J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
15 JULI 2004. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.

Bron :
MOBILITEIT EN VERVOER
Publicatie : 30-07-2004 nummer :   2004014159 bladzijde : 58383   BEELD
Dossiernummer : 2004-07-15/34
Inwerkingtreding : 01-08-2004 A10    ***    01-08-2004 A11    ***    01-08-2004 A14    ***    01-08-2004 (ART. 10 - ART. 11)    ***    01-08-2004 A1    ***    05-09-2005 A12    ***    01-08-2004 A2    ***    05-09-2005 A13    ***    01-08-2004 A3    ***    05-09-2005 A14    ***    01-08-2004 A4    ***    01-08-2004 A5    ***    01-08-2004 A6    ***    05-09-2005 A7    ***    05-09-2005 A8    ***    05-09-2005 A9    ***    01-08-2004 (ART. 14)    ***    01-08-2004 (ART. N1,AII)

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-16
BIJLAGEN.
Art. N1-N3

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. In artikel 3, § 2, eerste lid van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, vervallen de woorden " onder de voorwaarden van artikel 27, 2°, afgegeven ".

  Art. 2. Artikel 5, § 2, 2° van hetzelfde besluit wordt door de volgende bepaling vervangen :
  " 2° de houders van een Europees of een buitenlands nationaal rijbewijs, dat afgegeven is voor ten minste dezelfde categorie of subcategorie van voertuigen of voor een categorie of een subcategorie die gelijkwaardig is aan die waarvoor de geldigverklaring gevraagd wordt; ".

  Art. 3. In artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 september 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In onderdeel 1°, f), eerste lid, vervallen de woorden " afgegeven na 31 december 1988 ";
  2° Onderdeel 1°, f), tweede lid, wordt aangevuld als volgt :
  " - op de kandidaat die houder geweest is van een voorlopig rijbewijs van dezelfde categorie of subcategorie waarvan de geldigheid sinds meer dan drie jaar verstreken is.
  In dit geval worden de mislukkingen voor de praktische examens die voor de afgifte van het nieuwe voorlopige rijbewijs werden afgelegd, niet meegerekend voor de toepassing van artikel 15, 1°, e) en 2°, a) en van artikel 38, § 14. ";
  3° Onderdeel 2°, c) wordt vervangen als volgt :
  " c) mag in commercieel verband geen goederen vervoeren, behalve als de bestuurder houder is van een voorlopig rijbewijs geldig voor de categorieën C of C + E of de subcategorieën C1 of C1 + E; ";
  4° Onderdeel 3°, d) wordt vervangen als volgt :
  " d) mag niet vervallen zijn of mag gedurende de laatste drie jaar niet vervallen geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen en moet voldaan hebben aan de examens en onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet werden opgelegd; ";
  5° Onderdeel 3°, e) wordt opgeheven.

  Art. 4. In artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 september 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° Onderdeel 3°, d) wordt vervangen als volgt :
  " d) mag niet vervallen zijn of mag gedurende de laatste drie jaar niet vervallen geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen en moet voldaan hebben aan de examens en onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet werden opgelegd; ";
  2° Onderdeel 3°, e) wordt opgeheven.

  Art. 5. In artikel 27, 2°, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " Er moet daarenboven voldaan worden aan de volgende voorwaarden " vervangen door de woorden " Voor de buitenlandse rijbewijzen moet er daarenboven voldaan worden aan de volgende voorwaarden ".

  Art. 6. Artikel 32, § 6, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 september 2002, wordt opgeheven.

  Art. 7. In artikel 33 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° Het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " Het in artikel 23, § 1, 2° en 38 van de wet bepaalde praktische examen bestaat uit de in bijlage 5 opgesomde proeven. ";
  2° Het derde lid wordt vervangen als volgt :
  " Het examen wordt beoordeeld op de in bijlage 5 aangeduide wijze. "

  Art. 8. Artikel 38 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 september 2002, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 38. § 1. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A3 legt het praktische examen af met een bromfiets klasse B.
  De voertuigen met meer dan twee wielen dienen uitgerust te zijn met een achteruitrijstand.
  Het praktische examen mag niet afgenomen worden met een driewielige bromfiets met twee wielen die op dezelfde as zijn gemonteerd en waarvan de afstand tussen de middens van de contactvlakken van de wielen met de grond kleiner is dan 0,46 m.
  § 2. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie A legt het praktische examen af met een motorfiets die beantwoordt aan een van de volgende eisen :
  1° een motorfiets zonder zijspan met een cilinderinhoud van meer dan 120 cm3 en een minimum vermogen van 20 kW en een maximum vermogen van 25 kW en die op een horizontale weg een snelheid van ten minste 100 km/u bereikt;
  2° een motorfiets zonder zijspan met een vermogen van ten minste 35 kW en die op een horizontale weg een snelheid van ten minste 120 km/u bereikt.
  De kandidaat die de leeftijd van 21 jaar niet bereikt heeft en de houder van een voorlopig rijbewijs met de vermelding " A < of = 25 kW < of = 0,16 kW/kg " leggen het examen af met een voertuig dat beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in 1°.
  De kandidaat moet uitgerust zijn met handschoenen, een vest met lange mouwen en een lange broek of een overall, alsook met laarzen of bottines die de enkels beschermen.
  § 3. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B legt het praktische examen af met een vierwielig voertuig van deze categorie met ten minste vier plaatsen, voorzien van een cabine, dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 100 km/u bereikt.
  Het voertuig moet voor- en achteraan met veiligheidsgordels uitgerust zijn.
  § 4. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie B + E legt het praktische examen af met een samenstel bestaande uit een voertuig van de categorie B, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in § 3, en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten minste 1 000 kg en met een lengte van ten minste 9 m, en dat niet onder de categorie B valt en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 100 km/u bereikt.
  De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als het trekkende voertuig. De gesloten opbouw mag ook lichtjes minder breed zijn dan het trekkende voertuig, zolang het zicht naar achteren alleen door middel van de buitenspiegels van het trekkende voertuig mogelijk is.
  De feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen.
  De eventuele lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het samenstel.
  § 5. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C legt het praktische examen af met een voertuig behorend tot de categorie C, waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 12 000 kg, de lengte ten minste 9 m en de breedte ten minste 2,40 m bedraagt en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
  Het voertuig moet uitgerust zijn met ABS, met een versnellingsbak met ten minste acht voorwaartse versnellingen en met een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.
  De laadruimte moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als de cabine en die de volledige laadvloer bedekt.
  De feitelijke totale massa van het voertuig moet minimaal 10 000 kg bedragen.
  Het voertuig moet een lading hebben met een gewicht dat minstens gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het voertuig.
  § 6. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie C + E legt het praktische examen af met een geleed voertuig of een samenstel bestaande uit een voertuig van de categorie C, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in § 5, en een aanhangwagen van ten minste 7,5 m lang.
  Het gelede voertuig of samenstel moet een maximaal toegelaten massa van ten minste 20 000 kg hebben, ten minste 14 m lang en ten minste 2,40 m breed zijn en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereiken.
  Het gelede voertuig of samenstel moet uitgerust zijn met ABS, met een versnellingsbak met ten minste acht voorwaartse versnellingen en met een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.
  De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als het trekkende voertuig. De gesloten opbouw mag ook lichtjes minder breed zijn dan het trekkende voertuig, zolang het zicht naar achteren alleen door middel van de buitenspiegels van het trekkende voertuig mogelijk is.
  De feitelijke totale massa van het gelede voertuig of het samenstel moet minimaal 15 000 kg bedragen.
  Het gelede voertuig of het samenstel moet een lading hebben met een gewicht dat minstens gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het gelede voertuig of van het samenstel. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken.
  De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en, in voorkomend geval, verdeeld zijn over het trekkende voertuig en de aanhangwagen. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het voertuig of het samenstel.
  § 7. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie D legt het praktische examen af met een voertuig behorend tot de categorie D, dat ten minste 10 m lang en ten minste 2,40 m breed is en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
  Het voertuig moet uitgerust zijn met ABS en met een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.
  § 8. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de categorie D + E legt het praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie D, dat beantwoordt aan de in § 7 voorgeschreven voorwaarden en een aanhangwagen met een maximaal toegelaten massa van ten minste 1 500 kg. Het samenstel heeft een breedte van ten minste 2,40 m en een lengte van ten minste 14 m en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
  De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste 2 m breed en 2 m hoog is.
  De feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen.
  De eventuele lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het voertuig of het samenstel.
  § 9. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de subcategorie C1 legt het praktische examen af met een voertuig van de subcategorie C1 waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 5 500 kg en de lengte ten minste 5,5 m bedraagt, en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
  De laadruimte moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als de cabine en die de volledige laadvloer bedekt.
  Het voertuig moet uitgerust zijn met ABS en een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.
  Het voertuig moet een lading hebben met een gewicht dat minstens gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het samenstel.
  § 10. De kandidaat voor een rijbewijs geldig voor de subcategorie C1 + E legt het praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de subcategorie C1, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in § 9, en een aanhangwagen met een maximaal toegelaten massa van ten minste 2 500 kg.
  Het samenstel moet een lengte hebben van ten minste 9 m en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereiken.
  De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste even breed en hoog is als de cabine van het trekkende voertuig. De gesloten opbouw mag ook lichtjes minder breed zijn als het trekkende voertuig zolang het zicht naar achteren alleen door middel van de buitenspiegels van het trekkende voertuig mogelijk is.
  De feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen.
  Het voertuig moet een lading hebben met een gewicht dat minstens gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het samenstel. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en verdeeld zijn over het trekkende voertuig en de aanhangwagen. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het samenstel.
  § 11. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de subcategorie D1 legt het praktische examen af met een voertuig van de subcategorie D1, met een maximaal toegelaten massa van ten minste 4 000 kg en een lengte van ten minste 5 m, dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
  Het voertuig moet uitgerust zijn met ABS en een controleapparatuur als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.
  § 12. De kandidaat voor het rijbewijs geldig voor de subcategorie D1 + E legt het praktische examen af met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de subcategorie D1, dat beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in § 11, en een aanhangwagen met een maximaal toegelaten massa van ten minste 1 500 kg, en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
  De laadruimte van de aanhangwagen moet bestaan uit een gesloten opbouw die ten minste 2 m breed en 2 m hoog is.
  De feitelijke totale massa van de aanhangwagen moet minimaal 800 kg bedragen.
  De eventuele lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn. De examinator kan, zo nodig, overgaan tot een weging van het samenstel.
  § 13. De kandidaat bedoeld in artikel 37 legt het praktische examen af met een voertuig dat uitgerust is met een handschakeling.
  De kandidaat die, wegens lichamelijke gebreken, slechts bepaalde types van voertuigen of aangepaste voertuigen mag besturen, legt het praktische examen af met een dergelijk voertuig. Hij mag, in voorkomend geval, het examen afleggen met een voertuig dat niet beantwoordt aan de in dit artikel gestelde normen. De kenmerken waaraan het voertuig moet voldoen, komen op het attest bedoeld in artikel 44, § 5 of in artikel 45, tweede lid.
  Het praktische examen moet afgelegd worden met een voertuig dat de uitvoering van de in bijlage 5 bepaalde voorafgaande controles en manoeuvres toelaat.
  § 14. De kandidaat die zich aanbiedt met een rijschool en de houder van een voorlopig rijbewijs model 2, leggen het praktische examen af met bijstand van een instructeur en in een scholingsvoertuig van de rijschool, waar zij het praktische onderricht volgden en dat beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.
  De houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 of van een leervergunning legt het praktische examen af :
  1° ofwel aan boord van een voertuig dat, naargelang het geval, aan de in de artikelen 6, 2° of 10, 2° bepaalde voorwaarden beantwoordt. De begeleider moet aanwezig zijn;
  2° ofwel met bijstand van een instructeur en in een scholingsvoertuig van de rijschool waar hij het praktische onderricht volgde en dat beantwoordt aan de voorwaarden voorgeschreven in het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor de erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen.
  De houder van een voorlopig rijbewijs model 1 of model 3 of van een leervergunning die tweemaal niet geslaagd is voor het praktische examen, legt evenwel het praktische examen af onder de in het tweede lid, 2°, bedoelde voorwaarden.
  § 15. Als een van de hierna opgesomde bedieningsorganen van het in § 14, tweede lid, 1°, bedoelde voertuig dubbel geïnstalleerd is, moeten de organen voor de bediening van de koppeling, van de bedrijfsreminrichting, van de noodreminrichting en van het gaspedaal alsook van de dimlichten, van de richtingaanwijzers en van het geluidstoestel ook dubbel geïnstalleerd worden. De begeleider moet bovendien de grootlichten kunnen uitschakelen en in de plaats daarvan de dimlichten aansteken.
  De dubbele bediening is niet verplicht voor de in serie ingebouwde inrichtingen die automatisch zijn of die door de begeleider gemakkelijk te bereiken zijn zonder gevaar dat de kandidaat wordt gehinderd.
  Een verklikkerinrichting dient op akoestische wijze aan te geven dat de begeleider het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting of van de koppeling bedient of de bediening ervan verhindert. Wanneer deze verklikkerinrichting ingeschakeld wordt, wordt de goede werking ervan aangegeven door een verklikkerlichtje dat evenwel dooft wanneer het akoestische alarmsignaal in werking treedt. "

  Art. 9. In artikel 39 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, tweede lid wordt vervangen als volgt :
  " De duur van het praktische examen wordt als volgt bepaald :
  1° categorieën A3, A, B en B + E : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is hoogstens drie minuten per manoeuvre en hoogstens vijftien minuten voor het geheel der manoeuvres. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfentwintig minuten zijn;
  2° categorieën C en D en subcategorieën C1 en D1 : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minstens vijftien minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfenveertig minuten zijn;
  3° categorie C + E en subcategorie C1 + E : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minstens dertig minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfenveertig minuten zijn;
  4° categorie D + E en subcategorie D1 + E : de duur van de proef op het terrein buiten het verkeer is minstens vijfentwintig minuten. De duur van de proef op de openbare weg mag niet korter dan vijfenveertig minuten zijn. ";
  2° § 2, eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " De kandidaat moet, om tot de proef op de openbare weg toegelaten te worden, geslaagd zijn voor de proef op een terrein buiten het verkeer. Het slagen in deze proef blijft één jaar geldig, behalve als de kandidaat voor een rijbewijs voor de categorie C + E voor de proef op de openbare weg komt met een geleed voertuig, terwijl hij de proef op een terrein buiten het verkeer met een samenstel aflegde, en omgekeerd. "
  3° In § 6 worden de woorden " bijlage 5, III " vervangen door de woorden " bijlage 5 ".

  Art. 10. In artikel 71, vijfde lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijke besluit van 14 december 2001, worden de woorden " voorzover hij aan de Minister of zijn gemachtigde het deelnemingsdocument ten laatste drie jaar na het slagen voor het eerste onderzoek " geschrapt.

  Art. 11. Artikel 78, tweede lid, 4°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 september 2002, wordt vervangen als volgt :
  " 4° het rijbewijs geldig verklaard voor de categorie B laat toe voertuigen van de categorieën A3 en B te besturen; ".

  Art. 12. Artikel 90 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 90. - In afwijking van de bepalingen van artikel 38, §§ 4 tot 12, mogen de praktische examens tot 31 maart 2010 afgelegd worden met een voertuig dat voor de eerste keer voor 5 september 2005 ingeschreven werd en aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie B + E mag afgelegd worden met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie B dat beantwoordt aan de voorwaarden voorgeschreven in artikel 38, § 3, en een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van ten minste 1 000 kg, met een lengte van ten minste 9 m en dat niet behoort tot de categorie B en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 100 km/u. bereikt.
  De kast van de aanhangwagen moet een breedte hebben van ten minste 1,6 m en een hoogte van ten minste 1,5 m, berekend vanaf de grond en moet voorzien zijn van een gesloten opbouw;
  2° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie C mag afgelegd worden met een voertuig behorend tot de categorie C waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 12 000 kg en de lengte ten minste 9 m bedraagt en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
  Het voertuig moet voorzien zijn van een gesloten opbouw en van een tachograaf als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85.
  Het voertuig moet een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De examinator kan, indien nodig, overgaan tot een weging van het voertuig. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn;
  3° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie C + E mag afgelegd worden met een voertuig dat beantwoordt aan de in a) of in b) gestelde eisen :
  a) geleed voertuig met een gesloten opbouw, waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 18 000 kg en de lengte ten minste 14 m bedraagt en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt. Het voertuig moet met een tachograaf als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85 uitgerust zijn;
  b) samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie C dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in 2°, en een aanhangwagen, voorzien van een gesloten opbouw, met een lengte van ten minste 5 m, dat een maximale toegelaten massa van ten minste 18 000 kg en een lengte van ten minste 14 m heeft en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
  Het voertuig en het samenstel bedoeld in a) en b) moeten een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig of van het samenstel. De examinator kan, indien nodig, overgaan tot een weging van het voertuig of van het samenstel. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en, in het in b) bedoeld geval, verdeeld zijn over het trekkende voertuig en de aanhangwagen;
  4° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie D mag afgelegd worden met een voertuig behorend tot de categorie D waarvan de lengte ten minste 10 m bedraagt en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
  Het voertuig moet uitgerust zijn met een tachograaf als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85;
  5° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de categorie D + E mag afgelegd worden met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de categorie D dat beantwoordt aan de in 4° voorgeschreven voorwaarden en een aanhangwagen voorzien van een gesloten opbouw, met een maximale toegelaten massa van ten minste 1 500 kg, dat een lengte van ten minste 14 m heeft en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt;
  6° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de subcategorie C1 mag afgelegd worden met een voertuig van de subcategorie C1, waarvan de maximale toegelaten massa ten minste 5 500 kg en de lengte ten minste 5,5 m bedraagt en dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt.
  Het voertuig moet van een gesloten opbouw en van een tachograaf als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85 voorzien zijn.
  Het voertuig moet een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het voertuig. De examinator kan, indien nodig, overgaan tot een weging van het voertuig. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn;
  7° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de subcategorie C1 + E mag afgelegd worden met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de subcategorie C1, dat beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in 6°, en een aanhangwagen, voorzien van een gesloten opbouw, met een maximale toegelaten massa van ten minste 2 500 kg, dat een lengte van ten minste 9 m heeft en op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u. bereikt.
  Het samenstel moet een lading hebben waarvan het gewicht ten minste gelijk is aan de helft van het nuttige laadvermogen van het samenstel. De examinator kan, indien nodig, overgaan tot een weging van het samenstel. De lading mag niet bestaan uit ADR producten, noch uit levende dieren of uit producten die misselijkheid veroorzaken. De lading moet degelijk vastgemaakt zijn en verdeeld zijn over het trekkende voertuig en de aanhangwagen;
  8° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de subcategorie D1 mag afgelegd worden met een voertuig van de subcategorie D1, dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt.
  Het voertuig moet met een tachograaf als bedoeld in de Verordening (EEG) nr. 3821/85 uitgerust zijn;
  9° het praktische examen voor het behalen van een rijbewijs voor de subcategorie D1 + E mag afgelegd worden met een samenstel, bestaande uit een voertuig van de subcategorie D1, dat beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in 8°, en een aanhangwagen, voorzien van een gesloten opbouw, met een maximale toegelaten massa van ten minste 1 500 kg, dat op een horizontale weg een snelheid van ten minste 80 km/u bereikt. "

  Art. 13. De bijlage 4 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 september 2002 en van 22 maart 2004, en de bijlage 5 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 september 2002, worden door de bijlagen 1 en 2 bij dit besluit vervangen.

  Art. 14. Het in XI van de bijlage 6 bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij koninklijk besluit van 5 september 2002, bepaalde attest wordt door het in bijlage 3 bij dit besluit bepaalde attest vervangen.

  Art. 15. Dit besluit treedt in werking op 5 september 2005, met uitzondering van de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 10, 11, 14 en van de bijlage 1, A, II, die in werking treden op 1 augustus 2004.

  Art. 16. Onze Minister van Mobiliteit is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 15 juli 2004.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Mobiliteit,
  B. ANCIAUX

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 15 juli 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
  Bijlage 4 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
  A. Stof voor het theoretische examen.
  I. Stof voor het rijbewijs.
  A. Gemeenschappelijke examenstof.
  1. Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
  2. Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
  3. Koninklijk besluit van 22 december 2003 tot aanwijzing van de zware overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen in uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
  4. Belang van de oplettendheid en van de houding ten opzichte van andere weggebruikers;
  5. Waarneming, beoordeling en reactie, met name reactietijd, en gedragsveranderingen bij de bestuurder ten gevolge van alcohol, drugs en geneesmiddelen, gemoedsgesteldheid en vermoeidheid;
  6. De belangrijkste principes voor het bewaren van afstand, remafstand en wegligging van het voertuig in uiteenlopende weers- en wegomstandigheden;
  7. Verkeersrisico's in verband met verschillende wegomstandigheden, in het bijzonder veranderingen ten gevolge van de weerstoestand en het tijdstip van de dag of de nacht;
  8. Kenmerken van de verschillende soorten wegen en daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften;
  9. Specifieke risico's in verband met de onervarenheid van andere weggebruikers en in verband met de kwetsbaarste categorieën van weggebruikers, zoals kinderen, voetgangers, fietsers en personen die in hun mobiliteit gehinderd zijn;
  10. Risico's in verband met deelneming aan het verkeer en het besturen van diverse voertuigtypes en in verband met het verschillende gezichtsveld van de bestuurders van deze voertuigen;
  11. Reglementering met betrekking tot administratieve bescheiden in verband met het gebruik van het voertuig;
  12. Algemene regels voor de door de bestuurder te volgen gedragslijn bij ongevallen (plaatsen van de gevarendriehoek, waarschuwen, enz.) en maatregelen die hij in voorkomend geval kan nemen om hulp te verlenen aan verkeersslachtoffers;
  13. Veiligheidseisen met betrekking tot het voertuig, de lading en de passagiers;
  14. Voorzorgsmaatregelen bij het verlaten van het voertuig;
  15. De mechanische onderdelen die voor de rijveiligheid van belang zijn : in staat zijn de meest voorkomende defecten te ontdekken, in het bijzonder aan de stuurinrichting, wielophanging, remmen, banden, verlichting en richtingaanwijzers, reflectoren, achteruitkijkspiegels, voorruit en ruitenwissers, uitlaatsysteem, veiligheidsgordels en geluidstoestel;
  16. Veiligheidsinrichtingen van de voertuigen, met name gebruik van de veiligheidsgordels, hoofdsteunen en veiligheidsvoorzieningen voor kinderen;
  17. Regels voor het milieuvriendelijke gebruik van het voertuig : alleen toeteren indien nodig, matig brandstofgebruik, beperking van uitlaatgassen.
  B. Specifieke stof voor de categorie A.
  1. Gebruik van beschermende uitrusting, zoals handschoenen, schoeisel, kleding en helm;
  2. Zichtbaarheid van motorrijders voor medeweggebruikers;
  3. Specifieke risico's in verband met uiteenlopende wegomstandigheden, met bijzondere aandacht voor gladde delen van het wegdek, zoals putdeksels, wegmarkeringen zoals strepen en pijlen, tramrails;
  4. Mechanische onderdelen die voor de verkeersveiligheid van belang zijn, met bijzondere aandacht voor de noodstopschakelaar, het oliepeil en de ketting.
  C. Specifieke stof voor de categorie C en subcategorie C1.
  1. Voorschriften inzake rij- en rusttijden zoals beschreven in Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad; het gebruik van controleapparatuur zoals beschreven in Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad;
  2. Voorschriften inzake het vervoer van goederen;
  3. Kennis van de maatregelen die moeten worden genomen na een ongeval of vergelijkbare gebeurtenis, zoals de evacuatie van passagiers, en de grondbeginselen van eerste hulp;
  4. Voertuig- en vervoersdocumenten die zijn vereist voor nationaal en internationaal vervoer van goederen;
  5. Voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen bij het verwisselen van wielen;
  6. Voorschriften inzake gewichten, afmetingen en snelheidsbegrenzers;
  7. Beperking van het gezichtsveld die door de kenmerken van het voertuig wordt veroorzaakt;
  8. Veiligheidseisen bij het laden van het voertuig : het beheersen van de lading (laden en vastzetten), problemen met verschillende soorten lading (bijvoorbeeld vloeistoffen, hangende lading), het laden en lossen van goederen en het gebruik van laadapparatuur;
  9. Principes van de constructie en werking van : verbrandingsmotoren, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof), het brandstofsysteem, het elektrische systeem, de ontsteking, het transmissiesysteem (koppeling, versnellingsbak);
  10. Smering en antivriesbescherming;
  11. Principes van de constructie, montage, correct gebruik en onderhoud van banden;
  12. Principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van reminrichtingen en snelheidsbegrenzers;
  13. Principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van het koppelmechanisme;
  14. Methoden voor het opsporen van oorzaken van defecten;
  15. Preventief onderhoud van voertuigen en noodzakelijke lopende reparaties;
  16. Verantwoordelijkheid van de bestuurder voor de ontvangst, het vervoer en de aflevering van goederen volgens afspraak;
  17. Beginselen van het verantwoorde gebruik van de snelheidsregelaar.
  D. Specifieke stof voor de categorie D en subcategorie D1.
  1. Voorschriften inzake rij- en rusttijden zoals beschreven in Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad; het gebruik van controleapparatuur zoals beschreven in Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad;
  2. Voorschriften inzake het vervoer van personen;
  3. Voertuig- en vervoersdocumenten die zijn vereist voor nationaal en internationaal vervoer van personen;
  4. Kennis van de maatregelen die moeten worden genomen na een ongeval of vergelijkbare gebeurtenis, zoals de evacuatie van passagiers, en de grondbeginselen van eerste hulp;
  5. Voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen bij het verwisselen van wielen;
  6. Voorschriften inzake gewichten, afmetingen en snelheidsbegrenzers;
  7. Beperking van het gezichtsveld die door de kenmerken van het voertuig wordt veroorzaakt;
  8. Verantwoordelijkheid van de bestuurder met betrekking tot het vervoer van passagiers, het comfort en de veiligheid van passagiers, het vervoer van kinderen en de nodige controles vóór het wegrijden;
  9. Principes van de constructie en werking van : verbrandingsmotoren, vloeistoffen (bijvoorbeeld motorolie, koelvloeistof, ruitensproeiervloeistof), het brandstofsysteem, het elektrische systeem, de ontsteking, het transmissiesysteem (koppeling, versnellingsbak);
  10. Smering en antivriesbescherming;
  11. Principes van de constructie, montage, correct gebruik en onderhoud van banden;
  12. Principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van reminrichtingen en snelheidsbegrenzers;
  13. Principes van de typen, werking, belangrijkste onderdelen, montage, gebruik en dagelijks onderhoud van het koppelmechanisme;
  14. Methoden voor het opsporen van oorzaken van defecten;
  15. Preventief onderhoud van voertuigen en noodzakelijke lopende reparaties;
  16. Beginselen van het verantwoorde gebruik van de snelheidsregelaar.
  II. Stof voor het getuigschrift om een landbouwtractor te besturen.
  1. Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;
  2. Koninklijk besluit van 22 december 2003 tot aanwijzing van de zware overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen in uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen.
  B. Wijze van beoordeling.
  I. Categorie A3 en getuigschrift om een landbouwtractor te besturen.
  Maximum aantal punten : 40.
  Minimum vereist om te slagen : 33.
  II. Categorieën A, B, C en D en subcategorieën C1 en D1 :
  Maximum aantal punten : 50.
  Minimum vereist om te slagen : 41.
  C. Wijze van verbetering.
  De Minister of zijn gemachtigde bepaalt de procedure tot verbetering van het theoretische examen.
  Gezien om gevoegd te worden bij het koninklijk besluit van 15 juli 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Mobiliteit,
  B. ANCIAUX

  Art. N2. Bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 15 juli 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
  Bijlage 5 bij het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
  PRAKTISCH EXAMEN :
  I. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIE A3.
  Proef op een terrein buiten het verkeer :
  1. Plaats en hantering van de bedieningsorganen.
  a) Remmen;
  b) Versnellingen;
  c) Schakelaar van de motor;
  d) Gashandgreep of -pedaal;
  e) Geluidstoestel;
  f) Richtingaanwijzers;
  g) Schakelaar en verklikkerlichtjes voor de lichten;
  h) Alleen voor tweewielige bromfietsen : zijdelingse steunvoet of centrale steunvoet naar keuze van de kandidaat.
  2. Manoeuvres voor tweewielige bromfietsen.
  a) Slalom;
  b) In lussen rijden;
  c) Over een afstand van 10 m tussen twee evenwijdige lijnen stapvoets rijden;
  d) Plots remmen.
  3. Manoeuvres voor bromfietsen met meer dan twee wielen.
  a) In rechte lijn achteruitrijden;
  b) Keren in een straat;
  c) Vooruit in een garage rijden;
  d) Tussen twee voertuigen parkeren.
  II. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIE A.
  A. Proef op een terrein buiten het verkeer :
  Manoeuvres.
  1. De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het afstappen van het voertuig, zoals op de openbare weg;
  2. Voorafgaande controles.
  a) Motorfiets op de standaard plaatsen;
  b) Correct dragen van beschermende uitrusting, zoals handschoenen, schoeisel, kleding en helm;
  c) Banden, remmen, stuurinrichting, noodstopschakelaar, ketting, oliepeil, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd.
  3. Motorfiets van de standaard halen, daarna in een U achteruitrijden en de motorfiets weer op de standaard plaatsen;
  4. Slalom;
  5. In lussen rijden;
  6. Bocht bij een snelheid van 30 km/u, daarna ontwijken bij een snelheid van 50 km/u. en precisieremmen;
  7. Stapvoets rijden;
  8. Bocht bij een snelheid van 30 km/u., daarna versnelling tot 50 km/u en plots remmen.
  B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :
  1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;
  2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;
  3. Rijden door bochten;
  4. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;
  5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;
  6. Speciale verkeerselementen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand;
  7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting;
  8. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;
  9. Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;
  10. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;
  11. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig; voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;
  12. Snelheidsbeperkingen;
  13. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;
  14. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers.
  III. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEEN B EN B + E.
  A. Proef op een terrein buiten het verkeer :
  Manoeuvres.
  Categorie B.
  1. Voorafgaande controles.
  a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
  b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
  c) Nakijken of de portieren goed gesloten zijn;
  d) Banden, remmen, stuurinrichting, vloeistoffen, lichten, verluchting, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
  e) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;
  2. In rechte lijn achteruitrijden;
  3. Keren in een smalle straat;
  4. Achteruit parkeren en de parkeerplaats vooruit verlaten;
  Categorie B + E.
  1. Voorafgaande controles.
  a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
  b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
  c) Nakijken of de portieren goed gesloten zijn;
  d) Banden, remmen, stuurinrichting, vloeistoffen, lichten, verluchting, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
  e) Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen;
  f) Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, manier van laden, vastzetten lading;
  g) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;
  2. In rechte lijn achteruitrijden;
  3. Achteruitrijdend een bocht maken;
  4. Langs het trottoir parkeren;
  5. Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;
  6. Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen : dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en de aanhangwagen naast elkaar.
  B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :
  1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;
  2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;
  3. Rijden door bochten;
  4. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;
  5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;
  6. Speciale verkeerselementen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand;
  7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten, correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, hoofdsteun, zitplaats, stuurinrichting;
  8. Zuinig en milieuvriendelijk rijden : letten op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen;
  9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;
  10. Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;
  11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;
  12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig, voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;
  13. Snelheidsbeperkingen;
  14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;
  15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;
  16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen.
  IV. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEEN C EN C + E EN DE SUBCATEGORIEEN C1 EN C1 + E.
  A. Proef op een terrein buiten het verkeer :
  Manoeuvres.
  1. Voorafgaande controles voor de categorieën C en C + E en de subcategorieën C1 en C1 + E :
  a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
  b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
  c) Zorgen dat de portieren gesloten zijn;
  d) Banden, remmen, stuurinrichting, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
  e) Controle van de rembekrachtiging en stuurinrichting, controle van de staat van de banden, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen; controle en gebruik van het dashboard;
  f) Controle van de luchtdruk, luchttanks en de wielophanging;
  g) Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, eventueel laadmechanisme, cabineslot, manier van laden, vastzetten van de lading;
  h) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;
  Bovendien voor de categorie C + E en de subcategorie C1 + E alleen :
  Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen.
  2. Manoeuvres voor de categorie C en de subcategorie C1 :
  a) In een rechte lijn achteruitrijden;
  b) Achteruit in een garage rijden;
  c) Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;
  3. Manoeuvres voor de categorie C + E en de subcategorie C1 + E :
  a) In rechte lijn achteruitrijden;
  b) Achteruitrijdend een bocht maken;
  c) Langs het trottoir parkeren;
  d) Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;
  e) Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen of oplegger; dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en zijn aanhangwagen naast elkaar.
  B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :
  1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;
  2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;
  3. Rijden door bochten;
  4. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;
  5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;
  6. Speciale verkeerselementen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand;
  7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting;
  8. Zuinig en milieuvriendelijk rijden, letten op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen;
  9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;
  10. Voorrang en voorrang verlenen op kruispunten, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;
  11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;
  12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig; voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;
  13. Snelheidsbeperkingen;
  14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;
  15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;
  16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen;
  17. Controle van de laaddeuren, de ladingswijze en het vastmaken van de lading;
  18. Controleapparatuur.
  V. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEEN D EN D + E EN DE SUBCATEGORIEEN D1 EN D1 + E.
  A. Proef op een terrein buiten het verkeer :
  Manoeuvres.
  1. Voorafgaande controles voor de categorieën D en D + E en de subcategorieën D1 en D1 + E.
  a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
  b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
  c) Banden, remmen, stuurinrichting, lichten, reflectoren, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
  d) Controle van de rembekrachtiging en stuurinrichting, controle van de staat van de banden, wielmoeren, spatborden, voorruit, ruiten en ruitenwissers, vloeistoffen, controle en gebruik van het dashboard;
  e) Controle van de luchtdruk, luchttanks en de wielophanging;
  f) In staat zijn bijzondere maatregelen te treffen voor de veiligheid van het voertuig, controle van carrosserie, bedrijfsdeuren, nooduitgangen, EHBO-benodigdheden, brandblussers en andere veiligheidsvoorzieningen;
  g) Zorgen dat de portieren gesloten zijn;
  h) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig, zoals op de openbare weg;
  Bovendien voor de categorie D + E en de subcategorie D1 + E alleen :
  a) Controle van het koppelmechanisme en de elektrische en remverbindingen;
  b) Controle van de veiligheid met betrekking tot de lading van het voertuig : koetswerk, plaatwerk, laaddeuren, manier van laden, vastzetten lading;
  2. Manoeuvres voor de categorie D en de subcategorie D1 :
  a) In een rechte lijn achteruitrijden;
  b) Achteruit in een garage rijden;
  c) Langs een trottoir parkeren.
  3. Manoeuvres voor de categorieën D + E en D1 + E :
  a) In rechte lijn achteruitrijden;
  b) Achteruitrijdend een bocht maken;
  c) Langs het trottoir parkeren;
  d) Achteruitrijden tot tegen een laadkaai;
  e) Koppelen en loskoppelen van de aanhangwagen; dit manoeuvre moet beginnen met het voertuig en zijn aanhangwagen naast elkaar.
  B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :
  1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;
  2. Rijden op rechte wegen; tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;
  3. Rijden door bochten;
  4. Oprijden en verlaten van autosnelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;
  5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;
  6. Speciale verkeerselementen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes; voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand;
  7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten; correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, veiligheidsgordel, hoofdsteun, stuurinrichting, zitplaats;
  8. Zuinig en milieuvriendelijk rijden : letten op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen;
  9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;
  10. Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;
  11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;
  12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig, voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;
  13. Snelheidsbeperkingen;
  14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;
  15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;
  16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen;
  17. Controleapparatuur.
  VI. WIJZE VAN BEOORDELING VAN HET EXAMEN.
  A. Proef op een terrein buiten het verkeer.
  Categorie A3 :
  De proef wordt stopgezet indien de kandidaat niet voldoende vertrouwd is met de plaats en de hantering van de bedieningsorganen.
  Voor alle categorieën en subcategorieën :
  de manoeuvres worden beoordeeld met : " goed ", " voorbehoud ", " onvoldoende " of " slecht ".
  De kandidaat wordt uitgesteld indien :
  - een manoeuvre wordt beoordeeld met " slecht ";
  - twee manoeuvres worden beoordeeld met " onvoldoende ";
  - een manoeuvre wordt beoordeeld met " onvoldoende " en twee met " voorbehoud ";
  - vier manoeuvres worden beoordeeld met " voorbehoud ".
  B. Proef op de openbare weg.
  De proef wordt volgens de volgende rubrieken beoordeeld :
  1° bediening van het voertuig;
  2° plaats op de openbare weg;
  3° bochten;
  4° kruisen en inhalen;
  5° richtingsverandering;
  6° voorrang;
  7° verkeerslichten en bevelen;
  8° snelheid en verkeersinzicht;
  9° gedrag ten overstaan van andere weggebruikers;
  10° defensief rijden.
  De rubrieken worden beoordeeld met " goed ", " voorbehoud ", " onvoldoende " of " slecht ".
  De kandidaat wordt uitgesteld indien :
  - een rubriek beoordeeld wordt met " slecht ";
  - twee rubrieken beoordeeld worden met " onvoldoende ";
  - een rubriek beoordeeld wordt met " onvoldoende " en twee met " voorbehoud ";
  - vier rubrieken beoordeeld worden met " voorbehoud ";
  - rijfouten of gevaarlijk rijgedrag de veiligheid van het examenvoertuig, de passagiers of de andere weggebruikers direct in gevaar brengen.
  Gezien om gevoegd te worden bij het koninklijk besluit van 15 juli 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Mobiliteit,
  B. ANCIAUX

  Art. N3. Bijlage 3 bij het koninklijk besluit van 15 juli 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 30-07-2004, p. 58398-58399).
  Gezien om gevoegd te worden bij het koninklijk besluit van 15 juli 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Mobiliteit,
  B. ANCIAUX.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij de wetten van 21 juni 1985 en van 5 augustus 2003, op artikel 23, gewijzigd bij de wetten van 9 juli 1976, 29 februari 1984 en 18 juli 1990 en op artikelen 26 en 47, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976;
   Gelet op de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1985, 21 juni 1985, 28 juli 1987 en 3 mei 1999;
   Gelet op het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 mei 1999, 20 juli 2000, 14 december 2001, 5 september 2002, 29 september 2003 en 22 maart 2004;
   Overwegende de Richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, gewijzigd bij de Richtlijnen van de Raad 96/47/EG van 23 juli 1996 en 97/26/EG van 2 juni 1997, bij de Richtlijn van de Commissie 2000/56 van 14 september 2000 en bij de Richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003;
   Overwegende de beschikking van de Commissie van 10 juli 1996 betreffende een afwijking van de bepalingen van bijlage III van de Richtlijn 91/439/ EEG van de Raad;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 20 april 2004;
   Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 22 april 2004;
   Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;
   Gelet op het advies van de Europese Commissie;
   Gelet op het advies nr. 37254/4 van de Raad van State, gegeven op 16 juni 2004, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Mobiliteit en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie