J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2000/07/09/2000000553/justel

Titel
9 JULI 2000. - Koninklijk besluit houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-07-2000 en tekstbijwerking tot 29-12-2006)

Bron : BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 15-07-2000 nummer :   2000000553 bladzijde : 24793       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2000-07-09/30
Inwerkingtreding : 01-08-2000

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Kort geding.
Afdeling 1. - Gewone schorsing.
Art. 3-7
Afdeling 2. - Schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid.
Art. 8
Afdeling 3. - Vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen.
Art. 9-14
Afdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen die gelden voor hoofdstuk II.
Art. 15-19
HOOFDSTUK III. - Nietigverklaring.
Afdeling 1. - Verzoekschrift.
Art. 20
Afdeling 2. - Voorafgaande maatregelen en behandeling door de afdeling administratie.
Art. 21-23
Afdeling 3. - Procedure na verslag.
Art. 24-25
Afdeling 4. - Verkorte procedures.
Art. 26-27
Afdeling 5. - Tussengeschillen.
Art. 28-29
Afdeling 6. - Gemeenschappelijke bepalingen die gelden voor hoofdstuk III.
Art. 30
HOOFDSTUK IV. - Administratieve cassatie.
Art. 31
HOOFDSTUK V. - Kosten en Pro Deo.
Afdeling 1. - Kosten.
Art. 32
Afdeling 2. - Pro Deo.
Art. 33
HOOFDSTUK VI. - Gemeenschappelijke bepalingen die gelden voor de hoofdstukken II tot V.
Art. 34-40
HOOFDSTUK VII. - Wijzigings-, opheffings- en slotbepalingen.
Art. 41-45

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° de gecoördineerde wetten : de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2° de wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  3° de algemene procedureregeling : het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State;
  4° de voorzitter : de voorzitter van de bevoegde kamer of de staatsraad die door de voorzitter is aangewezen om hem te vervangen;
  5° de auditeur : het lid van het auditoraat dat met het onderzoek van het dossier is belast.

  Art. 2. Dit besluit is van toepassing op :
  1° de vorderingen tot schorsing ingesteld tegen beslissingen genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  2° de vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen en de vorderingen tot het opleggen van een dwangsom die zijn ingesteld naar aanleiding van de in 1° bedoelde vorderingen tot schorsing;
  3° de beroepen tot nietigverklaring van de in 1° bedoelde beslissingen;
  4° (...). <KB 2006-11-30/31, art. 55, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  HOOFDSTUK II. - Kort geding.

  Afdeling 1. - Gewone schorsing.

  Art. 3. De vordering tot schorsing, die binnen de in artikel 20 bepaalde termijn en overeenkomstig artikel 17, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten is ingesteld, wordt ondertekend door de partij of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, derde lid, van die gecoördineerde wetten.
  Ze wordt gedagtekend en bevat :
  1° de naam, hoedanigheid, nationaliteit, woonplaats of zetel van de verzoekende partij, alsook de door haar gekozen woonplaats, en, indien mogelijk, het kenmerk van haar dossier bij de verwerende partij;
  2° de naam en het adres van de verwerende partij;
  3° de vermelding van de beslissing waartegen de vordering tot schorsing is gericht;
  4° een uiteenzetting van de feiten en middelen die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen rechtvaardigen;
  5° een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  6° de taal die in artikel 35 voor het verhoor wordt bepaald;
  7° in voorkomend geval, het bedrag van en de nadere regels omtrent de met toepassing van artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten gevorderde dwangsom.
  Op de rol worden niet geplaatst :
  1° vorderingen waarvoor het recht bepaald in artikel 70 van de algemene procedureregeling niet overeenkomstig artikel 71 van die procedureregeling is betaald;
  2° vorderingen zonder afschrift van de bestreden handeling of van het stuk waarbij de akte ter kennis is gebracht van de verzoekende partij;
  3° vorderingen waarbij geen zes eensluidend verklaarde afschriften ervan gevoegd zijn.

  Art. 4. Als de artikelen 26 of 27 niet kunnen worden toegepast, wordt de vordering tot schorsing los van het beroep tot nietigverklaring behandeld.

  Art. 5. De hoofdgriffier zendt onverwijld een afschrift van de vordering tot schorsing aan de auditeur-generaal, aan de verwerende partij en, voor zover hij ze kan bepalen, aan de personen die belang hebben bij de beslechting van de zaak.

  Art. 6. De verwerende partij bezorgt de hoofdgriffier binnen acht dagen na de kennisgeving van de vordering tot schorsing het administratief dossier, waarbij ze een nota met opmerkingen kan voegen.
  Een te laat ingediende nota met opmerkingen wordt uit de debatten geweerd.

  Art. 7. § 1. Zodra het administratief dossier ingekomen is of, indien er geen is ingekomen, zodra de in artikel 6 bepaalde termijn van acht dagen verstreken is, bezorgt de hoofdgriffier het dossier van de zaak aan de auditeur die het binnen acht dagen onderzoekt.
  § 2. De auditeur voegt een voorlopig advies bij het dossier, tenzij hij van oordeel is dat de vordering slechts korte debatten vereist.
  Als de auditeur de zaak heeft onderzocht, bezorgt hij het dossier aan de voorzitter.
  § 3. De voorzitter bepaalt vervolgens bij beschikking en binnen korte tijd de dag van de terechtzitting waarop de vordering tot schorsing wordt behandeld.
  De hoofdgriffier geeft onverwijld kennis van de beschikking waarbij de rechtsdag wordt bepaald aan de auditeur, alsook aan de verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij.
  § 4. Bij de kennisgeving aan de partijen wordt de nota met opmerkingen en het verzoek tot tussenkomst gevoegd, als daarvan nog geen kennis is gegeven, alsook, in voorkomend geval, het voorlopige advies van de auditeur.
  Wanneer de auditeur van mening is dat de vordering slechts korte debatten vereist, wordt in het bericht tot vaststelling van de rechtsdag kort het standpunt van de auditeur en de motivering ervan vermeld.

  Afdeling 2. - Schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid.

  Art. 8. § 1. Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, bevat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen.
  Artikel 3, tweede lid, staat er niet aan in de weg dat de vordering op de rol wordt geplaatst. Bovendien zijn de artikelen 6 en 7 niet van toepassing. Voor het overige verloopt de procedure overeenkomstig de §§ 2 en 3.
  § 2. De voorzitter kan de verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij, alsmede de personen die belang hebben bij de beslechting van de zaak, bij beschikking eventueel te zijnen huize oproepen op het door hem bepaalde uur, zelfs op de feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur.
  De beschikking wordt ter kennis gebracht van de auditeur.
  In de kennisgeving wordt in voorkomend geval vermeld of het administratief dossier is ingediend.
  Indien de verwerende partij het administratief dossier niet van te voren heeft overgezonden, overhandigt ze het ter terechtzitting aan de voorzitter, die de terechtzitting kan schorsen om aan de auditeur, aan de verzoekende partij en aan de tussenkomende partij de gelegenheid te geven er inzage van te nemen.
  Het verzoek tot tussenkomst kan worden ingediend op de terechtzitting waarop uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing.
  De kamer kan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het arrest bevelen.
  § 3. In afwijking van artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten, behoeven op grond van uiterst dringende noodzakelijkheid en bij verstek bevolen schorsingen niet te worden bevestigd.

  Afdeling 3. - Vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen.

  Art. 9. Zolang de vordering tot schorsing aanhangig is, kan bij een afzonderlijk verzoekschrift een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen worden ingediend.
  De vordering wordt ondertekend door de partij of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, derde lid, van de gecoördineerde wetten. De vordering wordt gedagtekend en bevat :
  1° de naam, hoedanigheid, nationaliteit, woonplaats of zetel van de verzoekende partij, alsook de door haar gekozen woonplaats en, indien mogelijk, het kenmerk van haar dossier bij de verwerende partij;
  2° de vermelding van de beslissing waarvan de schorsing wordt gevorderd;
  3° de beschrijving van de gevorderde voorlopige maatregelen;
  4° een uiteenzetting van de feiten die aantonen dat de voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om de belangen van de partij die ze vordert, veilig te stellen;
  5° de taal die in artikel 35 voor het verhoor wordt bepaald;
  6° in voorkomend geval, een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen.
  De vordering wordt slechts onderzocht als er zes eensluidend verklaarde afschriften zijn bijgevoegd.

  Art. 10. De hoofdgriffier zendt onverwijld een afschrift van de vordering aan de auditeur, aan de andere partijen en, voor zover hij ze kan bepalen, aan de personen die belang hebben bij de beslechting van de zaak.

  Art. 11. Elke partij kan binnen acht dagen na de kennisgeving van het verzoekschrift aan de hoofdgriffier een aanvullend dossier en een aanvullende nota met opmerkingen over de gevorderde voorlopige maatregelen zenden.
  Een te laat ingediende aanvullende nota wordt uit de debatten geweerd.

  Art. 12. In het belang van een goede rechtsbedeling kan de kamer beslissen dat de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen samen met de vordering tot schorsing wordt behandeld en afgedaan.

  Art. 13. Artikel 7, §§ 2 tot 4, is van toepassing op de vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen.

  Art. 14. Indien de indiener van een vordering tot schorsing ook uiterst dringende voorlopige maatregelen vordert, is artikel 9, eerste en tweede lid, van toepassing op zijn verzoek. De artikelen 11 en 13 zijn er niet op van toepassing.
  Voor het overige verloopt de procedure overeenkomstig artikel 8, § 2.
  In afwijking van artikel 18, derde lid, van de gecoördineerde wetten behoeft het arrest waarbij op grond van uiterst dringende noodzakelijkheid en bij verstek voorlopige maatregelen worden bevolen, niet te worden bevestigd.

  Afdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen die gelden voor hoofdstuk II.

  Art. 15. Met het oog op de toepassing van artikel 17, § 3, derde lid, van de gecoördineerde wetten stelt de hoofdgriffier op verzoek van de auditeur de partijen ervan in kennis dat de schorsing en, in voorkomend geval, de voorlopige maatregelen worden opgeheven, tenzij één van hen vraagt te worden gehoord.
  Als een partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen op om spoedig te verschijnen. De kamer doet uitspraak over de opheffing van de schorsing en, in voorkomend geval, van de voorlopige maatregelen.
  Als geen enkele partij vraagt te worden gehoord, stelt de kamer de opheffing van de schorsing en, in voorkomend geval, van de voorlopige maatregelen bij arrest vast.
  In de in het eerste lid bedoelde kennisgeving van de hoofdgriffier wordt melding gemaakt van artikel 17, § 3, derde lid, van de gecoördineerde wetten en van dit artikel.

  Art. 16. Degene aan wie kennis wordt gegeven van een vordering tot schorsing, kan alleen binnen acht dagen na die kennisgeving een verzoek tot tussenkomst in de schorsingsprocedure indienen. Dat geldt ook bij de kennisgeving van een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen.
  Behalve indien de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, wordt het verzoek tot tussenkomst in de schorsingsprocedure pas onderzocht als het recht bepaald in artikel 70 van de algemene procedureregeling overeenkomstig artikel 71 van die procedureregeling is betaald.

  Art. 17. § 1. Wanneer een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, verloopt de terechtzitting overeenkomstig artikel 51, eerste tot vierde lid, van de algemene procedureregeling.
  Als de kamer van oordeel is dat het stuk van wezenlijk belang is voor haar beslissing, beslist ze bij voorraad of er rekening mee moet worden gehouden.
  § 2. De procedure verloopt overeenkomstig de artikelen 59, 60 en 62 tot 65 van de algemene procedureregeling, wat de tussengeschillen betreft.
  § 3. De artikelen 5, 21 en 24 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State zijn mede van toepassing.
  § 4. In afwijking van de artikel 17, § 2, derde lid, en 18, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten, kunnen arresten waarbij de schorsing wordt uitgesproken of voorlopige maatregelen worden bevolen, ingetrokken, noch gewijzigd worden.

  Art. 18. § 1. Het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt gevoegd bij de kennisgeving van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de beroepen en over de vorderingen waarop dit hoofdstuk betrekking heeft.
  De termijn waarbinnen krachtens artikel 17, § 4bis of § 4ter, van de gecoördineerde wetten om de voortzetting van de procedure kan worden verzocht, bedraagt vijftien dagen.
  In de in het eerste lid bedoelde kennisgeving wordt melding gemaakt van de gevolgen die door artikel 17, § 4bis of § 4ter, van de gecoördineerde wetten aan de afwezigheid van een aanvraag tot voortzetting van de procedure in de voorgeschreven termijn worden verbonden.
  § 2. Wanneer naar aanleiding van een arrest waarbij een schorsing is bevolen, de verwerende partij of degene die belang heeft bij de beslechting van de zaak niet binnen de in § 1, tweede lid, gestelde termijn bij een ter post aangetekende brief een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, stelt de hoofdgriffier op verzoek van de auditeur de partijen ervan in kennis dat de kamer uitspraak zal doen over de nietigverklaring van de handeling waarvan de schorsing is bevolen. Na de kennisgeving beschikken de partijen over een termijn van vijftien dagen waarbinnen ze kunnen vragen om te worden gehoord.
  Als geen van de partijen vraagt te worden gehoord, kan de kamer de handeling vernietigen, zonder dat ze daarbij aanwezig zijn.
  Als een partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen op om spoedig te verschijnen.
  § 3. Wanneer naar aanleiding van een arrest waarbij een vordering tot schorsing is afgewezen, de verzoekende partij niet binnen de in § 1, tweede lid, gestelde termijn bij een ter post aangetekende brief een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, stelt de hoofdgriffier haar ervan in kennis dat de kamer de afstand van het geding zal uitspreken, tenzij ze binnen een termijn van vijftien dagen vraagt te worden gehoord.
  Als ze niet vraagt te worden gehoord, spreekt de kamer de afstand van het geding uit.
  Als ze vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen bijeen om spoedig te verschijnen voordat de kamer uitspraak doet over de afstand van het geding.
  Indien verscheidene verzoekende partijen eenzelfde vordering tot schorsing en eenzelfde beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld en als slechts sommigen onder hen een verzoek tot voortzetting van de procedure hebben ingediend, worden de anderen geacht afstand te doen van het geding en wordt in het arrest over het beroep tot nietigverklaring ook uitspraak gedaan over de afstand van het geding door degenen die geen verzoek tot voortzetting van de procedure hebben ingediend.
  § 4. De in artikel 21, eerste lid, bepaalde termijn van dertig dagen waarbinnen de memorie van antwoord op het verzoekschrift tot nietigverklaring kan worden overgezonden, gaat in vanaf het ogenblik dat het arrest waarbij de schorsing wordt bevolen, ter kennis wordt gebracht van de verwerende partij. Dezelfde termijn gaat in vanaf de kennisgeving van het verzoek tot voortzetting van de procedure dat de verzoekende partij indient als de vordering bij arrest is afgewezen.

  Art. 19. De mededelingen, oproepingen en kennisgevingen gericht aan de partijen of aan de personen die belang hebben bij de beslechting van de zaak kunnen per bode geschieden, tegen ontvangbewijs. Bij uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen ze ook per fax geschieden.
  Alleen in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de verzoekende partij haar vordering tot schorsing of haar vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen per fax verzenden, waarbij ze die fax uiterlijk op de terechtzitting met haar handtekening moet authentiseren.
  De verwerende partij kan het administratief dossier en haar nota met opmerkingen per bode bezorgen, tegen ontvangbewijs.
  Bij elk processtuk worden door degene die het stuk ondertekent zes eensluidend verklaarde afschriften gevoegd.

  HOOFDSTUK III. - Nietigverklaring.

  Afdeling 1. - Verzoekschrift.

  Art. 20. Het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt uiterlijk dertig dagen na kennisgeving van de bestreden handeling ingediend.
  Het verzoekschrift wordt ondertekend door de partij of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, derde lid, van de gecoördineerde wetten. Het wordt gedagtekend en bevat :
  1° de naam, hoedanigheid, nationaliteit, woonplaats of zetel van de verzoekende partij, alsook de door haar gekozen woonplaats, en, indien mogelijk, het kenmerk van haar dossier bij de verwerende partij;
  2° het onderwerp van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en de middelen;
  3° de naam en het adres van de verwerende partij;
  4° de taal die in artikel 35 voor het verhoor wordt bepaald.
  Op de rol worden niet geplaatst :
  1° beroepen waarvoor het recht bepaald in artikel 70 van de algemene procedureregeling niet overeenkomstig artikel 71 van die procedureregeling is betaald;
  2° beroepen zonder afschrift van de bestreden akte of van het stuk waarbij de handeling ter kennis is gebracht van de verzoekende partij, alsook, wanneer het gaat om een beslissing waarvan met toepassing van artikel 64 van de wet van 15 december 1980 om de herziening is verzocht, zonder afschrift van het verzoek tot herziening dat bij de minister is ingediend;
  3° beroepen waarbij geen zes eensluidend verklaarde afschriften ervan gevoegd zijn.

  Afdeling 2. - Voorafgaande maatregelen en behandeling door de afdeling administratie.

  Art. 21. De voorafgaande maatregelen en de behandeling door de afdeling administratie verlopen overeenkomstig de artikelen 5 tot 8, 13, 14ter en 16 tot 25 van de algemene procedureregeling. De termijn waarbinnen de memorie van antwoord en het administratief dossier, alsook de memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie moeten worden ingediend, bedraagt evenwel dertig dagen.
  Wanneer met toepassing van artikel 64 van de wet van 15 december 1980 een verzoek tot herziening is ingediend, gaat de termijn waarbinnen de memorie van antwoord en het administratief dossier moeten worden ingediend, in de dag dat uitspraak wordt gedaan over de ontvankelijkheid van dat verzoek.

  Art. 22. De hoofdgriffier maakt melding van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten wanneer de memorie van antwoord ter kennis wordt gebracht van de verzoekende partij of wanneer hij de verzoekende partij ervan in kennis stelt dat er binnen de voorgeschreven termijn geen memorie van antwoord is ingediend.
  Met het oog op de toepassing van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, stelt de hoofdgriffier de partijen ervan in kennis dat de kamer het ontbreken van het vereiste belang zal uitspreken, tenzij één van hen vraagt binnen vijftien dagen te worden gehoord.
  Als geen van de partijen vraagt te worden gehoord, stelt de kamer vast dat het vereiste belang ontbreekt.
  Als een partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen op om spoedig te verschijnen. De kamer doet onverwijld uitspraak over het ontbreken van het vereiste belang.

  Art. 23. Nadat de voorafgaande maatregelen zijn uitgevoerd, maakt de auditeur een verslag op waarin hij aangeeft hoe het geschil volgens hem moet worden beslecht.

  Afdeling 3. - Procedure na verslag.

  Art. 24. § 1. Wanneer de auditeur besluit tot de niet-ontvankelijkheid of de verwerping, brengt de hoofdgriffier het verslag ter kennis van de verzoekende partij die vijftien dagen de tijd heeft om te vragen dat de procedure wordt voortgezet zodat ze kan worden gehoord.
  Als de verzoekende partij niet vraagt te worden gehoord, bezorgt de hoofdgriffier het dossier aan de voorzitter zodat deze de afstand van het geding uitspreekt, overeenkomstig artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten. Het verslag van de auditeur wordt samen met het arrest ter kennis gebracht van de partijen die het nog niet zouden hebben gekregen.
  Als de verzoekende partij vraagt te worden gehoord, bepaalt de voorzitter bij beschikking de datum waarop de partijen moeten verschijnen.
  De hoofdgriffier maakt melding van deze paragraaf wanneer de verzoekende partij kennis wordt gegeven van het verslag waarin wordt besloten dat het beroep niet-ontvankelijk is of moet worden verworpen.
  § 2. Wanneer de auditeur niet besluit tot de niet-ontvankelijkheid of de verwerping van het beroep, bepaalt de voorzitter meteen bij beschikking de datum van de terechtzitting waarop het beroep zal worden behandeld.

  Art. 25. De hoofdgriffier geeft onverwijld kennis van de beschikking waarbij de rechtsdag wordt bepaald aan de auditeur en aan de verzoekende, verwerende en tussenkomende partij.
  De partijen worden vijftien dagen op voorhand van de datum van de terechtzitting in kennis gesteld.
  De processtukken worden gevoegd bij de oproeping van de partijen die die stukken nog niet zouden hebben ontvangen.

  Afdeling 4. - Verkorte procedures.

  Art. 26. Wanneer blijkt dat de vordering slechts korte debatten vereist, zendt de auditeur onmiddellijk zijn verslag toe aan de voorzitter.
  De voorzitter roept de verzoekende partij, de verwerende partij, de tussenkomende partij en de partij die belang heeft bij de beslechting van de zaak op om spoedig te verschijnen. Het verslag wordt bij de oproeping gevoegd.
  Indien de kamer het eens is met de conclusies van het verslag van de auditeur, wordt de zaak definitief beslecht. In het tegenovergestelde geval wordt de procedure overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 voortgezet.

  Art. 27. Wanneer de auditeur oordeelt dat de afstand van de verzoekende partij kan worden uitgesproken, dat de Raad van State kennelijk niet bevoegd is of dat het beroep zonder onderwerp, kennelijk onontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, stelt hij de voorzitter hiervan onmiddellijk in kennis.
  De voorzitter roept de verzoekende partij, de verwerende partij, de tussenkomende partij en de partij die belang heeft bij de beslechting van de zaak op om spoedig te verschijnen. In het bericht van bepaling van de rechtsdag wordt bondig het standpunt van de auditeur en de motivering ervan weergegeven.
  Ter terechtzitting verleent de voorzitter het woord aan de auditeur, die uiteenzet om welke redenen de afstand van het geding kan worden uitgesproken, de Raad van State kennelijk niet bevoegd is of de vordering zonder onderwerp, kennelijk onontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
  De kamer doet onverwijld uitspraak. Indien ze bij haar arrest oordeelt dat de afstand van het geding kan worden uitgesproken, dat de Raad van State kennelijk niet bevoegd is of dat het beroep doelloos, kennelijk onontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, wordt de zaak definitief beslecht. In het tegenovergestelde geval wordt de procedure overeenkomstig de artikelen 21 tot 26 voortgezet.

  Afdeling 5. - Tussengeschillen.

  Art. 28. De procedure verloopt overeenkomstig de artikelen 51, 52 en 55 tot 65 van de algemene procedureregeling, wat de tussengeschillen betreft.

  Art. 29. Wanneer een in artikel 26 of artikel 27 bedoelde procedure van toepassing is, stelt de hoofdgriffier degenen die belang hebben bij de beslechting van de zaak in kennis van het beroep samen met het bericht van bepaling van de rechtsdag. Het verzoek tot tussenkomst wordt gedaan binnen de termijn die voorafgaat aan de vastgestelde rechtsdag of wordt uiterlijk ter terechtzitting ingediend.
  Wanneer een in artikel 26 bedoelde procedure van toepassing is, wordt het verslag bovendien bij het bericht van bepaling van de rechtsdag gevoegd.

  Afdeling 6. - Gemeenschappelijke bepalingen die gelden voor hoofdstuk III.

  Art. 30. Bij elk processtuk worden zes door de ondertekenaar eensluidend verklaarde afschriften gevoegd.
  De artikelen 36 en 39 van de algemene procedureregeling zijn mede van toepassing.

  HOOFDSTUK IV. - Administratieve cassatie.

  Art. 31. (Opgeheven) <KB 2006-11-30/31, art. 55, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  HOOFDSTUK V. - Kosten en Pro Deo.

  Afdeling 1. - Kosten.

  Art. 32. De artikelen 66 tot 77 van de algemene procedureregeling zijn van toepassing wat de kosten betreft, onder het volgende voorbehoud :
  1° de verwijzing in artikel 70, § 1, tweede lid, van die regeling naar de artikelen 15bis en 15ter van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State dient te worden beschouwd als een verwijzing naar artikel 18 van dit besluit;
  2° de verwijzing in artikel 70, § 1, derde lid, van dezelfde regeling naar de artikelen 93 en 94 van die regeling dient te worden beschouwd als een verwijzing naar de artikelen 26 en 27 van dit besluit;
  3° (wanneer in de vordering tot schorsing de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, wordt) het in artikel 70, § 1, 2°, en § 2, eerste lid, van die regeling vastgestelde recht, behoudens overmacht, uiterlijk ter terechtzitting betaald (...). Het recht wordt ingevorderd door toedoen van de hoofdgriffier overeenkomstig artikel 69, tweede lid, van de algemene procedureregeling, wanneer het niet vooraf betaald is. <KB 2006-12-21/41, art. 71, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Afdeling 2. - Pro Deo.

  Art. 33. Elke verzoekende of tussenkomende partij in een procedure die bij dit besluit geregeld wordt, kan het voordeel van het pro Deo vragen.
  Het voordeel van het pro deo wordt verleend aan :
  1° iedere persoon die steun ontvangt van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, onder overlegging van een attest van dat centrum;
  2° iedere persoon die gevangen gehouden wordt of die op een bepaalde plaats wordt vastgehouden;
  3° iedere minderjarige, onder overlegging van een identiteitsbewijs of van enig ander document waaruit zijn staat blijkt;
  4° iedere persoon die verklaart dat hij juridische tweedelijnsbijstand geniet in de zin van artikel 508/1 van het Gerechtelijk Wetboek;
  5° iedere andere persoon die met bewijskrachtige documenten aantoont dat zijn geldmiddelen ontoereikend zijn.
  De artikelen 80 tot 83bis van de algemene procedureregeling zijn mede van toepassing.

  HOOFDSTUK VI. - Gemeenschappelijke bepalingen die gelden voor de hoofdstukken II tot V.

  Art. 34. Degenen, met inbegrip van de tussenkomende partij, die een beroep of vordering instellen als bedoeld in dit besluit, moeten in België woonplaats kiezen. De keuze van woonplaats die vastgelegd wordt in de eerste proceshandeling geldt voor de latere handelingen, behoudens kennisgeving aan de hoofdgriffier van een uitdrukkelijke wijziging. De keuze van woonplaats die vastgelegd is in de vordering tot schorsing heeft voorrang op elke andere keuze van woonplaats.
  Elke kennisgeving wordt door de hoofdgriffier geldig ter gekozen woonplaats gedaan.

  Art. 35. Wanneer de taal die in de vordering of het verzoekschrift vermeld wordt voor de verhoren, niet het Nederlands, het Frans of het Duits is en de verzoekende partij niet het Nederlands of het Frans heeft gekozen als taal waarin haar asielaanvraag door de overheid wordt onderzocht, roept de hoofdgriffier een tolk op indien de kamer besluit de verzoekende partij te horen.
  De kostenvergoeding voor de tolk wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 73 tot 75 van de algemene procedureregeling.

  Art. 36. De partijen en hun advocaat kunnen gedurende de in de beschikking tot vaststelling van de rechtsdag bepaalde tijd ter griffie inzage nemen van het dossier.

  Art. 37. § 1. Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd.
  Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is, wordt de vordering afgewezen of het beroep verworpen. De andere partijen die niet verschijnen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep.
  § 2. Een ander lid van de kamer dan het lid dat eventueel het aanvullend verslag over de onderzoeksverrichtingen heeft opgemaakt, vat de toedracht van de zaak, alsook de middelen van de partijen samen.
  § 3. De partijen en hun advocaat mogen hun opmerkingen mondeling voordragen.
  Geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke in de vordering, het verzoekschrift of de memories uiteengezet zijn.
  § 4. De auditeur stelt de vragen die nodig zijn voor zijn advies. Indien hij nieuwe gegevens wenst aan te brengen, deelt hij die mede en worden de partijen over die gegevens gehoord.
  De auditeur wordt gehoord in zijn advies.
  § 5. De voorzitter verklaart de debatten voor gesloten en neemt de zaak in beraad.

  Art. 38. De artikelen 27, 34, 35, 37, 84, eerste tot vijfde lid, en 86 tot 92 van de algemene procedureregeling zijn mede van toepassing.

  Art. 39. In afwijking van artikel 90, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten, houden de kamers van de afdeling administratie zitting met één lid inzake beroepen tot nietigverklaring (...) ingesteld tegen beslissingen genomen met toepassing van een andere wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen dan de wet van 15 december 1980. <KB 2006-11-30/31, art. 55, 3°, 002; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 40. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van artikel 37, § 1.
  Benevens de bij dat besluit opgelegde afschriften, mogen de partijen een afschrift van hun processtukken en van hun dossier per elektronische post overzenden op het adres en met het door de hoofdgriffier aangegeven kenmerk.

  HOOFDSTUK VII. - Wijzigings-, opheffings- en slotbepalingen.

  Art. 41. In de bijlagen 3bis, 11, 11bis, 13, 13bis, 13ter, 13quater, 14, 14bis, 15ter, 17, 19quater, 19quinquies, 20, 21, 23, 24, 25bis, 25ter, 25quater, 26bis, 26ter, 26quater, 33bis, 34, 36, 38 en 39 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen worden de woorden "binnen zestig dagen" vervangen door de woorden "binnen dertig dagen".

  Art. 42. Het koninklijk besluit van 22 juli 1981 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State in geval van beroep tegen de beslissingen bedoeld in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 1992, wordt opgeheven.

  Art. 43. Dit besluit is van toepassing op de lopende procedures.
  Niet van toepassing zijn evenwel :
  1° de artikelen 3, 9 en 20 op de procedures betreffende beroepen ingesteld tegen beslissingen die ter kennis gebracht zijn vóór de inwerkingtreding van dit besluit;
  2° hoofdstuk II, met uitzondering van artikel 18, op de procedures betreffende beroepen die ingesteld zijn vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit;
  3° de termijnen bepaald bij de artikelen 18, 21, 22 en 24 op de procedures betreffende beroepen ingesteld vóór de inwerkingtreding van dit besluit wanneer in de kennisgevingen van de hoofdgriffier een andere termijn wordt vermeld.
  In de in het tweede lid bedoelde gevallen verloopt de procedure overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 44. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 45. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 9 juli 2000.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  A. DUQUESNE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 30, vervangen bij de wet van 17 oktober 1990 en gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1996 en 18 april 2000;
   Gelet op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   Gelet op het koninklijk besluit van 22 juli 1981 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State in geval van beroep tegen de beslissingen bedoeld in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 1992;
   Gelet op het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 25 mei 2000;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 9 juni 2000;
   Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de inwerkingtreding op 30 mei 2000, van de wet van 18 april 2000 tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, evenals de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Aangezien het aangewezen is, rekening houdend met het groeiend belang van deze geschillen evenals met de noodzaak in te staan voor een snellere en efficiëntere behandeling door de Raad van State, zo snel mogelijk de nieuwe bijzondere procedureregeling inzake geschillen voor de Raad van State over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen te kunnen toepassen. Aangezien het er meer bepaald zo aan toe gaat wat betreft de verzoekschriften die heel binnenkort zouden kunnen ingediend worden tegen beslissingen genomen in toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en dit, ingevolge de oprichting van de kamers van de Commissie voor regularisatie die krachtens deze wet opgericht werd. Aangezien het voorontwerp van bijzondere procedureregeling trouwens werd opgesteld door de afdeling wetgeving van de Raad van State, met toepassing van artikel 6 van zijn gecoördineerde wetten en dat alleen enkele detailwijzigingen aan deze tekst werden aangebracht;
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 20 juni 2000, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en op het advies van Onze in Raad ve
rgaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-12-2006 GEPUBL. OP 29-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 32)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-11-2006 GEPUBL. OP 01-12-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 31; 39)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       - Artikel 30 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, zoals gewijzigd bij wet van 18 april 2000, machtigt de Koning om, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bijzondere procedureregels vast te leggen inzake het vreemdelingencontentieux, teneinde het hoofd te kunnen bieden aan het aantal beroepen in deze materie.
       Het ontwerp van besluit, waarvan ik de eer heb het aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, werd door de Raad van State opgesteld met toepassing van artikel 6 van voornoemde wetten.
       De afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft erover gewaakt dat dit ontwerp gemakkelijk leesbaar is. Ze heeft er met dat doel voor ogen voor geopteerd om alleen te verwijzen naar de algemene procedureregeling en naar verschillende artikelen van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Ze heeft bij gelegenheid in enkele bepalingen kleinere wijzigingen aangebracht, zonder evenwel de betekenis ervan te wijzigen.
       Ongeacht het streven naar een zo groot mogelijke leesbaarheid werden bepalingen die alleen maar een hogere norm in herinnering brengen niet opgenomen, ten einde elke verwarring te vermijden.
       Zo is bijvoorbeeld de regel dat tegen arresten waarbij een schorsing wordt uitgesproken of waarbij voorlopige maatregelen worden opgelegd geen verzet of derden-verzet mogelijk is en die arresten niet vatbaar zijn voor herziening, niet opgenomen, omdat hij in het nieuwe artikel 30 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State staat.
       Zo ook moeten de volgende rechtsregels in acht worden genomen, ook al wordt er niet naar verwezen :
       1° artikel 15 van de gecoördineerde wetten in geval van cassatie;
       2° artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten, wil men eventueel een dwangsom opleggen;
       3° artikel 17, § 6, tweede en derde lid, van dezelfde wetten en artikel 21 van het koninklijk besluit van 5 december 1991, indien schorsing wegens machtsafwending of wegens schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, wordt bevolen;
       4° artikel 17, § 7, van dezelfde wetten om een schorsing op te heffen, wanneer de bevoegde kamer de eerder geschorste bestreden handeling niet nietig verklaart;
       5° artikel 21bis, §§ 1 en 2, van dezelfde wetten wat het optreden van een tussenkomende partij betreft;
       6° artikel 24 van dezelfde wetten zoals dat thans geldig is en in het licht waarvan artikel 23 van het ontwerp moet worden gelezen;
       7° artikel 28 van dezelfde wetten, waardoor een verwijzing naar artikel 33 van de algemene procedureregeling overbodig wordt;
       8° artikel 90, § 2, van dezelfde wetten voor de samenstelling van de kamers die rechtspreken in kort geding;
       9° artikel 90, § 3, van dezelfde wetten wat betreft de mogelijkheid om zitting te houden met drie staatsraden;
       10° artikel 91 van dezelfde wetten, wanneer een bepaalde kamer geoordeeld heeft dat er sprake is van machtsoverschrijding;
       11° de artikelen 92 tot 98 van dezelfde wetten ingeval de zaak wordt doorverwezen naar de algemene vergadering.
       Er hoeft bijgevolg niet verwezen te worden naar :
       1° de artikelen 33 tot 35 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, aangezien zij niet de rechtspleging vóór de Raad van State regelen, maar de beroepen tegen de arresten van de Raad;
       2° artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, aangezien dit artikel veeleer een rechtsmiddel instelt, dan procedureregels voorschrijft.
       Deze bepalingen zijn in alle gevallen van toepassing.
       Ten slotte dient erop gewezen te worden dat de artikelen 51 en volgende van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van toepassing blijven op alle gevallen waarin artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 niet geldt.
       Algemeen opzet van het ontwerp
       De termijnen voor het instellen van een beroep, voor het indienen van de memories en om de voortzetting van de procedure te vragen, worden verkort om de procedure te versnellen en misbruik van de procedure bij wijze van vertragingsmanoeuvre tegen te gaan. Vanuit dat oogpunt dient erop gewezen te worden dat de doeltreffendheid van de beroepen bij het vreemdelingencontentieux geen verband houdt met de traditionele termijn van zestig dagen, zoals in het bijzonder blijkt uit het succes van de beroepen in kort geding volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Bovendien komt de voorgestelde termijn van dertig dagen om beroep in te stellen, ook voor in andere bijzondere procedures; die termijn is zelfs langer dan de termijn die in sommige van die procedures is vastgesteld. Hij is ook even lang of langer dan de termijnen die van toepassing zijn op het vreemdelingencontentieux in andere lidstaten van de Europese Unie.
       Het kort geding is gewijzigd. Het verslag van de auditeur is afgeschaft en vervangen door een voorlopig advies (voorlopig, want het definitieve advies wordt ter terechtzitting gegeven), dat beknopter is. De auditeur hoeft evenwel dat advies niet schriftelijk uit te werken, indien hij van oordeel is dat de vordering tot schorsing slechts korte debatten behoeft. In dat geval zal de griffie in het bericht tot bepaling van de rechtsdag beknopt het standpunt van de auditeur opgeven, overeenkomstig diens richtlijnen, zodat de partijen hun pleidooien daarop kunnen afstemmen.
       Er dient evenwel vooral op gewezen te worden dat een vordering tot schorsing alleen maar onderzocht en beoordeeld kan worden volgens een gewone procedure of in korte debatten indien het niet mogelijk is gebruik te maken van de verkorte annulatieprocedures. Het is de bedoeling om het kort geding zoveel mogelijk te bannen.
       Naast de verkorting van de termijnen, wordt de annulatieprocedure gekenmerkt door het schrappen van de laatste memories, en dit steeds om vertragingsmanoeuvres tegen te gaan.
       De aandacht wordt in het bijzonder gevestigd op de twee verkorte procedures die in het leven zijn geroepen en die zowel verzoeker als de verwerende partij voordeel kunnen opleveren.
       De eerste verkorte procedure (artikel 27) geldt alleen voor de geschillen waarbij de oplossing meteen duidelijk lijkt. Ze zal worden toegepast op de beroepen waarvoor de Raad van State kennelijk onbevoegd is, op de beroepen die doelloos zijn, kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk niet-gegrond, kennelijk gegrond, of nog in het geval waarin er aanleiding is voor afstand van het geding. Aangezien het gaat om voor de hand liggende oplossingen, geschiedt de procedure mondeling. De auditeur zal zich ertoe beperken zeer beknopt de oplossing die hij voorstaat en de motivering daarvoor, door te geven aan de griffie, die die opneemt in het bericht tot vaststelling van de rechtsdag, en op de terechtzitting zal hij als eerste spreken om zijn standpunt uiteen te zetten. Voorts zal te werk worden gegaan volgens de gewone procedure.
       De tweede verkorte procedure (artikel 26) is bestemd voor de beroepen waarvoor, in de fase van de nietigverklaring, slechts korte debatten nodig zijn. Het gaat om zaken waarvan de oplossing, ook al ligt die niet onmiddellijk voor de hand, toch gemakkelijk gevonden kan worden in een kort debat.
       De gewone procedure is alleen bestemd voor de zaken die problemen opleveren waarvoor grondigere debatten en een grondiger onderzoek vereist zijn.
       Zulk een indeling van procedures is mogelijk bij het vreemdelingencontentieux, waar het mogelijk is een onderscheid te maken tussen de eenvoudige en de complexe zaken.
       Het begrip korte debatten en de combinatie van het kort geding en de bodemprocedure dienen nader omschreven te worden.
       Het begrip zaken die slechts korte debatten behoeven in een kort geding heeft een specifieke inhoud, die in principe verschilt van de inhoud van dat begrip bij de geschillen tot nietigverklaring. De zaken die in de fase van het kort geding in korte debatten worden behandeld, zijn de zaken die, om redenen die eigen zijn aan het kort geding, in die fase gemakkelijk te beoordelen zijn, wat daarom nog niet het geval is in de fase ten gronde (anders zou er grond zijn om gebruik te maken van de verkorte annulatieprocedures). Het gaat bijvoorbeeld om vorderingen tot schorsing die niet ontvankelijk zijn, terwijl het beroep tot nietigverklaring dat misschien wel is : vorderingen tot schorsing die geen uiteenzetting van de feiten bevatten waaruit blijkt dat er een ernstig nadeel is; vorderingen tot schorsing ingesteld tegen beslissingen van een administratief rechtscollege, enz. Het kan ook gaan om zaken waarin alleen de vordering tot schorsing niet gegrond blijkt, onder andere wanneer het aangevoerde ernstig nadeel niet meer actueel is. Het kan ten slotte ook gaan om zaken waarin het ernstig nadeel vaststaat en waarin de auditeur ervan overtuigd is, op grond van een vaste rechtspraak in het kort geding, dat een bepaald middel ernstig is, maar waarin het riskant zou zijn de bodemprocedure in te korten, bijvoorbeeld omdat een princiepsarrest (eventueel van de algemene vergadering of na een prejudiciële vraag) wordt verwacht.
       Er dient ten slotte op gewezen te worden dat het ontwerp van reglement aldus is opgevat dat er een schifting van de zaken plaatsvindt, en alleen die zaken die nog altijd van belang zijn en rechtsvragen opwerpen die niet zo gemakkelijk op te lossen zijn, ter terechtzitting worden gebracht.
       Artikelsgewijze bespreking
       - Artikel 1. Definities
       - Artikel 1 van het ontwerp is gedeeltelijk overgenomen uit artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 juli 1981 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State in geval van beroep tegen de beslissingen bedoeld in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een besluit dat nog altijd van kracht is, met uitzondering van artikel 3 en hoofdstuk II ervan die doelloos zijn geworden sinds de opschorting van tenuitvoerlegging op 1 juni 1993 is opgeheven (artikel 33 van de wet van 6 mei 1993 dat artikel 70 van de wet van 15 december 1980 vervangt).
       - Artikel 3. Instellen van de vordering tot schorsing
       1° Uit de samenlezing van artikel 17, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten en van artikel 20 van het ontworpen besluit blijkt dat de termijn waarbinnen een vordering tot schorsing kan worden ingesteld maximaal dertig dagen bedraagt. Die termijn is nieuw : het is de bedoeling de schorsing opnieuw het spoedeisende karakter te geven dat eigen is aan een schorsing en te voorkomen dat ze om dilatoire redenen wordt gebruikt, zoals de Raad van State in zijn jaarverslagen 1994-1995 (blz. 262-263) en 1995-1996 (blz. 158) heeft opgemerkt.
       2° Net zoals de vermelding van de verwerende partij is de vermelding van het dossiernummer slechts een ontvankelijkheidsvereiste als het onderwerp van het beroep zonder die vermelding niet kan worden bepaald. Deze vermelding is vooral bedoeld om ervoor te zorgen dat de overheid makkelijker kan te weten komen wie de verzoekende partij is en om ervoor te zorgen dat het dossier snel kan worden overgezonden. De gekozen woonplaats is daarentegen wel een ontvankelijkheidsvereiste (zie artikel 34).
       3° Voorts is artikel 3, eerste lid, grotendeels overgenomen uit artikel 8, eerste lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding vóór de Raad van State.
       4° In onderdeel 1° van het tweede lid wordt herinnerd aan de klassieke regel die vervat is in artikel 96 van het besluit van de Regent van 15 april 1949 houdende goedkeuring van het reglement van orde van de Raad van State en aan de rechtspraak. Net zoals nu zal die regel worden toegepast onder voorbehoud van bijzondere bepalingen betreffende de schorsing volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid (zie hieronder) en de mogelijkheid om kosteloze rechtsbijstand aan te vragen.
       De onderdelen 2° en 3° van het tweede lid bevatten nieuwe bepalingen die noodzakelijk geworden zijn omdat vele verzoekers de stukken die onmisbaar zijn om de procedure vlot te laten verlopen, niet overzenden. Aangezien de bestreden handeling in principe de taalrol van de zaak bepaalt, zet de verplichting om dit stuk te vragen dus de deur open voor vertragingsmanoeuvres, terwijl het beroep al op de rol gebracht moest zijn. Ook komt het vaak voor dat te weinig kopieën zijn bijgevoegd en dat tevergeefs om extra kopieën wordt gevraagd. Dat brengt zware kosten mee voor de Raad van State, omdat hij dan zelf de noodzakelijke kopieën moet laten maken.
       Die verplichting is overigens niet overdreven : artikel 62 van de wet van 15 december 1980 en artikel 13 van de wet van 22 december 1999 bepalen immers dat een afschrift van de beslissingen aan de betrokkenen moet worden bezorgd. Zoals het Arbitragehof in diverse arresten heeft opgemerkt, kan overmacht bovendien altijd als voorbehoud worden aangevoerd (bijvoorbeeld Arbitragehof, nr. 32/95 van 4 april 1995) en kan het worden toegepast als een louter mondelinge beslissing wordt aangevochten waarvoor geen schriftelijk stuk is afgegeven.
       Bovendien zullen de diensten van de griffie van de Raad van State, ondanks dat de vordering niet op de rol is gebracht, de betrokkenen er toch op attent maken dat hun vorderingen niet op de rol kunnen worden geplaatst en zullen ze hen verzoeken vooralsnog de ontbrekende zegels aan te brengen of de ontbrekende stukken te bezorgen. Dat verzoek doen de diensten van de griffie nu ook reeds als de zegels ontbreken (zie Vademecum betreffende de toepassing van de nieuwe procedureregels, bekendgemaakt door de Raad van State in het Belgisch Staatsblad van 14 januari 1999, punt 2.1).
       - Artikel 4. Verband tussen kort geding en nietigverklaring
       - Artikel 4 bevat een besparingsmaatregel, zowel op het niveau van de middelen als van de procedures, die in de mate van het mogelijke moet worden geëerbiedigd.
       - Artikel 5. Behandeling van de vordering tot schorsing door de griffie
       In artikel 5 wordt artikel 10, eerste lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 overgenomen.
       - Artikel 6. Houding van de verwerende partij
       In artikel 6 wordt artikel 11, eerste en derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 overgenomen. Het tweede lid van dat artikel 11 wordt niet overgenomen, omdat de nota met opmerkingen samen met het bericht van bepaling van de rechtsdag aan de andere partijen wordt overgezonden (zie hierna).
       - Artikel 7. Behandeling van de zaak door de Raad van State
       1° Artikel 7, paragrafen 1 en 2, eerste lid, is nieuw. Dat vloeit voort uit het feit dat geen verslag meer zal worden opgemaakt Die maatregel is ingegeven door het streven om het kort geding tot een onderzoek prima facie te beperken, wat het afhandelen van vorderingen in kort geding zou moeten versnellen, zonder dat wordt vooruitgelopen op de grond van de zaak.
       Zoals reeds aangegeven worden geen verslagen meer opgemaakt in kort geding. Het verslag wordt vervangen door een voorlopig advies waarin de auditeur beknopt een oplossing voor het geschil voorstelt en zich beperkt tot wat daartoe strikt noodzakelijk is. Dat voorlopige advies wordt bij het dossier gevoegd en wordt samen met het bericht van bepaling van de rechtsdag aan de partijen overgezonden.
       Voor zaken waar het kort geding en het onderzoek ten gronde niet kunnen worden samengevoegd, maar waarvoor de procedure in kort geding slechts korte debatten vereist, hoeft de auditeur evenwel geen voorlopig advies uit te brengen. In dat geval wordt in het bericht van bepaling van de rechtsdag alleen vermeld dat de auditeur voorstelt te besluiten dat de vordering tot schorsing op basis van een bepaald middel moet worden toegewezen, dat de vordering moet worden afgewezen op grond dat ze niet-ontvankelijk is, waarbij in algemene bewoordingen deze grond wordt aangegeven (het beroep is te laat ingesteld, de handeling is niet vatbaar voor beroep, . ), of dat de vordering ongegrond is waarbij wordt aangegeven of dit wegens ontstentenis van ernstige middelen is, dan wel wegens ontstentenis van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Het is hier dus niet de bedoeling argumenten aan te voeren, maar de partijen in te lichten welke wending de zaak op de terechtzitting wellicht zal nemen. Daarbij wordt nogmaals opgemerkt dat het dan wel om een zaak moet gaan die gemakkelijk kan worden beoordeeld.
       2° De andere bepalingen zijn overgenomen uit artikel 13 van het koninklijk besluit van 5 december 1991. Daarbij zijn evenwel drie opmerkingen te maken :
       a. de bepaling dat bij het bericht van de vaststelling van de rechtsdag processtukken worden gevoegd, is ingegeven door de zorg om het aantal verzendingen te beperken en aldus de toch al omvangrijke taak van de griffie te verlichten;
       b. de bepalingen van artikel 14 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 worden niet meer overgenomen, omdat geen verslag meer zal worden opgemaakt en omdat sinds de inwerkingtreding van de wet van 4 augustus 1996 altijd door alleensprekende staatsraden uitspraak over vorderingen tot schorsing wordt gedaan;
       c. het begrip " binnen korte tijd " dat in § 3 wordt opgenomen beoogt de Raad van State toe te laten de noodzaak van een snelle procedure te verenigen met de mogelijkheid zich te kunnen verzekeren dat de partijen wel op de hoogte werden gebracht van de vaststelling van de rechtsdag.
       De Raad van State zal bijgevolg de datum van de zitting zo vlug mogelijk vaststellen rekening houdend met de verzending van het bericht tot bepaling van de rechtsdag bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs (Artikel 38 van het ontwerp dat verwijst naar artikel 84 van de algemene procedureregeling).
       Indien hij dit noodzakelijk acht, zal de Raad van State evenwel het bericht tot bepaling van de rechtsdag per bode, tegen ontvangstbewijs, kunnen verzenden.
       - Artikel 8. Bijzondere regels in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid
       1° Paragraaf 1 wijkt af van artikel 3, tweede lid, van het ontworpen besluit. Net zoals nu het geval is, moeten vorderingen tot schorsing volgens de procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid immers zo vlot mogelijk kunnen worden afgehandeld. De bijlagen, inzonderheid de bestreden handeling, moeten in principe altijd worden bijgevoegd, maar er wordt afgeweken van de regel dat de vordering niet op de rol wordt geplaatst als die verplichting niet wordt nagekomen. Er valt evenwel op te merken dat het feit dat de bestreden handeling niet wordt overgezonden, verzoeker nadeel kan berokkenen als door dat verzuim het onderwerp van het beroep onduidelijk blijft of de zaak per vergissing aan een kamer van een andere taalrol wordt toegewezen.
       Zoals verder nog zal worden opgemerkt, en onder voorbehoud van pro-Deoaanvragen of geval van overmacht, wordt voorgesteld dat de zegels tijdens de terechtzitting kunnen worden aangebracht.
       Het instellen van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt vergemakkelijkt doordat de vordering per fax kan worden ingediend, zonder dat daarbij overmacht dient te worden aangevoerd, zoals thans niet het geval is (arrest Servais, nr. 61.104 van 1 augustus 1996).
       2° In uitvoering van de machtiging voorzien in artikel 30 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, wijkt paragraaf 3 af van artikel 17 van dezelfde gecoördineerde wetten, ten einde de bevestigingsprocedure in geval van schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid en bij verstek op te heffen.
       De opheffing van de bevestiging is een terugkeer naar wat onder de regeling van het voornoemde koninklijk besluit van 22 juli 1981 gold. Ze sluit aan bij het opzet om de procedures voor de geschillen in vreemdelingenzaken te stroomlijnen en het aantal procedures, die in die materie op zich al talrijk zijn, binnen de perken te houden. Als een schorsing ten onrechte bij uiterst dringende noodzakelijkheid is bevolen, wordt dit goedgemaakt doordat het beroep tot nietigverklaring uiteindelijk zal worden verworpen. Overigens daarvan blijkt dat de verwerende partijen, die hier voornamelijk worden beoogd, in principe voorzieningen treffen om op de terechtzittingen te worden vertegenwoordigd. Terechtzittingen ter bevestiging van een schorsing zijn dus uitzonderlijk, zodat de opheffing ervan geen grote moeilijkheden zou mogen opleveren.
       3° Op te merken valt dat niet wordt verwezen naar artikel 18 van het koninklijk besluit van 5 december 1991, aangezien dat artikel door de opheffing van de bevestigingsprocedure overbodig is geworden.
       - Artikel 9. Vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen
       - Artikel 9 stemt, mutatis mutandis, overeen met de artikelen 25 en 26 van het koninklijk besluit van 5 december 1991.
       Het laatste lid is de tegenhanger van artikel 3, tweede lid, van het ontwerp.
       - Artikel 10. Behandeling van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen door de griffie
       - Artikel 10 is overgenomen uit artikel 28 van het koninklijk besluit van 5 december 1991.
       - Artikel 11. Houding van de andere partijen
       - Artikel 11 is overgenomen uit artikel 29 van het voornoemde koninklijk besluit.
       - Artikel 12. Gezamenlijke behandeling van de vordering tot schorsing en van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen
       - Artikel 12 stemt overeen met artikel 27 van het koninklijk besluit van 5 december 1991.
       - Artikel 13. Behandeling van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen door de Raad van State
       In artikel 13 wordt in essentie verwezen naar artikel 7, §§ 2 tot 4, dat hiervoren al is behandeld.
       - Artikel 14. Vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wegens uiterst dringende noodzakelijkheid
       1° Artikel 14 is de tegenhanger van artikel 33 van het koninklijk besluit van 5 december 1991, maar werkt met verwijzingen.
       2° Artikel 9, eerste en tweede lid, is van toepassing. Daarin wordt immers bepaald wanneer een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingesteld en welke essentiële gegevens erin moeten worden vermeld. Artikel 9 bepaalt bovendien dat de uiterst dringende noodzakelijkheid met redenen moet worden omkleed, een verplichting die nu vervat is in artikel 26 van het koninklijk besluit van 5 december 1991. Het derde lid daarentegen is niet van toepassing verklaard met het oog op een zo efficiënt mogelijk verloop van de procedures onder aanvoering van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
       Uit de verwijzing naar artikel 8, § 2, en uit het feit dat de artikelen 11 en 13 niet van toepassing zijn, blijkt dat de procedure, net zoals nu, op dezelfde manier zal verlopen als bij vorderingen tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid.
       3° Tot slot vervalt de bevestigingsprocedure, net als bij vorderingen tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid.
       - Artikel 15. Opheffing van de schorsing en van de voorlopige maatregelen
       De procedure wordt vereenvoudigd en sluit aan bij artikel 5 van de wet van 25 mei 1999 waarbij de gecoördineerde wetten op de Raad van State zijn gewijzigd.
       - Artikel 16. Tussenkomst in het kort geding
       1° Artikel 16, eerste lid, is overgenomen uit artikel 10, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991. De termijn waarbinnen een verzoek tot tussenkomst kan worden ingediend, is evenwel verkort zodat zo snel mogelijk uitspraak kan worden gedaan (dankzij die termijn zal de auditeur de zekerheid hebben dat hij, wanneer hij het dossier ontvangt, in principe over alle gegevens van de zaak beschikt).
       2° Het tweede lid is ingegeven door hetzelfde streven als artikel 3, tweede lid, 1°, hierboven. Er wordt wel een uitzondering gemaakt in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid, overeenkomstig artikel 71, derde lid, van de algemene procedureregeling, zoals de algemene vergadering van de Raad van State dat artikel heeft geïnterpreteerd toen ze het Vademecum heeft opgesteld (punt 20).
       3° Het voornoemde artikel 10, derde lid, is niet overgenomen, omdat het alleen op verordeningen slaat, terwijl deze procedure uitsluitend voor individuele beslissingen geldt.
       - Artikel 17. Afstand van geding, betichting van valsheid, wraking, onmogelijkheid om arresten gewezen in kort geding in te trekken of te wijzigen
       1° Het "verslag" waarvan sprake in artikel 51, derde lid, van de algemene procedureregeling waarnaar wordt verwezen, heeft betrekking op het schriftelijke verslag van de auditeur of op het verslag ter terechtzitting van de staatsraad wanneer het tussengeschil zich in dat stadium voordoet. Bijgevolg houdt de verwijzing naar die bepaling niet in dat er een schriftelijk verslag moet worden opgemaakt.
       2° De afstand van de vordering tot schorsing zal worden geregeld bij artikel 59 van de algemene procedureregeling die geen bijzondere procedure bevat. De afstand van het geding zal dus volgens de hierboven genoemde procedures kunnen worden behandeld; de auditeur zal een beroep kunnen doen op korte debatten (voor afstand van een beroep tot nietigverklaring : zie hierna).
       3° Om dezelfde redenen als die welke de opheffing van de bevestigingsprocedure rechtvaardigen, wordt voorgesteld om te bepalen dat arresten gewezen in kort geding niet langer kunnen worden ingetrokken of gewijzigd. Die procedures zijn trouwens zeer zeldzaam. De terminologie is overigens ontleend aan de wet en niet aan het koninklijk besluit van 5 december 1991.
       4° Op te merken valt dat de artikelen 22 en 23 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 niet toepasselijk verklaard zijn. Bijgevolg zal in dat geval de hieronder behandelde procedure tot nietigverklaring worden gevolgd.
       - Artikel 18. Voortzetting van de procedure tot nietigverklaring
       1. Voor het gemak zal het verzoekschrift tot nietigverklaring altijd bij de kennisgeving van het arrest over de schorsing worden gevoegd. Om verwarring te voorkomen, zal de griffie bij de toegestuurde stukken het volgende verduidelijken :
       * als de vordering tot schorsing wordt toegewezen, zal ze de verwerende partij meedelen dat de termijn waarbinnen om de voortzetting van de procedure kan worden verzocht en waarbinnen in voorkomend geval een memorie van antwoord kan worden ingediend, ingaat op de datum van die kennisgeving;
       * als de vordering tot schorsing wordt afgewezen,
       a) zal ze de verzoekende partij meedelen dat de termijn waarbinnen om de voortzetting van de procedure kan worden verzocht, ingaat op de datum van die kennisgeving en
       b) zal ze de verwerende partij meedelen dat de termijn waarbinnen een memorie van antwoord kan worden ingediend, pas ingaat op de datum van de kennisgeving van de voortzetting van de procedure, in het geval dat de verzoekende partij om die voortzetting heeft verzocht.
       2° De verzoekende partij krijgt weliswaar vijftien dagen de tijd om te vragen dat de procedure wordt voortgezet, maar de verwerende partij krijgt in elk geval dertig dagen om de memorie van antwoord over te zenden (zie hierna). Daaruit volgt dat de verwerende partij in geval van schorsing verscheidene mogelijkheden heeft :
       a) de procedure niet voortzetten : de kamer zal dan uitspraak doen over het beroep tot nietigverklaring, waarbij ze al dan niet de partijen zal horen, naargelang één van hen al dan niet gevraagd heeft te worden gehoord;
       b) binnen vijftien dagen vragen om de procedure voort te zetten en binnen dertig dagen een memorie van antwoord indienen;
       c) alleen vragen om de procedure voort te zetten, aangezien er geen negatieve gevolgen aan verbonden zijn wanneer geen memorie van antwoord wordt ingediend (zie Arbitragehof, arrest nr. 27/97 van 6 mei 1997);
       d) binnen vijftien dagen alleen een memorie van antwoord indienen, wat neerkomt op het voortzetten van de procedure.
       3° Er wordt verwezen naar artikel 32 wat de belastingzegels betreft.
       - Artikel 19. Diverse bepalingen
       1° Artikel 19 is gedeeltelijk overgenomen uit artikel 3 van het koninklijk besluit van 5 december 1991. Zoals al werd onderstreept, wordt het gebruik van faxberichten bij schorsingen wegens uiterst dringende noodzakelijkheid vergemakkelijkt. Concreet is het voldoende dat de verzoeker het originele exemplaar van het faxbericht dat zich in het dossier van de griffie bevindt, op de terechtzitting ondertekent.
       2° Het aanbrengen van zegels in kort gedingen wegens uiterst dringende noodzakelijkheid wordt geregeld in artikel 32.
       - Artikel 20. Instellen van beroep tot nietigverklaring
       1° De termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld, wordt beperkt tot dertig dagen, ten einde procedures te versnellen. Deze termijn komt voor in andere bijzondere procedureregelingen, bijvoorbeeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 5 februari 1993 houdende diverse bepalingen tot uitvoering van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet.
       2° Het tweede lid is overgenomen uit artikel 2, § 1, van de algemene procedureregeling, behalve de vermelding dat een woonplaats moet worden gekozen en dat de taal die in artikel 35 voor het verhoor wordt bepaald, moet worden aangegeven.
       3° In verband met het derde lid wordt verwezen naar de redenen die hierboven bij artikel 3 zijn opgegeven. Daarbij valt evenwel op te merken dat het derde lid moet worden gelezen in het licht van artikel 70, § 1, tweede lid, waarnaar in de ontworpen regeling wordt verwezen. Krachtens die bepaling moet, wanneer een vordering tot schorsing is ingesteld, het recht voor de procedure tot nietigverklaring pas worden betaald op het ogenblik dat het verzoek tot voortzetting van de procedure wordt ingediend. Alleen als het beroep tot nietigverklaring niet gepaard gaat met een vordering tot schorsing, kan het ontbreken van de belastingzegels op het verzoekschrift tot nietigverklaring dus tot gevolg hebben dat de zaak niet op de rol wordt geplaatst. Die regeling geldt nu ook al. Daarbij moet artikel 96 van het reglement van orde samen met het voornoemde artikel 70 worden gelezen.
       - Artikel 21. Behandeling door de afdeling administratie
       Uit het eerste lid blijkt dat de termijn waarbinnen de memories kunnen worden uitgewisseld, beperkt wordt tot dertig dagen.
       Het tweede lid zijnerzijds vloeit voort uit de schorsende werking van het verzoek tot herziening bepaald bij artikel 64 van de wet van 15 december 1980.
       - Artikel 22. Ontstentenis van het vereiste belang
       Bij dit artikel wordt artikel 14bis van de algemene procedureregeling aangepast aan de wet van 25 mei 1999 wat de geschillen in vreemdelingenzaken betreft.
       - Artikel 23. Verslag
       Dit artikel is gebaseerd op artikel 12 van de algemene procedureregeling en moet samen met artikel 24, vierde lid, van de gecoördineerde wetten worden gelezen.
       De bewoordingen ".. maakt de auditeur een verslag op waarin hij aangeeft hoe het geschil volgens hem moet worden beslecht" moeten in verband worden gebracht met de eerste zin van het voornoemde artikel 24, vierde lid. Het is de bedoeling dat de auditeur zich daarin beperkt tot de argumentatie die strikt noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil, zoals hij die ziet, zonder alles te vermelden wat normaal in een verslag staat (systematische uiteenzetting van de feiten, vermelding van de processtukken van de partijen, bespreking van alle excepties en alle middelen, zelfs als het voldoende is één middel te onderzoeken om uitspraak te kunnen doen over het geschil). Dat betekent natuurlijk niet dat het onderzoek van het beroep tot nietigverklaring oppervlakkig mag zijn.
       - Artikel 24. Procedure na verslag
       1° Er wordt niet voorzien in een laatste memorie. Die wordt vaak weggelaten in verkorte procedures. De ervaring leert overigens dat de laatste memories in vreemdelingengeschillen summier zijn en vaak louter voor de vorm worden ingediend.
       2° Om de Raad van State evenwel onnodig werk te besparen, wordt bepaald dat de verzoeker die de procedure tot het einde wil voortzetten, uitdrukkelijk om een terechtzitting moet verzoeken als de auditeur in zijn verslag voorstelt om de vordering af te wijzen. Als verzoeker binnen vijftien dagen niet om een terechtzitting verzoekt, spreekt de voorzitter, zodra die termijn verstreken is, de afstand van het geding uit.
       De ontworpen bepaling steunt op het nieuwe artikel 30, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten. Dat artikel biedt immers de mogelijkheid om van artikel 21 van de gecoördineerde wetten af te wijken.
       Dat de verzoekende partij en de verwerende partij anders worden behandeld, is geen discriminatie, zoals uit de rechtspraak van het Arbitragehof blijkt (Arbitragehof, arrest nr. 67/95 van 28 september 1995).
       3° De ratio legis van het tweede lid van paragraaf 1 van artikel 24 ligt hierin dat de verwerende partij het verslag van de auditeur niet eerder ontvangt dan het arrest waarbij wordt vastgesteld dat de verzoekende partij afstand heeft gedaan van het geding.
       - Artikel 25. Oproeping ter terechtzitting
       1° Er wordt voorgesteld om alle processtukken bij de oproeping te voegen (memorie van wederantwoord of toelichtende memorie, verzoek tot voortzetting van de procedure, en zelfs het verzoekschrift in het kader van een versnelde procedure). Het is zaak de uitgaande post van de griffie te beperken.
       2° Het verloop van de terechtzitting wordt geregeld bij artikel 37, dat behoort tot de gemeenschappelijke bepalingen.
       Artikelen 26 en 27. Verkorte procedures
       1° Het doel van artikel 27 is een versnelde, maar lichtere, procedure in te voeren die steunt op artikel 93 van de algemene procedureregeling. In tegenstelling tot wat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 43/98 van 22 april 1998 gesteld heeft, is immers gebleken dat het huidige artikel 93 geen passend zeef vormt om opschortende beroepen te verhinderen, aangezien de procedure waarin dat artikel voorziet verschillende maanden in beslag neemt. Bovendien wordt het auditoraat in zodanige mate overbelast met het opstellen van, vaak zeer formele, verslagen dat de behandeling van de ernstige beroepen vertraging oploopt. Ten slotte gaat die verlichting gepaard met een vereenvoudiging van de procedure in kort geding en zou ze de mogelijkheid moeten bieden de twee procedures aan elkaar te koppelen (om na een versnelde behandeling ten gronde vast te stellen dat de vordering in kort geding doelloos is of dat er geen grond meer is om ze te onderzoeken, zijn slechts korte debatten nodig, zodat de auditeur over deze vordering geen ontwerp van advies meer hoeft in te dienen).
       2° Het doel van artikel 26 is een vereenvoudigde procedure in te stellen, die het midden houdt tussen de zeefprocedure en de gewone procedure, waarbij de laatstgenoemde alleen voor principiële zaken dient te worden toegepast of voor zaken waaraan problemen verbonden zijn die beletten dat de gerechtelijke waarheid gemakkelijk aan het licht wordt gebracht. Zo een onderscheid is immers mogelijk bij de geschillenberechting in vreemdelingenzaken.
       3° Kortom, in de geschillenberechting op vordering tot nietigverklaring kunnen de zaken in drie categorieën ingedeeld worden (zie hierboven over het verband met de procedures in kort geding) :
       a) voor de zaken waarvan de beslechting voor de hand ligt zou alleen de in artikel 27 omschreven procedure dienen te worden toegepast;
       b) de weinig ingewikkelde zaken die slechts korte debatten behoeven zouden worden beoordeeld volgens de procedure van artikel 26;
       c) voor de zaken die een of meer problemen doen rijzen die een snelle beslechting van het geschil verhinderen zou de gewone procedure dienen te worden gevolgd.
       4° Er wordt aan herinnerd dat het doel van de procedures waarnaar verwezen wordt in de artikelen die hier worden toegelicht er onder meer in bestaat de procedure in kort geding achterwege te laten, die immers omzeild zou kunnen worden (zie supra, artikel 4).
       5° De aandacht dient voorts te worden gevestigd op de volgende bijzonderheden :
       a) in het geval van de procedure waarnaar in artikel 27 verwezen wordt, legt de auditeur bij het begin van de terechtzitting, aangezien de oplossing duidelijk is, bondig uit waarom hij die procedure heeft toegepast; de terechtzitting wordt vervolgens voortgezet overeenkomstig artikel 37;
       b) de twee onderzochte procedures kunnen zowel voor een afwijzing als voor een nietigverklaring worden ingesteld.
       - Artikel 30. Gemeenschappelijke bepalingen die gelden voor alle vernietigingsprocedures
       Er is besloten om voor de bepaling van het aantal afschriften van het verzoekschrift af te wijken van de bij artikel 85 van de algemene procedureregeling ingestelde wijze van berekening, wegens de gevolgen die verbonden zijn aan een ontoereikend aantal afschriften.
       - Artikel 31. Administratieve cassatie
       De reden van onderdeel 2° is dat de Raad van State, in administratieve cassatie, niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt.
       - Artikel 32. Kosten
       Ten einde de draagwijdte van de artikelen 68, 70 en 71 van de algemene procedureregeling niet opnieuw ter discussie te stellen (zie het Vademecum betreffende de toepassing van de nieuwe procedureregels, op verzoek van de Raad van State bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 januari 1999), werd besloten om te verwijzen naar de bepalingen van die regeling en alleen de strikt noodzakelijke aanpassingen aan te brengen.
       Die zijn drieërlei.
       Met de eerste twee worden in de ontworpen regeling technische aanpassingen aangebracht.
       De derde aanpassing is onder andere te verklaren door het feit dat het ontwerp de bevestigingsfase volledig schrapt, zelfs in geval van schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en bij verstek.
       Net zoals hierboven aanbevolen wordt, namelijk om de uitzonderlijk per fax overgezonden vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid ter terechtzitting te waarmerken door die vordering te laten ondertekenen door verzoeker of zijn raadsman, wordt voorgesteld om, behalve in geval van overmacht, de zegels op hetzelfde moment aan te brengen, als ze al niet aangebracht zijn op een origineel dat langs de normale weg bij een ter post aangetekende brief overgezonden is. De overmacht zal vanzelfsprekend op grond van de concrete omstandigheden worden beoordeeld; hier worden bijvoorbeeld de vorderingen bedoeld die tijdens het weekend ingesteld en beoordeeld worden.
       Zoals gebruikelijk dienen de gevallen waarin om gerechtelijke bijstand wordt verzocht vanzelfsprekend buiten beschouwing te worden gelaten.
       - Artikel 33. Pro Deo
       1° De term "pro deo" wordt vermeld in artikel 30 van de gecoördineerde wetten.
       2° Artikel 30 van de gecoördineerde wetten machtigt de Koning om bijzondere regels vast te stellen voor het verlenen van het voordeel van het pro Deo aan de onvermogenden. De artikelen 78 en volgende van de algemene procedureregeling, waar inzonderheid verwezen wordt naar artikel 676 van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de over te leggen documenten, voorzien in een regeling die evenwel in geringe mate verenigbaar is gebleken met de bijzondere situatie van de vreemdelingen. Het was bijgevolg noodzakelijk de regels met betrekking tot het pro deo aan de specifieke situatie van de vreemdelingen aan te passen, ten einde de toegang tot het administratieve rechtscollege te vergemakkelijken voor diegenen die het werkelijk nodig hebben.
       3° In het voorgestelde artikel worden alle categorieën van rechthebbenden opgesomd. De minderjarigen, de personen die steun ontvangen van een O.C.M.W., de personen die gevangen gehouden worden of die op een bepaalde plaats worden vastgehouden, alsmede degenen die reeds beschikken over een advocaat die juridische tweedelijnsbijstand verleent, zullen daardoor kosteloze rechtsbijstand genieten. De anderen zullen die bijstand genieten onder overlegging van "alle bewijskrachtige documenten".
       4° In de voorgestelde tekst wordt ingegaan op de bijzondere situatie van buitenlandse onderdanen door te bepalen dat minderjarigen de mogelijkheid hebben aan te tonen dat ze minderjarig zijn, onder overlegging van hun identiteitsbewijs, maar ook van alle andere documenten waaruit hun minderjarigheid blijkt. Het gebeurt immers dat kinderen of adolescenten in België aankomen zonder reisdocument. In dat geval volstaat het dat de overheid de verzoeker als minderjarige heeft behandeld (bijvoorbeeld door de afgifte van bijlage 38) opdat hij kosteloze rechtsbijstand kan genieten.
       De kosteloze rechtsbijstand wordt voorts niet alleen toegekend aan personen die gevangen gehouden worden, maar ook aan degenen die op een bepaalde plaats, hetzij aan de grens, hetzij op het grondgebied, worden vastgehouden.
       Onderdeel 5° ten slotte is voldoende ruim gesteld om ook het geval te omvatten van verzoekers die tijdens hun verblijf in het buitenland bij de Raad van State beroep wensen in te stellen (bijvoorbeeld tegen de weigering van een visum met het oog op een gezinshereniging). De bewuste documenten kunnen uitgaan van een buitenlandse overheid of buitenlandse dienst.
       - Artikel 34. Keuze van woonplaats
       Dit artikel is overgenomen uit artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 juli 1981 en uit artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 december 1991.
       Overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State is de woonplaatskeuze een ontvankelijkheidsvoorwaarde.
       De Raad van State interpreteert deze vereiste evenwel op een ruime manier, ondermeer indien een vreemdeling zijn verzoekschrift zonder bijstand van een raadsman heeft ingediend. In dit geval zal de eenvoudige vermelding van een adres in België, waar de vreemdeling bereikbaar is, in het verzoekschrift als woonstkeuze gelden. Deze kan dan niet meer worden gewijzigd dan bij uitdrukkelijke schriftelijke kennisgeving aan de hoofdgriffier.
       - Artikel 35. Aanwijzing van een tolk
       - Artikel 35 regelt de procedure wanneer de Raad van State besloten heeft de betrokkene te horen en er een beroep dient te worden gedaan op een tolk. De verklaring voor de verwijzing naar de omstandigheid dat de verzoekende partij "niet het Nederlands of het Frans heeft gekozen als taal waarin haar asielaanvraag door de overheid wordt onderzocht", is te vinden in artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980, alsmede in de artikelen 2 en 8 van de wet van 10 juli 1996 tot wijziging van de voormelde wet.
       - Artikel 37. Terechtzitting
       1° Artikel 37, een bepaling die van toepassing is op alle procedures, regelt het verloop van de procedure.
       2° Gelet op het aantal beroepen en opnieuw om het onderzoek van middelen zoveel mogelijk achterwege te kunnen laten, wordt paragraaf één overgenomen uit artikel 4 van het koninklijk besluit van 5 december 1991, dat aldus tot de procedure inzake nietigverklaring wordt uitgebreid. Het beoogde doel is dat de Raad van State zich alleen zou bezighouden met zaken waarvoor verzoekers tot het einde van een werkelijk belang doen blijken. De rechtspraak die opgebouwd is rond het voormelde artikel 4 zal worden toegepast. Het geval van overmacht dient vanzelfsprekend buiten beschouwing te worden gelaten. Er wordt voorts bepaald dat in iedere kennisgeving van een beschikking tot bepaling van de rechtsdag dient te worden verwezen naar de toegelichte bepaling (zie artikel 40).
       - Artikel 38. Verwijzing naar bepalingen van de algemene procedureregeling
       Er wordt niet verwezen naar artikel 84, zesde lid, van de algemene procedureregeling wegens de verplichting om woonplaats te kiezen en gelet op artikel 34 van het ontwerp.
       - Artikel 40. Diverse bepalingen
       Om misrekeningen te voorkomen, moet in de beschikkingen tot bepaling van de rechtsdag de aandacht van de justitiabelen worden gevestigd op de gevolgen van hun verstek, dat niet door overmacht gerechtvaardigd zou zijn.
       2. Het doel van het tweede lid van artikel 40 is de partijen die over elektronische post, processtukken en dossiers op informaticadrager beschikken, ertoe aan te zetten een exemplaar hiervan per elektronische post over te zenden opdat de verschillende diensten van de Raad van State ze gemakkelijker kunnen raadplegen.
       Omwille van de rechtszekerheid kunnen de aldus overgezonden documenten alleen als afschrift gelden en houdt die overzending geen vrijstelling in van de afgifte van exemplaren op papier waarvan hierboven sprake is.
       - Artikel 41. Wijzigingsbepalingen
       In artikel 41 worden de vermeldingen in de bijlagen bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, die dienen om de eventueel omstreden beslissingen ter kennis te brengen, aangepast aan de nieuwe termijnen waarin het ontworpen besluit voorziet.
       - Artikel 43. Overgangsbepalingen
       Er wordt voorgesteld om het beginsel van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe bepalingen op de lopende procedures als volgt aan te passen :
       1° om te voorkomen dat de justitiabele die beroep instelt na de inwerkingtreding van de nieuwe regeling, misleid wordt (bijvoorbeeld wat betreft de termijn van dertig dagen) door de vermeldingen (zestig dagen, in de bijlagen bij het voormelde koninklijk besluit van 8 oktober 1981) in de kennisgeving van de bestreden beslissing, die vóór die inwerkingtreding heeft plaatsgehad, wordt voorgesteld dat de nieuwe artikelen die het instellen van vorderingen en beroepen regelen, niet van toepassing zouden zijn op zaken die ingediend worden na de bewuste inwerkingtreding, maar die betrekking hebben op akten die vóór die inwerkingtreding ter kennis gebracht zijn;
       2° dezelfde idee ligt ten grondslag aan de bepaling dat de nieuwe termijnen voor de toezending van de memories of andere verzoeken tot voortzetting van de procedure alleen van toepassing zijn indien die termijnen worden vermeld in de kennisgevingen die door de griffie worden gedaan;
       3° ten slotte blijft de huidige procedure in kort geding van toepassing wat de hangende zaken betreft, met uitzondering evenwel van de nieuwe procedure die het gevolg is van het niet voortzetten van de procedure (behalve eventueel wat betreft de termijn waarin die voortzetting kan worden gevraagd, zie onderdeel 2° hierboven).
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       Van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaar,
       De Minister van Binnenlandse Zaken,
       A. DUQUESNE
       ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE
       De Raad van State, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 14 juni 2000 door de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen", heeft op 20 juni 2000 het volgende advies gegeven :
       Overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.
       De motivering in de brief luidt aldus :
       " (l'urgence).. est motivée par les circonstances suivantes :
       - l'entrée en vigueur, le 30 mai 2000, de la loi du 18 avril 2000 modifiant les lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, ainsi que la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
       - il s'indique, compte tenu de l'importance sans cesse croissante de ce contentieux ainsi que de la nécessité d'en assurer un traitement plus rapide et plus efficace par le Conseil d'Etat, de pouvoir appliquer dans les meilleurs délais les nouvelles règles de procédure particulières au contentieux devant le Conseil d'Etat des décisions relatives à l'accès au territoire, au séjour, à l'établissement et à l'éloignement des étrangers;
       - il en va notamment ainsi en ce qui concerne les recours qui pourraient être très prochainement introduits contre des décisions prises en application de la loi du 22 décembre 1999 sur la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume et ce, à la suite de la récente mise en place des chambres de la Commission de régularisation créée par cette loi,
       - l'avant-projet de règlement de procédure particulier a par ailleurs été rédigé par la section de législation du Conseil d'Etat, en application de l'article 6 de ses lois coordonnées, et seules quelques modifications de détail ont été apportées à ce texte;
       - il résulte de ce qui précède que le texte doit entrer en vigueur le plus rapidement possible tout en veillant cependant à ce qu'un temps suffisant soit laissé entre sa publication et son entrée en vigueur, afin de permettre aux administrés, à l'administration et au Conseil d'Etat de se familiariser avec ce texte ou de prendre les mesures nécessaires pour s'y conformer notamment en ce qui concerne les programmes informatiques et les formulaires de notification des décisions. ".
       Wanneer de afdeling wetgeving een advies heeft gegeven, heeft ze, volgens haar vaste rechtspraak (1), haar bevoegdheid opgebruikt; het komt haar derhalve niet meer toe om zich opnieuw uit te spreken over reeds onderzochte bepalingen, ongeacht of deze ongewijzigd zijn gebleven, ze herzien zijn teneinde rekening te houden met haar opmerkingen of ze intussen de rechtsgrond verkregen hebben die ze eerst niet hadden.
       ( (1) Deze rechtspraak wordt gedeeld door de afdeling administratie; zie, onder andere, arrest nr. 54.141 van 30 juni 1995, de vereniging zonder winstoogmerk "Clinique Sainte Elisabeth", waarin wordt gesteld dat " .. wanneer de minister het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft ingewonnen, hij alleen nogmaals op haar een beroep mag doen, als hij van plan is om in het ontwerp belangrijke wijzigingen aan te brengen die losstaan van de opmerkingen of voorstellen van de afdeling wetgeving. ". )
       Het voorontwerp van bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen is door de afdeling wetgeving opgemaakt, met toepassing van artikel 6 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Krachtens die bepaling legt de aanvrager de stof en het voorwerp van het voorontwerp vast. Uit de toelichting bij voorontwerp L. 29.892/4 van 6 maart 2000 blijkt dat de afdeling wetgeving de geldigheid van het aan haar gerichte verzoek heeft nagegaan. De Raad van State komt immers niet het recht toe om zich een tweede maal uit te spreken over het geheel of over een deel van de tekst waarover hij reeds een advies heeft gegeven.
       Het onderzoek heeft dan ook uitsluitend betrekking op recentere aspecten dan die welke aan de orde waren in voorontwerp L. 29.892/4, namelijk :
       - toetsen of de afdeling wetgeving van de Raad van State op geldige wijze is geadiëerd;
       - toetsen of de voorafgaande vormvereisten correct zijn vervuld;
       - toetsen of de rechtsgrond, die verschaft wordt door de wet van 18 april 2000 tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, alsook van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad van 20 mei), dus na de redactie van het voorontwerp, conform het voorontwerp van wet is op grond waarvan de afdeling wetgeving haar tekst heeft uitgewerkt;
       - de wijzigingen toetsen die aangebracht zijn in het door de afdeling wetgeving opgestelde voorontwerp.
       Uit die toetsing is gebleken dat over het ontwerp van koninklijk besluit geen opmerkingen behoeven te worden gemaakt.
       De kamer was samengesteld uit :
       De heren :
       J.-J. Stryckmans, eerste voorzitter;
       P. Quertainmont en P. Vandernoot, staatsraden;
       Mevr. J. Gielissen, toegevoegd griffier.
       Het verslag werd uitgebracht door de heer X. Delgrange, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer P. Brouwers, referendaris.
       De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J.-J. Stryckmans.
       De griffier,
       J. Gielissen.
       De eerste voorzitter,
       J.-J. Stryckmans.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie