marktactiviteiten, nog grotere bescherming van energieconsumenten, de onafhankelijkheid van de energieregulator, en de oprichting van een Europese energieregulator;
   Overwegende dat Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG bijkomende maatregelen vooropstelt voor een verdere liberalisering van de aardgasmarkt, zoals op het vlak van toegang van nieuwe leveranciers, de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening, nieuwe regels voor de ontvlechting van verschillende marktactiviteiten, nog grotere bescherming van energieconsumenten, de onafhankelijkheid van de energieregulator, en de oprichting van een Europese energieregulator;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 6 juli 2010;
   Gelet op het advies van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, gegeven op 23 september 2010;
   Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, gegeven op 15 september 2010;
   Gelet op het advies van de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt, gegeven op 1 september 2010;
   Gelet op het advies nr. 48.811/3 van de Raad van State, gegeven op 26 oktober 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op voorstel van de Vlaamse minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 09-05-2014 GEPUBL. OP 03-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1.1; 2.1.3; 3.1.6; 6.1.1; 6.1.2; 6.1.4; 6.1.5; 6.1.6; 6.1.7; 6.1.8; 6.1.9; 6.1.10; 6.1.11; 6.1.12; 6.1.12/1; 6.1.13; 6.1.14; 6.1.16; 6.2.2; 6.2.3; 6.2.4; 6.2.6; 6.2.7; 6.2.8; 6.2.9; 6.2.10; 6.2.11; 6.2.12; 6.2/1.1; 6.2/1.7; 6.2/1.7; 6.2/1.8; 6.2/3.1; 6.2/3.3; 6.2/3.4; 6.2/3.5; 10.1.1; 11.1.5; 11.1/1.1; 11.1/2.1; 12.3.2; 12.3.6; 12.3.7; N3/4)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 04-04-2014 GEPUBL. OP 08-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 8.6.1-8.6.3; 8.7.1-8.7.2; 9.1.17; 9.1.22; 9.1.22/1; 9.1.30; 11.2.8; 12.3.7; 12.3.8; N5; N6; N7; N9; N10; N12)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 10-01-2014 GEPUBL. OP 14-02-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 6.2/1.1; 6.2/1.6; 6.4.14/1; 6.4.14/2; 11.1.3)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 29-11-2013 GEPUBL. OP 28-01-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1.1; 9.1.1; 9.1.2; 9.1.3; 9.1.7; 9.1.9; 9.1.11; 9.1.11/1; 9.1.12; 9.1.12/1; 9.1.12/2; 9.1.12/3; 9.1.15; 9.1.16; 9.1.17; 9.1.23; 9.1.23/1; 9.1.24; 9.1.25; 9.1.30; 9.1.32; 12.3.7; N5; N9; N10; N7; N12)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 29-11-2013 GEPUBL. OP 19-12-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 5.3.1; 5.3.9; 5.3.10; 5.3.12; 5.3.13; 5.3.14; 5.4.1; 5.4.10; 5.4.13; 5.4.14; 5.4.15; 5.7.1; 6.4.1; 6.4.1/1; 6.4.1/1/1; 6.4.1/1/2; 6.4.1/2; 6.4.1/3; 6.4.1/4; 6.4.1/5; 6.4.1/6; 6.4.1/8; 6.4.1/9; 6.4.1/12; 11.1.4; 12.3.6)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 18-10-2013 GEPUBL. OP 27-11-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 2.4.3)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 13-09-2013 GEPUBL. OP 20-11-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 7.5.1-7.5.4)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 13-09-2013 GEPUBL. OP 20-11-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1.1; 7.6.1-7.6.4)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 13-09-2013 GEPUBL. OP 20-11-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1.1; 7.4.1-7.4.4; 7.1.1)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 19-07-2013 GEPUBL. OP 08-10-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1.1; 6.1.12/1; 6.1.16; 8.4.1; 8.5.1; 11.2.6; 11.2.7; 12.3.1; 12.3.2; 12.3.5; N3/1; N3/2; N3/3; N3/4; N5; N6; N5; N6)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 21-12-2012 GEPUBL. OP 31-12-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1.1; 3.1.28; 6.1.2; 6.1.4; 6.1.5; 6.1.7; 6.1.12; 6.1.14; 6.1.15; 6.1.16; 6.1.17-6.1.22; 6.1.24; 6.2.2; 6.2.5; 6.2.7; 6.2.10; 6.2.11; 6.2.12; 6.2.13-6.2.17; 6.2.19; 6.2/1.1; 6.2/1.2; 6.2/1.3; 6.2/1.4; 6.2/1.5; 6.2/1.6; 6.2/1.7; 6.2/1.8; 6.2/2.1; 6.2/3.1; 6.2/3.2; 6.2/32.3; 6.2/3.4; 6.2/3.5; 6.2/3.6; 6.2/3.7; 6.2/3.8; 6.2/3.9; 6.2/3.10; 6.2/3.11; 6.2/3.12; 6.2/3.13; 6.2/3.14; 6.2/3.15; 6.3.2; 6.4.1/1; 6.4.1/4; 6.4.1/5; 6.4.13; 6.4.24; 10.1.1; 10.1.3; 10.1.4; 10.1.5; 12.3.2; N1; N3/1-N3/4)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 12-10-2012 GEPUBL. OP 21-11-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 3.1.42)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 28-09-2012 GEPUBL. OP 16-11-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 9.1.11; 9.1.12/2-9.1.12/3; 9.1.13; 9.1.30; N6; N5)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 07-09-2012 GEPUBL. OP 16-10-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1.1; 5.3.12; 5.4.13; 5.5.2; 5.5.7; 5.5.8; 5.5.9; 5.6.1; 5.6.2; 5.6.4; 5.7.1; 6.4.1/8; 6.4.1/9; 7.2.7-7.2.13; 5.2.2; 5.6.3)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 07-09-2012 GEPUBL. OP 09-10-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 7.2.21; 7.2.22)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 27-04-2012 GEPUBL. OP 04-06-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 9.2.12; 11.2.1; 11.2.2)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 27-04-2012 GEPUBL. OP 04-06-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 8.3.1; 8.3.2) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 30-03-2012 GEPUBL. OP 24-04-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 3.1.17)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 02-03-2012 GEPUBL. OP 04-04-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1.1; 7.2.21; 7.2.22)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 16-03-2012 GEPUBL. OP 02-04-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 6.4.1)
  • BEELD
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 20-10-2011 GEPUBL. OP 03-11-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 5.4.7,L3)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 23-09-2011 GEPUBL. OP 31-10-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1.1; 3.1.40; 6.4.1; 6.4.1/1-6.4.1/12; 6.4.2-6.4.12; 6.4.15; 6.4.16; 6.4.19; 6.4.20; 6.4.24/1; 6.4.25/1; 6.4.26; 7.1.1-7.1.12; 7.2.7; 7.2.13; 7.3.1)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 20-05-2011 GEPUBL. OP 29-08-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1.1; 9.1.1; 9.1.2; 9.1.3; 9.1.9; 9.1.11; 9.1.12/1; 9.1.13; 9.1.16; 9.1.17; 9.1.19; 9.1.23; 9.1.30; N7; N9; N10; N5; N6; 8.1.1; 9.2.2; 9.2.3; 9.2.7; 9.2.8; 9.2.10/1; 9.2.12; 9.2.13; 9.1.15; 9.1.18)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 10-06-2011 GEPUBL. OP 02-08-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 1.1.1)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 08-04-2011 GEPUBL. OP 23-05-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 6.1.12/1; 6.1.14; 6.1.16; 6.1.19; N1; N11)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 53 uitvoeringbesluiten 20 gearchiveerde versies
    Franstalige versie