J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2007/06/14/2007002091/justel

Titel
14 JUNI 2007. - Koninklijk besluit houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen.

Bron :
PERSONEEL EN ORGANISATIE
Publicatie : 22-06-2007 nummer :   2007002091 bladzijde : 34570       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2007-06-14/31
Inwerkingtreding : 02-07-2007

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel.
Art. 1-7
HOOFDSTUK II. - Wijziging aan het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.
Art. 8-9
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 2005 tot vaststelling van de voorwaarden voor de indienstneming bij arbeidsovereenkomst in sommige overheidsdiensten.
Art. 10
HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen.
Art. 11-14

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel.

  Artikel 1. Deel II van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, bevattend de artikelen 7 tot en met 14, wordt vervangen als volgt :
  " DEEL II. - RECHTEN, PLICHTEN, BELANGENCONFLICTEN EN CUMULATIE
  Art. 7.
  § 1. De rijksambtenaar oefent zijn ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen.
  Daartoe dient hij :
  1° de van kracht zijnde wetten en reglementen na te leven, alsmede de richtlijnen die hem gegeven worden in het kader van die wetten en reglementen;
  2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;
  3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren.
  § 2. De rijksambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten.
  Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden.
  § 3. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van strafvordering stelt de rijksambtenaar zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hogere hiërarchische meerdere op de hoogte van elk onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft.
  Art. 8.
  § 1. De rijksambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen.
  Wanneer hij bij zijn ambtsuitoefening in contact komt met het publiek vermijdt de rijksambtenaar elk woord, elke houding, elk voorkomen, die van die aard zouden kunnen zijn dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zouden kunnen brengen.
  § 2. Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de rijksambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke toestand waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt.
  § 3. De rijksambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar uit oorzaak hiervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen.
  Het eerste lid slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt.
  Art. 9.
  § 1. De rijksambtenaar plaatst zich niet en laat zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed.
  § 2. Wanneer een ambtenaar van oordeel is dat hij een belangenconflict heeft of vreest te hebben, brengt hij zijn hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hem hiervan schriftelijk akte.
  In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om er een einde aan te stellen.
  De rijksambtenaar kan op elk ogenblik schriftelijk om het advies van de voorzitter van het directiecomité, of van diens afgevaardigde, vragen over een toestand waarin hij zich in de toekomst zou kunnen bevinden, dit om te weten of deze de oorzaak zou kunnen zijn van een belangenconflict. Het advies wordt hem schriftelijk verstrekt binnen de maand.
  Art. 10. De rijksambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt.
  Het is hem enkel verboden die feiten bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder op het recht op eerbied voor het privé-leven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen; evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de belangen van de overheidsdienst waarin de ambtenaar is tewerkgesteld, kunnen schaden.
  Art. 11.
  § 1. De rijksambtenaar heeft recht op informatie voor alle aspecten die nuttig zijn voor de uitoefening van zijn taken. Elke hiërarchische meerdere verzekert de informatiedoorstroming naar zijn ondergeschikten toe.
  De rijksambtenaar houdt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, reglementeringen en onderzoeken in de materies waarmee hij beroepshalve belast is.
  § 2. De rijksambtenaar heeft recht op de opleiding die nuttig is voor zijn werk alsook op de voortgezette opleiding met het oog op de ontwikkeling van zijn beroepsloopbaan.
  De rijksambtenaar volgt, met aandacht en met de wil zijn competenties te ontwikkelen, de noodzakelijke opleidingen voor de uitoefening van zijn ambt.
  § 3. De rijksambtenaar neemt op actieve wijze deel aan de kennisdeling binnen de openbare dienst.
  Art. 12.
  § 1. De rijksambtenaar mag geen, op welke wijze ook bezoldigde, activiteit uitoefenen buiten zijn ambt, dan nadat hij een machtiging tot cumulatie bekomen heeft.
  De machtiging tot cumulatie wordt verleend voor een periode van ten hoogste vier jaar. Haar verlenging is onderworpen aan een nieuwe machtiging. De machtiging tot cumulatie mag geen terugwerkende kracht hebben.
  Een machtiging tot cumulatie kan enkel verleend worden als de activiteit wordt uitgeoefend buiten uren waarop hij zijn dienst vervult. Zij dient in elk geval volledig bijkomstig te blijven ten overstaan van het uitgeoefend ambt.
  Een activiteit kan slechts worden uitgeoefend mits inachtname van de wetten en reglementen die de uitoefening van die activiteit regelen. In voorkomend geval, wordt het bewijs daarvan geleverd aan de instantie die de machtiging voor de cumulatie heeft verleend.
  § 2. De vraag tot cumulatie wordt door de ambtenaar ingediend bij zijn hiërarchische meerdere. Zij dient verplicht te omvatten :
  1° de zo nauwkeurig mogelijke aanwijzing van de beoogde activiteit;
  2° de duur van de beoogde activiteit;
  3° de gemotiveerde bevestiging dat de activiteit geen aanleiding kan geven, zelfs in de toekomst, tot een toestand van belangenconflict.
  § 3..Wanneer hij het nodig acht, vraagt de hiërarchische meerdere aan de ambtenaar bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.
  De hiërarchische meerdere zendt de vraag, langs hiërarchische weg, met zijn beoordeling, aan de voorzitter van het directiecomité of aan zijn afgevaardigde.
  De voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde, vraagt wanneer hij het nodig acht, aan de ambtenaar bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.
  § 4. De beslissing de machtiging tot cumulatie te verlenen of te weigeren wordt genomen door de voorzitter van het directiecomité. Hij kan die bevoegdheid delegeren behalve voor de titularissen van de management- en staffuncties.
  De beslissing de machtiging tot cumulatie te verlenen of te weigeren wordt genomen door de Minister indien de aanvraag uitgaat van de voorzitter van het directiecomité.
  Bij gebreke aan een beslissing binnen de twee maanden na de aanvraag, wordt de machtiging voor cumulatie ambtshalve verleend. De termijn wordt op drie maanden gebracht als gebruik wordt gemaakt van § 3, eerste en derde lid.
  § 5. De uitoefening van de mandaten bedoeld in de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor het personeel van de overheidsdiensten, valt niet onder de toepassing van dit artikel.
  De uitoefening van bezoldigde activiteiten inherent aan het ambt wordt niet bedoeld in dit artikel. Evenwel, is steeds het voorafgaand schriftelijk akkoord van de hiërarchische meerdere vereist. Bij gebreke aan een beslissing binnen de twee maanden na de aanvraag, wordt het akkoord ambtshalve verleend.
  De uitoefening van een activiteit die voortvloeit uit een aanwijzing door de bevoegde overheid wordt niet bedoeld in dit artikel. Evenwel is de informatie van de hiërarchische meerdere vereist.
  Art. 13. Iedere rijksambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier in te kijken.
  Geen enkel stuk kan worden toegevoegd aan het persoonlijk dossier zonder dat de rijksambtenaar daarvan voorafgaandelijk op de hoogte is gesteld.
  Art. 14. Elke inbreuk op de artikelen 7, 8, 9, § 1, 10 en 12 kan aanleiding geven tot een van de tuchtstraffen die bepaald zijn bij artikel 77, onverminderd de toepassing van de strafwetten.
  Art. 14bis. De bepalingen van de artikelen 7 tot 14 zijn toepasselijk op de stagiairs.
  De bepalingen van de artikelen 8, 9, 10, 13 en 14 zijn toepasselijk zelfs wanneer de ambtenaar voltijds met verlof, in disponibiliteit of in non-activiteit is.
  Art. 14ter. Onze Ministers die bevoegd zijn voor Ambtenarenzaken en voor Begroting, stellen binnen een deontologisch kader, de meest geëigende gedragsregels vast om de bepalingen van de artikelen 7 tot 13 toe te lichten, evenzeer als deze die gegrond zijn op andere wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de rechten en de plichten van de ambtenaren.
  Mits akkoord van de Ministers bedoeld in het eerste lid, kan ieder van Onze Ministers en Staatssecretarissen, binnen het deontologisch kader, bijkomende gedragsregels vaststellen om de naleving van de bepalingen bedoeld in het eerste lid te verzekeren in de diensten onder hun gezag geplaatst, dit in functie van de bijzonderheden hiervan.
  De hiërarchische meerdere hebben een voorbeeldrol inzake deontologie. "

  Art. 2. In artikel 16 van hetzelfde besluit, wordt 5°, opgeheven bij het koninklijk besluit van 13 mei 1999, in de volgende lezing hersteld :
  " 5° zich niet persoonlijk bevinden in een toestand van belangenconflict; ".

  Art. 3. Artikel 45 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1964, wordt aangevuld als volgt :
  " Indien zij weigeren de eed af te leggen, wordt hun benoeming als onbestaand beschouwd. "

  Art. 4. Artikel 48 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 48. De houders van de management- en staffuncties leggen de eed af in de handen van de Minister of van de Voorzitter van het directiecomité wanneer de Minister hem hiertoe machtiging verleent.
  Zij leggen de eed af op het ogenblik van hun indiensttreding.
  De eed wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.
  Indien zij weigeren de eed af te leggen, wordt hun aanwijzing als onbestaand beschouwd. "

  Art. 5. Het opschrift van deel V van hetzelfde besluit wordt vervangen door het volgende opschrift :
  " Deel V. - De mutatie. "

  Art. 6. Artikel 49 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 49. § 1. De rijksambtenaar kan, op zijn verzoek, door overplaatsing, worden aangewezen voor een betrekking die overeenstemt met zijn klasse, zijn graad of een gelijkwaardige graad en die in een andere dienst van zijn federale overheidsdienst of programmatorische federale overheidsdienst vacant is.
  De gegadigde voor een overplaatsing zendt zijn aanvraag aan de minister onder wie hij ressorteert of aan diens gemachtigde door middel van een formulier waarvan het model wordt bepaald door de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoort. De aanvraag wordt gedaan bij ter post aangetekende brief.
  Terzelfder tijd en langs hiërarchische weg zendt de ambtenaar, ter kennisgeving, een afschrift van zijn aanvraag aan de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.
  Er wordt ontvangstmelding van zijn aanvraag gedaan.
  De mutatieaanvraag is drie jaar geldig. Wanneer die termijn voorbij is en de aanvraag niet, op initiatief van de ambtenaar, hernieuwd wordt per bij de post aangetekende zending, verliest ze elke uitwerking.
  Het hernieuwen van de aanvraag verlengt de geldigheidstermijn van de aanvraag voor een nieuwe termijn van drie jaar.
  § 2. Om een overplaatsing te verkrijgen moet de rijksambtenaar voldoen aan de voorwaarden inzake evaluatie en administratieve stand die zijn vastgelegd in artikel 75, § 3, alsook aan de voorwaarden die met toepassing van artikel 6 zijn voorgeschreven om de betrekking te bekleden.
  § 3. De kandidaten voor de overplaatsing worden in deze volgorde gerangschikt :
  1° de kandidaat met de grootste klasse- of graadanciënniteit;
  2° bij gelijke klasse- of graadanciënniteit, de kandidaat met de grootste dienstanciënniteit;
  3° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste kandidaat. "

  Art. 7. Artikel 52 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1964, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK II. - Wijziging aan het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.

  Art. 8. Artikel 115 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen wordt aangevuld als volgt :
  " Hij is verplicht zijn dienst op de hoogte te brengen van de aard van die activiteit. "

  Art. 9. In artikel 122, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden " Behoudens onverenigbaarheden die voortvloeien uit het statuut dat op de ambtenaar toepasselijk is " vervangen door de woorden " Behoudens de bepalingen inzake belangenconflicten en mits voorafgaandelijke mededeling aan de overheid door de ambtenaar van de aard van de uitgeoefende activiteit ".

  HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 2005 tot vaststelling van de voorwaarden voor de indienstneming bij arbeidsovereenkomst in sommige overheidsdiensten.

  Art. 10. In artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 25 april 2005 tot vaststelling van de voorwaarden voor de indienstneming bij arbeidsovereenkomst in sommige overheidsdiensten, worden de woorden " 2° en 3° " vervangen door de woorden " 2°, 3° en 5° ".

  HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen.

  Art. 11. Artikel 447 van de programmawet (I) van 24 december 2002 treedt in werking.

  Art. 12. De activiteiten uitgeoefend in cumulatie bij de inwerkingtreding van dit besluit kunnen verder gezet worden, op grond van de vroegere bepalingen tot de eerste dag van de twaalfde maand die volgt op zijn inwerkingtreding.
  De activiteiten uitgeoefend in cumulatie bij de inwerkingtreding van dit besluit kunnen verder gezet worden, zonder termijn, wanneer zij voortvloeien ofwel uit de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten, ofwel uit een ambtshalve aanwijzing door de bevoegde overheid.

  Art. 13. Artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd bij koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 10 mei 1976, 13 september 1979, 16 november 1979, 26 januari 1984, 13 juli 1987, 25 november 1993, 14 september 1994, 17 maart 1995, 31 maart 1995, 10 april 1995, 6 februari 1997, 15 september 1997, 19 november 1998, 26 april 1999, 5 september 2002, 14 oktober 2002, 4 augustus 2004, 10 augustus 2005, 6 oktober 2005, 16 maart 2006, 12 juni 2006, 7 maart 2007 en 26 april 2007 wordt als volgt aangevuld :
  " 44° Koninklijk besluit van 14 juni 2007 houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen ".

  Art. 14. Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 14 juni 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Begroting,
  Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
  De Minister van Ambtenarenzaken,
  C. DUPONT.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet;
   Gelet op de programmawet (I) van 24 december 2002, inzonderheid op artikel 447;
   Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, inzonderheid op de artikelen 7 en 8, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 december 2000, 9, vervangen bij het koninklijk besluit van 26 september 1994, 10 en 11, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 december 2000, 12, vervangen bij het koninklijk besluit van 26 september 1994 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 maart 1995, 13 mei 1999, 5 september 2002 en 4 augustus 2004, 13, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 december 2000, 14, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 december 2000, 16, 5°, opgeheven bij het koninklijk besluit van 13 mei 1999, 45, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1964, 48, 49, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 december 2000 en 52, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1964;
   Gelet op het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid artikel 3, § 1, gewijzigd bij koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 10 mei 1976, 13 september 1979, 16 november 1979, 26 januari 1984, 13 juli 1987, 25 november 1993, 14 september 1994, 17 maart 1995, 31 maart 1995, 10 april 1995, 6 februari 1997, 15 september 1997, 19 november 1998, 26 april 1999, 5 september 2002, 14 oktober 2002, 4 augustus 2004, 10 augustus 2005, 6 oktober 2005, 16 maart 2006, 12 juni 2006, 7 maart 2007 en 26 april 2007;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 19 februari 2007;
   Gelet op het protocol nr 593 van 29 maart 2007 van het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten;
   Gelet op het advies 42.748/3 van de Raad van State, gegeven op 24 april 2007 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Begroting en van Onze Minister van Ambtenarenzaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Erratum Tekst Begin

originele versie
2007002188
PUBLICATIE :
2007-11-16
bladzijde : 57565

Erratum



Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Erratum Franstalige versie