J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2009/10/29/2009205360/justel

Titel
29 OKTOBER 2009. - Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 6 maart 2009 tot wijziging van hoofdstuk II van titel III van boek II van deel I van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-11-2009 en tekstbijwerking tot 04-04-2014) Zie wijziging(en)

Bron : WAALSE OVERHEIDSDIENST
Publicatie : 24-11-2009 nummer :   2009205360 bladzijde : 73182       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2009-10-29/15
Inwerkingtreding : 01-02-2010

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Register van de begraafplaatsen
Art. 1-3
HOOFDSTUK II. - Oprichting en uitbreiding van een crematorium en oprichting, uitbreiding of herbestemming van een traditionele begraafplaats of een asbegraafplaats
Art. 4-14
HOOFDSTUK III. - Kisting en vervoer van lijken
Afdeling 1. - Balseming voorafgaandelijk aan de kisting
Art. 15
Afdeling 2. - Vervoer van lijken
Art. 16
Afdeling 3. - Voorwaarden waaraan een doodskist moet voldoen voor de begraving
Art. 17-18
HOOFDSTUK IV. - Uitbating van een crematorium.
Afdeling 1. - Administratieve formaliteiten
Art. 19-22
Afdeling 2. - Personeel van het crematorium
Art. 23
Afdeling 3. - Crematie
Art. 24-26
HOOFDSTUK V. - Vastlegging van de lijkbezorging, van de bestemming van de as na de crematie, van het al dan niet-confessionele ceremonieel voor de bijzetting alsmede van het bestaan van een uitvaartcontract die in de laatste wilsbeschikking kunnen voorkomen
Art. 27-29
HOOFDSTUK VI. - Verpakking en overhandiging van de as
Art. 30-34
HOOFDSTUK VII. - Voorwaarden waaraan de bewaring, de begraving of de uitstrooiing van de as bedoeld in artikel L1232-26, § 2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie moet voldoen
Art. 35-40
HOOFDSTUK VIII. - Graven met lokaal historisch belang
Art. 41-45
HOOFDSTUK IX. - Opheffings- en slotbepalingen
Art. 46-48
BIJLAGEN.
Art. N1-N2

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Register van de begraafplaatsen

  Artikel 1. Het register wordt elektronisch of op papier aangelegd.
  Het register op papier wordt verbonden en per bladzijde genummerd.

  Art. 2. Het gemeentecollege of het bevoegde orgaan van de intercommunale of van het autonome gemeentebedrijf kan de dienst aanwijzen die belast is met het bijhouden van het register; deze dienst handelt onder de verantwoordelijkheid van de openbare beheerder.
  Als de openbare beheerder meerdere begraafplaatsen beheert, moet hij ervoor kiezen om een register per begraafplaats bij te houden of om het geheel van de begraafplaatsen in dezelfde papieren of elektronische toepassing te beheren.
  Het register wordt met de cartografie van de begraafplaats verbonden.
  De persoon die het graf van een overledene wilt lokaliseren, richt zich tot de dienst die belast is met het bijhouden van het register.

  Art. 3. § 1. Het register bevat de volgende informatie :
  - de naam van de begraafplaats;
  - de datum van de oprichting en van de uitbreiding van de begraafplaats;
  en, in voorkomend geval :
  - de datum waarop niet meer wordt begraven of uitgestrooid op de begraafplaats;
  - de sluitingsdatum van de begraafplaats en de overnametermijn van de graftekens.
  § 2. Bovendien bevat het :
  * voor elk graf of elke columbariumcel :
  - het nummer van het perceel, van de rij, van het graf of van de columbariumcel;
  - de vermelding van de geconcedeerde of niet-geconcedeerde aard van het graf of van de columbariumcel;
  - de identiteit van het of de lijk(en) en de vermelding dat een balseming werd uitgevoerd; de identificatie wordt op het deksel van de kist vermeld;
  - de identiteit van de overledene en de vermelding van het volgnummer van de crematie geschreven op de urn die begraven is of die in een columbariumcel geplaatst is;
  - de begravingsdatum van elke doodskist en urn;
  - de opgravingsdatum van elke kist en urn uit het graf en de nieuwe bestemming ervan;
  - de datum van de overbrenging van het stoffelijk overschot en de as naar het gemeentelijk doodsbeenderhuisje of de datum waarop het stoffelijk overschot wordt gecremeerd en de as wordt uitgestrooid;
  - de datum van de overbrenging van het graf naar een nieuwe begraafplaats en de vermelding van de nieuwe plaats van het graf;
  - de erkenning of niet als graf met een plaatselijk historisch belang;
  * voor elke asweide : de identiteit van de overledenen van wie de as werd uitgestrooid en ook de uitstrooiingsdatum.
  * voor elk geconcedeerd graf :
  - de aanvangsdatum van de concessie, de duur en het einde van de concessie en haar eventuele verlengingen, duur en einde;
  - het aantal open plaatsen voor de begraving van een doodskist of urn;
  - de lijst van de begunstigden van de concessie en haar wijzigingen;
  - de datum van het bijeenbrengen in éénzelfde doodskist van de stoffelijke overschotten en de as alsook het afschrift van de toestemming van de burgemeester in verband met deze verrichting;
  - de datum van de akte die het einde van de concessie aankondigt;
  - de overnametermijn van de graftekens;
  * voor elk niet-geconcedeerd graf dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing tot wegneming :
  - de datum van de beslissing tot wegneming van het graf;
  - de datum van de aanplakking van de beslissing tot wegneming;
  - de overnametermijn van de graftekens;
  * voor elk graf dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een vaststelling tot verwaarlozing :
  - de datum van de akte die de verwaarlozing vaststelt;
  - de datum van de aanplakking van de akte die de verwaarlozing vaststelt;
  - het einde van de aanplakking.

  HOOFDSTUK II. - Oprichting en uitbreiding van een crematorium en oprichting, uitbreiding of herbestemming van een traditionele begraafplaats of een asbegraafplaats

  Art. 4. De vestigingsplaats van het crematorium is gelegen op een plaats die de waardigheid van de families en de overledenen waarborgt.

  Art. 5. Elke oprichting of uitbreiding van een crematorium gaat gepaard met een financieel meerjarenplan over drie jaar dat de kost van de roerende en onroerende investeringen vastlegt alsook de exploitatiekosten en de financieringsmechanismen.

  Art. 6. Het crematorium omvat een openbaar gedeelte dat bestemd is voor de nabestaanden en de kennissen, apart van het technisch gedeelte.
  Het openbaar gedeelte van het crematorium laat de volgende activiteiten toe : de ontvangst en het wachten van de nabestaanden, de organisatie van een plechtigheid in overeenstemming met de overtuiging van de overledene en de overhandiging van de asurn in waardige en decente omstandigheden. Dit gedeelte kan ook over een zaal beschikken waarin het brengen van de doodskist in de verbrandingsoven visueel wordt voorgesteld.

  Art. 7.§ 1. [1 De beslissing van de provinciegouverneur bedoeld in artikel L1232-3, § 1, derde lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie wordt gegrond:
   in geval van oprichting of uitbreiding van een begraafplaats, op:
   - het advies van de afgevaardigd ambtenaar van het Operationele Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie;
   - het eensluidend advies van het Operationele Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu";
   - het advies van het Departement Erfgoed van het Operationele Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie;
   b) in geval van herbestemming van een begraafplaats, op het advies van de organen bedoeld in punt 1° alsook op het advies van de Directie Milieugezondheid van het Operationeel Directoraat-generaal Plaatselijke Besturen, Sociale Actie en Gezondheid.]1
  § 2. [1 De openbare beheerder richt zijn project tot oprichting en uitbreiding van een crematorium, samen met het financieel plan bedoeld in artikel 5 en/of tot oprichting, uitbreiding of herbestemming van een traditionele begraafplaats of een asbegraafplaats, in evenveel exemplaren als er adviezen zijn, bij aangetekende brief met ontvangbewijs, aan de gouverneur.
   De bevoegde gouverneur is de gouverneur van de vestigingsplaats van het crematorium of van oprichting, uitbreiding of herbestemming van de begraafplaats.
   De aanvraag van de openbare beheerder gaat vergezeld van het dossier bedoeld in artikel L1232-3, eerste en/of tweede lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie.]1
  § 3. De gouverneur spreekt zich uit binnen negentig dagen. De termijn begint te lopen vanaf de dag van het ontvangbewijs. De vervaldag wordt meegerekend in de termijn. Als die dag echter een zaterdag, zondag of feestdag is, valt de vervaldag op de eerst volgende werkdag.
  Uiterlijk veertien dagen na ontvangst van het dossier maakt de gouverneur per aangetekend schrijven de gezamenlijke stukken, voor advies, over aan de organen bedoeld in § 1. Deze organen beschikken over een termijn van vijfenveertig dagen te rekenen van de verzending om hun advies per aangetekend schrijven aan de gouverneur over te maken. Als die termijn verstreken is, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
  ----------
  (1)<BWG 2014-03-20/15, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 14-04-2014>

  Art. 8.§ 1. Het advies van de gemachtigd ambtenaar van het Operationele Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie heeft betrekking op de compatibiliteit van het project van de openbare beheerder met de ruimtelijke ordening.
  § 2. Het advies van het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu heeft betrekking op het globaal milieuaspect van het project van de openbare beheerder en controleert o.a. de compatibiliteit met de voorkomingsgebieden van grondwaterwinning.
  Bovendien moet het advies, als het betrekking heeft op de oprichting of uitbreiding van een begraafplaats :
  - [1 ...]1
  - het aantal en de plaats bepalen van de steekproeven die worden uitgevoerd om de toestand van de waterlaag te controleren;
  - controleren of de begraafplaats zich op een potentieel verontreinigd terrein bevindt overeenkomstig het decreet betreffende het bodembeheer.
  § 3. Het advies van het Departement Erfgoed van het Operationele Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie heeft, in geval van de oprichting of uitbreiding van een begraafplaats, betrekking op :
  - de kwaliteit inzake erfgoed en de landschappelijke integratie van het project;
  - de interne aanleg, met inbegrip van de randafsluiting van de begraafplaats, de structuren i.v.m. de herdenking en het columbarium t.o.v. de verplichtingen opgenomen in de artikelen L1232-2 tot L1232-29 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie;
  - de verkeerswegen binnen de begraafplaats;
  - de structuren voor de dienstverlening aan de bevolking.
  Als het betrekking heeft op de herbestemming van een voormalige begraafplaats controleert het, behalve de punten opgenomen in het vorig lid, de bescherming, de bewaring en de valorisatie van het bestaande grafpatrimonium.
  § 4. Het advies van de Directie Milieugezondheid van het Operationeel Directoraat-generaal Plaatselijke Besturen, Sociale Actie en Gezondheid vermeldt, ingeval van herbestemming van een voormalige begraafplaats, de termijn waarbinnen delvings- en funderingswerken niet zijn toegelaten.
  § 5. Vóór zijn beslissing te nemen, kan de provinciegouverneur bijkomende uitleg of informatie vragen aan de organen die een advies hebben uitgebracht en kan hij met de openbare beheerder vergaderen als hij dat nuttig acht.
  ----------
  (1)<BWG 2014-03-20/15, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 14-04-2014>

  Art. 9. Elke nieuwe begraafplaats of elke uitbreiding van een bestaande begraafplaats mag niet boven een ondergrondse waterlaag gelegen zijn die tot minder dan drie meter van de bodemoppervlakte stijgt bij hoogwater.

  Art. 10. De nieuwe grafkelders in het (de) geconcedeerde perce(e)l(en) van de begraafplaats zijn zo geconstrueerd dat lucht tot de grafruimte kan toetreden en hieruit ook kan worden afgevoerd.
  De lucht wordt zo afgevoerd uit de grafruimte dat er in de omgeving geen hinder ontstaat.

  Art. 11. Een afvoersysteem van het afvloeiend hemelwater wordt in elke nieuwe begraafplaats of uitbreiding van begraafplaats geïnstalleerd om elke stagnatie van water te voorkomen binnen de omheining voorzien voor de begraving van de doodskist of urn.

  Art. 12. De diepte voor de begraving van een doodskist of urn in volle grond of in een grafkelder wordt berekend vanaf de bodem van de doodskist of de voet van de urn.

  Art. 13.[1 § 1. De openbare beheerder plaatst aan de ingang van of bij het perceel voorbehouden aan de asuitstrooiing een grafzuil waarop, op verzoek van de overledene of van de persoon die bevoegd is om in de lijkbezorging te voorzien en op haar kosten, de naam en voornaam van de overledene worden vermeld alsook de datum van het overlijden.
   § 2. De openbare beheerder plaatst op elk doodsbeenderhuisje een grafzuil waarop de namen van de overledenen worden vermeld of ter herinnering aan de overledenen.
   Overeenkomstig artikel L1232-27 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie bepaalt de openbare beheerder de afmetingen en de aard van de gebruikte materialen.]1
  ----------
  (1)<BWG 2014-03-20/15, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 14-04-2014>

  Art. 14. Het columbarium bestaat uitsluitend uit gesloten cellen waarvan de inhoud verborgen is.

  HOOFDSTUK III. - Kisting en vervoer van lijken

  Afdeling 1. - Balseming voorafgaandelijk aan de kisting

  Art. 15.[1 Tenzij de gerechtelijke overheden zich ertegen verzetten, wordt thanatopraxie toegestaan op stoffelijke overschotten onder de volgende voorwaarden:
   1° om het stoffelijk overschot een natuurlijker uitzicht te geven in afwachting van de kisting: gebruik van thanatochemische stoffen die een bewaring van het stoffelijk overschot tijdens 7 dagen garanderen;
   2° om aan sanitaire behoeften te voldoen, aan behoeften in verband met internationaal vervoer of in verband met de identificatie van het stoffelijk overschot: gebruik van thanatochemische stoffen die een bewaring tijdens 30 dagen garanderen;
   3° om het verloop van universitaire onderwijs- en onderzoeksactiviteiten mogelijk te maken: gebruik van thanatochemische stoffen die een bewaring tijdens 365 dagen garanderen.
   Bij thanatopraxie worden stoffen gebruikt die de crematie van het stoffelijk overschot mogelijk maken of die de ontbinding ervan garanderen binnen vijf jaar na het overlijden in de hypothesen bedoeld in 1° en 2°.]1
  ----------
  (1)<BWG 2014-03-20/15, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 14-04-2014>

  Afdeling 2. - Vervoer van lijken

  Art. 16. Als de overledene geen keuze heeft gemaakt, is de persoon die bevoegd is om in de lijkbezorging te voorzien vrij om de begrafenisondernemer te kiezen. Deze ondernemer zal zorgen voor het vervoer van het niet-gecremeerde lijk van de overledene vanaf de plaats van de opname.

  Afdeling 3. - Voorwaarden waaraan een doodskist moet voldoen voor de begraving

  Art. 17. Doodskisten moeten uit massief hout of andere materialen, die de natuurlijke en normale ontbinding van het lijk niet beletten, worden vervaardigd. Het gebruikt van kartonnen doodskisten is verboden.
  Lijmen, vernissen, opvullingsmaterialen en andere afdeklagen mogen de normale en natuurlijke ontbinding van het lijk niet beletten.
  Kunststoffen of metalen die worden gebruikt voor handvatten, sierstukken en verbindingselementen als spijkers, schroeven, nieten, klemmen en metalen voeglatten zijn toegestaan.
  De binnenafwerking van de doodskisten zoals sierlakens, matrassen, dekens, kussens, mag enkel bestaan uit natuurlijke, afbreekbare stoffen. Het binnenste deel van de kussens en matrassen bestaat enkel uit natuurlijke, afbreekbare stoffen.
  De voorwaarden waaraan de doodkist moet voldoen en die vervat zijn in dit artikel zijn niet toepasselijk op doodskisten bestemd voor het internationaal lijkenvervoer. De doodskist die wordt begraven zal aan de eisen bepaald in de vorige leden moeten voldoen.

  Art. 18. Lijkzakken mogen enkel bestaan uit natuurlijke, afbreekbare stoffen en materialen.

  HOOFDSTUK IV. - Uitbating van een crematorium.

  Afdeling 1. - Administratieve formaliteiten

  Art. 19. De openbare beheerder is de enige bevoegd voor het bepalen en organiseren van :
  - de reserveringsmodaliteiten en het opstellen van een planning inzake crematie;
  - de ontvangst en het begeleiden van de families;
  - de vaststelling van de tarieven, met inbegrip van de eventuele boeten in geval van niet-naleving van de vastgelegde dienstrooster;
  - het opmaken van de factuur;
  - de bekendmaking binnen het openbaar gedeelte van het crematorium;
  - het overhandigen van de as.

  Art. 20. De reservering wordt effectief door de mededeling van de naam, voornamen, rijksregisternummer en plaats van overlijden van de overledene.
  De reserveringen gebeuren in de volgorde van de aanvragen.
  De gevraagde prijs is een forfaitaire prijs.

  Art. 21. Elk crematorium houdt een register bij waarop voor elke crematie de volgende gegevens worden vermeld : naam, voornaam, geslacht, woonplaats van de overledene, geboorteplaats en -datum, plaats en datum van de toekenning van het verlof tot crematie, reserveringsdatum, datum en uur van de aankomst van het stoffelijk overschot in het crematorium, volgnummer van de crematie, nummer van de oven, begin- en eindtijd van de crematie, datum en tijdstip waarop de asurn het crematorium heeft verlaten en bestemming van de as.
  Het crematorium registreert alleen de naam van de gemeente waarvan het stoffelijk overschot gevonden in de omheining van een begraafplaats afkomstig is.

  Art. 22. Het crematorium vermeldt de datum van de crematie op het verlof tot crematie waarvan sprake in artikel L1232-22 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.

  Afdeling 2. - Personeel van het crematorium

  Art. 23. Het personeel beschikt over de nodige beroepsbekwaamheden zodat de crematie kan plaatsvinden met inachtneming van de overledene, zijn familie en zijn kennissen.
  Het personeel dat in contact staat met het publiek mag geen enkele handelsaanduiding of geen enkel onderscheidingsteken dragen i.v.m. zijn overtuigingen.

  Afdeling 3. - Crematie

  Art. 24. De crematie moet verlopen met respect voor de overledene en zijn nabestaanden. Tijdens de crematie mag er maar één stoffelijk overschot aanwezig zijn in elke crematiekamer. Elke vermenging van de as is verboden.

  Art. 25. De bediende van de begrafenisonderneming en twee nabestaanden van de overledene mogen deelnemen aan het brengen van de doodskist in de crematiekamer.

  Art. 26. Een onbrandbaar voorwerp met het volgnummer van de crematie en de naam van de gemeente waar het crematorium zich bevindt, wordt gelijktijdig met de doodskist in de oven gebracht.

  HOOFDSTUK V. - Vastlegging van de lijkbezorging, van de bestemming van de as na de crematie, van het al dan niet-confessionele ceremonieel voor de bijzetting alsmede van het bestaan van een uitvaartcontract die in de laatste wilsbeschikking kunnen voorkomen

  Art. 27. De declarant vermeldt zijn naam, voornamen, geboorteplaats en -datum en zijn adres in het schrijven bedoeld in artikel L1232-17, § 2, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie. Dit schrijven wordt gedateerd, ondertekend en overhandigd tegen ontvangstbewijs aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.
  Hij overhandigt de laatste wilsbeschikking zelf of kan in een eigenhandig gedateerd en ondertekend schrijven een derde machtigen om de wilsbeschikking te overhandigen.
  De declarant kan zijn verklaring op elk ogenblik intrekken of wijzigen.
  Indien de declarant verhuist naar een andere gemeente stuurt de burgerlijke stand van de gemeente die beschikt over de laatste wilsbeschikking van de declarant deze laatste wilsbeschikking op naar de gemeente van de nieuwe woonplaats van de declarant.

  Art. 28. § 1. De declarant moet duidelijk en ondubbelzinnig één van de volgende mogelijkheden opnemen in de laatste wilsbeschikking :
  1° begraving van het stoffelijk overschot;
  2° crematie, gevolgd door begraving van de as binnen de omheining van de begraafplaats;
  3° crematie, gevolgd door uitstrooiing van de as op het daartoe bestemd perceel van de begraafplaats;
  4° crematie, gevolgd door bijzetting van de as in het columbarium van de begraafplaats;
  5° crematie, gevolgd door uitstrooiing van de as in de Belgische territoriale zee;
  6° crematie, gevolgd door uitstrooiing van de as op een andere plaats dan de begraafplaats of in de territoriale zee;
  7° crematie, gevolgd door begraving van de as op een andere plaats dan de begraafplaats;
  8° crematie, gevolgd door bewaring van de as op een andere plaats dan de begraafplaats;
  § 2. Hij vermeldt het uitvaartcontract dat hij heeft aangegaan en ook het contractnummer, de datum van zijn ondertekening en de identiteit van de maatschappij waarmee hij dit contract heeft afgesloten.

  Art. 29. Als de declarant voor één van de mogelijkheden bedoeld in artikel 28, § 1, 2°, 3° of 4° van dit besluit kiest, moet hij bepalen of de begraving, uitstrooiing van de as of bijzetting van de as in het columbarium in de traditionele begraafplaats of asbegraafplaats plaatsvindt.

  HOOFDSTUK VI. - Verpakking en overhandiging van de as

  Art. 30.De asurnen vermelden de naam en voornaam van de overledene, de datum van zijn overlijden, de naam van de gemeente waar het crematorium gelegen is en het volgnummer van de crematie.
  [1 Het crematorium verstrekt gratis asurnen. Op verzoek van de persoon bevoegd om in de lijkbezorging te voorzien, kan de as echter rechtstreeks geborgen worden in een door hen ter beschikking gestelde urn.]1
  Het bijzetten van de as in de urn en het overhandigen van de as aan de persoon die bevoegd is om in de lijkbezorging te voorzien of aan de begrafenisondernemer gebeurt onmiddellijk na de crematie. De burgemeester van de gemeente waar het crematorium gelegen is, kan in geval van overmacht, via een politiebesluit, de overgifte van de as uitstellen.
  ----------
  (1)<BWG 2014-03-20/15, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 14-04-2014>

  Art. 31. De as die op een gemeentelijke of intergemeentelijke begraafplaats, een traditionele of asbegraafplaats of op een andere plaats dan de begraafplaats begraven moet worden, alsook de as die in een columbariumcel bijgezet moet worden of bewaard moet worden op een andere plaats dan de begraafplaats wordt met het vuurvaste voorwerp bedoeld in artikel 26 geborgen in een verzegelde urn waarop de gegevens bedoeld in artikel 30 vermeld staan.

  Art. 32. De as die uitgestrooid moet worden op een begraafplaats aanpalend aan het crematorium wordt onmiddellijk in een strooiurne bijgezet die noch het vuurvaste voorwerp bedoeld in artikel 26 moet bevatten, noch de gegevens van artikel 30 moet vermelden.
  Als de uitstrooiing op de begraafplaats om uitzonderlijke redenen moet worden uitgesteld, wordt de as samen met het vuurvaste voorwerp in het crematorium bewaard in een gesloten bus. Deze bus vermeldt de gegevens bedoeld in artikel 30. Enkel een personeelslid van het crematorium mag de bus openen en de as in de strooiurne bijzetten.

  Art. 33. § 1. De as die uitgestrooid moet worden op een andere plaats dan de begraafplaats of dan op de aan het grondgebied van België grenzende territoriale zee, of die uitgestrooid moet worden op het perceel van een begraafplaats niet aanpalend aan het crematorium wordt met het vuurvaste voorwerp bedoeld in artikel 26 geborgen in een verzegelde urn waarop de gegevens bedoeld in artikel 30 vermeld staan.
  § 2. De uitstrooiing op het perceel van de begraafplaats gebeurt met een daartoe ontworpen toestel, in aanwezigheid van een aangestelde.
  § 3. Enkel de bevoegde gemeentelijke ambtenaar of de persoon die bevoegd is om in de lijkbezorging te voorzien, heeft de toelating om de zegel te verbreken vóór de uitstrooiing.

  Art. 34. De as die niet onmiddellijk wordt afgehaald na de crematie, buiten de hypothese van artikel 30, derde lid, van dit besluit, wordt in het crematorium met het vuurvaste voorwerp bedoeld in artikel 26 bewaard in een verzegelde urn waarop de gegevens bedoeld in artikel 30 vermeld staan.
  Indien binnen drie dagen na de crematie, de as door de persoon die bevoegd is om in de lijkbezorging te voorzien of door de begrafenisondernemer die zij heeft aangewezen niet is afgehaald, stuurt het crematorium haar een aangetekend schrijven waarin staat dat de urn met de as kan worden afgehaald op het aangegeven tijdstip.
  Als drie maanden na het sturen van het aangetekend schrijven de asurn niet is afgehaald, wordt de as op de begraafplaats aanpalend aan het crematorium door een personeelslid uitgestrooid.

  HOOFDSTUK VII. - Voorwaarden waaraan de bewaring, de begraving of de uitstrooiing van de as bedoeld in artikel L1232-26, § 2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie moet voldoen

  Art. 35. Onder het schrijven vermeld in artikel L1232-26, § 2, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie wordt verstaan hetzij de laatste wilsbeschikking bedoeld in artikel L1232-17, § 2, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, hetzij een testament, hetzij een akte, die voldoet aan de voorwaarden inzake bekwaamheid en gesteld is in de vorm van de akten van uiterste wil.
  De voorafgaande toestemming van de eigenaar van het terrein bedoeld in artikel L1232-26, § 2, tweede lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, wordt in twee exemplaren opgemaakt. Eén exemplaar wordt bijgehouden door de eigenaar van het terrein, het andere door de persoon die de asurn krijgt voor de begraving of uitstrooiing.

  Art. 36. Indien, na de begraving van de urn die de as van de overledene bevat, of na de bijzetting in een columbarium op de begraafplaats, een verklaring wordt gevonden die voldoet aan de voorschriften van artikel 36, eerste lid, van dit besluit, waarin de overledene de wil uitdrukt dat zijn as een andere bestemming zou krijgen, dan moet die wil nageleefd worden en is, in voorkomend geval, de voorafgaande toestemming van de eigenaar van het terrein bedoeld in artikel L1232-26, § 2, tweede lid, vereist.
  Voor het opgraven van de asurn of het wegnemen ervan uit het columbarium op de begraafplaats met het oog op het geven van een andere bestemming, is een toestemming vereist van de burgemeester van de gemeente waar de begraafplaats waarop de urn begraven is of bijgezet is in een columbarium, zich bevindt. In deze hypothese dient de burgemeester een verlof tot opgraving af te geven.
  Als op het ogenblik van het overlijden, de overledene minderjarig was of onder voogdij gesteld was, moet het verlof tot opgraving door de ouders of de voogd worden aangevraagd.

  Art. 37. Als de as van de overledene één van de bestemmingen bedoeld in artikel L1232-26, § 2, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie krijgt, wordt op het verlof tot crematie de naam, voornamen en adres van de persoon die de zorg voor de as heeft, alsook de exacte plaats waar de as van de overledene zal worden uitgestrooid, begraven of bewaard, aangebracht.
  Deze informatiegegevens staan eveneens op het verlof tot vervoer van het stoffelijk overschot naar het crematorium en van de as naar de plaats waar ze haar bestemming moet krijgen. De persoon die bevoegd is om in de lijkbezorging te voorzien, bepaalt, in voorkomend geval, het vervoermiddel voor de asurn en zorgt ervoor dat het met de nodige welvoeglijkheid gebeurt. Het vervoer wordt gedekt door het bovenvermelde verlof tot vervoer.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van bestemming van de as neemt de in het eerste lid bedoelde informatiegegevens in een daartoe bestemd register op.

  Art. 38. De bewaarder van de urn die de as van de overledene bevat, moet zelf zorgen voor de uitstrooiing of begraving van de as op een andere plaats dan de begraafplaats of laat dit uitvoeren door een begrafenisondernemer.
  De uitstrooiing van de as gebeurt op een waardige en decente wijze. De urnen worden op ten minste acht decimeter diepte begraven.

  Art. 39. Als er een einde wordt gemaakt aan de bewaring van de as van de overledene op een andere plaats dan op de begraafplaats, dient de bewaarder van de urn een verklaring te doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar de urn werd bewaard.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte van deze verklaring in het register bedoeld in artikel 37, derde lid, van dit besluit en geeft een ontvangstbewijs ervan af.
  De bewaarder brengt de urn over naar een begraafplaats om de as van de overledene uit te strooien, te begraven of te bewaren in een columbarium.

  Art. 40. De uitstrooiing of begraving van de as van de overledene op een terrein dat niet in eigendom is van de overledene, mag in geen enkel geval aanleiding geven tot de betaling van eender welke vergoeding aan de eigenaar van het terrein.

  HOOFDSTUK VIII. - Graven met lokaal historisch belang

  Art. 41. Elk graf dat als een element van het plaatselijk funerair erfgoed kan worden beschouwd, wordt als graf met lokaal historisch belang erkend. Het kan hier gaan over een graf met erfgoedwaarde waarvan de bescherming gerechtvaardigd is wegens het historisch, artistiek, sociaal, technisch of landschappelijk belang.

  Art. 42. Binnen vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit vult het gemeentecollege of het bevoegde orgaan van het autonome gemeentebedrijf of van de intercommunale dat ermee belast is een lijst van de graven met een plaatselijk historisch belang op te maken, het formulier in dat als bijlage I bij dit besluit gevoegd is, voor elk graf dat als dusdanig beschouwd wordt t.o.v. de erkenningscriteria die in bijlage II omschreven worden.
  Ze wordt door hem voor advies aan het Departement Erfgoed voorgelegd dat er ontvangst van bericht. Op zijn initiatief of dat van het Departement kan overleg gepleegd worden.

  Art. 43. Bij gebrek aan een lijst opgemaakt binnen de termijn voorgeschreven in artikel 42 van dit besluit kan het Departement op eigen gezag een lijst opmaken van de graven met een plaatselijk historisch belang. Het Departement maakt deze lijst per aangetekend schrijven over aan het gemeentecollege of aan het bevoegde orgaan van het autonome gemeentebedrijf of van de intercommunale. Laatstgenoemden brengen hun overige instanties onverwijld op de hoogte.

  Art. 44. Voor de graven opgericht vóór 1945 waaraan een einde wordt gemaakt en waarvoor de graftekens na afloop van de aanplaktermijn niet werden teruggenomen, moet de openbare beheerder die deze tekens wenst weg te nemen of te verplaatsen de toestemming krijgen van het Departement Erfgoed van het Operationele Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie.
  De openbare beheerder vraagt deze toestemming aan door een behoorlijk ingevuld formulier gevoegd als bijlage I bij dit besluit aan het Departement Erfgoed te richten drie maanden vóór het verstrijken van de termijn.

  Art. 45. Het departement wordt ermee belast de goede bewaring en het goede onderhoud van de graven met een plaatselijk historisch belang te controleren. Elke tekortkoming zal het voorwerp uitmaken van een verslag van het Departement aan zijn toezichthoudende overheid.

  HOOFDSTUK IX. - Opheffings- en slotbepalingen

  Art. 46. Opgeheven worden :
  1° het koninklijk besluit van 19 januari 1973 betreffende de lijkverbranding, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 juli 1990 tot regeling van de uitstrooiing van de as van de verbrande lijken in de territoriale zee, bij het koninklijk besluit van 31 augustus 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 januari 1973 betreffende de lijkverbranding en van het koninklijk besluit van 25 juli 1990 tot regeling van de uitstrooiing van de as van de verbrande lijken in de territoriale zee, bij het koninklijk besluit van 5 september 2001 houdende uitvoering van artikel 2, vierde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, bij het koninklijk besluit van 26 november 2001 houdende uitvoering van artikel 12, tweede en vierde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging en bij het koninklijk besluit van 30 december 2001 tot uitvoering van artikel 24, zesde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 januari 1973 betreffende de lijkverbranding, met uitzondering van artikel 8, zevende lid;
  2° het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 tot regeling van de inschrijving door de gemeenten van de laatste wilsbeschikking inzake de wijze van teraardebestelling, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 januari 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 tot inschrijving door de gemeenten van de laatste wilsbeschikking inzake de wijze van teraardebestelling en bij het koninklijk besluit van 24 augustus 2001 tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 tot inschrijving door de gemeenten van de laatste wilsbeschikking inzake de wijze van teraardebestelling;
  3° het koninklijk besluit van 5 september 2001 houdende uitvoering van artikel 2, vierde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging;
  4° het koninklijk besluit van 26 november 2001 houdende uitvoering van artikel 12, tweede en vierde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging;
  5° het koninklijk besluit van 30 december 2001 tot uitvoering van artikel 24, zesde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 januari 1973 betreffende de lijkverbranding.

  Art. 47. Het decreet van 6 maart 2009 tot wijziging van hoofdstuk II van titel III van boek II van deel I van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie (Begraafplaatsen en lijkbezorging) en dit besluit treden in werking op de eerste dag van de derde maand na bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 48. De Minister van de Plaatselijke Besturen, de Minister van Leefmilieu en de Minister van Patrimonium zijn ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 1.
  Inlichtingenformulier
  

  
  
Datum : . . . . .
  Openbare beheerder : . . . . . Adres : . . . . .
Contactpersonen (naam + tel./e-mail) : . . . . . . . . . . . . . . .
De overnametermijn van de graftekens vervalt op . . . . .
3. Omschrijving van het monument :
a. Type : Grafsteen Kruis Grafzuil Kapel Praalgraf Gemeentelijke calvarieberg Mortuarium andere : . . . . .
b. Graf vóór 1945 OF Lijst
c. Ligging op de begraafplaats/het perceel : . . . . . . . . . .
  
d. materialen : Arduin (blauwsteen) Marmer Cement/beton Gietijzer Kunststof Hout andere : . . . . .
Familienaam : . . . . .
4. Grafschrift en zinspreuk :
  

  
 
5. Handtekening(en) (architect/ondernemer/steenhouwer) : . . . . . . . . . . . . . . .
6. historisch artistiek sociaal technisch landschappelijk belang
  andere :


  Opmerkingen :
  - Dit formulier verzamelt de "ideale" informatie maar het wordt in functie van de monumenten verschillend ingevuld. Het is vooral een structurerend "instrument" voor de benadering van de graven en het moet vergezeld gaan van 2 of 3 foto's (foto ten voeten uit en details).
  - Een plan van de site met de ligging van het (de) monument(en) moet worden gevoegd bij de formulieren.

  Art. N2. Bijlage 2.
  Selectiecriteria voor de graven met lokaal historisch belang
  Worden beschouwd als graven met lokaal belang in de zin van artikel L1232-29 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, de graven die aan één van de volgende criteria voldoen :
  * historisch belang : betreffende de monumenten van elk individu of familie die een rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de culturele, artistieke of economische identiteit van de gemeente of van het land;
  * artistiek belang : betreffende monumenten van alle types die een architecturale kwaliteit vertonen (kapel, praalgraf, beeldhouwkunst, getekende monumenten,...);
  * landschappelijk belang : betreffende de monumenten die de visuele identiteit van de begraafplaats vormen (kruispunten, hoofd- en randpaden) of die een technische functie vervullen in de aanleg van het terrein waarop de begraafplaats gelegen is (helling, terras,...);
  * technisch belang : betreffende de monumenten waarvan de uitvoering het gebruik van ongewone materialen heeft vereist of bijzondere technieken in het gebruik van traditionele materialen heeft vereist;
  * sociaal belang : betreffende graven van belangrijke figuren die activiteiten, beroepen of functies hebben uitgeoefend tot vestiging van de gemeenschap van de gemeente (plaatselijke gekozenen, onderwijzers, vroedvrouwen, priesters, weldoeners, mijnwerkers, soldaten, oorlogsslachtoffers, godsdienstige of culturele gemeenschappen, vertegenwoordigers van de folklore,...).
  Typologische begripsomschrijvingen :
  Praalgraf : soortnaam die van toepassing is op het geheel van de monumenten die door hun omvang en schaal uitzonderlijk zijn binnen een necropool.
  Rouwkapel : de rouwkapel is, in de begraafplaatsen, een gebouw met een altaar, onroerend meubilair eigen aan deze of gene eredienst. Het is vanzelfsprekend dat een groepje meer bescheiden monumenten bij wijze van gelijkstelling aan deze benaming zal beantwoorden (dit is bijvoorbeeld het geval voor serres of maquettes).
  Gemeentelijk calvarieberg : kruisbeeld die in de as van de begraafplaats ligt. Het wordt op een min of meer indrukwekkende manier voorgesteld gaande van een kruis dat uitsteekt over de grafruimte tot een meer ingewikkeld gebouw dat het kruis beschermt.
  Mortuarium : gemeentelijk gebouw waarin lijkschouwingen werden uitgevoerd na opgravingen.
  Grafzuil : rechtopstaand steenblok, vaak opgenomen in een uitgewerkte omlijsting, waarin een grafschrift is uitgehouwen. In de meeste concessies worden de grafzuilen in verband gebracht met grafstenen. Ze kunnen worden onderverdeeld in drie modellen of formele categorieën :
  - "horizontaal" : in de breedte en als retabel uitgewerkt;
  - "verticaal" : in de hoogte;
  - "volumetrisch" : sokkel of voetstuk waarop een kruis, een urn of een ander element zoals een miniatuur cella, een dodenlantaarn, een nis voor een standbeeld,.... worden geplaatst.
  Grafsteen : horizontaal grafschrift op een bepaalde hoogte van de bodem. De steen wordt, wat hem betreft, in de bodem geplaatst (in de kerken).
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Namen, 29 oktober 2009.
De Minister-President,
R. DEMOTTE
De Minister van de Plaatselijke Besturen en de Stad,
P. FURLAN
De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit,
Ph. HENRY
De Minister van Openbare Werken, Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Natuur, Bossen en Erfgoed,
B. LUTGEN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Waalse Regering,
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale Staatsstructuur;
   Gelet op de artikelen L1232-2, § 1, vierde lid, L1232-3, derde en vijfde lid, L1232-13, tweede en vijfde lid, L1232-15, L1232-17, § 2, L1232-26, § 2, vijfde lid, L1232-28 en L1232-29;
   Gelet op artikel 5 van het decreet van 6 maart 2009 tot wijziging van hoofdstuk II van titel III van boek II van deel I van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie (Begraafplaatsen en lijkbezorging);
   Gelet op het koninklijk besluit van 19 januari 1973 betreffende de lijkverbranding, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 juli 1990 tot regeling van de uitstrooiing van de as van de verbrande lijken in de territoriale zee, bij het koninklijk besluit van 31 augustus 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 januari 1973 betreffende de lijkverbranding en van het koninklijk besluit van 25 juli 1990 tot regeling van de uitstrooiing van de as van de verbrande lijken in de territoriale zee, bij het koninklijk besluit van 5 september 2001 houdende uitvoering van artikel 2, vierde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, bij het koninklijk besluit van 26 november 2001 houdende uitvoering van artikel 12, tweede en vierde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging en bij het koninklijk besluit van 30 december 2001 tot uitvoering van artikel 24, zesde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 januari 1973 betreffende de lijkverbranding;
   Gelet op het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 tot regeling van de inschrijving door de gemeenten van de laatste wilsbeschikking inzake de wijze van teraardebestelling, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 januari 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 tot inschrijving door de gemeenten van de laatste wilsbeschikking inzake de wijze van teraardebestelling en bij het koninklijk besluit van 24 augustus 2001 tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 tot inschrijving door de gemeenten van de laatste wilsbeschikking inzake de wijze van teraardebestelling;
   Gelet op het koninklijk besluit van 5 september 2001 houdende uitvoering van artikel 2, vierde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging;
   Gelet op het koninklijk besluit van 26 november 2001 houdende uitvoering van artikel 12, tweede en vierde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging;
   Gelet op het koninklijk besluit van 30 december 2001 tot uitvoering van artikel 24, zesde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 januari 1973 betreffende de lijkverbranding;
   Gelet op het koninklijk besluit van 16 juli 1992 tot vaststelling van de informatie die opgenomen wordt in de bevolkingsregisters en in het vreemdelingenregister, zoals meer bepaald gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 april 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 tot vaststelling van de informatie die opgenomen wordt in de bevolkingsregisters en in het vreemdelingenregister;
   Gelet op het advies van de "Conseil supérieur des Villes, Communes et Provinces de la Région wallonne" (Hoge Raad van Steden, Gemeenten en Provincies van het Waalse Gewest) van 30 april 2009;
   Gelet op het advies nr. 47.212/4 van de Raad van State, gegeven op 14 oktober 2009, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister van de Plaatselijke Besturen, van de Minister van Leefmilieu en de Minister van Patrimonium;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 28-03-2019 GEPUBL. OP 09-04-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8; 12; 17; 18; 41; 42; 44; 45biS)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 20-03-2014 GEPUBL. OP 04-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 8; 13; 15; 30)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie