J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/decreet/2004/02/12/2004200850/justel

Titel
12 FEBRUARI 2004. - Decreet tot organisatie van de Waalse provincies (VERTALING)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-03-2004 en tekstbijwerking tot 19-03-2014)

Bron : WAALSE GEWEST
Publicatie : 30-03-2004 nummer :   2004200850 bladzijde : 17813       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2004-02-12/53
Inwerkingtreding : 01-01-2004

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1998027081        1961021502        1836043001        2004200988        2004200989        1967122804       

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Het provinciebestuur.
Art. 1-5
TITEL II. - De provincieraad.
HOOFDSTUK I. - Vergaderingen van de raad en de wijze waarop hij beraadslaagt.
Art. 6-27
HOOFDSTUK II. - Recht op informatie.
Art. 28-31
HOOFDSTUK III. - Het provinciaal belang, de bevoegdheden van de provincieraad en de rechten van de provincieraadsleden.
Art. 32-51
TITEL III. - Het provinciecollege.
HOOFDSTUK I. - De provinciaal gedeputeerden.
Art. 52-60
HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen betreffende het provinciecollege.
Art. 61-71
TITEL IV. - De provincieontvanger.
Art. 72-84
TITEL V. - De provinciebedrijven, de autonome provinciebedrijven en de tegemoetkomingen van de provincie in de intercommunales, V.Z.W.'s en andere verenigingen.
HOOFDSTUK I. - Provinciebedrijven.
Art. 85-87
HOOFDSTUK II. - Autonome provinciebedrijven.
Art. 88-95
HOOFDSTUK II. - Tegemoetkomingen van de provincie in de kosten van de intercommunales, V.Z.W.'s en andere verenigingen.
Afdeling 1. - De intercommunales.
Art. 96
Afdeling 2. - De V.Z.W.'s en andere verenigingen.
Art. 97-99
TITEL VI. - Reglementen en verordeningen van de provincieraad of van het provinciecollege.
Art. 100-101
TITEL VII. - De provinciegriffier.
Art. 102-107
TITEL IX. - De gouverneur.
HOOFDSTUK I. - Betrekkingen van de gouverneur met de provincieraad of het provinciecollege.
Art. 108-109
HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen betreffende de gouverneur.
Art. 110-112
TITEL IX. - De arrondissementscommissarissen.
Art. 113
TITEL X. - Bepalingen gemeen aan de gouverneur, de griffier en de arrondissementscommissarissen.
Art. 114
TITEL XI. - De provinciale volksraadpleging.
Art. 115-126
TITEL XII. - De burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering van de provincies.
Art. 127
TITEL XIII. - Bijzondere bepalingen.
Art. 128, 128/1, 128/2
TITEL XIV. - Wijzigingsbepalingen.
Art. 129-133
TITEL XV. - Overgangsbepalingen.
Art. 134-136
TITEL XVI. - Opheffings- en slotbepalingen.
Art. 137-138

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Het provinciebestuur.

  Artikel. 1. Er is in iedere provincie een provincieraad, een provinciecollege en een gouverneur.

  Art. 2. De provincieraad bestaat uit :
  - 47 leden in provincies beneden 250.000 inwoners;
  - 56 leden in provincies van 250.000 tot 500.000 inwoners;
  - 65 leden in provincies van 500.000 tot 750.000 inwoners;
  - 75 leden in provincies van 750.000 tot 1.000.000 inwoners;
  - 84 leden in provincies van 1.000.000 inwoners en meer.
  Het aantal raadsleden wordt bij elke volledige vernieuwing van de provincieraden door de Regering in overeenstemming gebracht met het bevolkingscijfer. Het inwoneraantal per provincie dat in aanmerking wordt genomen, is het aantal personen dat ingeschreven is in het Rijksregister van de natuurlijke personen die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de volledige vernieuwing, hun hoofdverblijfplaats hadden in de gemeenten van de desbetreffende provincie.
  Die bevolkingscijfers per gemeente en per provincie worden in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakt door toedoen van de regering.
  De bevolkingscijfers die vastgesteld zijn op de wijze bepaald in het derde lid worden ten laatste op 1 mei van het jaar waarin de volledige vernieuwing van de provincieraden plaatsvindt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 3. De provincieraad wordt rechtstreeks gekozen door de kiescolleges. De verkiezingen geschieden per district; de grenzen van de districten zijn dezelfde als die van de kieskantons, bedoeld bij artikel 88 van het Kieswetboek. Een district kan evenwel twee of meer kieskantons omvatten.
  Ieder district telt zoveel keren een raadslid als de provinciale deler in zijn bevolkingscijfer begrepen is; deze deler wordt verkregen door het bevolkingscijfer van de provincie te delen door het totaal van de toe te kennen zetels; de overblijvende zetels worden toegewezen aan de districten met het grootste nog niet vertegenwoordigde bevolkingsoverschot.
  Groepering van de kieskantons en aanwijzing van de districtshoofdplaatsen geschiedt overeenkomstig de bij dit decreet gevoegde tabel. De verdeling van de raadsleden over de kiesdistricten wordt bij elke volledige vernieuwing van de provincieraden door de Regering in overeenstemming gebracht met de bevolking op basis van de bevolkingscijfers die worden vastgesteld overeenkomstig artikel 2, tweede lid.

  Art. 4. De provincieraad kiest uit zijn midden een provinciecollege.

  Art. 5. De gouverneur is de commissaris van de Regering in de provincie.
  Overeenkomstig artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals gewijzigd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001, worden de gouverneurs benoemd en afgezet door de Regering op eensluidend advies van de federale Raad van ministers.
  Er is een provinciegriffier in elke provincie.

  TITEL II. - De provincieraad.

  HOOFDSTUK I. - Vergaderingen van de raad en de wijze waarop hij beraadslaagt.

  Art. 6. De provincieraad vergadert in de hoofdplaats van de provincie, tenzij hij wegens een buitengewone gebeurtenis door zijn voorzitter in een andere stad van de provincie wordt bijeengeroepen.

  Art. 7. De provincieraad vergadert telkens als de aangelegenheden die onder zijn bevoegdheid vallen het vereisen en ten minste éénmaal per maand.
  Deze verplichting is niet van toepassing op de maanden juli en augustus.
  De raad wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen.
  Op verzoek van een derde van de raadsleden is de voorzitter gehouden de raad op de aangeduide dag en het aangeduide uur met de voorgestelde agenda bijeen te roepen.
  De voorzitter is tevens gehouden de raad op verzoek van het provinciecollege bijeen te roepen op de aangeduide dag en het aangeduide uur met de voorgestelde agenda.

  Art. 8. De raad kan geen besluit nemen indien niet de meerderheid van de leden aanwezig is.
  De raad kan echter, indien hij tweemaal bijeengeroepen is zonder dat het vereiste aantal leden is opgekomen, na een derde en laatste oproeping, ongeacht het aantal aanwezige leden een beslissing nemen over de onderwerpen die voor de derde maal op de agenda voorkomen.
  De tweede en de derde oproeping moeten geschieden overeenkomstig de voorschriften van artikel 18, en er moet vermeld worden of de oproeping voor de tweede of de derde maal geschiedt; bovendien moeten de eerste twee leden van dit artikel in de derde oproeping woordelijk worden overgenomen.

  Art. 9. Na elke volledige vernieuwing van de provincieraad, vergaderen de nieuw gekozen raadsleden van rechtswege zonder oproeping, onder voorzitterschap van het lid dat de meeste anciënniteit als provincieraadslid bezit of, bij gelijke anciënniteit, de oudste van hen, bijgestaan door de jongste twee leden als secretaris op de tweede vrijdag die volgt op de dag van de verkiezingen om 14.00 uur.
  Indien de tweede vrijdag bedoeld in het eerste lid evenwel een feestdag is, wordt de vergadering van de nieuwe provincieraad uitgesteld tot de daaropvolgende maandag.
  Na het onderzoek van de geloofsbrieven en de eedaflegging, benoemt de raad een voorzitter, één of meer ondervoorzitters en stelt hij zijn bureau samen.

  Art. 10. De provincieraad bepaalt in zijn reglement, met inachtneming van dit decreet, de wijze waarop hij zijn bevoegdheden uitoefent.
  De provincieraadsleden die op eenzelfde lijst verkozen zijn of op lijsten die zich onderling hebben verenigd om een fractie te vormen, vormen een fractie.
  De provincieraad bepaalt de wijze waarop de fracties binnen de vergadering worden erkend.
  De provincieraad richt in zijn midden commissies op die hem van advies dienen over het geheel of een deel van de aangelegenheden die tot zijn bevoegdheid behoren, alsmede op de op de agenda geplaatste voorstellen van beraadslagingen en besluiten.
  De raad richt minstens een commissie op die belast is met de begroting en de rekeningen.
  Eén of meer commissies zijn ermee belast met het nagaan van de goede uitvoering van de in Titel V bedoelde beheersplannen en -overeenkomsten en moeten daarover verslag uitbrengen aan de raad.
  De raad bepaalt in zijn huishoudelijk reglement de regelen houdende de samenstelling en de werking van deze commissies.
  De samenstelling ervan geschiedt volgens het principe van de evenredige vertegenwoordiging.
  De commissies kunnen steeds deskundigen en belanghebbenden horen.

  Art. 11. § 1. De vergaderingen van de provincieraad zijn openbaar.
  § 2. Behalve wat betreft de vergaderingen met betrekking tot de begroting, kan de provincieraad, in het belang van de openbare orde en op grond van ernstige bezwaren tegen de openbaarheid, met een tweederde meerderheid van de aanwezige leden, beslissen dat de vergadering niet openbaar is.
  § 3. De vergadering is niet openbaar wanneer het om personen gaat.
  Zodra een dergelijk punt aan de orde is, beveelt de voorzitter terstond de behandeling in besloten vergadering.
  § 4. Uitgezonderd in tuchtzaken kan de besloten vergadering eerst plaatsvinden na de openbare vergadering.
  § 5. Wanneer tijdens de openbare vergadering blijkt dat de behandeling van een punt moet worden voortgezet in besloten vergadering, kan de openbare vergadering, enkel met dit doel, worden onderbroken.

  Art. 12. Onverminderd het vierde lid stemmen de leden van de provincieraad mondeling of bij zitten en opstaan.
  De stemming geschiedt evenwel altijd mondeling en bij naamafroeping over elk besluit in zijn geheel. Dat is ook zo telkens als een derde van de aanwezige leden daarom verzoekt.
  Het huishoudelijk reglement kan een regeling invoeren die gelijkwaardig is aan een mondelinge stemming of een stemming bij zitten en opstaan. De elektronisch uitgebrachte stemming wordt geacht gelijk te staan met de mondelinge stemming bij naamafroeping. De stemming bij handopsteking wordt geacht gelijk te staan met de stemming bij zitten en opstaan.
  Alleen de voordrachten van kandidaten, de benoemingen tot ambten, de terbeschikkingstellingen, de preventieve schorsingen in het belang van de dienst en de tuchtstraffen geschieden bij geheime stemming en bij volstrekte meerderheid van stemmen.
  In geval van mondelinge stemming stemt de voorzitter het laatst.

  Art. 13. De provincieraad heeft het recht ieder voorstel te splitsen en te wijzigen.
  Ieder raadslid heeft het initiatiefrecht. De leden van het provinciecollege mogen deze mogelijkheid niet individueel gebruiken.
  Het huishoudelijk reglement regelt de modaliteiten m.b.t. het overwegen van het door één of meer raadsleden ingediende voorstel alsmede de verwijzing, in voorkomend geval, naar een commissie of het provinciecollege met het oog op de in artikel 63, derde lid, bedoelde voorafgaande behandeling.
  Het besluit betreffende het overwegen moet strikt met redenen omkleed zijn ten opzichte van het provinciaal belang zoals bepaald in artikel 32.

  Art. 14. Elk besluit wordt bij volstrekte meerderheid van stemmen genomen.
  Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.

  Art. 15. § 1. De vergadering wordt door de voorzitter geopend en gesloten.
  § 2. Tenzij het huishoudelijk reglement anders bepaalt, wordt bij het openen van elke vergadering voorlezing gedaan van de notulen van de vorige vergadering.
  In elk geval worden de notulen ten minste zeven vrije dagen vóór de dag van de vergadering ter inzage van de leden van de raad gelegd. In spoedeisende gevallen worden de notulen samen met de agenda ter inzage gelegd.
  Elk lid heeft het recht om tijdens de vergadering bezwaren tegen de redactie in te brengen.
  Worden de bezwaren gegrond bevonden, dan wordt de griffier ermee belast, staande de vergadering of uiterlijk op de eerstvolgende vergadering, een nieuwe redactie voor te leggen die in overeenstemming is met het besluit van de raad.
  Indien geen bezwaren worden ingebracht vóór het einde van de vergadering, zijn de notulen goedgekeurd en worden zij overgeschreven zoals in artikel 106, eerste lid, bepaald is.
  Telkens als de raad het gewenst acht, worden de notulen geheel of gedeeltelijk staande de vergadering opgemaakt en door de aanwezige leden ondertekend.
  § 3. De notulen vermelden :
  - het openings- en sluitingsuur van de zitting;
  - de agenda;
  - de tekst van de in § 2 bedoelde voorlezing;
  - de lijst van de provincieraadsleden die bij het openen van de vergadering aanwezig zijn, alsmede de lijst van alle naamafroepingen die eventueel tijdens de zitting worden verricht;
  - de tekst van de aangenomen besluiten;
  - de tijdens de zitting ingediende voorstellen;
  - het resultaat van de stemmingen en, in geval van naamafroeping of geheime stemming, respectievelijk de lijst van hoofdelijke stemming of de lijst van de stemmers;
  - de vermelding van de tussenkomsten op naam;
  - de tekst van de tussenkomsten die door de raadsleden worden medegedeeld aan de voorzitter.
  De raad kan de andere punten die in de notulen van de zitting moeten worden opgenomen, in zijn huishoudelijk reglement beperkend bepalen.

  Art. 16. Ieder lid mag in de notulen doen vermelden dat hij tegen het aangenomen besluit gestemd heeft; hij kan echter niet eisen dat de redenen van zijn stemming erin opgenomen worden.

  Art. 17. Uiterlijk zeven vrije dagen na de vergadering van de provincieraad wordt een beknopt verslag van de beraadslagingen en besluiten, met inbegrip van de uitslag van de stemmingen, opgesteld en aan de raadsleden toegezonden.
  Bij naamstemmingen wordt de stemhouding van de onderscheiden raadsleden vermeld.
  Het huishoudelijk reglement bepaalt de nadere regels voor het opstellen van dat verslag.

  Art. 18. § 1. De oproeping geschiedt schriftelijk en aan huis ten minste zeven vrije dagen vóór de dag van de vergadering; zij vermeldt de agenda en de voorstellen van beslissing.
  Deze termijn wordt evenwel tot drie vrije dagen teruggebracht voor de toepassing van artikel 8, derde lid.
  In spoedeisende gevallen kan de in het eerste lid bedoelde termijn van oproeping worden ingekort zonder evenwel korter te zijn dan een vrije dag vóór de dag van de vergadering.
  De agendapunten moeten voldoende duidelijk omschreven zijn.
  § 2. Voor elk agendapunt worden alle stukken die erop betrekking hebben, op de griffie van de provincie ter inzage gelegd van de leden van de provincieraad, vanaf het verzenden van de agenda.
  Het huishoudelijk reglement kan voorschrijven dat de griffier of de door hem aangewezen ambtenaren aan de raadsleden die erom verzoeken, technische inlichtingen verstrekken over de in het dossier voorkomende stukken; in dat geval worden in het huishoudelijk reglement tevens de regels bepaald voor het verstrekken van die technische inlichtingen.
  § 3. Een punt dat niet op de agenda voorkomt, mag niet in bespreking worden gebracht, behalve in spoedeisende gevallen wanneer het geringste uitstel ernstige schade zou kunnen berokkenen.
  Tot spoedbehandeling kan niet worden besloten dan door ten minste twee derde van de aanwezige leden; de naam van die leden wordt in de notulen vermeld.
  § 4. Elk voorstel dat niet op de agenda voorkomt, moet uiterlijk vijf vrije dagen vóór de vergadering overhandigd worden aan de voorzitter van de raad; het moet vergezeld zijn van een verklarende nota of van elk document dat de raad kan voorlichten. De voorzitter deelt de aanvullende agendapunten onverwijld mee aan de leden van de raad.
  Van de mogelijkheid vermeld in het vorige lid kan geen gebruik worden gemaakt door een lid van het provinciecollege. Het provinciecollege beschikt echter wel over deze mogelijkheid.

  Art. 19. Plaats, dag, tijdstip en agenda van de vergadering van de provincieraad worden, enerzijds, ter kennis gebracht van het publiek door aanplakking op de plaats waar de provincieraad zitting houdt, en ter informatie in de gemeentehuizen en, anderzijds, via de website van de provincie binnen dezelfde termijnen als die vermeld in artikel 18 met betrekking tot de bijeenroeping van de provincieraad.
  De pers en de belangstellende inwoners van de provincie worden op hun verzoek en uiterlijk binnen drie dagen na de toezending aan de provincieraadsleden, op de hoogte gesteld van de agenda van de provincieraad, eventueel tegen betaling van een vergoeding die niet meer mag bedragen dan de kostprijs. Deze termijn is niet van toepassing op de punten die aan de agenda worden toegevoegd na het verzenden van de oproeping overeenkomstig artikel 18, § 4.
  Het huishoudelijk reglement kan nog andere wijzen van bekendmaking voorschrijven.

  Art. 20. Het toezicht op de orde in de raad wordt namens de vergadering uitgeoefend door de voorzitter die de nodige bevelen geeft om die te laten handhaven.
  Geen buitenstaander mag de zaal betreden waar de provincieraadsleden vergaderd zijn, met uitzondering van het personeel dat nodig is om de verschillende diensten van de raad te verlenen of mits bijzondere toestemming van de voorzitter.
  Zolang de vergadering duurt, moeten de personen, die in het publiek gemachtigd zijn, in stilte gezeten blijven.
  Wie de orde verstoort of die teken van goed- of afkeuring in het publiek geeft, wordt onmiddellijk verwijderd.
  De voorzitter kan bovendien proces-verbaal opmaken tegen de overtreder en hem verwijzen naar de politierechtbank, die hem kan veroordelen tot een geldboete van 0,02 tot 0,50 euro, onverminderd andere vervolgingen indien het feit daartoe grond oplevert.

  Art. 21. De leden van de provincieraad mogen het woord niet nemen dan na het aan de voorzitter te hebben gevraagd en van hem te hebben gekregen.
  De spreker mag slechts het woord richten tot de voorzitter of tot de raad.
  Niemand kan worden onderbroken behalve voor een verwijzing naar het reglement. Wijkt een spreker van het onderwerp af, dan mag alleen de voorzitter hem terugroepen tot het punt van bespreking.
  Is een spreker reeds tweemaal tijdens een zelfde redevoering tot het punt van bespreking teruggeroepen, en gaat hij voort er van af te wijken, dan ontneemt de voorzitter hem het woord over dit onderwerp voor de verdere duur van de vergadering Persoonlijke beledigingen, scheldwoorden, aantijgingen van kwade bedoelingen, zijn op straffe van terechtwijzing verboden.
  De voorzitter kan beslissen dat woorden tot vestiging van persoonlijke beledigingen, scheldwoorden of aantijgingen van kwade bedoelingen niet in de notulen worden opgenomen, noch in het beknopte verslag, noch in andere verslagen waarin het huishoudelijk reglement voorziet.
  § 2. Indien een raadslid de orde verstoort, roept de voorzitter hem tot de orde.
  In geval van recidive roept de voorzitter opnieuw tot de orde met opname in de notulen. Deze sanctie heeft het ontnemen van het woord of het verlies van het recht om het woord tot het te nemen einde van de bespreking, als gevolg.

  Art. 22. Voor de verkiezingen en de voordrachten van kandidaten wordt de voorzitter bijgestaan door de vier jongste provincieraadsleden, die de taak van stemopnemer vervullen.
  De voorzitter moet een naamafroeping en vervolgens, voor de leden die niet tegenwoordig waren, een tweede naamafroeping verrichten. Als deze laatste geëindigd is, vraagt de voorzitter aan de vergadering of er onder de tegenwoordige leden nog zijn die niet gestemd hebben; zij die zich onmiddellijk aanmelden, mogen stemmen. Als die verrichtingen geëindigd zijn, wordt de stemming gesloten verklaard.
  Vóór de stemopneming worden de stembiljetten geteld. Zijn er meer of minder dan er stemmers zijn, dan wordt dat in de notulen vermeld. Wanneer uit de stemopneming blijkt dat dit verschil de door een kandidaat behaalde meerderheid twijfelachtig maakt, doet de voorzitter herstemmen over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben verkregen.
  Bij de stemopneming neemt een van de stemopnemers achtereenvolgens ieder stembiljet, vouwt het open en overhandigt het aan de voorzitter, die het luidop afleest en het aan een andere stemopnemer doorgeeft. De uitslag van iedere stemming wordt onmiddellijk afgekondigd.
  De ongeldige stembiljetten komen niet in aanmerking voor het vaststellen van de meerderheid.
  Stembiljetten, waarop meer dan een naam voorkomt, zijn geldig, maar alleen de eerste naam komt in aanmerking.
  Als geen kandidaat de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft verkregen bij de eerste stemming, wordt herstemd over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben verkregen. Bij gelijk stemmental is de oudste kandidaat verkozen.
  Na de stemopneming worden de stembiljetten waarover geen betwisting is ontstaan, ten overstaan van de vergadering vernietigd.
  De verkiezing en de voordrachten van kandidaten kunnen ook geschieden door middel van een door de Regering goedgekeurd elektronisch systeem, dat de geheime stemming waarborgt.

  Art. 23. De provincieraadsleden ontvangen geen wedde. Met uitzondering van de leden van het provinciecollege, ontvangen de provincieraadsleden presentiegelden als zij deelnemen aan de vergaderingen van de provincieraad en aan de vergaderingen van de commissies.
  Het bedrag van het presentiegeld is gekoppeld aan het indexcijfer overeenkomstig de regels bepaald in de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Het wordt bepaald op 125 euro en wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01 van 1 januari 1990.
  De provincieraadsleden die hun woonplaats hebben op ten minste vijf kilometer van de plaats van de vergadering, ontvangen bovendien een vergoeding wegens reiskosten gelijk aan de prijs van de reis van hun woonplaats naar de zetel van de provincieraad op de lijnen van de openbare vervoerdiensten. Als zij van hun eigen rijtuig gebruik maken, wordt die vergoeding berekend volgens de regeling die van toepassing is voor de personeelsleden van het Waalse Gewest.
  Het presentiegeld en de vergoeding voor reiskosten worden bepaald volgens de dagen aanwezigheid zoals deze is vastgesteld in de te dien einde gehouden registers.
  De provincieraad kan evenwel beslissen het presentiegeld aan een provincieraadslid te ontnemen als hij niet aanwezig was op minstens de helft van de betrokken zitting.
  Aan ieder raadslid mag per dag slechts één presentiegeld en één vergoeding voor reiskosten worden toegekend.
  Het bedrag van de vergoeding voor reiskosten wordt door de provincieraad vastgesteld. Dit bedrag, alsook het bedrag van het presentiegeld, zijn ten laste van de provincie.

  Art. 24. De leden van de provincieraad vertegenwoordigen de provincie en niet enkel het district dat hen heeft gekozen.

  Art. 25. Het is elk raadslid verboden :
  1° tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging of besluit over zaken waarbij hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als gelastigde, voor of na zijn verkiezing, of waarbij zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of wettelijk samenwonende een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben;
  2° rechtstreeks of onrechtstreeks deel te nemen aan enige dienst, heffing van rechten, levering of aanbesteding ten behoeve van de provincie;
  3° als advocaat, notaris of zaakwaarnemer werkzaam te zijn in rechtsgedingen die tegen de provincie zijn ingesteld; het is hem verboden in dezelfde hoedanigheid ten behoeve van de provincie te pleiten, raad te geven of op te treden in enige betwiste zaak;
  4° op te treden als raadsman van een personeelslid in tuchtzaken of in geval van schorsing bij ordemaatregel;
  5° op te treden als afgevaardigde of deskundige van een vakbond in een onderhandelings- of overlegcomité van de provincie.
  De bovenstaande bepalingen zijn mede van toepassing op de griffier, de ontvanger en de leden van het provinciecollege, alsook op de vertrouwenspersoon bedoeld in artikel 26.

  Art. 26. Het raadslid dat wegens een handicap niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, kan zich voor de uitoefening van dat mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon gekozen uit de provincieraadskiezers die aan de verkiesbaarheidsvereisten voor het mandaat van provincieraadslid voldoen, en die geen lid is van het personeel van de provincie, noch van de vennootschappen of verenigingen waarvan de provincie lid is of waarin zij vertegenwoordigd is.
  Voor de toepassing van het eerste lid bepaalt de Regering de criteria tot vaststelling van de hoedanigheid van een raadslid met een handicap.
  Bij het verlenen van de bijstand krijgt de vertrouwenspersoon dezelfde middelen ter beschikking en heeft hij dezelfde verplichtingen als het raadslid. Hij heeft geen recht op presentiegeld, doch wel op een vergoeding voor reiskosten, zoals bepaald in artikel 23.

  Art. 27. Het provincieraadslid dat verhinderd is wegens de vervulling van zijn actieve militaire diensttijd of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde, wordt, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan de voorzitter van de provincieraad, gedurende die periode vervangen.
  Het provincieraadslid dat ouderschapsverlof wenst te nemen wegens de geboorte of de adoptie van een kind, wordt, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan de voorzitter van de provincieraad, vervangen, ten vroegste vanaf de zevende week vóór de vermoedelijke datum van de geboorte of van de adoptie, tot het einde van de achtste week na de dag van de geboorte of de adoptie.
  Op zijn schriftelijk verzoek wordt de onderbreking van de uitoefening van het mandaat na de achtste week verlengd met een periode gelijk aan die gedurende welke het lid zijn mandaat verder heeft uitgeoefend tijdens de periode van zeven weken die de dag van de geboorte of de adoptie voorafgaan.
  Het provincieraadslid dat verhinderd is wegens de vervulling van zijn actieve militaire diensttijd of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde, of wegens ouderschapsverlof en om zijn vervanging verzoekt, wordt vervangen door de opvolger van zijn lijst die als eerste gerangschikt is overeenkomstig artikel 21, § 2, van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen, na onderzoek van diens geloofsbrieven door de provincieraad.
  Het eerste en het tweede lid zijn echter slechts toepasselijk vanaf de eerste vergadering van de provincieraad na die waarop het raadslid dat verhinderd is, geïnstalleerd is.

  HOOFDSTUK II. - Recht op informatie.

  Art. 28. Iedereen mag schriftelijk uitleg vragen over de beraadslagingen en besluiten van de provincieraad of van het provinciecollege.
  De raad mag beslissen of op deze vraag mondeling zal worden geantwoord bij een volgende openbare vergadering.

  Art. 29. § 1. De inwoners van de provincie mogen het college bij een openbare vergadering van de raad rechtstreeks interpelleren.
  § 2. In de zin van dit artikel zijn inwoners elke persoon die de volle leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en die op het grondgebied van de provincie woonachtig is of verblijft alsmede elke rechtspersoon waarvan de bedrijfszetel op het grondgebied van de provincie is gelegen en die vertegenwoordigd is door een natuurlijke persoon die de volle leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en die op het grondgebied van de provincie woonachtig is of verblijft.
  § 3. De volledige tekst van de voorgestelde interpellatie moet schriftelijk bij de voorzitter van de raad ingediend worden.
  Om ontvankelijk te zijn moet de ingediende interpellatie de volgende voorwaarden vervullen :
  1° slechts door één enkele persoon worden ingediend;
  2° in de vorm van een vraag geformuleerd worden en niet leiden tot een mondelinge tussenkomst van meer dan 10 minuten;
  3° uitsluitend betrekking hebben op aangelegenheden van provinciaal belang in de zin van artikel 32; de vragen waarvoor een ander bestuursniveau bevoegd is, worden, in voorkomend geval, door de voorzitter van de raad aan de vergadering of aan de betrokken executieve overgemaakt opdat er volgens de ad hoc procedures daarop zou worden geantwoord;
  4° een algemene draagwijdte hebben; de vragen betreffende gevallen van particulier belang worden, in voorkomend geval, behandeld in het kader van artikel 28 of worden verzonden naar één van de commissies van de raad;
  5° niet strijdig zijn met de vrijheden en fundamentele rechten;
  6° niet betrekking hebben op een persoonlijke vraag;
  7° niet uitsluitend strekken tot het verkrijgen van statistische gegevens;
  8° geen vragen zijn die strekken tot het verkrijgen van documentatie;
  9° geen vragen zijn waarmee alleen beoogd is adviezen op juridisch gebied in te winnen.
  Het bureau beslist over de ontvankelijkheid van de interpellatie. De beslissing tot niet-ontvankelijkheid is bijzonder met redenen omkleed.
  § 4. De interpellant stelt zijn vraag in de openbare vergadering op verzoek van de voorzitter van de raad met inachtneming van de regels m.b.t. het nemen van het woord binnen de vergadering en binnen de in § 3 toegestane tijd.
  Er wordt door het college geantwoord overeenkomstig de beslissing tot organisatie van de werken die bepaald is door het bureau.
  De interpellant beschikt over 2 minuten om te repliceren voor de definitieve afsluiting van het agendapunt.
  § 5. De interpellaties, vragen en antwoorden bedoeld in dit artikel worden bekendgemaakt in het provinciaal bulletin en worden on-line geplaatst op de website van de provincie.

  Art. 30. § 1. De provincieraad kan één of meer overlegorganen oprichten die hem niet-verbindende adviezen uitbrengen en waarvan hij de samenstelling, de opdrachten en de werkingsregels regelt.
  De overlegorganen worden minstens één keer om de drie jaar volledig vernieuwd.
  § 2. Telkens als binnen een overlegorgaan één of meer mandaten van gewoon of plaatsvervangend lid ten gevolge van een voorstellingsprocedure moeten worden toegekend, draagt elke instantie belast met het voordragen van de kandidaturen voor elk mandaat de kandidatuur voor van minstens een man en een vrouw.
  Wanneer de in het eerste lid bedoelde verplichting niet vervuld is, verzendt de voor de benoemingen bevoegde overheid de kandidaturen naar de instantie belast met het voordragen van de kandidaturen. Zolang de opgelegde verplichting niet vervuld is, blijft het toe te kennen mandaat vacant.
  Wanneer het onmogelijk is de in het eerste lid bedoelde verplichting te vervullen, kan ervan worden afgeweken mits een bijzondere motivatie opgenomen in het voorstellingsdocument en bedoeld in de benoemingsakte.
  § 3. Maximum twee derde van de leden van een overlegorgaan zijn van hetzelfde geslacht.
  Wanneer de in het eerste lid bedoelde verplichting niet vervuld is, zijn de adviezen van het overlegorgaan niet geldig behalve als de provinciale gedeputeerde(n) onder wie het betrokken orgaan of de overheid(heden) belast met de benoemingen ressorteren, de onmogelijkheid om de in het eerste lid bedoelde verplichting te vervullen mededelen aan het provinciecollege en motiveren.
  De motivatie wordt door het provinciecollege als aangepast beschouwd tenzij dit laatste anders heeft bepaald binnen twee maanden na de in het tweede lid bedoelde mededeling.
  In het geval van een op te richten overlegorgaan wordt de in het tweede lid bedoelde mededeling verricht vóór de benoeming van de leden van het betrokken orgaan.
  De provincieraad bepaalt de procedure betreffende de in het tweede lid bedoelde mededeling.
  Wanneer een overlegorgaan de in het tweede en het derde lid bedoelde procedure heeft gebruikt, wordt er gewag van gemaakt in de adviezen van dit overlegorgaan.
  § 4. Binnen het jaar waarin de provincieraad wordt hernieuwd, legt het bureau een evaluatierapport m.b.t. de werking of de activiteiten van het(de) overlegorgaan(overlegorganen) aan de provincieraad voor.
  § 5. De provincieraad stelt te hunner beschikking de voor de vervulling van hun opdracht nodige middelen.

  Art. 31. Voor wat betreft de aangelegenheden van provinciaal belang zoals bedoeld in artikel 32, § 1, of de door het Gewest opgedragen aangelegenheden en die behoren tot de bevoegdheden van de gewesten, kan de provincieraad participatieve raden oprichten en dit per subgebied naar gelang van een door hem bepaalde onderverdeling die al het provinciegebied dekt.
  De participatieve raden zijn belast met het samenvatten van de door de bevolking uitgedrukte prioritaire behoeften in de ene of de andere aangelegenheid waarvoor de provincie bevoegd is, zodat ze kunnen worden opgenomen in de grote jaarlijkse begrotingsopties.
  De participatieve raden worden geraadpleegd vóór het debat en de stemming van de begroting door de provincieraad.
  De provincieraad bepaalt de opdrachten en de regels m.b.t. de oproeping, de organisatie en de werking van de participatieve raden die hij opricht. In ieder geval staat elke participatieve raad open voor het geheel van de personen die in zijn ambtsgebied woonachtig zijn en die minstens 16 jaar oud zijn.

  HOOFDSTUK III. - Het provinciaal belang, de bevoegdheden van de provincieraad en de rechten van de provincieraadsleden.

  Art. 32. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van Titel XIV van dit decreet, van artikel 2 van het decreet van 12 februari 2004 tot organisatie van de Waalse provincies in de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet alsmede van de andere bijzondere wettelijke of decretale bepalingen, regelt de provincieraad alles wat van provinciaal belang is met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel.
  § 2. De raad oefent zijn bevoegdheden uit op complementaire en niet-concurrerende wijze met het Gewest en de gemeenten.
  § 3. Niettegenstaande § 1 beraadslaagt en besluit hij over elk ander onderwerp dat hem door de federale, gemeenschappelijke of gewestelijke overheid wordt voorgelegd.
  § 4. Hij benoemt, schorst en ontslaat alle personeelsleden van het provinciaal bestuur.
  Hij kan de benoeming, de schorsing en het ontslag van de personeelsleden tot en met de graad van directeur aan het provinciecollege opdragen.
  § 5. De provincieraad bepaalt de personeelsformatie voor de personeelsleden van het provinciale bestuur en bepaalt hun administratieve en geldelijke statuten.

  Art. 33. § 1. Geen akte, geen stuk betreffende het bestuur van de provincie mag aan het onderzoek van de leden van de raad worden onttrokken, ook niet indien die akte of dat stuk betrekking heeft op een aan de gouverneur of het provinciecollege toegewezen opdracht.
  Een register van inkomende en uitgaande stukken wordt bijgehouden in de diensten en instellingen van de provincie.
  Aan de provincieraadsleden wordt een afschrift van de akten en stukken bedoeld in het eerste lid afgegeven wanneer zij daarom verzoeken bij de griffier van de provincie.
  De provincieraadsleden ontvangen op hun verzoek een afschrift van de agenda's en van de notulen van de vergaderingen van het provinciecollege binnen vijftien dagen na die vergaderingen.
  Het huishoudelijk reglement van de raad voorziet in de modaliteiten voor de uitoefening van het inzagerecht en in de voorwaarden waaronder een afschrift van de akten en stukken kan worden verkregen.
  Voor het verkrijgen van een afschrift van de akten of stukken kan een vergoeding aangerekend worden die overeenstemt met de kostprijs, zonder dat de personeelskosten op enigerlei wijze in rekening mogen worden gebracht.
  § 2. De provincieraadsleden kunnen inzage nemen van de begroting, de rekeningen en de beraadslagingen van de bestuursorganen van de intercommunales, V.Z.W. en verenigingen die een beheersplan of -contract zoals bedoeld in Titel V met de provincie hebben. De modaliteiten ervan worden bepaald in het beheersplan of -contract.

  Art. 34. § 1. De provincieraadsleden mogen alle inrichtingen en diensten bezoeken die de provincie opricht en beheert.
  Het huishoudelijk reglement van de raad bepaalt op welke wijze en op welk tijdstip het inzage- en bezoekrecht kunnen worden uitgeoefend.
  § 2. De provincieraadsleden kunnen de intercommunales, V.Z.W.'s en verenigingen die een beheersplan of -contract zoals bedoeld in Titel V met de provincie hebben, bezoeken.
  De modaliteiten van deze bezoeken worden bepaald in het beheersplan of -contract.

  Art. 35. § 1. De provincieraadsleden hebben het recht vragen te stellen aan het provinciecollege over de aangelegenheden die het bestuur van de provincie betreffen.
  Behoudens uitzonderingen die de wet of het decreet bepaalt en zonder op enige wijze afbreuk te doen aan de aan het provinciecollege toegekende bevoegdheden, hebben de provincieraadsleden het recht om door het provinciecollege geïnformeerd te worden over de wijze waarop dit laatste zijn bevoegdheden uitoefent.
  § 2. Om de provincieraadsleden de kans te bieden mondelinge vragen over actuele onderwerpen te stellen, wordt aan het begin van elke vergadering een uur daaraan besteed.
  Voorts hebben de provincieraadsleden ook het recht schriftelijke vragen te stellen waarop geantwoord moet worden binnen een termijn van twintig werkdagen.
  De in deze paragraaf bedoelde vragen en antwoorden moeten verschijnen in het provinciaal Bulletin en on-line geplaatst worden op de website van de provincie uiterlijk binnen drie maanden na de zending van het antwoord aan de vraagsteller.
  Het huishoudelijk reglement bepaalt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel.
  Het vraagrecht kan geen betrekking hebben op dossiers van administratief toezicht ten aanzien van gemeenten en inrichtingen van de temporaliën van de erediensten.

  Art. 36. Binnen drie maanden na zijn verkiezing legt het provinciecollege aan de provincieraad een algemeen beleidsprogramma voor de duur van zijn mandaat voor, dat minstens de belangrijkste beleidsplannen alsmede een begrotingsonderdeel met de grote lijnen terzake bevat.
  Dit beleidsprogramma bevat ook de lijnen voorgesteld door het provinciecollege voor de sluiting van het partnerschap bedoeld in het decreet van 21 maart 2002 tot inrichting van het partnerschap en de algemene financiering van de Waalse provincies.
  Dit beleidsprogramma wordt na goedkeuring door de provincieraad opgenomen in het provinciaal Bulletin en on-line geplaatst op de website van de provincie.

  Art. 37. § 1. De Regering bepaalt de begrotings-, de financiële en de boekhoudkundige voorschriften van de provincies volgens de principes van de dubbele boekhouding, alsook de nadere regels voor de uitoefening van de taken van de provincieontvanger en van de rekenplichtigen en ontvangers bedoeld in artikel 83.
  Behoudens andersluidende uitdrukkelijke bepalingen bedoeld in dit decreet beschikt de provincieontvanger over een termijn van vier dagen na ontvangst van het document of dossier dat een advies of een visum behoeft, wanneer hij een advies moet uitbrengen of overgaan tot het visum van een vastlegging.
  Bij gebrek aan verzending door de provincieontvanger van het aangevraagde advies of visum, wordt het geacht gunstig te zijn na het verstrijken van de termijn van vier dagen.
  Elk negatief advies of elke weigering van het visum moet met redenen omkleed zijn en medegedeeld aan de overheid die erom verzoekt vóór het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn van vier dagen.
  § 2. Ieder jaar legt het provinciecollege, tijdens een vergadering die wordt gehouden in de maand oktober, aan de provincieraad het ontwerp voor van begroting voor het volgende dienstjaar, de rekeningen over het vorige dienstjaar alsook een algemene beleidsnota na raadpleging van de adviserende en/of participatieve raden.
  De beleidsnota bevat minstens de beleidsprioriteiten en -doelstellingen, de begrotingsmiddelen en de termijn waarbinnen deze prioriteiten en doelstellingen gerealiseerd moeten worden.
  De lijst van de gemeentebedrijven, intercommunales, V.Z.W.'s en verenigingen waaraan de provincie deelneemt en in het beheer waarvan zij vertegenwoordigd is of die ze subsidieert voor een hulp gelijk aan minimum 50.000 euro per jaar, alsmede de evaluatierapporten van de in Titel V bedoelde beheersplannen en -contracten betreffende het vorige dienstjaar worden gevoegd bij het begrotingsproject.
  De lopende inventaris van de rechterlijke geschillen wordt gevoegd bij het begrotingsproject.
  De in het eerste lid bedoelde documenten worden bezorgd aan alle provincieraadsleden minstens 7 volle dagen vóór de vergadering gedurende welke ze zullen worden onderzocht.
  De in het eerste lid bedoelde beleidsnota wordt bekendgemaakt in het provinciaal Bulletin en on-line geplaatst op de website van de provincie.

  Art. 38. Naar aanleiding van de bespreking van de begrotingen en de rekeningen, bespreekt de provincieraad op grondige wijze de in artikel 37 bedoelde nota. Hij bespreekt eveneens het beleid van de gemeentebedrijven, intercommunales, V.Z.W.'s en verenigingen die een beheersplan of -contract zoals bedoeld in Titel V hebben, alsmede de evaluatierapporten van de uitvoering van de plannen of contracten van het vorige dienstjaar.
  Naar aanleiding daarvan kan de raad één of meer leden van de beheersorganen van de in het vorige lid bedoelde gemeentebedrijven, intercommunales, V.Z.W.'s en verenigingen horen.

  Art. 39. Ieder jaar stelt de provincieraad de rekeningen van de provincie over het vorige dienstjaar vast. De jaarrekeningen omvatten de begrotingsrekening, de resultatenrekening en de balans.
  Bovendien stemt hij ieder jaar de begroting van de uitgaven voor het volgende dienstjaar en de middelen om daarin te voorzien en dit ten laatste op 31 oktober.
  Alle ontvangsten en uitgaven van de provincie moeten op de begroting en in de rekeningen gebracht worden.

  Art. 40. Overschrijving van een uitgave van de ene afdeling naar de andere of van het ene artikel van de begroting naar het ander mag alleen geschieden met machtiging van de provincieraad.

  Art. 41. De rekeningen, kort samengevat volgens de aard van ontvangsten en uitgaven, worden binnen de maand volgend op die tijdens welke zij werden afgesloten, in het provinciaal Bulletin opgenomen en in het archief van het bestuur van het Waalse Gewest neergelegd. Hetzelfde moet geschieden met de begrotingen binnen een maand na hun goedkeuring.
  De rekeningen liggen op de griffie van de provincie voor eenieder ter inzage gedurende een maand te rekenen van de dag waarop zij zijn vastgesteld.
  Die neerlegging wordt ter algemene kennis gebracht door middel van het provinciaal Bulletin en van minstens een blad uit de provincie alsmede via een informatie verkrijgbaar op de website van de provincie.

  Art. 42. De provincieraad is verplicht elk jaar op de begroting van uitgaven te brengen alle uitgaven die door de wetten en decreten aan de provincie zijn opgelegd en inzonderheid de volgende :
  1° De wedden van de griffier en van de leden van het provinciecollege alsook hun reiskostenvergoedingen;
  2° De uitgaven betreffende de kathedrale kerken, de bisschopshuizen en de bisschoppelijke seminaries overeenkomstig de decreten van 18 germinal jaar X en 30 december 1809, alsmede die betreffende de islamitische en orthodoxe erediensten zoals bedoeld in artikel 19bis van de wet van 4 maart 1870;
  3° de huur, de belastingen, het onderhoud van de gebouwen van de provincie of in gebruik bij de provincie;
  4° De vaststaande en opeisbare schulden van de provincie, alsmede de schulden die zij moet voldoen ten gevolge van tegen haar uitgesproken rechterlijke veroordelingen;
  5° De drukkosten van de begroting en van de samengevatte rekeningen van ontvangsten en uitgaven der provincie;
  6° De kosten van de raadsvergaderingen en de aan de raadsleden toegekende presentiegelden en vergoedingen voor reiskosten, alsmede de vergoeding toegekend aan de vertrouwenspersonen bedoeld in artikel 26;
  7° De hulpgelden, aan de gemeenten te verlenen voor de grove herstellingen aan de gemeentegebouwen;
  8° De gelden bestemd om toevallige of onvoorziene uitgaven van de provincie te bestrijden;
  9° de delen van de huur en van het onderhoud van de gebouwen waarin de diensten van de gouverneur zijn gelegen alsmede van het onderhoud en van de hernieuwing van het meubilair en van de werkingskosten die betrekking hebben op de uitoefening van de bevoegdheden van provinciaal belang.

  Art. 43. Ten laste van het Gewest komen inzonderheid :
  1° De wedde en de reiskosten van de gouverneur. De kosten van de reizen die de gouverneur maakt in opdracht van de provincie zijn evenwel ten laste van de provincie;
  2° De wedden en de kantoorkosten van de gewestelijke personeelsleden die werken voor de diensten van de gouverneur;
  3° de delen van de huur en van het onderhoud van de gebouwen waarin de diensten van de gouverneur zijn gelegen alsmede van het onderhoud en van de hernieuwing van het meubilair en van de werkingskosten die betrekking hebben op de uitoefening van de bevoegdheden van provinciaal belang;
  4° De wedden van de arrondissementscommissarissen;

  Art. 44. De provincieraad bepaalt het bedrag der wedden van de personeelsleden van de provincie.

  Art. 45. De raad beslist over het oprichten en het verbeteren van inrichtingen van provinciaal belang.

  Art. 46. De raad verleent machtiging tot het aangaan van leningen, tot het verkrijgen, vervreemden en ruilen van goederen van de provincie en tot het treffen van dadingen aangaande die goederen.
  Hij kan het provinciecollege belasten met de voorwaarden tot het aangaan van leningen.

  Art. 47. De raad verleent machtiging tot het voeren van rechtsgedingen als eiser of als verweerder betreffende de goederen van de provincie, onverminderd de bepalingen van artikel 63.

  Art. 48. De provincieraad kiest de wijze waarop de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen of diensten worden geplaatst en stelt de voorwaarden vast.
  Voor de opdrachten die betrekking hebben op het dagelijks bestuur van de provincie, kan hij die bevoegdheden overdragen aan het provinciecollege, binnen de perken van de daartoe op de gewone begroting uitgetrokken kredieten en, indien het bedrag van de opdracht in de buitengewone begroting niet hoger is het bedrag bepaald in artikel 120, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, op de buitengewone begroting uitgetrokken kredieten.
  In gevallen van dringende spoed die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden, kan het provinciecollege, op eigen initiatief, de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de raad uitoefenen.
  Zijn besluit wordt medegedeeld aan de provincieraad, die er tijdens zijn volgende zitting akte van neemt.
  Het provinciecollege stelt de procedure in en gunt de opdracht. Het kan in de overeenkomst iedere wijziging aanbrengen die het bij de uitvoering nodig acht, voor zover hieruit geen bijkomende uitgaven van meer dan 10 % voortvloeien.

  Art. 49. Over de uitvoering van werken van onderhoud of van herstelling waarbij verscheidene provincies betrokken zijn, beslist de Regering.

  Art. 50. De raad kan aan een of meer van zijn leden opdracht geven om ter plaatse de inlichtingen in te winnen die hij binnen de kring van zijn bevoegdheid nodig heeft.
  Hij kan zich met de gestelde overheden en met de openbare ambtenaren in verbinding stellen om die inlichtingen te verkrijgen.
  Indien ondergeschikte bestuursoverheden, niettegenstaande twee achtereenvolgende, uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen, verzuimen de gevraagde inlichtingen te verstrekken, kan de raad aan een of meer van zijn leden opdracht geven om op de persoonlijke kosten van die overheden de inlichtingen ter plaatse in te winnen.

  Art. 51. In de in artikel 32 bedoelde aangelegenheden kan de raad provinciale reglementen van inwendig bestuur maken.
  Die reglementen mogen geen betrekking hebben op onderwerpen die reeds zijn geregeld door wetten, decreten of door verordeningen van algemeen bestuur.
  Zij zijn van rechtswege opgeheven, indien in het vervolg dezelfde onderwerpen door wetten, decreten of door verordeningen van algemeen bestuur worden geregeld.
  Ze worden bekendgemaakt in de vorm bepaald bij de artikelen 100 en 101.

  TITEL III. - Het provinciecollege.

  HOOFDSTUK I. - De provinciaal gedeputeerden.

  Art. 52. § 1. Het provinciecollege bestaat uit zes leden die door de provincieraad uit zijn midden worden verkozen en die provinciaal gedeputeerden worden genoemd, alsmede uit de provinciegouverneur die de vergaderingen ervan als Regeringscommissaris bijwoont.
  Het provinciecollege bestaat uit personen van beide geslachten.
  Ten minste één van de provinciaal gedeputeerden wordt in ieder gerechtelijk arrondissement door de raad gekozen onder de raadsleden die in het gebied gekozen zijn of aldaar hun woonplaats hebben. Voor de toepassing van deze bepaling worden de gerechtelijke arrondissementen van Verviers en Eupen beschouwd als één enkel arrondissement.
  § 2. Naar aanleiding van de hernieuwing van de provincieraad kunnen de verkozenen in de raad kandidaten voordragen met het oog op de verkiezing van de provinciaal gedeputeerden. Hiervoor moet per mandaat een gedagtekende akte van voordracht worden neergelegd in handen van de voorzitter van de provincieraad, uiterlijk drie dagen vóór de installatievergadering van de raad.
  Om ontvankelijk te zijn, moeten de akten van voordracht ten minste ondertekend zijn door een meerderheid van hen die op dezelfde lijst zijn verkozen als de voorgedragen kandidaat. Ingeval de lijst waarop de kandidaat voorkomt slechts twee verkozenen telt, volstaat, voor de naleving van wat voorafgaat, de handtekening van één onder hen. Behoudens in geval van overlijden of afstand van het mandaat van provincieraadslid door een voorgedragen kandidaat, kan niemand meer dan één akte van voordracht ondertekenen voor hetzelfde mandaat.
  Wanneer geen enkele voordracht van kandidaten geschied is overeenkomstig het hierboven vermelde lid of wanneer de schriftelijk voorgedragen kandidaturen niet volstaan om het provinciecollege volledig samen te stellen, kunnen ter zitting kandidaten mondeling worden voorgedragen, met uitsluiting van de schriftelijk voorgedragen kandidaten die niet verkozen zijn.
  De verkiezing geschiedt bij geheime stemming en bij volstrekte meerderheid, door zoveel afzonderlijke stemmingen als er provinciale gedeputeerden verkozen moeten worden. De rang van de leden van het provinciecollege wordt bepaald door de volgorde van de stemmingen.
  Wanneer voor een te begeven mandaat slechts één kandidaat is voorgedragen, geschiedt de stemming in één ronde; in elk ander geval en indien na twee stemmingen geen kandidaat de meerderheid heeft verkregen, geschiedt de herstemming over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald; staken de stemmen bij de herstemming, dan is het lid dat de meeste anciënniteit heeft als lid van het provinciecollege verkozen.
  § 3. De provinciaal gedeputeerden leggen de eed af in handen van de voorzitter van de provincieraad, staande de vergadering.
  § 4. De ontslagnemende provinciaal gedeputeerden en de provinciaal gedeputeerden die aftreden bij een algehele hernieuwing en het college dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een motie zoals bedoeld in artikel 60 handelen de lopende zaken van de provincie af totdat de geloofsbrieven van hun opvolgers zijn onderzocht en hun installatie heeft plaatsgehad.

  Art. 53. De voorzitter, de ondervoorzitter(s) en de leden van het bureau van de provincieraad alsmede de voorzitters van de overeenkomstig artikel 10 opgerichte commissies kunnen geen lid zijn van het provinciecollege.

  Art. 54. Het ambt van provinciaal gedeputeerde kan niet worden gecumuleerd met één bezoldigd uitvoerend mandaat.
  Als bezoldigd uitvoerende mandaten in de zin van vorig lid worden beschouwd :
  1° elk mandaat in een openbare of particuliere instelling, uitgeoefend als vertegenwoordiger van het Rijk, van een gemeenschap, van een gewest, van een provincie of van een gemeente, voor zover dat mandaat meer bevoegdheid verleent dan het loutere lidmaatschap van de algemene vergadering of van de raad van bestuur van die instelling en ongeacht het daaraan verbonden inkomen;
  2° elk mandaat in een openbare of particuliere instelling, uitgeoefend als vertegenwoordiger van het Rijk, van een gemeenschap, van ene gewest, van ene provincie of van een gemeente, voor zover dat mandaat een maandelijks belastbaar bruto-inkomen oplevert van minstens 500 euro aan de spilindex 138,01 van 1 januari 1990. Dat bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.

  Art. 55. Advocaten die provinciaal gedeputeerde zijn, mogen niet als raadsman optreden in zaken die aan de uitspraak van het college onderworpen zijn of waarvoor zij machtiging heeft gegeven om in rechte op te treden.
  Zij mogen niet mede beraadslagen en besluiten over zaken waaromtrent zij geraadpleegd werden vóór hun verkiezing tot lid van het provinciecollege.

  Art. 56. De provinciaal gedeputeerde die door de regering benoemd wordt tot een bezoldigde bediening en deze aanneemt, houdt onmiddellijk op in die hoedanigheid zitting te hebben en kan eerst weer zijn ambt bekleden krachtens een nieuwe verkiezing.

  Art. 57. De provinciaal gedeputeerden zijn verantwoordelijk voor de provincieraad.
  Onverminderd artikel 60 worden ze gekozen voor een termijn van zes jaar.

  Art. 58. Elke provinciaal gedeputeerde die zonder toestemming van de deputatie een maand onafgebroken uit de vergadering afwezig blijft, wordt geacht ontslag te nemen.
  Dat ontslag gaat pas in na goedkeuring ervan door de provincieraad.

  Art. 59. In geval van vervanging heeft de nieuw gekozen provinciaal gedeputeerde zitting totdat de ambtstermijn van zijn voorganger is verstreken, tenzij het lid vroeger ophoudt deel uit te maken van de provincieraad.

  Art. 60. § 1. Het provinciecollege zoals elk van zijn leden is verantwoordelijk voor de provincieraad.
  De provincieraad kan elk ogenblik een motie van wantrouwen aannemen tegen het provinciecollege of tegen één of meer van zijn leden.
  Deze motie is ontvankelijk indien zij een opvolger aan het provinciecollege, aan één of meer van zijn leden volgens het geval voordraagt.
  Over de motie van wantrouwen kan slechts gestemd worden na verloop van minimum drie dagen na het indienen ervan bij de provincieraad. Zij wordt slechts aangenomen indien de meerderheid van de provincieraadsleden stemmen.
  De aanneming van de motie leidt tot het ontslag van het college of van het/de betwiste lid/leden en tot de installatie van het nieuwe college of van zijn nieuw(e) lid(leden).
  § 2. De provincieraad kan op elk ogenblik de vertrouwenskwestie in de vorm van een motie stellen.
  Over deze motie kan slechts gestemd worden na verloop van minimum drie dagen na het indienen ervan bij de provincieraad.
  Zij wordt slechts aangenomen indien de meerderheid van de provincieraadsleden stemmen.
  Indien het vertrouwen geweigerd wordt, is het provinciecollege van rechtswege ontslagnemend.
  § 3. Indien het provinciecollege of één of meer van zijn leden ontslagnemend zijn, wordt zo spoedig mogelijk in hun vervanging voorzien.
  Zolang het niet vervangen is, handelt het ontslagnemend provinciecollege de lopende zaken af.

  HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen betreffende het provinciecollege.

  Art. 61. Het provinciecollege wordt voorgezeten door één van de provinciaal gedeputeerden die bij zijn verkiezing door provincieraad is aangewezen.
  In geval van verhindering worden zijn functies door de provinciaal gedeputeerde waargenomen die de eerste is in de orde van de stemmingen, tenzij de voorzitter een andere provinciaal gedeputeerde gemachtigd heeft om hem te vervangen.
  De gouverneur woont de vergaderingen van het college als Regeringscommissaris bij zonder raadgevende stem en is niet stemgerechtigd.
  Het provinciecollege legt haar huishoudelijk reglement ter goedkeuring van de provincieraad voor.
  Met het oog op de voorbereiding van zijn beraadslagingen en besluiten verdeelt het provinciecollege onder zijn verkozen leden de aangelegenheden die tot zijn bevoegdheid behoren. Het stelt de raad in kennis van die verdeling.
  Het provinciecollege kan beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van de provinciale gedeputeerden aanwezig is. Indien voor enige zaak het vereiste aantal leden om te beraadslagen en te besluiten niet tegenwoordig is, kunnen de aanwezige leden zich een of twee provincieraadsleden toevoegen om dat aantal te bereiken.
  De raadsleden worden opgeroepen in de volgorde van de aanwezigheidstabel. Deze tabel wordt opgesteld op basis van de volgorde van dienstanciënniteit van de raadsleden te rekenen vanaf de dag van hun eerste indiensttreding en, in geval van gelijkheid, door het aantal behaalde stemmen bij de meeste recente verkiezingen. De onverenigbaarheden die van toepassing zijn op de provinciaal gedeputeerden, zijn eveneens van toepassing op de provincieraadsleden die opgeroepen worden om met toepassing van dit artikel aan het provinciecollege te worden toegevoegd. In geval van een dergelijke onverenigbaarheid kunnen zij, per brief gericht aan de voorzitter van dit college, verzaken, hetzij voor een bepaald punt, hetzij op meer algemene wijze om aan de bestendige deputatie te worden toegevoegd.
  Elk besluit wordt genomen bij volstrekte meerderheid van de aanwezige provinciaal gedeputeerden. Bij gelijkheid van stemmen is een voorstel verworpen.
  Het provinciecollege kan de verslaggever aanwijzen die het dossier inleidt en de voorstellen formuleert.
  Van de beraadslagingen en besluiten worden notulen opgemaakt. Zij vermelden de naam van de leden die de vergadering hebben bijgewoond.
  De beslissing is met redenen omkleed.
  Elke beslissing van het provinciecollege moet de naam van de verslaggever en van de aanwezige leden vermelden.
  De vormen in de vorige leden voorgeschreven moeten worden in acht genomen op straffe van nietigheid.

  Art. 62. § 1. De provinciaal gedeputeerden genieten een wedde waarvan het bedrag gelijk is aan dat van de parlementaire vergoeding voor het mandaat van senator.
  § 2. Zij ontvangen een forfaitaire vergoeding die alle kosten dekt verbonden aan de uitoefening van hun ambt.
  Het bedrag van die vergoeding is gelijk aan de forfaitaire vergoeding die voor de in het raam van het mandaat van senator gemaakte kosten wordt toegekend.
  De provinciaal gedeputeerden die buiten de provinciehoofdplaats verblijven, ontvangen evenwel een reiskostenvergoeding overeenkomstig de door de provincieraad vastgestelde regels.
  § 3. Het bedrag van de vergoedingen, wedden of presentiegelden, ontvangen als bezoldiging voor de door de provinciaal gedeputeerde naast zijn mandaat als provinciaal gedeputeerde uitgeoefende activiteiten, mag de helft van het bedrag van de in § 1 vastgestelde wedden niet overschrijden.
  Voor de berekening van het bedrag komen in aanmerking de vergoedingen, wedden of presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, openbare functie of openbaar ambt van politieke aard.
  Zo het in het eerste lid vastgesteld plafond wordt overschreden, wordt het bedrag van de in het tweede lid bedoelde vergoedingen, wedden of presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, openbare functie of openbaar ambt van politieke aard, verminderd tot het passend beloop.
  Nemen de in het eerste en tweede lid vermelde activiteiten een aanvang of een einde tijdens de duur van het mandaat, dan brengt de betrokken provinciaal gedeputeerde de voorzitter van de provincieraad daarvan op de hoogte.
  § 4. De provincieraad stelt het bedrag van de wedde en van de forfaitaire vergoeding, bedoeld in § 1 en § 2, eerste lid, vast.
  Bovendien stelt de raad het bedrag vast van de vergoeding waarin § 2, derde lid, voorziet.
  De raad regelt de wijze waarop de in § 3 omschreven regels worden toegepast.
  § 5. Elke provinciaal gedeputeerde kan worden bijgestaan door een secretariaat. De provincieraad regelt de samenstelling en de financiering van de secretariaten, alsook de wijze van aanwerving, het administratief statuut, de bezoldiging en de eventuele vergoedingen van de secretariaatsmedewerkers.

  Art. 63. Het provinciecollege geeft advies over alle zaken die hem te dien einde krachtens de wet of door de regering worden onderworpen.
  Het beslist over alle zaken die tot het dagelijks bestuur der provincie behoren, met inachtneming van artikel 32, en over de uitvoering van de wetten en decreten waarvoor zijn medewerking vereist is of die hem te dien einde door de regering worden toegezonden; het beslist eveneens over de zaken die de gouverneur haar verzoekt te behandelen.
  Het provinciecollege draagt zorg voor het voorafgaand onderzoek van de zaken van provinciaal belang die aan de raad of aan hemzelf worden onderworpen.
  Het voert zijn eigen en de door de raad genomen beslissingen uit; het kan een van zijn leden daarmee belasten. Het kan eveneens een of meer van zijn leden belasten met het onderzoek van een zaak.
  Het kan als verweerder in rechte optreden bij elke tegen de provincie ingestelde rechtsvordering; het kan rechtsvorderingen betreffende roerende goederen en bezitsvorderingen instellen, alsmede alle handelingen verrichten tot bewaring van recht; het benoemt de raadslieden van de provincie en de gemachtigden die haar voor de rechtbanken zullen vertegenwoordigen. De rechtsgedingen van de provincie als eiser of als verweerder waartoe door het provinciecollege is besloten, worden in zijn naam gevoerd door zijn voorzitter.
  Voor het onderzoek van de zaken kan het provinciecollege de medewerking vorderen van het provinciaal personeel.

  Art. 64. De provinciaal gedeputeerde waartegen een vordering tot schadevergoeding is ingesteld voor het burgerlijk gerecht of het strafgerecht, kan het Gewest of de provincie in het geding betrekken.
  Het Gewest of de provincie kan vrijwillig tussenkomen.

  Art. 65. Behalve in geval van herhaling, is de provincie burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van de geldboeten waartoe de leden van het provinciecollege veroordeeld zijn wegens een misdrijf dat ze begaan bij de normale uitoefening van hun ambt.
  De regresvordering van de provincie ten aanzien van de veroordeelde provinciaal gedeputeerde is beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of lichte schuld die bij dit lid gewoonlijk voorkomt.

  Art. 66. Het provinciecollege is verantwoordelijk voor de organisatie van het archief van het provinciebestuur.

  Art. 67. De provinciaal gedeputeerden mogen rechtstreeks noch onrechtstreeks deelnemen aan enige dienst, heffing van rechten, levering of aanbesteding van openbare werken voor rekening van de provincie, van de Staat, van de gemeenschappen en de gewesten of van een gemeente in de provincie.

  Art. 68. Het provinciecollege kan een of meer van zijn leden met een opdracht belasten, wanneer het belang van de dienst het vordert.

  Art. 69. Het provinciecollege wijst, zo dikwijls het het geraden acht en ten minste eens in het jaar, een of meer van zijn leden aan om de staat van ontvangsten en uitgaven der provincie na te zien.

  Art. 70. Over de gelden van de provincie kan alleen beschikt worden door middel van bevelschriften tot betaling verleend door het provinciecollege.
  De bevelschriften die tijdens een zitting van het provinciecollege verleend werden, worden ondertekend door diegene die deze zitting voorgezeten heeft en diegene die er het secretariaat van heeft waargenomen;
  In afwijking van de voorgaande bepalingen is het geoorloofd;
  - alle personeelsuitgaven, ongeacht het bedrag ervan, alsmede de werkingsuitgaven en de investeringsuitgaven van de buitengewone dienst die niet boven 50.000 euro uitgaan, te betalen uit kredieten geopend overeenkomstig artikel 15, eerste lid, 1°, van de wet van 29 oktober 1846 betreffende de organisatie van het Rekenhof;
  - alle van hand tot hand betaalbare bezoldigingen, ongeacht het bedrag ervan, alsmede de uitgaven voor werken, leveringen en vervoer van ten hoogste 2.500 euro, te betalen uit geldvoorschotten verleend overeenkomstig artikel 15, eerste lid, 2°, van dezelfde wet. Die voorschotten mogen niet meer dan 37.485 euro per rekenplichtige bedragen. Die grens mag evenwel worden overschreden tot beloop van het bedrag dat nodig is om de betaling van de bezoldigingen van hand tot hand te waarborgen.
  De verantwoordingsstukken betreffende de uitgaven, te betalen door middel van een kredietopening of een geldvoorschot, worden, vóór de betaling, voorzien van de goedkeuring van het provinciecollege of van de overheid of de ambtenaar daartoe door dit college gemachtigd.
  Geen bevelschrift kan worden uitbetaald dan binnen de grenzen van de kredieten die op de begroting van de provincie uitgetrokken zijn.

  Art. 71. De algemene ontvangsten en uitgaven van de provincies worden gedaan door bemiddeling van één of verschillende financiële instellingen die voldoen, naargelang van het geval, aan de voorschriften van de artikelen 7, 65 en 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen.
  De instellingen bedoeld bij het eerste lid zijn gemachtigd het bedrag van de opeisbaar geworden schulden, door de provincie tegenover hen aangegaan, ambtshalve in mindering te brengen van het tegoed op de rekeningen die zij op naam van de provincie geopend hebben.
  Wanneer andere provinciale uitgaven dan die welke ambtshalve worden verrekend, betaald worden door bemiddeling van een financiële instelling bedoeld in het eerste lid, geldt de kennisgeving van debitering, die voorkomt op de strook van de betalingsopdrachten door de provincie aan de evengenoemde instelling afgegeven, als kwitantie. Deze kennisgeving wordt door een financiële instelling bedoeld in het eerste lid gedagtekend door middel van een stempel.
  Vóór het einde van iedere maand zorgt de Regering voor het overmaken van de gelden die de ambtenaren van het gewestelijk bestuur gedurende de vorige maand hebben geïnd voor rekening van de provincie.
  De toelagen en andere bijdragen van de Staat, de Gemeenschap of het Gewest worden door de bevoegde besturen overgemaakt zodra zij toegekend zijn.
  Het reglement op de belegging van de provinciale gelden wordt vastgesteld door de Regering.

  TITEL IV. - De provincieontvanger.

  Art. 72. § 1. In elke provincie wordt een betrekking van provincieontvanger ingesteld.
  § 2. De provincieontvanger wordt benoemd door de provincieraad. Hij wordt benoemd na een vergelijkend examen dat door de provincie uitgeschreven wordt.
  De kandidaten moeten de in § 4 bepaalde voorwaarden vervullen.
  § 3. Alvorens zijn ambt te aanvaarden, legt de provincieontvanger de volgende eed af in de handen van de voorzitter van de provincieraad :
  " Ik zweer trouw aan de Koning, gehoorzaamheid aan de grondwet en aan de wetten van het Belgische volk ".
  De ontvanger die zonder gegronde reden geen eed aflegt nadat hij erom is verzocht bij ter post aangetekende brief, wordt geacht af te zien van zijn benoeming.
  § 4. Om tot provincieontvanger te worden benoemd, moeten de kandidaten de volgende voorwaarden vervullen :
  1° Belg zijn;
  2° burgerlijke en politieke rechten genieten;
  3° van onberispelijk gedrag zijn;
  4° voldoen aan de wetten op de militaire dienst en aan de wetten op de gewetensbezwaren;
  5° houder zijn van een diploma waarmee ze de betrekkingen van niveau A van het gewestelijke bestuur kunnen bekleden, of voor de personeelsleden van de provincie, het niveau A te hebben bereikt door aanwerving of verhoging in graad.
  Deze benoeming vindt plaats binnen zes maanden na de vacature van de betrekking.
  § 5. De provincieontvanger staat onder het gezag van het provinciecollege.

  Art. 73. De wedde van de provincieontvanger wordt bepaald door de provincieraad overeenkomstig de weddeschaal die van toepassing is op de gemeentesecretarissen van de gemeenten van 80 001 tot 150 000 inwoners, zoals bedoeld in artikel 28 van de nieuwe gemeentewet.
  De diensten die de provincieontvanger vóór zijn benoeming in deze hoedanigheid heeft verleend in een federaal, gewestelijk of gemeentelijk bestuur, worden volledig in aanmerking genomen voor de berekening van zijn wedde die ten laste van de provincie is.

  Art. 74. De provincieraad kan één van de in het statuut van de provinciaal personeelsleden bedoelde tuchtstraffen opleggen aan de provincieontvanger.

  Art. 75. § 1. In geval van gewettigde afwezigheid kan de provincieontvanger, onder zijn eigen verantwoordelijkheid, binnen drie dagen in zijn vervanging voorzien en te dien einde, voor een periode van maximum dertig dagen, een door het provinciecollege erkende plaatsvervanger aanstellen. Die maatregel kan voor een zelfde afwezigheid tweemaal worden verlengd.
  § 2. In alle andere gevallen kan de provincieraad een waarnemende provincieontvanger aanwijzen. De provincieraad is daartoe verplicht wanneer de afwezigheid een termijn van drie maanden overschrijdt.
  § 3. De waarnemende provincieontvanger moet voldoen aan de voorwaarden vereist voor het uitoefenen van het ambt van provincieontvanger. Hij oefent alle bevoegdheden uit van de provincieontvanger.
  § 4. Bij zijn ambtsaanvaarding en zijn ambtsneerlegging wordt een eindrekening opgemaakt en worden de kas en de boeken overgedragen, onder toezicht van het provinciecollege.

  Art. 76. De provincieontvanger is verplicht, tot waarborg van zijn beheer, een zekerheid in geld, in effecten of in de vorm van een of meer hypotheken te stellen.
  De Regering bepaalt het minimum- en het maximumbedrag van de zekerheid.
  De provincieraad stelt, binnen de grenzen aangegeven in het tweede lid, en ten laatste op de vergadering tijdens welke de provincieontvanger de eed aflegt, het bedrag vast van de zekerheid welke deze moet stellen, alsmede de termijn waarover hij daartoe beschikt.
  De zekerheid wordt bij de Deposito- en Consignatiekas gedeponeerd; de intrest die zij opbrengt, komt aan de ontvanger toe.
  De ontvanger mag de zekerheidsstelling vervangen door een hoofdelijke borgstelling van een door de Regering erkende vereniging zonder winstoogmerk. De erkenning en de statuten van de vereniging worden bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  De vereniging kan de kas en de boekhouding van de ontvanger voor wie zij zich borg heeft gesteld, controleren. Deze controle wordt uitgevoerd in de vorm en onder de voorwaarden die werden overeengekomen tussen de vereniging, de ontvanger en de provincieraad.
  De vereniging maakt elk jaar haar rekeningen, vergezeld van een activiteitenverslag, over aan alle provincieraden tegenover wie zij zich garant heeft gesteld.
  De ontvanger mag de zekerheidsstelling tevens vervangen door een bankwaarborg of een verzekering, die beantwoordt aan de door de regering bepaalde voorwaarden.

  Art. 77. Wanneer de door de provincieraad bepaalde zekerheid wegens het toenemen van de jaarlijkse ontvangsten of om enige andere reden ontoereikend wordt geacht, moet de provincieontvanger binnen een bepaalde tijd een aanvullende zekerheid stellen, ten aanzien waarvan dezelfde regels gelden als voor de eerste zekerheid.
  Het provinciecollege zorgt dat de zekerheid werkelijk gesteld wordt en te bekwamer tijd vernieuwd wordt.

  Art. 78. De provincieontvanger die zijn zekerheid of zijn aanvullende zekerheid niet binnen de voorgeschreven termijn stelt en dit verzuim niet voldoende verantwoordt, wordt geacht ontslag te nemen en wordt vervangen.
  Alle kosten betreffende de vestiging van de zekerheid vallen ten laste van de provincieontvanger.

  Art. 79. Is er een tekort in de provinciekas, dan heeft de provincie een voorrecht op de zekerheid van de provincieontvanger, wanneer de zekerheid in geld gesteld is.

  Art. 80. De provincieontvanger is belast met :
  a) de boekhouding van de provincie en het opmaken van de jaarrekeningen;
  b) de betaling van de uitgaven tegen regelmatige bevelschriften, alleen en onder zijn verantwoordelijkheid;
  c) het beheer van de op naam van de provincie geopende rekeningen en de bedieningen van de algemene kasmiddelen van de provincie;
  d) de belegging van de thesauriemiddelen;
  e) de controle en de centralisatie van de vastleggingen verricht door de raad, het college of de door hen aangewezen personeelsleden;
  f) de controle van de bijzondere ontvangers;
  g) de inning en de dwanginvordering van de provinciale taksen zoals bepaald in de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provinciale en gemeentebelastingen;
  h) het verlenen van financieel advies bij het opmaken van de begroting en het financieel meerjarenplan. Deze adviezen worden geacht gunstig te zijn als zij niet worden medegedeeld aan het provinciecollege binnen een termijn die dit laatste bij de aanvraag heeft bepaald en die niet korter mag zijn dan 4 werkdagen.
  Indien de ontvanger weigert het bedrag van regelmatige bevelschriften te betalen of de betaling uitstelt, wordt de betaling vervolgd, nadat de provincieraad, die de ontvanger kan oproepen en hem vooraf hoort indien hij zich aanmeldt, de bevelschriften uitvoerbaar heeft verklaard.

  Art. 81. Het is de provincieontvanger verboden handel te drijven, zelfs door een tussenpersoon.
  De provincieraad legt een tuchtstraf op aan de provincieontvanger die deze verbodsbepaling overtreedt.

  Art. 82. Er wordt een eindrekening gemaakt wanneer de provincieontvanger zijn ambt neerlegt.

  Art. 83. Wanneer de provincieraad één of meer bijzondere ontvangers aanstelt voor het innen van bepaalde ontvangsten, bepaalt hij de door hen te stellen zekerheid; hun ontvangsten worden op gezette tijden gestort op de algemene rekening van de provincie overeenkomstig artikel 71.
  De ambtenaren aangesteld voor de bewaking, de bewaring of het gebruik van waren of materieel aan de provincie toebehorend, zijn verantwoordelijk voor die waren of dat materieel, en worden, wat de zekerheidstelling betreft, gelijkgesteld met de bijzondere ontvangers of met de rekenplichtigen der geldmiddelen.
  Van het meubilair der provincie wordt een inventaris opgemaakt. Daaronder zijn begrepen de machines, de apparaten en het materieel die niet zijn toevertrouwd aan de bewaking van de in het tweede lid bedoelde rekenplichtigen.
  De inventarissen van het meubilair, opgemaakt voor iedere instelling of dienst, worden om het jaar en bij elke wisseling van verantwoordelijke ambtenaar vergeleken.

  Art. 84. Het provinciecollege belast één van zijn leden met de verificatie, minstens één keer per jaar, van de provinciekas; hij kan de openbare kassen controleren telkens als het college het nuttig acht.

  TITEL V. - De provinciebedrijven, de autonome provinciebedrijven en de tegemoetkomingen van de provincie in de intercommunales, V.Z.W.'s en andere verenigingen.

  HOOFDSTUK I. - Provinciebedrijven.

  Art. 85. § 1. In de aangelegenheden die overeenkomstig artikel 32 tot de bevoegdheid van de provincie behoren, kunnen de provinciale inrichtingen en diensten worden georganiseerd als provinciebedrijven en buiten de algemene diensten van de provincie beheerd, indien de volgende voorwaarden zijn vervuld :
  1° de noodzaak van deze organisatie maakt het voorwerp uit van een bijzondere motivatie gegrond op het bestaan van een specifieke behoefte van openbaar belang waarop niet kan worden ingespeeld door de algemene diensten of de inrichtingen van de provincie en die het voorwerp uitmaakt van een precieze beschrijving;
  2° het bedrijf heeft uitsluitend betrekking op de provinciale bevoegdheden zoals bedoeld in artikel 32.
  § 2. De provincieraad bepaalt een beheersplan voor het provinciebedrijf, waarin de aard en de opdrachten worden bepaald van openbare diensten die het zal moeten uitoefenen, alsmede de wijzers voor de evaluatie van de uitvoering van zijn opdrachten worden uitgelegd.
  Dit plan geldt voor drie jaar en kan verlengd worden.
  Elk jaar maakt het provinciecollege een verslag op over de evaluatie van de uitvoering van het beheersplan.
  Op grond van dit verslag controleert de provincieraad de uitvoering van de verplichtingen voortvloeiend uit het beheersplan.

  Art. 86. De provinciebedrijven worden beheerd volgens industriële en commerciële methoden.
  Het boekjaar van de provinciebedrijven valt samen met het kalenderjaar.
  De rekening van de provinciebedrijven omvat de balans, de exploitatierekening en de winst- en verliesrekening, op 31 december van ieder jaar afgesloten.
  De nettowinsten van de provinciebedrijven worden jaarlijks in de provinciekas gestort.

  Art. 87. De ontvangsten en uitgaven van de provinciebedrijven kunnen door een bijzonder rekenplichtige gedaan worden.
  Deze rekenplichtige wordt, wat de zekerheidstelling betreft, gelijkgesteld met de bijzondere ontvangers bedoeld in artikel 83.

  HOOFDSTUK II. - Autonome provinciebedrijven.

  Art. 88. § 1. In de aangelegenheden die overeenkomstig artikel 32 tot de bevoegdheid van de provincie behoren, kan de provincieraad de inrichtingen en diensten van industriële of commerciële aard organiseren als autonome provinciebedrijven met rechtspersoonlijkheid, indien de volgende voorwaarden worden vervuld :
  1° de noodzaak van deze organisatie maakt het voorwerp uit van een bijzondere motivatie gegrond op het bestaan van een specifieke behoefte van openbaar belang waarop niet kan worden ingespeeld door een dienst, een inrichting van de provincie of een provinciebedrijf, en die het voorwerp uitmaakt van een precieze beschrijving;
  2° het autonome provinciebedrijf heeft uitsluitend betrekking op de provinciale bevoegdheden zoals bedoeld in artikel 32.
  § 2. De Regering bepaalt de activiteiten van commerciële of industriële aard waarvoor de provincieraad een autonoom provinciebedrijf kan oprichten.

  Art. 89. § 1. De autonome provinciebedrijven worden beheerd door een raad van bestuur en een directiecomité.
  § 2. De raad van bestuur is gemachtigd alle nuttige of noodzakelijke handelingen te verrichten om de doelstellingen van het autonome provinciebedrijf te verwezenlijken.
  De raad van bestuur controleert het bestuur van het directiecomité. Het directiecomité brengt regelmatig verslag uit aan de raad van bestuur.
  De provincieraad wijst de leden van de raad van bestuur van het autonome provinciebedrijf aan. Hun aantal mag niet groter zijn dan een vijfde van het aantal provincieraadsleden. De bestuurders die de provincie vertegenwoordigen worden aangewezen naar evenredigheid van de provincieraad overeenkomstig de artikelen 167 en 168 van het Kieswetboek zonder inachtneming van de fractie(s) die de beginselen van de democratie niet in acht neemt(nemen), zoals, onder anderen, verwoord door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd of welke andere genocide ook.
  Elke fractie die niet bedoeld is in het derde lid wordt binnen de grenzen van de beschikbare mandaten vertegenwoordigd.
  De raad van bestuur kiest een voorzitter uit zijn leden die door de provincieraad worden aangewezen.
  Bij staking van stemmen in de raad van bestuur is de stem van de voorzitter beslissend.
  § 3. Het directiecomité is belast met het dagelijks bestuur, met de vertegenwoordiging met betrekking tot dat bestuur en met de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur. Het is samengesteld uit een afgevaardigd bestuurder en vier bestuursdirecteurs die alle door de raad van bestuur uit zijn midden, en bij meerderheid onder de door de provincieraad aangewezen leden, worden aangesteld.
  Het directiecomité wordt voorgezeten door de afgevaardigd bestuurder. Bij staking van stemmen in het directiecomité is zijn stem beslissend.

  Art. 90. Het toezicht op de financiële toestand en op de jaarrekeningen van de autonome provinciebedrijven wordt opgedragen aan een college van drie commissarissen die door de provincieraad worden gekozen buiten de raad van bestuur van het provinciebedrijf en onder wie ten minste één lid is van het Instituut der Bedrijfsrevisoren.
  Met uitzondering van deze laatste zijn de leden van het college van commissarissen allen lid van de provincieraad.

  Art. 91. De provincieraadsleden wier mandaat een einde neemt, worden geacht van rechtswege ontslagnemend te zijn uit het autonome provinciebedrijf.
  Alle mandaten in de verschillende organen van de autonome provinciebedrijven worden beëindigd op de eerste vergadering van de raad van bestuur die volgt op de installatie van de provincieraad.

  Art. 92. § 1. De autonome provinciebedrijven beslissen vrij, binnen de grenzen van hun doel, over de verwerving, de aanwending en de vervreemding van hun lichamelijke en onlichamelijke goederen, over de vestiging of de opheffing van de zakelijke rechten op die goederen, alsook over de uitvoering van dergelijke beslissingen en over hun financiering.
  § 2. Zij kunnen rechtstreeks of onrechtstreeks participeren in publiek- of privaatrechtelijke ondernemingen, verenigingen en instellingen, hierna genoemd de filialen, waarvan het maatschappelijk doel overeenstemt met hun doel.
  Deze beslissingen maken het voorwerp uit van een bijzonder punt in het jaarlijkse evaluatierapport dat aan de provincieraad is gericht.
  Ongeacht de grootte van de inbreng van de verschillende partijen in het maatschappelijk kapitaal moet het autonome provinciebedrijf over de meerderheid van stemmen beschikken en het voorzitterschap waarnemen in de organen van de filialen.
  De mandaten voorbehouden aan het bedrijf in de verschillende beheers- en controleorganen worden uit zijn midden door de provincieraad toegekend naar evenredigheid van deze laatste en overeenkomstig de artikelen 167 en 168 van het Kieswetboek. De houders van deze mandaten stellen de notulen van alle vergaderingen van de verschillende instanties alsmede de begrotingen en de jaarlijkse rekeningen ter beschikking van de provincieraden.
  De leden van de provincieraad die als bestuurder of commissaris zitting hebben in de organen van een autonoom provinciebedrijf, mogen geen enkel bezoldigd mandaat van bestuurder of commissaris vervullen, noch enige bezoldigde activiteit uitoefenen in een privaat- of publiekrechtelijk vennootschap, vereniging en instantie, waarin het bedrijf een participatie heeft.

  Art. 93. § 1. De provincieraad sluit met het autonome provinciebedrijf een beheerscontract waarin de aard en de opdrachten van openbare diensten die het zal moeten uitoefenen, alsmede de wijzers voor de evaluatie van de uitvoering van zijn opdrachten, worden uitgelegd.
  Dit contract geldt voor drie jaar en kan verlengd worden.
  § 2. De raad van bestuur stelt jaarlijks een ondernemingsplan op dat het in § 1 bedoelde beheerscontract uitvoert.
  Bij de opmaking van het beheerscontract maakt de raad van bestuur tevens een verslag op over de evaluatie van de uitvoering van het ondernemingsplan van het vorige dienstjaar alsmede de uitvoeringsstaat van het beheersplan.
  Het ondernemingsplan en het activiteitsverslag behoeven de goedkeuring van de provincieraad. De afgevaardigde raadsleden maken een verslag op over de in § 2, tweede lid, bedoelde evaluatie.
  § 3. De provincieraad kan te allen tijde aan de raad van bestuur verslag vragen over de activiteiten van het autonoom provinciebedrijf of over sommige ervan.

  Art. 94. De artikelen 63, 130 tot 144, 165 tot 167, 517 tot 530, 538, 540 en 561 tot 567 van het Wetboek der vennootschappen zijn van toepassing op de autonome provinciebedrijven, tenzij dit decreet er uitdrukkelijk van afwijkt.

  Art. 95. De wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen is van toepassing op de autonome provinciebedrijven.

  HOOFDSTUK II. - Tegemoetkomingen van de provincie in de kosten van de intercommunales, V.Z.W.'s en andere verenigingen.

  Afdeling 1. - De intercommunales.

  Art. 96. In de aangelegenheden die overeenkomstig artikel 32 tot de bevoegdheid van de provincie behoren, kan de provincie een intercommunale oprichten of in de kosten ervan tegemoetkomen alleen maar als de volgende voorwaarden zijn vervuld :
  1° de noodzaak van deze oprichting of tegemoetkoming maakt het voorwerp uit van een bijzondere motivatie gegrond op het bestaan van een specifieke behoefte van openbaar belang waarop niet kan worden ingespeeld door de algemene diensten of de inrichtingen van de provincie en die het voorwerp uitmaakt van een precieze beschrijving;
  2° het/de bepaalde voorwerp/en van gemeentelijk belang dat/die het maatschappelijk doel van de intercommunale vormt/vormen overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van het decreet van 5 december 1996 betreffende de Waalse intercommunales heeft/hebben uitsluitend betrekking op de provinciale bevoegdheden zoals bedoeld in artikel 32.

  Afdeling 2. - De V.Z.W.'s en andere verenigingen.

  Art. 97. In de aangelegenheden die overeenkomstig artikel 32 tot de bevoegdheid van de provincie behoren, kan de provincie een V.Z.W. of een andere vereniging oprichten of in de kosten ervan tegemoetkomen alleen maar als de volgende voorwaarden zijn vervuld :
  1° de noodzaak van deze oprichting of tegemoetkoming maakt het voorwerp uit van een bijzondere motivatie gegrond op het bestaan van een specifieke behoefte van openbaar belang waarop niet kan worden ingespeeld door de algemene diensten of de inrichtingen van de provincie en die het voorwerp uitmaakt van een precieze beschrijving;
  2° het maatschappelijk doel van de V.Z.W. of van de intercommunale heeft uitsluitend betrekking op de provinciale bevoegdheden zoals bedoeld in artikel 32.
  § 2. De provincieraad sluit met de V.Z.W. of de vereniging een beheerscontract waarin de aard en de omvang van de opdrachten van openbare diensten die het zal moeten uitoefenen, alsmede de wijzers voor de evaluatie van de uitvoering van zijn opdrachten, worden uitgelegd.
  Dit plan geldt voor drie jaar en kan verlengd worden.
  Het provinciecollege maakt jaarlijks een verslag op over de evaluatie van de uitvoering van het beheersplan.
  Op grond van dit verslag controleert de provincieraad de uitvoering van de verplichtingen voortvloeiend uit het beheersplan.

  Art. 98. De provincieraad wijst zijn vertegenwoordigers binnen de raad van bestuur van de V.Z.W. Hun aantal mag niet groter zijn dan een vijfde van het aantal provincieraadsleden.
  De bestuurders die de provincie vertegenwoordigen worden aangewezen naar evenredigheid van de provincieraad overeenkomstig de artikelen 167 en 168 van het Kieswetboek zonder inachtneming van de fractie(s) die de beginselen van de democratie niet in acht neemt(nemen), zoals, onder anderen, verwoord door Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd of welke andere genocide ook.
  Elke fractie die niet bedoeld is in het eerste lid wordt binnen de grenzen van de beschikbare manden vertegenwoordigd.
  Bij staking van stemmen in de raad van bestuur is de stem van de voorzitter beslissend.

  Art. 99. Onverminderd de artikelen 96 en 97 is de verplichting m.b.t het beheerscontract en zijn jaarlijkse evaluatieverslag minstens van toepassing in alle gevallen waarin de provincie in de zin van de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen een intercommunale, een V.Z.W. of een andere vereniging subsidieert voor een hulp gelijk aan minimum 50.000 euro per jaar.

  TITEL VI. - Reglementen en verordeningen van de provincieraad of van het provinciecollege.

  Art. 100. De reglementen en de verordeningen van de provincieraad of van het provinciecollege worden in hun naam bekendgemaakt, door hun voorzitter ondertekend en door de provinciegriffier medeondertekend.
  Die reglementen en verordeningen worden in het provinciaal Bulletin van de provincie bekendgemaakt en on-line geplaatst op de website van de provincie.

  Art. 101. § 1. De reglementen en verordeningen, door de voorzitter ondertekend en door de provinciegriffier medeondertekend, en zo nodig voorzien van de goedkeuring van de Regering, worden gezonden aan de overheid wie de zaak aangaat.
  Zij worden verbindend de achtste dag na die van de opneming in het provinciaal Bulletin en van de plaatsing on-line op de website van de provincie, tenzij het reglement of de verordening een kortere termijn bepaalt.
  Behalve de opneming in het provinciaal Bulletin en de plaatsing on-line op de website van de provincie, kan de provincieraad of het provinciaal Bulletin een bijzondere wijze van bekendmaking voorschrijven.
  § 2. De briefwisseling en de akten van de provincie worden ondertekend door de voorzitter van het provinciecollege en medeondertekend door de provinciegriffier.
  De voorzitter van het college kan de ondertekening van bepaalde stukken schriftelijk opdragen aan een of meer leden van het provinciecollege. Die opdracht kan te allen tijde door de voorzitter van het college worden herroepen.
  De provinciaal gedeputeerde aan wie de opdracht is gegeven, moet boven zijn handtekening, naam en functie melding maken van die opdracht.
  Het provinciecollege kan de provinciegriffier machtigen de medeondertekening van bepaalde stukken op te dragen aan een of meer ambtenaren van de provincie.
  Deze opdracht geschiedt schriftelijk; de provincieraad wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn eerstvolgende vergadering.
  De ambtenaar aan wie de opdracht is gegeven, moet boven zijn handtekening, naam en functie melding maken van die opdracht, op alle stukken die hij ondertekent.

  TITEL VII. - De provinciegriffier.

  Art. 102. § 1. De provinciegriffier wordt benoemd door de provincieraad. Hij wordt benoemd op grond van een door de provincie georganiseerd vergelijkend examen.
  De kandidaten moeten de in § 3 bedoelde voorwaarden vervullen.
  § 2. Alvorens het ambt te aanvaarden, legt de provinciegriffier de volgende eed af :
  " Ik zweer trouw aan de Koning, gehoorzaamheid aan de grondwet en aan de wetten van het Belgische volk ".
  Hij legt de eed af in handen van de voorzitter van de raad tijdens een openbare vergadering van de provincieraad.
  De griffier die zonder gegronde reden geen eed aflegt nadat hij erom bij de eerstvolgende vergadering van de provincieraad bij ter post aangetekende brief is verzocht, wordt geacht af te zien van zijn benoeming.
  De provinciegriffier is gehouden in de provincie zijn woonplaats te hebben.
  § 3. Om tot provinciegriffier te worden benoemd, moeten de kandidaten de volgende voorwaarden vervullen :
  1° Belg zijn;
  2° burgerlijke en politieke rechten genieten;
  3° van onberispelijk gedrag zijn;
  4° voldoen aan de wetten op de militaire dienst en aan de wetten op de gewetensbezwaren;
  5° houder zijn van één van de volgende diploma's :
  - doctor of licentiaat in de rechten;
  - licentiaat in de administratieve wetenschappen;
  - licentiaat in het notariaat;
  - licentiaat in de politieke wetenschappen;
  - licentiaat in de economische wetenschappen;
  - licentiaat in de handelswetenschappen.
  Deze benoeming vindt plaats binnen zes maanden na de vacature van de betrekking.

  Art. 103. De wedde van de provinciegriffier wordt bepaald door de provincieraad binnen de minimale en maximale grenzen van de weddeschaal die van toepassing is op de gemeentesecretaris van de gemeenten ingedeeld in de hogere categorie overeenkomstig artikel 28 van de nieuwe gemeentewet. De provincieraad bepaalt de vergoedingen en toelagen waarvan de griffier geniet net als de andere provinciale ambtenaren.

  Art. 104. De provincieraad kan één van de in het statuut van de provinciale personeelsleden bedoelde tuchtstraffen opleggen aan de provinciegriffier.
  In geval van tekortkomingen betreffende zijn toezicht op de werken van het Rijkspersoneel en van de personeelsleden van het Gewest aangesteld voor de diensten van de gouverneur, kan hij slechts op voorstel van de provinciegouverneur het voorwerp uitmaken van een tuchtprocedure.

  Art. 105. In geval van gewettigde afwezigheid kan de provinciegriffier, onder zijn eigen verantwoordelijkheid, binnen drie dagen in zijn vervanging voorzien en te dien einde, voor een periode van maximum dertig dagen, een door het provinciecollege erkende plaatsvervanger aanstellen. Die maatregel kan voor een zelfde afwezigheid tweemaal worden verlengd.
  In alle andere gevallen kan de provincieraad een waarnemende provinciegriffier aanwijzen. In spoedgevallen wordt de aanwijzing uitgevoerd door het provinciecollege en bevestigd door de provincieraad bij zijn eerstvolgende vergadering.
  De waarnemende provinciegriffier moet voldoen aan de voorwaarden vereist voor het uitoefenen van het ambt van provinciegriffier. Hij oefent alle bevoegdheden uit van de provinciegriffier.

  Art. 106. De provinciegriffier woont de vergaderingen bij van de provincieraad en van het provinciecollege; hij is in het bijzonder belast met het opmaken van de notulen en het overschrijven van de beraadslagingen en besluiten; daartoe houdt hij afzonderlijke registers voor de raad en voor het college, zonder enig wit vak of enige tussenregel; die registers worden door de voorzitter per blad genummerd en geparafeerd.
  De reglementen van orde en inwendige dienst bepalen welke beraadslagingen en besluiten moeten worden overgeschreven.
  De aldus overgeschreven akten, evenals de minuten van alle beraadslagingen en besluiten, worden binnen een maand getekend door de griffier, hetzij samen met de voorzitter van de raad of van het provinciecollege naargelang het om een vergadering van de raad dan wel van het provinciecollege gaat, hetzij samen met alle leden van het college die eraan hebben deelgenomen, overeenkomstig hetgeen door het reglement bepaald is.

  Art. 107. De afschriften worden niet afgegeven dan ondertekend door de griffier en voorzien van het provinciezegel, waarvan hij de bewaarder is.
  De griffier is belast met de bewaring van het archief; hij is gehouden aan de leden van de provincieraad en van het provinciecollege ter plaatse inzage te geven van alle stukken die hem worden gevraagd, en zo nodig afschriften daarvan uit te reiken.
  Hij zendt aan ieder provincieraadslid een exemplaar van al hetgeen in naam van de provincieraad en van het provinciecollege gedrukt wordt.
  Hij is gehouden aan elke belanghebbende ter plaatse inzage te geven van de akten van de raad of van het provinciecollege en van de in het archief berustende stukken.
  De provinciegriffier staat aan het hoofd van het gehele personeel, dat bij het provinciebestuur is tewerkgesteld.
  Hij leidt de werkzaamheden van de diensten, overeenkomstig de richtlijnen van de gouverneur voor de personeelsleden aangesteld voor de diensten van de gouverneur en van het provinciecollege voor het provinciepersoneel.

  TITEL IX. - De gouverneur.

  HOOFDSTUK I. - Betrekkingen van de gouverneur met de provincieraad of het provinciecollege.

  Art. 108. In het kader van zijn functie als Regeringscommissaris, woont de gouverneur of degene die hem in zijn ambt vervangt, de beraadslagingen van de provincieraad bij; hij krijgt het woord wanneer hij het vraagt; de raadsleden mogen antwoorden op deze tussenkomst; hij kan de raad verzoeken zodanige zaken te behandelen als hij passend vindt en de raad is gehouden erover te beslissen.
  De raad kan zijn aanwezigheid vorderen.

  Art. 109. De Regering kan de gouverneur in de provincie belasten met de tenuitvoerlegging van de decreten en van de besluiten, en met de uitvoeringsmaatregelen ervan.

  HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen betreffende de gouverneur.

  Art. 110. De gouverneur verblijft in de provincie.
  De Regering zorgt ervoor dat de gouverneurs over de voor de vervulling van hun gewestelijke opdrachten nodige middelen en personeel beschikken.
  De Regering regelt de overheveling van het personeel van de diensten van de gouverneur naar het personeel van de provincie benoemd overeenkomstig artikel 32, § 4.
  De gouverneur wordt bijgestaan door een secretariaat. De Regering bepaalt de samenstelling van deze secretariaten, alsook het stelsel die erop van toepassing is, en de vergoedingen waarop de leden ervan aanspraak kunnen maken.

  Art. 111. Het is de gouverneur verboden rechtstreeks of onrechtstreeks deel te nemen aan enige levering, aanbesteding of aanneming in de provincie gedaan of te doen voor rekening van een overheid of van een openbaar bestuur.

  Art. 112. Als Regeringscommissaris doet de gouverneur ten minste eens in het jaar de verificatie van de provinciale kas; hij kan de verificatie van de openbare kassen doen zo dikwijls hij het nodig oordeelt op of verzoek van de Regering.

  TITEL IX. - De arrondissementscommissarissen.

  Art. 113. Voor één of meer administratieve arrondissementen kan er een commissaris van de Gewestregering zijn, die de titel van arrondissementscommissaris draagt, die de gouverneur van de provincie waaronder het of de arrondissementen ressorteren, bijstaat en van wie alle andere opdrachten door de Regering worden bepaald.
  Voor de gevallen waarin er geen arrondissementscommissaris is in de provincie, worden deze opdrachten uitgeoefend door de gouverneur van de provincie.
  (NOTA : bij arrest nr 95/2005 van 25-05-2005 (B.St. 07-06-2005, p. 26377), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd)

  TITEL X. - Bepalingen gemeen aan de gouverneur, de griffier en de arrondissementscommissarissen.

  Art. 114. § 1. Provinciegouverneur, provinciegriffier of arrondissementscommissaris kunnen niet zijn :
  1° de titularissen van een ambt in de rechterlijke orde;
  2° de bedienaren van de erediensten en vrijzinnige afgevaardigden;
  3° de personen bezoldigd door de Staat, de Gemeenschappen, de provincie of de gemeente, voor andere functies dan die van gouverneur of griffier;
  4° de met een onderwijsambt belaste personen, die door de Staat, de gemeenschappen, de provincie of de gemeente bezoldigd worden met uitzondering van de gewone en buitengewone hoogleraren en de docenten aan de Rijksuniversiteiten;
  5° de burgemeesters, de schepenen, de gemeenteraadsleden, de voorzitters en raadsleden van de O.C.M.W., de gemeentesecretarissen en -ontvangers en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  6° de advocaten en de notarissen.
  § 2. Het ambt van provinciegouverneur, van provinciegriffier en van arrondissementscommissaris is onverenigbaar met enig ander ambt dat rechtstreeks onder het gezag staat van de gouverneur, van de provincieraad of van de bestendige deputatie.
  § 3. Er mag geen echtverbintenis en geen bloed- of aanverwantschap tot en met de vierde graad bestaan tussen de provinciegouverneur, de provinciegriffier en de arrondissementscommissarissen, noch tussen een van de twee eerstgenoemden en een lid van het provinciecollege; ze mogen ook niet wettelijk samenwonenden zijn.
  Aanverwantschap tot stand gekomen tijdens de duur van het ambt, maakt hieraan geen einde. Dit geldt niet voor het geval van huwelijk of van het wettelijk samenwonen.

  TITEL XI. - De provinciale volksraadpleging.

  Art. 115. De provincieraad kan, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de inwoners van de provincie, beslissen de inwoners te raadplegen over de aangelegenheden van provinciaal belang.
  Het initiatief dat uitgaat van de inwoners van de provincie, moet worden gesteund door ten minste 10 % van de inwoners.

  Art. 116. Elk verzoek tot het houden van een raadpleging op initiatief van de inwoners van de provincie moet bij aangetekende brief worden gericht aan het college.
  Bij het verzoek worden een gemotiveerde nota gevoegd en de stukken die de provincieraad kunnen voorlichten.

  Art. 117. Het verzoek is alleen dan ontvankelijk als het wordt ingediend door middel van een formulier afgegeven door de provincie en als het, buiten de naam van de provincie en de tekst van artikel 196 van het Strafwetboek, de volgende vermeldingen bevat :
  1° de vraag of vragen waarop de voorgenomen raadpleging betrekking heeft;
  2° de naam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van eenieder die het verzoekschrift heeft ondertekend;
  3° de naam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van de personen die het initiatief nemen tot de raadpleging.

  Art. 118. Onmiddellijk na ontvangst van het verzoek onderzoekt de bestendige deputatie of het verzoek gesteund is door een voldoende aantal geldige handtekeningen.
  Naar aanleiding van dat onderzoek schrapt het college :
  1° de dubbele handtekeningen;
  2° de handtekeningen van de personen die niet voldoen aan de in artikel 119, § 1, opgesomde voorwaarden;
  3° de handtekeningen van de personen ten aanzien van wie de verschafte gegevens ontoereikend zijn om de toetsing van hun identiteit mogelijk te maken.
  De controle wordt beëindigd wanneer het aantal geldige handtekeningen is bereikt. In dat geval organiseert de provincieraad een volksraadpleging.

  Art. 119. § 1. Om te verzoeken om of deel te nemen aan een volksraadpleging moet men :
  1° in het bevolkingsregister van een gemeente van de provincie ingeschreven of vermeld zijn;
  2° de volle leeftijd van zestien jaar hebben bereikt;
  3° niet het voorwerp uitmaken van een veroordeling of beslissing die voor een provincieraadskiezer de uitsluiting of opschorting van het kiesrecht meebrengt.
  § 2. Om te verzoeken om een volksraadpleging moeten de voorwaarden vermeld in § 1 vervuld zijn op de datum waarop het verzoekschrift werd ingediend.
  Om deel te nemen aan een volksraadpleging moeten de voorwaarden vermeld in § 1, 2° en 3°, vervuld zijn op de dag van de raadpleging, en de voorwaarde vermeld in § 1, 1°, op de datum waarop de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging wordt afgesloten.
  De deelnemers die na de datum waarop de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging wordt afgesloten, het voorwerp zijn van een veroordeling of een beslissing die voor een provincieraadskiezer ofwel de uitsluiting van het kiesrecht, ofwel de schorsing van dat recht op de dag van de raadpleging meebrengt, worden van de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging geschrapt.
  § 3. Artikel 1ter, § 1, van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen is van toepassing op alle categorieën van personen die voldoen aan de in § 1 bepaalde voorwaarden.
  Voor niet-Belgische onderdanen en voor Belgische onderdanen jonger dan achttien jaar worden de kennisgevingen door de parketten van de hoven en rechtbanken gedaan wanneer de veroordeling of de internering, waartegen met geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden opgekomen, zou geleid hebben tot de uitsluiting van het kiesrecht of opschorting van dit recht als ze ten laste van een provincieraadskiezer werd uitgesproken.
  In geval van kennisgeving nadat de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging is opgemaakt, wordt de betrokkene van deze lijst geschrapt.
  § 4. Op de dertigste dag voor de raadpleging maakt het college van burgemeester en schepenen een lijst op van deelnemers aan de volksraadpleging.
  Op die lijst worden vermeld :
  1° de personen die op vermelde datum in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven of vermeld zijn en de andere in § 1 bedoelde deelnemingsvoorwaarden vervullen;
  2° de deelnemers die tussen deze datum en de datum van de raadpleging de leeftijd van zestien jaar bereiken;
  3° de personen voor wie de schorsing van het kiesrecht een einde neemt of zou nemen uiterlijk op de dag die is vastgesteld voor de raadpleging.
  Voor elke persoon, die voldoet aan de deelnemingsvoorwaarden, vermeldt de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging de naam, de voornamen, de geboortedatum, het geslacht en de hoofdverblijfplaats. De lijst wordt volgens een doorlopende nummering en eventueel per wijk van de gemeente opgemaakt, ofwel in alfabetische volgorde van de deelnemers, ofwel geografisch volgens de straten.
  § 5. De deelname aan de volksraadpleging is niet verplicht.
  Elke deelnemer heeft recht op een stem.
  De stemming is geheim.
  De volksraadpleging kan enkel op een zondag plaatsvinden. De deelnemers worden tot de stemming toegelaten van 8 tot 13 uur. Zij die zich voor 13 uur in het stemlokaal bevinden worden nog tot de stemming toegelaten.
  § 6. Tot stemopneming wordt slechts overgegaan indien ten minste 10 % van de inwoners van de provincie aan de raadpleging hebben deelgenomen.
  § 7. De bepalingen van artikel 147bis van het kieswetboek zijn van toepassing op de provinciale volksraadpleging, met dien verstande dat de worden " kiezer " en " kiezers " steeds worden vervangen door respectievelijk de woorden " deelnemer " en " deelnemers ", en de woorden " verkiezing " en " verkiezingen " door het woord " volksraadpleging ".

  Art. 120. Onder aangelegenheden van provinciaal belang, zoals bedoeld in artikel 115, wordt verstaan de aangelegenheden geregeld door artikel 32 van dit decreet.
  Persoonlijke aangelegenheden en aangelegenheden betreffende de rekeningen, de begrotingen, de provinciebelastingen en -retributies kunnen niet het onderwerp van een raadpleging zijn.
  Geen raadpleging kan worden georganiseerd in een periode van zestien maanden vóór de gewone vergadering van de kiezers voor de hernieuwing van de provincieraden. Bovendien kan geen raadpleging worden georganiseerd in een periode van veertig dagen vóór de rechtstreekse verkiezing van de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Raden en het Europees Parlement.
  De inwoners van de provincie kunnen slechts eenmaal om de zes maanden worden geraadpleegd, met een maximum van zes raadplegingen per zittingsperiode. Gedurende het tijdvak tussen twee vernieuwingen van de provincieraad kan slechts één volksraadpleging over hetzelfde onderwerp worden gehouden.

  Art. 121. Een verzoek tot het houden van een raadpleging wordt op de agenda van de eerstvolgende vergadering van het college en van de provincieraad ingeschreven.
  Tot de inschrijving wordt overgegaan nadat de controle, bedoeld in artikel 118, is afgesloten.
  Het provinciecollege is verplicht tot inschrijving op de agenda van de provincieraad over te gaan, tenzij de provincieraad klaarblijkelijk in generlei opzicht bevoegd is om over het verzoek te beslissen.
  Indien hieromtrent twijfel bestaat, beslist de provincieraad.

  Art. 122. Elke beslissing over het houden van een volksraadpleging wordt uitdrukkelijk gemotiveerd.
  Het voorgaande lid is tevens van toepassing op elke beslissing die rechtstreeks betrekking heeft op een aangelegenheid die het onderwerp is geweest van een raadpleging.

  Art. 123. Ten minste één maand vóór de dag van de raadpleging stelt het provinciebestuur aan de inwoners een brochure ter beschikking waarin het onderwerp van de raadpleging op een objectieve manier wordt uiteengezet. Deze brochure bevat bovendien de gemotiveerde nota, bedoeld in artikel 140-2, tweede lid, alsmede de vraag of vragen waarover de inwoners zullen worden geraadpleegd.

  Art. 124. De vragen moeten op zulk danige manier geformuleerd zijn dat met ja of neen kan worden geantwoord.

  Art. 125. De Regering bepaalt de nadere procedureregels voor het houden van een provinciale volksraadpleging, naar analogie van de procedure bedoeld in de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen voor de verkiezing van de provincieraadsleden.

  Art. 126. De Regering bepaalt de wijze waarop de uitslag van de raadpleging aan de bevolking bekendgemaakt wordt.

  TITEL XII. - De burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering van de provincies.

  Art. 127. De provincie moet een verzekering afsluiten om de burgerlijke aansprakelijkheid, met inbegrip van de rechtsbijstand, te dekken die persoonlijk ten laste komt van de leden van het provinciecollege bij de normale uitoefening van hun ambt.
  De Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van deze bepaling.

  TITEL XIII. - Bijzondere bepalingen.

  Art. 128. Personeelsleden van de provinciebesturen worden bij besluit van de Regering overgebracht naar de Regering voor de uitoefening van de provinciale bevoegdheden.
  De Regering bepaalt, na een onderhandeling met het sectorcomité XVI en met het Comité C, met de representatieve vakbondsverenigingen en na advies van de provinciecolleges, de datum en de wijze waarop personeelsleden bedoeld in het eerste lid worden overgebracht.
  De leden van dit personeel worden overgebracht in hun hoedanigheid of in een gelijkwaardige graad. Zodra ze overgebracht zijn, worden ze onderworpen aan de administratieve en geldelijke statuten van het Gewest. Ze behouden evenwel de bezoldiging en de anciënniteit die ze hadden of zouden hebben gekregen als ze de functie overeenstemmend met de graad waarvan ze bij hun overbrenging definitief houder waren, in hun oorspronkelijke dienst hadden blijven uitoefenen.
  Ze behouden dezelfde voordelen verworven bij de overbrenging van het pensionstelsel dat op hen tot dat ogenblik van toepassing was.

  Art. 128/1. [1 Onverminderd de wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen waarbij bevoegdheden uitdrukkelijk aan de provincies worden overgedragen, mogen de provincieraden en -colleges, krachtens het provinciaal belang, niet beraadslagen en besluiten over de aangelegenheden bedoeld in artikel 6, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, tot hervorming der instellingen.
   In afwijking van het eerste lid kunnen de provincies bevoegdheden uitoefenen in de aangelegenheden bedoeld bij artikel 6, § 1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, voor zover het enkel gaat om de weergave van maatregelen of de voortzetting van de toepassing van vroeger genomen maatregelen met betrekking tot deze aangelegenheden. Dit lid houdt op gevolg te hebben op 1 januari 2015.
   Elke beslissing genomen in uitvoering van een beraadslaging van het provinciecollege of van de provincieraad en waarbij een financiële tegemoetkoming vóór 1 januari 2015 wordt verleend aan een natuurlijke of een rechtspersoon die over meerdere jaren wordt verspreid, blijft uitwerking hebben na 1 januari 2015 volgens de regels van kracht op het ogenblik van de beslissing tot toekennin]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2014-02-20/17, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 29-03-2014>

  Art. 128/2. [1 Onverminderd de wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen waarbij bevoegdheden uitdrukkelijk aan de provincies worden overgedragen, mogen de provincieraden en -colleges, krachtens het provinciaal belang, niet beraadslagen en besluiten over de aangelegenheden bedoeld in artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, tot hervorming der instellingen, behalve wat betreft de tegemoetkomingen van de provincies in de elektriciteits- en gasdistributienetbeheerders.
   In afwijking van het eerste lid, kunnen de provincies bevoegdheden uitoefenen in de aangelegenheden bedoeld bij artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, voor zover het enkel gaat om de weergave van maatregelen of de voortzetting van de toepassing van vroeger genomen maatregelen met betrekking tot deze aangelegenheden. Dit lid houdt op gevolg te hebben op 1 januari 2015.
   Elke beslissing genomen in uitvoering van een beraadslaging van het provinciecollege of van de provincieraad en waarbij vóór 1 januari 2015 een financiële tegemoetkoming wordt verleend aan een natuurlijke of een rechtspersoon die over meerdere jaren wordt verspreid, blijft uitwerking hebben na 1 januari 2015 volgens de regels van kracht op het ogenblik van de beslissing tot toekenning.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2014-02-20/17, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 29-03-2014>

  TITEL XIV. - Wijzigingsbepalingen.

  Art. 129.
  <Opgeheven bij DWG 2013-10-10/21, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 07-11-2013>

  Art. 130.
  <Opgeheven bij DWG 2013-10-10/21, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 07-11-2013>

  Art. 131. Hoofdstuk V (slotbepalingen) van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de gewestelijke incentives ten gunste van de grote ondernemingen wordt aangevuld met een artikel 21, luidend als volgt :
  " Art. 21. De provincieraden en -colleges mogen krachtens het provinciaal belang niet beraadslagen en besluiten over de investeringshulpen ten gunste van de grote ondernemingen. "

  Art. 132. Hoofdstuk V van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de gewestelijke incetives ten gunste van de kleine en middelgrote ondernemingen wordt aangevuld met een artikel 25, luidend als volgt :
  " Art. 25. De provincieraden en -colleges mogen krachtens het provinciaal belang niet beraadslagen en besluiten over de investeringshulpen, de raadgeving of de opmaking van zakenplannen ten gunste van de kleine en middelgrote ondernemingen. "

  Art. 133. De wet van 15 februari 1961 houdende oprichting van een Landbouwinvesteringsfonds wordt aangevuld met een artikel 14, luidend als volgt :
  " Art. 14. De provincieraden en -colleges mogen krachtens het provinciaal belang niet beraadslagen en besluiten over investerings- en installatiehulpen ten gunste van de landbouwers en tuinders ".

  TITEL XV. - Overgangsbepalingen.

  Art. 134. Tot de volgende nieuwe algehele vernieuwing van de provincieraden dient " de bestendige deputatie " in plaats van " het provinciecollege ", " een bestendige deputatie " in plaats van een " provinciecollege ", " de leden van de bestendige deputatie " in plaats van " de leden van het provinciecollege ", " de bestendige afgevaardigden " in plaats van " de provinciaal gedeputeerden ", " de bestendige afgevaardigde " in plaats van " de provinciaal gedeputeerde " te worden gelezen.

  Art. 135.
  <Opgeheven bij DWG 2008-07-03/35, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 14-08-2008>

  Art. 136. Artikel 96, 2°, is niet van toepassing op de participaties van de provincies vóór 1 januari 2004.

  TITEL XVI. - Opheffings- en slotbepalingen.

  Art. 137. De provinciewet van 30 april 1836 wordt opgeheven, met uitzondering van de artikelen :
  - 4, vijfde lid;
  - 5;
  - 5bis ;
  - 64;
  - 66, § 1, 112bis, 113octies, tweede lid, 113undecies, tweede zin, 114, tweede lid, 114quater, tweede lid, 37, § 2, derde lid, wat betreft het Rekenhof;
  - 69, 1°, wat betreft de rust- en overlevingspensioenen, alsmede de desbetreffende bijdragen;
  - 69, 2°, 3°, 8°, 12°, 14°, 22°;
  - 71 wat betreft de pensioenen;
  - 70, 3° en 8°,
  - 70, 4°, wat betreft de uitoefening van de opdrachten betreffende de federale bevoegdheden;
  - 85, wat betreft de provinciale politieordonnanties;
  - 96, § 1, derde lid;
  - 104, tweede lid, wanneer het bepaalt dat de gouverneur stemgerechtigd blijft wanneer het provinciecollege een gerechtelijke opdracht uitoefent;
  - 104, achtste, elfde en twaalfde lid;
  - 104bis ;
  - 105, § 5;
  - 113novies, tweede lid;
  - 124;
  - 126, tweede en derde lid;
  - 128;
  - 129;
  - 131bis ;
  - 133 tot 136;
  - 139 en 139bis ;
  - 140-1 tot 140-12.
  Onverminderd het eerste lid,
  - wordt artikel 69, 6°, van de provinciewet van 30 april 1836 opgeheven op de inwerkingtreding van artikel 32, § 1, tweede lid, eerste en tweede streepjes;
  - worden de artikelen 96, 104 en 123 van de provinciewet van 30 april 1836 opgeheven tot de algehele vernieuwing van de provincieraden.
  (NOTA : bij arrest nr 95/2005 van 25-05-2005 (B.St. 07-06-2005, p. 26377), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd in zoverre het artikel 132 van de provinciewet van 30 april 1836 opheft)

  Art. 138.Dit decreet treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt [1 [2 ...]2 ]1.
  ----------
  (1)<DWG 2008-07-03/35, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 14-08-2008>
  (2)<DWG 2013-10-10/21, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 07-11-2013>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Opgemaakt te Namen, op 12 februari 2004.
De Minister-President,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
De Minister van Economie, K.M.O.'s, Onderzoek en Nieuwe Technologieën,
S. KUBLA
De Minister van Vervoer, Mobiliteit en Energie,
J. DARAS
De Minister van Begroting, Huisvesting, Uitrusting en Openbare Werken,
M. DAERDEN
De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu,
M. FORET
De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden,
J. HAPPART
De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken,
Ch. MICHEL
De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid,
T. DETIENNE
Minister van Tewerkstelling en Vorming,
Ph. COURARD.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Waalse Gewestraad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 20-02-2014 GEPUBL. OP 19-03-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 128/1; 128/2)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 10-10-2013 GEPUBL. OP 28-10-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 129; 130; 138)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 03-07-2008 GEPUBL. OP 15-07-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 138; 135)
  • originele versie
  • ARREST ARBITRAGEHOF VAN 25-05-2005 GEPUBL. OP 07-06-2005

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 2003-2004. Stukken van de Raad 613 (2003-2004) nrs. 1 tot 6 Volledig verslag, openbare vergadering van 11 februari 2004. Bespreking, stemming.TA:

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
    Franstalige versie